Aan de Leie in Komen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     204 Views     Leave your thoughts  

1382 en 1383 zijn geen boerenjaren geweest voor de Westhoek. Dat is wel het minste wat ik kan zeggen. Ik heb intens meegeleefd met het beleg van Ieper tijdens de zomer van 1383 en was erbij toen Filips van Artevelde, de leider van de Vlamingen, de confrontatie aanging met het Franse leger ergens in de mistige en modderige velden van Westrozebeke. Een rommelmarkt bij mij in de buurt doet me tijdens de zomer van 2015 weer herinneren aan het illustere Westrozebeke. Geheel bij toeval kan ik er de hand leggen op een treffelijk exemplaar van ‘Jaerboek der stad en oude Casselry van Kortryk’, een boek vol kronieken ooit neergeschreven door Jacques Goethals-Vercruysse. Hoewel zijn naam nergens op de omslag vermeld staat. Het werk dateert van 1814 en werd gedrukt door Louis Blanchet, boekdrukker en boekverkoper in de Leiestraat. Van de auteur wordt geen melding gemaakt. Ik moet het stellen met de vermelding dat de gegevens verzameld werden ‘uyt menigvuldige auteurs en handschriften’.

Enkele jaren geleden maakte ik al kennis met zijn 75 handgeschreven boekjes die me de ‘Chronyke van Cortryk 1289-1382’ opleverden. Ik ben toen blijven steken bij de pogingen van de Fransen om de Leie over te geraken ter hoogte van Komen. Een vervolgbezoek aan de Kortrijkse bib stond nog op mijn programma. Met de aankoop van het boek hoeft dit voorlopig niet meer. Ik glunder en giechel als een onvolgroeide puber terwijl ik door het jaarboek blader. De teksten zijn geweldig geschreven en brengen me op geen tijd weer aan de Leie van de winter van 1382.

De naam van Westrozebeke ruist door mijn hoofd. Wat daar gebeurde op 27 november 1382 is zonder meer een hallucinante mijlpaal geweest in de geschiedenis van Vlaanderen. Vreemd genoeg is de veldslag op de Goudberg in mijn kronieken van de Westhoek blijven hangen als een randfenomeen van de revolutie die de Gentenaars op gang brachten tegen de graaf van Vlaanderen. En toch was het gebeuren hier in dit desolaat buitengebied meer dan zomaar ‘collateral damage’.

De tijd lijkt me rijp om de geschriften van Jacques Goethals-Vercruysse dit keer echt eens een keer te gaan gebruiken om Westrozebeke in de kijker te zetten als protagonist, mijn hoofdrolspeler in het drama dat West- en Oost-Vlaanderen daar ergens in de laatste decennia van de 14de eeuw beleven. De keuze van de titel ‘Het debacle van Westrozebeke’ is vlug gemaakt en zegt voldoende. Oorlog zal wel altijd synoniem staan met debacle, maar voor de confrontatie op die heuvel in het hartje van de provincie kan ik me geen betere term inbeelden.

Ik spoel de wijzer van de tijd terug tot begin 1382. Een ‘rewind’ die me verplaatst in de huid van nogal wat mistevreden Vlamingen. De make-over van het Kortrijkse jaarboek zal opnieuw een mengeling worden van mijn eigentijdse taal waarbij ik me altijd opnieuw en met volle teugen laat bekoren door het aantrekkelijk Vlaams van vroeger. Hopelijk zijn jullie het met me eens. Daar gaan we.

1382. Wouter van Eecke is in dat jaar aangesteld als proost van Kortrijk. De Gentenaars beleven de ongemakken van een oorlog die ze zelf ontketend hebben. Het gebrek aan levensmiddelen speelt hen de nodige parten. Op 24 januari kiezen ze Filips van Artevelde als nieuwe leider. De man is de zoon van Jacob, een man die hun stad en zelfs heel Vlaanderen met veel roem heeft bestuurd tussen de jaren 1337 en 1345. De moeder van Filips, Katelijne de Coster, kwam uit een oud adellijk geslacht van Kortrijkse kasteelheren. De nieuwe aanvoerder was eerst getrouwd met de dochter van ridder Daniel van Halewyn. Zijn tweede vrouw blijkt nu Jolente van den Broucke te zijn.

Filips van Artevelde zorgt er voor dat de leiders van Brabant, Henegouwen en Luik in actie schieten en bij de graaf een algemene vergadering afdwingen. Deze conferentie zal doorgaan in Harelbeke. Ook de gedeputeerden van de grote steden van Vlaanderen zullen er aanwezig zijn. Ze willen met zijn allen proberen om tot een vredesakkoord te komen. Een perfecte vrede. Die van Gent sturen er twaalf van hun belangrijkste personen naar toe. Er komt inderdaad een ontwerpakkoord uit de bus: tweehonderd notabelen van de stad Gent zullen in de handen van de graaf worden gegeven. Een soort onderpand voor vrede.

