Brugge tijdens de 13de eeuw

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 week ago     102 Views     Leave your thoughts  

In de loop van de 13de eeuw is de stad Brugge een handelscentrum geworden van internationaal belang, maar het is vooral op het einde van die eeuw dat de stad het toppunt van haar macht heeft bereikt.

Het Brugse grondgebied

In het begin van de 13de eeuw lag het gebied van de stad Brugge besloten binnen de huidige binnenreien: Station, Speelmansrei, Gouden Handbrug, Verwersdijk, Groene rei, Dyver en Meersch.

Dit gebied was te klein geworden, de bevolking van de stad zette zich uit op het omliggende gebied. Gedurende de 13de eeuw wordt de stad tweemaal vergroot: rond 1245 komt het kwartier van de Vismarkt en het Park erbij, en in 1275 wordt de stad tot ver buiten de tegenwoordige vestingen uitgebreid door de inlijving van het Maandagse, het Voormezeelse, de heerlijkheid van Praet en een deel van het Sijseelse.

In 1297, 1298, toen Vlaanderen bij Frankrijk ingelijfd was en de aanhangers van den graaf samen met de Engelsen Damme en Aardenburg bezet hielden, werden de tegenwoordige vestingen opgeworpen om geheel het bewoonde gebied van de stad te kunnen verdedigen.

Binnen de stad werden talrijke straten heel en al gekasseid, en de waterleiding, die haar water trok.uit de vijver van St. Baafs (bij de plaats waar vroeger het plein van de Cercle Sportif Brugeois lag), werd langs de nieuw ingelijfde straten gelegd. Ook voor de straatreiniging werd er gezorgd.

De eerste bestrating bestond uit groote steenen (stapsteenen) die op bepaalde afstanden aan den kant van de bijzonderste straten lagen en waarover men kon stappen wanneer er te veel stof of te veel slijk lag. In het midden van de straat liep een greppel.

De sociale toestand van de inwoners.

De bevolking van de stad was verdeeld in twee klassen. De poorters die het volle burgerrecht genoten en de ambachtslieden die maar halve burgers waren. Hij die met zijn handen zijn brood moest verdienen, maakte deel uit van een ambacht, de kleine meesters werden ook bij de ambachtslieden gerekend. Daartegenover stonden de poorters, die leden waren van de Hanze van Londen. Deze Hanze was een vereniging van de kooplieden uit de steden van Vlaanderen. Wanneer een ambachtsman wilde in de Hanze opgenomen worden, moest hij gedurende een jaar en een dag aan zijn handwerk verzaken, en de grote som van één mark goud betalen. Enkel de leden van de Londense Hanze mochten sedert januari 1241 tot schepenen aangesteld worden door de graaf. Hetzelfde gold ook in de Brugse voorhaven Damme.

Deze rijke poorters hadden het bestuur van de stad in handen, de door de graaf aangestelde schepenen kozen den raad van de stad uit hun partijgenoten. De ambachtslieden hadden dus geen vertegenwoordigers in het stadsbestuur. De patriciërs hielden zich onledig met handel. Op het einde van de 13de eeuw was de Brugse handel snel achteruitgegaan, gedurende dertig jaar hadden er bijna onophoudelijk moeilijkheden geheerst tussen Vlaanderen en Engeland. Van 1207 tot 1302 lag alle handel te Brugge stil. De stad was in het bezit van den koning van Frankrijk, terwijl de Engelsen te Damme en te Aardenburg den toegang tot de zee afsloten.

Professor R. Haepke heeft grondig de stadsrekening van 1302 onderzocht, en uit de verbeurde goederen van de rijke poorters, die partij gekozen hadden voor de koning van Frankrijk, heeft hij kunnen opmaken dat er maar weinig wol meer in de stad was, de voorraad was dus uitgeput.

Door de buitenlandse omstandigheden had de poorterij steeds meer en meer haar geld uit den handel getrokken. Dit geld werd overal uitgeleend tegen hoge intrest, aan de graven van Vlaanderen en Holland, aan abdijen en ook aan de stad Brugge: als wedergunst voor deze leningen werden aan de Brugse poorters opbrengende rechten afgestaan: zo waren de tol van Dordrecht, de munten van Valenciennes en Aalst in de handen van Brugse patriciërs. Binnen de stad hadden deze rijke geldleners het innen van de belastingen in pacht, en ze ondernamen de grote openbare werken: het aanleggen van de nieuwe vestingen, het bouwen van de nieuwe halle, enz.

