Brandstichting in Nieuwkerke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     138 Views     Leave your thoughts  

November 1567 is in dit Ieper een maand zonder geschiedenis. Het is misschien maar goed ook dat ik eens niet over dood en ellende hoef te schrijven. De eerste december komt daar wat verandering in. Drie assistenten van procureur De Visch hebben in Houtkerke enkele boeven gedood. Van zodra De Visch dit verneemt trekt hij naar ginder met acht paarden en de nodige dienaars. Diezelfde dag mag poorter Jan Dickaert het bij de vierschaar gaan uitleggen. Achteraf wordt de sukkelaar weer naar zijn cel overgebracht. 7 december 1567. De spanning is ferm opgelopen. Net zoals de dikte van het ijs op de stadsgrachten. Een onaangename oostenwind geselt de gezichten van de wakers aan de poort en die van de ambachtslieden die zich vermetel door de straten wagen. Koning winter is behoorlijk in zijn wiek geschoten. Over Alva kan ik eigenlijk hetzelfde vertellen. Twee commissarissen van het hof komen binnengereden en zijn op zoek naar gevluchte personen die er van verdacht worden van gewelddaden gepleegd te hebben op priesters. Zo ver zijn we dus al gekomen hier in Vlaanderen.

De parochiepriesters van de Westhoek komen in een moeilijk parket terecht met al dat geuzencrapuul dat nergens en overal gaat opduiken en de zwarte mannen van de kerk toch wel op beestachtige manier begint aan te pakken. Zeg nu zelf; iemand de oren afsnijden is toch wel behoorlijk over de schreef gaan. Een expressie van de zuiverste haat. De geuzen verdenken er de priesters van om de bevolking te hebben overgeleverd aan het gerecht. Privé-nieuws uit de biechtstoel dat zo zo maar op straat werd geworpen. Lekken van twijfels aan het katholiek geloof die zo goed als zeker fijne brandstof geweest voor de vierschaar en de inquisitie. De arme slachtoffers van deze klerikale indiscretie blijven als schimmen aan hun touw door mijn geest bengelen. Worden de oren van de pastoor precies daarom geviseerd? Wat ze hoorden in de biechtstoel was alleen bestemd voor God en moest verder verzwegen worden!

Op 11 december zit het er in Gent bovenarms op tussen de burgers en de Spaanse soldaten. Ook daar regent het veroordelingen en doodstraffen. De Gentenaars pikken dat niet zomaar. Spijtig genoeg eindigt hun protest op een bloedbad waarbij ontelbare poorters gedood of gewond worden door de genadeloze Spanjaarden.

Op de 16de dag van december verlaat Simon Uyttenhove de stad met een man of zestig. Hij is in het gezelschap van de baljuw van de Zale. Er moet dringend ingegrepen worden in de heuvelstreek rond Westouter en Loker. Een van sergeanten van Uyttenhove was gisteren wat loslippig. Wat enkele roemers sterk bier toch allemaal kunnen aanrichten! Wat hij vertelt is prima voer voor mijn dagboek. De bosgeuzen aan de grens met Frankrijk blijken allemaal verbannen Vlamingen te zijn, mensen van wie hun leven verbeurd zal zijn als ze naar huis terugkeren. Outlaws. Mannen die niets maar dan ook niets te verliezen hebben. De gouvernante van Rijsel en de provoost van Bethune blijken druk in de weer om de geuzen aan de Leieboorden op te sporen. Gisteren hebben ze nog het groot bos bij Nieppe uitgekamd.

De burgerwacht keert onverrichter zake terug na een zoektocht van een viertal dagen. Na hun retour wordt de bewaking van de kerken opgeschroefd. Hun veiligheidsmaatregelen zorgen voor nogal wat hinder voor de parochiepriesters. Ze beseffen blijkbaar nog niet goed wat hen boven het hoofd hangt. De baljuw verdenkt de families en vrienden van de outlaws ervan om die clandestien te steunen met voedsel en gerief. Nog voor het einde van de maand grijpt hij in. Een deurwaarder en enkele schepenen confisqueren alle goederen die in de voorbije twee jaar door deze families verworven zijn. Er komt een dringend bevel om niets op te sturen en zeker geen eigendommen van de gevluchte personen te gelde te maken.

