Aan de Ijzerbrug in Beerst

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       7 months ago     254 Views     Leave your thoughts  

In 1488 is het voor de keizer van Duitsland welletjes geweest daar in Vlaanderen. De gevangenname van zijn zoon kan voor Frederik niet door de beugel. Hij zakt af naar de Nederlanden in het gezelschap van een groot leger met een resem keurvorsten op kop. Paus Innocentius VIII schrijft naar Brugge dat ze Maximiliaan absoluut moeten laten gaan omdat hij hen anders in de ban van de kerk zal slaan. Ook andere buitenlandse prinsen verhogen de druk op de Bruggelingen. Er moet echter nog heel veel water door de Leie stromen vooraleer de Staten-Generaal op 12 mei 1488 dan toch beslist dat er beter vrede zou komen met de Duitsers. Want uiteindelijk zijn ze hier maar klein bier in vergeleken met het Duitse keizerrijk.

De Fransman ruikt zijn kans

Vier dagen later komt Maximiliaan op vrije voeten. Van de afgesproken vrede zal er niet veel in huis komen. De vrede is formeel beloofd, maar de revanchegevoelens van koning en keizer razen integendeel als een rode loper doorheen Vlaanderen. De Duitse troepen zijn al voorbij Brussel gekomen op hun terugweg naar de heimat als ze instructies krijgen om rechtsomkeer te maken en om Gent in de tang te nemen. Het is een ‘wonderlijk’ groot leger weten ze te vertellen in Veurne, maar Gent plooit er niet voor.

De Duitsers breken hun kamp op en ‘alsdan verwoestten de manschappen van het keizerlijk leger zodanig het land, dat het jammer was om zien.’ Brugge, Gent en Ieper zoeken hulp in Frankrijk. De Fransman ruikt zijn kans om op een schoon blaadje te geraken in Vlaanderen en stuurt er direct een pak volk op af. Duitsers, Vlamingen van alle soort en slag dolen nu al door het land en daarbij komen nu nog hele benden Franse nietsnutten deze potpourri aanvullen.

Het is allerminst duidelijk wie er nu voor of tegen wie is. De kroniekschrijver geeft dat ook ruiterlijk toe: ‘men zag het land van Vlaanderen nooit in een ellendiger toestand als in die dagen, want men wist niet wie vriend of vijand was!’ Veurne blijft trouw aan Maximiliaan en verweert zich hardnekkig tegen de andersgezinden. De inwoners worden beschermd door hun kapitein Jacob van Tepelle, een voormalig krijgsman die het klappen van de zweep blijkbaar erg goed kent.

De burgemeester slaagt er zelfs in om een garnizoen Duitsers te laten logeren binnen de stadsmuren. Het blijft trouwens een dubbeltje op zijn kant om te zorgen voor de gewenste munitie en oorlogsvoorraden en al die extra monden moeten natuurlijk ook nog gevuld worden. Op 15 juni 1488 houden die van Veurne en Veurne-Ambacht een algemene vergadering. De geestelijken van de kasselrij en van Sinte Walburga zijn eveneens van de partij. Net zoals de edelen met hun blauw bloed trouwens, want die wanen zich uiteraard onmisbaar.

De aankoop van munitie en schietpoeder

Hoe zouden ze de bescherming van de stad en de kasselrij aanpakken? Allemaal niet vanzelfsprekend. Toch komen er beslissingen uit de bus. Eerst en vooral moet de stad extra versterkt worden, zo goed en zo kwaad als het enigszins mogelijk is, de kasselrij zal instaan voor de helft van de kosten. Later zal blijken dat dit aandeel meer dan zeventienhonderdvijftig ponden zal bedragen. De aankoop van munitie en schietpoeder wordt op dezelfde manier geregeld. Elk zijn aandeel lijkt voor al de partijen fair.

Er worden twintig ruiters en dertig voetknechten naar Veurne gedetacheerd om zich te stellen onder het gezag van Denis van Morbeecke, de heer van St.-Omer, een ‘kloek en deftig oorlogsman’ die aangesteld wordt als de vervanger van Jacob van Tepelle die op zijn beurt doorschuift naar de functie van hoogbaljuw. Van Morbeecke krijgt een zekere Maarten van Fontegnis, ‘Trondelot’ als luitenant. Hij zal achteraf aangesteld worden als landhouder van de commune van Veurne-Ambacht.

Het blijkt eigenlijk pas enkele bladzijden verder in de jaarboeken van Veurne dat de bewuste vergadering van 15 juni 1488 er gekomen is op uitnodiging van Maximiliaan zelf en dat die doorgegaan is in Sint-Winoksbergen. De aanwezigen krijgen er de niet mis te verstane aanbeveling om daar ook hun eed van getrouwheid aan de Roomse koning af te leggen. Die van de omgeving van Veurne en van enkele andere steden van West-Vlaanderen doen dat met plezier en overtuiging.

De Veurnse houding wordt allerminst gesmaakt

De rest van Vlaanderen kan de houding van Veurne allerminst smaken en maakt dat direct duidelijk. ‘Die van Brugge en van het Brugse Vrije kwamen dikwijls onverwacht over de Ijzer om in Veurne-Ambacht te plunderen en te roven. Om dat te beletten werd er bevolen om het zeewater via de sluis van Nieuwendamme in de Ijzer te laten stromen, zo hoog als het mogelijk was. En verder dat de landslieden van de nabijgelegen dorpen de wacht moesten houden langs de Ijzer.

