Abdij in de branding

De Sint-Maartensproosdij is in de 14de eeuw niet langer incontournable en moet hard knokken om zijn deel van de Ieperse koek te vrijwaren. De hele eeuw door worden de kanunniken geconfronteerd met geweld, revolutie en oorlog. De schade die de geestelijken oplopen tijdens het beleg van Ieper van 1383 is haast niet te overzien.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Tussen de jaren 1286 en 1289 staat Willem II aan het roer van de Ieperse Sint-Maartensproosdij. Dat lezen we toch in ‘Les cartulaires de la prévôte de Saint-Martin à Ypres’, een 19de eeuwse studie van de historici Eusèbe Feys en Aloïs Nelis. Ze halen hun mosterd bij het 368 stukken tellende Novum-register uit 1422 of iets later. Aan de hand van het oudere Rubrum register zijn we al op stap geweest op het bestaanspad van de machtige kerk die de scepter zwaait over het jonge en erg welvarende Ieper van die dagen.

Eigenlijk begint het Novum register met een valse start, want er bestaan ernstige hiaten in de stukken tussen augustus 1285 en 31 oktober van het jaar 1287. Van proost Willem II is daardoor weinig geweten. Zijn broer Paskinus is kanunnik in Harelbeke. In februari van 1288 stichten de deken en de leden van de broederschap van Sint-Niklaas een kapelanij in de Sint-Maartenskerk. Dat gebeurt wel te verstaan met de toestemming van proost Willem die trouwens zelf bepaalt waar het altaar en de kapel ter ere van de heilige Nikolaas zullen worden gebouwd. De kapelaan van Sint-Niklaas krijgt voortaan een jaarlijkse toelage van 18 pond en voor een koster worden er 30 centen voorzien. De stichtingsakte bevat enkele specifieke clausules.

De nieuwe kapelaan zal voortaan een mis opdragen voor zijn levende en overleden confraters, een mis die zal doorgaan onmiddellijk na de eucharistievieringen voor de Heilige Maagd. Een gezongen mis kan er enkel worden opgedragen met toestemming van de proost of van diegene die hem in Sint-Maartens vervangt. Uitvaartdiensten van collega’s mogen met de volle show doorgaan en ook op de feestdag van Sint-Niklaas zijn er ochtenddiensten en vespers toegestaan die in afwachting van de realisatie van het altaar alvast kunnen gecelebreerd worden aan het bestaande altaar van Sint-Andreas.

Ze moeten er gewoon voor zorgen dat de gewone misvieringen geen vertraging oplopen. Jan de Witte wordt aangesteld als nieuwe kapelaan en als hij sterft of zelf opstapt, is het aan de proost van Sint-Maartens om een andere kanunnik aan te stellen. De opbrengsten zullen in dat geval toekomen aan de abdij van Sint-Maartens. De diensten zullen een jaar of twintig doorgaan in de kerk van Sint-Maartens zelf.

Op 4 juli 1307 komt proost Jan III de belofte van zijn voorganger na door de bouw van een kapel die aanleunt tegen de hoofdkerk en waar voortaan voor de eeuwigheid missen zullen mogen worden opgedragen in het nieuwe gebouw. Alleen op de dagen waar er sermoenen worden gehouden, dienen de misvieringen op een ander tijdstip te worden georganiseerd. De 18de proost van Sint-Maartens komt er aan in 1289. Na de dood van Willem op 14 september 1289. De archieven zijn blijkbaar weer compleet. Robert Madidus is de nieuwe sterke man. ‘Le Moiste’ wordt hij genoemd. Telg uit een adellijke familie van Boulogne.

Zijn vader was koninklijk adviseur en zijn moeder is Marguerite Bucquet. Rijk en machtig volk. Zijn broer Jacques van Boulogne schopt het tussen 1287 en 1301 tot bisschop van Terwaan en zijn andere broer Willem staat bekend als een moedige verdediger van zijn land. Jacques van Boulogne is al in 1287 moeten tussenkomen om het al lang aanslepend conflict tussen het kapittel van Ieper en de aartsdiaken van Vlaanderen in Terwaan uit de wereld te helpen. Het is niet verwonderlijk dat die relaties, met de aanstelling van zijn broer Robert Madidus, de volgende jaren probleemloos zullen verlopen.

De bisschop komt voortaan regelmatig naar Ieper waar hij telkens enkele dagen in de abdij logeert. De kanunniken zijn telkens zwaar onder de indruk van het feit dat de bisschop de eigenste broer is van hun patroon. Maar toch blijven ze op hun hoede voor de bedoelingen en de verborgen agenda van het hof van Terwaan en ze zorgen er telkens opnieuw voor om hun rechten en privileges te laten herbevestigen. Zo bijvoorbeeld op Sinksen van het jaar 1290. Bisschop Jacques van Boulogne komt de mis voordragen in Sint-Maartens. Zijn persoonlijke kapelanen muizen er van onder met de offerandegelden die in de handen van hun bisschop werden gestopt.

Maar de Ieperse kanunniken willen niet zomaar de kaas van tussen hun boterhammen laten wegpikken. Op de dagen wanneer er grote plechtigheden doorgaan, hebben ze al de rechten op de opbrengsten. Pinksterdag staat aangeschreven als ‘uno natalium’, maar het duurt nog tot 3 februari van 1291 vooraleer ze hun geld zullen terugzien.

Broer-bisschop moet zich die 3de februari trouwens zelf in Ieper bevinden, want hij verklaart er dat hij 3 keer heeft gelogeerd in de abdij voor in totaal 6 dagen. Met een niet te miskennen arrogantie, laat hij weten dat Ieper maar recht had aan 3 dagen en dat de extra dagen mogen bekeken worden als een teken van hoffelijkheid, een uitzonderlijke gunst van zijn kant. Tijdens het weekend van Sinksen van 1291 verblijft hij opnieuw in de Sint-Maartensabdij en op 23 oktober herhaalt hij nog eens welk immens voorrecht dit betekent voor de Ieperlingen. Ook de aartsdiaken van Vlaanderen, Jacques van Etaples, komt logeren. De kanunniken hebben recht op de eerste dag, maar de tweede dag staat gestipuleerd als ten dienste en op vraag van de geestelijken.

Proost Madidus zorgt eveneens voor een samenwerking tussen de abdijen van Ieper en die van Onze-Lieve-Vrouw van Boulogne. Blijkbaar koesteren de geestelijken van Boulogne een grote bewondering voor de kanunniken van Ieper. Ze beloven bij het overlijden van eventuele Ieperse geestelijken over te gaan tot een speciale misviering en daarbij de arme mensen uit de regio niet te vergeten. De proost van Ieper schopt het nu zelfs tot proost van de Artesische abdij van Ruisseauville (Beata Maria in Nemore) waar hij flink wat tijd en energie in stopt en trouwens de jurisdictie over de plaats in handen krijgt.

Een mens kan maar op één plek tegelijkertijd zijn en dat laat zijn sporen na daar achter de lakenhalle. Robert Madidus beslist om enkele eigendommen van de abdij van de hand te doen om met de opbrengsten daarvan een hofstede met alle bijhorende tiendenrechten in het Franse Calonne te kopen. De rechten op Passendale, Langemark en die van Reningelst worden verkocht voor het bedrag van 32 Parijse ponden met de lakenhalle als borg indien de Ieperse geestelijken hun verplichtingen niet zouden nakomen.

Deze borgstelling toont de geraffineerde verwevenheid tussen de rijke geestelijkheid en de burgerij van de stad. De welvarende 13de eeuw loopt op zijn laatste beentjes. Het vet is van de soep. Het aantal acquisities is op de vingers van één hand te tellen. Graaf Gwijde van Dampierre duikt rond 29 oktober 1295 op in de Novum registers wanneer hij zijn baljuw in Cassel instructies geeft om een eigendom aan de voet van de Casselberg over te maken aan het Ieperse klooster. Het gaat over gebouwen, weides, waterlopen en een flink stuk landbouwgrond. Graaf Gwijde brengt de schrijvers Feys en Nelis naar Filips de Schone.

De tijden breken aan dat de Franse koning Philippe le Bel een onhoudbare tirannie zal deponeren over Vlaanderen. In zijn strijd tegen Gwijde van Dampierre zet de gehaaide Filips de Schone de lijnen en de valstrikken uit van een op en top misleidende politiek met als bedoeling de graaf te treffen en vooral om het machtige Ieper aan zijn kant te krijgen. ‘Ce fut en vain’ lezen we.

Ieper laat zich niet in een-twee-drie verleiden. Toch slaagt hij er in om verdeeldheid te zaaien in de stad. Tussen de Ieperse rijkelui, de heren, bevinden zich nogal wat aanhangers van de blauwe lelie terwijl de ambachtslieden trouw blijven aan hun graaf en toegewijd zijn aan de oude leeuw van Vlaanderen die in die dagen ongetwijfeld nog niet bekend zal staan als dergelijk roofdier.

Het kapittel komt in een vrij delicate positie te staan tussen beide Ieperse belangengroepen. Geprangd tussen de uiteenlopende vaderlandslievende gevoelens. Dat zeker. Ondanks de wetenschap dat de broer van proost Robert Madidus de functie bekleedt van Bisschop in Terwaan en een leidende rol speelt voor de Leliaards, kiezen de proost en de deken van Sint-Maartens van bij het begin de zijde van Gwijde van Dampierre.

De proosdij steunt de graaf van Vlaanderen volop bij diens claims en klachten die hij bij het pauselijk hof van Rome neerlegt tegen de koning van Frankrijk en tegen Jean, de bisschop van Doornik en zijn vertegenwoordiger Leonard, de proost van Brugge. Ook de abdij en het kapittel van Mesen bevinden zich in het andere kamp. Van zijn kant laat de graaf op 26 maart 1297 via een notariële akte optekenen dat hij te allen tijde de eigendomsrechten van Sint-Maartens zal blijven verdedigen en dat hij zal instaan voor de kosten die ze maken voor hun tussenkomsten in Rome. De schrijvers gaan er van uit dat de kanunniken de volgende jaren trouw blijven aan hun gedragsprincipes. Ze missen echter de bewijsstukken om die stelling hard te maken. De oorlog breekt hoe dan ook uit. Ieper moet drie keer zijn poorten sluiten om te weerstaan aan de Franse aanvallen.

