Wervik staat in brand

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     548 Views     Leave your thoughts  

Onze-Lieve-Vrouw, je weet wel; die maagd-moeder van Jezus, laat voor een eerste keer van zich spreken in het nabijgelegen Dadizele. ‘Eenen persoon van Kortrijk word miraculeuzelijk genezen van stomheid in de kerk van O.L. Vrouwe tot Dadizeele’. In 1413 wordt Vlaanderen opnieuw geplaagd door een soort van pest of besmettelijke ziekte, ‘beginnende met pijne in de kele en hoest, men noemde haar in ‘t walsch La Heugnette’. Ik verhuis naar het jaar 1419. De Kortrijkse eucharistievieringen ten bate van een vrede tussen Frankrijk en Jan zonder Vrees hebben niets uitgehaald. Onze hertog ondergaat zijn zwanenzang. Veel woorden maken de jaarboeken er niet aan vuil: ‘Op den 10 december wordt den hertog Jan verraderlijk vermoord door den dolphyn van Vrankryk tot Montereau-Fautyonne. Zijn zoon Filips de Goede volgt hem op als graaf van Vlaanderen. In 1421 onderneemt zoonlief een poging om zijn vader te gaan wreken. Nogal wat Vlaamse edelen, met onder hen eveneens Zeger van Kortrijk, vergezellen hem naar het zuiden.

‘In de nacht tussen 19 en 20 november van 1421 bij een grote storm en springvloed, stroomde de zee zeer veel land over in Vlaanderen, Holland en Zeeland, bezonderlijk verging al het land tussen Dordrecht en Geertruydenberg alwaar nu den Biesch-bosch is.’ In 1425 verkoopt Margaretha van Gistel, de weduwe van Jan Antoing haar heerlijkheid van Wervik (Oosthove) aan hertog Filips de Schone. Er is in dit jaar sprake van de bouw van de toren bij de Steenpoort. De stad moet in die jaren een gevoelige transformatie ondergaan. ‘Ten dezen jare 1426 word de beest- of houtmarkt van buiten in het voorgeborgt van Overbeke gebracht en geplaatst op eenen daar toe gekochte grond en omtrent dezen tijd wordt gemaakt de Vismarkt en het Vleeshuis, en de gildenhuizen worden gebouwd.’

Op 16 juli herbevestigt de hertog het bestaan van de lokale jaar- en paardenmarkt. De zomer van 1426 vult zich met gezapig komkommernieuws. Zo bijvoorbeeld de processie die op 22 juli gehouden wordt richting ‘de Magdalena Kapelle, voor onze hertog, voor ‘t schoon weder en voor de vrede’. Filips de Goede zakt trouwens diezelfde dag af van Rijsel naar Kortrijk, ‘en na het noenmaal genomen te hebben is hij naar Deinze gaan logeren.’ Ik ploeter eerder verveeld verder door het jaarboek. Jaren gevuld met sprokkelnieuws met uitzondering van een ongelukkige brand in het Komen van 1428, zorgen er voor dat ik noodgedwongen verder reis naar het jaar 1436.

Bisschop Joannes van Doornik en enkele andere personen van gezag adviseren de hertog om Calais in de tang te nemen. Het is het begin van een woelige periode in Vlaanderen. Calais is al jaren een door de Engelsen bezet landhoofd in Frankrijk en Filips de Goede zou daar beter eens een eind aan maken. ‘Waar op den hertog in het begin van junius de monstering doet over de Gentenaars, die reeds gereed waren om naar Calis te vertrekken.’

Ik heb het al enkele keren gehad over die bewuste veldtocht naar Frankrijk. Misschien is het nuttig om de kroniekschrijvers van Kortrijk eens hun zeg te laten doen, zonder mijn eigen bemoeienissen. Ik permitteer me alleen wat boetseerwerk aan de oude spelling.

‘Op den 10 junius, vertrokken zij van Gent naar Deinze en Petegem, alwaar zij vernachten, van daar voorts trekkende langs de Leie en door Kortrijk naar Armentiers. Die van Kortrijk voegden hun daar bij met hun kapitein, Gerard van Gistel. Het magistraat van Kortrijk licht een somme van 10.000 ponden paresise tot het betalen der gagien van de gene die optrokken. Aleer zij van hier vertrokken, wierd er een solemnele misse gezongen en een processie gehouden in St.-maartenskerk. De Bruggelingen voegden hun daar bij tot Grevelingen.’