Bij de opgeroepen personen zitten er een paar tussen die betrokken waren bij de vorige oproer en die vrezen dat ze hun borgstelling wel eens met hun leven zullen moeten bekopen. ‘De stad is verraden’ roepen ze in koor. Gisbrecht de Gruutere en Simon Bette stonden aan het hoofd van de Gentse onderhandelaars daar in Harelbeke en dat zullen ze niet zomaar naar hun graf dragen. Tijdens de daaropvolgende volksvergadering wordt het tweetal vermoord door toedoen van Pieter van den Bosche en Filips van Artevelde.

Achteraf loopt iedereen weer in de wapens. Het kasteel van Hansbeke, de thuis van de heer van Halewyn, wordt door de bende van Artevelde overmeesterd en verwoest. De wetenschap dat hij getrouwd is met één van de nichten van Halewyn doet blijkbaar niets ter zake. Het krijgsvolk van de graaf dat in handen is van zowat alle sterkten in de buurt van Gent, gaat onmiddellijk over tot de bezetting van het hele Gentse hinterland. Ze letten er nauwgezet op dat er geen voedsel meer kan worden getransporteerd naar Gent-stad. Acute hongersnood is natuurlijk een gevolg van deze blokkade. De levensomstandigheden tijdens de maanden maart en april 1382 zijn penibel. Af en toe kan een lading levensmiddelen aangevoerd worden uit Luik en Brabant, maar voor een bevolking zoals die van Gent is dat allemaal maar een druppel op een hete plaat.

François Ackerman (hier trouwens omschreven als Francies Akkerman), één van de belangrijkste lokale bevelhebbers, vertrekt naar Brussel om er te praten met de hertogin. Hij brengt er tot in de kleinste details verslag uit over de ellende die de Gentenaars moeten ondergaan. Niet zonder enige moeite kan Margaretha haar man Lodewijk van Male ervan overtuigen om een nieuwe vergadering te beleggen. Die zal doorgaan met Beloken Pasen te Doornik.

De twaalf Gentse afgevaardigden zijn al vroeg tijdens de paasweek in Doornik aanwezig en dat is ook het geval voor Filips van Artevelde. De graaf van zijn kant verwaardigt zich niet om af te komen en laat de Gentenaars het wat uitzweten. Hier zou het werkwoord ‘chambreren’ het best illustreren wat de Kortrijkse kroniekschrijvers bedoelen. Na dagen van wachten besluit de graaf om Arnout de Lalaing, de proost van Harelbeke, en drie van zijn hovelingen vanuit Brugge ernaartoe te sturen.

De boodschap die ze meebrengen is kort en bondig: de Gentenaars moeten zich in alle genade en ongenade overgeven aan de troepen van de graaf. Artevelde druipt af. Hij arriveert mistroostig in Gent en stort zijn stadsgenoten in de grootste wanhoop. Er zit niets anders op dan andere middelen te zoeken om de hongersnood aan te pakken. Op 2 mei vertrekt een leger van 5.000 uitgelezen mannen richting Brugge om de stad en de graaf in de tang te nemen. Het is een gedurfd en vooral onverwacht manoeuvre van een kat in het nauw.

Lodewijk van Male moet zich verwonderd hebben om de brutaliteit van die van Gent die het aandurven om Brugge te omsingelen en zich op te houden dicht in de buurt van de stadsmuren. Beverhoutveld. Daags na de Heilig Bloed processie stuurt hij 30.000 Bruggelingen naar buiten om de Gentenaars een lesje te leren. Blinde overmoed, misprijzen voor de tegenstander en een gebrek aan krijgsdiscipline zorgen er voor dat ze zich laten ringeloren door de Gentenaars en halsoverkop moeten vluchten naar het centrum van Brugge.

De rollen zijn nu omgekeerd. De Gentenaars jagen die van Brugge voor zich uit en storten zich met geweld op de binnenstad. Moord en dood zijn het gevolg. De graaf kan zich overnacht ternauwernood uit de voeten maken. Hij rept zich in slaaptenue tot aan de parochie van Sint-Michiels. Hier treft een verbijsterde en vermoeide Lodewijk een van zijn voornaamste ridders aan. De man heet Robert Marissael en samen vluchten ze te voet de velden in en bereiken ze een of ander dorp waar ze bij een arme man een ongezadeld paard op de kop kunnen tikken.

Met zijn twee op een ongezadeld paard, ik zie het zo voor mijn ogen. Via Roeselare bereiken ze in de vooravond (rond 17 uur) de veiligheid van het kasteel van Rijsel. Nogal wat andere ridders zijn op identieke manier kunnen wegvluchten uit Brugge en bevinden zich nu eveneens in dit Rijsel. Het Vlaamse volk wordt op 21 mei 1382 opgeschrikt door een aardbeving die zich eveneens laat voelen in Frankrijk en in de andere buurlanden. De Gentenaars zijn er op dat moment al deels in geslaagd om de rollen om te draaien.

Artevelde verzekert zich de volgende weken van de macht over de Vlaamse steden. Met uitzondering van Dendermonde en van Oudenaarde. Op alle plaatsen zorgen de Gentse kapiteins voor een vernieuwing van de lokale stadsbesturen. Nieuwe baljuws, schouten, wethouders en publieke ambtenaren moeten er voor zorgen dat de neuzen in Vlaanderen allemaal in dezelfde richting kijken. De nieuwelingen moeten allemaal hun eed van trouw aan de Gentenaars afleggen. Wie verdacht wordt om aanhanger te zijn van de graaf wordt als gijzelaar naar Brugge getransporteerd.