In het jaar 1300 is de situatie echter onhoudbaar geworden en forceren de troepen van Filips de Schone de toegang tot de stad die zich nu moet schikken naar de grillen van de koning. Ieper krijgt een harde behandeling. De 16de juni van 1301 komen Filips de Schone en zijn madame, de koningin van Frankrijk, met hun uitgebreid gevolg op pronkbezoek naar Ieper. Het resultaat van dat bezoek wordt op 1 september te Rijsel vastgelegd. De Leliaards krijgen een leidende rol in het stadsbestuur. De triomf van de lelie is echter een kort leven beschoren.

Begin juni 1302 ontvangen de verbitterde Kauwaards binnen hun stadsmuren het bezoek van de zonen van de gevangen gezette graaf. De 11de juli staan Ieperse milities paraat in Kortrijk en dragen ze bij tot de merkwaardigste dag uit de Vlaamse geschiedenis. Achteraf, in afwachting van een Franse revanche, werken de Ieperse burgers zich vanaf november in het zweet om de buitenwijken te beschermen door de aanleg van extra grachten en versterkingen. Tijdens deze grote strijd om de vrijheid blijven de cartularia stil. De laatste keer dat Robert Madidus effectief wordt geciteerd is op 20 november 1294. Zijn dood wordt door verschillende bronnen bevestigd in het jaar 1299 maar dat kan net zo goed in 1302 zijn volgens geschiedschrijver Malbranq. De tijd van Jan III breekt nu aan.

19. Jan III (1303-1311). 10 jaar geleden, in 1293, vinden we zijn naam al terug als deken van Sint-Maarten. De oude geschriften maken voor het eerst gewag van Jan als proost op 14 februari 1304. Hij komt aan het roer van de Ieperse kerkelijke gemeenschap in een getormenteerde en geagiteerde periode die zich gaandeweg meer en meer opvult met lugubere en macabere voorvallen. Vanuit zijn klooster kan hij ongetwijfeld de doodskreten en het wilde gebrul van de meute horen wanneer die de lakenhalle bestormt. De desastreuze evenementen hebben alles te zien met de drang naar meer democratie die zich is gaan nestelen bij de ambachtsgilden. Een aantal van hun leden zijn er in geslaagd om grote rijkdom te verwerven en ze steken nu hun kop aan het firmament van het stadsbestuur waar ze ook hun deel van de koek willen.

Er heerst al een hele tijd een bijzondere ontevredenheid doorheen de stad. Blijkbaar heeft alles te zien met buitensporige taksen en belastingen die opgelegd worden door de magistraten. Op de vooravond van de feestdag van Sint-Andreas, 29 november 1303, is het prijs. Het gemeen bestormt de halle en richt een bloedbad aan waarbij maar liefst negen schepenen, vier raadsleden en acht andere hoogwaardigheidsbekleders om het leven worden gebracht. De moordpartijen gaan de volgende dag gewoon door en die worden vergezeld van een nooit gezien rooforgie en uitspattingen van alle soort en slag. De opstandelingen installeren zich in het stadhuis, waar ze zich de functies van de schepenen toe-eigenen. Bijna twee weken lang besturen ze Ieper naar eigen goeddunken.

Filips van Chieti, de man die tijdelijk het grafelijk bestuur over Vlaanderen waarneemt, reageert aanvankelijk mild op de volksfurie. De 16de december laat hij brieven publiceren waarbij hij gratie verleent aan de schuldigen en waarbij hij maatregelen neemt om de orde en de veiligheid in de stad te herstellen. De collega-schepenen van Gent, Brugge, Rijsel en Douai pikken die mildheid helemaal niet en forceren een herziening van de beslissing van Filips van Chieti die op 4 mei 1304 nu wel zware straffen uitspreekt tegen 43 oproerkraaiers. 38 onder hen worden als moordenaars op het rad gedood en 5 mannen worden als dieven opgeknoopt.

Het is in die turbulente periode dat proost Jan III zijn discipelen de nodige tucht en godsvrucht moet zien bij te brengen. Een tiental akten met weinig betekenis, passeren de revue. Op 14 februari van het jaar 1304 geeft de proost als leidende figuur de toestemming om een extra misviering, een ‘middelmesse’ te organiseren in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Brielen. De kerkmeesters en de parochianen reserveren hiervoor een jaarlijkse vergoeding van 15 pond voor de kapelaan. Die moet dagelijks een mis opdragen voor de Heilige Maagd, ‘s morgens tussen acht en negen, tijdens de ‘hora prima’.

De stichters stellen de heer Jan Fraye aan als eerste kapelaan die de vermelde vergoeding de rest van zijn leven zal ontvangen. Moest de kerk om één of andere reden vernield, beschadigd of ontheiligd raken, dan zal de bewuste middelmesse in een andere parochiekerk van Ieper doorgaan.

De kanunniken hadden in Terwaan, aan de Leie, een residentie die ze op 25 februari 1306 van de hand doen aan bisschop Enguerran de Créquy van Terwaan die bereid is om er jaarlijks 200 Doornikse ponden voor te betalen aan de Sint-Maartensproosdij. Er hangt een weerhaak aan de transactie. Als het Vlaamse leger de bewuste residentie moest vernietigen of beschadigen, dan zullen de Ieperse geestelijken verplicht worden om die 200 ponden terug te betalen. In 1310 komt de aartsbisschop van Reims op bezoek naar Ieper en zijn belfort, groot bezoek, waar verder geen informatie bij wordt verschaft. Volgens de Gallia Christiana sterft abt Jan III op 7 januari 1311.

20. Daniel van Lannoy (1311-1320). Meester Daniel van Lannoy is een telg van een van de meest welvarende families die Vlaanderen rijk is. Schrijver Sanderus haalt zijn naam aan in 1311. Robrecht van Bethune stelt hem, samen met de baljuw van Ieper, op 30 augustus van 1313, aan om een onteigeningsprocedure te starten en de waarde te bepalen van alle eigendommen die zullen gebruikt worden om een nieuw kanaal te graven dat naast de Iepere zal worden aangelegd. Daarbij moeten ze onderzoeken en bepalen welke de vergoeding zal zijn die de schippers zullen moeten betalen om het nieuwe kanaal te bevaren.

De volgende dag verwerft graaf Robrecht van Bethune een stuk grond dat zich voor een stuk op het grondgebied van de parochie van Boezinge situeert en dat in vroegere dagen door Denis Nappin, een schoolmeester van Cassel, geschonken werd aan de kerk van Sint-Maarten om er een kapelanij op te richten. In ruil werd Nappin begraven in de kerk van Sint-Maarten en wordt er een dagelijkse misviering voor zijn zielsrust georganiseerd.

Die mis wordt trouwens niet enkel voor die Nappin gehouden, maar ook voor de vermoorde schepenen, want blijkbaar is de schoolmeester op miraculeuze wijze aan de slachting van 1303 ontsnapt. In 1314 trouwt Mathilde, de jongste dochter van Robrecht van Bethune met Mathieu de Lorraine, de hertog van Bar. Het huwelijksfeest gaat door te Ieper waar de bruid al sinds enkele jaren woont in het mottekasteel van het Zaalhof. De juffrouw van Vlaanderen is erg populair bij de Ieperlingen die ze op ietwat familiaire manier ‘lieve Mathilde’ noemen.

Het nieuws van het aanstaande huwelijk van Mathilde wordt met grote vreugde ontvangen, schrijft historicus Vandepeereboom. Ook de graaf wordt bijzonder graag gezien door arm en rijk. Op verzoek van de magistraten gaat het trouwfeest door in de lakenhalle en het is het gewone volk dat instaat voor alle kosten van de maaltijd en het schitterend huwelijksfeest. Waar de proost en zijn kapittel uithangen op dat moment, wordt nergens vermeld.

Proost Daniel van Lannoy zal zich vermoedelijk bezig houden met een conflict dat er gerezen is tussen de bisschop van Arras en de Ieperse kanunniken en dat jaren zal aanslepen. Bisschop Gerard beweert dat de Ieperse geestelijken hem een vergoeding schuldig zijn voor wat betreft hun eigendommen in Calonne aan de Leie. De Ieperlingen weigeren te betalen en op zijn beurt laat de bisschop de eigendommen aanslaan door de sergeant van de Franse koning en komt de affaire heel ongebruikelijk voor een niet-kerkelijke rechtbank. De zaak zal aanslepen tot in 1428.

21. Pieter II Boom (1320-1326). Rond 1320 houdt Daniel van Lannoy het voor bekeken en wil hij naar eigen zeggen een meer spiritueel leven leiden. Hij trekt naar de Chartreuzenabdij van Brugge waar hij overlijdt op 21 april 1322. Ondertussen is zijn opvolger Pieter Boom, telg van een Ieperse schepenfamilie, al in actie geschoten in de Sint-Maartensproosdij waar hij voordien trouwens al deken geweest is. Zijn naam verschijnt twee keer in de archieven.

Er is eerst de discussie tussen de procureur en de schepenen met de kerkmeester en de parochianen van Sint-Maarten. Onderwerp van de debatten is de bouw en het onderhoud van de kerk van Sint-Maarten en de abdij. Blijkbaar hebben de partijen extern advies nodig en zo worden er scheidsrechters aangesteld. Jan Badereel, de deken van de kerk, meester Jan van Beisslare, parochiepriester en chef van de administratie Alard van Dentergem worden aangeduid van de kant van de geestelijken. Het schepencollege vaardigt procureur Pieter Paelding af. Samen met de schepenen André Broederlam en François Belle.

Ze krijgen de tijd om een oordeel te vellen tot de 27e oktober van 1321 en de uitspraak moet openbaar gemaakt worden voor kerstdag. Meer weten we niet. We komen wat meer te weten in de tweede akte van juli 1322 met een ruiltransactie tussen de kanunniken en de schepenen. De abdij krijgt een stuk grond van 600m² (40 roeden) dat aansluit bij de pastorie van Sint-Pieters. De schepenen krijgen in ruil de rechten op gronden in de parochie van Vlamertinge, meer speciaal in de omgeving van de vijver van Dikkebus.

We beleven de tijden waarbij Robrecht van Bethune op gevorderde leeftijd in Ieper overlijdt. Hij leeft al enkele jaren teruggetrokken in de stad waarbij de Ieperlingen nogal wat affectie tonen voor de oude graaf en zijn dood bijzonder betreuren. De kanunniken krijgen de opdracht om te zorgen voor een begrafenis die past bij zijn status. De dienst zal doorgaan in het koor van hun Sint-Maartenskerk. Maar Robrecht heeft vroeger de wens geuit dat hij begraven wil worden in de abdijkerk van Flines, in de nabijheid van Douai.