Er werd nog een sterkte of een schans gemaakt om de sluis te beschermen en om de doorgang naar Nieuwendamme te beletten. De versterking werd door de lieden van St.-Joris en Ramskapelle bewaakt. Ondanks al die voorzorgen trokken de Vrijlaten af en toe toch wel degelijk de Ijzer over en richtten ze grote schade aan in de kasselrij.’ Het volk van Veurne-Ambacht pikt dat geweld natuurlijk niet en verzoekt aan de kapitein van Veurne om met een deel van zijn garnizoen naar het Vrije te trekken om er orde op zaken te stellen.

Met succes trouwens want ik lees onmiddellijk dat enkele pelotons direct vertrekken richting Nieuwpoort om enkele van hun collega’s op te pikken om nu samen te vertrekken naar de regio Brugge. ‘Ze liepen gezamenlijk geheel het Vrije af, allerhande vijandelijkheden bedrijvende terwijl de landslieden van Veurne-Ambacht de Ijzer overstaken en binnenvielen in dezelfde streek waar ze niets of niemand spaarden en er zorgen voor grote hinder.’

De magistraten van het Veurnse zijn natuurlijk op de hoogte van de extra Franse troepen die op komst zijn om de Staten van Vlaanderen te ondersteunen tegen Maximiliaan. Ze zenden spionnen uit om te weten te komen waar de Fransen hun kampen zullen opslaan. Dat blijkt Ieper te zijn. Langs de wegen van de kasselrij van Veurne wordt nu overal gewapend landvolk geplaatst om het platteland van plundering te vrijwaren.

De sterkte van Roesbrugge wordt ingenomen

Op 21 juni 1488 is het zover. Een Frans leger bestaande uit vijfduizend man voetvolk en zeshonderd ruiters komt Vlaanderen binnen op zijn weg naar Ieper. Hun leider is Philippe van Creveceur, de heer van Cordes. De maatregelen om ‘den buiten’ te vrijwaren slaan natuurlijk nergens op tegen zo’n bende volk. Ik had het kunnen denken. ‘Dat volk haalde op de parochies van de kasselrij ten zuiden van de Ijzer gedurende hun trip grote roof.’ In Ieper zijn ze daar niet gelukkig om.

Het was voor niets nodig om de onschuldige Vlaamse burgers van de buitengebieden te pluimen. De heer van Cordes reageert hierop door de gestolen dieren te laten terugbrengen naar hun oorspronkelijke eigenaars. De Fransen hebben zich ondertussen al meester gemaakt van Duinkerke en zijn van plan om de hele Westhoek onder hun controle te brengen. Joris van Everstein, een Duitse kolonel en Denis Van Morbeecke laten dit niet zomaar gebeuren en sturen er Duitse, Vlaamse en Bourgondische manschappen op af om de bezetters uit de havenstad te verjagen. Iets waar ze ook in slagen en nu richten ze hun pijlen op Roesbrugge dat blijkbaar meezeult met de rebelse Staten van Vlaanderen tegen Maximiliaan.

‘De sterkte van Roesbrugge wordt ingenomen en het dorp wordt samen met de kapel in brand gestoken’. Ik weet het direct als ik de titel aan de rechterkant van het handschrift er op naspeur. Blijkbaar houden nogal wat rebellen zich verschanst in een of andere versterking die nu onder vuur komt te liggen van de legers uit Veurne. Na enkele stormlopen zwichten driehonderd verschanste rebellen voor de overmacht en worden ze verplicht om zich over te geven. Hun rijke buit zijn ze kwijt. Het hele dorp wordt inderdaad samen met de kapel en veel huizen en hofsteden uit het omliggende verbrand omdat de mensen het hier hebben aangedurfd om de wapens op te nemen tegen de Roomse koning.

Die van Veurne en Nieuwpoort staan zoals eerder gezegd dus wel aan de kant van Maximiliaan en dat verschaft hen blijkbaar een alibi om nu ook grote schade aan te richten in het Brugse Vrije. Blijkbaar zijn ze niet enkel tevreden met het plunderen van de mensen, maar proberen ze die ook gevangen te nemen zodat er een systematische vlucht op gang komt tot aan de poorten van Brugge. De Bruggelingen wachten niet lang om hierop te reageren. Samen met die van het Vrije trekken ze er op uit om een einde te maken aan deze verderfelijke roofpartijen. Ik blijf in het ongewisse rond het aantal Bruggelingen die aan deze acties deelnemen, maar blijkbaar zijn er toch voldoende om al de versterkingen en de huizen in de regio Nieuwpoort en Diksmuide te gaan bezetten.

De kastelen van Esen en Woumen worden heroverd

Everstein en Van Morbeecke laten het niet zomaar gebeuren en sturen er hun mannen op af. De kastelen van Gistel, Esen en Woumen worden heroverd en daarmee is de Westhoek weer gezuiverd van Bruggelingen. Iets wat natuurlijk niet lang duurt wanneer die van Brugge een nieuwe aanval opzetten. Ik moet er geen tekening rond maken, maar wil toch wel de bemerking doorgeven dat Filips van Kleef, de heer van Ravenstein zich nu aan het hoofd zet als kapitein-generaal van de troepen.