Sedert 1270 waren deze rijke burgers ook overgegaan tot het aankopen van renten en van grondbezittingen; ze dijkten polders in, bezaten turfputten, weiden, steenbakkerijen en visserijrechten. Hetzelfde zien we ook gebeuren met de rijke poorters van Damme.

Buiten deze rijke poorters uit de eerste families die zich met handel onledig hielden, waren er nog talrijke andere poorters die niet tot de eerste families behoorden: de brouwers. Nu nog behoren de brouwerijen in de stad aan oude families uit de burgerij. Een deel van de mindere poorters bestond uit de drapiers, t.t.z. de lakenhandelaars die per stuk verkochten.

Om nu tot de tweede klasse van de bevolking terug te keren; deze bestond uit de ambachtslieden. De talrijkste waren deze die zich met de bewerking van de wol bezig hielden: wevers, volders en scheerders, alsook ververs. De wol, het garen en de afgewerkte lakens waren hun eigendom niet; alles behoorde toe aan de poorters; de ambachtslieden verwerkten enkel de grondstoffen. Volders, scheerders en ververs hadden vaste lonen door het stadsbestuur bepaald, de wevers hadden geen vast loon, bij hen was het de lakenhandelaar die het loon bepaalde naargelang de handel; ging de handel slecht, dan werden ze minder betaald.

Deze ambachtslieden vorrnden het grootste deel van de stadsbevolking, ze wilden ook iets te zeggen hebben in het stadsbestuur, vandaar hun talrijke opstanden. Het belangtijkste ambacht, dat het dichtst bij de poorterij stond, was dit van de makelaars en hosteliers. Toen de handel van Brugge ten volle bloeide en bijna uitsluitend in vreemde handen lag, omdat de Brugse poorters zich uit de handel teruggetrokken hadden, werden ze talrijker, omdat ze de tussenpersonen waren tussen de vreemde kooplieden.

ln de middeleeuwen mocht geen reclame gemaakt worden, er bestonden geen dagbladen. Wanneer een vreemde koopman in de stad kwam en waren te verkopen had, wist hij niet waar hij er mee naar toe moest, hij kende noch de prijzen, noch de plaatselijke handelsgebruiken, noch de kopers en verkopers, noch ook de taal. De makelaar kende die kopers en verkopers, en ook de prijzen van de handelswaar volgens hoedanigheid en gewicht.

De hosteliers bij wie de vreemdelingen verbleven en in welke kelders de ingevoerde waren neergelegd werden, waren de aangewezen tussenpersonen ; ieder hostelier mocht zelf een makelaar aanstellen die op zijn verantwoordelijkheid de zaken deed. Deze echter moest de helft van het makelaarsgeld aan zijn meester afgeven, die verantwoordelijk bleef voor de fouten van den makelaar. Hosteliers en makelaars vormden samen een nering, waar de eersten de hoofdpersonen waren en de laatsten als aangestelden van de hosteliers dienst deden.

Het aantal inwoners in Brugge

Over het aantal inwoners van de stad rood 1300 hebben we geen gegevens. Het enige wat we hebben is een rekening van de krijgstochten door de stad ondernomen van 1338 tot 1340, waarop alle weerbare mannen met naam en toenaam op vermeld staan. Voor de tocht naar Doornik en St. Omaars van. 15 juli 1340, die 76 dagen duurde, werden alle weerbare mannen die nog in de stad waren, opgeroepen, en zo kunnen we bijna juist weten hoeveel er te Brugge waren.

De poorterij trok op met het kwartier (zestendeel) waarin ze woonde, ze leverde met. de ruiters erbij 579 man. De ambachten leverden 5.465 man. Ziehier de ambachten die het grootste getal leverden: wevers: 910, volders: 575, scheerders: 349, schoenmakers: 230, en makelaars: 355. Het getal weerbare mannen beliep dus: 6.044 man. Er was één poorter voor 10,45 ambachtslieden; de poorterij leverde 9,6 % van de weerbare mannen en de ambachten 90,4 %. De helft van de ambachtslieden (2.573) werkte voor de uitvoer, de handel en het vervoer (weverij: 2.087, schippers: 131, makelaars: 355).

