Bulte Wollekens en Lamme Speleman

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     236 Views     Leave your thoughts  

Bulte Wollekens had een ijselijk grote bulte op zijn rugge. Het was ‘ne fijne vioolspeelder, en hij ging alle avonden gaan spelen naar den buiten in d’herbergen, waar dat er iets te doen was, en hij keerde altijd met de dikke beurze weêre naar huis.

Zo ’t gebeurde ‘ne keer dat Wollekens, alzo rond den twaalven van de nacht, naar huis kwam; hij was gelaàn van de centen die hij rondgehaald had en verblijd van ’t stokersnat. Hij moest over een kruisstrate gaan, en als hij niet verre der van meer en was, hoorde hij zingen; ‘Maandag, Dysendag, Woensdag.’

Wat mag dat toch zijn, peinsde hij. Op de kruisstrate was er veel leute en hij hoorde vrouwenstemmen: het waren toveressen, die daar altijd rond middernacht vergaarden en zongen en leute maakten. Wollekens zei in zijn zelven: ,, ‘k Ga wel ‘ne keer met dat gezang meêspelen op mijn viole!”

Zie; zo gezeid, zo gedaan, en de bulte speelde binst dat ze zongen:’ Maandag, Dysendag, Woensdag.’ Seffens viel alles stille op de kruisstrate, en Wollekens hoorde entwien naar hem toekomen met grote houten kloefen aan, en al met ‘ne keer stond er daar een oude toveresse vóór hem; z’ had een groote kaakstikmutse met ijzerkens aan en ‘ne korte rok, en ‘ne jak met een lang zet; ze zag er lijk niet kwaad uit, en ze vroeg aan de bulte: ‘Waarom hebt ge gij meêgespeeld met ons?’

‘Ha’, zei Wollekens, ‘ik hoorde zo schone zingen en ‘k en kon niet laten van meê te spelen.’

‘Dat is wel’, zei d’hekse, ‘dat is wel, ga nu meê met mij, ge moet in ons gezelschap spelen.’ Wollekens en gebaarde van niet, maar hij voelde dat hij niet voorder en koste, en dat hij meê moeste met d’hekse. Als hij op de kruisstrate gekomen was, zag hij wel twintig heksen zitten en klappen en geestig zijn en lachen en leute maken. De elzen hutten stonden te branden, en geheel de ronde waar dat ze zaten was verlicht met ‘ne rode schemer, en de wind loeide in de bomen.

‘Brengt hem maar alhier, in ’t midden’, riep er een oude toveresse, en Wollekens werd in de ronde geleid, en ze zeiden dat hij moest spelen. Hij haalde zijn viole uit en hij ging aan ’t zagen. Groot was de leute en de toveressen dansten en hielden een kot zonder weêrgà; de viole deed: tjin, tjoen, tjan en het ging er mij nu van ‘Maandag, Dysendag, Woensdag’ dat het helmde in de lucht.

Wollekens was algelijk benauwd en hij en peinsde niet van daar nog levende uit te geraken. Als de toveressen nu lang en vele gezongen hadden, vroeg de oude toveresse aan de violeman: ‘wat zijn wij nu schuldig, man, voor de leute die gij ons gegeven hebt?’

Maar, eer dat Wollekens tijd had om te antwoorden, zei er een van de toveressen: ‘kijkt ‘ne keer welk een lelijke hoogte die hij draagt op zijn rug; laat ons hem dat afweren. En zij waren altemale tevreden van ’t alzo te doen, en de oude toveresse sprong met een schrikkelijk geweld naar Wollekens, zij belette de bulte goed, sprong tien stappen achteruit en schoot geweldig weêre toe, snakte de bulte vast en trok en schudde en sleurde de violeman rechts en links dat de vracht ten lange laatste geheel en gans meêkwam.

’t Zweet druipte van heur gerimpeld aanzichte en met ‘ne zwong en ‘ne zwaai sprong ze met die bulte naar ‘nen eiken boom en stook ze daarop. (En ’t is sedertdien dat de boomen bulten, knobbels en knuisten gekregen hebben.)

Daar stond Bulte Wollekens nu fris en gezond en hij zag er uit lijk een van drie maal zeven. Nu werd Wollekens naar de plaats geleid waar dat d’heksen hem eerst zagen en de viertjes in de elzen hutten gingen uit en d’heksen waren weg. ’t Koud zweet druipte van Wollekens aangezicht en hij ging nu haastig naar huis. Wat zal mijn wijf nu zeggen, peisde hij, dat ik die lelijke bulte kwijt ben. Als hij nu aan zijn deur klopte, kwam zijn vrouw open doen met een klein lichtje in heur hand. Ze en kende hem eerst niet meer, en ze moest hem wel tien keers bezien eer dat zij hem liet in huis komen. Wollekens vertelde geheel zijn gevaarnisse; en zijn vrouw keek zo verwonderd dat de man bij hoge en bij lege moest staande houden dat hij Wollekens was, en toen ging de grap over; ze verstonden malkaar ze aten en ze dronken te gare en ’t was al wel.