‘Op den 29 julius had men alhier eenen groten overvloed van zoet water. In de maand augustus, na een vruchteloze belegering, verlaten de Gentenaars op een oproerige wijze het beleg, niet tegenstaande het verzoek van de hertog. De andere steden volgden hun voorbeeld, onder andere Haarlem en Leiden, welke twee laatste steden twee overgrote stukken geschut, genaamd Hoppenbier en zwarte Griet, in den brand laten.’

Hoppenbier en zwarte Griet. Nooit van gehoord. Ik onderbreek de Kortrijkse getuigenissen die me trouwens verrassen met het nieuws dat ook de noordelijke provincies betrokken waren bij de raid op Calais. Haarlem en Leiden. Ik stel mijn zoekmachine in op ‘Hoppenbier en zwarte Griet’ en arriveer meteen bij een Nederlands rederijkersvers uit die tijd. Een rijmkroniek die me op een of andere manier aantrekt, al is het maar om de wijze waarop een zomer van frustraties hier op ongenadige manier gefileerd wordt en herleid tot de botte waarheid. Ik waag me er aan om de bewuste (licht aangepaste) verzen over te nemen.

Men gespt het harnas aan. Filips verschijnt in het veld.
Gevolgd van helden uit zijne aangeërfde landen.
Bourgondië’s machtig heir bedekt de Vlaamse stranden.
De Zeeuw en Batavier verschijnen op de beê.
De hertog met een vloot, bruisend door de zee.
Ze laten, voor Calais gezeild hun ankers vallen.

Het Neêrlands heir omringt aan d’ andren kant de wallen,
die Engeland beschermt met dapperheid en moed.
Men nadert met de vloot, en stormt in vuur en bloed,
dat naar de hemel spat, of in ‘t gezicht der helden,
die voor het kroonrecht zich in de spits van de oorlog stelden.

De dappere Brit ontziet noch stormtuig, spiets noch zwaard,
en brult gelijk een leeuw die zijn buit bewaart.
Dus kan ‘t manhaftig heir de vesting niet verwinnen,
die nog manhaftiger verdedigd wordt van binnen.
Dat talleloze heir, dat ze veel te lijden had,
voor legerwagens, als de Britten in de stad
soldaten telden, moest met schade en schande wijken.

De Vlaming zag men eerst lafhartig heen strijken,
gevolgd van al het heir. Daarna verdwijnt de vloot,
en laat de veldheer met zijn lijfwacht in de nood.
Daar heeft het Haarlems heir ten spijt van zijn soldaten,
een stuk geschut genaamd den Hoppenbier gelaten,
en leidde een dergelijk, genaamd de zwarte Griet.
De dappere hertog kropt zijn gramschappen verdriet,
maar dacht aan Vlaanderen dit op zijn tijd te wreken.

De Haarlemse rederijkers kunnen maar zo duidelijk zijn: de Vlamingen hebben hertog lafhartig in de steek gelaten en zullen hiervoor op tijd en stond de rekening gepresenteerd krijgen. Met die wetenschap in het achterhoofd vervolg ik mijn reis door de Kortrijkse kronieken.

‘Tot Brugge en Gent ontstaan grote troebels. De heer Gerard van Gistel wordt tot overste van Kortrijk aangesteld.’ De Kortrijkzanen laten me alle hoeken van de kamer zien, maar ik geef niet af; ‘de instelling van ‘t gebruik van het klippen van de Angelus, was tussen de jaren 1430 en 1444 tot Luik, ten minste ‘s morgens ingebracht, door de heer Petrus De Mull, kanunnik van St.-Pauwels.’

‘1437. Op de 31 januarius, wierd de naam van koude donderdag gegeven, wanneer de felle wind al het graan uitroeide. Op den 21 mei, de hertog trekt van Rijsel naar Brugge, langs Roeselare, met zeer veel krijgsvolk en ridders, waar onder Judovicus van Lichtervelde, heer van Heule.’ De Hollanders krijgen gelijk: de poppen gaan al aan het dansen in Vlaanderen.

