Brugge en de landing van Normandië

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     674 Views     Leave your thoughts  

De landing van Normandië en het ontstaan van Brugge
De oorsprong en de oudste geschiedenis van de stad Brugge is al uitvoerig bestudeerd. ‘De uitkomst van die studies is ontgoochelend’, beweert Derville in zijn boek; ‘de geleerden spreken elkaar de hele tijd tegen. Het komt er op neer dat ze niet weten hoe en wanneer deze stad is ontstaan!’ Straffe woorden zijn het. De topografie geeft aan waar Brugge ontstaat. Op een zandheuvel, die met zijn hoogte van een meter of tien in het zuiden uitkijkt op het ondiepe water van de Reien en aan de noordkant 6 meter uitsteekt boven de kustvlakte van de Noordzee. Al de Brugse kanalen zijn dus uiteraard kunstmatig en laattijdig aangelegd.

De zee heeft niets te maken met de geboorte van Brugge op zich maar veeleer met het ontstaan van een wegverbinding die dan op zijn beurt wel onrechtstreeks er voor zal zorgen dat de stad tot stand zal komen. Brugge ontstaat vanuit een ‘castrum’ op de weg tussen Oudenburg en Aardenburg. De toponymie is het helemaal niet eens met de topografie! De naam van de stad is Bryggya is op en top een Noorse naam die ‘landing’ betekent. Zoals in de ‘landing van Normandië’.

Is Brugge dan toch geboren aan de zee? Zo ja, wanneer? Vandaag ligt Brugge zowat 12 km van de kust verwijderd. De opeenvolgende transgressies van de Noordzee hebben die vlakte met wisselend succes onder water gezet en hebben hier en daar bevaarbare zeegeulen doen ontstaan die tot aan de stad reiken. Bij het begin van onze nieuwe tijdsrekening, tijdens de eerste Duinkerke-transgressie, is het Noordzeewater doorgedrongen tot aan Fort Lapin zowat 2 km ten noorden van de burcht. Hier in Fort Lapin wordt nogal wat luxueus aardewerk ontdekt. De vondsten geven aan dat het hier commercieel erg actief moet aan zijn toegegaan.

Een Gallo-Romeinse nederzetting schrijft Wikipedia. Deze vicus wordt rond het jaar 300 verwoest door de Barbaren en komt rond diezelfde periode trouwens nog eens onder water tijdens de tweede Duinkerkse transgressie. Of er toen een bevaarbaar kanaal was dat het huidige Brugge bereikte, is niet bekend. Er is in elk geval geen spoor van enige maritieme activiteit. Het water trekt zich in de loop van de tijd opnieuw terug.

Emma van Normandië in het Brugge van 1037
Het is pas met de derde transgressie rond het jaar 1000 dat Brugge dichter komt te liggen bij de Noordzee. We weten dat Emma van Normandië, de koningin van Engeland en Noorwegen, in 1037 een tijd komt verblijven in Brugge en dat ze voet aan wal zet niet ver van de burcht. ‘Haud longe a castello’ verraden de archieven. Er moet dus in die tijd een haven bestaan in Brugge. Er is trouwens nogal wat energie gestopt in het terugvinden van sporen uit die maritieme wijk rond de oude kerk van Sint-Walburga ten noorden van het kasteel. Maar er zijn geen harde bewijzen gevonden. De hypothese van een havenactiviteit blijft onbewezen.

Het middeleeuwse Brugge heeft zich in elk geval niet uitgebreid naar de noordelijke kant van burcht, maar wel naar het zuidwesten, langs de weg die vertrekt van de markt. Precies zoals alle steden die tot stand kwamen in de groeiperiode van de Vlaamse landbouw. ‘Is Brugge ooit een graanmarkt geweest?’ De archeologen leveren geen afdoend antwoord op deze vraag. Ze slagen er in om een klein ‘castrum’ uit de jaren 800-850 te identificeren. Mogelijk een plek die vanaf 854 als schuilplaats diende ten tijde van de Noorse invallen. De grote middeleeuwse burg, zijn compagnon de Sint-Donaaskerk, en ongetwijfeld ook zijn kanalen en zijn molen, dateren uit de regeerperiode van graaf Arnold I (918-965).

