Berichten uit Kortrijk

Het jaarboek van Kortrijk uit 1814, op basis van de handschriften van Jacques Goethals-Vercruysse stuurt me naar de 15de eeuw.De getuigenissen over extreme weersomstandigheden en menselijke ellende wisselen af met het oorlogsrelaas van een strijd die zich afspeelt tussen de Gentenaars en de koning van Frankrijk. Met Kortrijk geprangd tussen beide partijen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De jaren 1400 zullen in Vlaanderen herinnerd worden als de Bourgondische eeuw. Nadat de dochter van Lodewijk van Male (de laatste echte graaf van Vlaanderen) in de echt treedt met de Bourgondische hertog Filips de Stoute, zullen zij en hun nakomelingen het land besturen vanuit een voor Vlaanderen onbekende hoek van het latere Frankrijk. Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute en tot slot Maria van Bourgondië transformeren de door Gent, Brugge en Ieper gedirigeerde streek naar een groter geheel die uiteindelijk via de Oostenrijkse man van Maria in handen zal vallen van het machtsgeile Spanje.

Dit is in een notendop de geschiedenis van de 15de eeuw hier bij ons. Ik heb ze in mijn kronieken al uitvoerig omschreven en van commentaar voorzien. Het ‘Jaerboek van Kortryk’, gedrukt in 1814 op basis van de handschriften van Jacques Goethals-Vercruysse laat eveneens zijn licht schijnen over deze eeuw. Kortrijk leunt dicht aan bij de Westhoek. Ik vraag me af of ik hier nog meer getuigenissen zal vinden die misschien toch weer een extra licht kunnen laten schijnen over de turbulente jaren 1400 hier in onze eigen streek. Het boek brengt me op geen tijd terug naar de winter van 1399-1400.

Het is een strenge winter. Ondanks de hevige vorst begint de pest opnieuw de kop op te steken in zowat heel Vlaanderen. In 1400 wordt Kortrijk opnieuw bestuurd door een college van zeven schepenen en een griffier. De Gilde van Sint-Sebastiaan bestaat uit veertig schutters en is een erg florerende gilde kom ik te weten. Er wordt naarstig gewerkt aan de heropbouw van de vestingen. Kortrijk werd in 1382 zo goed als volledig in de as gelegd, er zal dus nogal wat werk aan de winkel zijn.

Bouwen in steen zal wel de boodschap zijn. Er komt een nieuwe toren (l’ Estanc) tussen de Sint-Jans- en de Doornikse poort en er is eveneens sprake van de bouw van de Leiepoort. De jaarboeken springen van de hak op de tak. Ze proberen de gebeurtenissen te vatten en gaan vaak over op dagboekmodus. ‘De pest woedde in deze landen langsom meer. Het meerder deel der menschen sterven en men houdt publieke gebeden tot ’t einde dezer schrikkelijke ziekte.’

Ik krijg nogal wat adellijk nieuws voorgeschoteld. Wie trouwt met wie? Het kan me niet echt schelen en ik klasseer deze info als ‘niet echt interessant’ voor mijn lezers. De privileges van de fijne lijnwaadwevers gaan teloor in een brand en dat zal best een ramp zijn voor hun nijverheid.

Het lijk van de hertog van Bourgondië wordt in 1402 van Oudenaarde naar Kortrijk getransporteerd. ‘De geestelijkheid ging ’t zelve plechtiglijk tegemoet en ’t wierd vernacht in de Onze-Lieve-Vrouwkerk.’ Ik schud bedenkelijk met het hoofd. Filips de Stoute sterft pas in april van 1404 en heeft dus nog twee jaar te goed als hij hier zogezegd beweend wordt in Kortrijk. Onze hertog sterft volgens de Kortrijkzanen een tweede keer en dan wel in 1404. De jaarboeken vertellen het zonder verpinken.

Maar ik hoor dat pas bij het weerbericht van het voorjaar van 1404; ‘in het begin der maand april had men alhier eenen zeer sterken noordsen wind, waar door al het gras en de bloeysens bedierven, waar uit zeer grote schaarsheid van fruit is gevolgd. Ook is uit deze koude voortgekomen een zware hoest en heesheid in de keel, waar van bijna geen mensen vrij gegaan zijn, zelfs niet de beesten.’ ‘Op den 26 april sterft den Hertog Philippus tot Halle in de herberg den Hert en op den 19 november had men een grote springvloed, waardoor drie mijlen land overstroomd wierden van de zee met vele dorpen en verlies van vele mensen en beesten, die ook veel schade veroorzaakt heeft bij Hulst aan de Polders.’

Het weer blijft de hoofdrol opeisen. De hele tweede helft van het jaar 1405, vanaf augustus meer bepaald, regent het, ‘waar door den ougst schier niet opgedaan, noch de landen konden bezaaid worden en het welke ook grote overstromingen van water veroorzaakte.’ Op 14 december zaait een verschrikkelijk onweer van donder en bliksem verderf over de regio, ‘waardoor vele kerken, torens en andere gebouwen geslagen wierden en veel andere schade veroorzaakte.’

‘Op den 2 januarius 1407 (ik houd het even bij de oorspronkelijke tekst), had men eenen zwaren stormwind, waar door veele boomen uitgeroeid en huyzen en torens omgesmeten wierden. Eene steert-sterre verschijnt en men gevoelt aardbevingen op verscheidene plaatsen.’ De maand december van datzelfde jaar zorgt op zijn beurt voor felle vorst en veel sneeuw hetgeen een dure tijd en hongersnood met zich meebrengt. Het kapittel ziet zich verplicht om hier en daar rasieren haver uit te delen aan de bevolking.

Jan zonder Vrees is gaan schooien in het arme Kortrijk waardoor datzelfde kapittel zich wel zedelijk verplicht ziet de hertog een som van 300 Parijse ponden te lenen. Het leven in 1408 is nochtans allerminst een lachertje. De 20ste januari is er sprake van dat de wijn vervriest op tafel. Op 5 december speelt de natuur weer eens op: ‘men had alhier eene zeer zware hagel-vlaag, de stenen waren bijna zoo groot als eieren, ’t welke eene grote schade veroorzaakt heeft.’

1410. ‘Dit jaar had men eenen groten hongersnood, waar uit eene grote menigte bedelaars spruiten, en ’t welk gevolgd wierd door eene grote peste, de welke tot Kortryk haren oorprong neemt en daarna zeer fel woedt door geheel Vlaanderen. Daar wierden ter dezer gelegenheid verscheidene aalmoezen gegeven tot het herbouwen der kerk van Sint-maartens. Iets wat de sukkelaars natuurlijk genereus helpt en dat kan ook allerminst gezegd worden van de hulp die moet gegeven worden aan de graaf van Vlaanderen voor wat betreft zijn Franse afrekeningen: ‘Ten zelven jare, eene bende zeer kloeke Kortrijkzanen volgt den hertog Jan tegen de Armagnacs.’

Interessant om weten is natuurlijk de tegenprestatie die de stad krijgt in ruil voor die militaire steun. Enfin, de stad is een groot woord, het presentje is eigenlijk voor een nieuwe burggraaf. Lees maar; ‘omtrent dezen tijd, den hertog voegt aan het kasteel een groot deel meersen, zo binnen als buiten de stad gelegen, als ook het deel der Leye dat er langs vloeit. Ook heeft hij van dien tijde af beginnen daar op te stellen voor kapitein of kastelein de gene die hij geradig vond.’

In de maand maart van 1411 wordt door de onderbaljuw aangekondigd dat de grond van het oud kasteel nu voortaan aan het kapittel toebehoort. Er moet dus sprake zijn van een nieuw kasteel, maar daar zwijgen de jaarboeken voorlopig in alle talen over. In oktober wordt het oude bouwwerk volledig met de grond gelijkgemaakt. Tijdens de aprilmaand krijgen de Kortrijkzanen de toelating om een ‘Torrne-brugge ende eene Speye’ te bouwen aan de Leie.

Er komt trouwens een belasting op de wijn. Vier denieren op iedere stoop die hier verkocht wordt. Een dele ervan zal gebruikt worden het het herbouwen van de Sint-maartenskerk. De stad begint beetje bij beetje in zijn vormen te vallen: ‘men begond de Nederleye-brugge te bouwen. Ook wordt de grote Halle begonst te bouwen, de welke daar naar nog vermeerderd wordt.’

Ik heb ooit de Franse strijd van hertog Jan uitvoerig omschreven. Ook Kortrijk krijgt er van langs om meer mee te maken. ‘Op den 21 augustus, den hertog vergadert een groot leger tegen zijne vijanden de Armagnacs ofte Orleanisten in Vrankryk. Bijna al wat wapens dragen kan in Vlaanderen trekken met hem op, mede nemende eene grote menigte van krijgs- en mondbehoeften. Die van Kortrijk vervoegen zich in menigte tot dien tocht bij de Gentenaars, en kamperen tot Waver bij Doornik, van waar zij naar Douai bij den hertog trekken.’

De hele demarche van Jan zonder Vrees en zijn leger draait uit op een flop van jewelste: ‘den hertog belegert de stad Ham in Picardië, de welke ingenomen, geplunderd en verbrand wordt. Van daar trekt hij naar Montdézier, ’t geene hij begint te belegeren, doch de Gentenaars dien tocht moede wordene, willen, niet tegenstaande alle de beloften en ’t bidden van den hertog wederkeren, alwaar geheel het leger naar Vlaanderen aftrekt, en de onderhorige Gentenaars kwamen ontrent de maand october elk in zijn huys terug.’

28 januari 1412. De hertog schenkt nu officieel de grond van het oud kasteel aan het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw. ‘Mits latende eenen weg van 28 voeten (een meter of acht) van de markt af tot aan de Kanoning-poorte, dit in de plaats van eene rente van 800 roeden haver die de gravinne Joanna aan hun toegestaan had. In de loop van 1412 wordt de bewuste doorgang tussen de markt en de Kanoning-poorte, dwars door de gronden van het voormalige kasteel nu helemaal als straat aangelegd. De vierschaar, zeg maar de rechtbank, die voordien huisde in het oud kasteel verhuist onder toedoen van de baljuw naar een andere locatie.