Op oudejaarsdag 1567 buigt de vierschaar zich opnieuw over het lot van drie beschuldigden. Jan Dyckaert is één van hen. Joos, een metser en bewoner van Oudekapelle eveneens. Ze worden verplicht om in hun lijnwaad met een ongebrande kaars en tussen twee dienaars van de wet naar de kerk te gaan om daar vergiffenis voor hun zonden te vragen. Dyckaert moet naar de Sint-Niklaaskerk en Joos naar Sint-Pieters. Het drietal wordt nadien voor drie jaar uit de stad en uit het graafschap van Vlaanderen verbannen en moet voor zijn vertrek trouwens nog een schadevergoeding betalen aan de pastoor. Ter reparatie van de kerk. Hoe eenvoudig maakt de wet het hier toch voor de bosgeuzen om nieuwe leden te werven. Ze krijgen die gewoonweg op een presenteerblaadje aangereikt.

En op diezelfde laatste dag van december krijgt de priester van Houtkerke opnieuw bezoek van de geuzen. De man is één maand geleden zijn oren kwijtgespeeld en krijgt nu al opnieuw te maken met de boeven. Dat ze hem beroven zal wel het minste van zijn zorgen zijn. Ze bestelen hem eveneens van zijn leven. Dat is veel erger en vooral de manier waarop dit gebeurt is bepaald zorgwekkend voor de toekomst. Ze hakken hem zonder enige compassie de armen en de benen af. Als afsluiter van een dramatisch jaar kan dit wel tellen. Aan de horizon gluurt het nieuwe 1568. Het lijkt erop dat ik het geluid van huilende honden hoor in de lucht. Of zijn het wolven? Mijn verbeelding begint me lelijk parten te spelen.
De malaise houdt aan. Op 9 januari komen afgevaardigden van de zeven kasselrijen samen met de heer van Rasseghem. Die laatste is de burggraaf van Rijsel. Ook de gouvernante van datzelfde Rijsel is er aanwezig. Tijdens de vergadering worden er maatregelen afgesproken om het Westkwartier te zuiveren van al het kwaad volk dat overal te lande slachtingen en averij aanricht.

Alle bewoners die de voorbije tijd omwille van hun dwaalleer op de vlucht waren geslagen en dan achteraf toch naar huis teruggekeerd zijn, worden op diezelfde 9 januari bij schout Arnout van Acker geroepen. Voorafgaand hebben zijn commissarissen de parochies afgelopen om hen te identificeren. Ongetwijfeld hebben de priesters hier de nodige hand- en spandiensten bij aangeboden. Mannen en vrouwen, jongens en jonge dochters van Sint-Maartens, Sint-Jacobs, Sint-Pieters en Sint-Niklaas krijgen van de schout een oproepingsbevel om zich de 3de februari aan te bieden bij de hertog van Alva die hen zal genezen (purgeren) van hun dwaling. Wie niet komt zal zich later voor de rechtbank moeten verantwoorden.

Er zit ook een landman van de Westhoek bij diegenen die zich de 9de moeten aanbieden bij Arnout van Acker. Die stuurt zijn kat. De schout vraagt assistentie van het gerecht van Veurne of van Sint-Winoksbergen om de beklaagde te gaan oppakken. Bij hun terugweg houden ze halt in een herberg te Roesbrugge waar ze drie uur later overvallen worden door een uitgelezen bende bosgeuzen. Het uitgelopen cafébezoek loopt slecht af. Zeven dienaars van de wet worden koelbloedig om het leven gebracht. Hun gevangene wordt door de outlaws met plezier meegenomen.