De reactie van Brugge heeft geleid tot een nationaal leger dat de Westhoek nu toch wel eens echt wil aanpakken. 11 augustus 1488. Ravenstein trekt richting Westhoek met een leger van zeventienhonderd ruiters en tweeduizend mannen voetvolk uit Brugge, aangevuld met zesduizend man voetvolk uit het Noord- en West Vrije. Ze stappen de hele nacht door naar de streek van Nieuwpoort waar ze bij aankomst hun tenten opslaan aan de buitenzijde van de beruchte stadsmuren. ‘Kies de zijde van Maximiliaan en niet die van zijn zoon Filips’ eist Ravenstein, iets wat die van Nieuwpoort ‘stoutelijk weigerden.’

Denis Van Morbeecke schiet te hulp vanuit Veurne en begint op zijn beurt de belegeraars van Nieuwpoort aan te vallen, iets waar hij blijkbaar ook in slaagt want de Bruggelingen zien zich verplicht om zich terug te trekken. Ravenstein laat een brug optrekken ter hoogte van Schoorbakke. Terwijl die van Veurne zich hebben laten verleiden om Nieuwpoort te ontzetten, kan zijn leger misschien van de situatie profiteren door het nu relatief onbeschermde Veurne aan te vallen. Van Morbeecke ziet zich verplicht om zijn troepen haastig terug te sturen. Stratego op zijn best. De Bruggelingen sluiten zich de 13de augustus aan bij het Franse leger en bezondigen zich nu natuurlijk ook aan roof en plundering van de Westhoek.

Bergues wordt in de tang genomen

De heren van Ravenstein en Cordes nemen nu Sint-Winoksbergen in de tang. Bergues. Het duurt niet al te lang voor de stedelingen zich daar overgeven. Ze mogen al tevreden zijn dat ze lijf en goed mogen houden. Daniel van Praet, de gouverneur van Sint-Winoksbergen, geeft zich niet over en vertrekt met zijn medestanders naar Broekburg die hij wat later ook daadwerkelijk inneemt. Van Praet verhuist nu naar Nieuwpoort waar hij aangesteld wordt als de nieuwe baas van de stad.

In Veurne zitten ze met de nodige schrik om hetzelfde lot te ondergaan als dat van hun buurstad Bergues. Op 22 augustus vertrekt Joos van Ekelsbeecke op missie naar Nieuwpoort en Diksmuide om daar bijstand te zoeken zodat Veurne een aanval van de Fransen zou kunnen overleven. Hij krijgt zijn medestanders zo ver dat ze tweehonderd Duitsers naar Veurne sturen om de stad te helpen verdedigen.

Er komt trouwens nog meer keizerlijke steun naar de Westhoek afgezakt. Nu ja. Afgezakt is een eigenaardig woord in deze context. Het gaat over een vloot Duitse soldaten die vanuit Holland via de Noordzee op weg is naar de haven van Nieuwpoort. Ravenstein brengt de inwoners op de hoogte van de nakende komst van soldaten en hulpgoederen en zo kom ik te weten dat die zogezegde Nieuwpoortse steun aan Maximiliaan er vooral komt uit de hoek van de rijkere burgerij en de adel.

De gewone burgers weten het zo niet en ondergaan de keuzes van de elite alleen maar. Veurne en Nieuwpoort zijn nu al kop van jut voor de rest van Vlaanderen. De komst van de Duitse schepen zal er nog een schepje bijdoen. En wie zal achteraf de pineut zijn? Juist. Zijzelf, de arme inwoners van Nieuwpoort. En heel gerust in die vreemde snuiters zijn ze trouwens ook niet. Zo blijkt het toch.

De schalkse burgemeester van Nieuwpoort

‘Daardoor rees tussen de burgers een grote twist. Het merendeel wilde niet dat die schepen in de haven zouden worden binnengelaten uit vrees voor de dreiging van Ravenstein en verder meenden ze dat ze grote overlast zouden hebben van die Duitsers.’ De als ‘schalks’ omschreven burgemeester van Nieuwpoort drijft natuurlijk zijn zin door en laat de soldaten toe in de haven en het centrum. ‘Een groot deel van die vreemde troepen bleef te Nieuwpoort en de rest werd naar Veurne en Diksmuide gezonden.’ De nieuw gearriveerde krijgsmacht zorgt onmiddellijk voor een verandering in de burgeroorlog.

‘De Duitsers deden scherpelijk den oorloge aan de weerspannige Vlamingen. Ze overvielen hun parochies en persten de inwoners ervan uit’. In Duinkerke nemen ze het zekere voor het onzekere en verzoeken ze om onderdak te mogen geven aan een garnizoen Duitsers. De enclave van steden die de Roomse koning trouw blijven situeert zich nu duidelijk in de hele Westhoek met Ieper als uitzondering en over de mening van de Poperingenaars krijg ik geen duidelijkheid. Sint-Winoksbergen en Bergen-Ambacht vallen na de machtsovername van Ravenstein en Cordes nu wel in het gebied van de vijanden van Maximiliaan en dat zorgt natuurlijk voor de nodige tweespalt in het Westkwartier.