Onze-Lieve-Vrouw, je weet wel; die maagd-moeder van Jezus, laat voor een eerste keer van zich spreken in het nabijgelegen Dadizele. ‘Eenen persoon van Kortrijk word miraculeuzelijk genezen van stomheid in de kerk van O.L. Vrouwe tot Dadizeele’. In 1413 wordt Vlaanderen opnieuw geplaagd door een soort van pest of besmettelijke ziekte, ‘beginnende met pijne in de kele en hoest, men noemde haar in ’t walsch La Heugnette’.

Ik verhuis naar het jaar 1419. De Kortrijkse eucharistievieringen ten bate van een vrede tussen Frankrijk en Jan zonder Vrees hebben niets uitgehaald. Onze hertog ondergaat zijn zwanenzang. Veel woorden maken de jaarboeken er niet aan vuil: ‘Op den 10 december wordt den hertog Jan verraderlijk vermoord door den dolphyn van Vrankryk tot Montereau-Fautyonne. Zijn zoon Filips de Goede volgt hem op als graaf van Vlaanderen. In 1421 onderneemt zoonlief een poging om zijn vader te gaan wreken. Nogal wat Vlaamse edelen, met onder hen eveneens Zeger van Kortrijk, vergezellen hem naar het zuiden.

‘In de nacht tussen 19 en 20 november van 1421 bij een grote storm en springvloed, stroomde de zee zeer veel land over in Vlaanderen, Holland en Zeeland, bezonderlijk verging al het land tussen Dordrecht en Geertruydenberg alwaar nu den Biesch-bosch is.’ In 1425 verkoopt Margaretha van Gistel, de weduwe van Jan Antoing haar heerlijkheid van Wervik (Oosthove) aan hertog Filips de Schone. Er is in dit jaar sprake van de bouw van de toren bij de Steenpoort. De stad moet in die jaren een gevoelige transformatie ondergaan. ‘Ten dezen jare 1426 word de beest- of houtmarkt van buiten in het voorgeborgt van Overbeke gebracht en geplaatst op eenen daar toe gekochte grond en omtrent dezen tijd wordt gemaakt de Vismarkt en het Vleeshuis, en de gildenhuizen worden gebouwd.’

Op 16 juli herbevestigt de hertog het bestaan van de lokale jaar- en paardenmarkt. De zomer van 1426 vult zich met gezapig komkommernieuws. Zo bijvoorbeeld de processie die op 22 juli gehouden wordt richting ‘de Magdalena Kapelle, voor onze hertog, voor ’t schoon weder en voor de vrede’. Filips de Goede zakt trouwens diezelfde dag af van Rijsel naar Kortrijk, ‘en na het noenmaal genomen te hebben is hij naar Deinze gaan logeren.’ Ik ploeter eerder verveeld verder door het jaarboek. Jaren gevuld met sprokkelnieuws met uitzondering van een ongelukkige brand in het Komen van 1428, zorgen er voor dat ik noodgedwongen verder reis naar het jaar 1436.

Bisschop Joannes van Doornik en enkele andere personen van gezag adviseren de hertog om Calais in de tang te nemen. Het is het begin van een woelige periode in Vlaanderen. Calais is al jaren een door de Engelsen bezet landhoofd in Frankrijk en Filips de Goede zou daar beter eens een eind aan maken. ‘Waar op den hertog in het begin van junius de monstering doet over de Gentenaars, die reeds gereed waren om naar Calis te vertrekken.’

Ik heb het al enkele keren gehad over die bewuste veldtocht naar Frankrijk. Misschien is het nuttig om de kroniekschrijvers van Kortrijk eens hun zeg te laten doen, zonder mijn eigen bemoeienissen. Ik permitteer me alleen wat boetseerwerk aan de oude spelling.

‘Op den 10 junius, vertrokken zij van Gent naar Deinze en Petegem, alwaar zij vernachten, van daar voorts trekkende langs de Leie en door Kortrijk naar Armentiers. Die van Kortrijk voegden hun daar bij met hun kapitein, Gerard van Gistel. Het magistraat van Kortrijk licht een somme van 10.000 ponden paresise tot het betalen der gagien van de gene die optrokken. Aleer zij van hier vertrokken, wierd er een solemnele misse gezongen en een processie gehouden in St.-maartenskerk. De Bruggelingen voegden hun daar bij tot Grevelingen.’

‘Op den 29 julius had men alhier eenen groten overvloed van zoet water. In de maand augustus, na een vruchteloze belegering, verlaten de Gentenaars op een oproerige wijze het beleg, niet tegenstaande het verzoek van de hertog. De andere steden volgden hun voorbeeld, onder andere Haarlem en Leiden, welke twee laatste steden twee overgrote stukken geschut, genaamd Hoppenbier en zwarte Griet, in den brand laten.’

Hoppenbier en zwarte Griet. Nooit van gehoord. Ik onderbreek de Kortrijkse getuigenissen die me trouwens verrassen met het nieuws dat ook de noordelijke provincies betrokken waren bij de raid op Calais. Haarlem en Leiden. Ik stel mijn zoekmachine in op ‘Hoppenbier en zwarte Griet’ en arriveer meteen bij een Nederlands rederijkersvers uit die tijd. Een rijmkroniek die me op een of andere manier aantrekt, al is het maar om de wijze waarop een zomer van frustraties hier op ongenadige manier gefileerd wordt en herleid tot de botte waarheid. Ik waag me er aan om de bewuste (licht aangepaste) verzen over te nemen.

Men gespt het harnas aan. Filips verschijnt in het veld.

Gevolgd van helden uit zijne aangeërfde landen.

Bourgondië’s machtig heir bedekt de Vlaamse stranden.

De Zeeuw en Batavier verschijnen op de beê.

De hertog met een vloot, bruisend door de zee.

Ze laten, voor Calais gezeild hun ankers vallen.

Het Neêrlands heir omringt aan d’ andren kant de wallen,

die Engeland beschermt met dapperheid en moed.

Men nadert met de vloot, en stormt in vuur en bloed,

dat naar de hemel spat, of in ’t gezicht der helden,

die voor het kroonrecht zich in de spits van de oorlog stelden.

De dappere Brit ontziet noch stormtuig, spiets noch zwaard,

en brult gelijk een leeuw die zijn buit bewaart.

Dus kan ’t manhaftig heir de vesting niet verwinnen,

die nog manhaftiger verdedigd wordt van binnen.

Dat talleloze heir, dat ze veel te lijden had,

voor legerwagens, als de Britten in de stad

soldaten telden, moest met schade en schande wijken.

De Vlaming zag men eerst lafhartig heen strijken,

gevolgd van al het heir. Daarna verdwijnt de vloot,

en laat de veldheer met zijn lijfwacht in de nood.

Daar heeft het Haarlems heir ten spijt van zijn soldaten,

een stuk geschut genaamd den Hoppenbier gelaten,

en leidde een dergelijk, genaamd de zwarte Griet.

De dappere hertog kropt zijn gramschappen verdriet,

maar dacht aan Vlaanderen dit op zijn tijd te wreken.

De Haarlemse rederijkers kunnen maar zo duidelijk zijn: de Vlamingen hebben hertog lafhartig in de steek gelaten en zullen hiervoor op tijd en stond de rekening gepresenteerd krijgen. Met die wetenschap in het achterhoofd vervolg ik mijn reis door de Kortrijkse kronieken.

‘Tot Brugge en Gent ontstaan grote troebels. De heer Gerard van Gistel wordt tot overste van Kortrijk aangesteld.’ De Kortrijkzanen laten me alle hoeken van de kamer zien, maar ik geef niet af; ‘de instelling van ’t gebruik van het klippen van de Angelus, was tussen de jaren 1430 en 1444 tot Luik, ten minste ’s morgens ingebracht, door de heer Petrus De Mull, kanunnik van St.-Pauwels.’

‘1437. Op de 31 januarius, wierd de naam van koude donderdag gegeven, wanneer de felle wind al het graan uitroeide. Op den 21 mei, de hertog trekt van Rijsel naar Brugge, langs Roeselare, met zeer veel krijgsvolk en ridders, waar onder Judovicus van Lichtervelde, heer van Heule.’ De Hollanders krijgen gelijk: de poppen gaan al aan het dansen in Vlaanderen.

‘In ’t begin van augustus, de drie staten van Vlaanderen komen tot Kortrijk bijeen, om er de hertog met die van Brugge te trachten te verzoenen, ’t gene door den hertog veracht wordt, en de vergadering niet wilt bijwonen. Op den 5 november, de Gentenaars met hunne onderhorige onder Kortrijk zijnde, trekken tegen de Bruggelingen op naar Eeklo. Op den 27 dito, die van Kortrijk en Oudenaarde berispen de Gentenaars over hunne baldadigheden, ten welke opzichte tussen hun een twist en gevecht ontstaat, gedurende ’t welk de Brugse gijzelaars vluchten.’

‘Op den 29 november, de Gentenaars benevens de Kortrijkzanen scheiden tot Eeklo en keren naar hun onderlinge steden terug, de winter beginnende zeer koud te worden. Deze reis heeft aan de stad zeer veel geld gekost.’ De winter maakt evenwel geen einde aan de onrust en vijandelijkheden in Vlaanderen. ‘Op den 8 december, Algort den bastaard van Halewyn en de baljuw van Deinze worden als rovers gevangen en naar Brugge geleid om dat zij eenen wagen met goed geroofd hadden, toebehorende aan enige kooplieden uit Lombardien. ‘Op den 13 dito, den gezeiden bastaard van Halewyn wordt met de andere rovers tot Brugge onthoofd.’

Buiten het nieuws van een bende booswichten die het land teisteren, de vlaeders en een schietspel in Gent tijdens 1439 valt er in mijn kronieken geen pittig nieuws te lezen. Oh ja; op 9 november 1439 verhuist de zetel van de raad van Vlaanderen naar Kortrijk, maar op aandringen en smeken van de Gentenaars keert die twee jaar later terug naar hun stad. 29 juli 1440 is weer zo een van die dramatische dagen voor Wervik: ‘omtrent den avond is er een schrikkelijken brand ontstaan die meer als duizend huizen verslonden heeft.’

Het klimaat is zowat de enige hoofdrolspeler tot aan 1448. Het begint al in 1442: ‘den zomer is dit jaar buitengewoon droog geweest, hebbende maar zes maal geregend van den 1 mei tot den 1 oktober. Den winter is zeer droog en hard geweest en de vijvers tot de grond toevriezende is al den vis vergaan.’

