Bezuuden den Ommeloope

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     252 Views     Leave your thoughts  

Het jaar 864. Nadat de Noormannen onze geteisterde gewesten verlaten hebben, komen de rust en vrede eindelijk terug. Er ontstaan overal diverse landhoeven of villa’s. Samen met de hoeven die overal in de buurt verspreid liggen, vormen ze wijken of dorpen. De inwoners van de landhoeven wonen op wallen. In 902 bouwt graaf Boudewijn II van Vlaanderen aan de waterkant van de Ieperlee (rivier) een wal. Deze nederzetting ligt tussen de twee armen van de Ieperlee en is belastingplichtig tegenover de Karolingische keizer. De villakerk, die bij de landhoeve wordt gebouwd, krijgt Sint-Maarten als patroonheilige. Het is rond de markt waar zich rond 930 een primitieve gemeenschap ontwikkelt, die vooral bestaat uit lijfeigenen die aan de landhoeve zijn verbonden.

Oude documenten vermelden in die periode al de naam Brielen: “In den Brielen….ligghende bezuuden den ommeloope ende binnen den ommeloope…”. Het Noordhof ligt noordelijk in de Ieperse landhoeve binnen de “ommeloope”. De straatnamen van de Omloopstraat en van de Noordhofweg vinden hun oorsprong in die beginperiode van de landhoeve Ieper. Ieper kan in de 10de eeuw beschouwd worden als een uitgebreide landhoeve. De villicus, de heer van de landhoeve Ieper, reist te paard via een grote randweg rond zijn domein naar al zijn landerijen. Die randweg wordt de “Ommelope” genoemd. Alles wat binnen de “Ommelope” ligt is eigendom van de Villicus.

Tijdens de 10de eeuw begint de woonkernontwikkeling van Iperen. Er ontstaan twee woonkernen: een bestuurlijk centrum in het noorden en een handelsnederzetting in het zuiden. Ze worden beschermd door grachten, aarden wallen en palissaden die de stad met poorten van de buitenwereld kunnen afsluiten. De snel toenemende handel in laken en textiel en de hierbij gepaard gaande bevolkingsexplosie brengt beide centra al vlug bij elkaar. De oorspronkelijke grachten evolueren al snel tot afvoergeulen die “riolen” worden genoemd.

Tot 1050 is Ieper nog een grote landbouwnederzetting die toebehoort aan de Graven van Vlaanderen. Maar dat verandert door de snelle groei van Ieper veroorzaakt door de goede ligging: de Markt ligt op het snijpunt van de belangrijkste rivier, de Ieperlee, en de even belangrijke weg die van Rijsel naar Brugge loopt. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat zich hier naast de eerste bewoners al heel vroeg een handeldrijvende bevolking vestigt. De nieuwe handeldrijvende bevolking krijgt de bovenhand op de vroegere agrarische bevolking.

De grondstof voor de lakennijverheid wordt aanvankelijk geleverd door schapen uit de Vlaamse landstreken, maar in de 11e eeuw blijkt de aanvoer van Vlaamse wol onvoldoende. Vanaf dan wordt dan maar kwaliteitswol vanuit Engeland ingevoerd. In die tijd ontstaat de stad Nieuwpoort, die later de Ieperse zeehaven wordt. In Ieper ontwikkelt zich al snel een bloeiende jaarmarkt dankzij Nieuwpoort.

Oude documenten vermelden in die periode al de naam Brielen: “In den Brielen….ligghende bezuuden den ommeloope ende binnen den ommeloope…”. Het Noordhof ligt noordelijk in de Ieperse landhoeve binnen de “ommeloope”. De straatnamen van de Omloopstraat en van de Noordhofweg vinden hun oorsprong in die beginperiode van de landhoeve Ieper.