Waar ook zijn vader Gwijde van Dampierre begraven ligt. Douai en Rijsel zijn echter tijdens zijn leven verloren gegaan aan de Fransen en de oude graaf wil er uiteindelijk pas begraven worden als beide kasselrijen weer Vlaams grondgebied zijn geworden. 14 dagen na zijn dood, de 1e oktober van 1322, worden de wensen van Robrecht van Bethune door Pieter Boom overgemaakt aan de geestelijken van de abdij van Flines. De overleden graaf krijgt in elk geval een mausoleum van kostbare jaspersteen waar zijn lichaam afgebeeld ligt in wit marmer onder een albasten baldakijn. Zijn beeltenis is voorzien van een maliënkolder.

Zijn hoofd is gekroond met een kroon van rozetten. Het monument zal in 1586, net zoals zo veel andere, vernield worden door de beeldenstormers. De eerste wereldoorlog is nog veraf als Feys en Nelis nog de grafsteen aantreffen midden in het koor van de Sint-Maartenskerk. De inscriptie luidt als volgt; CY GIST NOBLE PUISSANT PRINCE DE BONNE MEMOIRE MON SEIGNEUR ROBERT, COMTE DE FLANDRE, QUI TREPASSA L’AN DE GRACE M. CCC. XXII. LE JOUR St LAMBERT.

De cartularia blijven stom tussen 14 oktober 1323 en 13 september 1327. Geen enkele akte. Een veelbetekenende lacune die ongetwijfeld alles te zien heeft met de trieste situatie die Vlaanderen meemaakt tijdens het bestuur van Lodewijk van Nevers. Abt Pieter Boom volgt het voorbeeld van zijn voorganger en neemt in 1326 ontslag uit zijn functie. Hij zal nog 20 jaar leven.

22. Alard van Dentergem (1326-1361). De komst van Lodewijk van Nevers luidt een rampzalig tijdperk in. De strijd van het gemeen en de ambachtslieden tegen de graaf doet de haat die al zo lang bestaat tussen het gewoon en het rijk volk, in alle hevigheid oplaaien. De aversie tussen de Leliaards en de Klauwaards radicaliseert met de dag. Roofpartijen en ongelooflijke wreedheden zijn schering en inslag geworden.

Eind 1322 heft Zannekin in Veurne de standaard tegen al die heren in hun decadente kastelen. In 1324 verandert Vlaanderen en heel specifiek de regio van Ieper in een heus slagveld. Een jaar later nemen de Ieperse ambachtslieden de wapens op. De 9de juni van 1325 rept de graaf zich naar Ieper om zich te verzetten tegen de revolte, maar de Ieperse houding is zo bedreigend dat hij zich uit de voeten maakt richting Kortrijk waar hij het aan de stok krijgt met de Bruggelingen die hem uiteindelijk krijgsgevangen maken en meevoeren richting Brugge.

Ondertussen ontvangen de Ieperlingen Zannekin binnen hun stadsmuren. De leider van het verzet zorgt voor een uitbreiding en een verdere versterking van de verdedigingsgordel rond de stad. De vrede van Arques van 1326 slaagt er niet in de geesten te kalmeren en verandert niets aan de kritieke situatie. Nog voor het einde van dit jaar zijn die van Ieper de Leie overgestoken en hebben ze de Komense woningen in brand gestoken die zich op Frans grondgebied bevinden. In Rijsel onthoofden ze de Fransman Jacques Scabaille.

Filips van Valois, kersverse koning van Frankrijk, rukt op naar Vlaanderen om de graaf uit de nesten te helpen en om de orde te herstellen. Zannekin wil hem afstoppen, maar lijdt een teleurstellende nederlaag na een heroïsche strijd op de Casselberg de 23e augustus 1328. Temidden deze turbulente dagen wordt keldermeester Alard van Dentergem de nieuwe chef van de proosdij. De manuscripten van de abdij ter Duinen in Koksijde laten uitschemeren dat zijn aanstelling er is gekomen dank zij de invloed van de graaf van Vlaanderen die zich op dat moment in Ieper bevindt. Alard is een jonge en dynamische kerel die nog 35 jaar aan het roer zal blijven.

Afkomstig van een Vlaamse adellijke familie, de heren van Dentergem. Alard wordt voor de eerste keer geciteerd op 28 mei 1327 ter gelegenheid van een compromis die hij en de Ieperse schepenen maken rond de moord op Jacques Scabaille. We zullen de nieuwe proost echter ontmoeten in veel belangrijkere omstandigheden. De Ieperse ambachtslieden hebben zich maar al te zeer gehaast om aan de zijde van Zannekin te staan daar op de heuvels van Cassel waar ze deelachtig waren aan zijn dapperheid maar ook aan zijn ondergang. Overwinnaar Filips van Valois, koning van Frankrijk, is op komst naar Ieper. Wanneer het verbijsterende nieuws van de nederlaag op de Casselberg binnensijpelt in de stad, breekt de revolutie uit.

Het volk keert zich tegen zijn magistraten. Opgehitst door, onder andere, de priester van de Sint-Michielsparochie, besluiten ze hun huid duur te verkopen en zich tot ter dood te verzetten tegen de inname van de stad door de Fransen. Dat is buiten de waard gerekend van de schepenen en de notabelen die de wapens grijpen en de ambachtslieden een lesje leren en hun leiders gevangen te zetten. De pastoor van Sint-Michiel en 16 van zijn kompanen blijven zich met hand en tand verdedigen in een ‘steen’, maar bekopen hun verzet met hun leven wanneer de versterking in brand gestoken wordt en ze met huid en haar verzwolgen worden door de vlammen.

De magistraten en de belangrijkste burgers van de stad, haasten zich als kippen zonder kop om een delegatie te sturen naar de Franse koning die zich nog altijd in Cassel bevindt. Op 28 augustus 1328 krijgen ze een vrijgeleide. Twintig personen onder leiding van de proost van Sint-Maarten reppen zich naar Filips van Valois waar ze zich op hun knieën werpen en hem bedelend verzoeken om de stad vergeving te schenken. De koning gaat in op hun verzoek, maar zal de ambachten hard aanpakken. De koning zal trouwens zijn handen zelf niet vuilmaken aan de vendetta.

Het zijn de Ieperse schepenen zelf die 22 van de belangrijkste oproerkraaiers van de voorbije revolte moeten uitkiezen. Zij zullen de boter moeten opeten voor de rest van de ambachten. Hoe dan ook; Ieper zal zwaar betalen voor haar afvalligheid. Verbanningen, boetes, verbeurdverklaringen zullen de stad aanzienlijk verarmen en voor een decennium in een staat van algemene machteloosheid herschapen. Ook het kapittel krijgt zwaar te lijden onder de onlusten in Vlaanderen. In 1330 richten ze zich, in samenspraak met de pastoor van Reningelst, inderdaad tot graaf Lodewijk van Nevers en zijn raad van Vlaanderen.

Ze dienen een klacht in tegen Arnold van Loker en tegen de heer van Loker die zich met geweld verzetten tegen de heffing van cijnzen op de eigendommen van het kapittel in Loker en Reningelst die zich bevinden binnen de heerlijkheid van Jan van Heule. De 16de juni geeft de graaf opdracht aan zijn baljuw te Veurne om de klacht te onderzoeken en zo nodig komaf te maken met eventuele geweldplegingen en rechtsovertredingen. De mensen zijn niet meer die lamme schaapjes die zich zo maar laten inpakken door de geestelijken die denken dat ze de waarheid in pacht hebben. De kerkelijke tucht is niet meer wat ze geweest is en de politieke mondigheid heeft zijn intrede gedaan.

De heren van Loker durven het aan om het Ieperse kapittel op te zeggen en sturen op hun beurt een klacht naar Terwaan, in casu naar Alard van Dentergem. Op 26 december 1334 geeft Terwaan de opdracht aan de deken van de christelijkheid in Ieper en aan alle priesters en kapelaans dat ze hun proost moeten gelasten de kerk van Sint-Kruis niet langer te laten bedienen door een vreemdeling maar wel door eigen priesters, net zoals dit het geval is bij de diverse parochiekerken van de stad.

Indien ze niet ingaan op de eisen van Terwaan, zullen ze hun inkomsten op de bewuste kerk kwijtspelen. Eén en ander is niet helemaal duidelijk, maar zes maand later, bij monde van brieven van de 22e juni 1335, worden de officiële aanklachten tegen de proost in stelling gebracht. Het houden van een taverne en de wijn te verkopen als een echte herbergier. Hij heeft een tonsuur laten aanbrengen, de kruin laten scheren, bij een jonge kanunnik van Sint-Maarten, zonder dat die vooraf aangebracht werd door een bisschop of een prelaat. Hij heeft eigenhandig straffen opgelegd aan zijn kapelaans terwijl dit recht alleen kan toebehoren aan de hof van Terwaan.

Er is nu blijkbaar ook financieel gesjoemel vastgesteld. Kapelanijen werden niet opgericht ondanks het feit dat er voor betaald werd en hier en daar zijn rentes verdwenen. De laatste aanklacht kennen we al: de Sint-Kruisparochie moest normaal bediend worden door een kanunnik die er woonachtig is, maar hier heeft hij het aangedurfd om een buitenstander die niet eens kanunnik is, de betrekking te geven. De 4de juli mag Alard van Dentergem zich komen verdedigen voor de procureurs. Hij verkoopt helemaal geen wijn zoals een herbergier. Het is juist dat hij hier en daar soms een plezier doet door een vat te verkopen, maar dat gebeurt niet uit winstbejag.

En inderdaad, hij verkoopt de resten van de vaten zodat ze niet verloren gaan. En is dat niet toegelaten misschien? Hij heeft inderdaad een tonsuur laten aanbrengen, maar dat is gebeurd op iemand die al de handenoplegging ondergaan heeft bij de bisschop. ‘So what?’ Hij volgt een gewoonte die al eeuwenlang schering en inslag is, zonder dat er ooit een haan heeft naar gekraaid. Abt Alard beweert helemaal geen straffen te hebben opgelegd aan zijn kapelanen. Hij heeft ze enkel uit hun functie ontzet en geschorst en dat is zijn volste recht. En wat betreft de financiële malversaties en de aanstelling van een leek in Sint-Michiel, schuift hij al die aanklachten van zijn nek en lult hij er op los met heel ingewikkelde redeneringen en onverstaanbare uitleg.