‘Op den 1 mei van 1443 is er alhier zo veel sneeuw gevallen als men van ’s mensens geheugen oot gezien heeft. Op den 10 dito had men eene zeer zware hagelvlaag. De stukken waren zo groot dat vele mensen builen in hun hoofd daar door bekomen hebben. Op den 24 junius 1444 begonst het te regenen, aanhoudende tot Baefmisse, waar door het koorn bedierf en eene groote dierte veroorzaakt was.’

‘Op de Palmzondag van 1446 had men alhier een zeer felle stormwind, hagel, enzovoort die grote schade veroorzaakt heeft. Op den 10 april 1447 had men een grote stormwind, hagel en sneeuw, veroorzakende veel schade. Na een grote droogte gedurende de maanden mei en junius, had men tussen zes en zeven uren ’s avonds een zeer geweldigen storm, gemengeld met donder en zware hagelstenen, dat niet alleen de landvruchten maar ook een menigte gebouwen zeer beschadigd wierden.’

De onrust in Vlaanderen steekt weer al eens de kop op. De Kortrijkse annalen laten hun weerberichten achterwege en hebben het opnieuw over de spanningen in het land. ‘Vlaanderen door de langdurige vrede en zijn bloeiende koophandel zeer rijk geworden zijnde, was vervolgens het volk zeer baldadig geworden.’ De onrust heeft vooral te maken met extra belastingen van hertog Filips. ‘In de maand maarte 1448; den hertog Philippus wil een last opstellen van 18 schelen Parisis op iedere zak zout, ’t geene groot misnoegen veroorzaakt en eerst door de Gentenaars geweigerd wordt, waardoor een grote vijandschap tussen die en de hertog is ontstaan.’

De grond davert weer onder ieders voeten en dat heeft niet enkel te zien met de onrust. ‘Op den 23 april ’s morgens tussen 3 en 4 uren gevoelde men alhier een zware aardbevinge die een uur duurde.’ In 1449 is het welletjes geweest voor Filips de Goede. Hoe je ook draait of keert: met die man valt niet te spotten. ‘In ’t begin der maand september, de hertog, om de Gentenaars te beteugelen, maakt zich meester van verscheidene steden en kastelen rond Gent, alwaar hij grote garnizoenen legt, en voegt bij de belasting op het zout nog eene nieuwe belasting op de granen, ’t gene de Gentenaars wederom hardnekkig weigeren, waarop de hertog de magistraten van Gent afstelt, en verbiedt aan de Vlamingen enige gemeenschap met die van Gent te hebben ofte aan hun te gehoorzamen.’

De ongeregeldheden blijven aanhouden bij het aanbreken van het jaar 1450. In april stelt Filips enkele vertrouwenspersonen aan als Gentse magistraten, mensen waarvan hij voorzag om ‘hem genegen te wezen.’ ‘Ten tijde van den hertog Philippus waren tot Deinze meer als 3000 inwoonders. In de maand augustus, de Gentenaars reeds vijf maanden verdregen hebben het magistraat ’t welk hun door de hertog was aangesteld, verjagen dit door het opstoken van enige oproerigen, benevens al de gene die zij kenden den prins aangekleefd te zijn, vernieuwt het verbod van met die Gentenaars enig gemeen te hebben of koophandel te drijven.’

1452. De Gentenaars treden in het offensief. Als ik het goed, lees zijn er nochtans onderhandelingen aan de gang. ‘Terwijl dat er van overeenkomste gehandeld wierd, nemen die van Gent ’t kasteel van Gavere in, als ook bij overrassing ’t kasteel van Poucke. In de maand april wordt Oudenaarde belegerd door de Gentenaars, de welke ook Geraardsbergen overmeesterden.’ Hertog Filips schiet in actie om zijn aanhang van edelen te gaan ontzetten bij Oudenaarde. ‘Hij trekt van Rijsel, de hertogin aldaar achterlatend, naar Henegouwen met zijn neef Adolphus, en gaat naar Halle een goede uitval voor zijn wapens verzoeken aan Onze Lieve Vrouwe.’

‘Op de 21 april, van graaf van Estampes met de hulpbenden in de kasselrij van Kortrijk, bij Waterlo vergaderd, verslaat Jan van Botermans, kapitein der Gentenaars, bij de brugge van Spierre. Hij neemt het kasteel van Helkijn in en verbrandt de kerk van Spierre waar in zeer veel Gentenaars zich wilden verweren. Hun kapitein Botermans ontvlucht bij geluk, waarna de gevangen troepen naar Waterlo en Lannoy geleid werden.’ Lannoy bevindt zich ter informatie ietwat zuidelijk van Roubaix.

‘Op den 3 mey, Jan van Heverslagen, kapitein der witte Caproenen, trekt met zijn volk uit Gent naar Deinze, alwaar hij niemand vindt, buiten de burgers, die voor hem de poorten sluiten, de welke daar door vergramd zijnde, Deinze met geweld bestormt en inneemt en Petegem verbrandt.’ De reactie van de hertog laat niet lang op zich wachten, hij mobiliseert het volk dat hij te pakken kan krijgen en nog geen twee weken later vertrekt een Kortrijke legermacht uit de stad om zich bij het groot leger te vervoegen.

”Op den 19 mey, daags na O. Heere Hemelvaartsdag, het ganizoen van Kortrijk, trekt ’s morgens vroeg uit naar Nevele, om de Gentenaars van daar te verjagen, maar op het klippen van de klokken, wordt het zelve door die van Gent geslagen en achtervolgd tot aan Harelbeke. De Gentenaars wederkerende, verbranden Vijve met de brugge op de Leye, om dat die plaats toebehoorde aan de graaf van Estampes.’

‘Op den 25 mey, de graaf van Estampes, om zich te wreken over het branden van Vijve, vergadert al de jonkheid van de stad en van de omliggende plaatsen, vervoegt die met zijn krijgsvolk en trekt daar mede naar Nevele. De Gentenaars verweren zich dapper met die van Nevele en van de omliggende dorpen en hebben de wegen met afgekapte bomen onbruikbaar gemaakt.’

Men zegt, dat de graaf hier 8.000 mannen had, waar onder een goed deel peerdevolk. Hij wordt bij de brugge van Poucke door de Gentenaars ingesloten en was in groot gevaar, doch wordt nog door zijn volk ontzet, die Nevele innemen en de Gentenaars verslaan. De graaf doet zijn doden in een schuur brengen, de welke hij, om het getal daar van te verduyken, in brand steekt, benevens het geheel dorp. Hij vertrekt, vechtende en met veel moeite door de belemmerde wegen gerakende en arriveert zo eindelinge op de grote weg, en keert zeer vermoeid door Harelbeke naar Kortrijk terug, alwaar hij omtrent de middernacht met veel gekwetsten is aangekomen.’

Filips de Goede heeft toch maar vreemde manieren gehad daar in Nevele. Zijn gesneuvelde soldaten in brand doen steken om hun dood in de doofpot te stoppen, lijkt me toch maar een sinistere praktijk te zijn. En dat noemt zich dan de leider van Vlaanderen. Enfin, nu zal het ook voor mij te laat zijn om een laatste eer aan de sukkelaars te bewijzen. Ik buig me dan maar weer over de oude getuigenissen vanuit Kortrijk. ‘Hij liet alhier een deel van zijn volk tot garnizoen en vertrekt naar Oudenaarde. Willende met al de macht de Gentenaars uit het land van Waas verjagen, trekt al zijn garnizoenen uit verscheidene steden als ook van Kortrijk.’

Er komt eindelijk wat vaart in de jaarboeken. Niet langer van de hak op de tak springen, maar vaart brengen in de gebeurtenissen, zo heb ik het graag. Ik lees geboeid verder: ‘op den 22 julius verleent de hertog aan die van Gent zes weken stilstand van wapenen, op voorwaarde dat zij gedurende deze tijd het ganizoen ’t welk hij tot Kortrijk stelt en in andere steden, betalen zouden.’

‘Mijnheer Adolf van Kleef komt het bevel over Kortrijk nemen in afwachting van de maarschalk van Bourgondië. Op den 7 augustus, den hertog geeft een octrooi waarbij hij aan die van Kortrijk toestaat enige vermindering op de goedinge der stede. Op den 27 september, de Gentse Groententers vallen op ’t onverwacht op Harelbeke, ’t geen zij verbranden uitgenomen de collegiale kerk en het hospitaal.’

Ik moet er even Wikipedia bij halen want de naam van ‘Groententers’ zegt mij niets. De Groententers of de Gezellen van de Groene Tent blijken een Gentse krijgsbende te zijn die tussen 1449 en 1453 onder leiding van hun aanvoerder bastaard Blanstroem, een Zeeuwse edelman, Vlaanderen kaal plukt om Gent van de nodige voorraad te voorzien. Onder andere Harelbeke, Aardenburg, Geraardsbergen, Zevekote en Oostburg ondergaan zo het geweld van de Gezellen van de Groene Tent.

‘Het schijnt dat er maar één man vermoord is die de klokken wilde klippen, alle de andere dit onvlucht zijnde. Op den 29 dito, de Gentenaars keren met grote buit weer naar Gent. De hertog willende Gent nauwer insluiten, stelt hier als gouverneur de heer van Beaumont, maarschalk van Bourgondië, aan wie hij ook het opperbevel van ’t leger overdraagt, de welke alhier komt met 300 Bourgondische lansiers, vergezeld van de heren Ray, Beauchamp, Epery en andere ridders en edelen, waar na hij, ziekelijk zijnde, met Adolf van Kleef naar Rijsel vertrekt om zich wat uit te rusten.’

‘Intussentijd willen de Groententers Zwevezele in brand steken. Doch zij worden op de vlucht gejaagd en eenentwintig der zelve worden gevangen en tot Kortrijk opgehangen.’ Tijdens de maand oktober doet de hertog toch wel een vreemde zet die een averechts effect veroorzaakt bij de mensen. ‘Den hertog doet door den heer van Beaumont een bevel uitgeven dat al diegenen die voor hem genegen zijn, zich met hun goed in de besloten plaatsen moeten begeven. Bijzonderlijk allen die binnen de vijf uren rond Gent wonen.’

