Brand in Alveringem

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     749 Views     Leave your thoughts  

Beschrijving van Alveringem

In het latijn genoemd ‘Alverghenia’ door Gramaye en ‘Alverghenum’ door Marchantius. Alveringem is een volkrijk dorp van Veurnambacht, gelegen tussen Veurne en Reninge. Deze parochie paalt aan Lo, Pollinkhove, Hoogstade, Izenberge, Sint-Rijkers, Vinkem, Oeren, Eggewaarstkapelle, Zoetenaaie en Lampernisse. In de volkstaal wordt deze plaats gemeenzaam ‘Alvergem’ genoemd. Voormaals bekend on der de naam van Adalfridushem, heeft ze haar naam ontleend van Adalfridus, een voortreffelijk en godsdienstig man die daar zijn kasteel had. Adalfridus onderscheidde zich door zijn verkleefdheid aan het katholiek geloof en door de diepe eerbied welke hij aan de heilige Audomarus bewees.

Men zou zeggen dat hij zijn geest nagelaten heeft aan zijn nakomelingen die tot op vandaag diezelfde godsdienst achten en eren. De parochie zal voor altijd vermaard blijven door het apostelschap van de heilige Audomarus daar in het jaar 663 uitgeoefend heeft. Ontobdoen van de plaatselijke heer Adalfridus heeft hij op diens kasteel verbleven en van daar het geloof verkondigd aan de dorpelingen.

Hij genas het blind geboren kind van de heer en doopte het in een waterput die nu nog altijd de naam van ‘Sint-Omerput’ draagt. Ter nagedachtenis van dit gebeuren wordt deze waterput jaarlijks op de feestdag van de heilige Audomarus door de parochiepriester gewijd.

Sedert de 7de eeuw wordt er van deze plek hier geen gewag gemaakt tot aan de tijd dat Boudewijn met de Schone Baard aan het bestuur van Vlaanderen kwam. Deze graaf, nog jong zijnde, volgde in het jaar 988 zijn vader Arnold II op in het graafschap van Vlaanderen. Maar zijn jeugd gaf gelegenheid tot veel oproeren en inlandse oorlogen. Veel leenheren welke bij erfdeel en door giften van de voorgaande graven rijk en machtig geworden waren, schudden het juk van de gehoorzaamheid af en wilden Boudewijn niet als hun wettige graaf erkennen.

De vrede werd dan toch hersteld. Gent en Brugge ondervonden dat ze gelukkiger waren met de koop- en wapenhandel. Nochtans bleef de gisting op het platteland nog enige tijd voortduren. Langs de zeekant, tussen Monikerede en het graafschap van Guines bleven veel Vlamingen krijgsvaardig, onder hun macht houdende Torhout, Alveringem, Leffinge, Oudenburg, Lissewege en Uitkerke.

Twee eeuwen later, in de tijd dat de Blavoetijnen en de Isengrimmers die later Ingerijken werden genoemd, oorlog voerden tegen elkaar, wordt er opnieuw melding gemaakt van Alveringem. Mathildis, de koningin-weduwe van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, had Veurne-Ambacht en Broekburg als weduwengift gekregen. Ze hield haar koninklijk hof te Veurne tussen 1191 en 1218. Maar ze onderdrukte haar onderdanen door zware belastingen en dat gaf aanleiding tot een oproer.

De Blavoetijnen stonden tegen haar op. De Ingerijken verdedigden haar. Mathildis vertoonde zich in verscheidene plaatsen van Veurnambacht met een geduchte krijgsbende. Ze kwam rond het jaar 1206 te Alveringem aan, welke ze verwoestte. Men vindt beschreven dat het kleine plaatsje van Zoetenaaie tot het jaar 1204 deel uitmaakte van Alveringem.

In vroegere tijden bestond er in Alveringem een vermaarde heerlijkheid, genoemd ‘Het Vrije van Sint-Omer’, die ook haar vleugels uitstrekte over Lampernisse, Pollinkhove, Sint-Rijkers en Lo.

Vermoedelijk was deze heerlijkheid ontstaan door een aanzienlijke gift waarmee Adalfridus de heilige Audomarus bedacht. In het jaar 1577 wanneer de geuzen heel Vlaanderen stoorden, boden de kanunniken van Sint-Omer die toen nog eigenaar waren, hun gebied te koop aan die van Veurne. Deze zaak sleepte aan tot in 1604 wanneer de magistraat van de stad en de kasselrij van Veurne het recht van bestuur over de heerlijkheid van Sint-Omer kocht. Dit terwijl de voornoemde kanunniken de heerlijke titel en de inkomsten ervan netjes behielden.