Voor de rest is er niets. Romeinse overblijfselen zijn er zeldzaam. Onder de Burg zelfs onbestaande. We moeten absoluut niet denken dat Brugge ooit deel heeft uitgemaakt van de verdedigingsgordel die Rome in de 4de eeuw liet bouwen aan de ‘litus saxonicum’ om het land te beschermen tegen de Saksische invallen. Alain Derville haalt nog eens uit naar de Vlaamse historicus Adriaen Verhulst die dacht dat de Brugse agglomeratie ooit geboren is uit een Romeinse ruggengraat, verbonden met een heerweg. Er zal ooit wel een Romeinse weg geweest, vermoedt Derville, maar die zal toch nooit deel hebben uitgemaakt van het internationale Romeinse wegennet dat al met al vrij goed gekend is.

Brugge en Sint-Omer zijn in 938 de enige steden
En wat dan met de teksten uit de ‘Vita Eligii’ uit de 7de eeuw, die het hebben over een ‘municipium flandrense’ die Brugge moet voorstellen? De hoofdstad van het kleine graafschap van Vlaanderen. Een wat pronkerige titel. Ongetwijfeld een gerechtvaardigde verwijzing naar Brugge als centrumplaats. Maar vergeet al de opgeblazen poeha van geschiedschrijver Pirenne. Er is nog geen noemenswaardige handel en nijverheid in de pagus Flandrensis. Hoe dan ook, die eerste titel van centrum zal veel Vlaamse historici sussen in hun bewering dat Brugge ooit de hoofdstad van Vlaanderen is geweest.

In 892 citeren de ‘Annales Vedastini’ de ‘burgus’ van Brugge. Een oppidum met poorters. En als er sprake is van poorters, dan betekent dit dat er ook een poort zal zijn. Een document uit 941 lijkt wat meer inzicht te bieden. Het handschrift in de archieven van de Gentse Sint-Pietersabdij vermeldt de verbanning van pachters in 23 dorpen en in 2 ‘vici’, die van Brugge en Antwerpen. Brugge wordt dus in die dagen al beschouwd als een stad en niet als een dorp. Een stad net zoals Sint-Omer in 938. Het is duidelijk dat de burchten de steden voorafgaan. In Sint-Omer zit er een verschil tussen van zowat 20 jaar. De bouw van die burchten zal haastwerk geweest zijn. Een imminente noodzaak om zich te verschuilen voor de vervaarlijke Noormannen in de jaren 880. De aanleg van een stad zal meer tijd en overleg gevergd hebben.

De burchten liggen helemaal niet centraal in de steden, maar ze zijn wel dominant. De stadsontwikkeling begint bij de burchten. Een beetje in de vorm van een komeet. Een dichtbevolkte kop met een lange straat als een staart met een hoop parallelle en convergente steegjes. De eerste burchten liggen allen op een heuvel. Kwestie van een goed uitzicht te hebben op de vijand. Maar niet enkel de hoge ligging speelt een rol. Laaggelegen gronden aan de punt van een schiereiland temidden van de moerassen zijn ook prima. Wat later gevolgd door een marktplaats en een verkaveling van de gronden in de nabijheid waardoor de woonerven haast organisch in een voortdurend uitdijende halve cirkel vermenigvuldigen. Kijk maar naar Aire (Ariën-aan-de-Leie), Lens en eigenlijk ook Béthune en Douai.

Het ontstaan van de moerassteden Rijsel, Douai & Ieper
Hun ligging verraadt eerder een militaire intentie dan een economische context. We bespeuren de noodzaak om zich op korte tijd te beschermen en voelen niet echt een langetermijnvisie. Die nieuwe steden sluiten zich wel nauw aan bij enerzijds de bevolking op de hoogvlaktes van Artesië en het lage land van Vlaanderen, waar ze geboren worden aan de punt van een rivier waar die begint bevaarbaar te worden. Moerrassteden noemt Derville ze. Gelegen in de moerassige gebieden bij het water middenin een vallei. Rijsel en Douai zijn prachtige voorbeelden. Ieper wordt vreemd genoeg compleet genegeerd door Alain Derville.

Een open wonde in zijn schitterend boek, want de heropbouw van de eerste burcht aan de Kortemeersch, het moerassige gebied in de Ieperse prairie aan de bevaarbare Ieperlee, is precies een schoolvoorbeeld van zijn stelling van het ontstaan van de moerassteden. En ook het tijdstip, het jaar 902, ligt volledig in de lijn van wat hij beweert. We trekken eerst naar Rijsel die zich ontwikkelt tussen de hoge en de lage rivier van de Deûle. De site van Rijsel is haast een eiland, kijk maar naar de naam Insula, Isla, Lille. Het eiland. In het begin moet die hoge Deûle nochtans eerder een moerasachtige plas geweest zijn.

