Dagboek uit Ieper

Ik ga op zoek naar de beklijvende levensomstandigheden in het Ieperse tussen 1485 en 1558. Een verhaal van winters en zomers buiten hun normale doen. Pest, ja vooral de pest. Een keizer die voortdurend oorlog wil voeren met buur Frankrijk vraagt de schamele inwoners dan nog om financiële hulp. Iets wat in het Ieper van de 16de eeuw erg moeilijk valt. De concurrentie van Nieuwkerke, Wulvergem en Poperinge slaat diepe bressen in de successtory van Ieper.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Na mijn reis door het leven van keizer Karel keer ik met gretige appetijt terug naar mijn eigen streek. Ik kuier door de Ieperse straten en probeer een glimp op te vangen van het leven hier. Hoe voelt het aan om je dagen te slijten in de jaren 1500? Op welke manier beleven de Ieperlingen het leven van Karel V? Veel vragen. Ik ga op zoek naar de man en de vrouw in de straat. De kleine verhalen. Een zoektocht naar de haast uitgewiste menselijke emoties die ergens dank zij de vergetelheid van de geschiedenis ondergesneeuwd werden. De Ieperse jaarboeken, de handschriften van Gerard De Feu en Thomas de Raeve, aangevuld met een weelde aan informatie van gewezen archivaris Isidore Diegerick zetten me op het goede spoor.

Ik verplaats me meteen naar 10 juni 1483. Boze Spanjaarden brengen zestien gevangen Franse soldaten binnen in de stad. Ze werden betrapt te Voormezele waar ze een brouwerij aan het plunderen waren. De volgende dag al worden ze voor hun daden bestraft, hun krijgswetten kunnen maar zo duidelijk zijn: de doodstraf door ophanging. De galgen worden direct opgesteld. Het schavot op de Grote Markt heeft zo zijn aftrek. Je kan je wel inbeelden dat de massa drumt om het beste zicht te krijgen op de show. Als de beul aan zijn zestiende slachtoffer wil beginnen, verrast deze hem met de mededeling dat hij geen man is maar een vrouw en dat ze om vergeving vraagt.

Na deze verrassende melding wordt ze terug in het gevangenhuis geleid waar ze een onderzoek ondergaat. Onze jonge dochter is inderdaad een meisje. Ze geeft toe dat ze zich al jaren voordoet als manspersoon, soldaat bij de Fransen, en dat ze in die hoedanigheid al aan verscheidene veldslagen heeft deelgenomen. De heren van justitie worden er bij gehaald en stellen de vrouw op vrije voeten. Korte tijd later biedt de dame zich aan om dienstmeid te worden bij een rijke inwoner die ingaat op haar voorstel.

‘Zij werd aanvaard’, staat er geschreven, ‘en na verloop van tijd maakte de zoon des huizes de vrijer’. Hoe mooi gezegd toch. De zoon maakte de vrijer. Het koppel wil trouwen en moet hiervoor de toestemming krijgen van hun respectieve ouders. Als dat in kannen en kruiken is, kan de trouw doorgaan in de kerk van Sint-Jan en pas achteraf komt de bruid af met het verhaal dat haar vader eigenlijk raadsheer is bij het parlement van Parijs en dat haar ouders tot de voornaamste edellieden van Frankrijk behoren. ‘In mijn jonge jaren had ik een relatie met een kapitein van de Franse troepen’, bekent ze, ‘maar hij liet me zitten.’ Dat bleek uiteindelijk de reden te zijn waarom ze zich als manspersoon vermomd had: ze wilde dicht bij haar gewezen vlam blijven. De pasgetrouwde Française blijkt een ordinaire stalkster geweest te zijn.

De jonge Ieperling besluit het verhaal van zijn vrouw te controleren, stuurt een brief naar het parlement van Parijs, krijgt er de bevestiging dat zijn madame Angeline Marillac heet en dat haar vader inderdaad een man van adel is geweest. Thomas Marillac is op zijn tachtig overleden op 7 december 1481. De erfenis is een niet onaardige surplus voor het kersvers koppel: twee kastelen in de buurt van Senlis, een kapitaal van 2 miljoen stuivers en een inboedel van nog eens een half miljoen. Angeline en haar man zullen in Ieper blijven wonen tot aan haar dood op 20 augustus 1499.

Een sprookje met vijftien opgeknoopten en een rijke erfgename. Mijn Iepers dagboek is met de nodige allure aangevangen. Precies wat ik kon gebruiken om in het jaar 1500 binnen te treden, waar ik onmiddellijk in een nieuw fictie-verhaal terecht kom. De wereld van de mirakels opent zich nog een keer voor ondergetekende. Een religieuze, een nonnetje van het begijnhof heeft een wonderbaarlijk antwoord gekregen van haar kruisbeeld. Alles begon met een geweldige bekoring om op Vastenavond vlees te eten, iets wat volledig in strijd is met de statuten van de begijnen in deze stad.