We weten door de volkstellingen te Ieper in 1412, 1437, 1491 en 1506, dat er van 3,8 tot 4,9 inwoners waren voor ieder weerbaren man. Als we te Brugge het maximum van leper aannemen: 5 inwoners per weerbare man, dan kunnen we berekenen: 6.044 weerbare mannen, met nog een 500-tal die het garnizoen van de stad uitmaakten en nog een 500-tal vreemdelingen= 7.000 weerbare mannen; vermenigvuldigd met vijf, zouden er in 1340 te Brugge zowat 35.000 inwoners geweest zijn. Gent telde toen een 50.000-tal inwoners en leper een 18.000-tal.

De politieke geschiedenis tussen 1280 en 1305.

Tussen 1280 en 1305 was de stad Brugge getuige van een driedubbele strijd. Binnen de stad was het een sociale strijd tussen de rijkste poorters en de ambachtslieden. Tussen de graaf en de stad was het een feodale strijd, de graaf trachtte de machtige steden van zijn graafschap aan zijn toezicht te onderwerpen; een andere feodale strijd ontstond tussen de koning van Frankrijk en zijn machtigste leenmannen, waaronder de graaf van Vlaanderen, die hij wilde ten onder krijgen.

De konng van Frankrijk slaagde er in het graafschap Vlaanderen in te palmen, maar door de handelwijze van den Franse landvoogd Châtillon, ontbrandde een nationale strijd om Vlaanderen van de Franse overheersing te verlossen. In 1280 brandde de Brugse halle af met al de voorrechtsbrieven van de stad. Rond dezen tijd heerste er te Brugge een algemene ontevredenheid omwille van de zware lasten die op het volk drukten, en die veroorzaakt waren door het slecht beheer van de rijke familis. Deze belastingen waren uitsluitend assisen of verbruiksbelastingen op levensmiddelen, die meest op de mindere man drukten. In 1280 deed de bevolking. haar beklag daarover aan den graaf, alsook over de verkwisting van de stedelijke financies door het magistraat, dat weigerde rekenschap over zijn handelingen te geven; het volk vroeg nog om vertegenwoordigd te zijn in het magistraat, en het klaagde over de onrechtvaardige rechtspraak.

Dat het geld van de stad verduisterd werd, zien we in het testament (Juli 1293) van meester Niklaas van Biervliet, de eerste klerk van de stad, die geld teruggeeft aan de stad en aan andere personen. Deze Niklaas van Biervliet was met name genoemd in de klacht van 1280, met nog zeven andere patriciërs van wie het volk meest te klagen had.

Te Damme stelde het volk insgelijks een klacht op in 1280. Daarin lezen we dat de assise zwaarst woog op de ambachtslieden. De opbrengst ervan, die moest dienen voor het onderhoud van dijken en wegen, werd door de patriciërs verduisterd. Het volk vroeg medezeggenschap in het vaststellen van de assise alsook in de rechtszaak die partijdig was. Het vroeg nog toezicht op de financies en dat de ambachten zelf hun deken en eed zouden mogen verkiezen, die tot dan toe aangesteld werden door het magistraat.

De graaf was toen bij de koning van Frankrijk; zijn oudste zoon Robrecht van Nevers, kwam naar Brugge om de orde te herstellen. Hij eiste vruchteloos dat de bevolking haar onderwerping zou doen. Op 5 oktober verliet hij de stad en gaf haar vijf dagen tijd om tot inkeer te komen. De graaf van Vlaanderen was zelf verplicht naar Brugge te komen om de stad tot gehoorzaamheid te dwingen.

Hij gaf geen gehoor aan de klachten van het volk. Hij maakte gebruik van het vernieuwen van de verbrande vrijheidsbrieven van de stad, om het stadsbestuur aan zijn gezag te onderwerpen en de stedelijke vrijheden te besnoeien (25 Mei 1281). De stad werd veroordeeld tot een boete van 100.000 pond paresis, te betalen in twee jaar, en tot een jaarlijkse rente van 1.000 pond paresis ten eeuwigen dage te betalen aan den graaf en zijn opvolgers.

De rijke poorters; die de oorzaak van de onlusten waren, maar die de stad verlaten hadden tijdens de onlusten, werden ontslagen van het betalen van hun aandeel in deze boeten. De stad onderwierp zich aan deze voorwaarden, maar het volk deed zijn beklag bij de koning van Frankrijk, die de graaf van Vlaanderen met het onderzoek belastte. Nauwelijks echter had de graaf de stad met zijn troepen verlaten, of er brak een opstand los: de ‘Moerlemaye’. Brugge werd terug onderworpen, de aanvoerders werden aangehouden en enkelen ervan onthoofd. De stad werd op 17 september veroordeeld tot een tweede boete van 100.000 pond artois en nog 45.000 pond schadevergoeding.

