50 jaar oorlog en vrede in Veurne

Tussen 1436 en 1486 is de oorlog nooit veraf voor de Veurnenaars. De Fransen blijven maar dreigen in de Westhoek terwijl de Bruggelingen in het verzet komen tegen de hertog. Met de komst van Maximiliaan van Oostenrijk keren de kansen voor Vlaanderen en valt de oorlog eindelijk stil aan de Vlaamse grenzen. Er komt tijdelijk wat rust in de Westhoek.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Ik stap nog maar eens binnen in de ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’. De Engelsen zijn de voorbije maand met 12.000 soldaten de grens overgestoken en hebben lelijk huis gehouden in het Westland. Vooral Poperinge en Roesbrugge hebben het moeten ontgelden. Maar, gelukkig voor Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort ontplooit de oorlog zich nu verder in het noorden van de provincie.

Op 10 augustus 1436 landt er een Engelse scheepsvloot aan de kust van Oostende waar grote konvooien ontschepen en hun weg inzetten richting het Oostvrije, de streek van Maldegem en Eeklo. Met overal weer grote schade natuurlijk. Jan van Hoorne, de heer van Bausigny en Hondschoote, pas benoemd tot kapitein-generaal van West-Vlaanderen, verlaat zijn bolwerk te Sluis om, in naam van de hertog, een riem onder het hart te steken van die van Veurne en van Nieuwpoort. Hij besluit om incognito te reizen en dat wordt hem noodlottig. De ‘Kronyk van Vlaenderen’ heeft het over Jan van Huerne.

Zijn sluiks bezoek aan de Westhoek breekt de kapitein-generaal zuur op. Enkele landslieden van het Brugse Vrije houden de wacht ter hoogte van Oostende en pakken Jan van Hoorne op. Is hij niet de man die verantwoordelijk is voor al die beroering en het oprukken van de Engelsen? Hij was het toch die de Bruggelingen en de Gentenaars en de rest in de steek gelaten heeft daar ter hoogte van Calais? Het was toch zijn vloot die rechtsomkeer gemaakt heeft en het West-Vlaams landleger voor een onmogelijke opdracht plaatste?

Kortom: ‘sy verweten hem dat hy de oorsaecke was van alle de bestaende beroerten ende verwoestingen, om dat hy met de vlote, die hy aenvoerde, uut zee gevlucht was, ende de gone vande Engelschen niet afgewacht hadde om slagh te leveren, daer door het belegh van Cales moeste opgebroocken worden.’ ‘Daerom vielen sy hem op ’t lijf, ende gaven hem soo vele slagen ende stooten dat hy veerthien dagen daer naer van gestorven is.’

In Veurnambacht zijn ze er ondersteboven van als ze het nieuws van de molestatie van de kapitein-generaal te horen krijgen. Ze sturen prompt een afgevaardigde naar Brugge met de eis om de moordenaars voor hun daden te laten vervolgen. Maar in Brugge hebben ze weinig oor naar de eisen van die van Veurne. Meer zelfs: de Bruggelingen zin van plan om opnieuw de wapens op te nemen tegen de hertog. Als van Hoorne gedood werd, dan is het zijn eigen schuld, zeggen de Brugse ambachtslieden. ‘Hy was te rechte gedoodt ende datter noch vele van ’s princens rade alsoo ’t leven hadden moeten verliesen.’

Nee. Rede is er niet te vinden in Brugge en de gedeputeerden keren dan maar onverrichterzake terug naar Veurne. Een tijdje later wordt een zekere Boudin Diers opgepakt in de kasselrij van Veurne terwijl hij de gewone mensen van de streek, het gemeen, probeert over te halen om de zijde te kiezen van de Bruggelingen. Tegen de prins. Diers verschijnt voor de rechter en wordt prompt beschuldigd van medeplichtigheid op de moord van Jan van Hoorne. ‘Bekennende van by de geseyde moort tegenwoordich geweest te zijn, is hy by vonnisse veroordeelt om levendich gevierendeelt te worden.’

Hoe moet dat eigenlijk zijn om levend in vier brokken gescheurd te worden? Ik heb vreemd genoeg wat moeite om mezelf in de plaats van de veroordeelde te stellen. Nu de Engelsen verdwenen zijn uit de Westhoek achten de Veurnenaars het opportuun om extra hulp te gaan zoeken bij Filips de Goede. Die bevindt zich in Sluis en dat is waar de kapitein van Veurne-Ambacht en Pieter Van der Meersch, naar toe gaan. ‘Bystandt’ willen ze, met het dringende verzoek om ‘andere voorsienichheden, die tot welvaren van den lande ofte tot beter bewaringe der stadt ende casselrie behoorden.’

De hertog en de Raad van Vlaanderen zijn er voor beducht dat de besloten steden in het zuiden van West-Vlaanderen zeker niet in vijandelijke handen mogen vallen en ze sturen het duo terug naar Veurne met een bevelschrift dat alle inwoners van Veurne-Ambacht, de buitengebieden dus, zich zo snel mogelijk naar de stad Veurne moeten reppen om die te helpen bewaren tijdens mogelijke aanvallen.

Op 29 augustus 1436 gaat er in hun Veurnse landhuis een algemene vergadering door van het magistraat van de kasselrij. Iedereen die ook maar wat in de pap te brokken heeft, wordt opgeroepen om er aanwezig te zijn. De adel en de meeste notabele personen bespreken onder elkaar hoe ze best het hertogelijk bevel kunnen inwilligen. De opdracht is verre van evident. De buitenmensen zitten volop in de oogst en hier en nu alles achterlaten moet een ongelooflijke weerstand bij de landbevolking oproepen.

Wie zal er dan trouwens instaan voor de veiligheid op het land? ‘Sy besloten er, van aen den inhoudt der letteren te voldoen voor soo veel als ’t mogelick was; men soude tot dies niet al het gemeente der casselrie in de stadt doen commen, maer wel een groot deel van die, om dat de streecke niet sonder het volck soude blijven dat daer nootsaeckelyk was, soo tot beschermingh der selve, als om er den lantbou te doen: want het werck van den ougsttijdt was door alle de voorgaende gebeurtenissen seer verachtert.’

Ook in de streek van Duinkerke wordt een gelijkaardige vergadering gehouden. De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht zijn er ook bij. Samen met die van Bergen en Bergen-Ambacht en natuurlijk de wethouders van Duinkerke. Het veilig behoud van deze stad staat eveneens hoog op de agenda. De Veurnse kronieken hebben de situatie in en rond Brugge lange tijd genegeerd, maar stilaan merken ze hier in het Westland wel dat die zijn impact begint te krijgen op de gebeurtenissen in Vlaanderen.

Terwijl de Engelsen ongenadig huis houden in het noorden van West-Vlaanderen, keren de Bruggelingen zich nu volledig tegen hun prins. Veel heeft te maken met de voorkeursbehandeling die Sluis krijgt van Filips de Goede en zijn flagrante inbreuk op de privileges die Brugge al eeuwenlang in stand houdt m.b.t. de havenstad. En ook de beslissing om van het Brugse Vrije een vierde lid van de Raad van Vlaanderen te maken, stuit op een ongelooflijke weerstand bij de Bruggelingen. ‘De opstandelingen coren eenen capiteyn, om onder sijnen bevele te velde te trecken’. Zo ver is het dus al gekomen.

Terwijl de hertogelijke troepen het onderste uit de kan moeten halen om de Engelsen te beteugelen, krijgen ze nu op het veld te maken met een volksleger dat zich tegen hen keert. Het moet er bijzonder bitsig aan toe gaan. ‘Sy deden vele moedtwillichheden jegens de weerdichheyt van hunlieder prince. Welhaest liepen sy over al het lant ende in alle de steden die onder Brugge stonden, ende trachten het volck van dien te verleyden ende te bewilligen om hunlieder zijde te volgen.’

De Brugse rebellen zakken natuurlijk ook af naar het zuiden van de provincie, maar ze vangen er vooral bot. ‘Om het selve oogwit quamen sy naer Veurne, gelijck oock naer Niepoort, Dixmuyde, Bergen, Duynkerke, Brouckburgh ende Grevelynghe; maer verre van gehoor te hebben, wierden de poorten van die plaetsen voor hun neuse gesloten, ende men trachte selve de Bruggelingen van hun voornemen te doen afsien, ende hun te bewegen tot de gehoorsaemheyt die sy hun prince schuldich waren.’

De jaarboeken van Veurne zijn ongetwijfeld geschreven door aanhangers van de hertog. Dat lijkt me duidelijk als er gesproken wordt over het ‘goede voorbeeld’ dat de inwoners van Lo niet volgen. Omdat ze daar vrezen voor represailles, kiezen ze dan maar de Brugse zijde en trekken ze met hun wapens en standaarden op naar het centrum van die stad. Ook van die vergeldingsmaatregelen geloof ik niet al te veel als ik die Veurnse vooringenomenheid proef. Die van Lo zijn niet de enigen die de kant van de Bruggelingen kiezen.

Ook het volk van Oostende, Lombardsijde, Gistel, Oudenburg ‘ende andere smalle ende opene stedekens ende prochien ontrent Brugge gelegen’ volgen hun voorbeeld. Ik kan heel goed de aan paniek grenzende ontsteltenis begrijpen die hand over hand toeneemt in de kasselrij van Veurne. Met de Engelse legers op eigen bodem is er meer dan ooit nood aan eendracht om het geweld af te blokken. En het tegendeel is helaas waar. Wat voor een moment is dit nu eigenlijk om ruzie te maken met de graaf en vooral onder elkaar? In Veurne vrezen ze terecht dat ‘de Engelschen daer door groote voordeelen souden connen hebben verkrijgen ende te gemackelicker het lant voorder souden afloopen.’ In Gent en in Rijsel worden er vergaderingen georganiseerd om de West-Vlaamse steden en kasselrijen weer op één lijn te krijgen.

Pauwel Heinderycx weet uit goede bron dat de Veurnenaars zich daar gaan beklagen over het feit dat hun keurheren en hun wethouders voortdurend ingezet worden ten behoeve van de Raad van Vlaanderen en dat de naleving van de wetten in de eigen streek nagenoeg volledig verwaarloosd wordt. De misdaad tiert blijkbaar welig in het Westland en die van Veurne krijgen tijdens de vergaderingen toch op zijn minst het recht om zich tijdens bepaalde zitdagen te mogen concentreren op de lokale wetgeving.