In Kortrijk is het niet anders. Artevelde arriveert er met veel krijgsvolk en hij wordt er ontvangen alsof hij de graaf in persoon is. Filips blijft een kleine week in de stad. Van hieruit stuurt hij op 11 mei een heraut naar Oudenaarde om deze stad op te eisen, maar de bode wordt beschimpt en naar de afzender teruggestuurd. Diederik Damman en Floris van Heule voeren er het bevel in opdracht van de graaf en zijn niet van plan om zich te laten doen door Artevelde. Die laatste zweert op de ondergang van Oudenaarde, in Kortrijk verandert hij van magistraat en van stadsbestuur, laat de nieuwelingen hun eden afleggen waarna hij terugkeert naar zijn thuisstad Gent.

Op 24 mei doet Filips van Artevelde zijn intrede te Ieper. Precies op het moment dat er zich enkele hevige naschokken van de aardbeving laten gevoelen. De aarde trilt weer en er zijn een aantal slimmeriken die de schuld daarvan leggen bij een aantal Ieperse priesters die de beving veroorzaakt zouden hebben wegens hun volgehouden steun aan de graaf. Ze worden opgepakt, schuldig bevonden aan toverij en onthoofd. Leve de obscuriteit van de middeleeuwen.

De Oudenaardse edellieden blijven toegewijd aan hun graaf. Enkele ridders van Kortrijk behoren ook tot dit kamp. Floris van Heule, Diederyk Damman en Jan Baronaige zijn er present en houden de stad bezet en beveiligd. Ze riskeren trouwens nogal wat uitvallen tot aan de poorten van Gent en proberen de toevoer van levensmiddelen naar die stad zoveel mogelijk te beletten. Hun acties zorgen er voor dat Artevelde het onderste uit de kast moet halen om zijn stadsgenoten van voeding te voorzien. Op het einde van de meimaand eist hij van de Kortrijkzanen en van de inwoners van de andere Vlaamse steden om zich gewapend aan te bieden voor een beleg van Oudenaarde. Om zijn militaire actie te financieren komen er nieuwe belastingen die zich laten gelden over heel Vlaanderen.

De aanhangers van de graaf krijgen op hun beurt instructies om zich te verweren en zich te scharen achter de vrome ridder Daniel van Halewyn die de verdediging van Oudenaarde op zich zal nemen. Graaf Lodewijk zorgt voor extra mankracht. Honderdvijftig lansiers, allen kloeke wapenmannen, honderd voetboogschutters en tweehonderd ferme knapen met pieken en schilden. De graaf is verbitterd op die van Kortrijk omdat ze zich zonder enige tegenstand zomaar vervoegd hebben bij het kamp van Artevelde. Hij laat een deel van hun gijzelaars die hij vasthoudt in Bapaume onthoofden.

Op 9 juni neemt het Vlaamse leger zijn posities in tegenover Oudenaarde. Naar verluidt bedraagt de getalsterkte wel 100.000 man. De strijdmacht is voorzien van zwaar oorlogsmateriaal. Zo zie ik bijvoorbeeld een kanon met een lengte van vijftien meter (50 voeten) dat in staat is om zware stenen ballen af te schieten.

Het geluid dat het tuig produceert is indrukwekkend. Hoorbaar tot op een afstand van vijf mijl en een zekere schrijver maakt zelf gewag van tien mijl tijdens de nacht. Het lijkt wel of alle duivels van de hel aan het uitbreken zijn. Terwijl deze troepenmacht zich rond Oudenaarde concentreert, profiteert Artevelde van het luchtledige op andere plekken in Vlaanderen. Een divisie van 1.100 man vereert de buitengebieden en het platteland met tal van bezoeken waarbij de kastelen en de landgoederen van de ridders het zwaar te verduren krijgen.

Plunderen en verdelgen, geven de kronieken aan, in heel het land blijft er geen hofstede of kasteel meer overeind die toebehoort aan een edelman. Verbrand, ten gronde verwoest en als er tot slot niets meer overblijft, trekt de brigade van Artevelde over de Leie te Waasten en gaat het richting Rijsel waar ze verscheidene windmolens met de grond gelijkmaken. De dorpen in het omliggende worden in de as gelegd.

De Rijselnaars proberen de verwoesting van hun buitengebieden te voorkomen en ze brengen een leger van 40.000 man op de been. De Gentenaars zien een confrontatie met dergelijke overmacht niet zitten en slaan op de vlucht. Een aantal onder hen worden gevangen genomen en wat later in de binnenstad van Rijsel onthoofd. De plunderaars richten hun vizier nu op het Doornikse ‘alwaar zij ook alle soort van kwaad bedreven, en, onder andere, ‘t vier staken in ‘t kasteel en dorp van Helkijn en andere omliggende parochies die alsdan aan de koning van Frankrijk toebehoorden, en keerden dan overladen met overgrote buit weder in hun leger voor Oudenaarde’. Zo proeven jullie meteen ook de taal van de oorspronkelijke geschriften.