De betrekkingen tussen de graaf en den koning van Frankrijk, die Vlaanderen tot een kroonland wilde maken, waren ook zeer gespannen. Van af 1287 komt de koning gedurig tussen in Vlaanderen; de baljuw van Vermandois wordt belast het grafelijk bestuur na te gaan, in de steden worden Franse ruwaards aangesteld. Ondertussen was de oorlog uitgebroken tussen Frankrijk en Engeland ; de koning van Engeland wilde de graaf tot bondgenoot hebben. De prins van Wales werd verloofd met Filippina van Vlaanderen. Graaf Gwijde werd daarop naar Parijs gedaagd en er met zijn twee zonen opgesloten totdat Filippine aan het Franse hof uitgeleverd was. Ze werd er opgevoed om haar huwelijk te beletten en leefde er tot aan haar dood in 1306.

Om de Vlaamse steden te verplichten met Engeland mee te gaan, verbood de koning van Engeland de uitvoer van de Engelse wol. De koning van Frankrijk zocht de gunst van de patriciërs uit de Vlaamse steden, door het verlenen van allerlei voorrechten, als vergoeding voor de schade veroorzaakt door het uitvoerverbod van wol uit Engeland.

In augustus 1296 moest Gwijde de stad Gent aan den koning van Frankrijk afstaan. In januari 1297 kwam de graaf in opstand tegen de koning van Frankrijk en sloot zich aan bij de koning van Engeland. Filips de Schone, om de stad Brugge tegen de graaf op te ruien, herstelde ze in al haar vrijheden van vóór 1280 en verklaarde ze ontbonden van de eed van getrouwheid aan de graaf. Een deel van de rijke poorters koos openlijk partij voor de koning van Frankrijk.

In mei schonk Gwijde op zijn beurt de oude voorrechten aan de stad terug. Toen Filips de Schone op 15 juni 1297 Vlaanderen binnen viel, was de graaf niet gereed, en de Engelse hulp was onvoldoende. De weinige troepen van de graaf werden verdreven. Gwijde trok zich met de Engelsen terug rond Gent. De Brugse Leliaards gaven hun stad aan Filips over te Ingelmunster. Op 9 oktober werd tussen de Fransen en de Engelsen een wapenstilstand gesloten te St. Baafs-Vijve; het grootste gedeelte van Vlaanderen bleef in de handen van Filips den Schone. De Engelsen verlieten het graafschap. De 19de juni werd de vrede te Montreuil getekend tussen Frankrijk en Engeland, maar Gwijde was er niet in begrepen. Op 6 Januari 1300 herbegon Frankrijk de strijd in Vlaanderen en na enkele maanden moest de graaf zich overgeven. Hij werd te Parijs opgesloten.

Het graafschap Vlaanderen werd bij Frankrijk ingelijfd. In mei 1301 kwam Filips de Schone er op bezoek. Van juli 1298 tot maart 1300 had Filips het bestuur van Vlaanderen opgedragen aan den heer van Nesle. die alles deed om het volk niet te kwetsen. Hij werd toen vervangen door Châtillon, oom van de koning, die wilde regeren met de grote leenmannen en de Leliaards, hetgeen grote misnoegdheid verwekte. De opstand brak los te Brugge, ter gelegenheid van het heffen van een assise om de kosten van het bezoek van den koning van Frankrijk te betalen, De ambachtslieden schaarden zich rond Pieter de Coninc, ze overvielen de Leliaards die de stad wilden overgeven aan Châtillon. Enkelen ervan werden vermoord en anderen gevangen genomen.

Châtillon kwam de stad bezetten, hij verklaarde haar vervallen van haar voorrechten, beval het slopen van de vestingen en het bouwen van een versterkt kasteel voor de bezetting. 468 inwoners, waaronder enkele aanzienlijke poorters, werden als gijzelaars naar Doornik overgebracht; later in 1302 hebben twee van deze poorters partij gekozen voor de koning van Frankrijk. De straf was te groot. Poorters en ambachtslieden gingen te Parijs in beroep bij het parlement, dat Châtillon goedkeurde.