Het woord van een Waal geloven? Dat ligt bij de Vlamingen wel erg moeilijk en ”t woord van eenen Waal niet vertrouwende, vlucht het volk met hun goed binnen Gent, waarom al hunne huizen verbrand worden.’ Beamont stelt zich ongenadig op en ‘doet alle de Gentenaars die hij gevangen had om hals brengen. Die van Gent sparen gelijkelijk niemand van de Bourgondische die in hunne handen gevallen waren, en behandelen deze nog veel erger.’

‘Beaumont doet uit Kortrijk gedeurige uitvallen in ’t Gentse, ’t welk nu schier gans onbewoond was. Men zegt dat hij in één week meer als 8000 huizen verbrand heeft; en op zijn bevelen wordt al het volk ’t welk de wapens niet dragen kan, en vrouwen en kinderen als een kudde beesten naar Kortrijk gedreven. En de partijen partijen verwoesten alles zodanig , dat er niets overbleef tussen Gent, Kortrijk en Oudenaarde.

‘Op den 20 October, de Gentse kapiteins Jan de Vos en Jan de Wint verbranden Maldegem, Wingene en Ruislede. Een week trekt het garnizoen van Kortrijk onder de bevelen van de heer van Beaumont en Jacob Lalain naar Eeklo, van waar de Gentenaars, zich te onmachtig bevindende, in een naastgelegen bos vluchten, maar verliezen onder de weg nog veertig van hun volk die gedood wierden.’

‘Eeklo wordt door de Picardiërs (Picards) verbrand, om dat van daar onophoudelijk levensmiddelen naar Gent geleverd wierden, als ook om dat zij de klokke geklipt hadden zo haast zij de Picards gewaar wierden. Omtrent dezen tijd heeft den hertog een bevel dat eenieder, mans, vrouwen en kinderen een rood Bourgondisch kruis van een vierendeel lang op hun klederen moesten dragen, op pijne van als Gentenaars en vijanden aanzien te worden.’

De oorlog woedt verder in volle hevigheid. ‘Omtrent het begin van november wordt Tielt door de Bourgondische geplunderd en verbrand. Op den 1 december, den graaf van Estampes met het garnizoen van Kortrijk, bevecht de Gentenaars tot Laarne met gelijk voordeel van wederzijden. In dezelfde maand, de Gentenaars plunderen en verbranden Izegem, Rozebeke, Meulebeke en andere daar omliggende dorpen. Zij tasten ook Ingelmunster aan, doch worden door de bezettinge van het kasteel verdreven.’

‘Zij doorlopen niettemin gedurende de gehele winter het omliggende, terwijl zijn nergens geen tegenstand vinden, vermits de hertog zijn leger afgedankt had tot de volgende zomer, alleenelijk maar garnizoen latende tot Kortrijk, Oudenaarde, Aalst, Dendermonde, benevens in enige kastelen.’

‘Op den 24 januarius 1453, de Groententers halen veel buit en bestialen uit Ardooie en de omliggende plaatsen. In de maand februarius, de Gentenaars door de Bourgondische zeer overvallen zijnde, doen door de hertog van Estampes een vredesonderhandeling verzoeken, de welke tot Brugge gesteld wordt, doch vruchteloos afloopt.’

‘De tijd van de vrijheid der Gentse afgezanten ten einde zijnde, aleer zij tot Gent binnen kwamen, worden zij dicht bij die stad door de Bourgondiërs gevangen en weder naar Brugge geleid, waarom die van Gent verbitterd zijnde, komen de drie Gentse oversten Ingelram Van der Meersch, Diederyk van Schoonbrouck en Jan Strimeersch elk met een bende naar Kortrijk om wraak te nemen.’

‘De Heer van Beaumont was alsdan afwezig, zijnde bij den hertog tot Rijsel getrokken. Zijn luitenant, de Picardische ridder Gavanus Quieret, ofschoon hij maar bitter weinig krijgsvolk had, doet een uitval, maar wordt met verlies van twee ruiters en een schutter in de stad gedreven. De Bourgondiërs, zich kloekelijk verwerende, en de Gentenaars geen kans ziende om de stad te overmeesteren, plunderen en verbranden het voorgeborgte van Overbeke als ook het hospitaal van Nicolaas, en keren weer naar Gent met zo veel buit als zij konden dragen, onder hun weg gelijkelijk plunderende en verbrandende al wat zij vonden.’

‘Op den 5 maarte, de hertogin van Bourgondië, gaande naar Brugge, wordt dit aan de Gentenaars kenbaar gemaakt, die een hinderlaag tot Rollegem leggen langs waar zij zoude passeren. Doch gelijkelijk daar van verwittigd zijnde, trekt zij langs een andere kant. De heren Simon van Lalaing en van Maldegem daar niet van onderricht zijnde, trekken haar tegemoet, de heer van Lalaing valt bij Zwevegem onder de Gentenaars van welke hij onsingeld wordt, doch door de heer van Maldegem en de dapperheid van zijn volk nog gered, maar niet zonder verlies.’

‘Het Gents garnizoen uit Poucke, te zelven tijde een uitval doende, plundert en verbrandt Ingelmunster, ’t welke aan de graaf van Estampes (wegens zijn vrouw toebehoorde), doch kunnen het kasteel niet overweldigen. Gedurende de maand april doen de Gentenaars onophoudelijk veel kwaad en invallen langs verscheidene kanten, het gene de Bourgondiërs niet wel konden weerstaan, terwijl de opperhoofden van het leger van de hertog de oorlog maar zeer flauw konden voortzetten, zijnde de soldaten, bij gebrek aan betaling zeer veel verlopen. Nochtans die van het garnizoen van Kortrijk en van andere steden verwoesten gedurig voorts in het Gentse, bestormen ook het kasteel van Poucke, maar vruchteloos.’

‘Op den 1 mei, ’t kasteel van Male wordt door de Gentenaars verbrand, terwijl een andere bende ook Tielt en het omliggende plundert, van waar zij grote buit halen. De bastaard Blancstrain doet hetzelfde in Lichtervelde en Koolskamp, verliezende aldaar drie van zijn soldeniers, gedood door het geschut van het kasteel van Lichtervelde.’

‘Op den 4 junius, den hertog doet de lijfrenten die de Gentenaars alhier op deze stad hadden, verbeurd verklaren. Hij wil ook de oorlog als nu tegen Gent met kracht voortzetten, waarom hij zeer veel volk vergadert. Op den 18 dito komt hij van Rijsel met zijn zoon (Karel de Stoute) naar Kortrijk alwaar hij 4 à 5 dagen verblijft en vertrekt dan naar Oudenaarde tot het beleg van het kasteel van Schendelbeke, het welk op de 27ste ingenomen wordt. Daarbij wordt het garnizoen opgehangen en de kapitein Lauwereyns naar Kortrijk vervoerd.’

‘De hertog komt van daar terug naar Oudenaarde en op de 1ste juli komt tot Kortrijk logeren, trekkende van hier naar Poucke, welk kasteel hij belegert. Twee dagen later wordt de ridder Jacob van Lalaing door de blinde Heindriks zoon, een zeer jonge knecht, dood geschoten, die door de hertog zeer beklaagd wordt. De graaf, om hem te wreken, doet het kasteel met meerder geweld aantasten, waarop de bezetters gedwongen worden zich over te geven, de welke alle met hun kapitein Lauwerentius Goethals opgehangen wierden. Er worden maar enige priesters, een melaatse en enkele jongens gespaard, waar onder die blinde Heindriks zoon, die als onnozel scheen.’

‘Na het nemen van Poucke, komt de hertog weder naar Kortrijk, met zich meenemende de jongen die hij gespaard had, zonder te weten dat ’t deze was die Jacob van Lalaing dood geschoten had. Deze is kort daarna ontvlucht en weder naar Gent gekeerd. Zijn krijgsvolk komt ook naar Kortrijk, onderweg zeer veel rovende, het gene toegestaan was omdat zij slecht betaald wierden, en de hertog verblijft alhier twaalf dagen, zendende zijn leger naar Oudenaarde voren op.’

‘Op den 16 dito vertrekt hij van hier om het kasteel van Gavere te gaan belegeren, na dat hij zijn geld bekomen had tot het betalen der troepen. Hij had getracht zijn zoon van de oorlog te verwijderen en hem ten dien opzichte uit Kortrijk naar zijn moeder verzonden, maar die jonge prins keert haastelijk weder nog voor het vertrek van zijn vader. Twee dagen later begint het beleg van Gavere. Die van Gent trekken met 20.000 mannen tegen de hertog, maar het kasteel van Gavere was reeds ingenomen, en alle die van de bezetting waren opgehangen, uitgenomen hun kapitein die naar Gent gevlucht was op voorwendsel van daar hulp te vragen.’

‘Op den 28 dito, de Gentenaars tot Gavere komende, worden door het leger van de hertog verslagen, bij middel dat zij voor ’t springen van enig bus-poeder, en ’t misverstaan van het daarop roepen vlucht, in wanorder geraakt waren. Men rekent dat er 15 à 16.000 Gentenaars gedood of in de Schelde versmoord zijn.’

‘Den hertog doet de vrede bieden aan die van Gent, de welke op den 30 julius gesloten en bevestigd wordt.’ Dan toch. ‘Op onder andere voorwaarden dat die van Gent geen zaken tot zich mogen beroepen, hangende voor de rechtbanken van Kortrijk en andere subalterne steden en kasselrijen, en dat deze voortaan vrij en ontslagen zijn van alle rechtsgebied en gezag door de stad van Gent daar over gepleegd.’

‘Die van Harelbeke en Kortrijk hadden zeer veel geleden in deze oorlog. Niet tegenstaande dezen oorlog zijn in dit jaar de versterkingen dezer stad volmaakt, als onder andere de stadsmuur met de Leie poorte en de vier torens rond Buda. Ook stond de hertog toe de begonnen versterkingen aan de Overleie en Overbeke te voltrekken.’ ‘Den hertog verbiedt bij een edict het dragen van wapenen door de burgers en de boeren, welk gebruik door de Gentse oorlog in zwang gekomen was. Hij verbiedt ook dat al de edelen en rijke burgers geen eene kleding aan hun dienstboden en onderzaten zouden geven als die in hun eigen dienst waren.’

Vanaf 1454 valt het leven weer in zijn normaal plooi. Ik vraag me af hoe lang de mooie liedjes nu weer zullen duren. ‘Op den 11 november begon het zeer sterk te vriezen, ’t welk veertien dagen lang aanhield, dusdanig dat men met karren en wagens over het ijs reed, ’t welk gevolgd wierd door overstromingen en sterke winden.’