Precies een rechtbank van onze moderne tijden. En blijkbaar krijgt hij warempel nog gelijk ook, want er wordt geen verder gevolg gegeven aan de klachten. De relaties tussen Alard van Dentergem met het hof van Terwaan zullen voortaan op een hoffelijke manier verlopen. Tussen de Ieperse administratie en de proosdij van Sint-Maarten zijn er weinig problemen. Hier en daar een meningsverschil als het gaat over de taksen op wijnen. Dat wel. Het kapittel beweert bij hoog en bij laag dat ze vrijgesteld is van alle accijnzen gezien de immuniteit die ze al eeuwen genieten in en rond de stad. Het stadsbestuur betwist dit niet maar stelt wel dat deze vrijstelling alleen maar geldt voor eigen gebruik. Voor wat de kanunniken zelf opdrinken, bestaat er geen discussie.

Maar er moeten wel accijnzen betaald worden op wat de geestelijken verkopen aan derden. Doorn in het oog van de stadsambtenaren is de kroeg die de kanunniken blijkbaar uitbaten in het klooster van Sint-Maartens zelf.

Het café ‘In De Vrede’ dat de paters van West-Vleteren anno 2013 uitbaten, heeft inderdaad een 14de eeuwse versie te Ieper. Bij de Ieperlingen worden de taverne gemeenzaam ‘het capitel bitael’ genoemd en die bevindt zich binnen de muren van de abdij waar de kanunniken hun familieleden en vrienden van de kerk trakteren op wijn. Nog voor 1815 zal de ruimte trouwens nog getransformeerd worden in een ‘salle de spectacle’.

Het kapittel kan niet anders dan toegeven dat de klacht van het stadsbestuur min of meer gegrond is, en begint nu met ingewikkelde berekeningen hoeveel liter wijn hun eigen mensen wel mogen en kunnen drinken. Op 13 maart 1335 geraken ze er uit. De abdij krijgt voortaan vrijstelling van accijnzen op 35 tonnen van 4 mudden. In het besef dat er in één Vlaamse mud zowat 644 liter wijn kan, zou de vrijstelling dus gaan over jaarlijks 90.000 liter of zowat 250 liter per dag. Een fenomenale hoeveelheid wijn dus die naar hartenlust gedronken, geschonken of verkocht worden. De afrekening van de accijnzen wordt tweejaarlijks uitgevoerd, alles wat boven de 70 tonnen verbruikt wordt, is nu blootgesteld aan taksen. De regeling rond de wijn zal lang in stand blijven en amper gecontesteerd worden.

‘Anno 1336 tNazareth gebaut door Jan Passcharis’ staat er geschreven in de oude Ieperse geschriften. Die Jean Passcharis is de kapelaan van Sinte-Catherine. Het Nazareth verpleeghuis bevindt zich aan het einde van de Rijselstraat, bijna rechtover het verpleeghuis van Broederlam. Het Nazareth komt er voor de opvang van de oude weduwnaars.

Op de kaart van Ieper die Sanderus ooit zal maken, omschrijft hij het gebouw als het ‘gerontocomium’ voor de arme grijsaards. In de cartularia spreken ze in 1345 over de ‘veveurs’ van Sire Jean Passcharis. De voorgevel van het verpleeghuis zal herbouwd worden in 1717 en zal tot aan de eerste wereldoorlog de naam dragen van ‘GASTHUIS VAN ONZE VRAUWE VAN NAZARETH’.

De abdij is in rust verzonken tijdens de periode dat Vlaanderen bestuurd wordt door Jacob van Artevelde. Er is sprake van enkele kleine aanwinsten. De stad leeft terug een beetje op en geniet van een relatieve welstand. Maar er zijn ook kwade dagen wanneer verbitterde Poperingse wevers de nodige moorden en vernielingen plegen. De schrijvers houden het kort over deze historie die nochtans jaren zal aanslepen. Ze besluiten dat de stad van Poperinge zich zal onderwerpen aan de uitspraken van de rechtbank en voortaan zijn of haar leven zal beteren.

De Poperingenaars stellen zich uitermate ootmoedig en vertrouwensvol op ten opzichte van proost Alard van Dentergem, wat toch wel bewijst dat de leider van de Ieperse kerk zich de hele periode door erg discreet heeft opgesteld in de oorlog tussen die van Ieper en Poperinge. De dood van Jacob van Artevelde, vermoord op 17 juli 1345, wordt gevolgd door de dood van Lodewijk van Nevers die op 26 augustus 1346 sneuvelt op het slagveld van Crécy. Zijn zoon Lodewijk van Male doet nog in datzelfde jaar zijn blijde intrede in de goede stad Ieper.

Maar de term ‘blijde’ is ongetwijfeld een understatement want vanaf de dag van zijn aantreden krijgt hij al problemen met zijn onderdanen. In een brief van 28 mei 1347 afkomstig van Brugge, Gent en Ieper, de drie goede steden van Vlaanderen, kunnen we wat meer te weten komen over de rol die de clerus speelt tijdens de perikelen die zich over Vlaanderen in die periode afspelen.

Het interdict, in de volksmond de banvloek, werd op 15 mei over Vlaanderen uitgeroepen door Annibal, de bisschop van Tusculum en door kardinaal Stevin, maar de 22e van de zelfde maand gaat de raad van Vlaanderen in beroep en beslist ze om een beroepsprocedure te starten en zo de paus beter te informeren over de werkelijke toedracht.

Het beroep wordt ondersteund door de Vlaamse clerus die zich helemaal aansluit bij de zienswijze van de raad. De steden tonen zich erkentenisvol tegenover de geestelijken en ze beloven plechtig dat de hele procedure op hun kosten zal gebeuren en dat de abdijen geen cent zullen moeten ophoesten.

De steden beloven dat ze geen akkoorden zullen afsluiten, noch met de koning van Engeland, noch met de Fransen, zonder de geestelijken daarbij vooraf te betrekken en dat ze er alles aan zullen doen dat er geen tienden op de geestelijke eigendommen zullen moeten worden betaald, niet aan Engeland en niet aan Frankrijk, zolang er geen sprake is van een definitieve vrede. Uiteindelijk gaat de wind wat liggen en krijgt de proosdij wat tijd om zich bezig te houden met interne vraagstukken die zich binnen haar eigen organisatie aan het voordoen zijn. Eerst en vooral zijn er de laatste tijd nogal wat problemen met de Minderbroeders in de stad.

Het kapittel eist een vierde van de overlijdensrechten en de begrafenisgelden van allen die op het kerkhof van de broeders wordt begraven. Ze stuiten op een weigering van de Minderbroeders die opwerpen dat de pastoors van Sint-Maarten al hun ding hebben kunnen doen want allen die begraven liggen, hebben een begrafenisplechtigheid gekregen in één van de parochiekerken van de proosdij. Let wel! De belangen die op het spel staan, zijn niet te onderschatten. De mortuariumrechten, in die dagen de ‘funeralia’ genoemd, zijn rechten die bij het overlijden van lokale inwoners toekomen aan de parochiale kerk of aan de parochiepriester.

Voor wat betreft Ieper, is het niet helemaal duidelijk wat die exact bedragen, maar voor andere locaties in Vlaanderen, krijgen we een beter beeld van de funeralia. Een derde of een negende van de meubelen van de afgestorvene, nadat al diens schulden afbetaald werden. Als mensen van de adel sterven, krijgt de kerk zijn of haar beste bed. Wel te verstaan helemaal opgemaakt met het fijnste beddengoed. Op overleden ambachtslieden staat een taks van 30 Doornikse stuivers en voor de ondergeschikten een vierde van dat bedrag. Na het toedienen van de laatste sacramenten, krijgt de pastoor gewoonlijk een voorschot, zonder dat daarbij iets op papier neergeschreven wordt.

En er zijn nogal wat vooraanstaande mensen in Ieper die begraven willen worden in de kloosters en die zich tijdens hun leven nogal vrijgevig hebben opgesteld tegenover de broeders. Uiteindelijk geraken ze uit de discussie tijdens de oktobermaand van 1352. Alard sluit een overeenkomst met broeder Willem, wachtmeester van de Minderbroeders. De lijken van de te begraven mensen dienen verder op de gebruikelijke manier gepresenteerd te worden aan de parochiekerken, maar de broeders mogen niet langer ‘septenaires’ en ‘trentains’, of jaardiensten, organiseren zolang die niet eerst gecelebreerd werden in de parochiekerken.

De strijd om de offerandegelden is gestreden. De zevende en de dertigste dag na het overlijden wordt er eerst en vooral in de kerken een gezongen kerkdienst gehouden, compleet met alles erop en eraan. En als de parochiepriesters al eens toestemming geven om wel een dienst te laten doorgaan, dan eisen ze wel alle offerandegelden op. Een duivelszak geraakt nooit gevuld. De Minderbroeders moeten verder nog één vijfde van de ontvangen begrafenisrechten afstaan aan de proosdij. Zowel in geld als in natura. Als er vreemdelingen overlijden in een Ieperse parochie, geldt dezelfde afspraak, maar dan moet de pastoor wel bewijzen dat de overledene gestorven is in zijn parochie, anders krijgt hij niets. De opbrengsten van aanvullende herdenkingsmissen zijn voortaan volledig voor de Minderbroeders. Ten minste als alle begrafenistaksen correct werden betaald.

Alard van Dentergem realiseert in die periode een aantal belangrijke acquisities. Zo passeert er op 30 juli 1336 een notariële akte in aanwezigheid van de abten van Zonnebeke en van Waasten. In een kamer van de abdij van de Nonnebossen schenkt juffrouw Marie Stiers de rechten van 7 hectare gronden, gelegen in de parochies van Zillebeke en Sint-Jan aan Sint-Maartens. De gronden situeren zich tussen de weg naar Kortrijk en deze van Beaurewaert, ten noorden van de hoeve van Scabaille.

In ruil voor haar schenking krijgt Marie Stiers alles wat ze nodig heeft om goed te leven en zal ze na haar dood eeuwigdurend een jaarmis krijgen in de kerk van Sint-Maarten. De 2de oktober van 1344 schenkt kapelaan en priester Siger Voghel 8 hectare grond aan de kanunniken van de Sint-Maartensproosdij. Weer al een met de belofte van eeuwigdurende herdenkingsmissen voor zichzelf, zijn ouders en zijn vrienden. Verder wil hij betrokken worden bij alle goede werken die het klooster aan het uitvoeren is.