Men leest dat het kapittel van Sint-Omer een kasteel bezat te Alveringem waar men het recht bezat om recht te spreken over de ganse heerlijkheid. Er was sprake van hoge, middelbare en lage justitie. In 1645 kreeg de parochie heel wat te verduren. De graaf van Lamboy kwam met een leger van vierduizend man tot Hoogstade aangelopen. De soldaten liepen heel het land af, rovende op de naastgelegen gemeenten, zodat die van Alveringem, Pollinkhove, Lo en Izenberge alles wat ze bezaten kwijt speelden.

Het jaar 1658 was nog noodlottiger. Terwijl de Spaanse, Condeese en Engelse troepen binnen het beleg van Duinkerke te Veurne lagen, liepen ze de hele kasselrij af. Ze roofden en plunderden alles wat ze er vonden. Ze vertoonden zich ook in Alveringem waar maar een klein deel volk achtergebleven was. Die arme lieden waren naar de kerk gevlucht en hoopten dat ze daar de nodige veiligheid zouden vinden. Maar ze kwamen bedrogen uit. De soldaten wilden binnendringen in de kerk terwijl diegenen die binnen zaten weigerden om de deuren te openen.

De krijgslieden aan de buitenzijde begonnen direct vuur te maken om de ‘lijkdeur’ te verbranden en om zo binnen te raken. Van zodra deze deur in brand stond begon ook het houten portaal te branden en het vuur geraakte tot aan de gebinten van het gebouw zodat de hele kerk en de toren ervan helemaal afbrandden. Ondertussen waren al diegenen die binnen in de kerk zaten op de toren gevlucht. Maar het vuur gewaar wordende, haastten ze zich nu opnieuw naar beneden.

Het merendeel van de mensen liet zich langs de touwen van de klokken naar beneden afzakken en vluchtten weg uit de kerk. Onder de personen die weggevlucht waren bevonden zich Judocus Reyphins de pastoor van Izenberge en de deken van de christelijkheid. Die waardige man ontsnapte ook aan het gevaar door zich langs de touwen te laten glijden. Men vindt niet dat er iemand in de brand dood is gebleven. Maar; het was jammer van het huis des Heren. Ja! Zeer jammer. Deze kerk was op die vreselijke dag ’s morgen nog de schoonste en de grootste van Veurnambacht. Bij het vallen van de avond was ze nog een rokende hoop as. Dit was niet de enige rampspoed waarmee de streek te maken kreeg. Men hoorde en men zag dagelijks niets anders dan moorden, branden en plunderen. God beware ons van dergelijke tijden nog eens te moeten doormaken.

Ten jare 1780, in januari, werd de parochie opnieuw op de proef gesteld. De Ijzer had twee openingen gemaakt. De eerste rechtover Nieuwkapelle en de tweede bij Kaaskerke. De overstroming was zo geweldig dat de omliggende landen precies als in de zee veranderden. Alveringem en Oeren en zijn omgeving vergingen bijna door het geweld van het water.

In 1794 belastten de Fransen de geestelijkheid van West-Vlaanderen met een som van zes miljoen pond te betalen. Voor haar aandeel kreeg de pastorie van Alveringem een aandeel van twintigduizend en vierhonderd ponden.

In dit algemeen overzicht behoort men ook gewag te maken van enkele roemwaardige personen van Alveringem. Jacobus Marchantius, opsteller van verscheidene werken, was, na Sanderus geboortig van hier. Dat was ook zijn zoon Franciscus die een vermaarde rechtsgeleerde was en raadsman bij het hof van Brabant. Men leest nochtans dat hij te Nieuwpoort geboren was, maar dat hij zijn kasteel had, genaamd ‘Hogepoorte’, bij het gehucht Fortem gelegen op Alveringem.

Aan Sanderus schreef over Alveringem. ‘Alveringem werd, volgens Vredius, vroeger Adelfringahem genoemd. Gramaye geeft aan dit dorp de naam van Alvarus woning. Maar van welke Alvarus hij spreekt, weet ik niet. Deze plaats is aanzienlijk, zowel door haar grote kerk en landerijen alsook door de geboorte van Jacobus Marchantius die Vlaanderen door zijn geleerde beschrijvingen opgehelderd heeft.

De heerlijkheid van deze plaats die haar vleugels uitspreidt over de naburige parochies, heeft vroeger toebehoord aan de kanunniken van Sint-Omer die ze later verkocht hebben. De kerk heeft voor patroon de heilige Audomarus en de kanunniken van Sint-Omer bezitten het recht om de pastoor te benoemen.

Voor het overige ziet men aldaar een fraai buitengoed waar Francis Wyckhuis onlangs eigenaar was, en ook een kasteel dat toebehoort aan Jacobus Van Briarde, de heer van Beauvoorde.’ Zo spreekt Sanderus van Alveringem in zijn hoogst geacht werk ‘Verheerlykt Vlaenderen’, gedrukt in de jaren 1641 tot 1644.

Uit ‘Het parochieboek van Alveringhem’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>