We mogen veronderstellen dat hier ooit een dam werd gebouwd om het water van de rivier op te vangen. De nieuwe watermolens in de bocht van de rivier en bij de burcht worden gevoed dank zijn die kunstmatige watertoevoer. Het kanaal van de Baignerie, een schoolvoorbeeld van een investering die een lokale burggraaf ooit heeft gedaan. Het kanaal levert trouwens het water van de slotgracht van het mottekasteel, het ‘castellum’ dat al geciteerd wordt in 1054. De lokale archeologen hebben een vette kluif aan het uitzoeken van de Rijselse bodem. Van de Romeinen vinden ze niets. 3,6 meter onder de grond van de ‘Rue de Paris’, van de oude binnenstand, stoten ze op de resten van een straat uit de 7de eeuw.

Was Rijsel ooit het koninklijk domein van Treola?
De, met houten planken geplaveide, straat heeft een breedte van 5 meter en moet zich ooit bevonden hebben op het nieuwe van de lage Deûle. In die dagen is er nog geen sprake van een kunstmatige bevloeiing van de hoge Deûle en van de Rijselse watermolens. Er wordt aardewerk uit de 6de tot de 9de eeuw gevonden. Pottenbakkersovens van het jaar 900. Tekent hier toen al een echte stad voor present? Historici beweren dat dit de plek is waar zich ooit het koninklijk domein van Treola, de ‘casa indomnicata’, bevond dat in 800 omschreven wordt in de ‘Brevium exampla’.

Hoe dan ook; Rijsel geldt al heel vroeg als een belangrijk bestuurlijk centrum dat rond het jaar 1000 de hoofdstad wordt van een belangrijke kasselrij van het ‘territorium islense’ met een eigen zaalhof, een burcht die zich op een hoge motte bevindt net na de laatste bocht van de rivier. En niemand die weet wat er nu eerst was; de bocht in de rivier of het ‘castellum’? Rond 1066 sticht graaf Boudewijn V het kapittel van Sint-Pieters en de bouw van de Sint-Pieterskerk. En versterkt hij ongetwijfeld het lokale zaalhof. De geestelijken krijgen een terrein van 10 hectare van de graaf en dat gebied sluit nog altijd nauw aan met de huidige grootte van de Sint-Pietersparochie.

Het ‘castrum islense’ mag dan wel de grootste zijn van Vlaanderen, toch is het meteen ook de jongste en een van de laatst gebouwde kastelen van het graafschap. Een keure uit 1066 preciseert een en ander. Rond het ‘castrum’ zijn er de buitenwijken, de ‘suburbium’ en de markt (forum). We zien het beeld van een flink ontwikkelde en dichtbevolkte stad waar de graaf zijn personeel en de kanunniken kan laten verblijven. Rijsel moet dus ontstaan zijn nog voor zijn burcht er gekomen is en dat zien we ook in de atypische niet-centrale ligging van het kasteel.

Douai, de stad met de dubbele identiteit
De origines van Douai (Dowaai) zijn andere koek. De stad wordt geboren op de grens van 2 graafschappen. De pagus van Ostrevant ten oosten van de Scarpe en in het westen de ‘pagus leticus’. In de 19de eeuw zullen de mensen in Douai nog altijd twee verschillende oppervlaktematen hanteren. Die van Ostrevant en die van Artesië. Een dualiteit die zich op alle niveaus heeft genesteld. Zelfs tot in de eigen stadsnaam. De rivier de Scarpe fungeert als grens tussen de twee pagi. Hier, in deze grillige context, ziet Douai, een van de grootste steden van Vlaanderen, zijn eerste daglicht.

In de 13de eeuw hangt de oostelijke kant van de stad af van de kasselrij van Lens die aan ‘Duaculum’ of ‘Douayeul’ zijn eigen wetgeving en zijn schepenen toekent. Ten tijde van de Franken ligt het economisch zwaartepunt wat verder stroomopwaarts aan de Scarpe. In Lambres dat een eigen fiscale wetgeving en een haven met tolrechten bezit die in 911 geschonken werden aan de kerk van Cambrai. Op de linkeroever van de Scarpe, op een heuvel tussen twee moerassige valleien in, woont nogal wat volk. Het is een landelijk gebied dat in 880 ook plat werd gelegd door de Noormannen. Op het noorden van de heuvel zal waarschijnlijk een eerste burcht gebouwd zijn, de ‘vetus turris’, in een poging om het land te beschermen tegen de terreur.

