Ave Maria

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     216 Views     Leave your thoughts  

Rond de jaren 800 bevestigt Karel de Grote, de grote heerser over Europa, dat de ‘Regula Benedicti’ de enige kloosterregel zal zijn in zijn rijk. Zo ontstaat in 910 als eerste het klooster van Cluny die op zijn beurt er voor zorgt dat Cîteaux in 1098, dank zij het toedoen van een groep witte monniken, het levenslicht ziet. Tot zover een stuk geschiedenis. Maar wat houdt die harde en bittere regel eigenlijk in? In plaats van zonde en hoogmoed komt er een ootmoedig leven van gehoorzaamheid en het zichzelf wegcijferen om terug te keren tot de essentie van het leven. Of zoals Benedictus het omschrijft: alles hier beneden moet geprepareerd worden om de latere terugkeer naar God te vergemakkelijken. Desideratus heeft het over de roemrijke geschiedenis van een heel geslacht heiligen daar in Cluny en later in het nieuwe klooster van Molesmes, maar hij geeft in dezelfde zinnen ook aan dat het allemaal niet van een leien dakje loopt daar in dat klooster en dat die strakke regel in de praktijk met de voeten wordt getreden. Het vlees van de mens is natuurlijk onweerstaanbaar zwak.

Waarom anders zou Cîteaux zich van de ‘moerbrank’ afscheiden om de ‘Regel’ in zijn oorspronkelijke strengheid te kunnen beleven? Op 21 maart 1098 trappen eenentwintig monniken, onder leiding van een zekere Robertus, een Bourgondische edelman, het af daar in Molesmes. Ze hebben de gouden en zilveren bekers en borden gepikt, het heilig vaatwerk van die dagen. Samen met de koorboeken en één of andere stichtingsakte die nog afkomstig is van de bisschop van Châlons. De dissidenten vatten een tocht aan van twintig uur stappen.

Een mars die hen leidt tot aan de wildernis van Cîteaux, Cistercium, vijf uur ten zuiden van Dijon. In onze hedendaagse termen is de afstand tussen Dijon en Cîteaux in werkelijkheid 24 kilometer. Hier beginnen de eenvoudige monniken aan hun jaar nul. Een nieuw klooster in de brousse van Bourgondië bouwen is ongetwijfeld geen sinecure, maar deze plek zal later de bakermat blijken van de Cisterciënzerorde. Ze leven een hard en ruw leven waar het gezelschap meer dan eens dreigt om er onderdoor te gaan. Gelukkig zijn er de humor en de menselijkheid van Bernardus van Fontaines die vanaf zijn intrede in 1115, met een stuk tederheid en flegma, er voor zorgt dat de abdij plots aantrekkelijk wordt voor tientallen nieuwe monniken die Cîteaux plots gaan bekijken als een hippe plek, vooral in de context van een jeugd die toen blijkbaar al even rusteloos en losbandig is als die van nu en die enkel via de strenge boetedoening in het klooster in het gareel kan gehouden worden.

Onze priester-pater van Westvleteren heeft het in zeer lovende termen over zijn Bernardus van Fontaines die aan de basis ligt van de stichting van een klooster in Clervaux en zo bekend geraakt als Bernardus van Clairvaux. Wie zijn wij om daar wat van af te doen? Feit is wel dat de man in wezen een Bourgondische edelman is die er met een stuk of wat familieleden de scepter gaat zwaaien over de grondgebieden van de abdij en de veel nieuwe abdijen die nu plots over heel Europa als paddenstoelen uit de grond schieten.

Bij zijn dood in 1153 telt de orde meer dan driehonderd kloosters. Onder het mum van het eenvoudig en primitief leven in de vele kloosters, meestal gelegen in onherbergzame gebieden, openbaart zich in de achtergrond een geniale financiële strategie. Met Bernardus van Clairvaux aan het hoofd van dit indrukwekkend imperium. De postulanten stromen inderdaad in groten getale toe en de aanvragen zijn zo talrijk, dat er volgens Desideratus in 1134 als zevenenzeventig Cisterciënzerkloosters zijn, waaronder de Bourgondische adel schuil gaat.