Jan van Namen, zoon van Gwijde, kwam zich met enkele van zijn ridders aan het hoofd van de misnoegden stellen, die nu zagen wat ze van de koning van Frankrijk te verwachten hadden. Brugge viel in hun macht. De Leliaards verlieten de stad om weldra met Châtillon terug te keren op 17 mei 1302. De hoofden van de opstandelingen mochten de stad verlaten, maar ‘s nachts kwamen ze terug en vermoordden F ransen en Leliaards; Châtillon kon vluchten.

Overal in Vlaanderen kregen de opstandelingen de bovenhand, uitgenomen te Gent waar de Leliaards meester bleven. Het werd een nationale strijd om de Fransen met hun aanhang van Leliaards uit het land te drijven. De stad Brugge gaf aan Jan van Namen een toelage van 30.000 pond ‘omme ‘t lant te bescermene’. Op 11 juli werden de Fransen verslagen te Kortrijk; Rijsel en Kortrijk werden terug ingenomen door de Vlamingen, die heel het graafschap heroverden tot aan de Aa (die van St. Omaars naar Grevelingen loopt).

Het duurde tot in Juli 1304 vooraleer Filips de Schone opnieuw durfde aanvallen. Op 10 augustus werd de Vlaamse vloot vernield te Zierikzee. Op 18 augustus werden beide legers handgemeen op den Pevelenberg; niemand overwon, de Vlamingen verlieten het slagveld, maar de koning durfde de vervolging niet opnemen, en sloeg het beleg voor Rijsel. Toen de Vlamingen opnieuw opdaagden durfde de koning de strijd niet aangaan, maar sloot een voorlopige vrede, waar de voorrechten van de Vlaamse steden gewaarborgd werden. Filips zou hun enkel boeten mogen opleggen.

De onderhandelingen duurden een vol jaar, de vrede werd gesloten te Athis-sur-Orge in Juni 1305. Graaf Robrecht van Bethune die in maart 1305 Gwijde opvolgde, had zijn volk in de steek gelaten om zijn troon te redden. Buiten het betalen van grote boeten moesten al de steden hun vestingen slopen. Brugge werd het meest gestraft, 3.000 inwoners moesten op strafbedevaart gaan. De vrede had gedurige onlusten en oorlogen voor gevolg, die duurden tot 1330.

De Brugse handel

De betrekkingen tussen Engeland en de havens van het Zwin waren zeer talrijk in de 13de eeuw. Het was vooral wol die door de Vlaamse schepen uit Engeland ingevoerd werd. De Vlaamse kooplieden, die de handel in handen hadden, vormden de Londense Hanze, en het was enkel uit hun midden dat de graaf de schepenen van de Vlaamse steden mocht kiezen.

Reeds in het begin van de 13de eeuw waren moeilijkheden entstaan tussen Vlaanderen en Engeland, ze hadden echter geen grote invloed op de handel, omdat de Vlamingen toen nog geen concurrenten hadden in Engeland. Maar van af 1270 tot 1297 ontstonden er gedurig moeilijkheden. De Vlaamse actieve handel is toen voorgoed te niet gegaan, omdat Duitsers en Italianen de plaats van de Vlamingen ingenomen hadden in Engeland. Sedertdien werden de vreemde waren er de Brugse markt uitsluitend door vreemdelingen aangebracht en was de Vlaamse handel passief.

Van de steden rond de Zuiderzee werden vis- en landbouwproducten ingevoerd. Friesland zond paarden en vee. Sedert het midden van de 13de eeuw begonnen de Duitse steden, die samen de Duitse Hanze vormden, de hoofdrol te spelen in de handel die in het Zwin gedreven werd. Weldra hadden ze in feite het monopolie van de invoer van de waren uit de Noordzee, de Baltische zee en Rusland. Wanneer de graaf van Vlaanderen of de Vlaamse steden hun eisen niet inwilligden werd een streng handelsverbod, ook voor vreemde schippers uitgevaardigd tegen de Vlaamse havens.

De wijn uit Gascogne, Poitou en Guyenne werd naar Damme gebracht, om vandaar verder verzonden te worden. Van het begin tot het midden van de 13de eeuw waren het Vlaamse schepen die de wijn naar de Franse havensteden van de Atlantische oceaan gingen halen. Later, ten gevolge van de moeilijkheden met Engeland, dat de Vlaamse schepen op zee aansloeg, kwam deze handel uitsluitend in de handen van de inwoners van St.Jean-d’Angély en van La Rochelle. Uit de baai van Bourneuf werd zout ingevoerd, dat vooral moest dienen voor het inleggen van haring; Bayonne bracht zeem naar het Zwin.