‘De Bergenaars en de Hondschotenaars plegen vijandelijkheden in Veurnambacht’, ik kan er niet naast kijken. ‘De inwoners van Bergen-Ambacht toonden nu dat ze vijanden van de Roomse koning waren. Ze deden de oorlog aan zijn trouwe onderdanen en kwamen dagelijks in de kasselrij van Veurne uitlopen en roofden daar alles wat ze vonden. Die van Hondschote welke al altijd tegen Maximiliaan geweest waren, handelden nog wreedaardiger.’

Hondschote is op zijn hoede

Er komt natuurlijk officieel protest. De daaropvolgende gesprekken tussen de gouverneurs van Bergues, Nieuwpoort en Veurne leveren niet veel op. De Nieuwpoortnaars hebben van koning Maximiliaan het bevel gekregen om diegenen van Hondschote die zich tegen hem hadden verklaard en nu grote schade aanbrachten aan het land, zeker niet te sparen. Gouverneur Merwede van Nieuwpoort en opperbaljuw van Vlaanderen geeft daarop de opdracht aan de Duitse garnizoenen in Nieuwpoort, Veurne en Diksmuide om in te grijpen en een einde te maken aan de roofpartijen.

Ik moet me nu ergens in de meimaand van 1488 bevinden. Hondschote is op zijn hoede. De stedelingen houden massaal de wacht en bij het minste onraad staan er zes à zevenduizend manschappen klaar om met wapens te reageren. De Duitsers en die van Bourgondië boeken nochtans hier en daar wel eens een succesje als ze benden Hondschotenaars kunnen betrappen tijdens hun dieverijen. Tussen al dat geweld door blijkt het van langs om meer dat het zeker geen zuiver zwart-wit verhaal is hier in de Westhoek. De meningen onder de inwoners zijn sterk verdeeld. Het bestuur van Nieuwpoort en Veurne probeert hun mensen aan de kant van de Roomse koning te houden.

Omdat de boodschap vanuit Ieper precies andersom is, zorgt dat natuurlijk voor grote twijfel en meningsverschillen bij de buitenmensen. De inwoners van de acht parochies ten zuiden van de Ijzer en al de dorpen die grenzen aan Hondschote weten niet wat ze willen. Houtem, Leisele, Beveren en Izenberge worden bij naam genoemd omdat hun inwoners nogal wat zaken doen met die van Hondschote en ze zich eigenlijk niet kunnen veroorloven om hun zakenpartners als vijanden te beschouwen. Terwijl hun bestuurders hen aanzetten om toch maar aan de kant van Maximiliaan te blijven, geneert het krijgsvolk uit Diksmuide zich niet om de inwoners die meezeulen met de Hondschotenaars aan te pakken. Het dagboek van mei 1488 vertelt het allemaal in geuren en kleuren.

De Veurnenaars laten de moed niet zakken

‘Het krijgsvolk van de bezetting uit Diksmuide liep dikwijls de kasselrij uit, rovende en de landlieden plunderende en dit allemaal onder het voorwendsel dat de inwoners van daar weerspannig waren. Maar omdat ze zowel de getrouwe als de weerspannige mensen beroofden stuurde het magistraat van Veurne-Ambacht hun gevolmachtigden naar de heer Archembaut van Haveskerke, de heer van Diksmuide en Watou, de man die dit krijgsvolk onder zijn controle had. Er werd hem bevolen dat hij zijn volk niet meer mocht toelaten op het grondgebied van de kasselrij of dat ze anders wel genoodzaakt zouden zijn om hun betalingen ten behoeve van het garnizoen stop te zetten.’

Er volgt in elk geval een niet mis te verstane verwittiging. De Duitse kapiteins zouden weleens versteld kunnen staan van dit volk dat ze hier kort willen houden. ‘Ze vreesden dat de bevolking van Veurne-Ambacht wel eens helemaal de zijde van de Roomse koning zou kunnen afvallen.’ Het kostenplaatje van al die oproer loopt in elk geval altijd maar hoger op voor Veurne. Eerst waren er die kosten om de versterkingen weer op punt te krijgen en nu moeten de mensen nog eens al die vreemde soldaten betalen omdat de Roomse koning blijkbaar zelf niet bij machte is om zijn eigen manschappen te betalen.

‘De burgers waren door die zware lasten zeer verarmd en de stad ten uiterste met schulden beladen en daar kwam nog bij dat de landen overal verwoest waren en het daardoor een erg dure tijd was met een tarweprijs die al was opgelopen tot vijftien ponden per rasier.’ En toch laten de Veurnenaars de moed niet zakken. Denis van Morbeecke en meneer van Merwede stellen hen grote voordelen in het verschiet wegens hun trouw aan de Roomse koning. De beloning voor hun getrouwheid en bewezen diensten zal zeker volgen. Ik hoop stilletjes dat Maximiliaan dan niet meer blut zal zijn.

Veurne neemt de keure van Hondschote over

Het stadsbestuur van Veurne wil wel wat meer dan vage beloften van de Duitser. Er kunnen nu al maatregelen genomen worden. De saaiweverij (de productie van een soort gekeperde wollen stof) van Hondschote is een erg succesvolle handelsactiviteit. Waarom zou Veurne-Ambacht de keure van Hondschote niet kunnen overnemen? De bevolking daar speelt sowieso met zijn voeten, dus wat zou er Maximiliaan tegenhouden om de zaken te verhuizen naar Veurne? En zo gaat er een ‘rekwest de deur uit waarbij ze de Roomse koning verzochten de stapel van de Hondschootse saaiweverij en de koopmanschap ervan naar hun stad over te brengen om die hier te laten floreren net zoals dat het geval was in Hondschote zelf.