Wanneer de graven van Vlaanderen een aanvang maken met hun expansiepolitiek en een reeks zuidelijke pagi innemen, evolueert Douai voor de Vlamingen tot een strategische locatie. Graaf Arnold I krijgt in het jaar 930 een ‘castrum’ van 2 hectare toegewezen met een belangrijke landbouwexploitatie. Er komt een kapittel dat kan beginnen met de relieken van een zeker heilige Amé. Daarbij komt de transfer van de vaar- en tolrechten van Lambres.

Graaf Boudewijn sticht Geraardsbergen of Grammont
Aanvankelijk is Douai niet meer dan een kasteel en een haventje, waar zich stilaan ambachtslieden en handelaars zullen vestigen in deze slaperige kronkel aan de Scarpe, die uitgroeit tot een ‘castel bourgeois’ van enkele hectare met inbegrip van een vismarkt. De rest wordt niet eens beschermd door wallen en wordt helemaal niet verstedelijkt en zullen voor altijd de landelijke buitengebieden van ‘Douayeul’ blijven. Rond 960-965 wordt er onder impuls van graaf Arnold I een aanvang gemaakt met grote waterwerken in het nieuwe stadje. De Scarpe wordt verbonden met een nieuwe stuwdam in Vitry. Het kanaal is voor die tijd gigantisch en wordt tussen de 6 en de 10 meter diep uitgegraven.

Het verval van het water mag er best wezen. 22 m niveauverschil over een lengte van 12 km doet heel wat watermolens draaien. In Douai zelf is het verval 2,75m, ingedeeld in 6 opeenvolgende niveaus waar op een bepaald moment in de tijd 16 watermolens aan het werk worden gezet. De haven van Douai wordt op slag belangrijk. Mondjesmaat ontluiken er nog meer steden in Vlaanderen. Toeval of niet? Maar rond 1070 is er onder andere sprake van Geraardsbergen en Ardres. Graaf Boudewijn VI sticht Geraardsbergen, Grammont, met de bedoeling om er controle uit te oefenen op de markten van Vlaanderen, Henegouwen en Brabant waar er op dat moment amper sprake is van steden.

De graaf beslist om een onbeschermde ‘oppidum’ te bouwen aan de rechteroever van de Dender. De ligging van het nieuwe Geraardsbergen is ideaal. De moerassige vallei is hier minder breed en vergemakkelijkt de doorgang van een weg tussen Gent en Brussel. Er wordt een nieuwe bevolking aangetrokken door de schenking van gronden, vijvers en weiden. Een burcht komt er niet, de bevolking moet zelf zijn vrijheden en stadskeure maar zien te verdedigen.

De voorhavens van de Vlaamse steden
Ardres wordt een beetje om dezelfde reden opgebouwd op een afstand van 20 km ten noorden van Sint-Omer. De naam ‘Ardres’ komt van het Vlaamse ‘arde’ of ‘aarde’, zoals in ‘Oudenaarde’, en staat synoniem met land en grasland. Rond 1067 is er sprake van een kroeg waar de herders samen komen. Hier, rond deze herberg ontstaat stilaan een gehucht. De eigenaar zelf woont wat verderop in Selnesse, een vroegere Romeinse site aan de moerassige rand van de kustvlakte. Rond de herberg legt hij een bos aan en wat later is er sprake van een sluis, een molen en een vijver. Er wordt een kunstmatige heuvel opgetrokken, een motte met een toren die opgetrokken wordt met balken van Selnesse.

Hij krijgt van zijn leenheer de toestemming om in Ardres een klein stadje aan te leggen, een ‘oppidulum’ die hij op de klassieke manier laat omwallen door een kroonvormige slotgracht. Centraal komt de donderdagmarkt. Het stadje zal bestuurd worden net zoals in het naburige Sint-Omer. Een kasselrij met pairs, baronnen en schepenen. Vanaf 1068 komt er een kapittel, de kerk mag uiteraard niet ontbreken, met tien kanunniken die voldoende relieken met zich meebrengen om de bevolking onderdanig en dus gelovig aan zich te binden. Wat later wordt er trouwens nog een tweede slotgracht aangelegd.

