Belediging van de heilige maagd

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     466 Views     Leave your thoughts  

Peysmaekers, de straathoekwerkers van de middeleeuwen
Naast de schepenen en de baljuw is er natuurlijk de aanwezigheid van de voogd. In onze moderne tijden zouden we hem nu als ‘burgemeester’ betitelen. Welke rol speelt hij in de Ieperse vierschaer? De voogd heeft het recht om, in samenspraak met de baljuw en in naam van de stad, opsporingen en achtervolgingen te organiseren en verdachten in hechtenis te nemen. Als hij dat echter op eigen houtje doet, loopt hij het risico dat de baljuw de verantwoordelijkheid van zich afschuift. Zo staat er eens geschreven ‘…up ‘t welcke de hoochbaillu verantwoorde dat hij was ghedaen hechten bi mijn heeren voogd ende schepenen ende niet bij den heere’.

De voogd dient na te gaan of er geen klachten lopen tegen de baljuw of zijn team. De vergadering van de vierschaer begint telkens met de vraag of de beklaagden bezwaren hebben ten opzichte van de baljuw. Terwijl de functie van de voogd in de vierschaer vrij beperkt blijft, is deze van de klerk wel heel specifiek en bijzonder. Onontbeerlijk. Zijn aanwezigheid als griffier is essentieel. Hij houdt orde in de stadsregisters en hij functioneert als de archivaris van de gemeente. Hij heeft een gedetailleerde kennis van het strafrecht, want telkens de schepenen enige ervaring beginnen op te doen, worden ze vervangen door nieuwe mensen die vrijwel geen kennis hebben voor wat betreft de geldende ‘costuymen en wetten’.

De klerk, de secretaris, is een persoon die tot en met vergroeid is met de rechtbank en met de voorbije decennia van uitgesproken vonnissen. Hij vormt als het ware een persoonlijk strafwetboek middenin de rechtbank van de Ieperse middeleeuwen. Een bijzondere rol blijkt ook weggelegd voor de ‘peysmaekers’. Het zijn verzoeningsagenten, paiseurs, paisiers, paisanters en bij woordverbastering ‘besanders’ genoemd.

De peysmaekers moeten er al geweest zijn helemaal vanaf het begin. Filips van den Elzas maakt er al melding van in 1171. De peysmaekers worden vanaf die periode al gekozen door en dikwijls tussen de schepenen. Ze worden belast met de handhaving van de orde en het bewaren van de vrede tussen de burgers. Een beetje zoals we de straathoekwerkers kennen in onze nieuwe tijden. Hun rol bestaat er in om vetes op te lossen tussen families en te werken aan verzoeningsprocedures.

Het breken van de belofte aan de peysmaeker

De actie van de peysmaeker heeft vooral een preventief karakter om privéoorlogen te voorkomen. Als er een twist ontstaat tussen twee burgers, of tussen een burger en een vreemdeling, dan moeten deze zich komen aanbieden bij de peysmaeker en hem plechtig beloven in het vervolg de vrede te bewaren. Het breken van deze belofte aan de peysmaeker, zo zal later blijken, heeft zware gevolgen voor wie deze verdragsschennis pleegt. Zelfs de doodstraf behoort tot de mogelijkheden. Het dient er ook bij gezegd te worden dat de benadeelde het recht heeft om, na de procedure bij de peysmaeker, de dader te laten vervolgen door de vierschaer.

Er bestaan in de middeleeuwen 3 soorten rechtbanken. Alle drie hebben ze een verschillende bevoegdheid gaande van het laaggerecht, via het middengerecht naar het hooggerecht. We hebben te doen met het hooggerecht als de ‘hangman zijn excecutiën doet met den vyere, swaerde, putte, quartieringhe, rad, spriete, galghe, slepinghe, nijpinghe, afsnijdinghe, kortooren, doorstekinghe, uytdrooginghe, geesselinghe, schavoteringhe en diergelycke naar de costumen en de usantiën van den lande’.

In de stadsarchieven van Bergen bevindt zich een Cartularium die verdere details geeft over de indeling van het gerecht: ‘Haulte justice est esconer ou prendre bouillir, ardoir, enfouir, flastrir, copper membres, banir et troeve de vaissiaulse d’els’. ‘Moyenne justice est ce dont eschevins jugent et tonnieux’. ‘Basse justice et d’entrées et d’issues d’iretaiges’. Elke Vlaamse gemeente of stad bezit het privilege van rechtspleging. De meeste hebben een vrij beperkte rechtsmacht. Enkel Brugge, Gent, Rijssel, Douai en Valenciennes hebben hun eigen hooggerecht. Net zoals in Ieper dat zijn eigen ‘jusgladii’ organiseert. En, geloof me, het is geen pretje als je voor de Ieperse vierschaer moet verschijnen met één van de zwaarwichtige misdrijven op je kerfstok!