Ze verzochten dit voorrecht in vergelding van hun getrouwheid en ter compensatie van de grote schade en kosten die ze al hadden geleden.’ De vis bijt. Maximiliaan stemt in met het verzoek van Veurne en zal daarmee ongetwijfeld de gemoederen in Hondschote nog verder ophitsen. Lees zelf maar: ‘de Roomse koning perfect op de hoogte van de inspanningen van Veurne en de weerspannigheid van Hondschote, heeft het gebruik van de saaiweverij van diegenen van Hondschote ontnomen met een formeel verbod om zich er nog verder mee in te laten. Hij heeft het voorrecht gegeven aan die van Veurne om aldaar bedreven te worden.

Hij gaf daar zijn bezegelde brieven en dan volgt een hele litanie van ‘Maximilien, par le grace de Dieu, enzoverder enzoverder.’ De stommelingen van Hondschote hebben kort samengevat in hun eigen voet geschoten. Met goede voornemens en de toelating om te weven heb je natuurlijk niet voldoende. Men moet ook de specialisten hebben. Veurne zwaait nu met grote voordelen om de saaiwevers van de regio Hondschote aan te trekken. Goede statuten en vergunningen en zeker en vast ook de nodige stabiliteit om op lange termijn goede zaken te kunnen doen. Zo lang de oorlog woedt kan er niet gedacht worden aan enige verhuis of hetzij dat de stad Hondschote te niet zou worden gedaan.

De kooplieden kunnen Maximiliaan niet uitstaan

De lakenreders (de drapeniers) en de kooplieden hebben één zaak gemeen. Ze kunnen de Roomse koning niet uitstaan. En dat is duidelijk een probleem voor Veurne dat erg Maximiliaangezind is. De gevolgen ervan worden direct zichtbaar: ‘bovendien hadden de drapiers en de kooplieden van saai zulk een haat tegen de Roomse koning en tegen die van Veurne dat ze daar nooit en hadden willen wonen; want van toen het gezeide bevel bekend was geworden, zijn de rijkste lieden, drapiers en kooplieden vertrokken binnen de stad van Ieper.’

Philips van Hoorne, de heer van Hondschote is het grootste slachtoffer van de verhuis. Hij verliest zijn percentjes waarop hij gaat flemen en klagen bij Maximiliaan. De prins kan toch onmogelijk de stapel der saaiweverij vervreemden van zijn heerlijkheid? Veel aarde brengt zijn tussenkomst niet aan de dijk, buiten wat vage beloftes rond enkele tegenprestaties van de koning mag hij het schudden.

Ondertussen gaat de burgeroorlog verder zijn heftige gang. Die van Diksmuide en Nieuwpoort lopen gedurig in het Brugse en in het land van de Vrije waarbij ze grote schade aanrichten bij de inwoners van die streken. ‘Ze vingen en rantsoeneerden niet alleen het volk, maar ze beletten dat er geen eetwaren van langs deze zijde in Brugge kon geraken.’ De Bruggelingen kunnen natuurlijk moeilijk blij zijn met de situatie. ‘Vergramd’ is het juiste woord, waarop ze zich voornemen om Diksmuide en Nieuwpoort aan te vallen, in te nemen en met de grond af te breken. Het moet inderdaad wel heel hoog zitten in Brugge.

Het dilemma verscheurt de kasselrij

Het kan hen niet schelen of het winter is of niet, maar op woensdag 18 januari 1488 trekt een leger Brugse aanhangers op om Diksmuide in de tang te nemen en voor zich te winnen. Eigenlijk is er geen enkele maand geschikt om oorlog te voeren. Januari al zeker niet. Die van Brugge komen er snel achter dat ze niet van de slimste geweest zijn om militaire acties te plannen in het hartje van de winter. ‘Al de zaken gebeurden niet naar hun wens want ze waren verplicht door het hoog water en door de gedurige regen om hun beleg op te breken.’ Een paar weken later, op 3 februari slaagt Denis van Morbeecke erin om St.-Omer te heroveren op de Fransen.

Niet zonder de hulp van Bourgondische soldaten en de Vlamingen. Ik moet hier vooral lof toezwaaien aan Veurnenaar Jacob Van der Burgh, de zoon van Achiel die op eigen kosten zestig man heeft aangetrokken en zo de overwinning heeft bewerkstelligd. De kasselrij van Veurne zal hun held rijkelijk belonen van zodra deze ellende achter de rug is. Naast St.-Omer komen eveneens Broekburg, Grevelingen en Sint-Winoksbergen in de handen van de rebellen.

Kroniekschrijver Pauwel komt nog eens terug op de diepe meningsverschillen tussen de koningsgezinden en hun tegenstanders. Het dilemma verscheurt haast letterlijk de kasselrij van Veurne. Zoveel ellende en verwoestingen hebben de inwoners nog nooit meegemaakt. Ik krijg een lijstje voorgeschoteld van de parochies die de raad van Vlaanderen steunen; Haringe, Stavele, Proven, Krombeke, West- en Oostvleteren, Reninge, Beveren, Leisele, Houthem en een deel van Izenberge, samen met de acht parochies waar bijvoorbeeld Elverdinge en Vlamertinge toe behoren.