Ter Duinen en Orval zijn er al in ons land. Hij vraagt zich terecht af hoeveel jonge Vlaamse edelen Bernardus tijdens zijn reizen door onze gewesten eigenlijk niet meelokt naar Clairvaux? Wat hij er niet bij vertelt, is natuurlijk het feit dat er enkel kan toegetreden worden na afstand van eigendommen en gronden aan de abdij van zijn keuze. Die Bernardus moet ongetwijfeld een speciale en vooral erg machtige man zijn. Een persoonlijkheid tot en met. Bij de lage landen aan de zee worden de kloosterlingen omschreven als ‘Bernardijnen’. En ook de oude kronieken die het hebben over onze Vlaamse gewesten spreken over de orde van de Heilige Bernardus. Maar wat heeft het vrouwenklooster Hemelsdale te zien met dat mannenbastion van Bernardus?

Het strenge kloosterleven blijkt ook vrouwen aan te trekken. In 1123 zien we een eerste vrouwenklooster van de Orde van de Cisterciënzers tot stand komen in Tard, ook al in de buurt van Dijon. Centraal in de Bourgondische bakermat. Van dan af gaat de ontwikkeling snel en komen er meer vrouwenkloosters dan abdijen. Desideratus spreekt zijn bewondering voor het zwakke geslacht niet onder stoelen of banken. Dat zo veel vrouwen aangetrokken worden tot het strikte kloosterleven en dan nog dat van de strenge Orde van Cîteaux, gaat zijn petje te boven. Wat kan er anders achter schuilen dan de Goddelijke Voorzienigheid, schrijft hij. Zo veel zielen die geroepen worden om een volmaakt leven te leiden.

Er komt al snel een andere reden aan de oppervlakte. De eerste kloosters worden vooral bevolkt door jonge weduwen die hun man zijn kwijtgespeeld in de aanhoudende oorlogen en de tochten naar het heilig land. Het potentieel aan jonge mannen is flink uitgedund en met al die jonge weduwen op de markt is het aanbod van mannelijk libido bepaald schaars. En dat in combinatie met de ruwe zeden van het volk van die dagen.

De geestelijken proberen met harde hand de christelijke regels op te leggen, maar kunnen natuurlijk niet verijdelen dat jeugdige vrouwen en maagden zowat overal gevaar lopen om geschaakt te worden. De keuze van de dames voor de kuisheid en de vrede voor hun God is uiteraard vaak een vlucht naar veiligheid en geborgenheid. Een ooggetuige van de vloed naar de kloosters omschrijft het in het begin van de jaren 1200 als volgt: ‘jonge dochters lopen er met hopen naar toe, weduwen snellen er heen. Kloosterzusters verlaten het kleed dat zij droegen, ten einde de voordelen van een strenger en volmaakter leven te genieten. Edele vrouwen doen afstand van hun goederen en bezittingen en gaan zich ootmoedig verbergen in ‘s Heren huis, liever dan te blijven wonen in de tenten der zondaars.’

Van het aanpraten en de pure indoctrinatie van schuldgevoelens door de clerus, lezen we vanzelfsprekend niets. De zusters dragen een witwollen kleed, een zwart scapulier met daarboven een lederen riem om de lenden. Het hoofd is bedekt door een zwarte sluier. De dames moeten natuurlijk aan het werk. Gratis en onbezoldigd. Eerst alle eigendommen afstaan aan de kloostergemeenschap om vervolgens een leven pro Deo te werken. Onder het voorwendsel van Goddelijke devotie zien we het lucratieve concept van onze Bernardus doorschemeren. Als de juffrouwen niet moeten werken en niet slapen, dan dragen ze boven hun kleed een witte koormantel. Met wel erg lange mouwen, want als de handen naar omlaag gehouden worden, reiken de mouwen tot kniehoogte.

Meisjes die in hun proefperiode zitten, novices dus, zijn helemaal in het wit gekleed. Habijt, scapulier, gordel en mantel zijn allemaal wit. Met dat verschil dat hun mantels niet dichtgemaakt kunnen worden en niet voorzien zijn van mouwen. En dan zijn er nog de kloosterlingen die de hele dag moeten werken, de lekenzusters. Werken in de keuken en op het land. Zorgen voor de zieken, onderhoudswerk, het voederen van de dieren.