De naam “Brielen” komt regelmatig terug in de oude Ieperse geschriften. Door de forse ontwikkeling van de lakennijverheid ontstaat er plaatsgebrek binnen de muren van de stad en verhuizen de wevers naar nieuwgebouwde “voorgeborghten” rond de los- en laadkades van de Ieperlee. Een aantal parochies van vooral handarbeiders verrijst in het zicht van de stadsmuren. In deze niet door vestingen beschermde wijken komen vooral de vervuilende ambachten terecht, zoals het leerlooien, het verven en het vollen van de stoffen. We vinden langs de Ieperlee allerlei stapelhuizen en hallen terug. In die tijd telt Ieper 40.000 inwoners en is het één van de grootste steden van Noord-Europa. Om deze mensenmassa te beschermen besluit men een tweede, “uterste” omwalling op te werpen die deze voorsteden zou beschermen. Het werd een tracé van 7.6 km. Sommige resten ervan zijn nog in het landschap terug te vinden.

Eén van die “voorgeborghten” wordt al snel “Briel” genoemd. De naam is afkomstig uit het Keltisch (Brogilo), later door de Germanen tot “Briel” omgevormd. “Brogilo” betekent omheining, verwijzend naar vochtige afgelegen weides. In het middellatijn heet het “Brialum”, later in het Romaans wordt de term “Briel” beschouwd als meersch, moeras, drassige grond begroeid met struikgewas. In de beginperiode van Brielen in de 12e eeuw heet de samenleving rond de Ieperlee gewoon “Briel”.

In 1128 wordt Diederik van de Elzas tot Graaf van Vlaanderen uitgeroepen. Onder zijn regering (en later onder die van Filip van de Elzas) neemt de welvaart in aanzienlijke mate toe. Een bloeiend lakennijverheid bevordert de ontwikkeling van de handel en de politieke machtsuitbreiding van de grote steden Brugge, Gent en Ieper.

In 1187 wordt dicht bij de losplaats een kapel gebouwd. Het gebouw krijgt later de naam “Ten Briel” met Onze Lieve Vrouw als patrones. De kapel wordt gebouwd dank zij de mildheid van een zeker Ghelinus, ambtenaar van de graaf van Vlaanderen, Filip van den Elzas. De Onze-Lieve-Vrouw kerk bevindt zich op zowat 300 meter ter noorden van de stadsgrachten en een 100 meter ten zuiden van de losplaats en op zo’n 50 meter van Watermolenbrug. (dat is de brug die ter hoogte van de Diksmuidseweg over de Ieperlee ligt).

Als we de Brielense kerk in het landschap van de 21e eeuw zouden situeren, dan zou je die terugvinden langs de Diksmuidesteenweg, tussen de Ieperlee en de kaai. In het jaar 1249 is er al sprake van de Elverdingweg. die later in de geschiedenis de Yperstraete, baan Ieper-Veurne en de Veurnesteenweg genoemd zal worden.

De kapel wordt in 1196 tot parochiekerk verheven. Enkele jaren later krijg ook de parochie Sint-Jan zijn parochiekerk. Met de St.-Michielskerk, opgetrokken rond 1102 en pas in 1249 tot parochiekerk verheven, bezit Ieper op dit moment 7 kerken. Vier bedehuizen bevinden zich binnen de stadsmuren, drie er buiten. De kerkelijke overheid komt hierbij tegemoet aan de noodzakelijkheid om de bewoners van de buitenwijken hun godsdienstplichten te kunnen voldoen. De parochie van O.L.Vrouw-ten-Briel zal zich de komende 100 jaren onwikkelen tot de grootste van alle parochiekerken van Ieper.
Na de terugtocht van de Franse koning Filips-August wordt in 1214 door Fernand van Portugal een begin gemaakt met de bouw van de vestingswallen. De nieuwe stad krijgt tien poorten. Gesteund door de graven van Vlaanderen wordt Ieper een wereldberoemde stad in Vlaanderen en evenaardt ze Brugge en Gent in pracht en praal. Iepers faam en welvaart bereikte een hoogtepunt.