Ik krijg een lijstje van de personen die in 1436 deel uit maken van dat magistraat. Jan De Baenst figureert er als hoogbaljuw, bijgestaan door Charles van Pollinckhove, de landhouder van de commune en Philips van Haveskercke die landhouder is van de wet. Ik tel 18 schepenen en het lijstje van notabelen en edelen is met zijn 45 stuks nog langer. Pauwel pronkt met de figuren en de samenstellingen van de wapenschilden van de belangrijkste geslachten. Mij kunnen ze geen reet schelen. De 65 topmensen van Veurne en Veurne-Ambacht wonen allemaal de vergaderingen in Gent en Rijsel bij. En blijkbaar zijn er prominente streekfiguren die hun kat sturen. Ik vraag me af of ze misschien Brugsgezind en dus tegen de hertog zijn.

Maar de oude geschriften lossen niets. Ik krijg wel weer nieuws te lezen over de Engelse speldenprikken. We zijn ondertussen aanbeland in 1437. ‘In ’t eerste des jaers 1437, cruysten d’Engelschen met eenige schepen langst de Veurnambachtsche zeecusten.’ De oorlog is opnieuw gevaarlijk dichtbij. ‘Sy stelden uut deselve drije hondert mannen aen lande ontrent de prochie van Adinckercke, welcke een groot deel der selve uutroofden, ende bovendien eenige lantslieden doodt smeten. Voor dat sy in hunne schepen wederom trocken, staecken sy vier in verscheydene huysen ende hofsteden.’

Het magistraat van Veurne-Ambacht besluit om maatregelen te nemen om dergelijke rooftochten in de toekomst te verijdelen en organiseert inderhaast een algemene vergadering in hun ‘lantshuys’ te Veurne. Er zullen tijdens de nacht voortaan dertig mannen te paard de kust afrijden tussen Nieuwpoort en Zuudcote. Elke kerktoren in Veurne-Ambacht zal bemand worden door twee bewakers die bij het minste onraad alarm zullen slaan. Vier mensen zullen van kerk tot kerk lopen om de mensen op de hoogte te brengen van eventuele vijandelijkheden. De burgers worden verplicht om hun wapens altijd bij zich te houden en wie dat niet doet, riskeert een grote boete.

Wouter van Gistel heeft het uitstekend gedaan als kapitein van de troepen en hij wordt in 1437 op vraag van de Veurnenaars opnieuw aangesteld als landhouder en als kapitein van de Veurnse strijdkrachten. Het is een tijd van hoogspanning in de provincie. De zenuwen staan gespannen. ‘In de maendt van Meye trock den hertogh van Bourgondien met vele volck binnen Brugge. Hy deed sulcx in schyn om alles aldaer in goet order te stellen, oock om justitie te laten doen over eenige moedtwillige; maer nauwelicx was hy met de sijne de stadt ingecommen of sy riepen “Ville gagnée!” ende schoten op de borgers, die hun te gemoet quamen.’ ‘Den hertogh verceert in gevaar’ vermelden de koppen. Dat is inderdaad het geval.

De Bruggelingen pikken het niet dat er zomaar op de burgers geschoten wordt. Als het zo zit, kan de hertog wel een koekje van eigen deeg krijgen en nu krijgt het legertje van Filips de Goede een bende grimmige Bruggelingen over zich heen. En dat brengt inderdaad de veiligheid van de hertog in het gedrang, ‘ende ’t was met veler moeyte dat men de poorten der stadt open creegh, om hem daer uut te laten vluchten.’ Dat laatste heeft hij te danken aan een bereidwillige smid die het opneemt voor zijn graaf en de sloten van de stadspoorten aan diggelen slaat.

Filips de Goede is ‘not amused’. Dat is het minste wat je er van kan zeggen. Het staat ook zo neergeschreven: ‘grootelixc daer over verstoort zijnde, nam den hertogh voor hem geheel Brugge te verderven ende ten nieten te doen.’ Heb maar een dergelijk sujet aan het hoofd van een land. Als ze in de streek van Veurne op de hoogte gebracht worden van wat er voorgevallen is in Brugge, besluiten ze daar om hun steun aan de hertog dubbel en dik te bevestigen. Hun mening tegenover de rebellie in Brugge is duidelijk.

Ze sturen gezanten naar Rijsel waar ze Filips alle hulp en bijstand toezeggen in zijn strijd tegen de vijand. Er komt trouwens effectief geld op tafel om dat te bewijzen. De leden van de Raad van Vlaanderen komen op 6 juli 1437 samen in Gent. Ieper en Gent zijn, net als Veurne, er van overtuigd dat er moet gezorgd worden voor interne vrede in Vlaanderen. Ze moeten kost wat kost een manier vinden om die van Brugge weer te doen verzoenen met de prins. Wouter van Gistel, Charles van Pollinckhove, Pieter van der Burch en Pieter Van der Meersch vertegenwoordigen de kasselrij van Veurne bij de Raad van Vlaanderen.

Het verslag achteraf is duidelijk: ‘in geseyde vergaderinge wiertter besloten van gesanten by die van Brugge te senden om hun t’onderwijsen, ten eynde dat sy hun souden stellen in de gehoorsaemheyt vanden prince ende hun ’t sijnder genade overgeven. Men beloofde midts dien, dat de staten soo veel by den hertogh souden maecken dat hy hun geen groote straffe en soude geven.’ Een aantal afgevaardigden, onder ander die van Veurne, stappen naar Brugge om deze boodschap duidelijk te maken. Maar daar zijn ze niet van gisteren. Ze kennen hun prins maar al te goed om te beseffen dat die man geen greintje genade zal kennen als puntje bij paaltje komt.

Brugge kan niet leven met dergelijk voorstel van de Raad van Vlaanderen, maar engageert zich toch om te streven naar een verzoeningsakkoord. De hertog op zijn beurt wijst alle Brugse voorstellen af. Hij moet en zal deze stad op de knieën krijgen. De Bruggelingen zullen op termijn wel moeten smeken om vrede. Er kan geen sprake zijn van enige onderhandeling over welke vrede dan ook. Filips de Goede gaat nog een stap verder. De steden en de gemeenten van Vlaanderen mogen geen voedsel meer zenden naar Brugge.

Niet de minste ‘leeftochten’, want hy verhoopte van hun door hongersnoot tot sijnder gehoorsaemheyt te brengen.’ Hij heeft trouwens al gezorgd voor een imposante blokkade van Sluis waardoor er ook geen overzeese levensmiddelen naar Brugge kunnen worden verscheept. Sinds 1 juli zijn er gevechten aan de gang waarbij 5000 Bruggelingen een felle aanval wagen op Sluis in een poging om de zeeblokkade teniet te doen. Het beleg van Sluis noopt de hertog tot het dringend samenroepen van de Raad van Vlaanderen. Kortrijk, 12 juli. De gebruikelijke delegatie van de kasselrij van Veurne tekent present.

Het beleg moet door een verenigd Vlaanderen worden opgebroken en de Bruggelingen moeten tot gehoorzaamheid gedwongen worden. Filips is categoriek en de vergadering besluit om in te gaan op zijn eisen. ‘Er wiert besloten van aen den hertogh alle hulp ende bystandt te geven om te betrachten (voor soo veel het doenlick soude wesen) dese inlantsche beroerten te neder te leggen, om dat d’Engelschen daer door geen voordeel in Vlaenderen souden becommen.’ Ik blijf nog even rondslenteren in de taal van de oude jaarboeken: ‘Dadelick naer die beraetslaghinge dede den hertogh sijne legertroepen vergaderen, om de stadt Sluys te ontsetten.

De Bruggelingen, vanden optocht van ’s hertogens volck gewaerschouwt zijnde, verlieten het veldt, naer de stadt Sluys achttien dagen belegert te hebben.’ Veurne mag zich verheugen op de steun van de hertog, maar dat betekent niet dat er zich geen problemen voordoen in het Westland. Het wordt niet openlijk gezegd in de kronieken. Toch is het oproer van de mensen niet zo veraf als het lijkt. De magistraten zijn sinds het beleg van Calais wat laks geweest met het doen respecteren van de wet. Te veel werk met de oorlog, heet dat dan.

Filips is er beducht voor dat er rellen zullen uitbreken in de Westhoek en hij stuurt op 24 augustus 1437 een bevelschrift dat de wet moeten aangehouden worden in Veurne en dat niet Brugge maar wel de Raad van Vlaanderen de hoofdvonnissen zal vellen als er zich zware feiten voordoen in het Veurnse. De winterperiode tussen 1437 en 1438 moet ongetwijfeld een bevreemdende periode zijn voor die van Brugge. De jaarboeken van Veurne komen pas in februari van 1438 boven water met het nieuws dat er eindelijk aan akkoord uit de bus is gekomen tussen de hertog en het Brugse volk. Het heeft blijkbaar veel inspanningen gekost om iedereen op dezelfde lijn te krijgen.

Het springt in het oog dat ‘die van Brugge aen den hertogh moesten geven twee hondert duysent gouden ridders en datter veertigh persoonen van Brugge ter genade vanden hertogh moesten blijven, mitsgaders dat ’t Vrije ’t vierde lidt van Vlaenderen soude wesen.’ Veertig Bruggelingen zullen dus de pot uitlikken voor de algemene burgerlijke ongehoorzaamheid en de hertog haalt dan nog volledig zijn slag thuis door het Vrije nu effectief lid te maken van het hoogste Vlaamse bestuursorgaan, de Raad van Vlaanderen. ‘Die versoeninge baerde groote blijdtschap in Vlaenderen, om dat ze voor geheel de streecke seer voordeelich was.’ Er volgt nog meer goed nieuws. Een wapenstilstand voor 2 jaar met de Engelsen, zodat er over vrede kan worden onderhandeld. De druk kan eindelijk wat van de ketel weggehaald worden.