Rond 1200 zal het schepencollege van Ardres beslissen om een echte stadsgordel te bouwen zoals dat het geval is in Sint-Omer. Ardres wordt dus ontworpen als een klein feodaal centrum met eigen administratieve, religieuze en economische bevoegdheden. Achteraf zullen enthousiaste archeologen ontdekken dat die fameuze eerste slottoren van Ardres eigenlijk maar een groot huis met drie verdiepingen was. En zonder enige militaire betekenis. Rond en vanaf 1165 ziet een derde generatie van steden het daglicht. De voorhavens langs de kust zijn aan het uitdijen. Calais, Grevelingen, Mardyck, Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende, Damme en Biervliet.

Van Wissant tot in Brugge
Op het einde van de Romeinse periode, rond 270, staat de hele Vlaamse laagvlakte onder water door de tweede Duinkerkse transgressie. Daarna settelt de kustvlakte zich en doet de verzanding zijn nodige werk over de hele kustlijn tussen Wissant , wit zand, en Brugge of zoals Dante het pleegt te zeggen ‘tra Guizzante e Bruggia’. Tijdens de Frankische eeuwen is er amper sprake van enig maritiem leven langs de hele zeestrook. Met uitzondering van de monding van de Ijzer die de haven ‘Iserae Portus’ herbergt en die de Noormannen als het ware een vrijgeleide geeft om Vlaanderen binnen te dringen.

De genadeloze combinatie van eb, vloed en tijd zorgt voor grote veranderingen aan de zeekant. De vroegere golf van Frethun maakt plaats voor een aantal diepe zeearmen die uitgeven op wijde riviermondingen. Oude handschriften hebben het er over. In 944 worden de relikwieën van de heiligen Ausbertus, Wulfram en Waudrille overgebracht van Boulogne naar Brugge. De stoet gebruikt de oude ‘strata’ aan de achterkant van de duinen en moet wachten tot het laagwater is om de golf over te steken en Oye te bereiken.

Een eeuw later heeft de golf zich tijdens de derde Duinkerkse transgressie getransformeerd in een zout moerassig land waar voortaan schapen gekweekt worden. De Neuna. De nieuwe Aa. De inham van de Neuna zal weldra Calais tot leven brengen. De annalen stippen de periode tussen 1014 en 1040 aan. Een nieuw maritiem leven ontpopt zich rond de nieuwe inhammen. In 1040 is er sprake van de golf van Greveninga in het estuarium van de Aa. In 1103 is de haven van Gravelines, Grevelingen, een feit, een haven die trouwens 4 jaar later in het bezit komt van zijn eigen tolrechten. In Calais zelf is er een klein gehucht waar de vissers gehuisvest zijn.

Het oude Calais wordt in die dagen nog Petresse genoemd. De verwijzing naar ‘Greveningae’, in het meervoud, slaat waarschijnlijk op de baai waar beide vissersdorpen zich aan het ontwikkelen zijn. Later, in 1179, verdwijnt de laatste twijfel als de twee havensteden bij naam worden genoemd: Graveninghes, de ‘Novus Portus’, de nieuwe haven die gesticht werd door graaf Filips van den Elzas, en Calais dat er tussen 1163 en 1173 gekomen is dank zij Mathieu, de graaf van Boulogne en de broer van Filips van den Elzas. De andere Vlaamse havensteden dateren eveneens min of meer uit diezelfde periode. Eigenlijk is er aanvankelijk enkel sprake van voorhavens.

Het einde van het haringvangstseizoen
De schepen en hun ladingen zijn nog niet erg groot en kunnen nog altijd verder varen richting Sint-Omer, Sint-Winoksbergen, Diksmuide en Brugge. Maar de scheepvaartindustrie is in volle evolutie. Er worden grotere schepen gebouwd, koggen en zeeschepen die voldoende diepgang van doen hebben. Nieuwe zeebekkens, bassins en diepwater plus havenkaaien waar later de eerste scheepskranen zullen verschijnen.

