Beroering in Ieper

Isodore Diegerick ontdekt een handschrift van schepen Pieter van de Letewe. Een manuscript uit 1477. Van de Letewe omschrijft de putsch die de Ieperlingen plegen op het stadsbestuur tijdens de lente van dat jaar. De ambachtslieden en het gemeen laten niet langer met zich sollen en zetten de Ieperse wetgeving zonder verpinken weer naar hun hand.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Het Brugse genootschap voor de geschiedenis publiceert in 1848 een zesde boek over de geschiedenis van Vlaanderen. Vijfhonderd bladzijden streekverleden netjes verdeeld over een heel reeks hoofdstukken en onderwerpen. Met nogal wat informatie rond de geschiedenis van kerken in Frans-Vlaanderen waar ik momenteel niets mee kan aanvangen. Het artikel van de Ieperse archivaris Isidore Diegerick; ‘Episode de l’histoire d’Ypres sous le règne de Marie de Bourgogne’, valt me meteen op. Dat is andere koek. Ik glip nieuwsgierig naar pagina 423 waar het allemaal moet beginnen. Lokale geschiedenis met voldoende diepgang en vooral met aandacht voor de zorgen van burgers hanteer ik graag als peper en zout op mijn kronieken. En als het beetje kan vers gedraaide grove zwarte en rode peper uit de molen en knarsende stukken onvermalen zeezout. Ik bedoel maar: hoe puurder de geschiedenis, hoe liever ik het heb.

Ik verplaats me meteen in de huid van Diegerick. 1477. Een fusie tussen ons beiden zorgt voor een nieuwe ik-figuur, een complexe persoonlijkheid, zonder twijfel erg schizofreen, met één voet in het verleden maar tezelfdertijd ook alert en aanwezig in het jaar 2015. Het verhaal van ‘Ivan Diegerick’ vangt aan met de ontdekking van een vergeten handschrift in de Ieperse archieven. De nieuwe komt direct aan het woord!

In het depot van de archieven stoot ik op een handschrift uit het einde van de 15de eeuw. Een ingebonden bundel papier getuigt van een drama dat in diezelfde periode is voorgevallen. Op het schutblad staat een sobere titel; ‘Beroerte int jaer 1477’ met daaronder ‘Josse Bryde junior’. Wat later lees ik; ‘Dese boec behoort toe Jossen Bryde, filius Jacops’.

Ik ben er haast zeker van dat de schrijver ervan luistert naar de naam van Pieter Van de Letewe. Het handschrift lijkt als twee druppels water op dat van een andere kroniek die in handen gevallen is van mijn collega Lambin. Beide verslagen van Pieter Van de Letewe zijn perfect met elkaar te matchen. Het document voor me bevat 151 bladzijden. Naast het verslag van een Ieperse opstand, flaneren nog enkele andere hoofdstukken waarbij Peter Van de Letewe blijkbaar zelf een belangrijke rol speelt. De man is in elk geval lid van het schepencollege tussen 1451 en 1477. Hij is een tijd schepen en functioneert eveneens enkele jaren als penningmeester van de stad.

Josse Bryde, de eigenaar van het manuscript, is geen onbekende figuur in Ieper. Familie van de notoire historicus en schepen Olivier van Dixmude, de auteur van de onvergetelijke Kronyk van Vlaenderen. De familie Bryde is niet weg te slaan uit het stadsbestuur tussen 1443 en 1473.

Het onuitgegeven manuscript oogt erg interessant. Belangrijk om de geschiedenis van mijn eigen stad te vatten maar ook bijzonder relevant voor wat betreft de historiek van Vlaanderen zelf. De heer Gachard, hoofdarchivaris van het piepjonge koninkrijk België maakt er gretig gebruik van om details uit het leven van Karel de Stoute op te pikken. Ik besluit om dat niet te doen. Er is al genoeg geschreven over de periode juist na de dood van de graaf wanneer Vlaanderen overgeleverd wordt aan de jonge Maria van Bourgondië. De mistevredenheid en de zenuwachtigheid scheren hoge toppen in die tijd. De executie van Hugonet en Imbercourt in Gent, in Bergen die van Robert de Martigny. In Brugge worden de magistraten opgepakt. En in Ieper dus het drama dat ik zo meteen wil vertellen aan mijn lezers.

Ik citeer even de openingszin van het boek: ‘Naar ’t onthoud en welweten van enige van de opzet, begin en manieren van zekere commotie en beroerte onder ’t gemeen van de stede van Ypre geschied op en omtrent Sint-Marcusdag in ’t jaar 1477, wat dervoren en zekere tijd derna.’

Op zondag 15 februari 1477 is er een vergadering aan de gang van de voogd, de schepenen en de Ieperse raadsleden. De toestand in de stad wordt er besproken. De jonkvrouw van Bourgondië heeft onder druk van die van Brugge en Gent nogal wat belastingen afgeschaft en vraagt aan het Iepers stadsbestuur om de maatregelen ook hier door te voeren.

Erg veel zin om dat effectief te doen, bestaat er blijkbaar niet. De vele lasten ‘waren de wet zeer genegen’ en die allemaal afschaffen zou een gat in de stadskas slaan, een deficit zonder voorgaande veroorzaken, en er is nu blijkbaar al sprake van de ‘groote tachterhede van de voornoemde stede bedragen’. De inkomsten van de pachten zijn in wintertijd al noodzakelijkerwijs naar beneden bijgesteld. Maria heeft mooi praten, hier in het stadsbestuur moeten ze het wel allemaal zien te rooien met steeds maar krimpende budgetten.

De heffingen op het hout en de vleeswaren blijven beter nog even doorlopen tot de eerste dag van april en zullen pas later verdwijnen. De sociale toestand binnen de stad, in de huizen en de straten, moet bedenkelijk zijn. Het afschaffen van de vele lasten zou wat soelaas kunnen brengen. De mensen zijn onrustig, in de buursteden zijn de arbeiders en de ambachtslieden met succes op straat gekomen, maar hier in Ieper wil men blijkbaar niet veel weten om de lasten onmiddellijk te verminderen. Dat gebeurt slechts mondjesmaat. Zolang iedereen naar zijn thuis terugkeert, rustig blijft en ook maar enigszins verzoenende taal spreekt, kan het volgens de schepenen niet echt kwaad om niet direct over te gaan tot het wegwerken van een reeks taksen.

Enkele oproerkraaiers, hier als ‘krysschers’ omschreven, zijn het er niet mee eens. Maria van Bourgondië heeft volledige kwijtschelding beloofd. Dat het stadsbestuur een aantal van die maatregelen enkele maanden uitstelt valt bij hen niet in goede aarde. ‘Dat is helaas onmogelijk’, reageert het stadsbestuur; ‘we moeten het advies van de raad van Vlaanderen volgen.’ Maria is haar boekje een beetje te buiten gegaan en ze hebben dat hier in Ieper toch enigszins anders verstaan.

De opstokers houden echter voet bij stuk. Ik vertel het op mijn manier, maar ik geef graag even een inkijk in wat er werkelijk geschreven staat: ‘Niet tegenstaande al tgone dat de voorschreven wet gezeggen conste om hemlieden te paaien, zij bleven en werden zo langer zo wreder, zeggende en ongeoorloofd roepende, wrede en bovenmatige kwade manieren togende, dat zij het al hebben wilden zonder delay, zeggende ook en roepende en bendelijk veel kwaad maakten. Ze maakten grote vergaderinge buiten voor de kamer van de schepenen, gebarende ten ware dat al de taksen afgedaan waren terstond datter qualic varen zoude.’

Ik weet het. Dit leest niet gemakkelijk. Jullie begrijpen meteen waarom ik het gebeuren op mijn eigen manier probeer te vertellen. Het stadsbestuur bezwijkt onder de druk van de massa. Dat kom ik in een voetnota te weten. Op 16 februari wordt er een verordening opgehangen die opnieuw met veel te veel woorden uitlegt dat alle taksen en accijnzen opgesteld binnen de stad met onmiddellijke ingang worden opgeheven. Wel te verstaan dat dit niet het geval is voor alle onbetaalde achterstellen. Dat laatste is een gevaarlijk addertje onder het gras.

Een tweede voetnoot brengt aan het licht dat het stadsbestuur van die dagen naar Ieperse normen helemaal niet legitiem is. Normaal gezien voorzien de stadswetten een jaarlijkse herverkiezing van de burgemeester (toen nog voogd geheten) en de schepenen. Graaf Karel de Stoute was in 1474 bijzonder ontevreden over het slecht beheer van de stad dat hij toen besliste om een schepencollege aan te stellen dat voor drie jaar zou aanblijven. Hij is hier dus frontaal in confrontatie gegaan met de lokale gevoeligheden. Wat dus ongetwijfeld zijn rol moet spelen in het morele prestige van het stadsbestuur dat ferm tegen de zin van de burgers op zijn stoel is blijven zitten.

