Aanslag op Karel de Goede

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     202 Views     Leave your thoughts  

Het is geen ochtend als elke andere. Zijn kapelaans vertellen het achteraf. Karel ziet er bezorgd en getormenteerd uit als hij zich gisteren in zijn slaapkamer heeft afgezonderd en zich te slapen heeft gelegd. Hij voelt zich onrustig en wantrouwig. Er hangt wat in de lucht en hij lijkt het aan te voelen. Allerhande vreemde gedachten spoken door zijn hoofd. Precies alsof hij ziek zal worden. Op één zijde slapen. Meer waken dan slapen. Nee, de nacht is lang en warrig geweest. ‘Hij vertrekt naar Sint-Donaas’. De mannen van Bosschaert zijn er als de kippen bij om het nieuws door te geven aan hun leider.

Karel is al in het ‘solarium’ van de kerk. De Franse schrijver Guizot vindt niet direct een passende vertaling voor het woord en ook ik moet op zoek naar de betekenis ervan. Een solarium blijkt een overdekte galerij, een soort plankenvloeren tussenkamer die gebruikt wordt door koningen of keizers om zich vanuit hun slaapvertrekken naar de kerk te begeven. Gevolgd door wat arme stakkers. Ondertussen wachten de ridders van de Erembalden en hun handlangers verscholen in de kerk. Met naakte en glimmende zwaarden verscholen onder hun mantels, sluipen ze de graaf achterna. Ze scheiden zich af in twee groepen die nu de twee toegangspoorten van de kerk in de gaten houden. De stilte moet hoorbaar zijn als graaf Karel zich op een nederige treeplank neerknielt voor het altaar.

Hij zingt psalmen voor zijn heer. Een recital van gebeden en ondertussen deelt hij denieren uit aan de armen. Zo staat het geschreven. Galbert vervalt in een soort van trance als hij het tafereel op papier zet. Voor onze schrijver kan graaf Karel de Goede geen kwaad doen. Hij heeft geleefd als een glorieuze prins en zal nu sterven als een martelaar. Hij durft het blijkbaar niet zo goed neerschrijven. Maar die fameuze woensdagochtend wordt hun goede graaf van Vlaanderen genadeloos doodgestoken hier in deze Brugse kerk.

Het nieuws van de moord treft de bevolking als een mokerslag en verspreidt zich als een lopend vuur tussen de burgers. Het internet is nog lang niet uitgevonden maar op vrijdagmorgen gaat de tijding van de aanslag al rond in Londen en in Laon. Hoe is het mogelijk dat het nieuws zich sneller verspreidt dan de spoorslagen van een ruiter te paard of dat van de snelheid van een schip over de Noordzee? Het is hoe dan ook ongelooflijk dat God dat stoutmoedige en vermetele ras van Bertulf zijn werk heeft laten doen. De uitvoerders van de moord leven nu nog altijd in rijkdom en ze investeren niet in hem maar wel in hoogmoed en in trots en geweld.

De kanunniken stonden er bij en keken er naar hoe hun arrogante en pretentieuze proost Bertulf hen het leven zuur heeft gemaakt. Godsdevotie als synoniem van geld en macht. De chef van de familie heeft zijn neven goed opgeleid. Ze moeten zijn wil respecteren. Zijn broers hebben niets in de pap te brokken gekregen bij de opvoeding van hun kinderen.

Niemand in Vlaanderen kan op tegen Bertulf als machtsgeile kanselier die op geen enkel moment geweld schuwt om zijn plannen ten uitvoer te brengen. En God heeft dat allemaal zomaar laten gebeuren. Ik krijg zowaar medelijden met Galbert en zijn naïef geloof.

De schrijver keert bruusk terug naar de plaats van het gebeuren. De moord is nog niet gepleegd. Ik ben Galbert even gevolgd tijdens zijn flashback naar het verleden en in zijn gemijmer. Nu sta ik zelf weer op scherp en houd ik mijn focus op het glinsterend metaal van de zwaarden.

‘Moord op de zalige Karel en op vier anderen – vlucht en gevangenname van enkele daders’. De kop is duidelijk. Ik krijg het volledig en gedetailleerd verslag dan toch te lezen. Het jaar 1127, de derde dag van de tweede week van de vasten. Dageraad. De vrome graaf bidt en knielt en woont de vroegmis bij in de Brugse Sint-Donaaskerk. Hij is vroeger zelf aartsbisschop geweest van Reims, dus zal hij wel weten wat bidden is. Zijn ogen zijn gefixeerd op de psalmen terwijl hij met zijn rechterhand aalmoezen uitdeelt. De denieren krijgt hij zelf aangereikt van zijn kapelaan. Het lijkt mij een eigenaardige combinatie. En dan is het tijd voor het voordragen van de ‘Pater Noster’. Dat gebeurt met luide stem.