De Franse zeevaart heeft grote invloed uitgeoefend in het Zwin, zoals blijkt uit het zeerecht van Damme, dat een vertaling is van de rollen van Oléron. Later werd dit zeerecht door de Duitse kooplieden naar de Baltische zee overgebracht waar het onder den naam van zeerecht van Wisby (een Duitse hanzestad op het eiland Gotland) in gebruik genomen werd.

De kooplieden uit het Iberisch schiereiland brachten zelf hun eigen waren, alsook deze uit Noord-Afrika, naar Brugge, onder meer: wijn, olie, zeem, ijzer, huiden, leder, enz. Ze speelden een grote rol in de Brugse handel. In de 14de eeuw waren ze, na de Duitsers, het talrijkst te Brugge vertegenwoordigd. Het is enkel in het begin van de 14de eeuw dat de eerste ltaliaanse schepen in ‘t Zwin kwamen, eerst waren het enkel Genuezen, weldra gevolgd door de Venetianen.

Rond 1300 werd een lijst opgemaakt van de landen die hun waren naar Brugge zonden en die als titel draagt: ‘Ce sont li roiaume et les terres desqueux les marchandises viengnent à Bruges et en la terre de Flandres … ». Daarin staan vermeld: Engeland, Schotland, Ierland, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Bohemen, Duitschland, Polen, Luik, Bulgarije, Navarra, Aragon, Castilië, Leon, Andalusië, Granada, Galicië, Portugal, Fez, Marokko. Segelmesse (aan den voet van het Atlasgebergte), Bougie, Tunis, Mallorca, Sardinië, Konstaminopel. Jeruzalem, Egypte, Armenië, Tartarije, Frankrijk, Poitou, Gascogne en Sicilië.

De Brugse haven

De oudste verbinding van Brugge met de zee was langs het Oude Zwin dat langs Koolkerke, Eienbroek, Schapenbrugge en het Hazegras in den zeearm van het Zwin liep, niet ver van de zee. Deze waterweg behoorde toe aan de stad Brugge tot aan Schapenbrugge. Niettegenstaande het in rechte lijn naar de zee liep, schonk het Oude Zwin voorzeker geen voldoening, want vanaf 1180 werd een andere waterweg gebruikt: de Reie, die van Eegem kwam, door Brugge liep, om op de plaats waar nu de stad Damme ligt, in de zeearm van het Zwin uit te monden.

Brugge1

Aan de monding van de Reie had de stad Brugge dijken opgeworpen en een zeesluis gebouwd. Daar rond had ze de stad Damme gesticht, die voortaan de voorhaven van Brugge zou zijn. Langs het Zwin werden nog andere plaatsjes gesticht en met stadsrechten voorzien, namelijk Monikerede (het Z.O. gedeelte van de gemeente Oostkerke) dat vermeld wordt in 1226. Hoeke werd gesticht door de Duitsers in 1252-1253, ten gevolge van onderhandelingen tussen de Duitse kooplieden en de graaf van Vlaanderen. Mude bestond reeds in 1210 en Sluis, dat later na het verzanden van het Zwin, de voorhaven van Brugge zou worden, werd gesticht rond 1290. Al deze stadjes vormden de Brugse haven, of zoals in de Engelse oorkonden van de 13de eeuw staat: ‘de haven van het Zwin’.

Het zeesas dat te Damme aan de monding van de Reie lag, behoorde aan de stad Brugge; het was van speciaal maaksel, de deuren werden in de hoogte opgewonden en de schepen moesftn eronder doorvaren. Reeds in de oudste tijden moet het zo geweest zijn, want in de Brugse stadsrekening van 1285 vinden we een betaling: ‘Item, tune carpentariis et laboratoribus ad wind aes: 83 s. 4 d.’, zo kwam het dat er geen zeeschepen naar Brugge vaarden, daar ze hun masten hadden moeten neerleggen. De zeeschepen in het Zwin laadden hun waren over in binnenlanders die naar Brugge vaarden.

De havens van het Zwin hadden geen kaaien, het waren getijhavens. De schepen werden bij hoog water naar de boord van het water getrokken en daar op het droge gezet, zoals we zien in de beschrijving van de vloot van Filips-August die in 1213 te Damme door de Engelsen aangevallen werd: ‘… puis alèren t assallir les grans nés qui estoient plus priès de la ville del Dan, mais elles estoient à sec sor la tierre traités …’, ‘… daarna trokken ze op om de grotere schepen te overvallen, die dichter bij de stad Damme lagen, maar deze waren op het droge getrokken .. ‘.