De lekenzusters lopen gemakshalve in het bruin gekleed rond en dragen daarbij een zwarte sluier. Hoe lager de inbreng bij de toetreding, hoe donkerder de mantels wel zullen zijn. Aan het hoofd van het klooster staat een abdis die door de zusters zelf voor het leven verkozen werd. Die staat onder supervisie van de abt van een of andere grote mannenabdij. In West-Vlaanderen is dat meestal de vader-abt van Clairvaux, die dan de prelaat van een nabijgelegen abdij belast met een jaarlijks bezoek aan de zusters. De abt-visitator controleert ter plekke of de vrouwen nog leven volgens de geest van de orde en de regels van Benedictus. De geestelijke zorgen van de dames worden onder handen genomen door paters van een dichtbij gelegen mannenklooster. Kerkelijke diensten.

Het toedienen van de heilige sacramenten. Er staat een pater-biechtvader ter beschikking. Hij alleen mag de biecht afnemen van de zusters die in ruil zorgen voor zijn volledig levensonderhoud. Het organogram van het klooster leert ons nieuwe namen en functies kennen. We maken kennis met de assistente van de abdis, de priorin of de onderpriorin die moet waken over de orde en de tucht bij de dames. De novicenmeesteres zorgt voor de geestelijke zorgen van de nieuwelingen. Dan zien we nog de kelderwaarderes die zorgt voor de aankopen en het onderhoud, de refterzuster, de ziekenzuster en de portieres. Er loopt ook een ‘boursiereghe’ rond, de boekhoudster van het klooster die de inkomsten en de uitgaven van de instelling nauwkeurig registreert.

Ik wil wel eens een vlieg zijn en het leven in zo’n klooster meemaken. Pakweg achthonderd jaar geleden. De klok roept de zusters op om twee uur in de nacht en kondigt de nachtgetijden aan. Op feestdagen worden die nachtgetijden trouwens nog een uur eerder gehouden. Opstaan op dit onmogelijk uur is niet moeilijk, schrijft Odiel Slembrouck. De zusters slapen op hun strozak en blijven hierbij volledig gekleed. Beelden van pijnlijke ledematen verschijnen me voor de geest maar ik kan me amper een beeld vormen hoe de toestand van hygiëne en geuren moet zijn. ‘Hard voor het lichaam maar vreugdevol voor de ziel.

Een uurtje van volmaakte ingetogenheid. Terwijl Gods schepping nog slaapt, kunnen de meisjes hier hart en ziel uitstorten bij hun almachtige Heer en de uiteindelijk uitgesproken Ave Maria giet licht over de nieuwe dag en biedt volharding aan het arbeidsvermogen.’ Gebed en nog eens gebed tot drie uur en dan geeft de overste teken om te beginnen met de Metten en de Lauden die in de week zowat één uur duren en op zon- en feestdagen kunnen uitlopen tot vijf uur in de morgen. Rond 4u30 begint de misviering, de ‘Beata’, opgedragen aan Onze Lieve Vrouw om drie kwartier later, om 5u15, eindelijk te beginnen aan het ochtendgebed, de Primen, waarbij de leden van het kapittel voorlezen uit het martelaarsboek van Benedictus en zich focussen op elke dag één regel uit dat boek.

Eindelijk volgt het ontbijt. Een homp brood van 180 gram voor ieder. In de vastentijd wordt dat gereduceerd tot 60 gram. Van toespijs is er geen sprake, hoewel choco vermoedelijk nog niet bestaat. Daarna volgt de Hoogmis, maar we vergeten nog bijna de Officie der Tertiën. De rest van de voormiddag besteden de zusters hun tijd aan ‘geestelijk’ lezen, studie en handwerk. Iedereen moet trouwens ook de handen uit de mouwen steken. Werken in de gemeenschappelijke zaal, of in de tuin, of in de kerk aan de voeten van de grote baas.