Ondertussen zijn de Gentenaars Deinze binnengevallen. Deze stad werd bezet gehouden door de edelen van de graaf die er dus niet in slagen om dit bolwerk in handen te houden. Het resultaat is er naar: al hetgeen er recht staat wordt nog maar een keer in brand gestoken en verwoest. Graag Lodewijk bevindt zich in de Artesische stad Hesdin en heeft het grootste hartzeer over de wandaden van zijn oproerige onderdanen. Hij zal zich vooral machteloos voelen omdat hij niemand nog tot onderdanigheid kan dwingen. Als hij de macht over Vlaanderen terugwil, dan heeft hij absoluut de hulp van de Franse koning nodig. Hij zoekt contact met zijn schoonzoon Filips de Stoute, de man die getrouwd is met zijn dochter Margaretha van Male. Filips is de hertog van Bourgondië en de oom van de jonge 14-jarige koning Karel. Via dit kanaal probeert hij militaire steun los te weken bij het Franse establishment.

Lodewijk heeft succes. Een bijeengeroepen rijksvergadering van de Franse elite, toont zich bezorgd over de toestand in Vlaanderen en besluit om in te grijpen. De nodige bevelen vertrekken nu om een machtig leger te mobiliseren en om asap alle krijgsuitrusting in gereedheid te brengen. Filips van Artevelde is natuurlijk ook niet dom en probeert zijn acties en die van het Vlaamse volk bij de koning van Frankrijk te verantwoorden en te rechtvaardigen. Er vertrekken brieven aan de koning met vragen om zijn hoge bescherming. Maar de boodschappers worden ‘beschimpelijk’ ontvangen en zelfs in hechtenis gesteld want ze hebben zich zonder vrijgeleide op Frans grondgebied gewaagd.

Artevelde is er boos om. Een naïeve, wereldvreemde boosheid, want wat anders kon hij dan wel verwachten? Op 1 juli 1382 stuurt hij brieven naar Kortrijk en naar de andere Vlaamse steden met een expliciete vraag om een verbond te smeden met Engeland. En dat is natuurlijk de aartsvijand van Frankrijk. Twaalf kopstukken van de steden (één iemand van Kortrijk) moeten hun beleg van Oudenaarde staken en na een overleg met Artevelde reizen ze naar koning Edward om met hem te onderhandelen.

Ze keren onverrichter zake terug van over het kanaal. Edward weigert trouwens onder meer om een grote som geld die hij nog van de Vlamingen geleend had in de tijd van vader van Artevelde terug te betalen. Het betrof een lening om het beleg van Doornik en Calais te financieren. Hoe dan ook; de revolterende Vlamingen staan er alleen voor op het moment dat de Fransen zich klaarmaken om hun gebieden in het noorden weer tot de orde te roepen.

De graaf is ondertussen terug in Atrecht. Zijn entourage legt de nodige druk op zijn schouders om wraak te nemen op de tweehonderd notabelen die hij nog als gijzelaars vasthoudt. Onder andere verscheidene mensen uit Kortrijk. Ze zitten allemaal in gevangenissen; ‘zeer nauw te water en te brood met dagelijkse bedreigingen om onthoofd te worden’. Lodewijk beseft natuurlijk wel dat de burgers helemaal niets te maken hebben met wat er aan de gang is. Ter ere van God en van de Heilige Maagd worden ze in vrijheid gesteld. Enfin; ze mogen beschikken als ze zweren van hem trouw te blijven en na de betaling van een behoorlijke som geld. De gijzelaars mogen nu verhuizen naar Rijsel, Douai of andere steden die hem trouw zijn gebleven en moeten daar de herstelling van de rust afwachten.

Er gaat een zomer voorbij zonder nieuws. Pas op het einde van september 1382 laten de Kortrijkse schrijvers opnieuw van zich horen. De Bruggelingen hebben een aantal burgers van Doornik opgepakt en in hechtenis genomen. Die willen zich op hun beurt revancheren en ze nemen nu enkele Kortrijkzanen gevangen. Artevelde moet tussenkomen in de onderlinge geschillen en kan het regelen dat de gevangenen wederzijds in vrijheid kunnen gesteld worden.
Op 16 oktober zijn de gedeputeerden van het Franse hof in Doornik gearriveerd. Ze schrijven brieven naar Gent, Brugge en Ieper en ook naar het Brugse Vrije met een dringende oproep tot vrede en om zich te schikken onder de gehoorzaamheid van hun graaf. Vier dagen later krijgen ze het antwoord van Artevelde op hun bord: de Fransen stellen zich partijdig op tegenover de Vlamingen. Er kan geen sprake van vrede zijn zolang de steden van Oudenaarde en Dendermonde niet in zijn handen worden gesteld.

De Gentse arrogantie druipt er van af. De boodschap wordt overgemaakt aan de Franse koning die zich ondertussen al in Péronne bevindt en die er uiteraard niet om kan lachen. Het enig gevolg ervan is dat er nog een tandje bijgestoken wordt bij de opbouw van de troepenmacht. Op 1 november arriveert de puber-koning in Arras en van daar gaat het naar Lens en Seclin. De Vlamingen voelen de hete adem van het Frans leger al in de lucht hangen.