Het ‘Onze Vader’ betekent meteen het signaal om in actie te treden. De samenzweerders zaten de hele tijd in de kerk, moordenaars in hun gedachten en hebben tot nu gewacht om Karel te benaderen en hun slag te slaan. Ze boren hun zwaard door het frêle lichaam van de graaf terwijl die nog volop bidt en aalmoezen uitdeelt vlak voor het beeld van de heilige maagd. Het lijkt er op dat hij zijn zonden wast in de stroom bloed die uit zijn lichaam ontsnapt. Als een martelaar voor zijn God. Tussen de slagen en de verwondingen door, richt hij het gezicht tot aan de hemel en met zijn koninklijke handen levert hij zijn ziel over aan de meester van alle mensen. Galbert aarzelt niet om dit melodrama met de nodige pathos neer te pennen.

Dan ligt zijn uitgebloed lichaam daar op de grond. Dood en verlaten van leven en geest. Zijn bedienden grijpen het nog vast en zijn vermoedelijk te erg geschrokken om al direct aan het treuren te slaan. Er zijn alleen maar hun tranen. De moordenaars pakken nu ook Tancmaar van Straeten aan. Ik weet eindelijk wie deze man is. De kasteelheer van Broekburg wordt neergesabeld en zwaar toegetakeld. Enig respect voor de status van hun slachtoffer kennen zijn beulen niet.

Ze sleuren hem aan zijn voeten van het altaar vandaan naar de buitendeur van de kerk waar ze op hem inhakken als een slager op een homp vlees. Tancmaar krijgt naar verluidt nog net de tijd om zijn zonden op te biechten en het heilig oliesel en het bloed van Christus toegediend te krijgen. Ik kan me van dat laatste geen beeld voor de geest halen.

De daders vluchten nu weg uit de kerk en gaan op zoek naar andere vertrouwelingen van de graaf die zich in zijn woning moeten bevinden. Vooral een zekere Hendrik moeten ze te pakken krijgen. Bosschaert verdenkt de man ervan om zijn broer Robrecht om het leven te hebben gebracht. Ik krijg voor het eerst een naam te horen van een van de moordenaars van dienst. Kasteelheer Haket heeft de arme Hendrik te pakken en ook de broer van Wouter van Loker is er aan voor zijn moeite. Beiden krijgen nu de slagen te pakken voor de rest die zich net op tijd uit de voeten heeft gemaakt.

Binnenin de Sint-Donaaskerk is er nog geen einde gekomen aan het drama. Wouter en Giselbert, de twee zonen van Tancmaar, waren blijkbaar aan het biechten tijdens de uitvoering van de aanslag. Ze proberen zich met panische angst in veiligheid te brengen en vluchten weg zo ver hun voeten hun lichaam kunnen dragen. De clan van de Erembalden krijgt hen in de gaten en gaat de mannen te paard achterna. Ze krijgen de broers te pakken in de Brugse buitenwijken op een plaats die ‘la place des Arènes’ wordt genoemd. Ze worden er ongenadig aangepakt door een zekere ridder Eric, één van de twee moordenaars van de graaf.

Jan, de knecht van de graaf, kan ontkomen aan het bloedbad. Als van de hand van God geslagen slaat hij spoorslags op de vlucht naar zijn ouders die ergens op het Vlaamse platteland wonen. De hele morgen holt zijn paard weg van de plaats van het gebeuren. Rond de middag arriveert hij in Ieper waar hij officieel de moord op graaf Karel en zijn vertrouwelingen kan meedelen.

In Ieper is het een drukte van jewelste. Handelaars van omliggende landen rond Vlaanderen zitten vergaderd in de kathedraal van Sint-Pieter waar er een handelsfoor aan de gang is en waar ze met elkaar zaken doen onder de hoge bescherming van de graaf. Uit de geschriften van Galbert vind ik dus de bevestiging dat de latere Sint-Maartenskerk in die periode nog omschreven wordt als de ‘Sint-Pieterskathedraal’. In de jaren 1100 moet Ieper dan al een bisschopsstad zijn. Ook de rijke handelaars van het koninkrijk van de Lombarden tekenen present op deze foor. Karel de Goede heeft trouwens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een kunstige zilveren drinkbeker te kopen van de Lombarden. Eenentwintig marken had hij er veil voor.