‘1455, op den 6 mey komt de hertogin van Bourgondië in pelgrimagie tot Dadizele. Enige burgers verzoeken aan de paus Nicolaus den vijfden om alhier een klooster van Minderbroeders te mogen stichten, onder de naam van St. Barbara, ’t welke hij toestaat, en daar toe commissie geeft aan de abt van Sint-Pieters, zonder de bisschop te moeten kennen, doch wel de hertog alleen.’

‘Op den 11 augustus wierd een groot schietspel van de stalen boog tot Doornik gehouden, alwaar 59 gilden bijeen kwamen, waaronder die van Menen met 10, Kortrijk de kleine gilde met 9, en Wervik ook met 9 schutters waren, zijnde te samen ten getalle van 553 gildebroeders. Dezelfde schieting is maar geëindigd op de 18de september.’ Ik verwonder me er over dat er al zoiets bestaat als een stalen boog in die tijd, maar ga verder naar 1456. ‘Op den 1 maarte, de stad staat toe aan de priores van het hospitaal dezer stad, het gebruik van twee torens op de vesten, tot hun vrijdom, af te sluiten.’

‘Op den 20 april 1457 komt den hertog met de dolphin Lodewijk tot Oudenaarde en van daar naar Kortrijk, alwaar zij zeer plechtiglijk ontvangen en onthaald worden, en vertrekken van hier naar Brugge. De dolphin (de Franse kroonprins) vertrekt van daar, tot zijne genoegte, al Vlaanderen weg, gaande van de ene stad naar de andere, alwaar met hem alle onthaal dede en alle beleefdheid betoonde die men konde bedenken.’

‘Ten dezen jare wordt een groot schietspel tot Aardenburg gehouden, alwaar de gilde van St.-Joris van alhier op het alderprachtigste onthaald wordt. In dit jaar heeft men alhier op de vestingen den H. Geest-toren beginnen te bouwen als ook een sterke toren op den Broel, zijnde waarschijnlijk de noordelijke Broeltoren, als ook de Hazelaartoren die tot op de hoogte van 72 voeten gebracht wordt. De toren op de Broel gebouwd moet deze wezen waar de molen opgestaan heeft, want het is zeker dat de twee Broeltorens op een en dezelfde tijd gemaakt zijn, vermits zij dienden voor de Speipoort, want op een der zelve gekapt staat ‘Speipoort’.’

Op den 11 november begonst het zeer hard te vriezen, welke vorst duurt tot den 18 februarius’. Een vorstperiode van 3 maanden, dat zijn toch winters die wij ons eigen leven toch nog niet hebben meegemaakt. Het moet een barre periode geweest zijn, lees ik, het was zo erg dat ‘er wagens en karren over de rivieren reden. Daarna volgende uit de menigvuldige sneeuw en regen, grote overvloed van water, alsmede stormwinden die huizen, torens en bomen afsmijten.’

Het klimaat van 1458 is zowat een copie van dat van 1457; ‘men had dit jaar een droge zomer, zijnde zonder te regenen van april tot half oktober. De wijnen waren goed, maar de granen zeer slecht. En op den 12 november begon een zeer harde vorst die duurde tot den 11 februarius.’ Ik laat jaren van kerkelijke sprokkels en weerberichten links liggen. De zomers zijn meestal droog en de winters erg lang en koud. Het land leeft in relatieve vrede en voorspoed en daar komt in 1477 bruusk een einde aan met de dood van de nieuwe hertog Karel de Stoute. Ik heb het er in mijn vorige kronieken al uitvoerig over gehad. Wat zullen ze hier in Kortrijk te vertellen hebben over de hele historie?

Tijd om even uit te stappen dus, ‘op den 5 januarius wordt onze hertog Karel gedood in de slag van Nancy. Op het vernemen van de dood van de hertog Karel, begeven hun de generale staten van het land met de bisschoppen, groten enzovoort tot Gent bij de hertogin-weduwe en vrouw Marie, om te beramen, rakende het welvaren en behoeve van het land, alwaar met, om bestwille voor alle zaken Adolf van Gelderen uit zijn kasteel hier verlost, alwaar hij reeds ’t vijfde jaar gevangen was.

Wie is die Adolf van Gelderen eigenlijk? Vreemd toch dat die man mijn pad niet heeft gekruist tijdens de verslagen van mijn vorige kronieken? Die van Kortrijk hebben er beslist nog meer over te vertellen maar ik besluit om toch eerst een keer zelf op onderzoek te gaan. De man heeft nogal wat namen. In de actuele geschiedenisboeken staat hij bekend als Adolf van Egmont. Adolf is hertog van Gelderland dat in 1468 door Karel de Stoute werd ingepalmd. Sindsdien stelt Gulden Vlies ridder Adolf van Gelderen zich op als vijand nummer één van Karel de Stoute en van diens rechterhand Adolf van Kleef. In 1471 slaagt de hertog er in om van Gelderen op te pakken en verdwijnt hij in de gevangenis van Kortrijk. Tot aan de dood van Karel de Stoute dus.

Wat het Kortrijkse jaarboek schrijft, blijkt slechts het topje van de ijsberg. De ‘Chronyke van Vlaanderen’ vertelt me het hele verhaal dat me direct bij de keel grijpt. De finefleur van Vlaanderen rept zich na de dood van hertog Karel tot in Gent en gaat onmiddellijk in vergadering. Ik laat de journalisten van die dagen aan het woord: ‘Hun eerste besluit was om Adolf van Gelderen, die nu over de 5 jaren in hechtenis binnen Kortrijk hadde geweest, in vrijheid te herstellen, om alle onheil te voorkomen, het welke konde gevreesd worden.’

Ik krijg ook de randinformatie aangereikt. Karel de Stoute was een oorlogszuchtige man die het tot grote frustratie van de Vlamingen vooral aan de stok had met Frankrijk. ‘Gedurende al de vijandschappen en oorlogen in Artesië hebben de hovelingen van de prinses Maria, maar vooral de hertog van Kleef, niet kunnen verdragen dat Adolf van Gelderen zo veel heimelijke vrienden had die hem dagelijks kwamen toespreken, zo veel gemaakt in de geheime raad, dat deze wederom veroordeeld wierd naar zijn vorige gevangenis geleid te worden.’

Ik hoop dat ik het goed heb begrepen: na zijn vrijlating gaat van Gelderen zich moeien met de gebeurtenissen in het zuiden van de Westhoek en dat is niet naar de zin van de militaire advisieurs van de jonge en onervaren Maria van Bourgondië die hem terug gevangen nemen. Daarmee zit het spel nu natuurlijk direct op de wagen.

‘De Gentenaars, die geen kleine achting hadden voor Adolf, betrachten alle mogelijke middels om hem te verlossen en vonden eindelijk een zodanig middel, die geheel het hof niet en konde wedervaren.’ Ze bezoeken hem in de gevangenis en benoemen hem tot poorter van Gent met als beroep goudsmid. Het zou in principe een diepe vernedering moeten zijn voor een geboren edelman, maar hij komt vrij en dat is het belangrijkste. ‘Tot spijt en smart van zijn vervolgers en benijders.’

‘Zo haast Adolf van Gelderen binnen Gent gekomen was, heeft hij alle tekens van dankbaarheid getoond aan de Gentenaars die hem mogelijk waren, met opdracht van zijn dienst en leven niet te zullen sparen voor hen. Mits nochtans altijd de toestemming van de hertogin, de welke hij (zo hij toch beweerde) met haar landen en goederen wilde beschermen en bewaren, ja vergroten en vermeerderen indien zij hem hier toe wilde gelegenheid geven.’

Ik begin de situatie een beetje te snappen. Van Gelderen probeert de bestaande Staten-Generaal van Vlaanderen opzij te schuiven om zelf de sterke man te worden in Vlaanderen. Hij ziet het al allemaal voor zich: samen met de Gentenaars zullen ze de Fransen wel afstoppen. Allemaal zogezegd in dienst van Maria van Bourgondië die zowat de rol speelt van hartenvrouw in een kaartspel. Zelfs een ‘mariage’ zit er niet in.

De Vlaamse kronieken gaan inderdaad in die zin verder. ‘Waar na zij besluiten een leger te velde te brengen en onder het beleid van Adolf van Gelderen uit te zenden om de woedende Fransen te betomen en weder te drijven naar hun rijkspalen. Zij stellen deze zaak voor aan Maria, die haar standaard zelfs in handen geeft van Adolf, hem bevelende dat hij als een vrome en getrouwe krijgsheld haar landen en steden zou beschermen, de vijand vromelijk aanvallen en al het onheil op die manier zou afweren, als God hem die macht zou geven.’

‘Nu had Adolf van Gelderen zijn Gentse soldaten van de anderen gescheiden en neergeplant op de Sint-Pietersbrug zowat twee mijlen en half van de stad Doornik, het welke de Franse soldaten, Doornik bewakende, ook zeer wel wetende, en hebben daarom hun dagelijkse uitlopingen op de Vlaamse en Henegouwse platte landen niet gespaard. Maar integendeel met groter getal dagelijks al om rovende, vonden zij enige gewapende Vlamingen, de welke zij met het zwaard aantasten, zo dat er dikwijls kleine tochten wierden gehoord.’

‘Op een nacht heeft Adolf ook zijn volk uitgeleid tot onder de stad Doornik, alwaar hij geheel de voorgeborchten heeft in vuur gesteld ende des ’s morgens verwachtende de uitvallende Fransen, de welke niet en schenen te komen, is hij wedergekeerd naar zijn veldplaats. Edoch alsdan zijn de Fransen uitgevallen, en hebben met alle wreedheid gesprongen op de laatste benden van Adolf de welke willende tijd geven aan de zijne of van te vluchten, of van een slag te beginnen.’

Ik krijg hier te maken met een volzin die maar niet uitgeschreven geraakt. Ik kom noodgedwongen tussen. Punt. En dan ga ik weer verder. ‘Zijn mannen hebben zich vromelijk opgesteld en de aandringende Fransen voor enige tijd opgehouden, tot dat hij van het meeste deel van de zijne verlaten zijnde, wierd doorstoken en van zijn paard geworpen.’ Adolf van Gelderen zit blijkbaar nu zelf diep in de shit.

