Dadizele aan een zijden draadje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     876 Views     Leave your thoughts  

De mirakels van Onze-Lieve-Vrouw van Dadizele

Twee legendemotieven

Eerste mirakel: Opregting der kerk van Dadizeele.

De kerk van Dadizeele heéft haeren oorsprong doór eene zonderlinge gunst van de H. Maegd Maria de welke deéze plaets, onder verscheyde andere van het omliggende, heéft tot haeren bezonderlyken dienst verkozen en toegewyd op de volgende wyze:

‘Eenen ryken man hebbende twee zwarte ossen, kwaem die te verliezen doór de onagtzaemheyd van zyne knegten of doór eenige ander oorzaek, of, om beter te zeggen, doór eene bezonderlyke toelaeting van God. Hij deéd alle moeyte aenwenden om de zelve te ontdekken, maer alles was vrugteloos. Er woónde niet verre van zyn huys eenen kluyzenaer die zig aen den dienst van Maria had toegewyd en op de gestigstigste wyze leéfde. Het gebeurde dan in dien tyd dat de alderheyligste Maegd, haer veropenbaerde aen deézen man onder de gedaente van eene eerbaere vrouw en hem zeyde : Gaet tot dien ryken man die twee zwarte ossen verloren heéft, en zegt hem dat hy die nimmermeer zal vinden ; maer dat hy twee witte ossen, gelyk aen de zyne, in den elzenbosch, nevens zyn huys, vinden zal, en dat hy ter zelver plaets, in den naem van de glorieuze maegd Maria, eene kapelle begint op te regten, Zegt hem dat de zelve Maegd u bevolen heeft dit hem aen te kondigen.’

Dit is het wondere verhaal over de oprichting van een O.-L.-Vrouwekapel en over de stichting van de parochie Dadizele. Zo wordt het weergegeven door de anonieme auteur van het ‘Kortbegryp van de historie en mirakelen van Onze Lieve Vrouwe van Dadizeele’.

Wie de bovennatuurlijke gave bezit om zichzelf onzichtbaar te maken, -om van gedaante te veranderen, om op verschillende plaatsen op hetzelfde moment aanwezig te zijn of om na de dood weer onder de mensen te verschijnen, die schrijft men ook een bijzondere kracht toe over andere mensen, over dieren en planten, zelfs over het levenloze. In de Dadizeelse legende stellen we dit ook vast.

Onze-Lieve-Vrouw komt terug onder de stervelingen onder de gedaante van ‘eene eerbaere vrouw’. Niet om te belonen of te straffen, maar omdat ze vereerd wil worden. Volgens de legende richt ze zich daarvoor niet rechtstreeks tot de rijke eigenaar van de twee verdwaalde ossen, maar tot een arme kluizenaar.

Mystici, geestelijken en kluizenaars zijn veruit de meest bevoorrechte getuigen van verschijningen. Zij zijn het aan wie de heiligen soms heel concrete verlangens meedelen. Ook al hebben ze in hun omgeving zeker meer moreel gezag dan de anderen, de vraag blijft : hoe accepteren buitenstaanders een dergelijke boodschap van hierboven? Meer bepaald : hoe reageert de eigenaar die het bouwen van een kapel opgedrongen krijgt? Hoewel hij geen getuigen heeft, staat de kluizenaar toch niet al te zwak. Hij krijgt bovennatuurlijke steun, want de eigenaar vindt de dieren op de aangewezen plaats weer en stelt vast dat zijn dieren ondertussen wit geworden zijn, zoals tijdens de verschijning aangekondigd.

(De dieren vinden ze terug in een elzenbos. De els, met zijn rode schors en takken, groeit bij voorkeur op verlaten plaatsen en langs waterkanten. Takken en schors zouden een tover- en tegentoverkracht bezitten. Bij voorkeur vlogen de heksen op een elzentak door de lucht.)

In een tijd waarin met de regelmaat van de klok allerhande eerlijke en minder eerlijke profeten opdaagden, waren duidelijke tekenen beslist nodig. Dit viel op vooral in tijden van oorlog, anarchie en epidemie. Bij gebrek aan gezag of overredingskracht beweerden sommigen dat ze enkel een bovennatuurlijke boodschap weergaven.

Alleen hij vond gehoor die de echtheid van de verschijning en van de boodschap kon bewijzen. Daarom laat men nooit na te wijzen op die elementen die de echtheid van het verhaalde, zij het in de legende of in de sage, moeten staven. Zo verscheen Godelieve van Gistel aan Bertolfs knecht en gaf ze hem als duidelijk teken het ‘hemdje zonder naad’ mee. De kaars van Atrecht was een blijvend bewijs van een verschijning van Onze-LieveVrouw. De weergevonden ossen en het zijdedraadje – waarover straks meer – bevestigen tegenover buitenstaanders wat door Onze-Lieve-Vrouw meegedeeld werd.