De aanwezige steden in het hinterland worden daardoor genoodzaakt om zich te voorzien van voorhavens aan de kust die ze via nieuwe en aangepaste waterwegen kunnen bereiken. Calais kent met die nieuwe schepen weinig of geen problemen maar blijft eigenlijk in wezen een vissershaven, een piratennest en het afzetgebied van een kleine maar erg rijke regio. Het land van Merc met Marck op een kilometer of acht van Calais als kleine hoofdstad. Enkel als er oorlog komt tussen Frankrijk en Vlaanderen, zal Calais functioneren als voorhaven van Sint-Omer. Iets wat het kuststadje bijzonder duur zal komen te staan, zoals de geschiedenis later zal uitwijzen.

Het grafelijk grondbezit omvat in 1224 de stad, een ‘oppidum’ en in 1228 een aanzienlijke ‘burgus maritimus’ van 54 hectare met 300 vrije leengronden van elk 1800 m². De term ‘vrij’ is ietwat misleidend. De vrije mensen die zich er komen vestigen, dienen wel een flinke cijns af te staan aan de graaf voor de exploitatie van hun grond. Met uitzondering van het oude Calais en enkele landelijke straten, is het wegennet recht en orthogonaal. De graaf zorgt er voor dat er marktplaatsen komen waar er jaarlijks 2 foren worden georganiseerd. De voornaamste foor is die van Sint-Niklaas en valt samen met het einde van het haringvangstseizoen.

Calais is een ideale haven
De buitenwijken van Calais zijn vrij goed afgebakend. De schepenen en een college van ‘coremans’ behandelen de criminele voorvallen. Er is sprake van enkele voorrechten die de burgers en de boeren van de kustvlakte allemaal toegewezen krijgen via de keuren van Marck. In 1228 wordt de oppidum versterkt. De investering vergt 8.000 pond en wordt door de inwoners betaald. Tussen de 40 en 50 hectare stad wordt nu ingesloten.

Een deel van de stad wordt nu noodgedwongen gedegradeerd tot ‘suburbium’. Er is door toedoen van de graaf al flink wat gewerkt aan de haveninfrastructuur. De site van Calais is prima geschikt. Het havenwater is diep en de haven is goed beschermd tegen het aanslibben van zand. Toch wordt de eerste haven op een verkeerde plek aangelegd. In 1190 wordt een nieuwe haveninfrastructuur aangelegd met 2 zeebekkens die elk voorzien zijn van laad- en loskades en die via een kanaal, de ‘Ghisnerled’, gevoed worden met zoetwater dat komt van Guînes.

De groei van de bevolking is adembenemend
De steden die Alain Derville allemaal heeft aangehaald zijn er dus gekomen door toedoen van de graven die er een eerste burcht bouwden. Andere ‘seigneurs’ liggen aan de basis van verdere steden die getypeerd worden door de naam ‘burg’ of door hun cirkelvormige vorm. De schrijvers spreekt van minstens 37 stadjes in Frankrijk en nog eens 8 in het Waals Vlaanderen. Ze zijn natuurlijk niet allemaal uitgegroeid tot echte steden. Hier en daar zijn de zaken blijven aanmodderen door vage intenties en slechte uitvoering.

De geschiedenis van de middeleeuwse stadsontwikkeling is precies een slagveld dat bezaaid is met nogal wat kadavers. Tussen de jaren 900 en 1350 groeit het aantal inwoners in Vlaanderen spectaculair. Dat is niet enkel te zien in de reeks van nieuwe steden en gehuchten maar vooral in de bevolkingstoename in de bestaande agglomeraties. Neem nu Sint-Omer. Rond het jaar 900 is er sprake van een honderdtal ondergeschikten. Rond 1300 zijn er 10.575 haarden.

Elke eeuw verdubbelt de beschermde oppervlakte binnen de stadsmuren terwijl het aantal inwoners tijdens diezelfde periode met een factor van 3 aanwast. In het jaar 1200 zijn er nog maar 3.525 huizen, in 1175 rond de 1.100 stuks. In het jaar 1000 is er sprake van 392 haarden terwijl het een eeuw eerder nog maar 131 worden geteld. De groei lijkt adembenemend, maar is het eigenlijk niet. Wat moeten we dan zeggen over de groei van Parijs tussen 885 en 1328?

De stedelingen kweken als de konijnen
De nieuwgebouwde steden uit de 12de eeuw kennen een nog explosievere groei. Het primitieve vissersdorp dat Calais was in 1170, is uitgegroeid tot een stad met 15.000 inwoners rond het jaar 1300. Een verdriedubbeling per generatie. Rond 1200 is de dynamiek van de Vlaamse steden amper te bevatten. Ze kunnen nog niet bestempeld worden als grote steden maar eerder als menselijke smeltkroezen.