Goesting in vlees? Het zal je maar overkomen op een moment dat het niet mag. Mijn non haast zich naar de kerk om er te bidden. Smeken tot God om toch maar van haar bekoring af te raken en van haar kwelling verlost te worden. En zie nu toch; ze wordt toch wel niet aangesproken door de crucifix! ‘Ga recht naar de grote jonkvrouw en verklaar openlijk de begeerte van uw hart. Habetur in Vita Sancta Begga’. Vrij vertaald: er zit leven in de Heilige Begga en met deze wetenschap heb ik op zich eigenlijk geen problemen, hoewel deze Begga al dood is van in het jaar 693.

Anno 1490 is er in heel Vlaanderen door een schromelijke pest ontstaan die in Ieper alleen al zorgt voor de dood van duizend inwoners. De pestaanval duurt maar liefst 18 maanden en tijdens deze periode sterven hele huisgezinnen letterlijk uit, de straten vallen zonder hun bewoners zodat het gras er groeit als op een weide. Pas wanneer de pest uitgeraasd is, kan men beginnen met het zuiveren van de straten en het doorzoeken van de huizen.

Een verschrikkelijk en luguber werk. In nogal wat woningen worden tal van lijken gevonden, vaak in verregaande staat van ontbinding. De stank is er niet te doen, de wormen lopen in en uit de rottende kadavers. In de Sterrestraat ontdekken ze een dood koppel waarbij de vrouw nog altijd haar klein kindje tegen de borst praamt. Ze zijn samen geveld door de pest. Het is niet de enige verschrikking. In de keuken komen ze oog in oog te staan met een slang van wel vier meter lang met de dikte van een menselijke bil. De musketten zijn nodig om het beest te doden. Met sabels wordt het reptiel achteraf in mootjes gehakt. Waar de reuzenslang vandaan komt, is me een raadsel, misschien wel uit de ‘corruptie van de dode lichamen’ suggereren de kroniekschrijvers, iets wat me vrij onrealistisch lijkt.

In de Klierstraat wordt het lijk van een jonge dame aangetroffen waarvan de buik omgebouwd werd tot een nest vol jonge ratten waarbij twee volwassen exemplaren het vlees van de buik tot op het been hebben doorgeknaagd. In een andere woning in de Antwerpstraat wordt het lichaam gevonden van een devote weduwe. Ze zit nog altijd geknield met een paternoster in de hand en eigenaardig genoeg geeft haar kadaver niet de minste stank af. Haar man en haar drie kinderen waren zeven maanden eerder al overleden aan de pest.

De opkuisploeg blijft maar details spuien. In een ander huis op de Houtmarkt worden de lichamen van twee dode kinderen gevonden. Op bed. Samen met het lichaam van een in vrouw verklede Engelse edelman. In zijn kleding vinden ze twee brieven waaruit blijkt dat de man een of andere misdaad gepleegd heeft in eigen land en feitelijk op de vlucht was in Vlaanderen. Bij het verbranden van zijn kleding blijkt de dode man trouwens nog twee gouden kettingen en een diamanten ring van grote waarde bij zich te hebben.

In een ander huis in de Zuidstraat, nu is dat de Rijselstraat, treffen de onderzoekers het lijk aan van nog een andere weduwe. De vrouw wordt aangetroffen op bed met overgesneden keel. Vermoedelijk het werk van valse reeuwers want in haar woning wordt geen spoor van geld of waardevolle zaken gevonden; alles is er gestolen. In de achterkeuken hangt het lijk van haar dienstmeid met samengebonden handen en benen opgehangen aan de balken van de zoldering.

In de Montstraat waar een echtpaar overleden is aan de pest, wordt hun dochter met de borsten afgesneden teruggevonden in de waterput. Weer het werk van die reeuwers. Ze hebben het meisje van het leven beroofd omwille van de erfenis die het echtpaar enkele tijd geleden te beurt gevallen was. Het was blijkbaar een publiek geheim dat de overledenen drie jaar geleden een som van 14.000 gulden gedeeld hadden.

Ook in de Lange Meersstraat zijn de vondsten weerzinwekkend. Een dood echtpaar, overleden aan de pest met in hun gezelschap het lijk van een kindje van een jaar of twee, gestorven van de honger en op de zolder als toemaatje nog het dode lichaam van een oude man van 103 jaar die halfnaakt uit het zolderraam hangt. De zoektocht door de verlaten huizen resulteert alles te samen in de vondst van 260 dode lichamen. De pest heeft inderdaad lelijk huis gehouden.

Dat er zich nog zoveel lijken in de huizen bevonden, heeft alles te maken met de wetenschap dat er op het einde van de epidemie bijna niemand meer beschikbaar was om de doden af te voeren en buiten de stad te begraven. Na de berging van de overblijvende kadavers worden ze allemaal ter aarde besteld buiten de Boezingepoort en worden de getroffen huizen helemaal ontsmet en gezuiverd. In de hele stad zijn er geen 20 kinderen meer overgebleven.

En toch heeft men er alles aan gedaan om de verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Van zodra met er gewaar van werd, spijkerden de ordediensten een witte plank aan de voordeuren van de besmette huizen als signaal dat die niet meer betreden mochten worden. Elke dag opnieuw reed de lijkwagen door de stad, met zijn ellendig klinkende bel die aangaf dat de mensen hun dode familieleden mochten meegeven met de kar. Enfin, ik schrijf het met nogal wat schroom en mededogen terwijl de schrijvers van de Ieperse kronieken het nogal scrupuleus en gevoelloos hebben over het smijten van de dode lijken op de karre.