Overspel, ketterij en zelfmoord in de middeleeuwen
Misdaden zoals overspel, bloedschande en woeker zijn meestal een zaak van de kerkelijke rechtbank. Dit is niet het geval in Ieper. Zo vinden we in de Ieperse annalen het volgende terug over woeker: ‘Merkedy XV jour de jullet. Pierre Boele bannis sept ans hors le pays de Flandres sour le gibet pour ce qu il a esté pourtra trois foys de prester a usures et ce par l’ entretat de le ville’. En er staat verder: ‘et ce par l’estatut de le ville, ofwel contre le keure’ wat er op wijst dat de stedelijke keure al de straffen voorzien heeft tegen de woekeraars. Overspel. Het aantal gevallen van overspel is hoog: ‘… Marie Appelkuts bannie IIJ ans cour de fosse IIJ lieus de le ville ou le conté s’ estent pour ce qu elle a detenu aveucq lui manant j homme qui a femme espousée’. Of: ‘L’ an mil CCC et XX Pierre le Buc banis VII ans …. pour qu il a emmené et detenu le femme et l’ avoir d’un aultre homme contre le volonte de celui’. Ketterij.

De Ieperse schepenbank is in de 14de eeuw bevoegd om ketters te veroordelen. De voorbeelden zijn schaars, maar ze bestaan. Het moet gezegd dat de beschuldigde van ketterij zich eerst dient te verantwoorden tegenover de ‘inquisiteurs’ van de kerk die al dan niet moeten bepalen of het hier over een geval van ketterij gaat. Is het antwoord positief dan wordt de beschuldigde doorgewezen naar de stedelijke vierschaer. De schuldige is immers niet alleen in strijd met de kerk maar eveneens in opstand tegen de staat.

Zo lezen we in 1377: ‘ Pool le Haestighe fouillon, convaincu de hérésie par devant les inquisiteurs commis de la sainte Eglise ét par eaulx rendu aultre au seigneur et jugés, fuars sour le marquiet d’ Yppre’. De schepenen zijn ook bevoegd in voorkomende gevallen van zelfmoord die in de middeleeuwen gaandeweg geklasseerd wordt onder ‘goddelijke majesteitsschennis’, ingaand tegen elke goddelijke rechtspraak. Zo vinden we in de oude Ieperse geschriften nog een tekst terug betreffende de zelfmoord van de Brielenaar Jehans Bagelun; ‘Mémoire que Jehans Bagelun….qui se meismes avoit strangulé et pendu en sa maison au Briel sour le terre du Temple fu justiciet au Temple le XXJ jour de febrier’.

Majesteitsschennis in 1362
Rechtstreekse beledigingen aan het adres van God, de heilige maagd of de heilige kerk zijn taboe. Ook hier velt de vierschaar verschillende vonnissen. Een zekere Meulin Heerbrecht wordt aan de schandpaal gebonden en vervolgens met afgekorte tong voor zeven jaar in verbanning weggestuurd: ‘pour les despiteuses inhonestes et innaturèlez parolez blas fèmes qu il dist sour notre Seigneur Jhesu Crist et de la glorieuse benoite Vierge Marie’. De poorter Eloy Mazin wordt voor 7 jaar verbannen ‘de destourbir le ville des parolles qui dist au contraire de sainte eglise…’. Menselijke Majesteitsschennis.

Persoonlijke beledigingen van Ieperse ambtenaren worden door de schepenbank eveneens bestraft. Dat geldt niet alleen voor beledigingen aan het adres van de ambtenaren maar evengoed van vertegenwoordigers van het stedelijk gerecht, zoals de baljuw, de schout of hun medewerkers. Beledigingen geuit tegen rechtstreekse vertegenwoordigers van de graaf, worden in ieder geval beschouwd als majesteitsschennis en vallen onder de bevoegdheid van de Ieperse vierschaer. In 1362 ondergaat een zekere Franskin Brand de doodstraf omdat hij in Dordrecht en in Middelbourgh had beraadslaagd met bannelingen; ‘…ou il avoient conseil pour prendre et emprisonner monseigneur de Flandres et par force d’ armes entrer ou pays…’.

Het betreft hier natuurlijk een regelrechte samenzwering tegen de graaf van Vlaanderen. ‘Waultier Ademare ets jugiés en le volonté du Seigneur de perdre le puing pour ce qu il mist main au seigneur vilainement’. Met de baljuw wordt inderdaad niet gelachen! Zo bijvoorbeeld deze verbanning van liefst 3 jaar: ‘Elyaes le Vos ets banis IIJ ans hors le pays de Flandres sour sa tieste pour ce qu il contredist au seigneur d’ aler en prison en disant il ne fu mie sez arresterre’. Ganin Strye wordt voor één jaar verbannen omdat hij ‘onbescheedichede dede up den scoutheeden zijn officie doende’.

Bedevaart naar Rocamadour
Lambert Reubinest waagt het om te willen weglopen uit van handen van de knechten van de baljuw; ‘..dit de faire un pèlerinage a Notre Dame de Rochemadoul … pour che qu il se pena de faire escaper hors des mains des varlès du dit bailliu un estraingue homme lequel il avoient prijs’. Beeld u eens in: te voet heen en terug van Ieper naar het zuid-Franse Rocamadour. Een voettocht van 1600 km. De Ieperling Pools Scadelin wordt verbannen ‘dit un an hors le ville sour etre banit un an s’il rentrast pour les horibles mos qu il dist sour un eschevin’.