De van kleur veranderde ossen zijn evenwel meer dan een materieel bewijs. Ze zijn ook het middel waardoor Maria kenbaar maakt waar ze wil dat de kapel opgericht wordt. In vele ontstaanslegenden van gewijde plaatsen in Vlaanderen wordt op een bijzonder manier de bouwplaats aangeduid. Dieren helpen hierbij in Dadizele. Elders horen ze engelengezang (Assebroek, Mesen) of verplaatsen engelen het bouwmateriaal (Nazareth, O.-Vl.). In Lebbeke rijpt het vlas voortijdig op de door de heilige uitverkoren plaats. Soms loopt het beeld – zelfs tot driemaal toe – weg van de plaats waar de mensen dachten te bouwen (Nevele) of valt er sneeuw midden in de zomer – of omgekeerd – op dat stuk land dat voor de kapel gereserveerd moet worden (Hakendover). In andere gevallen vindt men het perceel af gebakend, met een rode zijdedraad.

dadizele

Tweede mirakel: miraculeuse wyding der kapelle. Veéle zieken worden er genezen.

‘Als nu ‘t kapelleken voltrokken was, men heéft vastgesteld te zenden naer zyne hoogweêrdigheyd den bisschop van Doornyk, op dat hy het zoude willen komen wyden. De afgezondene bediende naer Doornyk gaende, hebben onder den weg (‘op deze plaets staet eene oude kapelle ter eeuwige gedagtenisse op het gehugte de Nieuw-huyzen’) ontmoet eene eerlyke vrouw, die hun gebiedende van weér te keeren aldus sprak: ten is niet noodig den bisschop te verzoeken om de kapelle te wyden, want zy is gewyd doór Maria de moeder Gods. Zy voegde er by : En op dat gy gelooven zoude het geéne dat ik u zeg, ik zal dit teeken geéven: keert weder, gy zult eenen zyden draed rond de kapelle gespannen vinden en geheel de plaets van dien draed omringd is gewyd. De kapelle-meesters, meynende dat zoo eenen voórval van den hemel moest komen, zyn aenstonds weérgekeerd, en hebben aen den priester daer woonende alles verklaerd dat zy gehoord en gezien hadden. Den priester is met hun onderzoek gaen doen en hy heéft alles bevonden gelyk de vrouw had veropenbaerd; den draed en had nog beginsel nog eynde.’

De omstandigheden die leidden tot het bouwen van die eerste kapel, waren eigenlijk niet zo alledaags. Wanneer de kapel voltooid is, moet die natuurlijk ook ingezegend worden. Het gehele initiatief was duidelijk van onderuit gegroeid en wellicht daardoor stond de kerkelijke overheid wat weigerachtig.

Maar door een tweede verschijning – weer bevestigd door een materieel bewijs – raakt de kapel gewijd zonder de daartoe gemachtigde overheid. Een ‘eerlyke’ vrouw stuurt de boden weer naar huis met de boodschap dat de kapel al omspannen is met een zijdedraad en die ‘en had nog beginsel nog eynde’. Anders uitgedrukt: de bidplaats is al ingezegend, want de draad weert het kwaad van buitenaf en concentreert de heilzame invloed die uit de kapel uitstraalt.

Het omspannen van een leger tijdens de strijd, van een bidplaats of van een stad had een afwerende en beschermende functie. Of dit nu gebeurde met een rode zijdedraad (O.-L.-Vrouw in Dadizele, in Valencijn (11de eeuw), Westrozebeke in 1382), met een ijzeren ketting (Leonardkapellen) of met een met was bestreken draad (Nieuwpoort, 1489) doet weinig ter zake. Beschermen en afweren is hier essentieel. Hierbij kunnen we denken aan het gebruik van de gesloten cirkel in de magie en aan het ‘afbinden’ in de volksgeneeskunde.

De zijdedraad is ook in Dadizele rood. De rode kleur heeft o.a. duivelafwerende eigenschappen en velen beweren dat ziekte en onheil veelal door duistere machten veroorzaakt worden. De waarde van de draad wordt verhoogd doordat die gemaakt is van zijde, een stof die stevig, dun en vooral veel duurder is dan gewoon garen.