Het nieuws van de moord slaat in als een bom. De buitenlandse handelaars zijn verbijsterd. Gaat het er hier in Vlaanderen zo aan toe? Ze pakken hun handelswaar in en vertrekken gehaast, weg van deze vermaledijde plek. Op de plaatsen die ze op hun terugreis aandoen, spreken ze vol schande en vol afkeer van dit land. Het verlies van de graaf wordt beweend door de mannen die voorstander zijn van vrede en van recht. Zelfs mensen die de graaf niet kennen, zijn aangedaan door zijn afsterven. In het kasteel van Brugge ligt dat enigszins anders, schrijft Galbert. Tussen zijn diepe rouw door, geeft mijn schrijver duidelijk aan dat Brugge in 1127 al volop een stedelijke agglomeratie is rond de centrale burcht die we nu 900 jaar later kennen als de ‘Burg’.

Hier bij de burcht van Brugge zijn de mensen er het hart van in. Maar er is niemand die zijn verdriet durft te tonen. Niemand die het dode lijk mag bewenen en zijn of haar tranen mag laten vloeien voor de arme graaf die daar dood in de kerk werd achtergelaten. De neven van de proost zijn tot hun grote angst teruggekeerd naar Brugge. Met in hun zog de schurk Bosschaert samen met al zijn handlangers. De vrees bij de mensen zit er diep in. De bende blijft koortsachtig zoeken naar Wouter van Loker die ze grondig haten omdat hij hen, als lid van de grafelijke raad, in het verleden voortdurend schade heeft berokkend.

Tussen het tijdstip van de moord en de terugkeer van de moordende bende, houdt die Wouter van Loker zich nog altijd verscholen in de Sint-Donaaskerk, vlak bij de plek waar het lijk van de graaf zich nog bevindt. De Erembalden vallen de kerk opnieuw binnen en beuken met fors geweld de kerkdeuren open. Hun naakte en met bloed besmeurde zwaarden zwaaien in het rond. Met luide schreeuwen en het nodige wapengekletter gaan ze op zoek naar Wouter en bulderen ze zijn naam als grove vloeken in het rond.

En ze vinden hun mannetje. Hij leeft nog, hij ademt nog. Ze pakken hem vast aan de voeten en sleuren hem naar de kerkdeuren waar ze hem afmaken als een hond. Vlak bij Tancmaar die ondertussen ook gestorven is door toedoen van het beulenwerk op zijn lichaam.

De sukkelaar heeft in de loop van de voormiddag zijn zegelring afgegeven aan de abdis van Aurigny om die als teken van zijn dood af te laten geven aan zijn vrouw en zijn kinderen. Hij weet op dat moment niet dat zijn gezin kort nadien het volgende slachtoffer zal worden en met hem in de dood zal verdwijnen.

Er bevindt zich nog altijd een kerkwachter in de Sint-Donaaskerk. Hij is na de aanslag op zoek gegaan naar Wouter van Loker en heeft hem al toegedekt met zijn mantel. Opgeschrikt door de binnenvallende bruutzakken, vlucht hij weg in het koor en roept hij met hoge stem, een mix van lamentabele klanken om hulp. Maar God en zijn heiligen blijven doof voor zijn gejammer. Galbert schuwt de details weer eens niet. De ellendige Bosschaert en zijn kamermeester Isaak stormen in deze heilige ruimte af op de gillende kerkwachter. Ik krijg opnieuw de omschrijving van de glimmende en verschrikkelijk bebloede zwaarden in aanslag op mijn menu. Weggelopen uit een griezelfilm denk ik terwijl ik het middeleeuws verslag probeer onder de knieën te krijgen.

Hun gezichten zien er verschrikkelijk uit. Woedend, gemeen en kwaadaardig. Hun blik is angstaanjagend. Het is niet gemakkelijk om deze terreur adequaat te omschrijven, vertelt de schrijver. Bosschaert heeft de gevluchte man ondertussen gevat en grijpt hem hardhandig vast. Enkele van zijn klerken kunnen hun leider ervan weerhouden om de sukkelaar direct te vermoorden en zo wordt hij aan de haren meegesleurd tot bij de ingang van de kerk waar hij oog in oog komt met Wouter die, nu al zeker van zijn dood, met overslaande stem gilt om vergeving bij zijn God.