Ieper worstelt zo met een dubbel probleem: de stad zit gebeiteld met een bestuur die denkt dat de stad van hen en van hen alleen is. De postjes, de macht en de inkomsten worden netjes verdeeld en de bewoners kijken er naar. De onwil om de lokale taksen af te schaffen bevestigt alleen maar het corrupt karakter van dit schepencollege. Dat is toch de manier waarop het gemeen aankijkt ten opzichte van hun leiders.

Voor de volledigheid som ik even de namen van de bestuurders op: François Vander Poorte is de burgemeester. Als schepenen zijn er Joris De Brievere, Jan van Lichtervelde, Joris De Witte, Pieter Lansaem de oude, Hector Vande Woestyne, Melchior De Wale, Jasper Van Pviesques, Arnoud Van Reden, Lamsin Zwanckaert, Andries Van Beselare, Peter Van Heisackere, Andries Paelding en Jan Colaert. Ik sla de namen van twaalf raadsleden en twee schatbewaarders over en noteer nog even de vier namen van de hoofdmannen: Karel Bryde is de chef van de poorters, Hector De Brievere de leider van de draperie, Jacob De Broucke die van de volders en Jan Paelding is de aanvoerder van de algemene neringdoenden.

Het onwettig verlengen van hun mandaat zorgt voor de nodige rebellie, ‘ende zo bleven de kwade zo langer zo meer stoutheden hebbende, en diverse runingen en vergaderingen houdende want de zevenentwintig mannen en de neringen waren contrarie de wet, en altoos onredelijke adviezen voortbrengende.’ Het tumult blijft aanhouden. Het lijkt er zelfs op dat er zich een aantal buitenstaanders mengen tussen de Ieperse menigte voor de lakenhalle.

De 18de maart laat de magistraat een waarschuwend bericht verspreiden. ‘Dat niemand wie hij zij vremde van dezer stede en drage bij dage noch nachte, bedekt noch onbedekt, enige wapenen van lood, van ijzer, noch van enige andere metalen, noch klompen van steen, noch andere loden hamerkens, haken of andere vuistriemen, handschoenen (glaiven), waaimessen, Hollandse messen noch generhande wapens van oorloge of van andere engienen, van harnassen of van wapens hoe men die noemen of heten mag.’

De afschaffing van de meeste taksen is duidelijk niet voldoende om het rumoer te stillen. In het stadhuis beginnen de magistraten te beseffen dat het volk hen niet meer wil. ‘Ze begonsten te merken en te beseffen dat het gepeupel zeer begonste te beroeren’ en ze sturen enkele afgevaardigden richting Maria van Bourgondië met het verzoek om een commissaris met voldoende bevoegdheden naar Ieper te sturen zodat de wet kan vernieuwd worden.

Maria haast zich om toe te geven. Ridder Philippe van Hoorne, de abt van Ter Duinen, Jan Cabillau, de baljuw van Menen en Wouter Vander Gracht, de kamerheer van de hertogin doen hun intrede in Ieper. Op 1 april is de wissel van de macht in de stad een feit. Ik krijg een nieuwe lijst van de voogd en de schepenen. Victor van Lichtervelde raakt verkozen als nieuwe burgemeester en als schepenen figureren de namen van Joris Paelding, Pieter Van de Letewe, Joos en Joris de Brievere, Joos Gillioen, Wolfaert van Lichtervelde, Jan van Dixmude en Hendrik De Wulf.

De zelfde namen van de rijke burgerij duiken op in een licht veranderde vorm. Broers en schoonbroers onder elkaar. Kinderen volgen hun ouders op. Een fenomeen dat zich op dat moment in de tijd al eeuwen lang afspeelt in het middeleeuws Ieper. De oude wijn wordt in nieuwe, verse zakken gegoten. Victor van Lichtervelde is er gekomen in plaats van zijn broer. Van een verandering van zeden en gewoonten zal weer al eens geen sprake zijn. Het nieuwe stadsbestuur twijfelt er niet aan dat ze het volk wel weer stil en onderdanig zal krijgen. Voogd en schepenen functioneren zelf als de arm der wet. Oproer zal beteugeld en bestraft worden zoals dat altijd al gebeurd is.

Kort na halfvasten, het nieuw stadsbestuur is pas geïnstalleerd, komt de baljuw de naam te weten van de aanstoker van de voorbije rellen. Pieter Cockuut heet de man. Er moet met hem worden afgerekend. De val van het vorig bestuur is enkel aan zijn kwaadwilligheid te danken. Een aantal getuigen zijn bereid om tegen hem te getuigen en de baljuw krijgt de toestemming om Cockuut op te pakken. Ik laat het Van de Letewe zelf vertellen: ‘De zaterdag voor palmzondag was de voorzeide Cockuut gevangen en, zo zegden enigen, binst de nacht gepijnigd maar zeer litele, want de wet begonste ze van langs om meer te ontzien, en ’s anderendaags op den Palmzondag zo begonsten enige van het voldersambacht en andere kwaadwilligen van ’s achternoens ter klokke drie uur al te met vergadering maken.’

‘In zulke wijze dat zij ’s avonds omtrent den achte ure in grote getale ten besanten kwamen, waar zij aan de baljuw foortseling begeerden van den voorzeide Cockuut uit de ijzers te hebben, zo dat de baljuw bedwongen was ter gevangenis te gaan en heurlieden begeert te doen en grote menigte van hemlieden moesten medegaan in de voorzeide gevangenisse, en na dien dat zij daar geweest hadden, zo ne wilden zij van de markt niet weg gaan, voor de baljuw zelf van de markt vertrokken was.’

Echt precies zijn de handschriften niet. Cockuut zal wel uit de ijzers gehaald worden, maar hun man wordt in elk geval niet vrijgelaten. Er ontspint zich dus tijdens de week voor Pasen een gevaarlijke toestand op en rond het Ieperse marktplein. Ondertussen gaat het verhoor van de beschuldigde verder.

‘En de voorzeide Cockuut zoude nog meer geëxamineerd gezijn hebben, maar de wet en dorste niet aankomen. Voor wat hij bekend had was hij op Witte Donderdag gesteld in het pellorijn (de schandpaal) en gestoken met een ijzer door zijn tong, en bovendien was hij veroordeeld dat hij terstond uuter stede en schependom gaan zoude en daar blijven op zijn hoofd’. Cockuut wordt dus weggestuurd. De man is verwittigd, want als hij zich nog eens laat opmerken in de stad, dan heeft de baljuw voortaan vrij spel om hem te laten onthoofden. De banieren verdwijnen van de markt, de wet en de orde worden hersteld, de rust lijkt teruggekeerd.

Maar dat laatste is buiten Cockuut zelf gerekend. Hoofd verliezen of niet, ‘zo kwam hij weder in en was daarna altoos stokende alle kwaadheden en rebelhede’. De hoofdman van het Ieperse bezant heeft op vraag van de baljuw een belangrijke rol gespeeld bij zijn veroordeling en dat wordt toch wel in vraag gesteld door het gemeen.

De ambtenaar heeft zijn taak van peismaker, zeg maar vredesmaker, en bewaarder van de gevangenis niet naar behoren vervuld en hij krijgt daarvoor nu de rekening gepresenteerd. Ik wil er nog even bij vermelden dat de gevangenis of het bezant in die tijd helemaal niet de gevangenis is die wij op vandaag kennen. In de middeleeuwen geldt de ‘vangenisse’ slechts als een voorlopige en bewarende maatregel in afwachting van een definitieve straf.

Ik roddel maar wat mee, want eigenlijk is de beschuldiging ten opzichte van de peismaker een beetje onterecht. De Ieperse roddeltantes geven echter niet af en met die tantes heb ik het hier niet niet specifiek over vrouwelijke personen. Op 24 en 25 april verspreidt het gerucht zich als een lopend vuur. ‘Zo waren vele diverse kwaadsprekers die een geruchte uutgaven dat men de hoofdman van den besante doodslaan zoude, ’t welke een geviseerde zaak en leugene was’.

De tekst is niet meteen duidelijk. Een bende Ieperlingen wil er vermoedelijk het fijne van weten. Heeft de hoofdman van het bezant het stadsbestuur opgestookt tegen Cockuut? Is hij zo uit zijn rol van peismaker gevallen? ‘Ze kwam zo in groten getale ten huuse vander hoofdman van den besante en brochten hem ten bezanten waar hij de hele nacht bleef.’ Ondertussen vergadert het gemeen rond het Zaalhof in het kwartier van Sint-Pieters. Een grote en clandestiene vergadering, verraden de geschriften. De volgende ochtend rond acht uur laat een zekere Jordaen Denys weten dat er inderdaad een nachtelijke meeting heeft plaatsgevonden en dat het resultaat ervan nog voor de avond te zien en te horen zal zijn.