Sedert dat Elisabeth van Portugal te Veurne quam (1439), totter doodt van Karel, hertogh van Bourgondien (A° 1476). ‘In de Meyemaendt van 1439 quam eerstmael binnen Veurne, vrau Elisabeth, dochter van Jan, coninck van Portugal, ende huysvrau van onsen genadigen prince den hertogh van Bourgondien.’ Het respect en de blinde devotie voor het koppel druipt er van af. De Veurnse magistratuur zorgt voor een onthaal in praal en pracht. En respect. En met geld. Schellen en ponden die zowat overal in de kasselrij door deurwaarders zijn opgehaald. Pauwel Heinderycx heeft het uitgebreid over de geldsommen die ‘stalknechten, sommeliers, waghenaers en allerhande ghesellen’ moeten afdokken voor het goede doel, in casu het decadente huis van Bourgondië.

Na zijn bezoek aan Veurne, vertrekt het koppel naar St.-Omer. Er zijn ondertussen een aantal prominenten in Veurne-Ambacht die te laat op de hoogte werden gebracht van het groot bezoek aan Veurne-stad en zij willen absoluut in audiëntie gaan bij Filips en Elisabeth terwijl ze zich in St.-Omer bevinden. De 17de mei van 1439 reppen Omaer de Crane, Lodewijk van Pollinckhove en Pieter Van der Meersch zich naar hun buurstad om zich uitgebreid te verontschuldigen voor hun afwezigheid tijdens het grafelijk bezoek in Veurne.

‘Daer sy ‘tharer eerste incomste in de stadt Veurne haer met eenige giften niet hadden conden vereeren, cochten sy in den wissel van St. Omaers hondert vijftigh gouden ridders, weerdich vijf-en-twintigh stuyvers ’t stuck, om aen heur te geven.’ De volgende alinea in de oude geschriften toont het hemelsbreed contrast tussen de perverse adoratie van de Veurnse beau monde en het echte realistische leven zoals het zich aan het afspelen is in diezelfde periode. Ik doe erg hard mijn best om de toestand in Vlaanderen in mijn eigen taal te omschrijven, maar ik moet me uiteindelijk gewonnen geven. Pauwel omschrijft het beter en preciezer: ‘ten voornoemden jare was er in Vlaenderen soo een schroomelicken dieren tijdt, datter menichte arme menschen van honger vergingen: dien hongersnoot wiert gevolcht door een wonderlicke groote sterfte.

Men bevint datter deser tijde in de stadt ende casselrie van Veurne sulck eene straffe peste heerschte ende dat de selve soo lange deurde, dat het vierde deel der menschen daer af stierf.’ De schrik voor de plaag die zich als een razende furie onder de inwoners van Veurne-Ambacht verspreidt, zit er diep in bij de wethouders van Veurne. Zelfs nadat deze gesel uit het land verdwenen is, durven ze het lange tijd niet aan om binnen de stad van Veurne te vergaderen met de keurheren van de buitengebieden, en dat allemaal ‘mids der vreze vander pestilentie’. De Franse en de Engelse koning blijven ondertussen onderhandelen met elkaar.

De vrede blijft een dubbeltje op zijn kant. Het water tussen hen is vermoedelijk dieper dan de Noordzee zelf. Ondertussen leven de mensen van Veurne en van Veurne-Ambacht in voortdurende onrust waarbij ze zowat elke dag opnieuw vrezen om door de Engelsen afgelopen te worden. Gelukkig is er deze keer de hertog van Bourgondië die een afzonderlijke vrede afsluit met de vijand en zo een vroegtijdige heropflakkering van de oorlog in Vlaanderen vermijdt. De brieven van de bewuste overeenkomst met de Engelsen worden op 7 oktober 1439 via een ‘poursuivant d’armes’ tot in Veurne gebracht, ‘tot grooter blijdtschap van ’t gemeente’.

Jan van Uutkerke, de heer van Oeselgem, mag dan wel de boeman zijn voor de Bruggelingen, maar in Veurne en Nieuwpoort wordt hij op handen gedragen. Het is die van Uutkerke die door Filips de Goede aangesteld werd als kapitein van West-Vlaanderen en hij is bijzonder ver moeten gaan in de bescherming tegen de Engelsen en tijdens het oproer van de Bruggelingen. Daarbij heeft hij groot kosten gemaakt en die wil hij nu vergoed zien. Hij verplaatst zich van zijn vaste standplaats in Nieuwpoort naar Veurne om daarover te spreken met het magistraat van Veurne, ‘hen versoeckende daer van eenige vergeldinghe.’

Na overleg met de edelen en de notabelen in het landhuis, wordt er beslist om de kapitein een som van 1000 Parijse ponden over te maken. Ik leer een nieuwe term kennen. ‘De Drie Banken’. Op 5 juli 1440 vertrekken de leden van de Veurnse magistratuur naar Sint-Winoxbergen om er te vergaderen met hun collega’s van Bergen-Ambacht en die van Broekburg-Ambacht.

Samen vormen ze zowat een officieus overkoepelend rechtsorgaan dat in die dagen ‘De Drije Banken’ wordt genoemd, waarbij uiteraard rechtbanken zal bedoeld worden. Er valt heel wat te bespreken, want de conventie duurt een hele week, ‘midts de groote menichte van saecken dieder te wijsen waren, ter oorsaecke dat in langen tijdt ’t geseyde gedingh niet gehouden en was geweest, uut reden der voorgaende oorlogen ende beroerten.’ Terwijl de focus van de magistraten zich toespitst op ernstige zaken, is er eindelijk ook plaats voor vertier.

De gildeleden van Sint-Joris hebben zich ingeschreven voor een kruisboogtornooi in Gent en zijn er tijdens de julimaand van 1440 in de prijzen gevallen. Nochtans is het deelnemersveld niet min. ‘Over de veertigh gilden hebben op die uutnodigingh sich te Gent laten vinden, ende onder andere de broeders van die van St. Joris, binnen Veurne. Sy trocken er naer toe met groote pracht en seer costelick gecleet; ende naer dat sy aldaer eenighen tijdt geweest ende geschoten hadden (volgens hunlieder lot) jegens verscheyde gilden, hebben sy den eersten prys, zijnde vier groote silveren cannen, gewonnen.’

Op 18 juli komen ze triomfantelijk terug naar Veurne. De blijde inkomst doet me denken aan de Rode Duivels die ontvangen worden na een knappe prestatie op de wereldbeker. Het magistraat van ‘der stede’ trekt de winnende ploeg naar de stadspoorten tegemoet, waar ze ‘mildelick wijn’ aanbieden ‘ende bovendies noch hondert sestich ponden paresys, tot hulpe der groote oncosten, die sy van theer costen als der costelicke cleedingh die sy cochten, geleden hadden.’ Daarna vertrekt de stoet richting het gildehuis om het team nogmaals geluk te wensen en er een ‘sester’ wijn aan te bieden.

Op 8 december 1440 krijgt Veurne het bezoek van de nieuwe kanselier van de hertog. Mijnheer Nicolaas Raoulin is zijn naam. Hij wordt er met de nodige egards ontvangen en krijgt van de stad een zilveren kan als geschenk. De kasselrij laat zich niet kennen en biedt de kanselier zes zilveren drinkschalen aan. De jaarboeken laten het ietwat afweten in vredestijd en zo komt het dat ik zondermeer in 1445 aanbeland. De hertog stoort zich aan het feit dat het vernieuwen van de magistraten in Vlaanderen meer een meer beïnvloed wordt door de centen. De commissarissen die moeten instaan voor de vernieuwing van de schepencolleges ‘trocken vele geldt vande gonde die sy in functie stelden.’

Er komt een expliciet verbod om overheidsfuncties te kopen bij de commissarissen en als dat in de toekomst nog gebeurt, zullen de betrokkenen automatisch ongeschikt worden verklaard om ook maar enig ambt te kunnen uitoefenen. Er zullen trouwens straffen worden uitgedeeld voor wie zich niet houdt aan deze regels. ‘Verders verclaerde hy noch daer by, dat alvoren de schepenen den gewoonlicken eedt over hun schependom afleyden, sy moesten sweeren aen niemant het minste gegeven te hebben, direcktelick noch indirecktelick, om in de wet te geraecken.’ De commissarissen krijgen de opdracht om uit te kijken naar de meest eerlijke en meest capabele mensen als kandidaten voor de schepenfuncties.

De rotte appelen moeten er uit bij het stadsbestuur en ook het schepenhuis zelf is op zijn West-Vlaams gezegd ‘plukkevort’. Het magistraat van Veurne is in 1448 tot de vaststelling gekomen ‘dat hunlieder stadt- ofte schepenhuys out ende rot was, van cleen gerief, bovendies dat het in geen goeden standt stont, hebben geradich gevonden van een nieu stadthuys te doen maecken.’ Ze hebben hiervoor een groot huis aangekocht van een zekere Christaen Veyse. De woning aan de noordoosthoek van de grote markt wordt afgebroken en wordt vervangen door een gebouw dat ietwat lijkt op het belfort en met dezelfde functionaliteiten ervan zodat de vergaderingen er nu vlot kunnen doorgaan.

De bouw sleept aan tot in 1452. Ondertussen kan het stadsbestuur ook de belendende woning kopen van diezelfde Veys. ‘Een schoon ende spacieus huys, het welck eene groote erve hadde.’ De verkoopprijs bedraagt 100 pond en ook dat huis gaat tegen te vlakte om plaats te ruimen voor een regimentshuis van de ‘corps-de-garde’. Later zal dit gebouw omschreven worden als het ‘Paviljoen’ en zal het dienst doen als woonplaats voor de officieren die toezicht zullen houden over de stad. Het resultaat van de constructiewerkzaamheden mag er best zijn: ‘dit cloeck matsement, volmaeckt zijnde, was een schoon ende treffelick stadthuys.’

Het nieuwe stadhuis, met zijn opvallende witte bakstenen, valt best op in het centrum van de stad. In 1454 verzoekt het magistraat aan de hertog of ze het nieuwe gebouw nu ook mogen gebruiken om er hun vergaderingen in te houden en om van hier uit de justitie te mogen uitoefenen. Ze vragen eveneens de toestemming om het vroegere stadhuis en de daar aan verbonden renten die aan de stad toebehoren te mogen verkopen. Zo kan een deel van de gemaakte schulden voor de nieuwbouw teniet worden gedaan.