‘Nu vocht hij te voet en met een dodelijke wonde gekwetst maar van velen aangerand zijnde, wierd hij nog met twee spiesen doorboord en is in volle glorie al vechtende ter plaatse gebleven, al roepende twee maal ‘Gelderland, Gelderland’. ‘Zijn lichaam wierd op een paard binnen Doornik gebracht en nadat het zelve met ongedekt hoofd enige tijd bij de Sint-Jacobskerk had ten toon gesteld geweest, wierd het met groot lijkpracht begraven in de kapel van Sint-Lodewijk binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouw.’

Ik keer nu met grote spoed terug naar de Kortrijkse geschriften die tot mijn verbazing een heel andere draai geven aan de gebeurtenissen. Het schoonste bewijs dat een mens moet opletten om alles zomaar voor waar en echtgebeurd te accepteren. De waarheid heeft inderdaad handgrepen. In het Kortrijks jaarboek ben ik geëindigd met de zin; ‘Gedurende al de vijandschappen en oorlogen in Artesië hebben de hovelingen van de prinses Maria, maar vooral de hertog van Kleef, kunnen verdragen dat Adolf van Gelderen zo veel heimelijke vrienden had die hem dagelijks kwamen toespreken, zo veel gemaakt in de geheime raad, dat deze wederom veroordeeld wierd naar zijn vorige gevangenis geleid te worden.’ En nu ga ik weer verder:

‘In de maand april, de hertog Adolf van Gelderen wordt uit het kasteel van Kortrijk verlost. Hij vertrekt naar Gent, maar wordt in de troebels aldaar wederom in de gevangenis gesteld, doch haastig daaruit verlost. Hij wordt aldaar onder het ambacht der goudsmeden aangeschreven om de voorrechten van die stad te genieten. Hij wierd ook overste van hun krijgsvolk gemaakt en als onderbaljuw aangenomen.’

De Franse koning Lodewijk, trachtende op listige manier troebelen en verraderijen onder de Vlamingen te brengen tegen de gravin Maria, zendt naar Gent zijn baardsnijder Olivier, geboortig van Tielt, bijgenaamd de duivel, onder de naam van le Daim, en met de titel van gezant, samen met Olivier de Nockere en meester Beernaert van Halewyn, zoon van Beernaert, meester van de requesten in het parlement van Parijs.’

‘Deze Olivier aldaar mislukkende, maakt zich met bedrog en verraad meester van Doornik, alwaar de koning een groot garnizoen zendt, die al het land rondom verwoest. In het begin van mei, de Fransen in Doornik, plunderen en doen veel schade tot aan Kortrijk en Oudenaarde. Den hertog Adolf van Gelderen, wordt tot opperhoofd van ’t Fransch leger gesteld, en gelijk hij weduwnaar was, zegt men, dat die van Gent beloofd hadden de gravin te dwingen om met hem te trouwen, anders dat dit zoude geweest zijn met zijnen zoon Karel.’

Met ‘het Fransch leger’ bedoelen de oude schrijvers eigenlijk ‘het leger dat het opneemt tegen de Fransen’ en dat wordt gaandeweg ook duidelijk: ‘Op den 12 mey, de Gentenaars trekken uit tegen de Fransen, onder de bevelen van de hertog van Gelder, en gaan kamperen tussen Kortrijk en Menen, en de Bruggelingen gaan zich bij de andere Vlamingen vervoegen bij Menen, van waar zij verders gaan kamperen bij Spierre brugge.’

‘Op den 28 dito, ontrent 300 Vlamingen worden bij Spierre door omtrent 150 Fransen, uit Doornik vallende, geslagen. De Vlamingen om hun te wreken, steken het vuur in verscheidene plaatsen, onder andere tot Warcoing en Rumignies. Op den 30 dito, zij verbranden het kasteel van Chin en alle de huizen tussen Chin en Rumignies, doch worden met verlies verjaagd door de heer Moni, heer van Chin, en tot bij Lannoy achtervolgd.’

‘Op den 3 junius, het Frans leger komt legeren bij de brugge van Spierre alwaar zij zich versterken. Op den 21 dito, Corneille De la Croix, inwoonder van Kortrijk, wordt als spion tot Doornik onthoofd. Ten zelven dage, de Vlamingen steken ’t vuur tot Pecq, Esquelines, enz.. Op den 25 dito, de Vlamingen behalen grote buit op die van Doornik, en nemen stormenderhand ’t kasteel van Pont-à-Marcq.’

‘Op den 27 dito, zij komen van Spierre naar Chin en verbranden de voorgeborchten van Doornik. De Fransen doen daarop een uitval en in de schermutseling wordt de hertog van Gelder gedood en zijn lichaam binnen Doornik gebracht en begraven. De ridder van der Gracht wierd daar ook verslagen, en de Vlamingen worden gevolgd tot omtrent Rumignies, alwaar het geschut der Vlamingen de Fransen achteruit doet wijken.’

‘De Gentenaars, na de dood van de hertog van Gelder, verlaten omtrent tien uur ’s avonds het leger bij Spierre. Op den 28 dito, de Bruggelingen denken dat ze verraden zijn na het vertrekken der Gentenaars, ze breken ook hun leger op en keren in alle haast naar Kortrijk, achterlatende hun tenten en levensmiddelen, de welke door die van Kortrijk tot buit gemaakt worden, en die de vluchtenden achtervolgden tot bij Oudenaarde en Kortrijk, en in ’t wederkeren alle de huizen tussen die stad en Spierre verbrandden.’

‘Op den 29 dito, die van Kortrijk wakkeren die van Brugge op om weder te keren naar Spierre. De volgende dag, die van Brugge, Tielt, Kortrijk, enz, wedergekeerd zijnde tot Spierre, worden verrast door de Fransen, vallende uit Doornik, op de vlucht geslagen, met verlies van hun geschut, vaandels en bagagie, wordende Mr. Jacques van Halewyn, hoogbaljuw van Brugge gevangen.’

‘Op den 3 julius, de Bruggelingen trekken weer tot aan Waardamme, met inzicht van te komen kamperen bij Harelbeke. En die van Doornik komen met macht tot bij Bellegem om de Vlamingen op te zoeken.’ Net zoals bij de slag van Westrozebeke bewijzen de Kortrijkse jaarboeken opnieuw hun grote nauwkeurigheid bij hun verslag van de oorlogsfeiten. En dat het oorlogt in het zuiden van West-Vlaanderen valt zeker niet te ontkennen. In Kortrijk slaat de onrust toe. De kans dat ze te maken krijgen met een Franse inval groeit met de dag. De geestelijken nemen alvast hun voorzorgen; ‘De kanunniken van O.L. Vrouwe tot Kortrijk verzenden hun documenten en titels naar Gent tot meerdere verzekering.’

‘Op den 8 dito, worden de Vlaamse krijgsgevangen tot Doornik verkocht. Vermits die van Gent en Brugge tuchteloos en ongeoefend waren, worden in hun plaats soldeniers ofte gesoldeerde soldaten aangenomen.’ Mariaatje heeft blijkbaar hulp gezocht en gevonden. Deze soldeniers komen tot Kortrijk aan met de heer van Luxemburg om de stad te versterken. Dat is blijkbaar niet naar de zin van die van Gent, want ‘zij lopen daarop in in de wapens en maken groten troebel in Kortrijk.’

Op den 19 julius, de Fransen verkopen publiekelijk op de markt al de buit die zij tot Spierre gemaakt hadden, en zij verwoesten met de Doornikse al het platte land van Vlaanderen. Doch de steden wel voorzien zijnde van goede kapiteinen, vrezen hun aanvallen niet. Zij doen verscheidene uitsprongen tot aan het voorgeborchte van Kortrijk en overrompelen op den 30 de versterkingen der Bourgondische aan Tourcoignen, ’t geene zij voor een groot deel verbranden, en veel lakens tot buit wegvoeren.’

‘Ten zelven dage, de Gentenaars komen naar Kortrijk, doch worden niet wel ontvangen. Zij geraakten in twist met het volk van de heer Jan van Luxemburg en van Spierre, waarop een gevecht ontstaat in ’t welk die heren gekwetst worden, moetende met verlies van zes mannen vluchten in hun woonplaatsen, alwaar de Gentenaars hen achtervolgden, schietende met een stuk kanon in ’t huis van Mr. Luxemburg en aldaar enige mannen doden.’

‘De oversten der stad Gent daar van verwittigd zijnde, zenden aanstonds de dekens der neringen naar Kortrijk, met krijgsvolk, de welke alhier de zaak onderzoeken en enige der muitmakers doen onthalzen. Op den 7 augustus had men alhier een grote duisternisse, waarop een groot onweder volgde. Ten zelven dage een deel van het garnizoen van Doornik komt plunderen in de dorpen omtrent Kortrijk en onder andere tot Harelbeke alwaar zij brand stoken, van waar zij tot tegen onze stad komen, waarop het garnizoen van deze stad een uitval waagt, doch met verlies weer in de stad gedreven wordt.’

‘De Fransen nemen ook drie karren met zout en mosselen, en op de zelve vinden zij het geld gezonden om onze soldaten te betalen. Op den 16 dito zijn er enige van het garnizoen van Doornik naar Herseaux en Moeskroen gekomen, van waar zij met 24 gevangenen zijn teruggekeerd.’ ‘Op den 19 dito, de hertoginne Marie trouwt tot Gent met de aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk’. Het lijkt voor de Kortrijkzanen een fait-divers in de oorlog want meer dan één zinnetje spenderen de kroniekschrijvers niet aan deze alliantie. Ze schakelen gehaast over op hun oorlogsverslaggeving: ‘op den 25 dito, is wederom een deel van die van Doornik naar Moeskroen gekomen, alwaar zij met geweld 25 gevangen bekomen hebben.’

‘Op den 2 september, de Fransen vallen andermaal uit Doornik, en verwoesten al het land tussen de Leie en de Schelde van aan St.-Omer tot aan Kortrijk. Ze verbranden Harelbeke ten dele en plunderen tot tegen Kortrijk, bedrijvende verders alle slag van wreedheden. Op den 13 dito, terwijl de Vlamingen de wapenstilstand niet hadden willen laten verkondigen, wierden verscheidene burgers van Doornik, die zich er op betrouwd hadden, gevangen en alhier en in andere steden gehuist.’