Filips van Artevelde is op zijn hoede en verlaat zijn standplaats in de regio Brugge. Hij geeft orders aan Pieter van den Bossche om met een divisie zwaar bewapende Vlamingen op te trekken richting Komen waar de overtocht van de Leie beveiligd moet worden. Pieter de Winter krijgt gelijkaardige bevelen om hetzelfde te gaan doen in Waasten. Alle bruggen tussen Meereghem en Kortrijk moet afgebroken worden. De aanwezige schuiten en scheepjes dienen vernietigd te worden. Van den Bossche heeft natuurlijk zijn tijd nodig om ter plekke te geraken in Komen. Lodewijk de Haese, een bastaardzoon van onze graaf, dixit een jonge en stoute ridder die zich wil onderscheiden met enige kloeke daden, attaqueert de streek rond de Leie met een onverhoedse charge.

Samen met honderdtwintig wapenmannen, ridders en schildknapen, voert hij een charge uit op Komen. De burgers die de stad uitvluchten worden achtervolgd. De streek slaat alarm. ‘Men klipte de klokken op alle de dorpen daar omtrent, en de landslieden kwamen van alle zijden gewapend aangelopen, zo dat die ruiters zich niet langer daar dorsten vertrouwen en terugkeerden.’

Het duel speelt zich af ter hoogte van de brug over de Leie in Komen. De Vlamingen zijn in groten getale toegestroomd en houden de doorgang bezet. Een deel van de constructie wordt zelfs afgebroken en deels met mest gecamoufleerd waarop ze zich zelf verdekt opstellen en de komst van de bende van de Haese afwachten. Het wachten duurt niet lang. Ik schakel even over op de rechtstreekse commentaar van de jaarboeken voor me: ‘wanneer de ridders met gevelde lancien op hun aanvielen, zo dat zij de doortocht vrij ziende, op de brugge reden. Het gelukte aan omtrent dertig andere van daar over te geraken, maar de brugge dan brekende, onder de volgende, is er een deel van deze zwaar bewapende ruiters in de riviere gevallen en verdronken.’

Ridder Jan de Jumont verdwijnt ook in de Leie maar hij kan zich uit het water redden waarop hij zwaar toegetakeld wordt aan hoofd en lijf door de ‘schichten’ van de Vlamingen. De breuk van de brug veroorzaakt paniek bij de graafgezinden die nu alles in het werk stellen om te ontkomen aan de wraakzucht van de Komenaars. ‘Ze trachteden alleszins te vluchten ofte over te zwemmen, maar zeer vele, waar onder de kastelein van Willon en de ridders de Bouchars, St. Hilaire en Hendrik van Duffel, en meer als zestig andere verdronken of wierden omhals gebracht, aan de overige ten meerder dele gekwetste, lukte het nog, ter nauwernood te ontkomen.’

Artevelde moet in zijn nopjes zijn met de lokale zege, maar de kronieken blijven er toch bescheiden bij. Ze laten me weten dat hij van Brugge naar Ieper vertrekt in het gezelschap van Pieter van den Bossche. Ze worden er in stijl ontvangen. Filips en Pieter en hun brigades gaan wat later poolshoogte nemen van de toestand in Komen. Ze geven er het bevel om de brug deels los te maken van de oever zodat die in geval van nood onmiddellijk kan verwijderd worden. In afwachting kan de ponton verder gebruikt worden door de landslieden die er met hun goed en met hun beesten nog de oversteek kunnen doen.

De leider blijft vijf dagen in Ieper. Hij zorgt er voor dat de oevers van de Leie voldoende beveiligd en bemand zijn en daarna gaan hij en zijn mannen te paard naar Oudenaarde. Een van zijn mensen draagt zijn wapenschild. Een zwart geval met de afbeelding van drie zilveren hoeden. Ondertussen komen ze langs in Kortrijk waar het gezelschap twee dagen blijft en verder werkt aan de beveiliging van de Leiekanten.

Koning Karel verhuist op 3 november naar Seclin. Connestabel De Clisson en de maarschalken komen er in discussie met zijn adviseurs. Oorlog voeren in dit jaargetijde is best gevaarlijk. Aanhoudende regens en bittere koude zullen zorgen voor gezwollen rivieren. De oevers zullen veranderen in brede en moerassige meersen. ‘Waar begint de Leie eigenlijk zijn loop?’, vraag de connestabel. Dat blijkt in Lysbourg, enkele mijlen verder dan Arien-aan-de-Leie te zijn. Hij stelt voor om Vlaanderen binnen te vallen vanuit de linkerzijde van de rivier. Er zal een soort van afleidingsmanoeuvre nodig zijn om de Vlamingen te verrassen. Maar uiteindelijk wordt er toch beslist om de oversteek te wagen ter hoogte van de Leie in Komen.