De hertog staat dit toe met een acte van 16 augustus 1457. Ik vraag me af waarom die goedkeuring 3 jaar op zich heeft laten wachten. Het voormalige stadhuis kan nu effectief verkocht worden. De jaarboeken preciseren nog eens de locatie van het gebouw. ‘Het selve stont recht over de Vischmarckt, tussen het Croonestraetken ende het Hantbooghstraetken, ende er wiert daer af eene herberge gemaeckt die men de Croone noemde.’

Ik check even op mijn Internet Explorer en kan het adres er anno 2014 lokaliseren op de Grote Markt nummer 8. Pauwel Heinderycx doet net als ik en verplaatst zich naar het meer recente verleden. ‘Ten jare 1647, wiert dit huys der Fransche garnisoenen ter aerde geworpen, ende jegenwoordichlick is het noch eene onbebouwde erfve, die noch de Oude Croone genaemt wort.’ Er komt weer wat politiek nieuws aangewaaid. Lodewijk 11, de Franse kroonprins, wantrouwt zijn vader van langs om meer. Het staat zo aangegeven: hij heeft ‘jegens sijn vader eenich quaet vermoeden opgevat’. In 1456 zoekt hij een onderkomen bij onze hertog van Bourgondië.

Filips ontfermt zich minzaam over de ‘dauphin’, biedt hem 3.000 gulden per maand voor zijn onderhoud en presenteert hem het kasteel van Genepië, op zowat 4 mijl van Brussel. Nu zouden we spreken over een plek die de naam ‘Genappe’ draagt, zo’n 10 kilometer ten oosten van Nijvel. Lodewijk blijft er vijf jaar wonen. In Veurne zijn ze het blijkbaar niet eens met die stelling dat de Franse koning in Genepië woont. De kroonprins zou integendeel geruime tijd verbleven hebben in de binnenstad van Veurne. Tot aan de dood van zijn vader. En ze weten ook waar.

‘In een huys, staende aen St. Nicolaes kerckhof, recht over de sacristie der selve kercke, ende het tweede huys bewesten het gasthuys. Bovendies voucht men er noch by, dat hy een ofte twee der bygelegen huysen soude gehadt hebben tot wooninge van sijn volck.’ Er bestaat zelfs een kamer in de woning die gemeenzaam ‘de dauphins camer’ genoemd wordt omdat hij hier sliep telkens hij in Veurne op bezoek kwam. En blijkbaar was er enige tijd sprake van de aanwezigheid van zijn wapenschilden samen met die van de hertog.

Pauwel wil er ook het fijne van weten en gaat op onderzoek. Bijna alle historici bevestigen dat de kroonprins effectief woonde in dat kasteel van Genappe waar hij in die periode trouwens verscheidene kinderen gewonnen heeft van zijn echtgenote. Heinderycx komt uiteindelijk met het vermoeden voor de dag dat het aanhouden van een woning in Veurne, wel eens te maken kan hebben met het feit dat die 3.000 gulden ingezameld worden door de ontvanger van Veurne en dat die sommen afgedokt worden bij de inwoners van Veurne en Veurne-Ambacht. ‘T is daerom dat hy tot Veurne een huys heeft gehadt die by eenige van sijne huysgenooten tot het ontfangen van sijn incommen bewoont wiert.’

Everaert van Over ’t Velt, de abt van Ter Duinen, overlijdt in 1457. Ik zie het al aankomen als ik de opmerkingen in de linkse tabel lees: ‘scheuringh in ’t clooster ter Duynen nopens de verkiesinge van twee abten.’ De monniken van Ter Duinen laten de abt van Ter Doest afkomen en vragen hem om medewerking van de wijze leden, de ‘voysen’ van zijn abdij om mee te helpen aan de verkiezing van een opvolger. En zo gebeurt het ook. Tijdens een speciale vergadering wordt de waardige en zeer geleerde Jan Crabbe verkozen tot nieuwe abt en hij wordt onmiddellijk in deze functie bevestigd. De ceremoniële plechtigheden zitten er amper op, als er zich bezoek aanmeldt in de abdij. Een aantal commissarissen van de hertog biedt zich aan.

De verkiezing wordt ongeldig verklaard. Filips de Goede heeft van de paus een bulle ontvangen waarbij geëist wordt dat een zekere Jacques van Portugal, de kardinaal van Lissabon, in de plaats moet komen van Everaert van Over ’t Veldt. Die Jacques is een neef van de hertog van Bourgondië en, wat niet onbelangrijk is, hij verblijft als monnik in de abdij van Ter Duinen. De commissarissen trommelen de vergadering opnieuw op en lezen de pauselijke bevelen voor.

Kardinaal Jacques van Portugal wordt zonder veel poespas en tralala aangesteld als abt in plaats van de eerder verkozen Jan Crabbe. De monniken die ook maar iets te zeggen hebben in de abdij, krijgen de formele opdracht om zich niet langer te bemoeien met het bestuur van de kloosterlijke goederen en eigendommen van Ter Duinen. Ze pikken het niet, de geestelijken daar in Koksijde. Ze zullen waarschijnlijk felle weerstand bieden aan hun nieuwe leider. De tweespalt binnen de abdij moet in elk geval al zichtbaar zijn voor de buitenwereld.

Ik zie anders geen reden waarom de hertogin de opdracht zou geven aan Jacob van Drincham, de hoogbaljuw van Veurne, om al de goederen van het klooster in beslag te nemen, ‘ende aen alle de pachters ende ontfangers van ’t selve stricktelick te verbieden van aen iemant anders dan alleenelick aen den abt Jacques van Portugal te betalen. De grens tussen de graven van Vlaanderen en de bestuurders van de vele Vlaamse abdijen is al eeuwen mistig en vaag geweest. Hier in Ter Duinen wordt het bewijs geleverd dat de abdijen er precies gekomen zijn zodat de macht over de eigendommen en de heerschappij over het lokale landvolk uitgeoefend kan worden door naaste familie van de graven. Hier dus een neef van Filips de Goede.

De geestelijken plegen overleg met de abt van het moederhuis van Clairvaux en die oordeelt dat het beter is om zich te schikken naar de macht van de baljuw. Waarom zou die van Clairvaux zich trouwens openlijk distantiëren van het huis van Bourgondië? De ouderlingen en de kloosterbroeders willen de zaak in Rome te berde brengen en hun gekozen abt, Jan Crabbe, volgt dit advies. Twee religieuzen en een lekenbroeder reizen naar Rome waar ze audiëntie krijgen bij een pauselijke gezant. Het blijkt al onmiddellijk dat de paus de zaak op de lange baan wil schuiven, of zoals ze in de kronieken schrijven: ‘weldra wierden sy gewaer dat de saecke in ’t lange soude uutgetrocken worden, daerom stelden sy alle hunne saecken in handen des procurators van hun order.’

Die laatste is de lekenbroeder die met hen is meegereisd, ongetwijfeld een soort van advocaat. Hij blijft in Rome terwijl de twee broeders terugkeren naar Vlaanderen. Jan Crabbe is gekleed in wereldlijke kleren en de andere geestelijke overlijdt op de terugweg. Als Crabbe arriveert bij één van zijn domeinen in Zande, wordt hij herkend en op last van de hertogin gevangen genomen en naar het kasteel van Temse gevoerd dat in die dagen nog als Temsike omschreven wordt. En juist in die periode keert ook Jacques van Portugal zijn hoepels.

Het is alsof de duivel er mee gemoeid is. Het nieuws van de dood van de abt, verplicht de paus om het geweer van schouder te veranderen. ‘Tja’, schrijft hij in een reeks brieven aan de abdij, en hij geeft aan dat hij ‘over ’t voorgevallene qualick ondericht was geweest.’ ‘Het geseyde geschil wort in ’t vriendelick vereffent’ blokletteren de jaarboeken. Ik heb er zo mijn bedenkingen bij. Vermoedelijk zal de lezer van de volgende paragraaf hetzelfde gevoel koesteren. Jan Crabbe komt vrij en krijgt de opdracht om naar Brussel te trekken voor een gesprek met de hertogin die natuurlijk ook al op de hoogte is van de dood van Jacques van Portugal. Ik lees alweer die zwanspraat dat ze ‘door haren moedt stillende, ze de gecoren abt in gratie ontfangen heeft.’

En dan komt de kat uiteindelijk op de koord als ik de voorwaarden lees waarom ze plots weer vriendje wil worden van Crabbe. ‘Midts de belofte dat hy aen haer eene goede somme geldts soude geven, om ’t welcke te krijgen ’t clooster sterckelick belast wiert.’ Het heeft de hele tijd om geld gedraaid. Zoveel wordt nu wel duidelijk. Op die manier komt abt Jan Crabbe in het vrij bezit van de abdij. Hij zal 31 jaar aanblijven in zijn waardigheid van abt van Ter Duinen in Koksijde. Geld maakt vrienden. De aantekeningen van Pauwel Heinderycx tonen aan dat de toegeving van Jan Crabbe hem voor de rest van zijn leven geen windeieren zal leggen. De integrale tekst van zijn voetnoot spreekt boekdelen. En waarom zou ik die niet integraal overnemen in mijn eigenste kronieken?

‘Binnen desen tijdt heeft hy de uutvoeringh des regels van ’t clooster herstelt, alle de opgenomen schulden betaelt, de kercke met seer schoone ornamenten verçiert, der selve bibliotheque met rare handschriften ende gedruckte boecken vervult, ende vele andere goede saecken voor het clooster gedaen.’ ‘Hy wiert van Maria van Bourgondien, gravinne van Vlaenderen ende van Maximiliaen van Oostenrijcke, haren man, voor hunlieder raedt gecoren, in welck ambt hy hem met eene groote voorsichtichheyt gedregen heeft, ende de dingen, die aen sijne sorge betrouwt sijn geweest, soo wel uutgevrocht, dat hy gecoren wiert tot voorsitter van ’s hertogs raedt, ende dickwijls commissaris tot het vermaecken van de magistraten in Vlaenderen gestelt is geworden; namentlick in de jaren 1477, 1480, 1481 ende 1486. Bovendien wiert hy door de abten van Cisteaux ende Clervaux vicaris-generael van hun order in de Nederlanden gestelt.’