Mijn schrijver verliest er het noorden bij

‘De overige prochien hielden met die van Veurne aan en diesvolgens met de Roomse koning en zijn zoon Filips’. De schrijver van de jaarboeken verliest er ook een beetje het noorden bij. In feite zijn al de partijen het eens dat zoon Filips de nieuwe opvolger wordt. De hele oorlog gaat hem over de heikele kwestie of Maximiliaan tijdelijk zal toegelaten worden als regent in afwachting dat zijn zoon daar rijp voor zal zijn. De tweestrijd in Vlaanderen is een idiote oorlog. Elk conflict is er één te veel, maar deze revolutie hier in het hartje van de Westhoek spant toch duidelijk de kroon op gebied van stupiditeit.

Het ergste is natuurlijk dat de inwoners zich tegen elkaar keren. ‘De inwoners van de weerspannige parochies richtten groot kwaad aan bij de parochies die wel aan de Roomse koning trouw waren gebleven.’ Pauwel kiest duidelijk partij voor Veurne, de rest catalogeert hij als weerspannig. De goeden dat zijn volgens hem het stadsbestuur en de edelen van de kasselrij Veurne en natuurlijk al de treffelijkste families die het meest te verliezen hebben bij het eventueel vertrek van Maximiliaan. De schrik zit er in elk geval diep in. Ze trekken hun mensen zo veel mogelijk terug uit hun huizen en hofsteden in de buitengebieden en laten alleen het volk achter om er de noodzakelijk landbouwactiviteiten te verrichten, waardoor het voor de inwoners van de weerspannige parochies nu nog gemakkelijker wordt om deze eigendommen aan te vallen, te beroven, te verbranden of zelfs helemaal te neder te werpen.’

Dat de burgerij van Veurne dat spuugzat is lijkt me geen verrassing. ‘De Veurnenaars die deze moedwilligheden wilden beletten stuurden hun volk uit waarbij er soms sterk gevochten werd tussen beide partijen.’ Het ergste van allemaal komt er natuurlijk als die van Veurne hun nood gaan klagen bij de Duitse huurlingen die zich er nu mee gaan moeien en er natuurlijk van profiteren om mee te plunderen. Allemaal één pot uitzichtloos geweld met wisselende kansen voor beide partijen, maar de weerstand van de parochies blijft hardnekkig zodat Veurne en zijn Duitsers er maar geen vat op kunnen krijgen.

Recidive boelzoekers

Veurne zoekt vertwijfeld hulp hogerop. Alleen kunnen ze hun kasselrij niet de baas. Hun vraag aan Maximiliaan is best venijnig. ‘Krijgen we een vergunning om onze muitende inwoners als rebellen te straffen?’ Op 1 april 1488 ontvangen ze via zijn bezegelde brieven de toelating hiertoe. De gevolgen ervan worden direct zichtbaar op het veld. ‘Zohaast het magistraat dit octrooi ontvangen had, deed het enkele van de voornaamste weerspannigen die de zaak opgestookt hadden of misdrijven gepleegd hadden vangen. Al deze deed men hangen, onthoofden of verbannen, naar de ernst van elke misdaad.’ Ik krijg ook nog de bemerking dat er bij de inwoners van de weerspannige parochies nogal wat individuen rondlopen die ik kan catalogeren als ‘niet van hier’. Avonturiers, nietsnutten, al dan niet recidive boelzoekers, hooligans op zoek naar gelegenheden om keet te schoppen. Het lijkt er wel op dat ik een of andere belangrijke voetbalwedstrijd aan het bijwonen ben.

Bergues, Broekburg en Grevelingen komen weer onder de gehoorzaamheid van de Roomse koning en dat betekent dat er vanuit die hoek veel minder druk komt op de kasselrij van Veurne. En het verbetert er verder op als ook Hondschote zich schikt naar Maximiliaan. De grootste problemen komen nu vanuit de streek van Ieper en natuurlijk nog altijd van het Brugse Vrije. De Ijzer wordt nu nauwkeurig in de gaten gehouden. Tussen Nieuwpoort en Diksmuide houden de inwoners van de omliggende dorpen deze waterloop in de gaten. In de streek van Knokke en Nieuwkapelle zwaaien Passchier Heurlebout en zijn mannen de scepter.

Elzendamme wordt bewaakt door Jacob De Crane. Een garnizoen van soldaten, aangevuld door landslieden bezetten de sterkte van Roesbrugge, ze worden hier trouwens voor betaald door de kasselrij zelf. Ze staan onder de leiding van de kapiteins Joos van Ekelsbeecke en Jan Veyse. Langs elke brug over de Ijzer staan er goede wachten opgesteld zodat de vijanden uit Brugge en Ieper er onmogelijk kunnen binnendringen.