De met een laken toegedekte wagen rijdt zo met zijn volle lading tot buiten de stadsmuren en kiepert al die dode lichamen in grote putten die langs de vaart gegraven werden. Ieper moet een spookstad zijn in 1490 en 1491. De straten zijn er leeg en verlaten, niemand waagt zich nog buiten zijn woning, tenzij in gevallen van uiterste nood. In de zomer moeten de mensen ketels water op de straat sproeien om voor wat koelte te zorgen. Ieper is dood, er is niemand aan het werk. De vrees voor het einde is zowat het enig overgebleven sentiment, naast uiteraard de obligate rouw voor de overleden familieleden.

Er wordt geen aandacht besteed aan de manier waarop de stad zijn wonden likt na de rampzalige periode van rond 1490. De orde van de dag komt weer aan de oppervlakte van het leven. Zoals dat de traditie is hier in deze stad, komt er elk jaar een nieuw gemeentebestuur. Op 8 februari 1500 krijgen Joris De Vos, Andries De Waele, Pieter Quaetjonck en Francis van der Croone met nog negen anderen hun postje in het schepencollege. Nog voor het einde van de korte maand wordt de geboorte gevierd van de kleine prins Charles, door ons nu beter bekend als keizer Karel. De aankondiging vermeldt het met sierlijke letters: ‘op den laste van february wierd in de stad zeer solemnelijk gevierd over de geboorte van de prince Charles uit de aartshertog Philips van Bourgondië en Johanna van Aragon, zijn huisvrouw die hem binnen de stad van Gent vier dagen tevoren had gebaard.’

De Raad van Vlaanderen te Gent moet zich in september 1500 uitspreken over een rechtsgeding tussen de schepenen van Ieper en het bestuur van de kasselrij van Ieper. Wie dacht dat beide colleges altijd poeslief met elkaar omgaan, is er aan voor zijn moeite. Ieperling Jan Braem werd door de schepenen van de kasselrij bij verstek veroordeeld omdat hij een moord zou hebben gepleegd in Zillebeke. De man werd voor vijftig jaar uit Vlaanderen verbannen, maar houdt zich nu schuil in de binnenstad waar hij zich enkel wil verantwoorden voor zijn natuurlijke rechters; de schepenen van Ieper. Die protesteren tegen de uitspraak van de kasselrij. Hun proces staat haaks op de stedelijke privileges en dat wordt in september ook bevestigd door de hoogste rechtbank in Gent. De kosten van het geding en een boete van 60 pond verdwijnen in de zakken van de prins. Jan Braem krijgt een schadebedrag toegewezen en kan zich nu laten beoordelen door de rechtbank van Ieper-stad. Of hij effectief gestraft wordt, kom ik niet te weten.

De abdij van de Zonnebeekse Nonnenbossen komt even op de voorgrond. Het valt me op dat het komen en gaan van de abdissen hier aandachtig en met bijzonder veel respect gevolgd wordt. Zo wordt gemeld dat mevrouw Catherina Spanters, de achttiende abdis van het klooster, anno 1501 naar de eeuwigheid verhuist. De afwisseling van de wacht bij de abdissen en de raadsleden te Zonnebeke en in Ieper loopt als een rode draad door de oude kronieken. Ze interesseren me eerlijk gezegd geen fluit. Ik kan me niet inbeelden dat mijn lezers ook maar enige interesse kunnen hebben dat deze of gene Vanpimperzele van dan tot ginder hebben bestuurd. Ik kies er bewust voor om de hele reutemeteut zo veel als mogelijk te negeren. Ik prefereer onderwerpen die het onthouden waard zijn.

Zoals bijvoorbeeld de toestand in Brugge. Hier zitten ze al een hele tijd met de handen in het haar. De hoogdagen van deze stad aan de zee liggen duidelijk achter de rug. De toegang van de grote sluis van het Zwin is samen met andere wateren in de omgeving al geruime tijd aan het verzanden en hindert de scheepvaart in steeds grotere mate. De schepen op weg van en naar Brugge vinden er nog amper diepgang en lopen grote risico’s om nog voorbij Sluis te varen. Ik kan me wel een beeld vormen van de economische schade die Sluis, Brugge en bij uitbreiding heel Vlaanderen moeten lijden door dichtslibben van de toegang tot de Noordzee.

Graaf Filips komt tussenbeide met maatregelen. Er worden specialisten bijgeroepen en die stellen voor om twee dijken op te werpen. Die zouden er moeten komen tussen Sluis en de Sint-Katharinapolder bij Oostende. Tussen deze dijken zou een kanaal moeten worden gegraven die in de buurt van Koksijde in de Noordzee zou uitmonden. Op een plek die ‘Poots-cruce’ wordt genoemd. Het water van de zee zou via dit kanaal vrije toegang krijgen tot Sluis. Tezelfdertijd zal de toegang moeten uitgediept worden en voorziet men om de zeearm, het ‘Zwarte Gat’ ter hoogte van St-Marie Vere bij Cadzand af te sluiten.