In juni 1240 doen proost en kapittel van Sint-Maarten te Ieper – de hoogste kerkelijke autoriteit van de stad – afstand van een stuk land ten oosten van de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen, ten voordele van de “arme vrouwen die men begijnen noemt” (pauperibus mulieribus que Beghine vocantur), tegen een cijns van 60 schellingen Vlaams, dit alles met goedkeuring van gravin Johanna van Vlaanderen en Henegouwen. Het afgestane land ligt (net als Brielen) buiten de stadswallen. De Onze-Lieve-Vrouw kerk ten Brielen is sinds 1196 als centrum van zielezorg gevestigd in de nieuwe voorstad Brielen die zich in de twaalfde eeuw ten noorden van de oude stadskern heeft gevormd.

Het centrum van de begijnengemeenschap wordt al snel een hospitaal. Het wordt expleciet vermeld in 1254, toen het van gravin Margareta van Vlaanderen (Johanna’s zuster) een jaarlijkse rente van 10 pond artesiaans ontvangt. In de eerste decennia van het bestaan frequenteren de begijnen de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Briel voor dagelijkse diensten, wat gezien de korte afstand geen onoverkomelijk probleem is. In 1260 wordt in hun “hof” (in curte sua) een kapel opgericht ten behoeve van zieke en arme vrouwendie het hospitaal niet kunnen verlaten om in hun parochiekerk de diensten bij te wonen. Enkele jaren later, in september 1264, is er al sprake van een jaargetijdestichting in het begijnenhof, wat er op kan wijzen dat niet alleen de bewoonsters van het hospitaal, maar ook andere begijnen van die kapel gebruikt maakten. Dit vermoeden wordt bevestigd in een nieuwe overeenkomst die de begijnen in december 1267 met de proost en kapittel afsluiten. Voortaan mogen de begijnen een eigen kerk en priester hebben, gekozen en aangesteld door het kapittel. Die priester mag op zon- en feestdagen een gezongen mis opdragen en op de andere dagen een gewone ochtendmis, dat allemaal voor een jaarlijkse vergoeding van 25 pond Vlaams, door de begijnen zelf te betalen.

De begijnen voorzien de priester (oorspronkelijk een kanunnik van het kapittel) door een koster laten assisteren en hem voorzien van kerksieraden, kaarsen, ceremoniele kledij en andere benodigdheden. De begijnen garanderen die betaling met al hun bezittingen, maar in het bijzonder met de goederen die zij kort voordien hebben gekregen van Nicolaas Mont, schepen van Ieper tussen 1238 en 1251. Gravin Margareta van Vlaanderen bevestigt de overeenkomst in januari 1268. De nieuwe kerk, gewijd aan Sint Christina, nadert omstreeks 1300 haar voltooiing.

De groei van de gemeenschap in die periode vereist ook nieuwe afspraken tussen de begijnen onderling die in januari 1270 worden vastgelegd in een ordonnantie van gravin Margareta. Die gemeenschap is immers niet alleen veel groter dan in de eerste jaren maar ook meer complex: ze bestaat nu uit een hospitaal of fermerie waar oudere of zieke vrouwen worden verzorgd door een kleine groep begijnen, een aantal huizen waarin de begijnen wonen, conventen voor gemeenschappelijk leven, waar gewoonlijk nieuwe begijnen worden opgevangen of voor zij die zich geen eigen huis kunnen veroorloven. Er bevinden zich verder nog een aantal dienstgebouwen zoals een bakkerij, brouwerij en een kleine boerderij. Vooral de relatie tussen de centrale instelling (het hospitaal) en dit grotere, zeer verscheiden (en helemaal ommuurde) “hof” van alle begijnen is aan een nieuwe definitie toe.

Hoewel het aantal begijnen en de inkomsten van de gemeenschap uit schenkingen van renten, huizen en andere goederen ook in de volgende jaren wellicht blijven groeien, zijn er geen tekenen dat het areaal ingenomen door het hof wordt uitgebreid. Dat kan ook moeilijk omdat de Onze-Lieve-Vrouweparochie van de Briel aan het einde van de 13de eeuw een vrij dichte bewoning heeft en er nauwelijks kans is om het hof te vergroten door aankaap van braakliggend terrein buiten het hof. Er moeten dus nieuwe behuizingen voor begijnen binnen het hof gevonden worden, maar ook hier is de ruimte niet onbeperkt. In de onmiddellijke omgeving van het hospitaal kan men niet bouwen – dat land blijft de exclusieve eigendom van de fermerie, die er groenten en fruit kweekt en dieren houdt. Het wat verder gelegen weideland en de tuinen van het hospitaal worden daarentegen vanaf 1270 grotendeels benut voor de constructie van nieuwe huizen door en voor begoede begijnen. Het begijnenhof van Sint-Christina heeft tegen het einde van de 13de eeuw wel zijn uiteindelijke contouren aangenomen.