De tempeliershofstede dicht bij de Ijzer

Het is een toestand die zowat één jaar in stand blijft. Het volgende nieuwsfeit wordt immers pas in mei 1489 voor het voetlicht gebracht. De aandacht van Brugge op Nieuwpoort en Diksmuide is de hele tijd niet verslapt. Met het aanbreken van de zomer van 1489 willen ze de gehate steden overmeesteren. Ze krijgen alvast de bijstand van vierduizend gewapende Gentenaars en achthonderd Fransen die zich gaan opstellen op een plek die ‘ter Tempelhove’ genoemd wordt, ergens tussen Nieuwpoort en Diksmuide. Ze krijgen op 26 mei het gezelschap van de mannen uit Brugge en het Vrije. De voormalige tempeliershofstede ligt in elk geval dicht bij de Ijzer.

Het is hier dat de manschappen een brug over de stroom bouwen om zich nu toegang te verschaffen tot de streek van Veurne-Ambacht waar er nu sprake is van dagelijkse raids en rooftochten. ‘Ze staken veel huizen in brand en namen de lieden gevangen die ze op rantsoen stelden. Iets wat de landslieden die aan de Ijzer de wacht hielden niet echt konden beletten en hetzelfde kan verteld worden van de garnizoenen van Veurne, Nieuwpoort en Diksmuide.’

De vijandelijke bende verhuist zijn kamp nu naar Beerst en na amper twee dagen marcheren ze richting Diksmuide waar ze beginnen aan een belegering met de nodige beschietingen van de stadsmuren. Het is nu wachten op een groot Frans leger van twintigduizend mannen die blijkbaar op komst zijn onder het gezag van de graaf van Vandôme en van maarschalk de Creveceur.

Duizend pijkeniers en driehonderd ruiters

Denis van Morbeecke, gouverneur en kapitein van Veurne en Veurne-Ambacht weet dat er versterkingen op komst zijn en wat de plannen van de vijand zijn. ‘Hij stuurde Omaar De Crane met honderd mannen naar Diksmuide om hen bij te staan. Zelf trok hij naar Calais om er bijstand te zoeken bij de Engelsen. Hij hoopte op hun medewerking om snel de weerspannige Vlamingen neer te slaan nog voor de komst van de Fransen. Van Morbeecke heeft geluk. In Calais krijgen ze de toestemming van de koning van Engeland om de Roomse koning bijstand te verlenen.

Die steun vertaalt zich in een leger van tweeduizend Schotten, duizend lansiers die hier wel erg mooi ‘pijkeniers’ genoemd worden. Ze behoren tot het voetvolk. Daarnaast is er sprake van driehonderd ruiters, zestien stukken grof geschut en acht zwaarbewapende schepen die nog een pak volk aanbrengen via de Noordzee en Nieuwpoort. Neem daarbij nog een volwassen garnizoen van Calais zelf dat zich via een tussenstop bij het klooster van Ter Duinen gaat aansluiten bij tweeduizend Vlamingen, meestal afkomstig uit Veurne en Veurne-Ambacht.

Het groot leger verplaatst zich nu naar Diksmuide waar het uiteraard nog uitgroeit met de veertienhonderd lokale manschappen van Archembault van Haveskerke, de heer van Diksmuide. Er is trouwens verder nog sprake van enkele pelotons Bourgondische en Duitse soldaten. Allemaal een beetje te veel van het goede voor de Bruggelingen die zich op 12 juni 1489 haastig terugtrekken van hun Diksmuidse stellingen en zich begeven naar de brug van Beerst. Hun leger staat onder de leiding van Joris Picavet de voormalige schout van Brugge.

Gewapend treffen aan de Ijzerbrug in Beerst

Het komt zoals gevreesd tot een gewapend treffen aan de Ijzerbrug van Beerst. Ik presenteer jullie een kort verslagje van de feiten: ‘de Engelsen en de getrouwe Vlamingen hebben diezelfde dag de weerspannigen sterk besprongen en ze werden gevolgd door de Duitsers en de Bourgondiërs die hen van alle kanten aanvielen. Omdat de weerspannige Vlamingen zich met grote moed verweerden, werd er straf gevochten en veel bloed vergoten. Uiteindelijk moesten deze Vlamingen het veld ruimen waarbij ze tweeduizend doden moesten achterlaten. Er werden zeshonderd gevangenen geteld en het aantal gewonden was beduidend hoog.’

Via een voetnoot kom ik te weten dat de inwoners van Beerst zelf aan de kant van de Engelsen stonden tijdens de strijd. Ook aan de zijde van die van Veurne worden er verliezen opgetekend. De Engelsen treuren om het verlies van de graag geziene gouverneur van Guines. Zijn dood zorgt voor revanchegevoelens waarbij nog veel andere Vlamingen de dood worden ingejaagd. Het Frans garnizoen heeft zich blijkbaar niet te veel aangetrokken van de clash bij Beerst, maar krijgt achteraf toch lik op stuk wanneer het ter hoogte van een grote hofstede in de buurt van Diksmuide tot een nieuwe confrontatie komt waarbij ‘de Engelsen hen met zulk een felheid overvielen en hen allemaal dood smeten.’

Het leger van Maximiliaan blaast verzamelen in Nieuwpoort en sluit zich aan bij de extra Engelse troepen die ondertussen aangekomen zijn van over de Noordzee. Aangevuld met nog meer verse troepen trokken Denis van Morbeecke en Daniel van Moerkerke, de heer van Merwede naar Oostende die ze nog diezelfde dag in hun bezit nemen. Ze worden hier trouwens op de hoogte gebracht van de komst van het groot Frans leger.