De volgende dag verplaatst de koning zich naar de abdij van Marquette. Een leger onder het bevel van de Franse maarschalken rukt op in de richting van Komen en Waasten. 1.700 wapenmannen, 700 voetboogschutters en 4.000 voetgangers die gewapend zijn met schilden, pieken en bogen. Het voetvolk wordt aangevoerd door de ridders Joos Van Halewyn en de heer van Rambures. Eigenlijk zijn het een soort van genietroepen. Ze moeten de wegen herstellen, de hagen, bomen en bossen die de doortocht kunnen belemmeren afkappen en waar dat nodig is moeten grachten en putten opgevuld worden.

Op maandag 17 november arriveert de Franse voorhoede voor Komen. De brug blijkt er effectief afgebroken, een overtocht van de Leie is onmogelijk. Temeer omdat er meer dan 9.000 Vlamingen in slagorde opgesteld staan aan de linkeroever. Pieter van den Bossche bevindt zich op de kop van de losse brug. Met een bijl in de hand, schrijven de kronieken, het lijkt wel een pose. De Clisson stuurt zijn volk een mijl terug achteruit. Zijn mannen moeten op zoek gaan naar alternatieve oversteekmogelijkheden. Maar die zijn er niet te vinden. De Fransen zitten met een probleem en besluiten om ter plaatse te overnachten.

Er vertrekt een boodschapper naar Rijsel met de vraag om enkele schuiten via wagens naar Komen te laten voeren. Met die schuiten zal geprobeerd worden een bruggenhoofd te maken. Ik heb in het verleden de bewuste periode al enkele keren beschreven, maar nooit heb ik die zo uitvoerig gedocumenteerd geweten als hier in het jaarboek van Kortrijk. De schrijver ervan moet in het bezit zijn van interessante Franse bronnen. De extra accenten maken mijn geschiedschrijving in elk geval completer en dat stemt mij tevreden.

De details vliegen me om de oren. De heer van Simpy en enkele andere ridders hebben zich in alle geval voorgenomen om zich met een stoutmoedige actie te laten onderscheiden. Het is dit gezelschap dat naar Komen afzakt, met de gevraagde schuiten bij zich. Voorts hebben ze de nodige touwen, planken en staken geladen. Ze lossen hun materiaal een stuk zuidelijker dan Komen, op een beschutte plaats en buiten het gezicht van de Vlamingen. Aan weerszijden van het water wordt een staak geplant, een touw over het wateroppervlak verbindt beide staken en zorgt er voor dat de schuiten aan de andere zijde kunnen worden getrokken. Ik krijg een lijst van notoire ridders voorgeschoteld. ‘ten getalle van ruim honderdvijftig, meeste alle ridders van hoge edeldom’. Met zijn allen steken ze de Leie over en gaan ze zich verstoppen in een klein bos aan de overkant. In afwachting van de komst van nog meer versterking.

De connestabel wordt op de hoogte gebracht van de oversteek en stuurt zijn neef, een of andere pipo van Rieux, ernaartoe om poolshoogte te nemen van de toestand wat verderop aan de rivier. Die vindt er niets beter ook dan zich bij het gezelschap aan te sluiten. De hoofdmacht vindt het maar een riskante onderneming. Als ze door de Vlamingen betrapt worden, zullen de Franse waaghalzen het met hun leven bekopen. Hij besluit om een afleidingsmanoeuvre uit te voeren en begint met een beschieting van de Vlamingen.

Licht geschut en een massa van ‘schichten en ballen’ vliegen over de Leie. De Vlamingen antwoorden met gelijkaardige beschietingen. Enkele kilometers stroomopwaarts slagen de Fransen er in om een klein legertje aan de overzijde te loodsen. 16 banieren, 30 standaarden, 400 man, de ‘bloem van het ridderschap’, allemaal zonder hun knechten en gemene krijgslieden’. Ze voelen zich voldoende sterk om door de meersen en het slijk naar het noorden te sluipen, richting de Vlamingen in Komen. Het gebeurt allemaal onder leiding van de heer van Simpy.

De Vlaamse mannen krijgen ze na korte tijd in de gaten. Hoe zijn die Fransen godverdomme over de Leie geraakt? Tot aan Kortrijk is er geen enkele brug meer over? Pieter van den Bossche probeert rustig te blijven. Hij verbiedt zijn soldaten om het relatief klein groepje indringers aan te vallen. De drassige Leieboorden zullen hun vooruitgang wel stremmen en onmogelijk maken. Er zal sowieso geen gevaar uitgaan tegen hun eigen groot leger. En dus blijven de Vlamingen stilzwijgend geschaard rond de geaccidenteerde brug in Komen.

Aan de overzijde is de connestabel er niet gerust in. Zijn Franse ridders lopen grote risico’s. Hij heeft ze verboden om de brug te benaderen wat gezien de meerderheid van de vijand neerkomt op een zelfmoordactie. Het enige wat hij kan doen om zijn mannen te beschermen, is de aandacht van de Vlamingen af te leiden en om zelf aan te vallen. Zo komt het dat een menigte van ridders en schildknapen plots met houten ribben en planken naar de brug oprukt in een poging om de oversteek te realiseren. Franse afweerschutters proberen ondertussen met man en macht de Vlaamse afweer te neutraliseren.