Het Ieperse laken beheerst ondertussen de wereldmarkt; het wordt tot in Rusland toe verhandeld. In die periode wordt gestart met de bouw van Belfort, de kathedraal en Lakenhallen. Het originele gebouw van de Lakenhallen, voor zijn tijd een verbazingwekkende constructie, wordt opgetrokken tussen 1260 en 1304 en dient tegelijk als markt- en opslagplaats voor wol en laken. De stad heeft toen een drukke haven en het grootste deel van de wol wordt per boot aangevoerd. Boten komen de stad binnen via de Ieperlee en meren naast de Lakenhallen aan.

Maar in deze bloeiende 13e eeuw krijgt Ieper ook te maken met oproer en rampen. In 1255 zien we de eerste tekenen van sociale onlusten, als gevolg van de ontevredenheid van de ambachtslieden, die aan de willekeur van de machtige bestuurders van de stad zijn overgeleverd. In 1241 vernielt een brand ongeveer een derde van de stad.

Een nieuwe ramp in 1273; om politieke motieven wordt door Engeland een embargo gelegd op de levering van Engelse wol. In 1297 worden de buitenwijken van Ieper door de Fransen in brand gestoken, waarop Graaf Gwijde van Dampierre besluit de stad te versterken tegen de opkomst van de Fransen.

Omstreeks het jaar 1300 is er een dichte bevolking ontstaan en telt de parochie van O.L. Vrouw-ten-Briel de meeste parochianen van alle parochiekerken van Ieper. In 1302 (wanneer de guldensporenslag zich op zo’n 30 km van ons vandaan afspeelt) heet onze gemeenschap “Briele”. Tussen de Elverdingweg (aan het latere Brielen-Hoekje) en de Omloopstraat is ondertussen de Augustijnenstraat ontstaan. Die straat wordt genoemd naar het klooster van de Augustijnen-Heremieten. Al in 1328 wordt er melding gemaakt in de rekeningen van Ieper van het “straetkin van den Augustinen”. De Augustijnenstraat eindigde die tijd niet aan de Omloopstraat maar ze loopt verder tot aan de weg van Vlamertinge naar Voormezele.

De Elverdingweg ontwikkelt zich verder en in 1342 maakt men melding van “in de prochie van den Briele, ter clapstraete”. De Clapstraat (later Klapstraat) loopt van de Groenestraat (verbindingsstraat van Vlamertinge naar Elverdinge) tot aan de Elverdingweg aan herberg “De Krikke”. “Clap” betekent: het gebied van de graangewassen die wind zouden veroorzaken.

Onder druk van de wevers ontstaan ambachtelijke organisaties, die steun zoeken bij de Graaf van Vlaanderen. De graaf ziet in deze alliantie een middel om in de steden een dam op te werpen tegen de allesoverheersende macht van de bestuurders van een stad. Deze bestuurders van de stad zochten steun bij de suzerein van de graaf, de koning van Frankrijk. Zo ontstaat een politieke tweespalt.