Het ambitieus plan wordt, wellicht tot grote frustratie van de Bruggelingen, afgeschoten door de drie andere leden van de Raad; Gent, Ieper en het Brugse Vrije zelf. Wegens te duur en te weifelachtig of de oplossing wel zal werken. Filips de Schone legt het advies van zijn raad naast zich neer en beslist dat de infrastructuurwerken op drie punten moeten worden uitgevoerd. De dijken moeten opgeworpen worden, het Zwarte Gat moet gedicht worden tegen een zo goedkoop mogelijke kost en pas als deze werken afgerond zijn, kan er gegraven worden tussen de Sint-Katharinapolder en Poots-Cruce. De graaf engageert zich om deze werken pas uit te voeren na grondig overleg met de Raad van Vlaanderen. Er wordt trouwens een commissie geïnstalleerd die de werken zal sturen en begeleiden.

Filips vernieuwt in oktober van 1501 de bestaande privileges van de Ieperse lakenindustrie. Het verbod om lakens te vervaardigen in de ruime buitenomgeving van de stad blijft gelden. Dat is zeer tegen de zin van de wevers van onder andere Nieuwkerke, Dranouter, Kemmel en Wulvergem. Ze mogen enkel lakens van een mindere kwaliteit produceren en riskeren ferme boetes als ze zich begeven op de hogekwaliteitsmarkt van de Ieperlingen. Dat geldt ook voor de personen die onterecht loodjes zouden aanbrengen. Blijkbaar is er al op grote schaal sprake van overtredingen want de inwoners van deze gemeenten krijgen drie maanden tijd om hun bestaande stocks te verkopen en na die periode definitief te stoppen met het imiteren van de Ieperse merkproducten. Het wordt voortaan verboden om nog de Ieperse labels, een leeuw of een Mariafiguur, op hun lakens aan te brengen en de eigen producten als van oudsher weer te voorzien van een ‘N’-teken.

De verlenging zorgt voor grote commotie in Nieuwkerke. De wevers gaan er in beroep tegen de beslissing van de graaf en eisen dat ze hun lakens verder mogen produceren zonder bemoeienis van die van Ieper. Filips belooft de zaak te onderzoeken, verlengt de voorgestelde deadlines en geeft zichzelf drie maanden extra tijd om op de zaak terug te komen. Het lijkt me in elk geval duidelijk dat de historisch gegroeide lakenprivéleges van de Ieperlingen wel eens op losse schroeven zouden kunnen worden gezet. In februari 1502 krijgen die van Nieuwkerke een boete omdat ze zich niet hebben gestoord aan de bestaande wetgeving.

Een maand eerder kregen de bestuurders van de kasselrij en de stad de toelating om een nieuw ambtsgebouw op te trekken aan de noordzijde van de Grote Markt. Het ‘Scepenhuus van der Casselrije of het Saelhuus’ komt er in plaats van herberg ‘De Wulf’ en is eigenlijk de voorloper van het huidig stadhuis. De negen schepenen zullen er een jaar later elk een individueel bureel krijgen naast een gezamenlijke vergaderzaal.

Anno 1502 wordt er in de avondlijke lucht boven de streek van Ieper een klomp vuur waargenomen die best kan vergeleken worden met een bierton. Het bijgeloof van die dagen speelt weer eens zijn hoofdrol. Het lijkt er wel op dat er vier gewapende mannen door de lucht rijden. Pas later zal men de staartster gaan beschouwen als een voorteken van de plaag en van het ‘schromelijk hels vuur van de ketterij’ die de kop zal opsteken in Vlaanderen.

Tijdens de zomer van 1502 breken er rellen uit in Nieuwkerke waar ze koppig weigeren om zich te schikken naar de Ieperse privileges. Filips draait de duimschroeven verder dicht. Wie betrapt wordt met illegale lakens zal voor zes jaar verbannen worden en riskeert een boete van een gouden mark per overtreding. Geen enkele inwoner mag trouwens aanwezig zijn op de markten van Antwerpen en Bergen-op-Zoom.

De heren van de kasselrij van Ieper, zeg maar de heersers over de buitengebieden rond de stad, kopen een eigendom in het centrum die ze voortaan zullen gebruiken als hun hoofdkwartier. Baljuw Pieter van den Bouverie en Colaert van Halewyn, de heer van Boezinge trekken de kar. Joos Vander Poorten en André Vander Woestyne, de heren van Moorslede en Beselare sluiten zich bij hen aan. Net zoals trouwens Colaert Van Langhemersch en Joris van Provyn, de schepen en de ontvanger van de kasselrij. Ze verklaren aan de Raad van Vlaanderen dat ze een huis gekocht hebben aan de noordzijde van de markt. De woning staat bekend als ‘De Wolf’. Hier zullen ze hun vergaderingen houden. Ze bevestigen dat ze niet de minste intenties hebben om zich enigszins te willen onttrekken aan de jurisdictie van de lokale schepenen en dat de aankoop gerust mag beschouwd worden alsof het een transactie is van een privé persoon.