Half november zijn de dagen kort. Met het invallen van de duisternis staken de Fransen hun pogingen. ‘Beide partijen moeten nu het aankomen van de dag verbeiden’. De ridders die door de meersen sluipen, moeten de hele lange koude nacht met hun voeten in de modder blijven staan. Zonder eten of drinken, zwaar bewapend. En de hele nacht blijft de regen naar beneden gutsen. Ik klappertand haast bij het omschrijven van de miezerige omstandigheden en de kouderillingen van de sukkelaars.

Kort voor dageraad worden ze dan nog overvallen door de Vlamingen. Ook dat nog. De Fransen hebben zich echter goed geconcentreerd opgesteld en verdedigen zich in gesloten slagorde tegen de aankomende zwaardslagen van de vijand. Ze schreeuwen er op los en dat geeft blijkbaar de indruk aan de Vlamingen dat ze met meer zijn dan gedacht en dat andere hulptroepen ook al de oversteek hebben gemaakt. De manschappen van Artevelde zijn er vrij licht gewapend op af gegaan en leiden hierdoor gevoelige verliezen tegen de zwaarbewapende ridders.

Er gaat veel Vlaams volk verloren. Pieter van den Bossche deelt eveneens in de malaise want hij krijgt een zwaardsteek in de schouder en raakt gewond aan het hoofd. Zijn lijfwacht, dertig kloeke knechten, kunnen hun kopman maar ternauwernood ontzetten en van het strijdtoneel wegdragen. Er zit niet veel anders op dan te vluchten en terug te keren naar hun beginposities aan de brug. Ze worden nu natuurlijk achterna gezeten door een bende gemotiveerde Fransen die bloed ruiken en die onderweg al een aantal woningen in brand steken. Hun kompanen aan de andere kant van de rivier zijn ondertussen volop in actie geschoten en slagen er deze keer wel in om over de gehavende brug te stormen.

Bij het krieken van de morgen van de 18de november staat de hele Franse krijgsmacht op Vlaamse bodem. De Vlamingen deinzen achteruit en proberen dekking te zoeken in het open veld. Er zijn boodschappers vertrokken naar de omliggende dorpen met een vraag om hulp, de paniek moet onbeschrijfelijk zijn. Dat lees ik trouwens in de taal van de Kortrijkse jaarboeken: ‘Men klipte geweldig de klokken op alle dorpen. De vlucht der vrouwlieden en onweerbare mensen met al wat zij konden wegvoeren was schrikkelijk, een groote menigte kwam naar Kortrijk gevlucht.’

Het baat allemaal weinig. De Vlamingen hebben bij het nieuws van de Franse doorbraak in Komen hun verdedigende posities in Waasten, Wervik en Menen achtergelaten en hebben nu natuurlijk vrij spel gegeven aan de Franse indringers. Die vallen nu als briesende leeuwen het Vlaamse land binnen, ‘te lande waart in, alles rovende en brandende waar zij konden aangeraken.’ Menen wordt helemaal geplunderd. Wervik ondergaat hetzelfde lot, ‘dat boven dies nog gans door ‘t vier vernield wierd en alle de menschen die zij er nog vonden, vermoord.’

Hier voel je dat oorlog meer is dan enkele lijnen opgeblonken tekst. Het is de pijn, de intense vrees, de panische angst, het verliezen van je geliefden. De letterlijke en figuurlijke agonie van lijf, leden en geest. De hulpeloosheid en de onmacht tegen de brutaliteit van vreemde soldaten die hun wraak uitspuwen en zich zonder medelijden of empathie uitleven in een orgie van geweld en bestialiteiten. Mijn onmacht om de telkens terugkerende tragiek van de oorlog met een fileermes te omschrijven staat in scherp contrast met de dramatische horror die mensen allemaal voor zichzelf moeten ondergaan.

De Vlamingen krijgen hun versterkingen vanuit West-Vlaanderen, maar die helpen allemaal niet. Ze kunnen onmogelijk stand houden tegen de overmacht van de oprukkende Fransen. Een deel slaat op de vlucht naar Ieper en de rest zoekt hulp in Kortrijk. Drieduizend Vlaamse mannen worden ter plaatse afgemaakt en dan reken ik nog niet de slachtoffers mee die sneuvelen tijdens de chaotische vlucht.

Ze zijn trouwens zo bijgelovig geweest om hun standaard te laten dragen door een vrouw van slecht gedrag. Gelukkig kan er nog een beetje humor af. De dame in kwestie heet Marie Jetrud, een naam die nu vermoedelijk Marie-Gertrude zal zijn. Ze had de Vlamingen er vooraf van verzekerd dat, als zij de eerste Fransman tot bloedens toe kon kwetsen, ze dan allemaal de ‘volkomen victorie’ zouden halen. Het draait natuurlijk helemaal anders uit en mijn Marie-Gertrude wordt al van bij het begin van de gevechten gedood.