Woensdag 25 april 1477 is de feestdag van de heilige apostel Marcus, wat in de geschriften omschreven staat als de dag van ‘Sine Maercx’. De hoogbaljuw en de peismaker worden door de Ieperse burgers verwittigd, ‘zeggende dat er een roep was dat veel onbekend volk met veel engienen (geschut) klaar stond om de stad in te nemen en te verraden.’ De bevolking van de Ieperse buitengebieden gaat zich nu dus ook moeien met de stedelijke muiterij die ontstaan is rond het Zaalhof.

‘Jullie zouden er beter naartoe gaan’, suggereren ze aan beiden. De hoofdman van het bezant stemt daarmee in en de hoogbaljuw volgt hem, al is dat met lange tanden. Ook mijnheer van Boezinge, de kapitein van de stad die luistert naar de naam van Jan van Halewyn, vervoegt het gezelschap richting amokmakers bij ‘ter Zale’.

Dat Jan van Halewyn uit vrije wil en ongedwongen meestapt, blijkt erg verstandig te zijn. Aan het Zaalhof komt het tot een rauwe confrontatie tussen de wet en de amokmakers. ‘Ende ’t voorzeide geboefte ter zale komende metgaders de gene die daar en onderwege aan hemlieden gevallen waren, bedreef daar groot ruuthede en force. Want vele deuren en vensteren van de capelle, contoire en cameren, mitsgaders ook scapraden, kisten en laden werden door hun aan stukken geslegen en er werden vele forcen bedreven up den voorzeiden baljuw.’

Ondertussen slaat burgemeester Victor van Lichtervelde groot alarm aan de lakenhalle. Hij trommelt zijn schepenen en raadsleden op voor een spoedvergadering. Schepen Joris De Wilde wordt met een pensionnaris naar het Zaalhof gestuurd om er poolshoogte te nemen van de toestand. Wouterke vanden Ackere die in die dagen een soort knecht is voor de schepenen, vergezelt hen richting Sint-Pieters en ontpopt zich tot boodschapper van dienst. Een grappige loopjongen die zijn functie meer dan serieus opneemt.

Dat lees ik toch in de oude tekst: ‘een genaamd Wouterkin vanden Ackere, die toen ter tijden cnape was van scepene, trok te sinte Pieters om de de voorzeiden boodschap te doene, dewelke boodschap hij breder dede dan ze hem gelast hadden, want bij elke die hij vermaande, zeide hij dat zij terstond ter halle komen zouden, alzo zij hun lijf beschudden en bewaren wilden.’ De vrije interpretatie van Wouterke gooit ongewild olie op het vuur en is in wezen een onverholen dreigement. Pas later zal ik vernemen dat puber vanden Ackere een gevaarlijke dubbelrol aan het spelen is.

De relschoppers laten het zich geen twee keer zeggen. Waar de burgemeester zijn twee adviseurs vraagt om dringend verslag te komen geven aan het stadhuis, krijgt hij er nu de opgehitste meute bovenop. Merci Wouterke en ondertussen heeft de baljuw het onderspit gedolven daar aan het Zaalhof. ‘Na dat het geboefte ter zale zulke ruuthede, force en storbantse gemaakte hadden, kwamen zij weder ter markt waar de voorzeide hoogbaljuw met hemlieden meebrengende genoeg bij fortse en gevangen den zelve rudelijk in den bezant stekende.

De toegestroomde menigte voor de lakenhalle is er van overtuigd dat er zich binnen het gebouw een massa volk van de wet ophoudt om bij het minste bevel van de voogd naar buiten te komen en om ‘henlieden dood te slaan’. Terwijl ze zich onledig maken met schunnige taal en stoere en kwade manieren, denken de stadsbestuurders precies het omgekeerde. Het geboefte is enkel en alleen uit op het kwade. Mijnheer van Boezinge wordt er ijlings bijgeroepen en die roept de relschoppers toe dat ze beter naar huis zouden gaan of dat de wet wel gedwongen zal zijn om geweld te gebruiken en om hen dood te slaan. Ik weet niet goed of de ‘om Godswil truc’ indruk maakt, in elk geval ‘gink elkeen huiswaarts’ en wordt de druk een beetje van de ketel gehaald.

Tijd voor intensief overleg. Het stadsbestuur laat de chefs van de ambachten en van de neringen convoceren. Zij zelf hebben geen aanleiding gegeven tot rellen. De acties komen vanuit de buik van de stad, het stadsbestuur wil dat de hoofdmannen hun eigen mensen onder controle houden. Bepaalde huizen worden geviseerd. ‘Zij kozen huzen en plekken zo wel te vermoeden is en viseerden en sloten daar alle kwade onredelijkheid op’. Tijdens de namiddag volgt er een vergadering van het schepencollege en die wordt onderbroken door de aankomst van de opgeroepen vijf hoofdmannen van de stad. Die van het bezant, de poorterij, de draperie, de volders en tot slot die van de algemene neringen.

Ze zijn in het gezelschap van hun eigen bestuursleden. Dat was uiteraard niet de bedoeling van de vraag van het stadsbestuur. Veel te veel volk dus en niet eens de helft ervan krijgt de toelating om in de vergaderzaal plaats te nemen. ‘Als dat zo zit, dan zouden we beter de wacht optrekken voor de lakenhalle’, opperen sommigen. Ze zien zich al helemaal verenigd staan daar op de markt. In de houding met hun banieren en elk met hun achterban. Een publiek en officieel signaal van burgerlijke ongehoorzaamheid. Een algemene staking die het leven lam legt. Kijk maar naar Brugge in de tijd van Filips de Goede waar dergelijke acties soms weken lang werden volgehouden.

‘Waar is dat allemaal voor nodig?’, vraagt de burgemeester. ‘Laat ons toch even in rust vergaderen. Vertrouw ons nu toch. Morgen zullen al diegenen die schuldig zijn, opgeroepen worden, jullie zouden beter in vrede vertrekken, wij regelen het nu wel hier.’ Ik vertel het op mijn manier. Het antwoord van het gepeupel en de hoofdmannen is negatief; ‘wij zullen van hier niet scheiden voor elk zijn banier hebben zal’. Er komt trouwens weer geweld te pas, ze bedreven ‘zo veel forcen’ en eisten dat alle banieren hun plek zouden vinden in de schepenkamer.

Ik probeer de symboliek van de aanwezigheid van al die banieren goed te begrijpen. Het lijkt er wel op dat ik hier te maken krijg met een democratische verzuchting van de inwoners. Wie de lakens uitdeelt in de stad, moet rekening houden met de hele gemeenschap. De wapperende banieren als symbool van eensgezindheid.

De tekst voor mij suggereert het eveneens. ‘Ze wilden dat de wet de stadsbanieren naar beneden haalt en dat elk daar de zijne nam en dat de standaarden van de graaf en van de stede gedragen zouden worden en opgesteld voor het bezant. En al de banieren van de ambachten en de neringen waren ook ter markt gebracht, waar elkeen uit de stede de plek innam die hij wilde, te weten de banieren van de poorterij voor ‘den Busch’, de banieren van de draperie voor ‘den nieuwen Kelvare’ naast het bezant, de banieren van de ‘vullerie voor de Crone en de banieren van de gemene neringen voor de ‘Helle’ en voor de halle, tussen de voute en de steiger.’

Ik krijg wat uitleg bij de lokale plaatsnamen. ‘Den Burch, de Crone en de Helle’ zijn namen van herbergen op de Grote Markt. Die cafés bestaan er al van halfweg de jaren 1300. ‘Den nieuwen Kelvare’ is vermoedelijk de naam van een groot kruisbeeld ter vervanging van een exemplaar die er vroeger moet gestaan hebben.

De hoofdmannen eisen van het stadsbestuur dat enkel zij orders kunnen geven aan het volk dat zich op de markt verenigd heeft en dat de wet zich nu afzijdig moet houden. De kapitein en de heren van de wet mogen wel de banieren van de graaf en de baljuw vertegenwoordigen maar moeten zich voorlopig gedeisd houden.

Het schepencollege en de hoofdmannen laten voor alle zekerheid een ordonnantie afkondigen om indien mogelijk toch alle geweld te mijden. ‘Men laat weten het gebod van baljuws, voogd, schepenen en hoofdmannen, dat niemand wie hij zij, poorter inwonende of vreemde van deze stede van nu voort en alzo lange als de standaarden en banieren van onze geduchte jonkvrouwe graafnede van Vlaanderen, van deze stad en van de neringen en ambachten van dezelve stede, die nu gerecht staan ter markt, zij die daar staan geene beroerte en maken met woorden noch met daden, noch anderen verwonden of kwetsen op het verbeurd worden van de hoofden van wie ter contrarie dede.’

