Begrafenis in Hollebeke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     575 Views     Leave your thoughts  

Begraving van het hespebeen te Hollebeke in 1922

Nooit zag ik een mooier septemberdag, met heldere zon op miljoenen spindraden, dan in 1922. Geen windje, geen vogel, geen mens: een stilte die naar het hart sloeg. Hier en daar een hut, opgetrokken met balken uit de noodstraten en gedekt met gegolfde platen. Aan een kruispunt een berg vuilnis, waarboven wrakstukken van een vliegmachine: de overblijfselen van de kerk. En daarneven een bordje: Hollebeke. Aldus wist ik waar ik was en zijn moest.

In heel de gemeente geen stenen huis, geen levende boom; maar welig ruig gras, obusputten waaruit lisdodden als matrakken uitpiepten; stuk geschoten tanks, stapels munitie, late papavers en St. Jansbloemen…Krekels…In de verte wenkte de hoge toren van Wervik naar de bewoonde wereld waar de fabrieksschouwen dikke rook uitspuwden.

Na vier jaar dolen in een vreemd land, na een overhaastige vlucht als de O.L. Vrouwkerk brandde en de Jampotten de straten controleerden, was reeds menig Hollebekenaar teruggekeerd naar de vadergrond. Moeder de vrouw had de huissleutel meegeven om niet voor een gesloten deur te staan, maar de man mocht eerst een halve dag dwalen eer hij ‘zijn’ plekje grond vond, waar eens ‘zijn’ huisje stond.

Moeder en de kinders kwamen achterna. Arme bloedjes, uit de vier hoeken van Frankrijk weergekeerd, zo uit Cannes als uit Albi, zo uit Bordeaux als uit La Rochelle! Zonder taal, want thuis Hollebeeks en in de school Frans; zonder godsdienstonderricht, want de Franse priesters verstonden ze niet en de Vlaamse paters waren overlast. En… zo verre… leefden ze gelijk God in Frankrijk. Nu slapen ze in een onderstand op lisdoddenpluis, waarin de made knaagt. Ze draven door de wijde natuur waar haag noch tuin de weg afsluit en vergaren loden bolletjes, koperschilfers, tussen munitielagen en prikdraadresten, tussen schedels en knoken.

De kinderen weten niet beter en zijn gelukkig. Ze sparen om kaarsen te kopen met bloemen versierd, kaarsen vuistdik, wanneer ze ‘in den uitkomen’ hun eerste communie zullen doen. Meneer de paster is sinds enkele maanden toegekomen en ze gaan naar de lering. Moeder ademt de Vlaamse lucht in, ontmoet oude buren en kennissen, heeft brood in de schapraai. Moeder is gelukkig. Vader effent de grond, verdient een mooie stuiver, drinkt een stevige pint na het hard labeur en is gelukkig.

Maar het najaar kende de geweldige wind en de eindeloze regenvlagen. Overal de waterafvoer gestremd; de regen drong diep in de omgewoelde grond. Koper en lood kwamen bloot op de reeds geëffende grond, maar de klijte kreeg weer leven: geel als boter en rekbaar als gom. Ze plakte aan de schoeisels van de koperrapers, zodanig dat de gang bemoeilijkt werd en een verroeste lepel onmisbaar was om de kleverige aarde te verwijderen. In de straten vielen diepe kuilen door het instorten van onderaardse gangen. De boerenkarren staken tot aan de as in het modder. Alleen de frontwegeltjes maakten de verbinding met de bewoonde wereld mogelijk.

Onverwacht trad de winter in. Al de ratten vroren dood. De hutten kraakten ’s nachts en boven menig bed hing een open regenscherm om de fijne sneeuw op te vangen. Maar hout om te stoken was er voor het rapen en de koolkarren reden op de hard bevroren grond als op hobbelige stenen.

In de zomer een geweldige droogte: al de obusputten vielen droog en de kikkers lagen dood op het roestbed. Een zwaluw was gezien, een kievit was gehoord. Men ondervond de aanwezigheid van een vos, die zich schuil hield in de kanaalflanken.

Och, dat kanaal! Met moeite geboren was het, ongebruikt, de vernieling niet ontgaan. Het lag daar, woest en verlaten, met geheimzinnige wegen in zijn helling, die naar donkere diepten leidden en waar verstikte Duitsers nog naar vrede wachtten met het geweer tussen de benen. Binnen de kanaal ruggen, tussen golfplaten, werden ’s avonds duizenden kogels in ’t vuur gesmeten om ze te ‘ontladen’ en het koper naar Wervik te sleuren.

Massale onderstanden werden gevuld met hout en obussen, in brand gestoken, en vlogen dan met donderend geraas op, om spoorstaven aan de begerige ijzerrapers te bezorgen. Verwaten kerels vezen de koppen van de niet ontplofte kanonballen af om wille van het koper. Ze kenden dat zo fijn. Tot ze er zelf mee in de lucht vlogen.