In 1304 wordt de bouw van de Lakenhalle voltooid. In die jaren ontstaan de gilden, die niet alleen de willekeur van de bestuurders opvolgen, maar ook proberen hun mede zeggenschap op administratief vlak op te dringen, wat opnieuw tot scherpe conflicten leidt, die uitmonden in de verbanning van de bestuurders uit de stad in 1325.En weer teisteren rampen de stad; in 1316 sterven 2794 mensen aan een pestepidemie. In 1347 wordt Ieper zo vreeselijk door de pest beproefd dat de geheugenis ervan door landen en tijden is bewaard gebleven met de naam: “De dood van Yper”.In 1349 tot 1350 sterft een derde van de Ieperlingen bij een nieuwe pestepidemie. En ook in 1365 bezwijken meer dan 7000 mensen aan een besmettelijke ziekte. Ondertussen worden de wolleveranties uit Engeland volledig stopgezet. De Engelse koning weet dat de Ieperse lakenindustrie volledig afhankelijk is van de Engelse wol, en hij buit die afhankelijkheid uit; wie voor Frankrijk is, krijgt geen wol. Tegen het midden van de 14e eeuw is de lakenproductie in Ieper met de helft gedaald, en Ieper moet zich noodgedwongen meer richten op de lokale markten.

In 1380 rommelt het weer in Ieper; een nieuwe opstand eindigt met de inname van de stad en de Vrede van Diksmuide, die een dodelijke slag toebrengt aan Ieper. Voortaan is er voor de stad alleen nog een ondergeschikte rol in Vlaanderen weggelegd. De doodsteek komt in 1383: in de vroege morgen van 9 juni roept de Ieperse brandklok alle inwoners op de Grote Markt bijeen. De nachtwaker heeft van op het Belfort een groot leger zien opkomen. Het zijn de Gentenaars en de Engelsen die de stad willen veroveren, omdat die trouw gebleven is aan Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen. De Ieperlingen besluiten om weerstand te bieden aan het opstormende leger. Alle gezonde mannen halen hun wapens bijeen en wanneer de voorwacht van het ontzaglijke vijandige leger van maar liefst 75.000 soldaten voor de poorten van de stad aankomt, zijn bruggen opgehaald, de poorten gesloten en zitten de vesten vol tot op de tanden gewapende Ieperlingen.

De vijand bestormt de Ieperse vesten met stormrammen en met batterijen die zonder ophouden rood-stenen kanonballen de stad inschieten. Het licht van de zon verduistert bij het vallen van de kanonballen. De Ieperlingen buigen niet. De vijand besluit om de stad te laten uithongeren en sluit alle beken en rivieren af die het water vanuit de vijvers van Zillebeke en Dikkebus naar de stad toe leiden. Het wordt een penibele situatie daar in Ieper. De Ieperlingen verliezen echter de moed niet en organiseren verscheidene uitvallen die ze af en toe met succes afsluiten. Tijdens één van die uitvallen kunnen zij een vijandig kwartier veroveren en daarbij een grote hoeveelheid mondvoorraad buitmaken.

Op zaterdag 8 augustus 1383 ( het beleg duurt nu al 2 maanden) bestormt de vijand de stad opnieuw. Nog maar eens. Tevergeefs. Voor de zoveelste keer worden de Gentenaars en de Engelsen teruggeslagen. Ze geven finaal de strijd op en trekken zich definief terug. Het beleg is voorbij. De Ieperlingen, uitbundig van vreugde, trekken massaal naar de kerk om God en de Heilige Maagd Maria, hun patrones en beschermster, te bedanken voor hun Goddelijke steun.

Tijdens het beleg was het Brielense voorgeborchte bezet door de vijand en was het dus niet mogelijk om te gaan bidden naar hun vertrouwde kerk van O.L.V. Ter Brielen. Noodgedwongen vergaderen alle gewonde burgers in de kerk van de minderbroeders in een kapel binnen de stadsmuren die toegewijd is aan O.L.Vrouw. Dag en nacht sturen zij vurige gebeden naar de Hemel in de hoop door tussenkomst van de H. Maagd een verlossing van hun stad te bekomen. Met succes: sinds de voor Ieper positieve uitkomst van de belegering op 8 augustus 1383 wordt de H. Maagd voortaan vereerd als beschermster en patrones van de stad Ieper onder de naam:’O.L.V. van Tuine’. De waarheid ligt echter in het feit dat de Engelsen zich terugtrekken omdat een groot Frans leger dat vanuit Atrecht Ieperwaarts aan het oprukken is.