Pauwel Heinderycx schrijft zijn jaarboeken rond 1680. Met de hand uiteraard. De fanatieke beleving van de katholieke kerkdienst is dan al ferm op zijn retour en dat steekt hij niet onder stoelen of banken: ‘men heeft in voorledene tijden veel meer genegen geweest om het heylich Cruys te vereeren met schoone processien ende cieraden als men tegenwoordigh doet’. In 1459 is het heilig geloof nog op en top. De monniken van Sint-Walburga werken samen met het magistraat van Veurne om van de processie van dat jaar een succesnummer te maken. Het moet een ‘seer schoone ende algemeene processie’ worden tere ere van het heilig kruis. Die zal doorgaan op 10 september. Het is de begintijd van de Rederijkers en hun fenomeen steekt ook de kop op in Veurne. ‘Sy schreven daerom vele schoone prijsen uut, die te winnen waren door de gone van andere steden ende dorpen die quamen om deselve alderschoonst te verçieren.’

De Veurnse organisatoren sturen een publiciteitsfolder (in die tijd nog een ‘geschrifte’ genoemd) uit over heel Vlaanderen, waarbij opgeroepen wordt om deel te nemen aan de processie. De voorwaarden en de te winnen prijzen worden hierbij uiteraard netjes vermeld. Deelnemers dienen op de dag van de processie spelenderwijs naar Veurne te komen, waar ze op hun best een figuur van het oude testament moeten uitbeelden. En dat allemaal ter ere van het heilig kruis. De passende rijmdicht moet tussen de 600 en de 650 versregels bevatten. Zes zilveren drinkschalen met vergulde randen zijn weggelegd voor de winnaar en er volgen nog meer prijzen. Of er in die dagen een Rederijkerskamer bestaat in Veurne kom ik niet te weten.

De deelnemende toneelgezelschappen zullen op 8 september via lottrekking te weten komen in welke volgorde ze zullen figureren in de grote processie.’ Ten dage dat de processie haren ommeganck doen sou, sach men in de stadt Veurne uut vele steden ende dorpen de geselschappen aencommen, die gingen dingen om de voorseyde prijsen.’ Alle deelnemers zijn feestelijk uitgedost. De processie van 1459 is zonder twijfel een schot in de roos. ‘Sulck eene schoone processie als men niet in dusdanige menigen tijdt gesien hadde.’ Na de middag en tijdens de volgende dagen, worden de tonelen in het publiek herhaald.

En volk dat er op af komt. Het heeft geen naam. De toevloed van mensen is zo groot dat de stad er bijna te klein voor is. ‘De herbergen waren soo vol van volck, die gecommen was om de voorseyde prijsen te winnen, ende der menichte van hun gevolch, dat de andere vreemde lieden groote moeyte hadden van voor hun geldt een pot bier of wijn te krijgen.’ De voorbije jaren is de welstand in het Westland alleen maar toegenomen en dat is er natuurlijk aan te zien die week in september van 1459.

Er is nu al geruime tijd geen sprake meer van oorlog en verwoestingen. De streek is goed bevolkt door producenten van lakens en van allerhande wol en zijden stoffen. De jaarboeken van Veurne orakelen dat het een wonder is om deze welstand in het Veurne te mogen zien. In 1463 organiseren de broeders van de gilde van St.-Sebastiaan van Poperinge een schiettornooi. Een ‘schietspel’ zoals ze het in hun uitnodiging schrijven. In zowat heel Vlaanderen en de omliggende landen, worden de gilden van de handbogen opgeroepen om deel te nemen aan het tornooi. De eerste prijs is deze keer wel erg bijzonder. Een levend hert dat een zilveren halsband torst van wel 400 gram. De opkomst is uitstekend. ‘Menige gilde uut Vlaenderen ende uut andere provintien trock derwaerts, om er de prijsen te winnen.’

De Veurnenaars zijn fier als een gieter. ‘Naer lanch campen, wiert den opper prijs eyndelinge gewonnen by de schotters der gilde van St. Sebastiaen, binnen Veurne’. Het team van Veurne wint de hoofdprijs en keert triomfantelijk terug naar hun thuisstad. Een hele menigte van stedelingen haast zich naar de stadspoorten om er de schutters welkom te heten en om een glimp op te vangen van het zeldzaam dier dat ze met zich meedragen. De erewijn mag natuurlijk niet ontbreken. De hele stad voelt aan als een vat vol vreugde en blijdschap. Ook het stadsbestuur laat zich niet kennen. Een vaatje wijn van 50 liter kan er best van af.

Bovenop de gelukwensen krijgen de handboogschutters nog eens een kostenvergoeding van 36 Parijse ponden aangereikt. Heerlijk toch die oude kronieken. De Veurnenaars, het zal wel de elite zijn, zouden wel eens dat hert in actie wil zien. Niet alleen in een kooi, maar ook terwijl het aan het rennen is in de natuur. Zo staat het toch geschreven. ‘Naer dat den geseyden hert eenigen tijdt in de stadt geweest was, wiertter besloten van hem te stellen op het veldt, om eens ’t genoegen te hebben van hem te sien loopen, toen hy gejogen soude worden.’ Het magistraat stuurt een uitnodiging naar enkele vermaarde jagers van die tijd. Op de afgesproken dag zien we inderdaad het kruim van Vlaanderen opduiken in Veurne. Karel van Vlaanderen, ridder en opperjager van Vlaanderen, biedt zich aan.

Ook Gaspard van Vlaanderen en de hoogbaljuw van Ieper is er. Net zoals Pieter Van den Burgh in zijn functie als baljuw van Elverdinge ‘ende andere groote jagers met hunlieder weyknechten ende honden.’ Het zijn precies deze details die geschiedenis zo herkenbaar maken en zich laten ontvouwen tot een boeiend verhaal dat wacht om verteld te worden. Het hert wordt in een wagen vervoerd tot in het midden van het ‘Ghyvelde-veldt’, zowat twaalf km naar het zuidwesten in het hinterland van Bray-Dunes.

De jagers staan er al te wachten en in hun zog een massa volk uit de kasselrijen van Veurne, Bergen, Duinkerke en andere plaatsen. ‘Naer dat het dier langen tijdt in ’t gesichte van een ider geloopen hadde om sijn leven te behouden, wiert het ten lesten gevangen ende vande honden doodt gebeten.’ Het dode dier wordt nu teruggebracht naar Veurne, in het gezelschap van de jagers die nu op hun beurt door het magistraat ‘getracteert wierden op een ‘schoone maeltijdt’. Het bestaan van de valse “reeuwers’ duikt op in het Veurne van 1468.

Eerder al vertelden de Ieperse kronieken ook al over hun vervolging. Alles heeft te maken met de pest die tijdens dat jaar uitbreekt in de stad en de kasselrij van Veurne. ‘Eenige reeuwers van dese streecke, die uut de peste profijt trocken, siende dat sy begonde te verminderen, hebben de selve doen verbreyden door middelen die sy door d’ingeving vanden duyvel daer toe gevonden hadden.’ De voetnoot van uitgever Edmond Ronse halfweg de 19de eeuw geeft wat meer informatie prijs over hun duivelse praktijken. De ‘reeuwers’ blijken lijkbezorgers te zijn die er voor zorgen dat de doden tijdig ter aarde besteld worden.

De ene zijn dood is de andere zijn brood en dus hebben die reeuwers bij het uitbreken van de pest altijd een prima handeltje. ‘Dese zeer haestige ende pestinentiele maniere van stervene was alsdan overal ghenouch ghemaeckt deur die groote maliteusheit ende malversatie van de reeuwers ende reeuwighen, die welcke de steenpitten ende andere water.’

‘Ja zelfs die sperwatervaten van der kercken, zo tallen canten infecteerden (metten ghecorrumpeerden bloede van de overledene endere andersins) dat zy by dien middele allomme handen veel wercx ghecreghen, depescherende voorts elc zijne ziecken ofte patienten metten regale zo best zy consten.’ Voor alle duidelijkheid betekent het woord ‘regale’ hier vergif en sperwater staat voor ‘aqua lustralis’. Zeg maar wijwater. Twee mannen en één vrouw worden opgepakt om hun moorddadige praktijken. De schepenbank veroordeelt hen tot een publieke verbranding op de markt van Veurne. Die schepenbank van Veurne komt in 1471 opnieuw in de actualiteit.

Om de stad te besturen, bestaat het schepencollege uit de burgemeester en 12 schepenen die allemaal rijkelijk vergoed worden voor hun taak. En dat in een periode waarbij ‘hunlieder stadt aerme ende niet sterck bewoont was.’ De inwoners sturen een verzoek naar hertog Karel de Stoute, die na de dood van zijn vader in 1467, het roer in Vlaanderen heeft overgenomen. Zou het niet wenselijk zijn om het aantal schepenen terug te brengen tot acht? Ook de Raad van Vlaanderen buigt zich over de kwestie en beslist om in te gaan op de vraag van de Veurnse bevolking.

Zo glippen we 1476 binnen. Het liedje van de nieuwe hertog is op 5 januari van dat nieuwe jaar al uitgezongen. Het verhaal van zijn dood tijdens de veldslag van Nancy en zijn opvolging door zijn enige dochter Maria van Bourgondië heeft in mijn kronieken al enkele keren de revue gepasseerd. Ik vraag me af wat ze er in Veurne kunnen aan toevoegen.

Het hele gebeuren wordt vanaf het achtste ‘capittel’ in geuren en kleuren verteld. Ik begin alvast met de titel van het nieuwe hoofdstuk. ‘Van toen den coninck van Vranckerijcke het bestandt van Solimere verbrack, tot dat de Staten van ’t lant met de aertshertogh Maximiliaen peys maeckten (A° 1485).’ Van zodra de koning van Frankrijk op de hoogte gesteld wordt van de dood van Karel de Stoute, verbreekt hij het bestaande vredesakkoord van november 1475. Het moet bijzonder slecht nieuws zijn voor de mensen van het Westland. ‘Hy deed terstont seer groote vyandtschappen bedrijven in de streecken die de princesse geerft hadde ende nam haer af vele landen ende steden, namentlick den meerderen deel van ’t Artoische.’