Zowat 8 hectaren grond worden eigendom van Sint-Maartens. 5 hectare grond in de Sint-Jacobsparochie en de rest in Elverdinge. Er is één ‘maar’. Sigher Voghel wil verder het vruchtgebruik van de gronden voor zich en voor Jan Baderel, deken en kanunnik van de Sint-Maartenskerk. Het vruchtgebruik zal eindigen bij de dood van de laatste van het tweetal. De transactie krijgt de goedkeuring van proost Alard.

Die Siger Voghel is blijkbaar geen onbemiddelde figuur. Via een soortgelijke akte schenkt hij voor het hof van Terwaan nog zowat 4 hectare grond in de parochie van Brielen en 2,5 hectare grond in Elverdinge aan de kanunniken van Sint-Maartens. Hier eist hij levenslang een dagelijkse voorziening van logies, voeding en drank van de proosdij. Archivaris Diegerick geeft verdere details wat dergelijke voorziening betekent in de 14de eeuw, meer specifiek voor een kanunnik in het Belle-verpleeghuis. Een kamer voorzien van degelijk beddengoed en linnen.

De (vette) dagen voor Vastenavond een bord met koe- of varkensvlees, of een stuk van elk. Met brood. In de magere dagen zijn dat vier eieren per dag met boter, voldoende bier en soep, vis en vlees, op voorwaarde dat de gemeenschap er binnen heeft gekregen. Zijn eten wordt op de kamer gebracht, zijn bed wordt opgemaakt door de mensen van het verpleeghuis die hem ook zullen verzorgen als hij ziek wordt en die hem eten zullen toedienen als hij dat zelf niet meer kan. Op 3 januari 1346 schenken Philippe Ghime en zijn vrouw Marguerite Griele, allebei burgers van Ieper, de hofstede van Berteloot in Vlamertinge. De transactie gaat door voor de baljuw en voor schepen Philippe van Kemmel. De hoeve omvat 11 hectare landbouwgrond en de volledige inboedel. Aleaume de Witte is schepen in 1351.

Op 10 april van dat jaar schenkt hij 54 stuivers en 9 Parijse denieren als tegenprestatie voor de grafsteen van zijn dochter Marie die begraven ligt in het klooster, dicht bij de kapittelzaal van Sint-Maarten en naast zijn voorouders. De schenking betreft de rechten op een eigendom dat gelegen is in de Elverdingestraat, aan de hoek met het Sint-Niklaasstraatje, een woning die hij zelf acht jaar eerder heeft gekocht. Diezelfde Aleaume schenkt op 2 juni van het daaropvolgende jaar, eeuwigdurend en dat wil wat zeggen, 12 eenheden bier per dag aan Sint-Maarten, bier dat te leveren is aan het Belle-verpleeghuis. In ruil wenst de Witte een al even eeuwigdurende dagmis voor zich of voor wie hij wenst in de kerk van Sint-Maarten.

Aleaume de Witte wil nog veel meer voor zijn centen. Hij wil zelf de geestelijken aanwijzen bij de Karmelieten die de mis zullen opdragen en de aankleding van het altaar bepalen. En als de mis voor een of andere reden niet kan doorgaan, dan gaat het bier voor twee dagen naar het kapittel zelf. De kerkmeesters van Sint-Maarten krijgen op 4 december trouwens nog een extraatje van de schepen: een rente van 41 Parijse centen om er een koster mee te betalen en het nodige materiaal mee te bekostigen om de misvieringen op een degelijke manier te doen. De rente komt van een woning die in de teksten ‘de Sirene’ wordt genoemd, en gelegen is in de Zuidstraat, nu de Rijselstraat. Aan het kruispunt met de Casselstraat.

De 31ste oktober van 1354 schenkt Catherine, de weduwe van Michel de Witte, een rente van zowat 3 ponden op het huis in de Boterstraat dat ze zelf in 1332 hadden aangekocht. Opnieuw staat er een jaarmis ‘à perpétuité’ op te dragen door een kanunnik tegenover en een grafplaats met dito grafsteen in de onmiddellijke nabijheid van de abdij van Sint-Maarten, vlakbij de grafsteen van een zeker Thierri de Baets. Er is sprake van de stichting van een jaarlijkse plechtige ‘memorial’ op de 18de december van het jaar 1354. Een herdenking van Jan de Vroede. De opdracht komt van de uitvoerders van zijn testament, Sohier Devroede, Thierri Capon en opnieuw die Aleaume de Witte.

De memorial heeft nogal wat voeten in de aarde. Mensen toch. De vooravond van de herdenkingsdag stappen de kanunniken door de straten van Ieper met bellen en klingels zoals dit de gewoonte is in de stad als er iets moet worden aangekondigd. De klokken van Sint-Maartens kondigen de nachtwake aan en tijdens de offerande van die wake luiden ze nog maar eens zoals dat de gewoonte is voor overleden mensen van dit kaliber. In het koor staat een grafsteen die bedekt is met een zijden laken waar we vier nieuwe kaarsen zien opduiken die elk zowat 2,5 kilo wegen.

De dag van de memorial is er een gezongen misdienst, de ‘middelmesse’ waar, zoals de gebruiken dat voorschrijven, er tijdens de offerande een portie wijn, vier grote broden en vier pond kaarsen worden geschonken. Elke broederorde, en er zijn er nogal wat in Ieper, is vertegenwoordigd door vier broeders die elk 60 cent krijgen van de kanunniken als een kleine toelage omdat ze zelf elk verplicht zijn om vier misdiensten te houden voor Jan de Vroede. De kanunniken moeten brood bakken uit een korenmaat, een ‘zom’ van 150 kilo en die uitdelen aan de armen op de dag van de memorial. De uitvoerders van het testament van Jan de Vroede vergoeden de gedane kosten van de memorial met de tienden op 10 hectare gronden die voornamelijk liggen in de parochies van Brielen en Sint-Jacobs.

Die eeuwige missen mits betaling, zijn schering en inslag in die dagen. Waar zijn die trouwens gebleven op vandaag? De 1ste maart van 1358 komt er opnieuw zo’n vehikel voor juffrouw Agnes de Rike. Zij zelf kan maar 4 Parijse marken betalen, maar andere godsvruchtige personen leggen bij zodat één en ander eeuwigdurend kan worden georganiseerd. Er wordt overeengekomen dat de mis zal doorgaan in de kerk van Sint-Niklaas tussen de eerste en de derde ‘scelle’ van Sint-Maartens.

De cartularia gaan zo maar verder, meer dan 100 archiefstukken uit de bestuursperiode van Alard van Dentergem, allemaal van weinig belang; aankopen van rechten, onteigeningen, ruiltransacties en allerhande andere regelingen. Rond 1357 rijzen er grote meningsverschillen tussen de kanunniken en het machtige broederschap van de gilde van Sint-Niklaas. De gilde heeft een kapel gebouwd in de Boezingestraat naast een soort infirmerie en gasthuis voor hun zieke leden. Op 6 oktober 1357 hebben ze toelating ontvangen van paus Innocentius VI om er 2 kapelanijen te stichten met de nodige huisvesting voor kapelanen.

Zo kunnen er misdiensten worden opgedragen en kunnen de sacramenten toegediend worden aan de mensen die in het verpleeghuis verblijven en mogen ze ook hier begraven worden. De voorgeschiedenis uit de ‘Rubrum files’ kennende, kan je zo zien dat de kanunniken van Sint-Maarten niet akkoord zullen gaan met de plannen van de gilde van Sint-Niklaas. Het privilege is naar verluidt van nulwaarde omdat deze enkel kon bekomen worden door de waarheid te verzwijgen en gaat totaal in tegen de eigen privileges en rechten van de Sint-Maartensproosdij. De Ieperse procureur en schepenen beseffen dat de hele discussie de verkeerde kant uitgaat en ze willen kost wat kost schandalen en processen vermijden.

Ze stellen voor om zich als onderhandelaar tussen de partijen te plaatsen, wat ook aanvaard wordt. Op 6 december 1358 komen ze met een evenwichtig voorstel op de proppen. De abdij zal de nieuwe kapel goedkeuren en inzegenen. Het broederschap zal een grote klok laten luiden en een kleine klok die ze ‘scelle’ noemen. Ze krijgen precies één altaar waar ze twee stille misvieringen mogen organiseren. Eén uur vroeger dan de eerste mis bij Sint-Maartens en een tweede na de laatste diensten van de abdij. De zon- en feestdagen mogen ze twee gezongen missen houden met alles erop en eraan.

Maar het zijn enkel de twee kapelaans en de koster die hiervoor de autoriteit krijgen, of eventueel een plaatsvervanger. Ze krijgen de kans om op 3 speciale feestdagen per jaar een gezongen en plechtige misviering te houden voor alle leden van hun broederschap, op het uur dat ze wensen. De genoten van het broederschap mogen de eerste kapelaans van hun keuze voorstellen aan de bisschop die ze natuurlijk nog dient goed te keuren. Ten minste dat mogen ze de eerste keer. Daarna is dat recht enkel voorbehouden aan de proost van Sint-Maartens. De keuze van de koster ligt in ieder geval altijd bij de proost. Die zal trouwens functioneren op kosten van de gilde.

Alle offerandes, in de kapel of in de handen van de kapelaans, zijn voor de abdij. De giften worden gepreciseerd: geld, zilver, kaarsen, was, brood en wijn. De rest wordt gelijk verdeeld onder de gilde en de abdij. De kapelaans mogen de biecht horen bij de zieken van het verpleeghuis en mogen de laatste sacramenten toedienen indien ze niet meer in de mogelijkheid zijn om ontvangen te worden in de parochiekerken. De gilde krijgt geen eigen begraafplaats en er zullen geen uitvaartdiensten of herdenkingsmissen worden georganiseerd in de kapel.

Ze moet trouwens volledig en vrijwillig verzaken aan alle privileges die ze gekregen hebben van de paus. Elke inbreuk zal voortaan bestraft worden met een geldsom. Er volgen nog meer details die aantonen dat deze regeling beduidend complexer is dan wat de proosdij vroeger gewoon was. Op 4 januari 1359 kan de regeling van start gaan nadat alle partijen er hun goedkeuring aan hebben gegeven.