Anno 1504, in de maand van mei arriveert een Spaanse vloot aan de kust van Blankenberge. Met aan boord het ‘mokske’ van grote baas Filips de Schone. Enfin in die tijd wordt de vlam van Fluppe nog beschouwd als ‘mevrouw Johanna van Aragon, de huisvrouw van onze graaf Philippus die naar Spanje gereisd was om haar hand te vragen en om haar intrede te doen in de Nederlanden als prinses van Spanje.’ De laatste zin intrigeert me eigenlijk wel, ‘waardoor binnen Ieper het garnizoen van de Spanjaarden zeer vermeerderde.’ Er moeten dus in die tijd al vreemde snuiters gevestigd zijn in Vlaanderen, zelfs voor de komst van zijne hoogheid Johanna de Waanzinnige, iets wat de lokale kronieken al prijsgegeven hadden in 1483. Met de komst van de prinses zal de toevoer van nog meer exotische zuiderlingen niet meer te stoppen zijn.

Op 23 augustus 1504 worden de Nederlanden geteisterd door een aardbeving met sterkte 5 op de schaal van Richter. Dat de oude Ieperse handschriften het beven van de aarde vastpinnen op de avond van Sint Bartholomeus, bewijst op zijn minst hun waarheidsgehalte. Het fenomeen wordt op veel andere plaatsen gesignaleerd. De beving waarvan het episch centrum zich bevindt in Aix-la-Provence, veroorzaakt niet alleen grote schade in Ieper. Steden zoals Antwerpen, Aken, Dortmund, Luik ondervinden de grillen van moeder aarde eveneens in levende lijve. ‘Niet alleen de aarde beefde, maar ook de muren en de daken van de woningen bewogen als een schip op de hoge zee.’

De Raad van Vlaanderen moet op de 5de november 1504 tussenkomen in een geschil tussen Nieuwpoort en Ieper. Eigenlijk is het gemakkelijke zaak. In 1436 bevond de haven van Nieuwpoort zich in een belabberde toestand. Het lokaal bestuur had niet eens de middelen om hier iets aan te doen en vroeg hulp aan die van Ieper die zich bereid vonden financieel bij te springen zodat de havenmuren en -kades gerestaureerd konden worden. Als tegenprestatie beloofden de schepenen aan zee dat de Ieperse burgers en handelaars geen taksen zouden moeten betalen voor het gebruik van de Nieuwpoortse infrastructuur. Haaks op deze afspraak wordt in 1504 een Ieperse handelaar nu plots wel belast en als die weigert om zijn taksen te betalen, wordt de man zelfs in de gevangenis gegooid en speelt hij zijn handelswaar kwijt. In Gent wordt deze beslissing volledig vernietigd.

Er zit er hier in Ieper nog eentje die denkt haar eeuwig leven af te kopen van God de vader. Misschien kijkt ze nu wel over mijn schouder mee? Burggravin Louise de Laye, een adellijke weduwe, kijk maar naar de kleine ‘d’ in haar naam, verricht een schenking aan de kerk van Sint-Maarten in ruil voor een grote jaarmis op de datum van haar toekomstig overlijden of op de vooravond hiervan. Ze regelt alles. Geld, offerande, kaarsen, kandelaars, priesters, het brood voor de armen en de jaarlijkse schenkingen aan de grijze en de zwarte zusters. Het klooster van Sint-Maarten krijgt hiervoor een eeuwigdurende rente van 15 pond die gegarandeerd wordt door de hypotheek op enkele woningen in de stad.

Fijn dat de huizen bij hun naam worden genoemd. Ik snuif met volle teugen de eau de toilette van de jaren 1500 op. Het ‘burggravenhuus’ in de Zuidstraat, ‘De Beurs’ en het aanpalend gebouw dat blijkbaar ook dienst doet als stadsgevangenis en tenslotte ook ‘huize ’t Walleken’ aan de achterzijde van de slagerij. Louise overlijdt korte tijd daarna op 8 mei 1507 en wordt begraven in de Sint-Maartenskerk onder het noordelijk koorgestoelte, waar in de jaren 1800 haar mausoleum nog altijd zal opvallen.

Omdat Vlaanderen in die tijd feitelijk eigendom is van Frankrijk, hebben de heerlijkheid van Nieuwkerke en stad Ieper processen lopen bij het Parijse parlement waar ze beiden hopen het recht aan hun zijde te krijgen. In de meimaand van 1506 ontvangen beide steden een dringend schrijven van Lodewijk, de koning van Frankrijk, die op verzoek van Filips de Schone vraagt om alle lopende geschillen rond de textielkwestie te annuleren. Dit kan zonder extra kosten en het is blijkbaar de enige mogelijkheid om ooit tot een akkoord te komen. Er worden nu scheidsrechters aangesteld om de zaak te beslechten. Alle gewelddadige acties, door de Ieperlingen ondernomen sinds het jaar 1427, worden onder de mat geveegd. De procureur-generaal krijgt het verbod om nog verder de chefs van de Ieperse lakennijverheid aan te klagen.