De jaarboeken geven de ernst van de situatie aan. Na de verovering van Artesië richten de Fransen nu hun vizier op de kasselrijen van de Westhoek en ze gaan nu al onmiddellijk over tot een systematische beroving van de buitenbevolking. Heel wat West-Vlaamse mannen zijn als de bliksem opgerukt naar de Nieuwe Dijk om er de overtocht van de Fransen te gaan verijdelen. Overal worden er versterkingen en verschansingen opgebouwd. Een behoorlijk lange tijd van vrede is achter de rug. Zo veel is duidelijk. Van Veurne en Veurne-Ambacht zijn er 100 man afgevaardigd om, onder leiding van hoogbaljuw Frans van Winnezeele, het land mee te helpen verdedigen.

Met Pasen van 1477 geeft de Franse koning het sein om de Vlamingen ter hoogte van de Nieuwe Dijk aan te vallen en de doorbraak naar de Westhoek te forceren. ‘De Vlamingen, die den dijck bewaerden, stelden hun seer wel te weere; maer de Franschen overal den alarme gevende, hebben onvoorsiens eene brugge over den Nieuwen Dijck gemaeckt, op eene plaetse alwaer luttel volck was.’ De oversteek is natuurlijk massaal en nu kunnen de Vlamingen naar hartenlust van achteraan aangevallen worden.

De gevechten zijn fel en ruw en dwingen de West-Vlaamse mannen om zich terug te trekken tot aan de eerste achterliggende verdedigingsgordel, de ‘Witten Dijcke genaemt, alwaer dat sy corts daer naer van een deel Franschen opgevolcht wierden.’ De Vlamingen verweren zich met de moed der wanhoop. Ze beseffen maar al te goed dat de Fransen met meer volk zijn. Ondanks hun numerieke minderheid zijn ze toch aan de winnende hand. De komst van de Franse ruiterij is er echter te veel aan. De Westlanders moeten het veld ruimen en ze laten vierhonderd metgezellen dood achter op het slagveld aan de Witte Dijk.

Zoals dat altijd het geval is, betekent deze terugtrekking, het startsein voor de gebruikelijke baldadigheden en wandaden van de oorlog. ‘Naer dat de Franschen de Vlamingen verslegen hadden, roofden sy geheel Casselambacht ende andere casselrien van daer ontrent. Sy verwoesten ende verbranden vele casteelen ende sterckten alwaer het lantsvolck hun met hunlieder goederen op vertrocken hadden, ende, naer dat sy de voorseyde vier dagen over den Nieuwen Dijck naer het lant van Artois vertrocken.’ In een voetnoot van Pauwel verneem ik dat de 400 gesneuvelden allemaal jonge mannen van Cassel zijn.

De raadsheren van Maria van Bourgondië grijpen in om verder terreur in de Westhoek te stoppen. Alle leenhouders van Vlaanderen krijgen het bevel om zich binnen de vier dagen te melden bij het Vlaams leger. Gewapend wel te verstaan en klaar om tegen de vijand op te trekken. Wie het bevel naast zich neerlegt, zal onteigend worden. Al zijn eigendommen zullen verbeurd verklaard worden en hij zal voortaan als vijand van de staat worden beschouwd. Hun huizen en eigendommen zullen na de oorlog in handen komen van diegenen die terugkeren van de oorlog, die ‘ten eeuwigen dage de verbeurde leenen souden blijven besitten.’ De gedwongen mobilisatie valt niet in goede aarde bij de meesten. De represaillemaatregelen, het verlies van have en goede, is een ongemeen harde maatregel.

De staat die eenzijdig dreigt om eigendommen af te nemen. Men kan dit moeilijk netjes noemen. De kronieken laten de weerzin van de leenheren dan ook uitschijnen: ‘dit bevel, het welck aen vele persoonen mishaechde, wiert tot Veurne, op den 5e julii 1477 vercondicht.’ Voor de mensen in de Westhoek is er niet veel tijd om mistevreden te zijn. Vooral in de streek van Veurne en Veurne-Ambacht is er grote beroering ontstaan. Vooral nu de Fransen Bethune en omgeving onder de voet hebben gelopen en daarna ingenomen hebben. ‘Die van Veurne waren om dese reden seer sorchvuldich om hunne stadt te verstercken ende te voorsien van alle gereedtschappen waer mede sy sich souden hebben connen verweeren, in gevalle dat sy door de Franschen besprongen hadden geweest.’ Deze keer mag het trouwens gezegd worden: iedereen doet zijn duit in het zakje.

Het kapittel van Sint-Walburga en de abdij van St.-Niklaas komen elk met 120 ponden over de brug. Het magistraat betaalt 100 ponden en die gaan integraal naar de manschappen die opgesteld staan aan de Nieuwe Dijk. Als militaire leider is de befaamde Daniel Van Praet aangetrokken die momenteel dus de functie van gouverneur van Veurne bekleedt. Van Praet zorgt er voor dat de wachtposten verder uitgebreid worden, maar die kunnen natuurlijk niet voorkomen dat de Fransen herhaaldelijk het hinterland binnenvallen en voortdurend aanstalten maken om het hele Westland te bestormen.

De buitenbevolking en vooral de rijkste lieden van de kasselrij hebben er geen goed oog in en ‘begonden te vluchten met hunne beste goederen in andere groote steden.’ De vlucht van de rijke boeren wordt natuurlijk opgemerkt door de eenvoudige landbevolking. ‘Vele andere persoonen, dit bemerckende, maeckten hun gereet om de vluchtelingen te volgen’. Gouverneur Daniel Van Praet ziet de uitwijking niet graag gebeuren. Straks zal er zelfs geen volk meer zijn om de regio te verdedigen en krijgen de Fransen een opendeur gepresenteerd. Hij waarschuwt de hofhouding van Maria van Bourgondië dat deze exodus dringend gestopt moet worden. Op 14 augustus 1477 volgt er een formeel verbod.

Niemand mag nog de stad Veurne of de kasselrij ontvluchten en iedereen die al met zijn goederen weggeglipt is, moet onverwijld naar de eigen regio terugkeren. De stok achter de deur is weer dezelfde: een verbeurdverklaring van de goederen. De dreiging is voldoende, ‘waer door dat alle de gevluchte lieden naer hunne woonplaetsen wederceerden.’ De situatie lijkt uitzichtloos. De komst van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk en zijn gepland huwelijk met Maria van Bourgondië, brengt daar onverhoopt een totale verandering in. Het gaat vlug. Aankomst te Gent op 17 augustus 1477 en de trouw zelf de volgende dag.

De vreugde onder de mensen is begrijpelijk. ‘Om dit geval wierdener groote vreuchdeteeckens bedreven ende namentlick in dit geweste, midts men hoopte daer door haest vanden Franschen verlost te wesen.’ Terwijl ze in Gent nog aan het genieten zijn van het prinselijk huwelijk, wordt de oorlogsdreiging weer de realiteit van de dag in de Westhoek. De kronieken hebben het over de zware ‘druck ende benauwtheyt’ die heerst bij de mensen.

De Fransen steken met het nodige geweld de Leie over en verjagen de Vlamingen die er de wacht houden. Het is weer eens oorlog. Meregem wordt ingenomen en beroofd en van daar gaat de Franse opmars richting Steenwerck, Nieuwkerke, Armentieres, Cassel, Steenvoorde, Eleksbeecke en veel andere parochies waar er her en der brand gesticht wordt in huizen en boerderijen, ‘soo dat sy menich mensche geheel aerme maeckten’. De klokken op zowat alle kerktorens van Veurne-Ambacht luiden alarm, het volk van de streek bewapent zich ‘ende al het lantsvolck wiert gesonden langst de riviere van den Ysere ende op alle de andere wegen der casselrie, om de Franschen te beletten van daer in te commen.’

Hoogbaljuw van Winnezeele probeert in Roesbrugge de doortocht van de Fransen te beletten. Hij positioneert nogal wat volk in het lokaal kasteel. ‘Hy dede alle de straten ende wegen opdelven met wijde grachten, ende liet, op sijn bevel, oock veele boomen in de wegen vallen, omdat de Fransche ruyters daer door te min hadden connen voorttrecken.’ In Veurne zelf, houdt de heer van Merwede controle over de zaken, en van zodra alles op punt staat, vertrekt hij naar Sint-Winoxbergen om daar de bescherming van de stad op zich te nemen.

Zijn verhuis gebeurt in opdracht van het magistraat van Brugge, dat blijkbaar beseft dat Bergen zich in de hachelijke situatie bevindt. Het grote Franse leger laat zich vooralsnog niet zien. De Westhoekers krijgen te maken met hele groepen soldaten die gaan zwerven in het Westland in de hoop om zich te kunnen verrijken met wat ze kunnen stelen en plunderen. ‘Naer dat de Franschen nu eenige dagen het lant afgeloopen ende soo jammerlick, over de Leye met al hunlieder buyt; sy trocken van daer tot onder Bethune, alwaer het gros huns leger lach.’

De winter is in aantocht en de beveiliging van de Leie en de Nieuwe Dijk wordt de hele tijd met grote zorg intact gehouden. Overal in Vlaanderen worden er jonge mannen opgeëist om de grenzen te beschermen. ‘De beslotene steden van West-Vlaenderen moesten oock hunlieder bepaelt getal mannen naer de aen hun aengeduyde plaetsen senden.’ De Fransen durven de hele winter door niet over de Leie komen. En al ze het al eens proberen, dat stuiten ze op Westhoekverzet. De 19de mei van 1478 is het gedaan met de schone liedjes.

Met groot gedruis en geweld breken de Fransen de Leie open. Het gebeurt ter hoogte van Steegher, dat in onze hedendaagse tijd bekend staat als Estaires. Het gaat er heel agressief aan toe. ‘Sy sloegen daer alle de lantslieden doodt die hun wilden d’overtreckinge van die riviere beletten, ende sy sijn alsoo recht gecommen naer Belle, welcke plaetse sy plunderden ende verbranden.’ Vandaar gaat het naar Poperinge, ‘welcke stadt sy oock beroofden ende een deel daer van verbranden.’ Weer slaan de klokken van Veurne-Ambacht alarm. Weer moet het volk van den buiten zich reppen naar de Ijzer om een verdere vijandelijke doortocht in de kasselrij te verijdelen.