Zo valt de nacht in het Ieper van 1477. De schepenen zijn buitenspel gezet en wachten nu op hun beurt het vervolg van de gebeurtenissen af. De stedelingen houden nu zelf de controle over hun stad. ‘Ze domineren boven den heere en wet’. Niemand zal vertrekken vooraleer de vijf hoofdmannen hun goedkeuring zullen gegeven hebben voor welk besluit dan ook.’ Dat de spanning te snijden is, kan ik uitmaken uit volgende passage waarbij een boodschapper van de raad zelfs niet tot bij de hoofdmannen geraakt met zijn bericht. ‘Een messagier van de raadskamer kwam met brieven van de voorzeide heren, dewelke messagier ruderlick van de boeven gevangen was, zijne brieven afgenomen en opengebroken en ten bezante voorgelezen zijn.’

Er blijkt trouwens nog een nieuw probleem de kop op te steken. Er bestaan van oudsher regels rond de representatie van de ambachten tijdens de vergaderingen van de grote raad. Anno 2015 verslaan enkele journalisten de maandelijkse vergaderingen van de Ieperse gemeenteraad. Maar in de middeleeuwen worden de besluiten van de raad in eerste instantie overgemaakt aan vast gedefinieerde sterkhouders van de stad, mannen verkozen door hun achterban. Op die geregelde manier geraken de besluiten van de schepenen tot bij de inwoners.

De stedelijke delegatie bestaat uit dertig man, vijftien personen van de poorterij, burgers dus en vijftien personen uit de ambachten, vijf van de draperie, vijf van de volders en vijf van de gemene neringen. Blijkbaar stelt er zich een probleem met die gemene neringen. Na het overlijden van hun hoofdman Jordaan van Lichtervelde heerst er vermoedelijk nogal wat anarchie bij de ambachtslieden van alle slag en soort. Het gevolg laat zich raden: de gemene neringen vegen de quota aan hun laarzen en staan met meer volk dan afgesproken klaar tussen de afgevaardigden van de stad. Onder hen ‘diverse krysschers’ onder leiding van Jan Cabillau, ‘gezeid Soorterbelle’. De bonte mengeling van stielmannen zorgt voor het nodige geweld en tumult wat uiteraard niet naar de zin is van het tijdelijk volksbestuur.

Die eist een delegatie met een officiële leider. De verenigde neringen moeten op zoek gaan naar een nieuwe hoofdman om de overleden Jordaan te vervangen. Lamsin Zwankaert raakt verkozen en dat vooral onder druk van meester Jan Panne en barbier Jan Zuerinc die er op staan dat ze een man van niveau kiezen, iemand van wie ze weten ‘daarmee geholpen te zijn’.

De kronieken verplaatsen zich naar de zaterdag 28 april. De Ieperse delegaties staan nog altijd paraat op de grote markt. De sfeer is er blijkbaar nog niet op verbeterd. De vijf hoofdmannen komen nu af met een eis dat de standaarden van de graaf en van de stad moeten verdwijnen van voor het bezant. Deze plek is voorbehouden voor het gemeen en niet voor de wet. De druk wordt blijkbaar opgevoerd. De baljuw zal ook moeten inbinden, precies zoals de raadsheren dat hebben moeten ervaren. De baljuw van 1477 kan ik best vergelijken met de politiecommissaris van de Ieperse politie anno 2015. Ik zie ons die nog niet direct opzij schuiven.

‘Hetwelk verzoek door de wet wederleid was, sustinerende dat de voorzeide bezant toebehoorde der wet’, en patati en patata en dat deze plaats al sinds eeuwen gereserveerd was voor de officiële instanties. ‘We verzoeken jullie om met jullie poten van onze banieren af te blijven’, zo zal de boodschap van de stadsinstanties (lees: politie) wel overkomen met daarbij het dreigement dat ‘den heere en de wet de overtreders van voor den bezant zoude geslagen hebben, wat twelk Gode lof niet geschiede.’

Zondagnamiddag. Burgemeester Victor van Lichtervelde en enkele schepenen gaan gewoontegetrouw naar ‘ter siege’. Het bestuur over de stad hebben ze noodgedwongen moeten afgeven, maar ze blijven natuurlijk nog altijd hun rechterlijke macht uitoefenen. Wat die bewuste siege is, heb ik al eerder omschreven in mijn hoofdstuk over de bouw van de lakenhalle. Het gaat om de zitting van een lage rechtbank die alle strafzaken behandelt die de 25 pond niet overschrijden. De zittingen gaan door drie keer per week. Telkens om 14 uur in het Belle Godshuis (de camere ter Belle) in de Rijselstraat die toen nog als de Zuidstraat bekend staat.

Ze ontmoeten er enkele van de hoofdmannen die er op aandringen om harder op te treden tegen de onrechtvaardigheid en de sociale mistoestanden in de stad. Ik begrijp het toch zo: ‘mijn here de voogd en mijn heren, wij bidden u om Godswille dat gij u verdraagt meer siegen te houden, want ’t gemeene daar is zeer kwalijk te vreden en alzo gijlieden morgen daar breder daar over horen zult.’ Dat laatste blijkt een overholen dreigement en maakt me benieuwd hoe het allemaal zal aflopen.

Manipulatie en bewuste agitatie van het volk, het bewust opzoeken van rellen. Hoe vaak zie ik dat nog in mijn eigen tijd ergens in de eenentwintigste eeuw. Dus ook zo in 1477. Het nieuws over een geplande hardhandige interventie van het stadsbestuur verspreidt zich doorheen de rangen. Tijdens de vespers in de kerk van Sint-Maartens, ‘zo kwam een geruchte en een kwade, bewust leugenachtige roep, dat men die avond ’t gemeen van de markt zou slaan, in zulker wijze dat alle ambachten en neringen op hun plaats en onder hun eigen banieren moesten postvatten’ om weerstand te bieden tegen de agressie van het stadsbestuur. Een aantal geestelijken, onder hen de vicaris van Heremburg, de prelaat van Sint-Maartens en een meester in de Godheid van de orde van de ‘Jacoppinnen’ haasten zich naar de markt om de gemoederen te kalmeren.

‘Ze gingen van standaard tot standaard biddende bij der mond van den voorzeide meester dat elke neringe en ambacht tevrede wilde wezen en geene kwade rapporten mochte geloven’. Allemaal met ‘vele scone redenen en woorden, mits welke de vreeze en beroerte cesseerde te dierwaar. Men zeide dat de voorzeide beroerte voorweten geweest hadde en dat God hun alle kwade zaken vergeven zoude.’

Wat is er dan toch allemaal gaande in Ieper? Ik bekijk de gebeurtenissen even vanuit vogelperspectief. Een volksopstand? Ik kan er op zijn minst het etiket van burgerlijke ongehoorzaamheid op kleven. Een label dat niet alleen toebehoort aan de Ieperlingen, maar blijkbaar ook gekleefd zit op de rug van de inwoners van Gent, Brugge en Kortrijk. De dood van Karel de Stoute en het einde van zijn regime speelt ongetwijfeld zijn parten. Er zal er wel niemand iets op tegen hebben dat zijn dochter hem opvolgt. Toch is er sprake van een algemeen verzet tegen zijn adviseurs en tegen zijn naaste medewerkers. Het zijn deze jaknikkers die het beleid van de vorige graaf zo genadeloos hebben gemaakt ten opzichte van de verschillende Vlaamse steden. Ook Gent, Brugge en Kortrijk blijken zich hiervoor uitgebreid te revancheren.

Ieper staat dus niet alleen met zijn herrie en zijn volksoploop. ‘De maandag daarna, kwamen de voornoemde hoofdmannen samen met een grote hoop van volk en samen met de gouverneurs van de ambachten en neringen en ander volk, daarbij verzoekende dat men niet meer wet zoude doen. Alle rechtszittingen moeten worden opgeschort. Zeggende dat men te Gent, te Brugge en te Kortrijk al lange gecesseerd had van wet te doene. Ze verzochten eveneens dat men niet meer de dagklok en evenmin de werkklok zouden laten weerklinken. Op hetwelke verzoek de voogd en de schepenen bespraken met de diverse raden.’

Het woord ‘oorboor’ komt enkele keren naar voor in de handschriften en het duurt zo zijn tijd om de juiste betekenis van dat woord te vatten. Uiteindelijk blijkt het woord ‘noodzakelijk’ er het best bij te passen. Ik snap meteen de volgende passage die beschreven staat in de oude getuigenissen. Het luiden van de klokken is niet meteen noodzakelijk en wordt even ‘on hold’ gezet. Ook het uitoefenen van de wet, zeg maar het bestraffen van delicten, wordt uitgesteld. De inwoners zullen tijdelijk met rust gelaten worden. Van een heksenjacht kan er voorlopig geen sprake zijn. Niet zo de vreemde lieden, want die mogen wel gearresteerd worden.

De rechtsgedingen van de woensdag, vrijdag en maandag blijven wel op de agenda staan. De hoofdmannen en hun achterban schudden meewarig hun hoofden. Het stadsbestuur moet gewoon alles platleggen. ‘Ze begeerden zonder verdrag de uitvoering van hun voorzeide begeerte en die moest hemlieden volledig geconsenteerd zijn.’