De komst van Maximiliaan wordt nu echt zichtbaar. ‘Op den 19, werd tot Lens een nieuwe wapenstilstand voor tien dagen getekend. Onze hoogbaljuw, mijnheer van der Gracht, was gesteld om de zelve hier te doen onderhouden. Op den 20, wordt de wapenstilstand tot Brugge afgekondigd. Ten zelven dage komt de aartshertog van Pont-à-Vendin naar Dadizele om het beeld van O.L. Vrouwe aldaar te bezoeken.’

‘Op den 30 dito, die van Doornik komen alhier tot tegen de Doornikse wijk. Ons garnizoen valt er tegen uit en verliest twee mannen gevangen. Op den 9 October, enige van Doornik lopen uit tot aan Waterlo (Wattrelos) en Roubaix, van waar zij met veel buit en gevangen naar hun stad terugkeren. Op den 22 dito, doen zij wederom een uitval langs den kant van Kortrijk.’

De oorlog loopt hoe dan ook op zijn laatste beentjes. ‘Op den 29, enige Bourgondische soldaten trekken naar de kant van Doornik, alwaar zij enige Franse Tourcoignenaars vangen en naar Warcoing brengen. Op den 31 October, de aartshertog komt alhier met grote pracht van Rijsel en bezweert de privileges en voorrechten van onze stad, vertrekkende dan van hier voorts naar Oudenaarde.’

Ik beland in het gezegende jaar 1478. Tja, gezegend zal het wel niet zijn. Wie houdt er zich trouwens bezig met het zegenen van jaren? De beveiliging van de landsgrenzen hier bij ons wordt in elk geval ernstig aangepakt door de kersverse echtgenoot van Maria van Bourgondië. Het amateurisme wordt vervangen door professioneel oorlogsvoeren. ‘Op den 28 januarius komt den aartshertog van Gent naar Kortrijk, vergezeld door 580 Gentenaars, die hun kamperen omtrent Werveke. Jan van Baye wordt tot Rijsel onthoofd en gevierendeeld omdat hij sedert het gevecht bij Spierre de Fransen voor spion gediend had.’

‘Op den 8 junius, den koning belooft van zijn garnizoenen uit de steden van Doornik, Bethune, Atrecht, Terwaan en Kamerijk te trekken, maar hij houdt zijn woord niet, wordende alleenelijk ’t kasteel van Kamerijk met Frans en Bourgondisch garnizoen geleid. De aartshertog omtrent het eindigen van den stilstand, vergadert nieuwe krijgsbenden om niet onverwacht van de Fransen overvallen te worden, waarmee hij naar Rijsel trekt. Op den 7 julius, die van Doornik verjagen het Frans garnizoen en geven zich over aan de aartshertog, dewelke ten zelven dage een stilstand sluit met de koning van Frankrijk voor één jaar en veertig dagen.’

1479. ‘Op den 27 april had men alhier omstreeks een schrikkelijk onweder van donder en bliksem die veel schade veroorzaakt heeft. Op den 11 mey wierden tot Wervik bij ongeluk meer als 200 huizen verbrand. Ten dezen jare wordt Willem, baron van Heule, kasteelheer van Kortrijk. Op den 7 augustus is de vermaarde veldslag van Guinegate, bij Terwaan voorgevallen. Acht dagen later komt de aartshertog met de hertogin Maria en Mr. Jan van Dadizele, generaal van het Vlaams leger en hoogbaljuw van Gent, om O.L. Vrouwe van Dadizele te bedanken over de zegepraal op de Fransen behaald. De pest begint te heersen in het land door de overgrote hitte van de zomer.’

De oorlog met Frankrijk is afgelopen. De kronieken van Kortrijk kunnen weer naar hartenlust lanterfanten tussen de weersprokkels van de volgende jaren. De kelk van het kerkelijk nieuws van abten en abdessen wordt tot op het randje gevuld maar die laat ik aan me voorbij gaan. Geef me dan toch maar regen en wind en storm. ‘De zomertijd van dit jaar 1480 is zo nat en koud geweest dat de landslieden zich in het algemeen daar over beklaagden. De pest heerst als nu zeer sterk in deze landen. Enige dagen voor kerstdag begon een zeer harde vorst die tien weken lang duurde, dusdanig dat niemand harderen gedenken konde, waardoor grote hongersnood ontstaan heeft.’

1481. ‘De koning stelt in dit jaar de peerde-posterijen aan op de grote wegen ten opzichte van een ziekte van de dolphin. Ten dezen jare was ’t een dieren tijd en schaarsheid van granen waardoor vele mensen van honger zijn vergaan. Op den 7 October wordt mijnheer van Dadizele, hoogbaljuw van Gent, tot Antwerpen, ’s avonds om tien uren zeer verraderlijk vermoord door de bastaard van Goesbeke, om Joos van Lalaing te believen, die zeer zijne gunst bij de prins benijdde, hij wordt naar Dadizele vervoerd en aldaar begraven.’

Met het aankomen van de winter wierd de hongersnood langsom meerder. Op den 10 december, die van Gent bannen de baljuw en de wet der kasselrij van Kortrijk voor 50 jaren omdat zij gezegd hadden dat de Gentenaars muitmakers waren. Ten dien tijde behoorde aan de stad toe de erve achter de berg en de oude vismarkt, die alsdan gehouden wierd omtrent de fontein bij de Brielbrugge. Van den 26 december tot den 28 februarius had men een zeer felle vorst, waardoor veel bomen en landvruchten vervrozen, ’t geene de hongersnood zeer vermeerderde’.

1482. ‘Op den 27 maarte is de hertoginne Marie te Brugge gestorven door een val van haar paard.’ Niemand kan dan al weten dat de onverwachte dood van Maria Vlaanderen in een burgeroorlog zonder voorgaande zal storten. In Kortrijk vangen ze in 1486 de eerste signalen van naderende ellende op. ‘Omtrent de maand mey, de Fransen Terwaan bezet hebbende, legt de aartshertog daartegenover troepen en onder andere een grote bende Duitse, meest Zwitsers zijnde, waarvan hij een deel tot Aalst en een deel tot Kortrijk legt, die alhier zijnde, verklaren niet voort te willen trekken vooraleer zij betaald waren, dus dat hij ten groten koste geld moest zoeken, waarna hij met zijn leger naar Cassel vertrekt.’

‘In den maand junius, de aartshertog Maximiliaan komt van Brussel naar Kortrijk, en vertrekt van hier naar Ieper en St.-Omer om hulp en voorraad in Terwaan te brengen. Dit jaar had men een zeer harde vorst die duurde tot den 29 maarte, waardoor veel ambachtslieden ledig moesten blijven en de vruchten bedierven.’

In 1487 gaat het van kwaad naar erger. ‘In de maand november, de aartshertog woonde de staatsvergadering tot Brugge bij om te trachten wederom vrede met de Fransen te verkrijgen, maar de Gentenaars worden andermaal oproerig. Op het einde van november, den aartshertog komt van Brugge naar Kortrijk en trekt van hier voort langs Oudenaarde en Mechelen naar Antwerpen. Kort voor kerstdag komt hij van Mechelen langs Enghien, Kortrijk en Ieper naar Brugge.’

‘Op den 25 december, de witte caproenen en Groententers lopen wederom uit Gent, rovende en vangende al wie van Gent naar Kortrijk of van Kortrijk naar Brugge reisde. Op den 9 januarius, Mr. Adriaan, heer van Liedekerke, als overste, en Martin van Tielt, als kapitein der Gentenaars, met 6000 mannen, komen op het onverwacht voor Kortrijk, waarvan zij zich meester maken na een kort gevecht tegen de burgers en het klein garnizoen.’

De baljuw en de heer van Estres vluchten naar Rijsel en Mr. Van Heule met Cornelis de Bar vluchten met enige soldaten op het kasteel. De Gentenaars dringen het magistraat en de burgerij dezer stad aan de hertog Philips en aan de stad Gent de eed te doen.’ Ik kom even tussen om te vertellen dat de hele burgeroorlog in Vlaanderen draait om de onwil van een deel van Vlaanderen om Maximiliaan als vorst te erkennen en alleen maar willen weten van zijn opvolger Filips de Schone, zijn jong zoontje uit zijn huwelijk met Maria van Bourgondië. De Gentenaars willen de Kortrijkzanen dus dwingen om Filips als hun staatshoofd te erkennen en Maximiliaan de rug toe te keren.

Plunderen is er natuurlijk ook weer bij met al die krijgsmannen in de Kortrijkse binnenstad. ‘Zij namen de drank uit de kelder van het kapittel, zonder te willen betalen, en de stad vindt zich gedwongen de plundering met een zeer grote som geld af te kopen. ’s Anderendaags wordt het kasteel aan de Gentenaars overgegeven en mijnheer van Bar, getrouw blijvende aan Maximiliaan, vertrekt naar Rijsel. De heer van Heule doet de eed en wordt als kastelein op het kasteel gelaten.’

‘Den heer Philips van Kleef, door de aartshertog ter hulp gezonden met 300 mannen, komt te laat en moet onverrichterzake weerkeren, waarop hij naar Ieper trekt om die stad te verzekeren, maar de burgerij sluit op zijne aankomst de poorten en weigert hem de intrede. Op den 8 februarius wordt den aartshertog Maximiliaan door de Bruggelingen gevangen en op den 10 mey wordt hij door hun losgelaten. Weinige dagen na de vrede van Brugge, schrijft Maximiliaan naar de andere steden dat zij die vrede niet zouden afkondigen, en gebiedt vijftig wagens met levensmiddelen naar zijn leger bij Menen te voeren. Hij blijft enige tijd met zijn leger rond Menen liggen.’

‘Op den 9 junius 1488, die van Deinze hebben Franse en Gentse bezettingen, belettende de gemeenschap tussen het leger van Maximiliaan en Henegouwen, waarom hij die plaats door Christoffel van Baden bij nacht doet overrompelen, en geheel het garnizoen wordt er omhals gebracht. Op den 11 dito wordt Roeselare geplunderd en verbrand door het volk van de aartshertog.’