Tijdens de laatste jaren van Alard van Dentergem wordt Ieper weer het toneel van onrust en rellen. De commotie en de volksopstanden zijn schering en inslag geworden en nemen stilaan gewelddadige en wrede vormen aan. De 26ste juli van 1359 komt graaf Lodewijk van Male naar Ieper. De volders en de wevers maken van de gelegenheid gebruik om er op een tumultueuze manier hun eisen uit te schreeuwen. Ze willen de stadswetten terug die werden ingevoerd ten tijde van Artevelde. De graaf beseft dat de toestand precair is in Ieper en laat veiligheidshalve zijn dochter, de jonge hertogin, vertrekken van de stad.

Tijdens de nacht die daarop volgt, verkiest hij ook zelf met stille trom te vertrekken. Vanaf dat moment is het gemeen aan de macht. Daags na Hemelvaartsdag nemen de ambachtslieden alle magistraten gevangen en nu begint een spel van afpersing. Niemand komt vrij zonder eerst aanzienlijke sommen losgeld te betalen. Twee weken lang blijven de ambachtslieden met hun wapens de markt bezetten. De 27ste augustus vermoorden ze procureur George Belle op bloedige wijze en sleuren ze enkele vooraanstaanden vanuit hun cel naar de Grote Markt waar ze in stukken worden gehakt. De 4de oktober worden de schepenen Jan van Dixmude en Jan Stassin onthoofd.

Net zoals trouwens Jan van Douai, de klerk van de stad. Op de dag van Sint-Maarten, 11 november 1359, wordt de gevangenis van de baljuw geforceerd en worden de vrijgelaten gevangenen uit Ieper verjaagd. Rond Pinksteren van het jaar 1361 is de revolutie nog altijd aan de gang. De massa grijpt de recent aangekomen nieuwe baljuw Jan de Prisenaere bij de lurven en onderwerpt hem aan de meest ruige foltering. Twee weken later werpen ze de stakker door de ramen van het belfort en wordt hij ostentatief verder in stukken gehakt op de marktplaats.

Pieter de Jonghe verdwijnt eveneens in stukken vaneen en de broer van de baljuw verliest er letterlijk het hoofd bij. Op 24 augustus komt de heer van Diksmuide aan met de grafelijke troepen met de bedoeling om orde op zaken te stellen. Maar hij geraakt zo maar de stadsmuren niet binnen. Voor zijn ogen worden vier van zijn soldaten gelyncht. Hij slaagt er toch in om de stad binnen te breken en de weerstand van de ambachten te breken. De 31ste augustus, die van Diksmuide heeft het vuile werk opgeknapt, komt Lodewijk van Male terug naar Ieper.

Het is een moorddadige zomer geweest. Hij is bereid om de lokale gemeenschap vergiffenis te schenken op voorwaarde dat de aanstokers van de revolutie op een passende manier kunnen worden gestraft. Het lijkt er sterk op dat de kanunniken tijdens deze woelige periode van onheil niet belaagd werden door de meute. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de wijsheid en de voorzichtigheid van hun proost. Alard wordt nog een laatste keer vernoemd op 12 augustus 1361.

Op 26 oktober overlijdt de proost na een periode van leiderschap van ongeveer 35 jaar. Geen enkele proost heeft het zo lang uitgehouden, zelfs proost Hugo in vroegere dagen, met wie Alard zoveel gelijkenis vertoonde. Hij is er in geslaagd om de proosdij met waardigheid te besturen en de rechten van de abdij in deze turbulente tijden te hebben gevrijwaard.

23. Denis Paelding (1361-1383). Denis Paelding behoort tot een steenrijke en vooraanstaande familie van lakenwevers die zich in het verleden regelmatig verbonden heeft met telgen van de machtigste huizen. Vanaf 1238 zijn de Paeldings bijna ononderbroken terug te vinden in het stadsbestuur waar ze de belangrijkste posten hebben bezet. François Paelding, een man met een indrukwekkende staat van dienst, heeft het tussen 1354 en 1372 geschopt tot proost van de abdij voor Voormezele. De vader van Denis heet André en de nieuwe proost heeft trouwens een broer die eigenaardig genoeg dezelfde naam draagt. Zijn neef André leeft al sinds zijn dertiende in de abdij van Sint-Maarten en zal samen met zijn oom, de proost, een hevige verdediger van de stad blijken, als die tijdens het beleg van de Engelsen en de Gentenaars maandenlang onder vuur zal komen te liggen.

Maar zover zijn we nog niet. Het feest van de installatie van proost Denis vindt plaats in de meimaand van 1362. Van het stadsbestuur krijgt hij drie vaten excellente wijn. Dat kunnen we afleiden uit de prijs van 50 pond. Na enkele macabere jaren wordt de stad weer onder controle gehouden door de troepen van de graaf en zijn de Ieperse moordenaars berecht voor hun wandaden. Ieper geniet nu van een lange periode van rust. Het kapittel zelf krijgt problemen met haar tienden in Langemark. Meer bepaald met Jan Battin en zijn vrouw, juffrouw Catherine die de weduwe is van Boudewijn Scelewen.

Ze hebben een leen in pacht van de graaf van Vlaanderen, waarop Sint-Maartens meent recht te hebben op enkele tienden. De baljuw en de wetheren van Ieper-Ambacht vaardigen drie personen af om de zaak te onderzoeken en de partijen geven aan dat ze hun bevindingen zullen respecteren. Na gesprekken met ouderlingen en mensen van goede wil uit de regio, komen ze tot de vaststelling dat de proosdij het gelijk aan zijn kant heeft. Een zekere Jan Minne, burger van Ieper, heeft een eeuwigdurende rente van 45 Parijse ponden gekocht aan Ysore van den Broucke en zijn vrouw Marie. De rente behelst eigendommen in Hoogstade.

Jan van Amman gaat in beroep tegen de transactie. Hij claimt dat hij die rente al eerder in zijn bezit heeft gekregen via de ouders van Ysore van den Broucke. Jan Minne wordt nu op zijn beurt gedagvaard door de baljuw van Veurne en zijn procureur (zijn ‘crichouder’). Hij moet zich voor de schepenen van Veurne komen verantwoorden waarom hij die eigendommen in Hoogstade gekocht heeft aan Ysore van den Broucke, keurbroeder in Veurnambacht en wat volgens de reglementen van de kasselrij verboden is. De procureur wijst er op dat de transactie frauduleus is en schade heeft toegebracht aan de eigendommen van de graaf van Vlaanderen. Hij eist confiscatie van de rechten en krijgt zijn zin als de 14 schepenen Jan Minne op 22 maart 1369 bij verstek veroordelen.

Enkele maanden later versast Lodewijk van Male deze rente naar de kerk van Sint-Maarten om er een eeuwigdurende herdenking te houden voor zijn voorgangers Robrecht van Bethune (die hier begraven ligt), en Lodewijk van Nevers. De helft van het geld mag besteed worden op de verjaardag van Robrecht, misdiensten op de vooravond en een plechtige mis op de dag zelf. Er wordt een kleine toelage voorzien voor de geestelijken die de plechtigheid voordragen. De andere helft gaat naar een herdenking van de eveneens lang overleden graaf Lodewijk van Nevers. Zijn opvolger.

In 1370 wordt er gebouwd aan de toren van de Sint-Maartenskerk. Om de kosten enigszins te recupereren, schrappen de voogd en het schepencollege op 2 augustus voor twee jaar alle boetes die de geestelijken moeten betalen aan de stad Ieper. Het is niet bekend of die boetes ook te maken hebben met bijvoorbeeld de taksen. De cartularia brengen trouwens ook niets aan het daglicht over de periode tussen 18 maart 1379 en 20 januari 1385 en dat mag zonder twijfel toegeschreven worden aan de ernstige gebeurtenissen die zich tijdens die jaren afspelen in de stad. In 1378 zien we in Vlaanderen een nieuwe burgeroorlog ontstaan.

Alles heeft te maken met de nieuwe belastingen die Lodewijk van Male aankondigt en dat allemaal om zijn zotte kosten en zijn perverse uitgaven te dekken. De mistevredenheid die eerst uitbreekt in Gent, zal snel zijn toegang vinden in Brugge en Ieper waar bisschop Pieter van Orgemont op 20 april van 1379 toch nog op bezoek kan komen. In de meimaand van 1380 zou dat niet meer mogelijk geweest zijn. De opruiing van het volk heeft geleid tot een open oorlog binnen de stad en een algemene publieke ongehoorzaamheid en anarchie.

De kanunniken en de andere geestelijken voelen die aan den lijve. De oproerkraaiers leveren binnen de stadsmuren slag met de medestanders van de graaf en als ze hier mee klaar zijn, roepen ze de Gentenaars die op hun beurt grote plunderingen en verwoestingen aanrichten in Ieper en in het Westkwartier.

De 29ste december van 1380 herwint de graaf opnieuw de controle over de stad. Op 1 februari 1382 valt de stad opnieuw ten prooi aan de revolutionairen die op 7 mei op hun beurt verslagen worden door de goede burgers en de notabelen van de stad die hen verplichten om af te druipen. Maar dat belet Filip van Artevelde niet om op 24 mei Ieper binnen te vallen en zijn woede te koelen op elke partij die zich vijandig opstelt tegen zichzelf en zijn medestanders. Zijn vrijheidstrijders gaan trouwens nog een stuk verder. Ze pakken de priesters en geestelijken aan omdat die in hun preken aansturen op gehoorzaamheid tegenover de graaf en zich openlijk uitspreken tegen de excessen van de revolutie.

Aanvankelijk is er nog geen sprake van fysieke geweldplegingen, maar de oproerkraaiers profiteren volop van twee opeenvolgende aardbevingen die zich onverwacht voordoen in de stad en die grote schade berokkenen aan de huizen. De aardbevingen hebben de bevolking de stuipen op het lijf gejaagd. ‘Het is verdorie de schuld van de priesters’ roepen enkele oproerkraaiers. Hekserij. Ze hebben God om een straf gevraagd en hebben ons zware schade toegebracht via die aardbevingen. Het volk, in zijn lichtgelovigheid en zijn onwetendheid, volgt zonder meer die stelling van hekserij en zet 5 geestelijken gevangen. Kanunnik en deken Gui Hildebrand van Sint-Maartens, Jan Rovers, wachtmeester van de Minderbroers (de Kapucijnen), de prior van de Augustijnen en 2 Predikheren.