De Bourgondische graven hebben de voorbije jaren flink gepeuzeld aan de stedelijke macht en aan de voorrechten van hun eigen inwoners. De Raad van Vlaanderen heeft sinds de tijd van Filips de Goede de autoriteit op het grondgebied overgenomen en vooral de recent overleden Karel de Stoute heeft die centrale macht verder uitgebreid. In de eenentwintigste eeuw is Vlaanderen nog een haast onbetekenende peulschil geprangd tussen de machtsblokken van de Europese unie, maar in de jaren 1400 denken steden zoals Gent, Brugge en Ieper dat het zij zijn die de lakens uitdelen in dit land. Ze denken daarbij ongetwijfeld met heimwee terug naar de tijd van Jacob van Artevelde en de Lodewijken van Male en van Nevers tijdens de jaren 1300.

Ik probeer de context te schetsen van het vacuüm dat plots ontstaan is na de onverwachte dood van Karel de Stoute. Met hem uit het gezicht lijkt meteen de Bourgondische macht gebroken en willen de steden terugkeren naar hun vroegere autonomie. Als ik praat over de steden, dan heb ik het in eerste instantie over de diverse ambachten die hun vroegere voorrechten en zeggenschap hersteld willen zien.

Die wens komt ook fel tot uiting in hun eisenpakket aan het stadsbestuur. ‘De hoofdmannen, uit naam van het gemeen, begeerden dat men elke ambacht haar keuren geven zouden, alzo zij ze hadden in ’s graven Lodewijks tijden.’ De burgemeester kan moeilijk anders dan instemmen met deze vraag. De leiders van de ambachten krijgen een afspraak om hun charters van voorrechten te komen voorstellen en deze zullen vergeleken worden met de oude documenten die nog beschikbaar zijn in de stadsarchieven, en ‘vermits dat er enige donkerhede of gebreken zouden gevonden worden, men daar op zoude modereren’. Het voorstel van de burgemeester valt in goede aarde: ‘de voorzeide hoofdmannen ende gouverneurs schenen tevreden, ende was gezeid dat men ’s anderendaags beginnen zoude daar in te besoigneren.’

‘Er is nog iets wat ze zouden willen uitgevoerd zien’. Nu de ambachtslieden en de ‘krysschers’ toch aan het woord zijn en ze aanvoelen dat er momenteel veel te rapen valt, gaan ze een stuk verder met hun eisen. ‘We zouden graag hebben dat jullie de stadsartillerie achter slot en grendel steken zodat we geen aanval van de baljuw hoeven te vrezen.’ Ik vertel op mijn manier wat er te lezen staat: ‘dat men ’t slot vander artillerie veranderen zoude, en dat men twee sloten ande deure van der zelve artillerie maken zoude, danof vanden besante ende den andren Frans Zwankaert, meester vander artillerie.’

De hele dinsdag wordt besteed aan de controle van de diverse keuren. Het is een delicaat werkje waar ze de hele dag mee bezig zijn. Eén artikel in de diverse charters blijkt op hevige weerstand te botsen: het stadsbestuur blijft zich de mogelijkheid toe-eigenen om indien nodig zelf de statuten te veranderen of te verbreken en dat is niet langer naar de zin van de leiders van de ambachten.

‘Nemaar, het kwam zo niet, want de vijf hoofdmannen kwamen boven met grote menigte van volk van diverse neringen, zeggende en verzoekende dat zij wilden te niete gedaan hebben een privilege waarmee men keuren en statuten breken en maken mochte. Want ze zouden hemlieden niet houden, begerende ook hunlieden oude keuren te hebben op de manier van hun voorgangers die hadden en useerden in ’s graven Lodewijks tijden, ende dat diezelfde keuren bezegeld en geconfirmeerd te hebben van juffrouw van Bourgondië, onze princesse.’

‘Dat laatste gaat werkelijk niet. Onmogelijk.’ De schepenen beseffen dat ze hun boekje hiermee te buiten zullen gaan en dat alleen de graaf of hier in dit geval Maria, de zeggenschap toe heeft. Het enige wat ze eventueel kunnen doen, is om eens diep in haar ogen te kijken. En dan nog…! Het valt wel op hoe poeslief de mannen van het stadsbestuur omgaan met de aanvoerders van de neringen. Ze pakken hen met fluwelen handschoenen aan, op de allerhoogste en vriendelijkste manier dat men koste om hun onredelijk voorstel te weerleggen’.

De ambachten hebben bloed geroken. De druk vanuit de buik van de stad op het schepencollege is verbeten en de schepenen kunnen eigenlijk geen kant op. De leiders worden hoe langer hoe harder en ‘obstinater in hunlieden opinie’. Ze willen niet weten van de halfslachtige voorstellen van de voogd. De massa scandeert het met luide stem: ‘we willen ’t voorzeide privilege te nieten hebben’. Vooral de textielarbeiders en de drapiers roeren zich van langs om meer. Enkele van hun prominente stadsgenoten, steenrijke burgers, hebben de branche naar hun hand weten te zetten en hebben daarvoor de hulp gekregen van het schepencollege. Dat ze in Ieper wel zedelijk verplicht waren om in te grijpen om de zieltogende lakennijverheid toch ietwat te redden, beseffen ze natuurlijk niet hier in het gewoel van de Ieperse straten.

Er komen van langs om meer pijnpunten op tafel. De schepenen proberen de gemoederen te sussen en iedereen te kalmeren met beloften en met gepaai, maar ‘het mochte allemaal niet baten’. De tijd van woorden lijkt voorbij. Wie dwarsligt in het schepencollege, dreigt kop van jut te worden. Het gemeen eist van hun kopmannen de aanhouding van de schepenen ‘Pieter Van de Letewe, Victor Van Volmerbeke Frans Vander Poorte, Joos en Joris De Brieve, Joris De Witte, Pieter Van Heisackere en Jan Galaert, de welke terstond zonder dat de wet het consenteerde, bij de baljuw geleid en in de vangenisse geleid waren. Ende waren daar zo strikt en nauw gehouden een lange tijd gedurende dat niemand en mochte nog en dorste tegen henlieden spreken.’

De revolutie wordt een tandje hoger geschakeld. Voor wie er nog mocht aan twijfelen: we maken een onvervalste putsch mee, een greep naar de volledige stedelijke macht. De kamer van de tresorie ondergaat een verwoestende stormloop. ‘De hoofdmannen en een grote hoop van volk gingen ter tresorie zeer indiskredetelijk visiterende, lezende, nederbrengende ende copierende alle de privilegien ende secrete tresoren. De onbeschofte inval in het heiligdom van de stad Ieper schokt Hun frustratie spat er nog altijd van af, hier tussen die vervlogen tekstlijnen: ‘dat de goede lieden van dezer stede wel zeer compasselijk ende klagelijk zijn mochten om te zien dat zulk geboefte geloofd was te gane ten zulke tresore.’

Met de tegenstemmers ingerekend, is het nu natuurlijk niet meer moeilijk om de keuren aan te passen en de gewenste formuleringen aan te brengen. De ambachten herschrijven de wet naar hun eigen zin en maken een en ander klaar om ter goedkeuring gebracht te worden tot bij Maria van Bourgondië. Meester Joos Arents krijgt de opdracht om naar Leuven te vertrekken en daar de nodige papieren te laten ondertekenen. Een algemene kwijtschelding van het vorige boekjaar zal uiteraard ook gevraagd worden.

Maria van Bourgondië bevindt zich tijdens de aprilmaand van 1477 inderdaad in Leuven waar de Staten-Generaal vergadert over de toestand in Vlaanderen. Ze schenkt de revolutionairen algemene vergiffenis voor alle gepleegde delicten die ze mogelijk op het kerfstok hebben. Bizar genoeg komt haar pardon er op het moment dat de revolutie nog volop aan de gang is en terwijl de magistraten die door haar commissarissen werden aangesteld zich nog altijd geketend in de gevangenis bevinden. De dief krijgt vergiffenis terwijl hij nog aan het stelen is. Zoiets zal het wel zijn. De schepenen hier in Ieper worden door Maria gewoonweg aan hun lot en aan de willekeur van de meute overgelaten.

De onervaren Maria van Bourgondië kan allerminst op tegen de kracht van de massa. Twee weken geleden hebben haar ministers Hugonet en Imbercourt hun steun aan wijlen haar vader met het leven moeten bekopen en werden ze door de Gentenaars opgeknoopt. Die Hugonet blijkt trouwens de burggraaf geweest te zijn van Ieper. De smeekbedes van Maria hebben aan die executies niets kunnen veranderen. Veel keuze om de ‘brieven van pardon’ die Joos Arents haar voorlegt, worden door hare majesteit dus ongetwijfeld ‘van moeten’ ondertekend op 14 mei van het jaar 1477.