‘Omtrent half junius, geveinst Maximiliaan Kortrijk te belegeren, maar zendt zijn volk tegen Ieper, welke stad zich verdedigt, hebben Franse versterking bekomen. Zij keren weer naar Menen, en Maximiliaan met meest al de Duitse edeldom vertrekken op den 24 naar Rijsel, alwaar hij aan de burgerij de eed van getrouwheid afneemt en dan terugkeert naar Menen. Van daar komt hij voor Kortrijk, eist de stad op, maar wordt geantwoord dat zij zich willen houden met die van Gent, Brugge en Ieper, waarop hij verbitterd opbreekt en trekt bij de keizer Frederik, zijn vader, tot Evergem.’

1489. De Gentenaars zijn er vorig jaar nog in geslaagd om het kasteel van Helkijn te veroveren en de Kortrijkzanen konden zegevieren tegen het garnizoen van Rijsel. Op 4 januari krijg ik weer te maken met de actualiteit van de dag. ‘Lodewijk van Halewyn, heer van Peene, trekt uit Brugge met de Fransen, en wordt vervoegd door enige Kortrijkzanen, Bruggelingen en Ieperlingen, die zich bij de andere vervoegen tot Oudenburg, onder het beleid van Joris Picavet. Zij belegeren het kasteel van Handzame, ’t gene zij innemen en dat van Esen en Werken, alwaar zij verblijven, en keren op den 6 februarius weer naar hun respectieve steden.’

‘Op den 17 mey, die van Brugge, Ieper en Kortrijk, trekker legergewijs, onder het beleid van Joris Picavet, Antoon van Nieuwenhuyze en andere om Diksmuide aan te tasten en verschansen zich bij Beerstbrugge. Op de, 13 junius, de Vlamingen worden door Mr. Daniel van Praet met de Duitse troepen besprongen en geslagen, wordende Antoon van Nieuwenhuyze gedood en Joris Picavet gevangen.’

‘Omtrent den 25 julius, de drie leden van Vlaanderen en de aartshertog Maximiliaan zenden gedeputeerden tot de koning van Frankrijk om, volgens zijn uitspraak den vrede te maken. Onder de gedeputeerden der drie steden bevond zich de heer Jan van Stavele, heer van Izegem, en onder degene van de aartshertog, de heer Philips Cortroisin, Heer van Foreeste. Op den 29 October wordt bij Montel, bij Tours, door de koning van Frankrijk geuit zijn oordeel aangaande het slissen der onenigheden in Vlaanderen.’

Maximiliaan en de Fransen zijn nu plots beste vrienden geworden en ze isoleren daarmee het Vlaamse verzet van Filips van Kleef. De nieuwe politieke situatie lijkt op het eerste zicht wat stabiliteit te brengen in Vlaanderen. Ik weet wel beter en kijk enigszins argwanend naar de blijkbaar niets vermoedende jaarboekschrijvers van het Kortrijkse. ‘Op den 19 januarius van 1490, de gedeputeerde van de aartshertog kwamen in grote pracht van Gent te peerde in Brugge, en vermaakten aldaar de wet. Op den 20 dito, Albrecht, hertog van Saxen, als stadhouder-generaal in opdracht van de aartshertog, komt tot Kortrijk, welke stad hij wel voorziet van volk en kapiteinen, waarna hij naar Ieper vertrekt.’

‘Op het krachtig verzoek van de hertog Albrecht van Saxen, werken de nieuwe wethouders en ambtenaren om de prijs van de geldspieciën van twee delen te verminderen, hetgeen de gemeenten van de drie leden van Vlaanderen niet willen toestaan, ten opzichte der grote schade die daar uit stond te volgen. Alhoewel dit mettertijd toegestaan wierd door vele staden, waar onder Kortrijk, doch de Gentenaars bleven tegenstreven, waaruit nieuwe onenigheden met hun rijzen.’

De woede van de Gentenaars zorgt er voor dat de burgeroorlog weer in volle kracht escaleert. ‘Omtrent half augustus 1491, de graaf van Nassau, gestoord op die van Gent, en Filips van Kleef vergaderen een leger. Op den 22 augustus, Mr. Jacob van Heule geeft zijn kasteel van Lichtervelde over aan de heer Filips van Kleef. Op den 24 augustus, de graaf van Nassau wordt bij Gent geslagen en komt naar Kortrijk gevlucht. Hij vertrekt van hier naar Brugge om de wet te vermaken, en in de maand september belegert hij het kasteel van Lichtervelde, het welk hij stormenderhand inneemt.’

‘Gedurende geheel de maand van november had men dit jaar zeer veel regen, die veel schade toebracht aan de bezaaide landen, waarop een koude winter volgde. Op den 19 januarius 1492, de Gentenaars verrassen Diksmuide, passerende de vesten over het ijs. Op den 27 dito, de graaf van Nassau trekt met de Kortrijkzanen, Bruggelingen enzovoort naar Diksmuide en dwingt de Gentenaars die stad over te geven.’

‘Op den 28 Maerte, de Gentse kapiteinen Jan Baëlius en Jacob de Vriend met 800 mannen vallen in de kasselrij van Kortrijk, doch zij worden met hun buit wederkerende, door de Bruggelingen en Kortrijkzanen zo geweldiglijk geslagen, dat zij tweehonderd mannen ter plaatse verliezen benevens een groot aantal gevangenen en al hun roof.’

‘De oproerige Gentenaars vluchten in Gent, medevoerende tien à twaalf rijke gevangen genomen landslieden. Jonker Romayns, heer van Clarhout, kapitein van Kortrijk, over het vangen van die landslieden verbitterd zijnde, heeft al de Gentse gevangenen ten zelven dage of daags daarna alhier op de markt doen onthoofden. Die van Gent, uit weerwraak, lopende des anderendaags wederom uit, berovende en verbandende de parochien van Tielt, Wingene, enz.’

‘Op den 29 april, de Duitsers verslaan die van Sluis bij Houtave, waarna de eerste in het Kortrijkse binnenvallen en er veel kwaad doen. Het garnizoen van Kortrijk, onder Coppenolle, kapitein van Gent, neemt het kasteel van Helkijn, en die van Henegouwen willende dit beletten, worden geslagen. Op den 1 junius, die van het garnizoen van Damme vangen tot Brugge Roeland De Fevre, kapitein tot Kortrijk, om betaald te worden van hun soldij.’

‘Op den 4 junius, het krijgsvolk van Maximiliaan of de Duitsers bedrijven veel kwaad hier omtrent, waarop de boeren de klokke trekken en zij worden tot Deinze geslagen door de Gentenaars. Op den 14 dito worden zij, rovende tussen Oudenaarde en Kortrijk, door de Gentse kapitein Arnoud de Klerk, gezeid de Ploegenaar, geslagen en alle gedood. De Gentenaars zenden volk uit om Deinze in te nemen, maar door de onenigheden van hun kapiteinen worden zij er afgeslagen.’

Deze eindeloos lijkende oorlog loopt dan toch op zijn laatste beentjes. ‘Op den 30 julius 1492 wordt de vrede van Cadzand gesloten, waarbij vastgesteld wordt dat de Gentenaars niemand ten rechte mogen stellen tenzij hun eigen burgers en diegenen van de kasselrij van den Oudenburg van Gent. Deze zomer was zeer vochtig, waardoor de landsvruchten mislukten en de dierte der levensmiddelen vermeerdere. Op den 6 december, Christoffel Colombus, van Genua, ontdekt eerst het eiland St. Domingo in Amerika. Op den 23 mey van 1493 wordt tot Senlis de vrede gesloten tussen Maximiliaan en de koning van Frankrijk. De winter was dit jaar zo zacht, dat de beesten maar weinig op stal stonden.’

Het nieuws van de oorlog maakt weer plaats voor allerhande weetjes van de dag. Vooral de opmerkingen over het klimaat in die dagen dragen mijn interesse weg. Kapittels, kloosters, priesters, grauwe zusters en konsoorten kunnen me gestolen worden. ‘1496. De hele maand mey was dit jaar zeer vochtig, en junius en julius heet en droog met veel en zware onweders en grote schaarsheid van fouragien, dusdanig dat veel beesten van gebrek stierven, niettegenstaande dat met het stro van de daken nam om die te spijzen.’

‘Doch in het naseizoen had met veel fruit en wijn en alsdan heeft men voor het eerst gewaar geworden in deze landen de Napelse ziekte, door de Fransen die van daar kwamen alhier overgebracht.’ Die fameuze ziekte van Napels waarvan sprake blijkt een uitloper van een onvervalste syfilisepidemie te zijn, die al sinds 1494 raast door heel Europa. Colombus heeft blijkbaar niet alleen goud meegebracht maar ook geslachtsziekten. De oorlogvoerende Fransen maken er in de buurt van Napels een zootje van. Hun sexuele uitspattingen zorgen vanaf begin 1495 voor een heuse epidemie. Hoge koorts, zweren over de hele lichamen en ontstoken lymfeklieren zorgen voor paniek onder de mannen. De ziekte raakt eveneens bekend onder die naam van de Spaanse pokken of het Spaans schurft.

Kerstdag 1498 is een specialleke. ‘Op den 25 december, zijnde kerstnacht, heeft het alhier zeer sterk gehageld, gevolgd door veel sneeuw, ’t geene al te samen een zeer dik ijs uitmaakte, dusdanig dat de mensen uit de kerken komende, nauwelijks konden thuis geraken. De takken der bomen wierden in menigte door ’t gewicht gescheurd, dit duurde 12 à 13 dagen.’

‘In het jaar 1499 is tot Harelbeke bij de Leie een geraamte van een reuze gestalte en een grote pot oude penningen gevonden. Op den 25 februarius anno 1500 is tot Gent geboren Karel, zoon van onze hertog.’ Terwijl een reeks onverdraaglijke hete zomers elkaar opvolgen en de hongersnood weer opduikt, schuif ik door naar het jaar 1506. Hier eindigen de Kortrijkse jaarboeken hun relaas. De jaren 1400 hebben hier en elders beslist gezorgd voor een mengelmoes van ellende en zorgen. Ik sluit graag af met de laatste passage van het boek.

‘In de maand augustus wierd een steert-sterre gezien in het westen. Op den 25 september is tot Burgos in Spanje, gestorven den koning Philippus en wierd opgevolgd door Karel III, gezeid den V. Door de grote droogte in Spanje was er aldaar een zeer grote dierte van levensmiddelen, waarop men veel granen uit deze landen daar naartoe zond, zo dat er alhier insgelijks zeer dieren tijd ontstond.’