De zeevaart geschiedde vroeger enkel in de zomer, omdat er te veel nevel en stormen waren tijdens de wintermaanden. Als de winter aankwam hadden de schippers van Harderwijk en Kampen de gewoonte hun schepen tussen Hoeke en Sluis op het droge te trekken en langs de landweg naar huis te gaan. De binnenscheepvaart geschiedde bijna uitsluitend tijdens den winter, omdat er toen alleen water genoeg was om te varen. Vele oude contracten voor de levering van steen ot hout, bepalen dat de levering moest geschieden ‘met het eerste winterwater’, dus van zodra de waterwegen bevaarbaar waren.

Maar om de verbinding tussen Brugge en zijn voorhaven tijdens de zomer in stand te houden, ‘t is te zeggen wanneer de zeeschepen in het Zwin kwamen, was de Reie tussen Brugge en Damme ingedijkt en werd er langs het zeesas van Damme zeewater ingelaten. Hier volgt een uittreksel uit een akte van 1288, die een einde stelde aan het geschil tussen de stad Brugge en de watering van Romboutswerve te Koolkerke, over het onderhouden van de dijken van de Reie, en waarin dit beschreven staat: ‘… et les boines gens ke ont leurs tières de Remboudwerfs, nord de le Roie ki ceurt entre Bruges et Dam, … dendroit de ce ke ils demandèrent et disent ke cil de Bruges devoient et estoient tenut de warder et tenir tous les dis lor tières de Remboudwerfs devant encontre Ie Roie par Ze raison de ce k.e cil de Bruges [aisoient qaand il leur plaiso!t, monter et aoaler l’.eawe de Ie diie Rey par leur espoie dou Dam parmener et rernenet leur marchandise à nef, ainsi corne il leur plaisoit …’.

‘… en de goede lieden waarvan het land ligt in de watering van Romboutswerve, ten Noorden van de Reie die van Brugge naar Damme loopt, … op het feit dat zij beweerden dat de stad Brugge verplicht was de landerijen van Romboutswerve tegen de Reie te beschermen, om reden dat de stad Brugge, wanneer het haar paste, het waterpeil van de Reie verhoogde of verlaagde door middel van haar zeesluis te Damme, om de schepen met koopwaren naar of uit de stad te laten varen, wanneer het haar paste …’

Tot rond 1250 was de Brugse handel actief, Brugge voerde zelf waren uit en in op eigen schepen. Deze schepen waren eerst de visserschuitjes van het Zwin, die meer konden verdienen met het vervoer van waren dan met vissen. Later waren het schepen die speciaal voor de handel gebouwd werden, maar het waren geen zeeschepen zoals op onze dagen. We bezitten de beschrijving van de lading van zulk een scheepje van rond 1300, dat in Engeland aangeslagen was. De lading bestond uit twee vaten wijn, een honderdtal hectoliter zout, meel en appelen, twee ton erwten en nog twee ton zout. De zeevaart bracht toen veel op : het schip was 15 Engelse ponden waard en de lading 16 pond; de vrachtkosten beliepen 6 pond, dus meer dan een derde van de waarde van de lading, en ook van de waarde van het schip.

De oudst bewaarde statistieken van de zeesehepen die te Sluis aankwamen zijn uit het jaar 1486-1487, tijdens dit jaar waren er 73 schepen ingekomen met een lading van 8.272 ton. De gemiddelde maat van de schepen was dus 113 ton, het kleinste mat 40 ton, de drie grootste samen 800 ton, het grootste dus ± 300 ton; de meeste schepen maten tussen 100 en 200 ton. Een ton of vat was 2.000 pond of 928 kgr. De binnenscheepvaart was ook heel klein. We bezitten de opgave van al de schepen die tussen Brugge en leper vaarden in de jaren 1395-1404. Gedurende deze negen jaren vaarden er 461 schepen tussen de twee steden, waarvan de grootste zes tonmaten.

De grafelijke tol van het Zwin

De grafelijke tol van het Zwin werd vermoedelijk ingericht rond 1180 met de stichting van de stad Damme. In 1228 wordt hij voor het eerst vermeld en in 1252 wordt hij gewijzigd ten voordele van de Duitse steden. Dit nieuw reglement bleef bewaard, alsook een beschrijving van de tol uit het jaar 1368, opgesteld door Denis Royer, die 22 jaar aan de tol verbonden was geweest.