‘In ‘t begin van augustus, de drie staten van Vlaanderen komen tot Kortrijk bijeen, om er de hertog met die van Brugge te trachten te verzoenen, ‘t gene door den hertog veracht wordt, en de vergadering niet wilt bijwonen. Op den 5 november, de Gentenaars met hunne onderhorige onder Kortrijk zijnde, trekken tegen de Bruggelingen op naar Eeklo. Op den 27 dito, die van Kortrijk en Oudenaarde berispen de Gentenaars over hunne baldadigheden, ten welke opzichte tussen hun een twist en gevecht ontstaat, gedurende ‘t welk de Brugse gijzelaars vluchten.’

‘Op den 29 november, de Gentenaars benevens de Kortrijkzanen scheiden tot Eeklo en keren naar hun onderlinge steden terug, de winter beginnende zeer koud te worden. Deze reis heeft aan de stad zeer veel geld gekost.’ De winter maakt evenwel geen einde aan de onrust en vijandelijkheden in Vlaanderen. ‘Op den 8 december, Algort den bastaard van Halewyn en de baljuw van Deinze worden als rovers gevangen en naar Brugge geleid om dat zij eenen wagen met goed geroofd hadden, toebehorende aan enige kooplieden uit Lombardien. ‘Op den 13 dito, den gezeiden bastaard van Halewyn wordt met de andere rovers tot Brugge onthoofd.’

Buiten het nieuws van een bende booswichten die het land teisteren, de vlaeders en een schietspel in Gent tijdens 1439 valt er in mijn kronieken geen pittig nieuws te lezen. Oh ja; op 9 november 1439 verhuist de zetel van de raad van Vlaanderen naar Kortrijk, maar op aandringen en smeken van de Gentenaars keert die twee jaar later terug naar hun stad. 29 juli 1440 is weer zo een van die dramatische dagen voor Wervik: ‘omtrent den avond is er een schrikkelijken brand ontstaan die meer als duizend huizen verslonden heeft.’

Het klimaat is zowat de enige hoofdrolspeler tot aan 1448. Het begint al in 1442: ‘den zomer is dit jaar buitengewoon droog geweest, hebbende maar zes maal geregend van den 1 mei tot den 1 oktober. Den winter is zeer droog en hard geweest en de vijvers tot de grond toevriezende is al den vis vergaan.’

‘Op den 1 mei van 1443 is er alhier zo veel sneeuw gevallen als men van ‘s mensens geheugen oot gezien heeft. Op den 10 dito had men eene zeer zware hagelvlaag. De stukken waren zo groot dat vele mensen builen in hun hoofd daar door bekomen hebben. Op den 24 junius 1444 begonst het te regenen, aanhoudende tot Baefmisse, waar door het koorn bedierf en eene groote dierte veroorzaakt was.’

‘Op de Palmzondag van 1446 had men alhier een zeer felle stormwind, hagel, enzovoort die grote schade veroorzaakt heeft. Op den 10 april 1447 had men een grote stormwind, hagel en sneeuw, veroorzakende veel schade. Na een grote droogte gedurende de maanden mei en junius, had men tussen zes en zeven uren ‘s avonds een zeer geweldigen storm, gemengeld met donder en zware hagelstenen, dat niet alleen de landvruchten maar ook een menigte gebouwen zeer beschadigd wierden.’

De onrust in Vlaanderen steekt weer al eens de kop op. De Kortrijkse annalen laten hun weerberichten achterwege en hebben het opnieuw over de spanningen in het land. ‘Vlaanderen door de langdurige vrede en zijn bloeiende koophandel zeer rijk geworden zijnde, was vervolgens het volk zeer baldadig geworden.’ De onrust heeft vooral te maken met extra belastingen van hertog Filips. ‘In de maand maarte 1448; den hertog Philippus wil een last opstellen van 18 schelen Parisis op iedere zak zout, ‘t geene groot misnoegen veroorzaakt en eerst door de Gentenaars geweigerd wordt, waardoor een grote vijandschap tussen die en de hertog is ontstaan.’ De grond davert weer onder ieders voeten en dat heeft niet enkel te zien met de onrust. ‘Op den 23 april ‘s morgens tussen 3 en 4 uren gevoelde men alhier een zware aardbevinge die een uur duurde.’

.

Verschijnt in de loop van 2017 in deel 6 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>