Een jaar ging in roest- en kleigewroetel, in zinsgenot en vrijheidsroes. De pastor ijverde voor nieuw parochiaal leven, de meester leerde dertien grote lummels lezen met een geduld om de Kemmelberg te verzetten; de burgemeester had de handen vol met berekenen van eenieders oorlogsschade.

En het werd kermis: 8 September, Onser Vrauwendach! Het feest van de drie vrouwen: Dadizele, Hollebeke, Leinzele! Ouden van dagen kwamen uit Wijtschate, Voormezele, Zillebeke, Zandvoorde, Houthem om te ‘dienen’ zoals ‘voor d’ oorlooge’ en een kaars te offeren in het noodkerkje met plankenvloer en tôledak. Boeren lieten een traditionele jaarmis zingen en ’s middags was ’t kermis voor de familie.

Soep, patatten met bouillie en karootjes, koekestuiten met koffie, cognac. En ’t mocht nu kermis zijn of trouwfeest of dodenmaal: altijd onveranderlijk hetzelfde menu! ’s Avonds om sjopjes, nee’ demiets…En dansen bij Miel Prut, ‘Au Pigeon Voyageur’, waar een grote tent met tintelende muziek de jeugd aanlokte.

Miel Prut, dàt was een kerel! Taai als een os en werken gelijk een paard! Een trimard, die alle wegen kende vijftig uren boven Parijs, en Limburg toch zo ver van Hollebeke verwijderd meende. Kon hij hard werken, hij kon ook jenever in zijn jas gieten met Sjeroom, Peken en Pol. Miel was nooit moe, steeds vol leute en… hij was toch zo gelukkig!..

Donderdagavond werd, voor ’t eerst na acht jaar, het hespebeen begraven. Te middernacht viel de muziek stil. Al de koppels drumden bij Miel binnen. Waar hij het haalde, weet ik niet. Maar hij stond daar met een lange witte kiel aan, een wilgetakje en een hespeknuist in de hand. Pol Vodde droeg een emmer en een versleten borstel. Plak had een bel en Tuur een spade. Langzaam raakte de stoet in beweging, de witte gestalte vooraan om de weg te tonen.

Ze trokken voorbij de gewezen kerk de dreef in, naar het kasteel van Madame Mahieu. Miel zong een trimardslied, lamenig-treurig. Zijn volgelingen weenden tranen met tuiten om het onherstelbaar verlies van de kermis die was heengegaan, en huilden en brulden, wijl de bel rinkelde.

Ze gingen in de nacht, riepen tegen de blaffende honden op tot ze, voorbij boer Arnout, het veld, nee de brousse insloegen. De ene sukkelde tegen een stronk, de andere tuimelde hals over kop in een obusput, een derde scheurde zijn broek en zijn vel aan een verraderlijke prikkeldraad. Prut ging maar verder, naar het kanaal toe, wijl de jammerklachten van de bedroefde Hollebekenaars toenamen in snelheid en kracht.

Eindelijk halt! Tuur trad vooruit met de spade en graafde een kuil. Riten lichtte met een stallantaarn. Een laatste geween, een laatste gehuil, en de knuist werd behoedzaam aan de aarde toevertrouwd.

Dan nam Miel de afgeschrobte brembezem, dopte hem in de wateremmer en besprenkelde onder een onverstaanbare oratie de omstaanders. Dit was het moment! Pol greep zijn emmer aan de boord en gutste de volle seule over de treurende omstaanders, die, niet voorbereid op deze slotscène, onthutst en verward deinsden, struikelden over hobbelen en strobbelen met druipende haren en kleverige handen…

En gelijk een fanfare die een vrolijk deuntje speelt na de dodenmars van Chopin, trok de bloem van Hollebeke terug naar het dorp. Ze waren toch zo gelukkig, ennee?

De kermis was voorbij, voor een heel jaar. Maar Prut had in zijn kelder nog veel jenever en bock. De morgenzon bleef nog een tijdje weg en ’t wijf zorgde voor de kinders. Wat wil je nog meer?
Vier lange jaren hadden de meesten hun ‘père’ gezien aan ’t front bij de groene Pier en de piottenpakkers, terwijl de anderen in de munitiefabrieken hadden geslaafd of bij de boeren gelabeurd en geslameurd om een calvados, een absinth of een pinard.

‘Laat ze maar komen’, riepen de nachtuilen en begonnen te jassen, terwijl ze reeds halffranksjes spuwden: de voorboden van nakende dronkenschap.

De maan lachte en de honden blaften…

.

A. Cassiman in Biekorf nr 52 van 1951

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>