Van Poperinge stomen de Fransen door naar Roesbrugge. Met de gebruikelijke oorlogstaferelen uiteraard. De acht parochies die zich zuidelijk van de Ijzer bevinden, lijden grote schade. Bevelhebber van Winnezeele ‘sont eenige der cloeckste lantslieden uut om de vyanden te bespieden. Desen, eenige Fransche ruyters by Proven ontmoetende, hebben de selve aengetast in eene smalle strate, ende hun omringende, hebben sy er eenige van hunne peerden geworpen, waer op de andere hun moesten gevangen geven in de genade van de boeren.’

Die ‘genade’ van de boeren moet sowieso een understatement zijn. Ik moet niet lang wachten om te weten te komen wat ik al aan het denken was. ‘Vier der geseyde ruyters bleven onder de slagen der lantslieden doodt’, zuivere ongenade is het, en de acht anderen worden naar Roesbrugge gebracht. Hier zijn ze natuurlijk geplezierd zijn dat ze enkele van die rotzakken te pakken hebben gekregen. Het sterkt in elk geval de moraal van de Vlaamse troepen. Wat een opkikker voor de mensen. ‘De peerden ende de wapenen wierden aen de lantslieden voor buyt gelaten, maer de ruyters wierden tot Veurne in de gevangenisse gesonden.’

De Franse divisies houden nog een tijd lelijk huis in de Westhoek en proberen zich dan opnieuw te voegen bij het Franse hoofdleger ten zuiden van De Leie. De Fransen mogen van geluk spreken dat ze dat tijdig gedaan hebben, want ‘het en schilde niet veel ofte sy waren den wegh afgesneden van die van Brugge, van ’t Vrije ende andere, die slechts eenen halven dagh daer toe te late quamen.’ De 2de juni komt er weer een dergelijke Franse aanval. Met de gebruikelijke paniek en maatregelen in de streek van Veurne. De Franse benden liggen tussen Belle en Poperinge, waar ze gecounterd worden door een Gents leger.

De dagboeken schrijven het zo gemakkelijk en eenvoudig neer met slechts één regels tekst. In die ene regel worden wel 500 Fransen gedood. Het moet een ware veldslag geweest zijn. ‘De Franschen moesten vluchten, achterlatende vijf hondert dooden ende al den roof die sy op het aerm lantsvolck gemaeckt hadden.’ De vreugde in de kasselrij van Veurne is groot. God wordt uitzinnig geloofd om zijn medewerking. Deze keer waren ze er echt van overtuigd dat hun stad in de brokken zou delen. Het is er gelukkig niet van gekomen.

De komst van Maximiliaan heeft inderdaad alles veranderd. De 7de juli van 1478 sluiten de Fransen een wapenstilstand van een jaar af met onze hertog. Iedereen hoopt natuurlijk dat dit ene jaar gevolgd zal worden door een permanente vrede. Maria van Bourgondië is in deze tijd van oorlog (op 22 juni in Brugge) bevallen van een zoontje. De jaarboeken omschrijven het manneke als Philips van Oostenrijk, maar in Vlaanderen en in de geschiedenisboeken zal de baby later als Filips de Goede bekend raken. ‘De wapen opschorsinge wiert in de eerste maenden redelick onderhouden, maer niet in de leste’.

De roofpartijen van de Fransen in de landen van de aartshertog duiken weer op. ‘Sy vertoonden hun onder ander met een groot getal schepen met vele volck bemant op de zee langst dese custen, in de maendt van april 1479, sonder dat men wiste wat sy van voornemen hadden.’ Het moet een onbehaaglijk gevoel geven aan de kustbevolking. Waar en wanneer zal de vijand aan land komen en zijn slag slaan? Van Grevelingen tot aan Sluis worden er dag en nacht wachters opgesteld.

In Veurne-Ambacht krijgen de landlieden het bevel om zich permanent te bewapenen en bij het minste teken van onraad alarm te slaan. ‘Op al de torens der prochien die naest vanden zeecant gelegen waren, wiertter volck gestelt om storme te cloppen, dies noot zijnde, ende door teeckenen met vier te toonen alwaer het volck naer toe trecken moest.’ Vuurbakens zullen desnoods de weg tonen voor wie op de vlucht moet slaan. De voorzorgsmaatregelen werken perfect. Een poging om te landen op het strand van Zuidcote botst op zo veel Vlaamse weerstand dat de Fransen hun landing voor bekeken dienen te houden. Van dan af aan staken de Fransen hun pogingen en wordt de vrede verder gerespecteerd.

Maximiliaan gebruikt dit jaar van relatieve rust om zijn leger op te bouwen. Vlaanderen maakt zich klaar om ten strijde te trekken tegen zijn zuiderbuur. ‘Den aertshertogh dede vele krijgsvolck werven in zijnde landen, ende bovendies dede hy er vele commen uut Duytsland.’ De rollen worden plots omgedraaid. Op 27 juli 1479 zijn het nu de Vlamingen die de stad Terwaan gaan belegeren. Er is geen stad en geen kasselrij in Vlaanderen die niet deelneemt aan het beleg. Van Veurne en Veurne-Ambacht zijn ze afgezakt met 400 gewapende mannen die marcheren onder het bevel van de graaf van Romont, de broer van de hertog van Savoye, de gouverneur van West-Vlaanderen.

Terwaan, al zo veel eeuwen de spirituele en geestelijke hoofdstad van de Westhoek, heeft het ver gebracht. Een roversnest is het, menen ze in Vlaanderen. Vandaar die aanval natuurlijk. ‘Men was geheel dese provintie door in groote blijdtschap om de belegeringe van dese stadt, die een groot roofnest was, ende wiens garnisoenen dickwijls langst den Nieuwen Dijck in ’t lant gevallen hadden, om het volck te vangen, te rantsoeneren ende te berooven.’

Het duurt nog niet te lang voor het groot leger van de Fransen een poging onderneemt om het beleg van de Vlamingen tegen te gaan en om de strijdkrachten van de aartshertog aan te vallen. De hele maand augustus wordt er hevig slag geleverd. In het nadeel van de Fransen trouwens. ‘Den aertshertogh bequam er de volle victorie op sijne vyanden. Dien vermaerden slagh geschiede tusschen de prochien van Lavienville ende Blanquis, op eene hoogte, genaemt Guinegate.’ Het slagveld bevindt zich een kilometer of vijf ten zuiden van Terwaan. In Veurne wordt er een algemene processie georganiseerd. Om God te loven en te danken voor deze triomf ‘ende daer naer wierden alle soorten van vreuchdeteeckens bedreven.’

Ik vraag me af of ze niet te vlug victorie kraaien daar in Veurne. Het gros van het Franse leger huizeniert tussen Bethune en St.-Venant en in de Westhoek zijn ze er beducht voor dat ze een vijandelijke inval zullen te verteren krijgen en vrezen ze dat er wel eens een aantal steden zouden kunnen worden ingenomen. Veurne gaat hulp zoeken in Brugge. Volk, wapens en buskruit hebben ze nodig en ook enkele van die Duitse soldaten die kunnen meehelpen om hun veiligheid te garanderen. Maximiliaan reageert alert op de nieuwe dreiging. Hij laat zijn legers verplaatsen tot bij Belle waar hij zelf op 15 september 1479 naar toe reist. De meeste Fransen gaan beschutting zoeken binnen de muren van enkele steden.

Maximiliaan profiteert er van om Artesië binnen te vallen en hij ‘nam er eenige slooten ende casteelen in, sonder verders yets besonders uut te rechten.’ De tegenreactie van de Fransen laat niet lang op zich wachten. Terwijl de Vlamingen slag leveren in Artesië, komen ze als duivels uit een doos uit hun egelstellingen in Bethune, Terwaan en Hesdin. Zeshonderd lansiers te paard en een massa van voetvolk passeren de Nieuwe Dijk zonder dat de hier opgestelde Vlamingen ook maar iets de pap te brokken krijgen. Ze verweren zich zo goed en zo kwaad als ze kunnen, maar de Westhoekers blijken gaan partij voor dergelijke overmacht. ‘De Franschen trocken naer Brouckburgh, welcke stadt sy by machte innamen.

Naer dese geplundert te hebben staecken sy het vier daer in, vertreckende van daer noch eens met grooten roof ende veel gevangen naer hunlieder garnisoenen teruch.’ Wat speelt er zich in de winter tussen 1479 en 1481 nog verder af op militair gebied? Pauwel heeft er niets over te vertellen. Hij verhuist naar 1480 met de subtitel ‘Anno 1480 – Veurne wort met vier bolwercken versterckt’. De Veurnse wethouders hebben kunnen vaststellen hoe eenvoudig het geweest is voor de Fransen om Broekburg in te nemen en ze waren getuige van de ravage die ze ter plekke hebben aangericht.’ Er moeten lessen getrokken worden uit wat hier voorgevallen is.

De stadsmuren van de stad Veurne moeten absoluut versterkt worden om op zijn minst te kunnen weerstaan aan dergelijke aanvallen. ‘Sy deden een goeden ingenieur commen, die aen de vier poorten der stadt eene halve mane deed opbouwen, om die des te beter te mogen beschermen.’ De werken beginnen al in het voorjaar van 1480. De halve manen waarvan sprake, worden bolwerken genoemd. De hele omtrek van elk bolwerk wordt nu extra beschermd met een wijde gracht en elke halve maan krijgt nu zijn eigen poort en een dubbele optrekbare brug die over de grachten wordt aangebracht. Wie de stadspoorten wil aanvallen, zal dus eerst de zone van de bolwerken voorbij moeten.