Wat later krijgt Ieper het volledig gelijk achter zich. Ik vraag me af wat de eigenlijke reden is voor deze opmerkelijke goodwill. Het is opnieuw de koning van Frankrijk die het laken naar zich toetrekt. Een algemeen pardon voor Ieper en het octrooi van 1427 blijft verder lopen. Nieuwkerke en konsoorten moeten inbinden. In juni 1506 sluiten de schepenen van Ieper en Wervik een deal. Enkele Ieperlingen woonden in Wervik en werden er belast alsof ze Wervikanen zouden geweest zijn. ‘Mag niet’, claimen ze in Ieper, alleen in Ieper kunnen we belastingen heffen op onze eigen onderdanen. Het Wervikse schepencollege kan moeilijk anders dan toe te geven.

De patroon – Filips de Schone voor alle duidelijkheid – heeft het niet lang getrokken. Op 2 september 1506 wordt er een plechtige eredienst gehouden ter nagedachtenis van wijlen de aartshertog Filips van Bourgondië als graaf van Vlaanderen die vorig jaar in Spanje overleden is. De Ieperlingen hebben het uitgebreid over de effecten ervan bij de respectieve koninklijke families. Maar het wordt pas interessant op 8 mei 1507 wanneer de aankomst gemeld wordt van mevrouwe ‘Marye van Bourgoine’, de dochter van keizer Maximiliaan en de zuster van haar dode broer Filips. De nieuwe landvoogdes kennen wij in onze geschiedenisboeken als ‘Maria van Oostenrijk’ en is uiteraard het kind van de betreurde Maria van Bourgondië die op jonge leeftijd verongelukte tijdens een jachtpartij in Wijnendale.

Het parlement van Parijs spreekt zich in 1508 uit over een geschil tussen de inwoners van het Westkwartier en de geestelijkheid van Morinië. Het volk versus de clerus van Terwaan. De mensen komen in het verzet tegen de grote sommen die de priesters eisen voor hun diensten. Voor het inzegenen van huwelijken, de uitvoering van sacramenten, de doopsels en begrafenisdiensten worden woekerprijzen gevraagd. Op een bepaald moment loopt de spreekwoordelijke druppel over en weigeren de mensen nog verder te betalen. De pastoors van Morinië stappen op hun beurt naar de rechtbank van Mechelen.

In Mechelen beslissen ze om vaste tarieven op te leggen. Begrafenissen van erg rijke burgers kosten voortaan twintig pond per lijk en voor de gewone welgestelden zestien. De modale burgers raken ervan af met tien pond en de armen kunnen begraven worden voor vier pond. Voor de rest van de sacramenten wordt een gelijkaardige logica gevolgd. Deze uitspraak staat ze hier niet aan in de Westhoek en de mensen gaan in beroep, dit keer dus bij de rechtbank van Parijs, die op zijn beurt de tarieven als onwettig beschouwt en volledig de zijde kiest van de geestelijkheid. De Westhoekers moeten betalen zoals de priesters dat vragen en als ze dat niet doen, krijgen ze er nog een boete van 100 gouden marken bovenop. De kosten de processen in Mechelen en Parijs vallen eveneens op hun nek. Een mooier bewijs om aan te tonen wie de scepter zwaait in Vlaanderen, zal ik niet zo vlug vinden.

Dikkebus valt in de prijzen. En hoe? De oude keizer Maximiliaan van Oostenrijk en zijn kleinzoontje Karel, de prins van Spanje, richten een schrijven tot die van Dikkebus waarbij ze de inwoners uitdrukkelijk de toestemming geven om een officiële schuttersclub op te richten onder de naam van wie anders dan Sint-Sebastiaan. Wat een eer! De vraag is er gekomen van Jehan Woulters de raadgever van de rekenkamer van Rijsel. De broederschap zal bestaan uit zestig leden, allemaal vreedzame mannen die bekend zijn om hun goede naam. Ze zullen elk jaar een van hun leden verkiezen tot hun bestuurder.

De schutters krijgen hun eigen uitrusting en hun eigen kleuren en krijgen de toelating om elk jaar een schieting te organiseren om de pijlen te richten op de ‘oyselet’. De jaarlijkse papegaaidag waarbij de schutters van de Gilde kunnen schieten naar een nagemaakte papegaai die bovenaan een mast opgehangen staat. Ik vang flarden van beelden op van mijn vader in zijn jonge jaren die vrij bedreven was in het afschieten van de oppergaai aan de staande wip ergens rond het jaar 1960. De Sebastiaansvrienden van Dikkebus zullen we voortaan in vol ornaat zien op de vrije markten van Vlaanderen. Het geschenk van hogerhand is er echter een van bedrieglijke aard. Elk van de schutters engageert zich persoonlijk om op te trekken met de legers van de keizer indien hij daar om zal verzoeken. Hij zal de Dikkebussenaars hier een redelijke som voor betalen.

Op 13 augustus 1512 vindt er een merkwaardige transactie plaats. Renaud van Brederode, de heer van Ledegem verkoopt de historische heerlijkheid van Rolleghem te Ieper aan een zekere André de Waele. De heren van Rolleghem hebben in de jonge jaren van het boomende Ieper een erg grote rol gespeeld waarbij onder andere Zonnebeke zijn ontstaan aan te danken heeft. De verkoopt gebeurt met goedkeuring van de familie Pompepers en de heer van de Klytte van wie de heerlijkheid van Rolleghem afhangt.