De schrijver kan op dat moment onmogelijk bevroeden dat de toegekende vergiffenis enkele maanden later volledig uitgewist zal worden. Met de komst van Maximiliaan van Oostenrijk als kersverse echtgenoot, zal er grondig afgerekend worden met de rebellie van (onder andere) de Ieperlingen. Op 14 september 1477 zal namelijk een onderzoekscommissie opgericht worden om de opstand en de baldadigheden te onderzoeken en de schuldigen ervan te straffen. De commissie zal bestaan uit Philippe De Croy, Jan van Halewyn, Daniel Van Moerkerke, secretaris Jacob Heyme, de Ieperse baljuw Joos Cortewille, Gillis Ghyselin en Gillis Van den Bossche.’

Als een vogel in tijd en ruimte fladder ik terug naar de markt van Ieper tijdens het zonderling voorjaar van 1477. Samen met de vergiffenis arriveren twee regeringscommissarissen. Mijn here Vander Gracht en meester Ryckewaert Uutenhove zullen een poging doen om de plooien glad te strijken. Maar het gemeen wil geen redenen verstaan. ‘Wij willen eene nieuwe wet hebben’, luidt het en de mannen van Maria druipen het weer af. Met die nieuwe wet wordt uiteraard gealludeerd op een nieuw en legitiem stadsbestuur.

2 mei 1477. De revolte is al drie maand aan de gang en escaleert eigenlijk maar in negatieve zin. De vijf hoofdmannen van de ambachten geven opdracht om burgemeester Victor Van Lichtervelde, de voorschepen Joris Paelding en de schout Victor Van Volmerbeke van hun vrijheid te beroven. De drie krijgen huisarrest wat in het weelderig Vlaams van die dagen omschreven staat dat ze gevangen werden en dat in hun huis een gevangenis gemaakt werd, een ‘vangenisse’ om precies te zijn.

Half mei is het Pinksteren en wordt er in de stad traditioneel het ‘Ascensionsfeest’ gehouden. Normaal gezien wordt er tijdens het weekend van Sinksen de ‘assensimarkt’ gehouden, maar dit keer is het noppes. Buitenstaanders die het wagen om hun goederen uit te stallen, worden gemaand om op te hoepelen. Er kan geen sprake zijn van ‘coopmanschappen’ zolang de wetten niet naar behoren aangepast zijn.

17 mei. Kort na de middag verspreidt er zich een leugenachtige roep dat Antoon Van Volmerbeke in de stede gekomen is om om zijn broer Victor met geweld uit de gevangenis te komen bevrijden en weg te voeren. Antoon zelf hoort het donderen in Keulen en spoedt zich even voor 17 uur naar het stadhuis om dat bericht te ontkrachten en het scheelt niet veel of hij wordt er zelf door enkele kwaadwilligen doodgeslagen.

Ik worstel met de oude teksten. Feiten zijn feiten, hoe moeilijk die soms te ontcijferen te zijn. De waarheid heeft zijn rechten en dringt aan op de nodige concentratie en volharding van mijnentwege. Antoon Van Volmerbeke is niet alleen gekomen en het onverhoeds aanvallen van de man, zou wel eens een bloedig slag met zich kunnen meebrengen waar op zijn minst vijftig doden zouden zijn gevallen. Dat beweert de auteur van de handschriften toch. Dankzij de tussenkomst van enkele ‘goede lieden’ kan dergelijke slachtpartij voorkomen worden en kan Van Volmerbeke uit het gedrang ontzet worden en naar de relatieve veiligheid van een gevangenis verhuizen.

Helemaal uitsluiten of die vijftig doden nu al dan niet zijn gevallen, kan ik niet, het is hoe dan ook zonneklaar dat de sfeer er met de minuut grimmiger wordt. Diezelfde zaterdag, net voor de middag wordt er op de straatkeien een brief gevonden. Een handschrift in opdracht van een zekere Xpiaen Vander Graefscepe. Een vat vol dreigende taal, ‘inhoudende enorme termen ten laste van enige notabele personen ende per consequent om de goede stede van Ypre mitsgaders ook alle goede getrouwe mannen te verderven ende ter dood te brengen. Om dewelke voorzeiden conspiratoire, dezelve Xpiaen gheexecuteerd is.’

Antoon Van Volmerbeke zit nu inderdaad opgesloten en hij krijgt daar kort nadien het gezelschap van het drietal dat eerder in huisarrest zat. Ieperling Michiel Vander Mersche bevestigt de aanhouding van de burgemeester door het planten van een ‘pingnoen’ voor het bezant, een lans waar de Ieperse vlag aan opgehangen is. Al is het maar om te tonen dat de wet nu zelf achter slot en grendel zit. ‘Bider welken pingoene nacht en dag lieden gheordonneert waren diet wachtede en ook de voorzeide vangenisse.’

Nog meer geruchten. Een Franse divisie van soldaten zou zich in Loker ophouden en is van plan om Ieper aan te randen. ‘Uuten welke enige van de hoofdmannen met enige menigte van der volke daarweerts trokken met eene wimpel, maar zij vondent al leugene.’ De nieuwe wet moet er sowieso komen, en dringend zowaar! In Ieper proberen de ambachten en het gemeen de zaak ietwat te forceren. Ze sturen een uitgebreide delegatie naar Maria van Bourgondië om hun verzoek kracht bij te zetten. Meester Jan Panne, Lauwers Bonderave, Pieter Van Brabant, Jacob Halfmarte, Pieter De Wintere en Hendrik Vander Stichele. De hertogin beslist om haar commissarissen opnieuw naar Ieper te zenden.

‘Te weten de eerbiedwaardige vader in God (kan je een geestelijke eigenlijk mooier omschrijven?), mijnheere de abt van Ter Duinen en de baljuws van Brugge en Gent. Die laatste is de mij goed bekende Jan van Dadizele. Normaal gezien kiezen de mannen van standing zelf wel hun hotels uit, maar in het revolutionaire Ieper zal dat deze keer toch niet waar zijn. ‘Ze mochten niet logieren waar ’t hen geliefde en waar zij gecostumeerd waren te logierene’. Ze moeten vooreerst al wachten aan de stadspoorten om binnengelaten te mogen worden in het centrum. ‘Zij waren verheyt ter poorte en waren geleed in zulke herberge als mense hebben wilde, in ’t welke hemlieden niet wel tevreden waren.’

Woensdag 21 mei. Het geluid van de beiaard en dat van luidende klokken weerklinkt in de Ieperse lucht. Zou er dan toch een einde gekomen zijn aan de revolutie? De banieren worden van de markt weggehaald. De goede inwoners van de stad hopen dat het allemaal goed aan het komen is en laten de stadsbanieren wapperen aan het belfort. De volgende dag wordt het duidelijk wat er aan de gang is. De afvaardiging van de gravin heeft de nieuwe wet geïnstalleerd en is daarmee ingegaan op de eis van volk. De abt van Ter Duinen en de baljuws van Brugge en Gent, hebben wel zelf geen keuze gemaakt en hebben enkel gedaan wat hen door de vijf hoofdmannen en het gemeen werd gevraagd.

Ik wil jullie niet vervelen met de volledige lijst van de nieuwe schepenen en de raadsleden. De top vijf bestaat uit burgemeester Victor De Wale en de schepenen Fagels, Bonderaven Rudsaert en De Storem. Het wordt allengs duidelijk waarom Maria zo snel gezwicht is voor de wil van het Ieperse volk. De koning van Frankrijk wil profiteren van haar zwakke positie. Een militaire campagne aan de Leiekanten zorgt voor gevaarlijke standjes en nog veel meer voor het risico dat Vlaanderen wel eens onder Franse voet zou kunnen worden gelopen.

Jan van Dadizele is aangesteld als militaire bevelhebber van het Vlaamse volksleger dat moet proberen om de Fransen af te stoppen. De baljuw zit uiteraard erg verlegen om manschappen. Aan zijn medewerking om het nieuwe schepencollege te verkiezen, hangt dus een prijskaartje: manschappen om ten strijde te trekken. ‘Kort daar na, waren gekozen honderd sergeanten om te trekken met de standaard vander stede onder leiding van mijnheer Karel van Vlaanderen.’ Het moeten er trouwens veel meer zijn, want hun leider Michiel Van der Mersch vindt het bespottelijk dat ze maar met zo weinig worden afgevaardigd en dat het veiliger zou zijn voor de manschappen om met een groter leger te vertrekken.