12 januari 1568. Wat een hondenweer. Regen en wind geselen de Westhoek. Het noodweer houdt de bosgeuzen evenwel niet tegen in de uitvoering van hun verraderlijke plannen. Rond acht uur in de morgen arriveren achtendertig man aan de kerk van Reningelst waar ze binnenbreken. Pastoor Judocus Heugesoone wil zich verzetten maar wordt brutaal vastgegrepen net zoals de schoolmeester van de lokale school Jacobus Paneel die in Reningelst eveneens dienst doet als koster. Ook kapelaan Robertus Ryspoort is er aan voor zijn moeite. Ze worden alle drie meegesleurd in de richting van Kemmel waar de geuzen de kerk ook kort en klein slaan en daarna in brand steken. Daarna is Dranouter aan de beurt waar ook de pastoor daar wordt ontvoerd. En nu is het tijd voor de kerk van Nieuwkerke.

De brandstichting in Nieuwkerke zorgt er voor grote consternatie. De vernieling van de kerk kan de mensen geen bal schelen. Veel erger is dat Simon Uyttenhove op komst is om in te grijpen. Uiteindelijk kiest de commandant ervoor om met zijn soldaten naar Mesen te trekken om de kerk daar van verder onheil te sparen. Hij en zijn manschappen blijven er de hele nacht. Provoost De Visch arriveert de volgende morgen al vroeg met vijftien gevangen geuzen. Onder hen bevindt zich een vrouw. Ze worden begeleid door een peloton van de kapitein van Belle. Dertig soldaten.

Korte tijd later wordt een vreemd bevel afgeroepen voor de lakenhalle. Wie niet van Ieper is moet hier binnen het uur vertrekken. Daarna worden er lijfstraffen voorzien voor al de vreemdelingen. Daarbij komt nog een samenscholingsverbod. Geen vergaderingen op de markt of in de straten. Op grote correctie. Twee van de binnengebrachte opstandelingen worden al direct voor de baljuw gebracht. Het zijn twee broers die op de pijnbank arriveren en tijdens de nacht nog even bij de biechtvader voorbij komen. Dat laatste is in elk geval geen al te best teken voor het duo. Dat blijkt al in de vroegte van de volgende morgen. Het schavot wordt in geen tijd opgeslagen voor het bezant. Om 11 uur worden de broers opgeknoopt omwille van hun betrokkenheid bij de aanvallen bij Wattrelos en Oosterweel.

De drie geestelijken van Reningelst zijn ondertussen al om het leven gebracht. Ik kom het relaas van de moordpartij pas veel later te weten, maar plaats die netjes op het juiste tijdstip in mijn dagboek. De 12de januari dus, rond 22u in de nacht. Grote discussies met priester Heugesoone, koster Paneel en kapelaan Ryspoort. Met daarbij ook de pastoor van Dranouter. Bij de bosgeuzen voeren twee van hun predikanten het hoge woord. Ze noemen zichzelf ministers van het nieuw geloof. ‘Vuile papen, jullie gaan er aan, bereid je maar voor want jullie gaan sterven als jullie niet willen afstappen van het katholiek geloof.’ Dat is natuurlijk een onhaalbare eis. De mannen proberen met de moed der wanhoop tijd te winnen. ‘We willen er nog eens over nadenken, geef ons nog wat tijd.’

Veel ervan krijgen ze niet. De opstandelingen grijpen hen vast om die te onthoofden, maar dat blijkt niet echt te lukken. Dan snijden ze hen maar de oren af. En de neus en ze brengen de sukkelaars een resem dolksteken toe tot ze er aan bezwijken. Alleen de priester van Dranouter wordt in leven gehouden. Drie dagen later kan hij op een eerder gelukkige manier uit hun handen ontsnappen waarop hij zijn verhaal kan doen over de beestige lynchpartij op zijn collega’s. Vijf dagen na de moord worden de drie lijken teruggevonden op een halve mijl van Belle waar ze met groot respect worden binnengebracht. De katholieke Bellenaars tonen zich verbitterd en solidair met de arme priesters. De slachtoffers worden vervolgens naar hun thuisparochie Reningelst gebracht waar ze begraven worden.