De hoofdzetel en tevens de verblijfblaats van den ontvanger was te Damme. Er waren tolkantoren te Sluis, Monikerede, Hoeke, Mude, Slepeldamme (de voorhaven van Aardenburg), Waterdune (een plaatsje ten noorden van Kadzand, dat bestond van 1270 tot 1304). Later werd het kantoor van Waterdune overgebracht naar Coxyde, ten oosten van Sluis. Het tolgebied strekte zich uit van de monding van het Zwin tot op de Reie, tussen Brugge en Damme. De tol werd geheven op al de schepen, uitgenomen op de vissersloepen, die terug kwamen met droge netten (die dus niet gevist hadden). Al de waren die binnen het gebied kwamen, zowel te water als over land, betaalden rechten.

Op ieder schip mochten de kooplieden en hun knechten een koffer hebben die niet onderzocht werd, maar ze moesten onder eed verklaren dat er geen belastbare zaken in waren. Om het werk van de ontvanger te vergemakkelijken, was ieder kist waarvoor 4 deniers betaald werd, van het tolonderzoek ontslagen. De waren die per inhoudsmaat verkocht werden, betaalden de rechten in natura (graan, zout, enz). Daarenboven moest ieder schip met zulke waren geladen drie viertallen (43 liter x 3 = 1291.) ervan afstaan als inkomrecht.

De waren die het tolgebied verlieten om van het eene kantoor naar het andere gebracht te worden, betaalden tweemaal de rechten. Het tolreglement van 1252 toomt ons de verdeling van de handel tussen Brugge, Damme en de andere stadjes. De bijzonderste waren, uitgenomen de wijn, als ze te Damme verkocht werden, betaalden 100% meer, dan wanneer ze verderop gevoerd werden. De kooplieden waren dus verplicht ze naar Brugge te brengen om ze te verkopen.

Ziehier de waren die dubbel recht betaalden wanneer ze te Damme verkocht werden en die dus naar Brugge moesten gebracht worden: zeem, olie, vet, lakens, bont, huiden, koper, tin, was, kleuren, peper, amandels en kabels. Damme had de stapel, ‘t is te zeggen het monopolie van de verkoop, van de volgende waren: wijn, pek, teer, as en haring in tonnen. Monikerede had de stapel van den vis, Hoeke de stapel van het hout en Mude de stapel van het vee en het fruit uit het binnenland.

Te Damme werd de tolverklaring opgemaakt door de eigenaar van de waren of door den hostelier, bij wie hij zijn intrek genomen had. Gewoonlijk moest de tol enkel betaald worden wanneer het goed verkocht was; zo dit te lang uitbleef mocht de ontvanger de betaling vragen. Werden de waren in kelders gelegd, dan moest de betaling binnen de drie dagen gebeuren. Wanneer de booten die de waren naar Brugge brachten door het zeesas van Damme vaarden, moesten ze een kan bier geven, overhands aan de ontvanger en de sluismeester. Ze moesten ook als pand een kledingstuk afgeven, daar de rechten enkel bij het terugkeren betaald werden.

Het vertollen geschiedde tijdens de dag, uitgenomen voor de schepen geladen met verse vis; deze booten mochten ook ‘s nachts vertold worden. De tolbeambten te Monikerede, Hoeke en Mude moesten de schepen nazien die terug naar zee gingen, om te weten of ze de tolrechten te Damme betaald hadden, zoniet moesten ze dubbel tolrechten heffen en een boete opleggen van drie pond. De tolbeambte van Monikerede moest de rechten heffen op den vis die aan land gebracht werd om te drogen, op het hout en op de landbouwvoortbrengselen. Zijn ambtgenoot van Hoeke moest tijdens de winter de tolrechten heffen op de schepen die te Hoeke op het droge getrokken waren en er hersteld werden. Tijdens de zomer moest hij vroeg opstaan om het fruit te vertollen dat naar Brugge gebracht werd. De tollenaar van Mude hief de tol op het vee en het fruit dat uit het binnenland kwam. De tolklerk van Sluis hield het register van al de vreemde schepen die in ‘t Zwin kwamen.

Uit ‘Brugge op het einde van de 13de eeuw’ door Dr. J. De Smet in 1941

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>