Galbert moet getuigen gehad hebben. Of was hij zelf aanwezig bij het sinister gebeuren? Hoe anders kan hij het antwoord geweten hebben dat Bosschaert en zijn kliek terug keilen naar hun slachtoffers. ‘We zullen je betalen met dezelfde barmhartigheid die jullie in het verleden voor ons gehad hebben.’ ‘Ga jullie gang’, brult Bosschaert naar zijn handlangers en het doden kan beginnen. Weer zijn de finesses van de moord getuigen vanuit het verleden: ‘slagen van het zwaard, stokken, stenen en nagels’. Het bloedvergieten is nog niet afgelopen. Ze keren terug naar het heiligdom van de kerk. Kijken of er zich geen andere terdoodveroordeelden meer rond het altaar verborgen zitten.

De mannetjes die daarnet de kerkmeester hebben afgemaakt, mogen eveneens mee binnen de kerk. Ze hebben onmiddellijk succes. Boudewijn, de kapelaan en Robrecht, de klerk van de graaf hebben zich in de buurt van het altaar verstopt. Bang en verschrikt vinden de mannen hen in een hoekje op de vloer. Ook een bediende die luistert naar de naam Oger samen met syndicus Frumold (de jonge) en kamerjongen Arnold worden betrapt. Vooral Frumold kan beschouwd worden als een vertrouwenspersoon van de graaf. Een mooie vangst dus die ze vandaan gehaald hebben van onder een stapel takkenbossen in de kerk.

Oger en Arnold bleken trouwens onder enige tapijten verscholen te zitten. De tapijten en de takkenbossen werden naar jaarlijkse gewoonte op Palmzondag de kerk binnengebracht door enkele monniken. De kompanen van Bosschaert krijgen nog enkele andere medestanders van Karel te pakken: Boudewijn en Gobert, de bedienden die het geld voor de aalmoezen met zich meedroegen. Er is ook sprake van Eustache, de broer van Wouter van Loker. De verschrikte mannen worden tot bij Isaak en Bosschaert gesleurd. Isaak ontsteekt in een verschrikkelijke gramschap tegen Frumold de jonge. Zelfs een berg goud met de hoogte van een kerk zal niet volstaan om hem te sparen van de dood. God en al zijn heiligen kunnen de pot op.

‘Je hebt de geest van graaf Karel ziek gemaakt’, tiert hij, ‘aan jou hebben we al die ellende te danken’. Isaak en Bosschaert beginnen onder elkaar te overleggen wat ze het best met hun gijzelaars kunnen doen. Ze kunnen Frumold en Arnold misschien beter gevangen nemen en hen later omruilen tegen de grafelijke schatten. Enkele toegesnelde kanunniken smeken om het leven van Frumold te sparen. Onder hen bevindt zich trouwens zijn oom die zich voor de voeten van de Erembalden gooit om toch maar het nodige medelijden op te wekken.

Het spel eindigt met de gijzelneming van Frumold en Arnold door proost Bertulf die er bij geroepen wordt. Een stukje theater vanzelfsprekend, Bertulf speelt nu plots de vermoorde onschuld en beweert in de verste verte iets te maken te hebben met de moorden die zijn neven daarnet gepleegd hebben. De gevangenen worden nu opgesloten in een kamer in het huis van de proost zelf.

Zijn wraak is zoet. ‘Wees er maar gerust van beste Frumold dat je niet langer met mijn voeten zult spelen’. De originele tekst oogt anders maar inhoudelijk sla ik de nagel op de kop. Het duo krijgt in elk geval de nodige tijd om te treuren over het verlies van hun graaf. Geen meester was hij, eerder een vader. Ze betreuren het dat ze finaal niet aan zijn zijde hebben kunnen sterven. Die arme graaf Karel toch.

De kadavers van Wouter van Loker en zijn zonen worden weggehaald uit de Sint-Donaaskerk. Ze worden op wagens gelegd en teruggevoerd naar de domeinen en de kastelen die hun toebehoren. Hoewel ik hier beter de verleden tijden ‘toebehoorden’ zou aanwenden. In de tussentijd ijsbeert proost Bertulf door de gangen van zijn woning.

Hij probeert zijn kanunniken te overtuigen dat hij helemaal niet op de hoogte was van de aanslagen, laat staan dat hij er iets mee te maken heeft. Nog dezelfde dag voeren de daders van de moorden een strafexpeditie uit tegen allen die meegezeuld hebben met hun geliquideerde aartsvijand Tancmaar van Straeten. Het gaat richting Varsenare waar zich het hof van Straeten bevindt. Ze treffen er een verlaten dorp aan en lege boerderijen.