’s Anderendaags als Lamme Speleman die ook een levende kasse op zijne rugge droeg Wollekens zag, en dat hij hem hoorde vertellen hoe dat hij van zijn bulte verlost was, had hij ook geern op de zelfde wijze de zijne kwijt gegrocht. Wollekens leerde hem het zelfde vooizeken spelen: ‘Maandag, Dysendag, Woensdag,’ en de volgende donderdag trok Lamme Speleman op al de kant van de kruisstrate, waar dat die wondere dingen gebeurd waren.

Rond den twaalven van de nacht was hij op de zelfde plaatse waar dat Wollekens geweest had, en hij hoorde van verre spelen en zingen, en de leute was groot. ’t Zit goed, zei hij in zijn zelven; de toveressen zijn vergaard. Hij nam zijn viole en begon maar te spelen en te zingen: ‘Maandag, Dysendag, Woensdag’; maar hij en belette niet dat de toveressen nu ‘Donderdag, Vrijdag, Zaterdag’ zongen.

De Lammen en had maar met ruize1 zijn eerste deuntje gespeeld of alles viel doodstil op de kruisstrate; en juist gelijk als Wollekens hem gezeid had, zo kwam er een oude toveresse naar hem toegelopen; maar ze keek zo lelijk en ze was zo kwaad, heur vuisten waren gesloten en heur ogen schoten lijk stralen.

‘Wat staat g’hier te spelen?’, zei ze alzo

‘Ik hoorde uw geestig gezang’, zei de Lamme, ‘en ‘k en kon niet laten van mee te spelen.’.

‘Ja’, zei ze, ‘ge speelt om met ons te spotten, en ge moet nu meê met mij of ge wordt hier de nek gekraakt.’ Meer dood als levende volgde de Lamme de toveresse en als hij in de ronde kwam, veertig ogen en nog straalden en vlamden op hem. Daar wierd raad geschoren wat dat ze met hem zouden doen om de stoutmoedigheid van zijn bespotting te straffen: hij had Maandag, Dysendag, Woensdag gezongen als ’t Donderdag was.

‘Hij heeft daar een hoogte op zijn rug gegroeid staan, we. zullen hem ook zulk een op zijn herte geven’, zei er een van de toveressen, en al de anderen waren van t zelfde gedacht. Zonder te verletten, daar sprong de oude toveres vol gramschap en geweld naar de eiken boom en scheurde Wollekens bulte daar weerom van los en stook ze op den Lamme zijn borst.

Hoe stond de arme sul nu deerlijk te zien! ‘Dat krijgt ge nu voor uw loon’ zeiden d’heksen, en ze jouwden hem uit. Straf verboden zij hem van nog ooit op de kruisstrate weêre te keeren en hij werd dan naar de plaats geleid waar dat de oude heks hem was gaan halen.

Al de vieren en lichten gingen uit en de tovermale was uit en ’t einden: alles was verdwenen. Bevende lijk een riet, dobbel gelaän, ging de Speleman nu naar huis al wankelen en sukkelen. Of hij kwalijk gekomen was van zijn vrouwe! Hij vloog bijkan op strate! Eindelijk kwam alles toch tot vrede.

Verscheidene dagen lang bleef Speleman in huis en hij en dorst niet buiten kijken; maar dat en kon toch niet blijven duren. Hij ging dus op zekere dag uit, en ’t wilde wel lukken dat hij juiste Wollekens tegen kwam, aan wien dat hij deerlijk zijn beklag deed, maar hij en wierd niet weinig belachen.

Wollekens wenste hem proficiat. ,,Dwaze kneukel’, zei hij, ‘aan u en aan niemand anders is de schuld van de zake: g’hebt verkeerd gespeeld, g’hebt gij kwalijk gedaan en die kwalijk doet, moet kwalijk varen.’ Ze scheidden van malkaar. De Lamme had twee bulten voor één; en daar en was niets aan te doen: hij hield ze zijn leven lang.

Uit ‘Oude Westvlaamsche volksvertelsels’ verteld door A.J. Witteryck in 1889 en opnieuw uitegeven door Hervé Stalpaert in 1946

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>