Donderdag 29 mei 1477. De soldaten vertikken het om op te trekken. De ‘clocke en de scelle begonsten luiden ten tien uren voor de noene en ze luidden tot ’s navonds ten zesse uren en een half, ’t welk luiden was omdat de voorzeide honderd sergeanten uitgetrokken zouden hebben.’ De hertogelijke standaard wordt vanuit de lakenhalle naar beneden gehaald en tot bij de burgemeester gebracht. Ik dacht, net zoals jullie op dit moment trouwens, dat de heibel nu wel achter de rug zou zijn. Maar dat is dus duidelijk nog niet het geval. Een aantal relschoppers zijn blijkbaar niet opgezet met al dat geforceerd respect voor Maria van Bourgondië en gaan aan de haal met haar officiële banieren.

Het gebeurt aan de steiger van de halle. Wanneer de burgemeester met de vlag aan ‘de voet van de steeghere stond, zo hadden enige kwaadwilligen besloten denzelven standaard te nemen, wat terstond geschiedde, ende een onbedachte zot genaamd Andries Boeten, oud schoenlapper, nam bij fortsen den standaard uuten handen van den voorzeiden voogd en liep er mede ter vangenisse waarts, en voor hem reed een zekere Wouterkin Van den Ackere (weer hij), plaatse makende, en drijvende blijde sier, ende was terstond dezelve standaard geplant voor de vangenisse en stond er tot zaterdags daarna tussen den drien ende vier uren na de noene dat hij uitgevoerd was.’

De aanhoudende weerbarstigheid van de Ieperlingen heeft veel te maken met het feit dat de gevangen schepenen nog niet voor de rechtbank verschenen zijn en er blijkbaar nog een kans bestaat dat het nieuwe stadsbestuur een en ander door de vingers zal zien. Ook de weigering om ten strijde te trekken tegen de Fransen heeft er mee te maken. ‘De roep ende cause vande voorzeiden sergeanten en andere kwaden, zij die de standaard voor de vangenisse brochten, zo zeide men, was dat zij voor hunlieder vertrek eerst justicie hebben wilden van den voorzeiden gevangenen. Te weten dat men een tent op de markt gesteld zoude hebben en een schavot der bezijden om in dezelfde tente de gevangenen te pijnigen en dan op ’t schavot ’t onthoofden.’

De schrijver looft zijn God dat er een aantal verstandige mensen actief gaan lobbyen dat alleen de Allerhoogste (mijnheer God dus zelf) zal bepalen welke het lot zal zijn die de sukkelaars zullen dienen te ondergaan. De vierschaar zal beslissen. De kroniekschrijver scherpt de punt van zijn pen en brengt alles in gereedheid om een vrij gedetailleerd verslag van deze ‘Beschuldigde Sta Op’ avant la lettre te berde te brengen.

‘Op zaterdag, de laatste dag van mei, waren alle de voorzeide 10 gevangenen ter halle geleid, en daar moesten zij zich engageren voor het volgende: ‘In de naam van de Vader, amen.’ De akte van beschuldiging vangt aan met de datum van het proces. ‘Den letsten dag van meye, in ’t zesde jaar vander pontificatie van onze heilige vader, paus Sixtus de vierde, worden ter punitie opgeroepen Victor Van Lichtervelde, Joris Paelding, Victor Van Volmerbeke, Pieter Van de Letewe, Joris De Wilde, François Vander Poorte, Joos en Joris De Brievere, Jan Colaert en Pieter Van Heisackere, gevangenen, wezende buiten de vangenisse en bevrijd van hun banden van ijzer.’

Ze verbinden zich er allen toe om terecht te staan voor de burgemeester en de schepenen van de stede van Ieper en ze zullen zich verantwoorden voor alle aanklachten die de vijf hoofdmannen in de naam van het gemeen hen voor de voeten zullen werpen. Ze respecteren elke toekomstige beslissing of vonnis en willen het tot in de fijnste puntjes ondergaan. De beschuldigden engageren zich om geen beroep aan te tekenen bij hertogin Maria, bij de raad van Vlaanderen of bij andere hooggeplaatste personen en schikken zich naar de wil van de Ieperse vierschaar.

Een hele rist getuigen passeert de revue. De nieuwe burgemeester en de kersverse schepenen verbinden er zich toe de gevangen personen correct te beoordelen zoals dat altijd al de geplogenheid geweest is in de stad. Pas op die manier kan het magistraat volledige kwijtschelding krijgen van Maria van Bourgondië, een ‘pardon generaal van mer geduchter jonkvrouwe’.

Ook een herbevestiging van de nieuwe vrijheden en keuren maakt deel uit van de lopende procedure. De bisschop van Terenburg (Terwaan) is eveneens van de partij. Simoen Top stuurt de zitting, zoekt naar tekenen van waarheid en vraagt om gebeden en uiteindelijk engageren allen, de beschuldigden incluis, om de nieuwe vrijheden te respecteren. Er is na eindeloos palaveren dan toch sprake van een overeenkomst. Eventuele straffen lijken wel weggemoffeld te worden in een zee van woorden en zinnen in de welke een hond beslist zijn jongen niet meer zou kunnen terugvinden.

‘Terstond na dat de voorzeide gevangenen het verbond gedaan hadden, zo ludde weder de clocke ende scelle ende de voorzeide Andries Boeten die den standaard als voorschreven genomen hadde uuten handen van den voogd ende gebracht voor de vangenisse, haalde den zelven standaard weder en droeg hem terug waar hij hem ’s donderdags te voren genomen hadde, en bad den heere hoofdmannen en wet vergiffenisse. En terstond trokken de sergeanten uit en mijnhere Karel van Vlaanderen droeg de standaard.

Gewezen burgemeester Victor Van Lichtervelde moet niet langer in de gevangenis opgesloten blijven en de ijzers zijn verleden tijd. Er is echter geen sprake van dat hij al in volledige vrijheid gesteld wordt. ‘Kort na dezen, zo was Victor Van Lichtervelde, die op den 17de dag van mei in de gevangenis gebracht was, uuter zelver vangenisse gedaan, ende geleid ten huuse van Jan De Wayere, merssenier (koopman), en hem daar vangenisse gemaakt, en tot dien geordeneert bij hem tzijne kosten twee gezellen diene wachten zouden, ende hij moesten den zelven gezellen geven 4 gulden sdaags ende de kosten.’ Ook de andere negen schepenen blijven opgesloten.

Op 23 juni 1477 laat het nieuwe stadsbestuur volgende officiële verordening verschijnen. ‘Omme dieswille dat ten verzoeke van mijne heren de hoogbaljuw en de vijf hoofdmannen van dezer stede. Victor Van Lichtervelde, Victor de heer van Volmerbeke, Joris Paelding, François Vander Poorte, Pieter Van de Letewe, Joris De Catte, Joris De Brievere, Joos De Brievere, Jan Colaert en Pieter Van Heisackere liggen binnen dezer stede gevangen. Men laat zo weten en beveelt dat elkeen die hij of zij weet te beklagen van de voornoemde gevangen personen of enige van hemlieden, dat zij komen zouden bij den baljuw of de vijf hoofdmannen en overgeven hundere klachten. Om hen vervolgens te kunnen vervolgen in hunlieder rechten en de voornoemde heren voogd en schepenen zullen de gevangenen alzo redenen en recht bewijzen tussen dit ende zaterdage eerstkomende.’

De burgers kunnen nu vrijuit hun klachten indienen en toch is de herrie nog niet helemaal voorbij. De vijfentwintigste van de hooimaand is er al opnieuw sprake van nieuwe beroering. 25 juli 1477, ‘zo was er eener nieuwe commotie begonnen bij enigen kwade personen die eene roep upgaven waar het gemeen wrochte in de vesten om die te zuiveren van den wiede’. Waar de groendienst anno 2015 prima werk levert om de vestingen onkruidvrij te houden, is deze taak vijfhonderd jaar geleden weggelegd voor het gemeen. Ik vraag me af of de Ieperse handlangers hiervoor betaald worden. Nu ja. Met hun volle goesting zullen ze wel niet aan het werk zijn. En als er dan nog enkele profeten hun komen vertellen dat er op dat zelfde moment vier deurwaarders bezig zijn om de gevangenen van het afgelopen proces uit de gevangenis te lichten, dan kan ik me wel inbeelden dat dit bericht enige rumoer veroorzaakt.

Zeg nu zelf: ‘datter vier deurwaarders gekomen waren om de gevangenen te lichten van vangenisse en bij speciale Victor Van Lichtervelde, ’t welke nochtans eene geviseerde leugene was, uut welke roepe zulke roering rees, als dat meest alle de voornoemde personen die in de vesten wrochten ende meer andere ongeregelden, terstond ter markt kwamen’. De baljuw van Ieper, sheriff Robert de Cherf, bijgestaan door de gratie van God, kan maar op het nippertje voorkomen dat Jan Van Lichtervelde, de zoon van Victor, ‘op de markt dood zoude geslegen zijn.’