Het nieuws van de moorden heeft de landbevolking doen panikeren. Met Karel zijn ze plots hun beschermheer kwijt. Niemand kan hen nu nog voor hen opnemen. De wetenschap dat de personen die het nu in Vlaanderen om zeggen hebben, meegewerkt hebben aan de moord, boezemt de mensen grote angst in. De toekomst ziet er echt verschrikkelijk uit. Ze hebben hun eigendommen achtergelaten en ze zijn op de vlucht geslagen naar veiligere oorden.

De Erembalden maken zich ongegeneerd meester van de boerderijen en van het domein van Tancmaar. Ze roven er de wapens, de meubelen, de kleren van de landbouwers en hun vee. De plundering en de brandstichting gaan zowat de hele dag verder. Enkele handelaars die op weg zijn naar de jaarmarkt van Ieper worden overvallen en beroofd van hun bezittingen.

Ondertussen is Willem van Lo gearriveerd in Ieper. Ik maak kennis met een andere hoofdrolspeler uit die dagen. Beste vrienden met Karel de Goede is hij nooit geweest. Eigenlijk zou hij zelf, kleinzoon van graaf Robrecht de Fries, de graaf in functie moeten zijn geweest. Willem van Lo is de zoon uit een buitenechtelijke relatie van Filips van Lo met een Ieperse wolkaardster en wordt door Galbert wat onrespectvol Guillelmus Bastardus of Willem de Bastaard genoemd.

De schrijver vertelt het niet met zoveel woorden. Maar Willem van Lo moet van op afstand betrokken zijn bij de moord van de graaf. Het feit dat hij nog dezelfde dag van de aanslag naar de pijpen begint te dansen van proost Bertulf en zijn smeerlappen van neven, spreekt boekdelen. Hij wordt door Bertulf naar Brugge geroepen om er de macht over te nemen en zijn rechtmatige plaats als graaf van Vlaanderen op te eisen. De deelnemers aan de Ieperse handelsfoor zullen het geweten hebben. Hij wil in zijn thuisbasis eerst orde op zaken stellen vooraleer hij naar Brugge zal vertrekken. Hij eist lokale hulp bij alle aanwezige handelaars van de plaatselijke jaarfoor.

Ondertussen in Brugge. Met valavond kunnen ze de sleutels van de schatkamer bemachtigen van de gevangen Frumold de Jonge. Ook de sleutels van zijn eigen huis en die van zijn eigendommen worden met geweld buitgemaakt. Bosschaert, kasteelheer Haket en Wouter, de zoon van Lambrecht van Aardenburg maken er zich onmiddellijk meester van. De hele tijd is het lijk van Karel de Goede blijven liggen in de Sint-Donaaskerk. De priesters hebben natuurlijk al zijn ziel warm aanbevolen aan de heer God en hebben hem nog op het laatste nippertje de communie van Christus toegediend. Dat is alles wat ze hebben kunnen doen. Voor de rest ligt het zielloze lichaam van de graaf nog precies in dezelfde positie die het kreeg tijdens de aanslag.

De toestemming om het lijk te verwijderen komt uiteindelijk van proost Bertulf. Frumold de Oude (nu zouden we zeggen Frumold senior) wikkelt het nobele lichaam in een linnen doodskleed en deponeert het in een kist die opgesteld staat in het midden van het hoofdkoor. Het gaat er nu echt respectvol aan toe. Wat een contrast met wat er zich hier in de vroege morgen heeft afgespeeld. Vier brandende kaarsen geven het dode lichaam van de graaf een vreemd silhouet. Het is een bevreemdende ceremonie, uitgevoerd door een exclusief gezelschap van vrouwen die hem een dag en een nacht bewenen met hun vrome klaagzangen.

De familie van Bertulf is er niet echt voor te vinden om de begrafenis te laten doorgaan in Brugge. Ze beraadslagen even met de proost en komen tot de slotsom dat de graaf zal overgebracht worden naar Gent. Het zou beter zijn om hem daar te begraven. Zo eindigt deze fatale dag. Er staat het land nog veel onheil te wachten. Galbert kent natuurlijk al de volledige plot en laat dit hier al ferm uitschijnen. Het begint al tijdens de volgende nacht. De proost heeft zich nu weer helemaal getransformeerd tot ‘godfather’ van zijn clan.

De bevelen komen weer rechtstreeks van hem. De Sint-Donaaskerk en de toren van de Burg moeten bezet worden door gewapende mannen. Er zou de volgende dagen wel eens verzet van de burgers kunnen uitbreken. Tot op de tanden bewapende ridders zullen dit proberen te voorkomen en rukken op naar de Burg.

Lees verder hier 

Deze tekst is een fragment uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>