Een Ieperse keure van 1302
Het Ieperse recht wordt toegepast op de burgers en allen die ouder zijn dan 15 jaar en die zich al dan niet toevallig op Iepers grondgebied bevinden. Het magistraat laat niet na van op te treden tegenover vreemden die op één of andere manieren eigen burgers verongelijken. Bij het lezen van de oude vonnissen valt het trouwens op dat de Ieperlingen zachter worden behandeld dat vreemden. Een Keure van 1302 afkomstig van Jan van Namen, de zoon van Gwijde van Dampierre, bevat een frappante passage in dit verband. Er wordt een duidelijke grens getrokken tussen de inwoners ervan en de buitenlieden, de vreemden.

In de keure wordt aan de burgers van de stad Ieper een specifiek recht toegekend ten opzichte van niet-burgers. De schepenen en de burgers van Ieper krijgen het recht het huis van een niet-burger te slopen in geval van slagen, kwetsuren of doodslag toegebracht aan een burger. De stad bemoeit zich uitermate met wat haar burgers op andere plekken uitspoken en met de misdrijven die ze op ‘den vreemde’ begaan. Telkens opnieuw moet de burger zich achteraf aanmelden bij het Ieperse gerecht. In de gevallen dat Ieperlingen een misdrijf plegen in ‘den vreemde’ en daar ook opgepakt worden, dan worden ze ter plekke berecht.

Maar het Ieperse magistraat houdt er heel sterk aan dat ook zij kunnen oordelen in de gevallen die buiten hun rechtsgebied vallen. In 1383 komt het zelf tot een conflict met baljuws uit andere Vlaamse steden die Ieperse burgers voor hun gerecht willen dagen. Er mogen in den vreemde geen goederen worden aangeslagen van Ieperse burgers als die een misdaad hebben begaan vooraleer het vonnis is geveld.

De berechting van de geestelijke misdadigers
Slechts één uitzondering beperkt de macht van de Ieperse schepenbank: die van het privilege van de geestelijkheid. Wanneer een geestelijke een misdrijf heeft gepleegd. Het is natuurlijk allemaal geestelijkheid die de klok slaat in de middeleeuwen. Als een geestelijke een misdaad begaat, wordt hij door de schepenen bij de geestelijke rechtbank aangeklaagd. In geval van aanhouding van een geestelijke, eist de geestelijke overheid dat de misdadiger uitgeleverd wordt aan het kerkelijk gerecht. De Ieperse schepenbank gaat meestal in op de vraag tot uitlevering. Echter niet in gevallen waarbij de geestelijke misdadigers geen uiterlijke tekenen draagt van hun waardigheid.

Geen habijt en tonsuur, geen kaalgeschoren kruin; ‘wien verantwoord was dat men den vorseiden ghevangene niet hilt voerclere ende dat mennehem niet telivereren zoude want hij niet sculdich ware te zayerne der vrijheid van clergie vermits dat hij gehuwed was ende ghevangen was zonder habyt ende zonder tonsure, ende dat daenof de kenesse toebehorde der leker justice ende nemen el’.

In de meeste gevallen wordt er hoe dan ook toch gevonnist door de schepenen. De geestelijke eist wel zijn rechten op maar de vierschaer spreekt als het ware een voorwaardelijke straf uit en voegt er in die specifieke gevallen een clausule aan toe: ‘zoo hij niet behoorde tot de geestelijkheid’. ‘Mil CCC XXIIII. Hannin le Baenst est banni de cel fait comme il a fait sour France le Bets, li ditz Hannin est deffendu par le court de Terrewane et on obey’. ‘Pael Kiekin, s’il n estoit clers est banis a tousjours hors le conté de Flandres de le mort Wouter Voghelin’. Meestal buigen de schepenen het hoofd voor het geestelijk gerecht.

Maar met de tijd groeien de frustraties bij het Ieperse gerecht. Meer en meer geestelijke misdadigers vechten en moorden. Steeds vaker worden de poorters door geestelijken verstoord zonder dat de schepenen er een poot aan mogen uitsteken. Vooral het feit dat dergelijke geestelijke misdadigers na hun misdrijven in het bezit blijven van hun burgerrechten, stoot de schepenbank voor de borst. In de archieven vinden we merkwaardige gevallen van rechtspleging waarbij de betichte uitdrukkelijk wordt gevraagd om te kiezen tussen zijn privilege van de geestelijkheid of zijn burgerrecht. Als de beklaagde kiest voor zijn geestelijk privilege dan wordt hij door de vierschaer onmiddellijk ‘ontpoortert ‘t eeuwicheden’ en moet hij zijn ‘issuerecht’ betalen.

Fragment uit deel 3 van De Kronieken van de Westhoek