De echte industrialisatie moet nog komen in de 13de eeuw en de lakennijverheid speelt zich nog altijd voor een belangrijk gedeelte af op het platteland. Deze weelderige bevolkingsaanwas heeft zo zijn redenen, weet onze schrijver. Zo is er ‘la fécondité des couples’. In onze taal zouden we dat kunnen vertalen in zoiets als ‘ze kweken als de konijnen’. Een kleine rekensom toont aan dat elk koppel gemiddeld 5,33 kinderen krijgt. Het ‘ga en vermenigvuldig u’ motto van de priesters is blijkbaar aangeslagen. Met daarbij zo veel volk dat het leven op den onbeschermde buiten achter zich laat en de veiligheid van de stadswallen verkiest.

Het aantal individuen swingt zo de pan uit, dat er een probleem ontstaat met de namen. De oude voorraad aan Germaanse namen geraakt uitgeput en de lagere klassen die geen enkele besef hebben van enige familiale trots geven hun kinderen de traditionele namen. De helft noemt ‘Jean’. Er zit weinig anders op dan een familienaam aan toe te voegen. Ofwel komt er een verwijzing naar de plaats waar ze vroeger leefden. Jan van Elverdinge bijvoorbeeld ofwel naar een beroep zoals Jean de Volder. In welke mate de bevolking op het platteland aangroeit, is absoluut niet duidelijk. Veel heeft te maken met de komst van het trekpaard kort na het jaar 1000.

De voorbode van een onophoudelijke vooruitgang en het op punt zetten van de beroemde Vlaamse landbouw. Een intensieve polycultuur. Het kweken van verschillende groenten op dezelfde grond. Deze landbouwspecialisatie gaat hand in hand met de handel zelf. In de 9de eeuw leveren de boeren een deel van hun opbrengsten in bij hun meesters. Het merendeel van hun graan, levensmiddelen, linnen en textiel is bestemd voor de markt, waar die opgepikt wordt door handelaars want in die dagen zijn er onvoldoende mensen in de agglomeraties om al die aanvoer te absorberen. Er is al vroeg sprake van een belasting die de boeren moeten betalen bij elke transactie die ze verrichten op de marktplaatsen.

Vanaf 950 winnen de lokale markten aan belang
Alle producten zijn onderworpen aan een specifieke taks. Een lijst van die verschillende aanslagvoeten uit het Arras van 1024 schetst een goed beeld van wat er allemaal wordt aangeboden. Graan, wijn, staal, goud. Zelfs slaven. De stokoude lijst van Arras moet ongetwijfeld nog stammen uit de tijd van de Merovingers. Textiel, touw, was en metalen objecten worden meestal in gehuurde kraampjes aangeboden en de verschuldigde taksen dienen per jaar of per maand vereffend te worden. Het lijkt er op dat er een systeem zit in deze manier van verkopen, een reguliere activiteit van iemand die in de streek of in de stad Arras woont. De rest betaalt zijn belastingen per dag.

Die marktkramers komen van veel verder en het is koffiedik kijken van waar precies. Voor zeevis en voor kaas is dat niet moeilijk. Die komen uit Vlaanderen of uit Engeland. De landbouwproducten mogen toegewezen worden aan de boeren uit de streek. Het systeem van belastingen op de marktproducten is er trouwens al in 873 wanneer de markt van Sint-Omer wordt opgestart. De handel en de commerce hangen in grote mate af van die markten. De wet zorgt er voor dat er één markt is per stad en clandestiene markten zijn door de koning verboden. Maar wat gebeurt er in de regio ten noorden van de lijn Terwaan-Doornik, waar zich nog geen steden bevinden?

De markt van Arras is al geciteerd in 867, deze van Sithiu in 873 en blijkbaar zijn beiden er gekomen als een uitzonderlijk recht als we een kroniekschrijver uit de 10de eeuw mogen geloven. De praktijk van de markten komt pas echt op gang rond het jaar 950 en elke stad begint zijn groei aan de rand van één of twee marktplaatsen waar een lokaal geregelde en vooral dagelijkse bevoorrading stelselmatig aan belang wint.

Dit is een fragment uit boek 4 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – lees verder op http://www.westhoek.net/P0900100.htm – ook verkrijgbaar op het ebook  ‘De opkomst van Vlaanderen

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>