Veel beloven en weinig geven

Financiële problemen steken weer eens stokken in de wielen. Veel beloven en weinig geven is blijkbaar het motto van elke overheid. Er werd soldij voorzien voor de Engelse manschappen die vochten bij Beerst. Hier in Oostende blijkt dat noppes te zijn en dat is niet naar de zin van de mannen. ‘We hebben zo ferm gevochten en zoveel kloeke mannen verloren daar aan die brug en nu blijkt het dat we niet eens betaald worden.’

Ze vergeten er natuurlijk wel bij te vertellen dat de dreigende Franse overmacht niet echt spek voor hun bek is en de kwestie van de niet-betaling kan ik dan ook gerust beschouwen als een goedkoop excuus om niet te moeten vechten. Ze muizen er in elk geval van onder. Terug naar hun veilige thuishaven daar in Calais. De komst van de Fransen en het vertrek van de Engelsen zorgen natuurlijk voor grote ongerustheid in Veurne en voor allen die het hebben opgenomen voor Maximiliaan. En dan nog door geldgebrek! Hoe dwaas. Tot overmaat van ramp blijken de Duitsers en de Spanjaards ook ‘kwalijk tevreden omdat ze niet betaald en werden’.

Roelant Le Febure, de algemeen ontvanger van Vlaanderen en Denis van Morbeecke trekken naar de trouwe steden op zoek naar geldmiddelen. De stadsmagistraten van Veurne krijgen ze over de vloer met diezelfde dringende vraag om financiële middelen. En wat kunnen ze anders? Het is dat of de volle laag van de Fransen en ‘alhoewel die van Veurne ver ten achteren waren door al deze oorlogen, gaven ze nochtans aan voornoemde ontvanger de som van 8.832 gulden, zijnde een uitnemende grote som geld in die tijd. Veurne zal hiervoor een jaarlijkse intrest krijgen. Ook Veurne-Ambacht doet zijn deel in dat bedrag, iets wat niet evident is met zoveel inwoners op de vlucht.

Zullen de stadsversterkingen stand houden?

Le Febure haast zich met het geld naar Calais om er de Engelsen te vergoeden voor hun services. Kan de Roomse koning nog verder op hen rekenen? Wat later komt hij terug in het gezelschap van twaalfhonderd huurlingen. Voldoende om de garnizoenen van Veurne, Diksmuide en Duinkerke weer aan te vullen. Hier in Veurne zijn ze er hoe dan ook niet gerust in. Zullen de stadsversterkingen het houden tegen dergelijke overmacht?

Ze besluiten om de eventuele zwakke plekken aan te pakken. Nogal wat gebouwen van de abdij van St.Niklaas liggen op of net buiten de vestingen en daar kan de vijand misschien wel gebruik van maken. ‘Het stadsbestuur deed de voornoemde muren en gebouwselkens afbreken waardoor het klooster grote schade leed. Men deed ook verder enkele huizen te gronde werpen omdat die te dicht bij de stadsmuren stonden, ook liet men de hagen en bomen van daar omtrent afkappen.’

In de hele omgeving van Veurne-Ambacht zijn er nogal wat landerijen en gronden die eigendom zijn van rijke lieden uit Gent, Brugge en Ieper. ‘Als deze lieden het zich kunnen veroorloven om tegen hun koning te zijn, dan moeten ze niet verwonderd zijn als ik hun eigendommen in beslag neem.’ Dat zal zowat de gedachtegang zijn van Maximiliaan. De magistraten worden in elk geval verplicht om deze eigendommen te inventariseren, welke de Roomse koning ‘om hunlieder weerspannigheid ’t zijnenwaarts trok.’ De Fransen hebben ook niet gewacht. De graaf van Vendôme en maarschalk de Creveceur arriveren in de Westhoek met een leger van twintigduizend man.

Op 17 juni slaan ze hun kamp op ter hoogte van Ieper enkele dagen later gaat het richting Oostende. De 23ste beginnen ze aan de belegering van de stad Nieuwpoort. Ze maken gebruik van zwaar geschut waarbij het wel lijkt dat de grond aan het scheuren is. De vijandelijke schiettuigen zijn op zich wel vernieuwend en innovatief maar ze brengen in eerste instantie alleen veel gedruis en lawaai terwijl de projectielen amper schade aanrichten aan de stenen stadsmuren. Dat de technologie nog in zijn kinderschoenen staat ondervindt de Creveceur aan den lijve als een stuk geschut in zijn gezicht ontploft.

Nu de bombardementen niet veel uithalen wordt er besloten om de stadsmuren te ondermijnen, maar de Nieuwpoortnaars ‘mijnden tegen en zij deden daardoor veel Fransen versmachten.’ Ik ga verder met het verslag van de confrontatie zoals dat beschreven staat in de jaarboeken van Veurne. ‘Ten leste nadat de vijand toch openingen gekregen had in de stadsmuren trachtten de Picardiërs en de soldaten van Boulogne er met geweld door te breken waarbij ze geweldig storm liepen. Ze werden echter kloekmoedig weerstaan en moesten zich terugtrekken hierbij veel volk achterlatend.’

.

Dit is een fragment uit boek 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>