De hele januarimaand van 1568 blijven de katholieke priesters de kop van jut voor de heretiekers. Die duiken overal op in de parochies van de Westhoek. De rust is ver te zoeken. Op 26 januari is Hondschote aan de beurt. Om zes uur in de morgen breken ze binnen in de kerk en vermoorden er de parochieherder. Daarna gaan ze naar de woning van de onderpastoor waar ze de man onder een vals voorwendsel naar buiten lokken. Ze grijpen de verraste sukkelaar vast en dienen hem enkele messteken toe. De man roept en tiert om hulp maar wanneer de eerste bewoners het huis bereiken vinden ze de geestelijke dood terug. Het zelfde tafereel speelt zich ’s anderendaags af in Rexpoede. Hier schieten de parochiepriester en twee onderpastoor er het leven bij in. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zich hier in mijn eigen streek zulke gruwelijke feiten kunnen afspelen. Vlaanderen is duidelijk het noorden kwijt!

Procureur De Visch doet zijn best om het geweld tegen te gaan maar hij vecht tegen de bierkaai. Hier en daar wordt een bosgeus opgepakt, gemarteld, gepijnigd en opgeknoopt maar de grote massa blijft maar moorden. Als ik het zo allemaal bekijk komen we van langs om meer in de invloedssfeer van de Franse hugenoten en kunnen onze katholieke schepenen niet langer op tegen die overmacht van kwaadaardige calvinisten die de Westhoek wel als een tsunami lijken te overspoelen.

Op 1 februari 1568 wordt mijn stelling bevestigd. Een bende van honderd soldaten dient zich aan bij de stadspoorten. Men laat ze niet binnen, maar de volgende dag staan ze er opnieuw en nu krijgen ze wel hun voorraden en logies toegewezen. De Ieperse wenkbrauwen worden gefronst. Onder de indringers bevinden zich veel mannen die erom bekend staan om ooit nog geus geweest te zijn. De monstering van de troepen vindt plaats in de Elverdingestraat. De 11de februari komt er nog een vendel knechten bij. Via de Boterpoort zoeken ze hun weg naar woningen die als ‘geuzenhuizen’ bekend staan. De nieuwe soldaten zullen er logeren en dat gebeurt blijkbaar toch wel met de nodige tegenzin van de bewoners. En er worden nog twee extra vendels verwacht.

De sneeuw krist onder hun voeten. De wereld is wit en spookachtig. Tussen de warrige mist door doemen nog meer mannen op. Ze komen van Poperinge. Tussen de soldaten in ontwaar ik de silhouetten van enkele gevangenen. De soldaten behoren tot de brigade van kapitein La Motte van Grevelingen. Zijn echte naam is Valentin de Pardieu. Zijn manschappen hebben de hugenoten gevangen genomen in de buurt van Cassel. Ze waren er in het gezelschap van heel wat edelen die hun diensten hebben aangeboden aan oppergeus Condé. Het moet zowat zeven uur in de avond zijn als de brigade en zijn gevangenen door de stadspoort binnen geleid worden. Ze worden te slapen gelegd in ‘Het Zweerd’ op de markt. De hele omgeving van het gasthof wordt de rest van de nacht met man en macht bewaakt.

De sneeuw van gisteren heeft plaats gemaakt voor dooi en regen. De 14de februari kondigt trommelgeroffel aan dat de gevangenen zullen moeten verhuizen. Karren en wagens rijden tot bij ‘Het Zweerd’ waar verkleumde wachters in de gietende regen staan te wachten. Het weer is zodanig slecht dat de plannen noodgedwongen moeten afgeblazen worden en iedereen naar zijn logies terugkeert! Het transport van de gevangenen wordt uitgesteld tot morgen.