Grote werken aan de lakenhalle in het jaar 1513. In de buurt van de hallesteger worden verschillende grote stenen beelden – naar verluidt in Engelse steen – geplaatst naast de raamopeningen. Afbeeldingen van keizers en keizerinnen, koningen en koninginnen, graven en gravinnen van Vlaanderen versieren voortaan het imposant gebouw. Tussen de twee deuren bovenaan de grote hallentoren komt er een paviljoen met het beeld van moeder Maria. Ze wordt geflankeerd door Maximiliaan van Oostenrijk en zijn vrouw Maria van Bourgondië, ‘de welke omtrent Brugge rijdende op de jacht en willende haar paard doen springen en van boven neergevallen van haar paard, met haar borst op een stronk, zo dat ze geheel van binnen gebarsten was en wat die kwetsuur gestorven is.’

Van de overige beelden krijg ik toch wat meer details losgepeuterd. Filips de Schone, de 33ste graaf van Vlaanderen en Johanna van Aragon, Karel de Stoute en zijn madame Margaretha van York, Filips de Goede, graaf nummer dertig, met zijn vrouw Isabella van Portugal. Zijn voorganger Jan zonder Vrees, Filips de Stoute vullen de rest van de beelden aan, samen uiteraard met hun respectieve wederhelften.

De middelen voor de kostbare beelden zouden misschien beter van pas kunnen gekomen zijn met een crisis die latent aanwezig is in de stad. Veel heeft te maken met de oorlog die er al sinds 1481 heerst tussen de koning van Spanje en Holland. Ik begrijp nu waarom er in die jaren al Spanjaarden rondliepen in Ieper. De inkomsten van de mensen zijn daardoor laag en de levensmiddelen slechts mondjesmaat beschikbaar en natuurlijk zo duur als wat. Een schaap kost wel 20 stuivers, en een koe 70 stuivers. Voor een stoop bier tellen de mensen al vlug een hele stuiver neer, terwijl het daginkomen van een werkmens amper vijf stuivers bedraagt.

Een pintje zal wel een kostprijs hebben van 25 euro als ik dat vergelijk met de tijd van nu. De toplonen in die periode gaan trouwens naar de lieden die deel uitmaken van de raad van Vlaanderen, die bedragen zowat 30 stuivers, zes keer meer dan de gelukkige stakkers die er in slagen om betaald te raken voor hun werk. In Ieper zelf wordt er op 10 maart 1514 onderzoek uitgevoerd naar het aantal actieve wevers die ook wonen in de stad. Uit het cijfer van vierduizend arbeiders kan ik me een beeld vormen van het totaal aantal inwoners dat vermoedelijk niet hoger zal liggen dan 20.000 à 25.000 eenheden.

‘Stakkers’. Ik heb het juiste woord gebruikt, vooral omdat er in 1513 weer sprake is van het oprukken van de pest. De zwarte zusters worden opgetrommeld om een handje te helpen. Maar daar hebben ze blijkbaar niet veel zin in. Hun overste, Catherine Dieryck wordt door de schepenen op het matje geroepen. Waarom hebben ze geweigerd om de zieken te verzorgen? De zwarte oppernon verwijst naar de paus en zijn aflaten en dat die enkel kunnen verdiend worden met het verzorgen van zieke en bejaarde mensen ter plekke in hun instelling en dat ze nergens verplicht werden om ook uit te rukken in de stad zelf. Of ze een standje krijgt, is me niet meteen duidelijk, ze belooft in elk geval er in de toekomst voor te zorgen dat de zwarte zusters zich voortaan zullen engageren om de pestgevallen op verplaatsing te gaan verzorgen.

Zeer uitzonderlijk blijven de wethouders van 1513 ook verder werken in 1514. Dit heeft rechtstreeks te maken met de troonsopvolging. Karel die hier in Ieper als ‘Charles’ omschreven staat, heeft nog niet de volle leeftijd van veertien bereikt als hij op 8 februari 1514 ingezworen wordt als 35ste graaf van Vlaanderen. Op 24 maart wordt hier in Ieper de vrede gepubliceerd die afgesloten werd in Parijs tussen Karel en Lodewijk, de koning van Frankrijk.

In 1515 is er sprake van een nieuw schooltje; ‘ter oefening van alle vrouwelijke werken’. De school van de arme meisjes. Joanna van Moeren, de weduwe van François vander Woestijne is de initiatiefneemster van dienst. Er is plaats voor twaalf jonge dochters. Joanna budgetteert de kosten op 216 gulden per jaar. In die prijs zit trouwens een bruin kleed voor elk van de meisjes. Zelfs de kostprijs van de stof raakt bekend: zeven stuivers per el, zeg maar tien eurocent per lopende meter. De lessen zullen gegeven worden in een schone woning in de Cramminkstraat, die ook wel het Armenstraatje of de Taartestraat genoemd wordt. De school zal bestuurd worden door twee voogden en één ontvanger.