De gewijde zijdedraad als krachtig middel en als leidraad

‘… den draed en had nog beginsel nog eynde… Eene oude overleveringe· verzekerd dat men gewoón was den bovengemelden draed te deelen, als hulpmiddel in verscheyde ziekten, en dat hy noyt en verminderde. Deézen is met alle de andere meubels en verciersels onttrooft geweést. Het is tot gedagtenis van dit weldaed dat men nu nog ‘s jaerlyks in de kerk van Dadizeele roo zyden draed wyd: het gebruyk van den zelven in de kinkhoeste heéft, volgens de getuygenis van veéle ouders, wonderbaere uytwerksels.

Oorspronkelijk werden stukjes van de originele draad afgesneden en uitgedeeld, want gewijde voorwerpen worden als dusdanig niet verkocht. Opmerkelijk is wel dat de draad altijd even lang bleef. Na het verdwijnen van de originele draad ( 16de eeuw ?), gaven ze de bedevaarders zijdedraadjes die door wijding – wellicht door aanraking met het genadebeeld – een bijzondere gave verkregen. In het.’ Kortbegryp’ wordt het gebruik ervan aangeraden in geval van kinkhoest. Dit geldt in 1970 nog. In feite is O.-L.-Vrouw veelzijdiger dan dat. Zo is er in de 29 verslagen van wondere genezingen in het ‘Kortbegryp’ nergens sprake van kinkhoest. Misschien was die kinderziekte niet spectaculair genoeg om voor het nageslecht bewaard te worden. In dezelfde reeks wondere genezingen speelt het rode zijdedraadje ook geen enkele rol.

A.M. Coulon geeft wel een paar inlichtingen over het draadje, of beter over het lint. In 1861 was de Brugse bisschop Malou in Ieper en hij kreeg daar enorme buikpijn. Zijn dokter werd er uit Brugge bijgehaald en die verklaarde onomwonden: ‘c’est un homme perdu’. Maar de bisschop gaf het niet zo maar op en stuurde zijn zuster naar Onze-Lieve-Vrouw van Dadizele, waar ze een ‘neuvaine de messes’ liet doen. Ze bracht een lint mee dat het genadebeeld aangeraakt had. De bisschop had dit lint nog maar een uur rond zijn lichaam gedragen of hij voelde zich beter. Drie weken later is hij in staat om in Dadizele een plechtige dankmis op te dragen.

Met het lint en met de tussenkomst van 0.-L.-Vrouw geneest ook pastoor Ghesquière. Op 15 oktober 1879 begon hij plotseling bloed te spuwen. De dokter vond zijn toestand kritiek. De mensen uit Dadizele riepen Maria’s hulp in en deden hem het lint rond het lichaam. De genezing bleef niet uit.

In de legende m.b.t. de wijding van de kapel had de draad een eigen functie, nl. omspannen van wat beschermd moet worden. Maar in de volksgeneeskunde wordt een lint of draad(je) – al of niet gewijd – gebruikt om af te binden. Men wil voorkomen dat koorts, huidaandoeningen, hoofd-, keel- en oogpijn, enz. erger worden of zich uitbreiden. In beide gevallen uit 1861 en 1879 wordt de kwaal afgebonden. Meer nog: in het geval van de bloedspuwende pastoor speelt de sympatie een belangrijke rol. Men geneest het gelijke met het gelijke (similia similibus curantur), men geneest met een rode draad of lint iemand die bloedt of iemand die lichte koorts en rode ogen heeft (kinkhoest).

Bij dit alles rijst wellicht de vraag : en wat gebeurt er nu nog met dit draadje? Ik herinner me nog de jaarlijkse studentenbedevaart naar Dadizele. Dat was in de jaren vijftig. In de meimaand, op een zaterdag, gingen alle studenten te voet vanuit het Klein Seminarie op bedevaart. Na de plechtige mis ging iedereen om zijn draadje achteraan in de kerk. Dat droegen we dan nog een paar dagen in ons knoopsgat, een bewijs dat we in Dadizele geweest waren. Veel meer zochten we daarachter wel niet.

Het bedevaartsgebruik m.b.t. het rode zijdedraadje is de laatste jaren van overheidswege omgebogen. In het winkeltje achteraan in de kerk – waar er wellicht meer Noord-Fransen dan Vlamingen rondlopen – wordt wel nog het draadje te koop aangeboden, zij het geknoopt in een geperforeerd bidprentje. Op de buitenkant staan het imprimatur en een kleurfoto van het genadebeeld, terwijl op de binnenkant een tekst, opgesteld door de huidige pastoor, afgedrukt werd. Het krachtig gewijd middel van destijds krijgt er nu uitsluitend de symbolische betekenis van leidraad in je leven.

D. Callewaert in ‘De Leiegouw’ van 1982