Ik kan het innoverende van het concept goed begrijpen. De nieuwe bolwerken zorgen in Veurne-stad ongetwijfeld voor een grotere veiligheid. ‘Die der casselrie, den meerderen deel van hunlieder goederen in de stadt gevlucht hebbende, gaven eene groote somme geldts om het geseyde werck te voltrecken, want andersins en was de stadt daer voor niet in state.’ De bolwerken zullen er blijven staan tot in 1673, merkt Pauwel Heinderycx nog op.

‘In Meyemaendt van 1480, ruckten de Franschen wederom ontrent Cassel dese streecke in, doende veel quaets met rooven, branden ende de inwoonders te vangen.’ Graaf Romont, de gouverneur van Vlaanderen reageert prompt. Een leger van Duitse en Vlaamse soldaten gaat er op af en slaagt er in om de vijand te verdrijven. Door de jaren van oorlog en de onophoudelijke verwoestingen van de akkers, wordt graan stilaan een schaars en haast onbetaalbaar product. In Veurne moeten de mensen al 10 pond betalen voor een zak tarwe en dat is al niet meer voor de gewone mensen weggelegd.

In februari 1481 flakkeren de Franse strooptochten weer op. Voor de Vlamingen het goed en wel beseffen, staan ze al te popelen en te drummen om de Nieuwe Dijk over te steken. Daar worden ze geconfronteerd met de mannen van Veurne en Veurne-Ambacht die zich schrap zetten om een vijandelijke doorbraak te voorkomen. De Franse overmacht is echter veel te groot. ‘Sy deden soo groot gewelt om daer over te geraecken, dat de Veurnaers hun eyndelinge niet meer conden wederstaen.’ De balans is zwaar. ‘Naer dat de Franschen den selven overgetrocken waren, sloegen sy ontrent veertigh Veurnaers doodt, ende stelden de overige van hun op de vlucht.’ Wat nu volgt, is traditioneel opnieuw weer een periode van plunderen en brandstichten.

Vooral de buitengebieden van Sint-Winoxbergen worden deze keer het slachtoffer van de agressie. Op 27 maart 1481 sterft Maria van Bourgondië na een val van haar paard. De Vlamingen betreuren haar dood en in Veurne is dat verdriet niet anders. In 1482 valt er beter nieuws te rapen: Maximiliaan van Oostenrijk is er eindelijk in geslaagd om een echt vredesakkoord te sluiten met de Fransen. Is deze periode van oorlogsdreiging eindelijk voorbij voor de Westlanders? Eigenlijk wel. Maar nu dreigt er een oorlog aan het geestelijk front te ontstaan.

In het jaar 1484 komen Jan Crabbe, de abt van Ter Duinen en zijn assistent Pieter Vailliant met verhuisplannen op de proppen. De ligging van de abdij midden in de duinen en in dit onbewoonde land is al iets dat decennia lang op hun magen ligt. Ze maken hierbij dankbaar excuus van de wetenschap dat ze in een streek wonen die keer op keer onderworpen wordt aan oorlog en rebellie. En dat mag nu wel eens gedaan zijn.

De abt wil zijn organisatie verhuizen naar een plaats die beschut is voor de buitenwereld, in de veiligheid en beslotenheid van een echte stad. ‘Sy versochten vanden aertshertogh daerom oorlof om ’t selve te mogen verplaetsen in de stadt van Aerdenburg.’ Ongetwijfeld hebben de schepenen en de burgemeester van Aardenburg het hoofd van de abt zo zot gekregen om dergelijke verhuizing op de agenda te plaatsen. Ze weten goed genoeg waarom ze dat doen: ‘wel wetende dat sy seer rijcke waren, ende dat sy aen hunlieder stadt vele neyringe souden bybrengen’. Er leven nogal wat hulpbehoevenden binnen Aardenburg en de financiële sterke van de geestelijken zou hen zeker van dienst kunnen zijn om iets aan die situatie te veranderen.

Niets is er te veel om Ter Duinen over de brug te halen. De geestelijken krijgen de lokale O.L.V.-kerk en de aangrenzende plaatsen aangeboden. Hier kunnen ze hun nieuw klooster optrekken. En ze zwaaien nog met andere voordelen. In Veurne worden ze op de hoogte gebracht van de plannen van Jan Crabbe. Het duurt natuurlijk niet lang voor er een verzoek vertrekt naar de hertog om in deze zaak gehoord te worden. Hun vraag wordt ingewilligd door Maximiliaan van Oostenrijk. Veurne slaagt in zijn opzet: ‘Dese heeren vertoonden aen den aertshertogh soo vele redenen dat sy hem beweechden van het voorseyde clooster niet te laten verstellen, niet jegenstaende de groote poogernien die de meuningen ende die van Aerdenburch daer toe deden.’

De dood van Maria van Bourgondië heeft ook zo zijn nare gevolgen voor Vlaanderen. Het is de eerste keer dat ik hier iets van verneem. De Veurnse jaarboeken blokletteren het: ‘nieuwe beroering in Vlaenderen’, en ze hebben het uitgebreid over de achterliggende redenen van de mistevredenheid van de mensen. Als moeder sterft, is haar zoontje Filips de Goede nog een kind, en in afwachting van zijn volwassenheid, neemt zijn vader Maximiliaan het regentschap over Vlaanderen op zich. Hij laat zich omringen door een nest Duitse adviseurs, ‘Duytsche heeren die by hem gedeurichlick in groot getal waren. Bovendies, daer hy soo veel mogelick aen de voorseyde heeren alle officien gaf, waren de inlanders daer van jaloers, ende seyden, dat die Duytslanders hier maer quamen dese streecke regieren, dan om het geldt die sy met groote hoopen daer over trocken naer Duytslant, ’t hunlieder eygen behoef, te senden, ende dat den aertshertogh selve sulcx oock deed.’

De kronieken omschrijven kort en bondig wat er in de volksmond leeft. Vlaanderen is een bijhuis geworden van Duitsland en danst naar vreemde pijpen. De Staten-Generaal van Vlaanderen is zelf niet opgezet met deze gang van zaken. De aartshertog doet waar hij zin in heeft en dat is helemaal niet naar de zin van de ‘inlandsche heeren die de staten van ’t lant’ beginnen op te stoken om te ageren tegen de situatie. De raad slaat dan ook aan het protesteren tegen Maximiliaan en maant hem aan om geen belangrijke zaken te beslissen zonder voorafgaand overleg met die Raad van Vlaanderen. Ik vind het toch erg verontrustend als ik verneem dat de aartshertog boos reageert op dat verzoek van het hoogste Vlaamse staatsorgaan. Het lijkt er wel op dat Vlaanderen na de dood van Maria van Bourgondië gedegradeerd is tot een pseudodictatuur.

Inderdaad, ‘die handelswijse mishaechde grootelicx aen den aertshertogh ende noch veel meer aen de andere Duytsche heeren. Dese weckten den aertshertogh op, van daer over de wapenen aen te nemen.’ Ik herinner me de grote blijdschap die er nog niet zo lang geleden ontstaan was bij het huwelijk van diezelfde man met wijlen onze hertogin van Bourgondië. Wat nu gebeurt, is eigenlijk hallucinant te noemen voor de bevolking.

Ik ben dan ook niet verwonderd dat er trammelant van komt. ‘Dit was ’t beginsel der lanckdeurige inlantsche oorlogen ende groote ellenden die men gingh onderstaen. Men sach alsdan een ider de wapenen aennemen: niet alleenlick d’eene provincie maeckte bereytselen om jegens de andere te oorlogen, d’eene stadt jegens de andere, ja, maer wat meer is, d’eene prochie jegens de andere. Sulcx en wasser noyt gesien!’ De snelheid waarmee de ingewortelde vetes Vlaanderen in lichtelaaie zetten, is ongezien in onze geschiedenis. Welke intense verdeeldheid manifesteert zich hier toch terwijl de 15de eeuw stilaan naar zijn einde loopt?

Ook in Veurne-Ambacht zien we diezelfde verdeeldheid optreden. ‘In Veurnambacht warender een deel der prochien der casselrie die de zijde vanden aertshertogh volchden, ende ’t ander deel die met de staten van ’t lant aenhielden.’ Op 25 februari 1485 schopt Maximiliaan van Oostenrijk het tot koning van Duitsland, een titel die in die tijd omschreven wordt als Roomse koning. De schrijver van de jaarboeken houdt zich voor om de man voortaan dan ook als koning te betitelen. De hele eerste helft van 1485 leeft Vlaanderen in de ban van de revolutie. Ik heb vrij vlug door dat Pauwel Heinderycx deze periode met de nodige snelheid wil afhaspelen en dat ik me op een later tijdstip wel zal kunnen toespitsen op meer details.

De jaarboeken van Veurne vatten de situatie wel prima samen: ‘den oorlogh begonde sich seer vreedelick uut te breyden ter verderfenisse van vele landen; de twee heerschende partyen deden daer toe alles wat mogelick was; van wederzijden wierdender steden ingenomen en groote vyandtschappen bedreven. Eyndelinge wiert in de maendt van junii den peys gemaeckt; tusschen den Roomschen coninck ende de staten van ’t lant de welcke seyden den oorlogh gedaen te hebben, om de belangen vanden jongen prince Philips te verdedigen.’

De voornoemde vrede brengt echter geen soelaas. Integendeel: ‘hy brocht niet dan onheylen voort, ende gaf eygentlick d’oorsaecke tot den oorlogh, die zich cort daer naer feller uytbreyde.’ In Veurne blijven de wethouders pal achter de koning staan. Ongeacht de grote druk van buitenaf om ook hier in de Westhoek in het verzet te komen tegen de Duitse hegemonie.

De vijftig jaren van oorlog en vrede in het Veurnse worden afgesloten met de officiële houding van het stadsbestuur: ‘alhoewel geduerende dit jaer geoorlocht wiert, nochtans en vinde ick niet, datter in de stadt ende casselrie van Veurne yets bysonders geschiet is, dan dat de staten van Vlaenderen ende namentlick die van Brugge de magistraten der beyde wetten dickmaels versochten dat sy hun jegens den Roomschen coninck souden wapenen. Aen die vragen wiertter niets toegestaen, dewijlen onse wethouders meer toegedaen waren tot den aertshertogh als tot de staten.’ Van het standpunt van de modale Veurnenaar is niets geweten. Spijtig toch.