Vlaanderen is in 1382 nog behoorlijk rijk en heeft die rijkdom vooral te danken aan de weverij van stoffen en laken. De oorlog heeft de handel tot stilstand gebracht en de pakhuizen puilen uit van de voorraden. Een bekoorlijke buit voor de Fransen. Geen enkele stad is naar evenredigheid rijker dan Wervik die trouwens vermaard is omwille van zijn hoge ouderdom. De Fransen sparen er hun wreedheden niet. Vooral de Bretoenen, Normandiërs en de Bourgondiërs laten zich in kwalijke zin opmerken. Maar de Bretoense soldaten zijn de wreedste, staat er neergeschreven.

Ze verkopen hun buit op het ‘Hooghe’ bij Ieper. Kopers uit Doornik, Douai, Rijsel en Atrecht slaan er de slag van hun leven. Dure en exclusieve lakens kunnen ze nu kopen aan de soldaten voor een spotprijs van één gulden per stuk. De Fransen blijven natuurlijk niet hangen aan het Hooghe. ‘Korts daarna is het Frans leger afgedaald naar Ieper, alwaar op lijfstraffe verboden wierd dat men geene andere tale mochte gebruiken als de Franse, altijd iets kwaads vindende in de Vlaamse taal, om dat zij die niet konden spreken, noch verstaan’.

De komst van de Fransen zorgt voor oproer in de stad: ‘de wethouders en andere ambtenaren wilden de stad aan de Fransen overgeven, en Pieter hun gouverneur, die aldaer van Artevelde gesteld was, wilde het beleg afwachten’. De burgers zien een beleg hoegenaamd niet zitten. Er zijn wel Engelse hulptroepen op komst, maar die zullen er nooit in slagen om binnen te geraken en zonder hun hulp zijn ze helemaal niet opgewassen tegen de overmacht die de Fransen etaleren.

De zaken worden op de spits gedreven. De Gentsgezinde gouverneur Pieter en enkele edelen worden geliquideerd en de Ieperlingen nemen het heft weer in eigen handen. Ze sturen twee Predikheren naar de Franse koning met een verzoek om vergiffenis en met de melding dat de stadspoorten wagenwijd openstaan voor de komst van de Fransen. Blijkbaar is de delegatie wat aan de magere kant. De geestelijken keren terug en er wordt een nieuwe afvaardiging gevormd. Twaalf burgers gaan nu onder leiding van de abt van Voormezele richting Franse koning.

‘Hem te voet vallende, gaven zij de sleutels van de stad, met offer van 40.000 guldens te betalen, tot het onderhoud zijnder troepen, de welke gegeven wierden aleer hij in de stad is gekomen, op voorwaarde dat hunne stad niet zoude geschonden worden, noch de burgers geplunderd worden, ‘t welk aldus geblooft, aangenomen en volbracht wierd.’

Die van Ieper hebben gezorgd voor het eigen veiligheid, maar hebben zich allerminst bekommerd om de veiligheid van de mensen buiten de stadswallen. Een bende Franse ruiters zaait nu verderf op het platte land en bezondigt zich aan allerhande boosheden. Zo moet Poperinge een bloederige raid ondergaan. De Vlaming en de Vlaamse taal zijn kop van jut als ik het zo lees: ‘ze gebruikten nergens nog genade, noch barmhartigheid ten opzichte dat zij altijd de Vlamingen boven alle andere volkeren hadden gehaat om hun trotsheid en grote vrijheid.’

De vrijwillige overgave van Ieper wordt gevolgd door die van zowat alle steden in het Westland. De inwoners van Cassel, Bergen, Broekburg, Veurne, Duinkerke, Poperinge, Torhout, Roeselare, Belle en Menen nemen de door Artevelde aangestelde bevelhebbers gevangen en leveren die uit aan de Franse koning. Ze maken van de gelegenheid gebruik om hem om genade te verzoeken. De simpele burgers krijgen al bij al een triestig antwoord, de koning gaat akkoord, maar, ‘behalve dat al hun vee en andere goederen moest blijven tot buit van de soldaten, doch dat al hun huizen, hoven en lichamen in ‘t minst niet beschadigd zouden worden.’

Zo worden de arme mensen beroofd van hun levensmiddelen. Graaf Lodewijk is er niet over te spreken. De Fransman heeft hem niet eens betrokken bij de onderhandelingen. Zijn gezag bij het Franse hof staat wel op een heel laag pitje. Het lijkt er op dat hij niet eens bekeken wordt als de graaf van Vlaanderen. De uitgeleverde bevelhebbers van de Vlaamse steden worden allemaal onthoofd. De executie vindt plaats op de brug van Ieper, een plek die ik onmogelijk kan lokaliseren.

Koning Karel en zijn hofhouding blijven vier dagen in de stad. De Bruggelingen krijgen de gelegenheid om er op hun beurt vrede te maken met de Fransen en dat wensen ze eigenlijk ook wel te doen. Maar die van Brugge zitten in de tang van de Gentenaars. Artevelde houdt nogal wat van hun medeburgers als onderpand in verzekerde bewaring te Gent en dan zijn er nog 7.000 Brugse mannen gemoeid in het beleg van Oudenaarde. Die zouden ‘zekerlijk ongelukkige dagen gesmaakt hebben.’

…..

Dit is een fragment uit boek 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>