De aanhoudende leugenachtige praat blijft voor onweer zorgen in de Ieperse lucht. Zo bijvoorbeeld ‘dezen roep en nog andere gegeven up den zelven tijd, zeggende datter drie of viere van de voorzeide gevangenen ter poorte uutgelopen waren in vrouwenhabijten, ’t welke kwade leugen was, ende was al gedaan om hun kwade wille in effect te brengen.’ Voor alle veiligheid laat de baljuw nog twee extra gezellen plaatsen bij het huis waar Victor Van Lichtervelde verblijft.

Er is nog een elfde gevangene waar nog met geen letter over geschreven werd. Roeland van Dixmude. ‘Om de causen ende inder manieren hier na volgende’. Op de eerste zondag na Pasen, hier Quasimodo genoemd, wordt het toenmalig stadsbestuur op de hoogte gebracht van een gerucht dat door de bewuste Roeland van Dixmude wereldkundig werd gemaakt. Enkele personen binnen de stad zouden van plan zijn een garnizoen in de stad los te laten, ‘ende dat men enige inwoners vander zelve stede zoude doodslaan’. De potjes lopen in die dagen bijna vanzelf over. Het is dan ook helemaal geen verrassing dat dergelijke nieuwtjes voor nog meer beroering hebben gezorgd.

Ik keer terug op mijn stappen en begeef me naar de week van Quasimodo. De voogd en de schepenen ontbieden de hoofdman van het bezant en eisen een onderzoek rond de beweringen van Roeland van Dixmude. Die antwoordt dat ‘hij met hemlieden spreken zoude ende brengene voor de wet.’ De chef van de gevangenis neemt er echter zijn tijd voor.

Een dag later worden de twee roddelaars door de schepenen geïdentificeerd en opgepakt. De hoofdman van het bezant is nog niet eens begonnen om Roeland zelf op de rooster te leggen en dat wekt de nodige wrevel op bij de schepenen en het stadsbestuur. Een linke boel die de rol van het bezant tijdens de rellen van 1477 in een heel ander daglicht plaatst. Nu, hoe dan ook, de mannen worden elk afzonderlijk en onder ede ondervraagd. Het verhoor gebeurt buiten het medeweten van de hoofdman van het bezant.

Zo komt het bestaan van een brief aan de oppervlakte. Een brief geschreven door Roeland van Dixmude en afgegeven aan de hoofdman van het bezant. Of dat de waarheid is, valt te betwijfelen, de ondervraagden liegen er op los en proberen een en ander in de schoenen van deze Roeland te stoppen. Op de vraag wie dat ‘brievekin hadde geschreven, zeiden zij dat zij ’t niet en wisten, daaraan zij logen ende al dat zij zeiden ter lastinge van den voorzeiden Roeland.’

De hoofdman van het bezant mag het komen uitleggen. Meester Jacob Heem, Jacob Colaert, Joris Dewilde en nog enkele andere personen hebben blijkbaar ook boter op het hoofd en worden eveneens verhoord in de kwestie. De roddelaars hebben met het verspreiden van hun geruchten slechts één doel voor ogen gehad: commotie, onrust zodat de boel eindelijk kan exploderen. Het oppakken van Roeland van Dixmude was in die optiek een gevaarlijk precedent om het vuur nu zelf aan de lont te steken. De hoofdman van het bezant is duidelijk: ‘andere van de wet ontreden ’t uut vreeze van commotie, want men leefde meer en meer in het besef dat de kwaden uit waren om okkasoen thebbene van commotie te maken.’

Terwijl de banieren van alle ambachten strijdlustig wapperen op de Ieperse markt, vertrekken enkele Ieperlingen in opdracht van de vijf hoofdmannen naar Brugge om er de bewuste Roeland te gaan oppakken en ‘die zij met zijn scone leugenachtige woorden en beloften ’t Ypre brochten.’ Van Dixmude zal door de mand vallen, zijn beweringen waren er enkel om de boel te verzieken. ‘Kort na dat de wet vermaakt was, zo was de voorzeide Roeland ten verzoeke van den voorzeiden hoofdmannen en het gemeen gebrocht ter halle voor de nieuwe wetsheren. Ende hij was daar voor de hoofdmannen en grote menigte van volk gepijnigd zeer rigoureuselijk, ende met kwade valse cause, zo het wel en deugdelijk gebleken is’.

Na deze flash-back kom ik opnieuw terecht in de zomer van 1477. Bij de gevangen Victor Van Lichtervelde, de voormalige burgemeester, een man die het zwaar verkorven heeft bij zijn Ieperlingen. Hij moet herhaaldelijk op de strafbank verschijnen en uitleg geven over de maatregelen die hij tijdens zijn bestuur genomen heeft. Van Lichtervelde weert zich blijkbaar als een duivel in een wijwatervat; ‘alle aantijgingen zijn geviseerde leugenen’.

De vierschaar beslist op 20 augustus uiteindelijk als volgt: ‘de voorzeide Victor wordt wegens meineed veroordeeld ’t hebbene van een grote heerlijke beteringe en een boete van 19 pond’ De nieuwe schepenen willen hem vooral schrik aanjagen, de wet is veranderd, veel kwaad kan hij niet meer uitrichten. Maar het is beter dat hij voortaan in de luwte blijft. In afwachting van een definitief proces mag hij zijn gevangenis verlaten, maar krijgt hij een mild huisarrest. ‘Het was hem gecosteerd in zijn huis te gaan zonder wachters ende messe te mogen horen in ’t gasthuus up de markt.’

Op 25 september wordt ook het strafregime van Joos De Brievere wat verlicht. Ook hij krijgt huisarrest: ‘het was hem geconsenteerd in zijn huus vangenisse te houden zonder wachter, ende den letsten van den hooimaand van 1478 was hij alsdeels ontslegen.’ Er komt een financiële regeling. Een boete van 12 pond en de 8 pond die de stad hem nog schuldig is, mag hij op zijn buik schrijven.

Gewezen schepen Jan Colaert komt er diezelfde dag niet zo goed van af. Hij wordt verplicht ‘om vangenisse te houden ten huuse van Michiel De Wagere en hij moet zelf opdraaien voor de kosten van zijn bewaker. Hij kan zich uiteindelijk loskopen voor 20 pond. De straffen voor Joris De Brievere en Frans Vander Poorte zijn analoog met die van Colaert. Ze krijgen huisarrest in de woningen van respectievelijk Joris Gomer en meester Jan Panne en draaien eveneens op voor de kosten van hun cipier. Pieter Van Heisackere vliegt in het huis van Pauwels Scelewaert. Ze komen alle drie pas helemaal vrij na het betalen van sommen geld en het schenken van zakken koren.

‘Joris De Witte wart vangenisse gemaakt in zijn huus zonder gezellen bij hem ’t hebbene. Pieter Van der Letewe, de man aan wie ik deze kroniek te danken heb, omschrijft ook zijn eigen bestraffing. Hij wordt gevangen gehouden in een woning ‘genaamd den Busch op de maerct, daar waar Karel Colaert woonde, en met een gezel bij hem’. Victor Van Volmerbeke tot slot vliegt in het huis van Cornelis den Pastebackere en zo werden ze allen ‘gedelivreerd van enige vangenisse ende de calainge up hemlieden bleef ende viel interupt’.

Van die laatste zin moet ik het fijne weten. Iets neerpennen wat ik niet begrijp is niet aan mij besteed. Het in stand houden van de calainge (of calange) en daarbij de term ‘interupt’, betekent concreet dat de beschuldigden de feiten op hun strafblad krijgen maar dat ze geen verdere straf meer hoeven te vrezen.

Wat is het toch spijtig dat de kroniekschrijver geen boekje open deed rond de levensomstandigheden van die dagen. Wat leefde er binnen de vier schamele muren van de werkmanshuisjes? Ik heb het resultaat van de mistevredenheid en de sociale afstoting aan de lijve ondervonden hier in zijn geschriften. De menselijke ellende die ze vooraf ging, stond helaas niet neergepend. Van de Letewe had interesse voor het wedervaren van zijn stad, maar toonde zich fijn gerust in de menselijke aspecten van de Ieperlingen van zijn tijd.

Vooraleer zijn hoofdstuk af te sluiten, geeft hij wel indirect aan dat er nog meer sociale problemen zijn in het Ieper van 1477. Op sacramentsdag, de zesde dag van de wedemaand breekt er nu nog een staking uit in de textielnijverheid. Op 6 september om precies te zijn. Ik beleef de laatste stuiptrekkingen van een turbulente periode uit de geschiedenis van mijn stad.

‘Daags na sacramentsdag ludde eerst de dagklokke ende werkklokke, niemand van de wevers ende vulders en wilden nog te werke gaan omme ’t geschil van hun loone.’ Twee dagen later geven de drapiers wat toe aan de knapen. ‘Ze zouden winnen int zomersche seizoen 5 stuivers daags ende int winterse 4 stuivers daags’. De volders krijgen voorlopig geen opslag. Na de bemiddeling van collega’s uit Brugge en Kortrijk halen ook zij hun slag thuis en komt er Godzijdank een einde aan de onrust in Ieper.