Ze worden op 8 november onthoofd. We staan op een dag of twintig voor de slag van Westrozebeke, een alles beslissende dag, die nu wel erg dichtbij komt. De koning van Frankrijk is op komst naar Vlaanderen om de autoriteit van de graaf te herstellen. Schrijvers Feys & Nelis vatten het heel erg kort samen. Op 18 november zijn de Fransen heelhuids over de verdedigingslijn van de Leie geraakt en ze staan nu al in Komen.

Van daar gaat het naar Zillebekevijver waar ze hun kamp opslaan en het bezoek krijgen van een Ieperse delegatie onder leiding van de proost van de abdij van Voormezele. De proost is vergezeld van 12 Ieperse notabelen. Samen bieden ze de koning de sleutels van de stad aan en nodigen ze hem uit om Ieper in te nemen. De jonge koning blijft vijf dagen en besluit dan om op te rukken naar Brugge. Filip van Artevelde wil de Fransen de doorgang beletten en sterft zijn dood in Westrozebeke nadat hij op 27 november 1382 samen met de hoop en de verzuchtingen van Vlaamse steden ten onder is gegaan tegen de Franse overmacht.

De schrijvers van de cartularia blijven in 1884 even stilstaan bij de fatale veldslag. Er zijn nu 5 eeuwen voorbijgegaan en ze stappen niet zonder de nodige emotie over de heuvelruggen van het dorp Westrozebeke, op zoek naar sporen van 1382. Maar buiten één bordje boven een cafeetje met het opschrift ‘In de Philippe van Artevelde’, is er niets meer terug te vinden. Vanaf dit moment valt Ieper weer in zijn normale plooi. De stad wordt nu bestuurd door mannetjes van de graaf die er erg op hun hoede voor zijn om nieuwe avonturen aan te gaan.

Maar de Gentenaars hebben hun troeven nog niet allemaal uitgespeeld en trekken weer te velde waar ze in mei 1383 de hulp krijgen van een omvangrijk Engels leger onder leiding van Henri Spencer, de bisschop van Norwich, die in Vlaanderen grote kuis wil houden onder het mom van een kruistocht voor paus Urbanus. De Engelsen maken zich in geen tijd meester van het Westkwartier. Op 9 juni 1383 worden ze gesignaleerd in de buurt van Ieper, waar ook de Gentse legers toestromen. De schrijvers laten de gebeurtenissen van het beleg van Ieper achterwege. Anderen hebben het voldoende gehad over de heldhaftigheid van de Ieperlingen en over hun gedenkwaardige overwinning.

De herinnering aan de strijd, zal met het verstrijken van de jaren wel wat gekleurder zijn geworden. Dat vermoeden ze in elk geval. Feys & Nelis beperken zich tot de voor de proosdij relevante gebeurtenissen. Proost Denis Paelding wordt al van bij het prille begin van het beleg gevangen genomen door de vijanden. Namelijk bij zijn terugkomst van een synode in Terwaan de 12de juni. Er komt heel wat losgeld bij te pas vooraleer de Engelsen bereid zijn de proost uit te leveren aan zijn kanunniken.

Een van de moedigste verdedigers van de stad is zeker André Paelding, de 33-jarige neef van Denis Paelding die de jongeman al 20 jaar in de abdij onder zijn hoede heeft. De kanunniken beleven het beleg van Ieper actief mee en laten niet na om de inwoners aan te moedigen bij hun verdedigingswerk. Op een bepaald moment worden ze zelf aangeduid om te gaan praten met bisschop Spencer die hen vervloekt in naam van zijn paus, maar de Ieperlingen, in casu kanunnik Christoffel van Dixmude, laten zich niet van de wijs brengen.

Tot de 8ste augustus volgt er een verschrikkelijke belegering, maar bij de komst van het Franse leger, houden de Engelsen en de Gentenaars het voor bekeken. Het beleg heeft 9 weken geduurd. Denis Paelding heeft nog de troost gehad van zijn stad bevrijd te zien, maar hij zal niet lang meer leven. De 15de september overlijdt hij, in januari 1384 gevolgd door Lodewijk van Male waardoor Vlaanderen in handen valt van het machtige huis van Bourgondië. Het beleg heeft een definitief einde gemaakt aan de commerciële en industriële welvaart van de ‘goede’ stad Ieper. De teleurgang is trouwens al veel vroeger aan de gang.

De emigratie van Vlaamse wevers naar Engeland is al begonnen sinds 1331 en zal nog een volle eeuw aanhouden. Met daar nog bij die ongelukkige oorlog tussen de graaf en de vereniging van Vlaamse steden, waar de wevers van Ieper ook al bij betrokken waren. Tijdens het beleg van de stad zijn al de buitenwijken totaal verwoest en in brand gestoken. De plekken waar eens vele tienduizenden arbeiders woonden, zijn zo goed als met de grond gelijk gemaakt.

De schepenen weigeren een heropbouw van de buitengordel en dat zal ongetwijfeld in samenspraak zijn met de graaf, want samen hebben ze nogal wat eitjes te pellen met het gemeen van buiten de stadsmuren dat het zo vaak te bont heeft gemaakt. De geestelijken die in diezelfde buitenwijken woonden, zien hun kloosters en abdijen verwoest en ze zoeken nu een toevluchtsoord binnen de stad zelf.

De komst van het huis van Bourgondië brengt geen verandering aan in deze trieste situatie. De opeenvolgende graven introduceren een nieuwe manier van bestuur dat centralistisch mag genoemd worden. Net zoals dat in Frankrijk het geval was. ‘Een Franse luxe’ noemen ze het zelf. Voor Vlaanderen zal het luxe en misère worden. Te midden van deze geforceerde rust, gaat het leven in de proosdij verder. Bekwame en geschoolde mannen herstellen de schade en handhaven zo goed en zo kwaad mogelijk hun eeuwenoude manier van leven die al met al relatief welvarend mag blijven genoemd worden. Ze blijft energiek haar privileges verdedigen die van alle kanten aangevallen worden.

24. Jan IV (1383-1388). Sanderus en de schrijvers van de ‘Gallia Christiana’ vermelden de man niet eens, maar toch zijn er twee stukken die naar de nieuwe proost verwijzen. Uit welk gat hij vandaan komt, weten ook de schrijvers van de cartularia niet. Ze weten wel dat de stad hun nieuwe kerkleider in stijl ontvangt en hem 2 vaten wijn aanbiedt die de stadskas in deze barre tijden 162 pond kost. Enkele maanden na de dood van Lodewijk van Male, doen zijn opvolger Filips de Stoute en zijn echtgenote Margaretha van Male hun blijde intrede in de stad Ieper. Dit gebeurt op 24 april van het jaar 1384, de tweede zondag na Pasen. De ontvangst is schitterend. ‘Splendide’. Vooraleer zich aan te melden bij de lakenhalle, trekt de grafelijke delegatie in stoet naar de kerk van Sint-Maarten waar de graaf en gravin ontvangen worden door de proost die bijgestaan wordt door zijn kanunniken.

Na een gebed in het koor, schenken ze twee goudkleurige lakens en een som van 30 pond. Waarschijnlijk neemt het grafelijk echtpaar zijn intrek in een appartement in de abdij van Sint-Maarten, zoals hun voorgangers dat pleegden te doen. Filips de Stoute en zijn echtgenote kunnen met eigen ogen vaststellen in welke trieste toestand de stad zich bevindt. De ruïnes staan er nog. De schade door de vernielingen is nog volop zichtbaar. Ze ondervinden aan den lijve in welke vervelende toestand de abdij zich bevindt en ze vertrekken niet zonder de proost een hart onder de riem te steken en hem alle mogelijke steun toe te zeggen.

Een getuigenis van 29 juli 1385 geeft nog betere inzichten in welke ellendige situatie de kanunniken zich eigenlijk wel bevinden na het desastreuze beleg van de stad twee jaar geleden. Zonder de hulp van de inwoners dreigen ze onderuit te gaan. Het kapittel engageert zich noodgedwongen om te eeuwigen dage de ‘Salve Regina’ te zingen voor de weldoeners van de abdij. Ze zetten het zelf op papier. Tijdens de lange oorlogen die Vlaanderen hebben geteisterd en vooral tijdens het beleg dat negen weken lang heeft gewoekerd, is de abdij tot aan de rand van de afgrond gebracht. Het is zo erg dat de geestelijken niet eens meer voldoende middelen hebben om van te leven. Zonder de hulp van de voogd, de schepenen en zo veel devote burgers, zouden ze er niet zijn uit geraakt.

De kanunniken tonen zich heel erkentelijk voor de hulp die ze mochten ontvangen en beloven om voor altijd, de zaterdag na de vespers, de grote klok te laten luiden om dan achteraf tussen het koor en het schip van de kerk ten processie te gaan en te zingen voor Jezus Christus, de Maagd en al de heiligen. De Salve Regina van de eerste noot tot de laatste. In geval van verzuim of slordigheid, onderwerpen de geestelijken zich aan het hof van Terwaan die hen eventueel mag schorsen of excommuniceren als ze hun belofte niet houden. Ze bieden hun eigendommen aan als borg, en heel speciaal 92 Parijse ponden aan inkomsten afkomstig van de stad Ieper, opzij te zetten. Elke keer dat ze hun belofte verbreken, zullen ze 4 pond hiervan besteden aan goede werken.

In Ieper geraakt alles stilaan zowat in zijn plooi. De voorbije jaren hebben de kanunniken echter vergeefse moeite moeten doen om aan hun gebruikelijke inkomsten te raken. De mensen bezitten niets meer, hoe kunnen ze dan nog betalen aan de pastoors? Begin 1385 vindt de ontvanger van Sint-Maartens, Jan Dining, het welletjes en beslist hij om allen die schulden hebben aan de proosdij te laten vervolgen voor het schepencollege en het Zaalhof dat de kasselrij van Ieper bestuurt. De Ieperse schepenen gunnen de abdij een twintigtal bebouwde percelen waar ze zelf de grondlasten van konden incasseren en twee gehypothekeerde woningen die aangeslagen waren wegens niet betaalde schulden.

Van het Zaalhof krijgen de geestelijken voor enkele jaren het vruchtgebruik van twee stukken grond te Boezinge waarvan de eeuwigdurende rente de voorbije 6 of 7 jaren niet betaald werd. Een zekere Ysore van den Brouke betaalt ook al jaren de jaarlijkse rente van 15 pond niet meer, een bedrag dat ze op de verjaardag van de graven moet overmaken aan de proosdij. ‘Het is de schuld van de oorlogen’, zegt ze, maar de kanunniken laten ook dat niet langer aan hun neus voorbijgaan.