Inderdaad. De 15de februari is een zondag. Maar daar wordt niet om gemaald. Al om vijf uur grommen de trommels de soldaten op het appèl. Ze haasten zich naar ‘Het Zweerd’ waar dampende paarden al in het gareel van hun karren op de gevangenen staan te wachten. Ik ben hier en daar al eens mijn licht gaan opsteken over hun identiteit en zo ben ik te weten gekomen dat hun leider een zekere Hendrik van Nedonckel is. Hij staat beter bekend als ‘Hanekam’; een fel rosse, fanatieke en niets ontziende calvinist die in opdracht van Willem van Oranje probeerde om de bosgeuzen van de Westhoek te linken met de Franse hugenoten. Ros heeft Oranje gevonden. Hanekam zou van plan geweest zijn om met tweeduizend man Ieper binnen te vallen en van Poperinge een geuzenbolwerk te maken. Gelukkig kon hij dus tijdig opgepakt worden door de soldaten van Valentin de Pardieu.

Het duurt niet lang voor ik de rosse naar buiten zie komen. Zijn handen geboeid achteraan de rug en de helft van zijn gezicht omzwachteld. Hanekam is blijkbaar aan het hoofd gewond geraakt tijdens zijn arrestatie. In zijn zog verschijnen nog vier andere gevangenen. De vijf worden nu direct naar Rijsel opgebracht waar ze ondervraagd zullen worden door baron van Rasseghem, Maximiliaan Vilain, de stadhouder van Rijsel en toch wel de grote baas van Artesië. De belangrijke gevangene valt dus in de handen van een trouwe adept van koning Filips II. In het gezelschap van honderd soldaten laten ze Hanekam nu daar achter in Rijsel.

Trommelgeroffel. 18 februari. Wat is er nu weer aan de hand? De soldaten van het vendel van kapitein Kerfonnier worden naar de markt geroepen. Het zijn Fransen van uit de regio Grevelingen. Ze zullen vandaag een serie van terechtstellingen voor hun rekening nemen. Wat scheelt er met onze procureur De Visch? De galg wordt opgesteld op zijn gewoon plekje voor het bezant. Een gigantisch vuur flakkert zijn vlammen, een voorbode van de onderwereld. De hel wacht. Het duurt niet lang voor een eerste slachtoffer er naartoe wordt gesleept. Vastgebonden aan de staart van een paard. Hij wordt bij wijze van inleiding eerst eens naar alle vier de hoeken van de markt geslingerd en gesleurd. Alsof dit niet erg genoeg is moet de man achteraf nog een geseling doorstaan.

Daarna komt een volgend slachtoffer aan de beurt. De eerste moet nog even wachten op zijn dood. De tweede gevangene moet eerst opgeknoopt worden. Eerst gekeurd en goed bevonden en daarna opgehangen. Niet al te veel complimenten. Daarna moet het tweetal op de brandstapel. Het lijk van de opgeknoopte wordt nu samen met de levende stakker in het vuur gehesen. Agonie. Het lijken wel poppen van stro in het vreselijke vuur. Zou de dood nu niet direct kunnen ingrijpen? Mijn mond is droog, de geur van brandende huid maakt me misselijk, mijn keel snoert dicht, ik kijk nog even naar het vuur en dan naar mijn buren die net zoals ik wezenloos en in trance naar het spektakel staan te kijken.

De show is nog niet afgelopen. De galg wordt weer in paraatheid gebracht. Er staan nog vijf extra ophangingen op het programma. Een van hen is de gardemaker van Mesen, een man die al een hele tijd opgesloten zit. Daarna volgt nog meer schoon volk. Predikers van het nieuw geloof, lieden die het aangedurfd hebben om kerken en priesters aan te pakken. Ze kunnen volgens de rechters hier maar één straf hebben. De dood op de brandstapel. Wie geluk heeft mag eerst opgehangen worden, de rest moet zijn afscheid levend ervaren. Ze hebben het zootje geuzen van Belle geholpen aan buskruit, geld en middelen en daarvoor schieten ze nu op een gruwelijke manier het leven bij in.

Dit is een fragment uit de kroniek ‘Dagboek van Augustijn’ en verschijnt in de loop van 2018 in deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>