De Sexten gaan het middagmaal vooraf. De stilte is en blijft dominant aanwezig. In de refter staat een sober maal klaar om verorberd te worden. Nooit vlees. Nooit vis. Die zijn alleen beschikbaar op de ziekenafdeling. Ook eieren zijn verboden. Soep, pap, aardappelen, bonen of andere groenten, kaas en fruit worden geruisloos naar binnen gespeeld. Daarna schuifelen de dames processiegewijs naar de kerk terwijl ze het Miserere zingen en God bedanken voor zijn milde gaven. Miserie, ja. Dan volgt er eindelijk wat rust. Wat rusten in de slaapzaal of wandelen in de tuin en na het middagdutje wordt de tijd weer verdeeld tussen gebed, arbeid, studie en geestelijke lezing.

Bij het zakken van de zon is de tijd aangebroken om in de kerk de Vespers te zingen en te gaan bidden vlakbij het tabernakel. Met de Completen neemt de blanke stoet afscheid van de dag en weerklinkt het ‘Salve Regina’ uit alle monden. Gesterkt door wat gewijd water van moeder abdis, leggen ze ‘hun vermoeide leden op den strozak te rusten om in een zachten slaap nieuwe krachten op te doen’, zo beschrijft Desideratus het slapengaan van zijn zusters. Dat is nu het echte Cisterciënzerleven. Op het eerste zicht een weerzinwekkend leven, vindt onze priester-pater zelf. Een blinde onderwerping, vernederende oefeningen, onthouding, vasten en nachtwaken die in principe zouden moeten sublimeren in een ultieme vrede voor de zielen.

De afgestompte, gekraakte en gebrainwashte geesten van onze zusters kunnen waarschijnlijk niet eens meer het onderscheid maken tussen vrede en dit wrang smakend geluk. Waar zijn ze toch aan begonnen? Die identieke dagen worden aan elkaar geregen in dit blijkbaar eeuwig schema van bezinning, arbeid en gebed waar niemand kan aan ontsnappen. Zich buiten het klooster begeven, is uiteraard taboe, het kloosterslot weet je wel, en buitenstaanders hebben natuurlijk ook niets te zoeken in het klooster of in de kloostertuin. Eventuele gasten worden verwelkomd of te slapen gelegd in een afzonderlijk gebouw dat zelfs beschikt over een afzonderlijke keuken.

Zo komen we dan bij Hemelsdale terecht. Waar komt die speciale naam toch vandaan? Het klooster wordt in 1237 te Esen gesticht door Elisabeth, de weduwe van Boudewijn van Steenvoorde en verhuist in 1270 naar Zillebeke bij Ieper, geven de geschriften aan. Pas in Zillebeke krijgt het klooster zijn specifieke naam. Pater Jozef Canivez schrijft het neer: ‘trente ans après sa fondation le monastère est transféré à Zillebeke, près d’Ypres, dans un lieu nommé Hemelsdaele’. Andere bronnen hebben het al over Hemelsdale in Esen zelf. De zusters beschouwen zich daar al als dochters van Bernardus van Clairvaux, de man die de dalen beminde.

Het lijkt me ver gezocht. De Esense locatie wordt in de schenkingsactie ‘Hieth’ genoemd en de nieuwe stiching wordt omschrijven als ‘del Heed’, een naam die verwijst naar heidegrond. Meer niet. Diederik van Beveren, de burggraaf van Diksmuide, bezorgt ons het antwoord. Hij heeft het in 1244 over de ‘vallis celi, locum del Heed in parochia de Esna.’ In 1268, twee jaar voor de verhuis naar het Ieperse, hebben de abten van Clairmarais en Ter Duinen het over de naam ‘Vallis Coeli’. In diezelfde periode worden er in onze contreien een reeks kloosters gesticht en hier vinden we tekst en uitleg over het waarom van de naam Hemelsdale.

Een mix tussen God en hemel met de natuur op aarde. Hemelsdal in Opheven, Godsdal, Mariëndal, Paradijsdal of Valparayso, Heiligdal. Odiel Slembrouck denkt terug aan zijn jeugdjaren voor 14-18 in zijn geboortedorp Werken. Hij herinnert zich nog de herberg ‘in ‘s Hemelsdale’ op de weg tussen het centrum van Werken en de Kruisstraat. Wat is het toch spijtig dat dit verdwenen café zowat het enige is dat nog herinnert aan zijn klooster. Buiten die naam is er nog wel sprake van een kloosterstuk en een kloosterwegel en voor de rest is er niets.

Dit is een fragment uit boek 3 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>