Ze roepen de hulp in van Filips de Stoute die op 20 januari 1386 op bezoek komt in Ieper en daar het bevel geeft aan de baljuw en de wet in Veurne te verplichten om Ysore of aan anderen om hun engagement ten opzichte van de proosdij na te komen. Gravin Margaretha van Male toont eveneens haar goede wil voor de abdij die elk jaar 20 denieren per hectare moet betalen aan de graaf voor gronden die ze in het bezit heeft gekregen in de stad en de kasselrij van Ieper. Veel van die gronden zijn echter onbruikbaar geworden en liggen er nog altijd braak en onbewerkbaar bij.

De geestelijken beweren dat ze onmogelijk die rentes kunnen betalen zonder daarbij de kerkschatten te hypothekeren. Op 22 maart van 1387, laat de gravin de betalingen voor de jaren 1385 en 1386 vallen. Een geschenk van 90 Parijse ponden. Jan van den Spikere, een dokter die in de Zuudstraete woont, krijgt al sinds 1357 een jaarlijkse toelage van 40 pond. Hij en zijn vrouw Agatha vragen de deken en de procureurs van de gilde van Onze-Lieve-Vrouw om op 13 februari 1385 om voortaan een jaarlijkse herdenkingsmis voor hen beiden te organiseren.

Een misdienst in het koor van Sint-Maarten. De regeling wordt mee goedgekeurd door de schepenen. Na de dood van Jan van den Spikere of van zijn echtgenote, zal de gilde een jaarlijkse herdenkingsdienst houden met inbegrip van een nachtwake, rouwgebeden en een requiem. De gezongen nachtwake is voorzien op de vooravond van palmzondag. Tien keurbroeders van de gilde zullen de rouwliederen zingen en krijgen hiervoor elk 2 stuivers. De gilde zal 30 stuivers voorzien voor de kanunniken en zal instaan voor de kaarsen, het brood en de wijn voor de offerande en voor 12 denieren voor de diakens.

De armen van de stad krijgen jaarlijks brood van de beste kwaliteit. In die tijd wordt het beste brood omschreven als een ‘platte foach’. Zo’n foach is één derde kleiner dan een tarwebrood of een plattebrood maar bevat nochtans evenveel gemalen bloem. De gilde waarborgt de betaling van alle kosten met een borg op een huis in de Boezingestraat. Tijdens de ambtsperiode van deze proost, krijgt Ieper nog meerdere belangrijke bezoekers over de vloer. Zo komen op 16 oktober 1386 de hertogen van Berry en van Bourbon, de ooms van de Franse koning Charles VI naar de stad. De volgende dag is het de jonge koning zelf. Jan IV sterft in 1388 en wordt opgevolgd door Christophe van Dixmude.

25. Christophe van Dixmude (1388-1397). De nieuwe is er opnieuw een van standing en komt uit een schepenfamilie van het zuiverste bloed. De zoon van Denis van Dixmude en Catherine Paelding en bijgevolg dus de neef van de in 1383 overleden proost Denis Paelding, de man die hij vergezelde om te onderhandelen met die bisschop Spencer tijdens het beleg van Ieper.

Een van de eerste obstakels die hij voor de voeten geworpen krijgt, is een dispuut van de Karmelieten die zich blijkbaar van langs om minder aantrekken van de autoriteit van de Sint-Maartensproosdij. Hun klooster is verwoest tijdens de oorlog en ze werden gedwongen om een woning te betrekken binnen de stadsmuren. Meer bepaald in de Hondenstraat, nu natuurlijk D’Hondtstraat, in de parochie van Sint-Jacobs. De woning wordt omschreven als die van Nicolas van Belle. De Karmelieten willen de woning slopen en er een kerkje optrekken met alles er op en eraan zodat er een volwaardige kloostergemeenschap kan wonen, werken en bidden.

Ze krijgen van de hogepriester van de Karmelieten hiervoor de toelating die natuurlijk frontaal ingaat tegen de rechten en de privileges van Sint-Maartens en meer bepaald tegen de regeling van 27 april van het jaar 1265. De kanunniken verzetten zich zoals we dit van hen gewoon zijn en de Karmelieten doen een beroep op de Heilige Stoel. Op 24 maart 1389 komen ze tot een overeenkomst. De Karmelieten mogen hun kerk aanbouwen aan de noordkant van de Sint-Jacobskerk die ze ‘Onderlat’ noemen.

Ze mogen er hun onderdak en kloosterinfrastructuur bouwen op voorwaarde dat ze geen inbreuken zullen doen aan de werking en de rechten van de parochiale kerk en de lokale parochianen zelf. De Karmelieten krijgen de toelating om hun eigen mensen te begraven in hun kerk. Of vreemdelingen. Op voorwaarde dat ze een vierde van de inkomsten afstaan aan de proosdij. Voor de rest moeten ze zich houden aan de regelingen die met de 3 andere kloosterorden zijn afgesproken.

De materiële toestand van de zijn abdij blijft het grootste zorgenkind voor proost Christophe. Er valt nog heel wat schade te herstellen. Veel verliezen moeten nog worden goedgemaakt. Op 10 maart 1389 krijgen ze een schenking van Margaretha, de moeder van een van de kanunniken en de weduwe van Eustache van Bets. De abdij krijgt de ‘Scaetshoeve’, een boerderij met 5 hectare grond in Boezinge. De abten van Voormezele en Zonnebeke zijn getuige van de transactie die verder nog gewaarborgd wordt door een pand van 36 pond voor het geval een van haar erfgenamen de schenking zou aanvechten.

De ontvangers van de proosdij, Jan de Peckelare en Jan Dining, gaan verder met de recuperatie van de gemiste inkomsten en slagen er in om de hand te leggen op een dozijn kleine woningen in de stad. Met de hulp van de ‘Zael’, krijgen ze voor vrij lange tijd opnieuw het vruchtgebruik over gronden in de parochies van Langemark en Sint-Jan. En er is ook sprake van de gronden van een zekere Jan van Reninge. Er zijn twee zaken die Jan van den Hille, de econoom van de abdij, voor zijn eigen rekening neemt.

Het kapittel bezit een rente van 3 zakken haver op 7 hectare grond van een leen in Passendale, dat beboerd wordt door Margaretha, de dochter van wijlen Lodewijk, bastaard van Lichtervelde, en haar man Willem van der Beerst. Het echtpaar heeft het nu al 15 jaar vertikt om ook maar één kilo haver te leveren aan de proosdij en dat mag nu maar eens afgelopen zijn! Ze worden voor de baljuw gedaagd en ook de mannen van het leen van Wautier van Moorslede worden gedagvaard als medeleenhouders. Ze dagen allemaal op en erkennen de schuld.

Ze merken op dat de lange oorlogen in Vlaanderen het onmogelijk gemaakt hebben om inkomsten te genereren op hun gronden en dat de graaf van Vlaanderen en andere heren zowat over heel Vlaanderen kortingen en uitstel van betaling geven aan pachters die zich in de zelfde situatie bevinden. Is het dan niet mogelijk dat de Ieperse abdij ook dergelijke steunmaatregelen treft? Keldermeester Jan van den Hille laat zich inpakken door hun argumenten en stelt zich tevreden met de haver van 3 hele jaren in plaats van 15.

Hij laat de rechtszaak vallen, maar vermeldt er tot slot nog bij dat dit geen enkele waarborg voor de toekomst inhoudt. De regeling wordt op 25 mei 1394 genoteerd voor het hof van Moorslede. Jan van den Hille trekt eveneens naar de schepenen van Lodewijk de Haze, de bastaard van Vlaanderen, heel specifiek naar Elverdinge en Vlamertinge waar hij op 7 juni 1394 de hand kan leggen op 4 hectare grond in Vlamertinge met een rente van 9 rasieren haver en 4 kippen, vergoedingen die al 17 jaar lang niet meer werden betaald aan het kapittel. Graaf en hertog van Bourgondië Filips de Stoute en Margaretha van Male tonen eveneens alle begrip voor de verliezen en de schade die de abdij geleden heeft door de oorlog die de Engelsen op Vlaams grondgebied hebben uitgevochten.

De volledige vernietiging van de Ieperse buitenwijken tijdens het beleg van 1383 heeft gezorgd voor een verlies van 1.000 ponden aan rente. In februari en april van 1392 bevestigt het grafelijk echtpaar de volle eigendom en rechten die de abdij sinds 40 jaar bezit in Vlaanderen en Artesië. Ze krijgen een vrijstelling van betaling van 300 ponden voor de gronden die ze voor de graaf in leen houden. De hertog profiteert enkele jaren later volop van de goodwill die hij heeft opgebouwd met zijn abdijen in Vlaanderen. In 1394 wil hij een expeditieleger naar Hongarije sturen om er te vechten tegen de Saracenen en er het christendom te verdedigen.

‘Kan de kerk een bijdrage leveren in de kosten?’ Dat is de vraag die Filips stelt in februari 1393 als hij komt logeren in de abdij van Sint-Maartens. Ondanks de povere toestand van de Ieperse kerk, staan ze hem een bedrag toe van 500 pond, een bedrag dat in 2 keer zal worden uitbetaald. In september 1394 komt Margaretha van Male nog eens naar Ieper. Ze wordt vergezeld door haar zoon Jan van Nevers die later bekend zal geraken als Jan zonder Vrees, de toekomstige graaf van Vlaanderen. Een jaar later zal Jan ook ten strijde trekken tegen de ongelovigen waar hij op 25 september 1396 flink tegen de lamp zal lopen met een fikse nederlaag en een gevangenname in Nicopolis.

Na de betaling van een pak losgeld komt de jongeman op paasmaandag 1398 terug naar Ieper waar de kanunniken nog hun deel van die som, 180 pond, mogen afdokken. Die laatste komst van de graaf in spe naar Ieper, zal Christophe van Dixmude niet meer meemaken. Vermoedelijk is hij overleden tijdens het jaar 1397. De nieuwe proost Willem III Peel is nu aan zet. Met hem duiken we, in latere geschriften de 15de eeuw binnen! De proosdij van Sint-Maartens heeft de forse branding van de desastreuze jaren 1300 met vallen en opstaan overleefd.