De problemen met de pest blijven ook in 1515 zorgwekkend. De zwarte zusters zijn de toestand zo beu als koude pap. De schepenen van Ieper sturen het verzoek van hun nieuwe overste Catherine de Rycke door naar Terwaan. De Rycke wordt bijgestaan door zuster Marie Van Hollebeke en priester Egide Volkerave van het klooster van Sint-Maarten. De nonnen zouden graag een extra woning ter beschikking krijgen waar de verpleegzusters na hun rondgang bij de zieken zich in quarantaine kunnen begeven. Nu komen de arme meisjes met al hun kwade bacillen terug in het klooster zelf en steken ze de hele boel aan met hun ziektes en de pest. Blijkbaar is hun verzoek niet nieuw, want de zusters vertikken het voortaan om verder nog hun verpleegkundige diensten aan te bieden als niet aan hun verzoek wordt voldaan.

De staking van de zwarte zusters valt niet in goede aarde bij Karel V. Vanuit Brussel laat hij op 4 september 1516 weten dat ze verplicht worden om de zieken in de stad te blijven verzorgen en dat de lokale politiediensten hen hiertoe zullen dwingen. ‘Een regelrechte schande’, Karel is er blijkbaar pisnijdig om. Als de zusters nog langer het been stijf houden, zullen ze met zijn allen uit de stad weggejaagd worden en vervangen worden door nonnen die wel bereid zijn om hun taak uit te voeren. De frustratie bij de jonge koning blijkt voort te vloeien uit de kwaadheid van de man in de straat en de wetenschap dat de Ieperse magistraten de grootste moeite van de wereld ondervinden om het volk rustig te houden. De schepenen hebben Karel als het ware moeten smeken om hardhandig in te grijpen bij de stakende nonnen.

Over het jaar 1516 is er voor de rest weinig bekend. Driehonderdvijfenzestig dagen en nachten vol leven en lijden resulteren in amper twee nieuwsfeiten die in de kronieken verzeilen. Eerst en vooral is er het onweer van 22 juni. Donder en bliksem dat het sinds mensenheugenis niet meer meegemaakt was. Het onweer zorgt voor tal van dodelijke slachtoffers en ook her en der voor brand op het platteland en in de stad.

Wethouders Gillis Dieryx, Christiaen Thybaut en de poortbaljuw van Ieper hangen op 16 november 1516 een plakkaat op in de stad. Het nieuws van de vrede van Noyon. Een aantal hoge pieten van het Frans parlement met onder hen de bisschop van Parijs hebben blijkbaar vrede gesloten met Guillaume de Croy, de heer van Chièvres, de eerste minister van de Nederlanden die dat uiteraard doet in naam van Karel van Spanje.

De reden van de vrede ligt blijkbaar bij een afgesproken huwelijk met de Franse koning François. Ieper blijft nogal vaag over de afspraak, de archieven van de graven van Vlaanderen brengen in elk geval meer duidelijkheid over de transactie. Lees maar zelf: ‘oktober 29. Karel, koning van Spanje, legt in Sint-Goedelekerk te Brussel de eed af dat hij, ingevolge het verdrag van Noyon, gesloten met Frans I, koning van Frankrijk, zich zal verloven met dezes dochter Louisa op haar 7de jaar en haar zal huwen op haar 11 1/2 jaar.’ Ik geef nog even aan dat onze Charel dus belooft van te trouwen met de dochter van de koning van Frankrijk. Een belofte die hij trouwens nooit zal houden, onze kersverse koning van Spanje. Weten ze trouwens veel in Ieper. Het goede nieuws wordt voorzien van het nodige klank- en lichtspel of zoals ze het neergepend hebben ‘de vieringe is des avonds gevolgd door vurige vreugdevuren’.

Dat het bestuur van Ieper en de schrijvers van de jaarboeken diep katholiek zijn, kan ik uitmaken uit de vernietigende manier waarmee ze het fenomeen van Maarten Luther beschrijven. Ik laat alles netjes integraal voor zich spreken, wie niet beter weet, zal de prediker meteen naar de hel wensen!

‘Anno 1517 zaaide Martinus Luther het onkruid op de akker van de heer Johannes Medecis Florentius alsdan paus Leo de tiende genoemd. Hij was geassocieerd met Alricus Swinglius en meer andere goddeloze maar geleerde mannen. Zij noemden zich gereformeerden of hervormers. Luther was geboren te Isleben in Saxenland, werd religieus in het klooster van de paters Augustijnen te Erfort en werd in ’t jaar 1512 doctor in de godheid. De wetenschap blies hem op en maakte hem hovaardig en hij begon de Roomse kerk met een geweldige haat aan te vallen. De aflaten dienden hem om met meerdere vrijheid zijn gramschap op de kerk te rechtvaardigen. Hij heeft zijn kap verworpen en een huisvrouw aangenomen. Deze misleider veroorzaakte veel bloedstorting die men in de historie terug vindt. Vlaanderen heeft het afgezien met vreze en flauwe reden kavelinge. Men moet de universiteit van Leuven toeschrijven dat Vlaanderen daar van zulke doling bevrijd is geworden.’

De opstandigheid tegen de katholieke kerk verspreidt zich als een lopend vuur vanuit Duitsland naar Vlaanderen. Nog voor het einde van 1517 krijgen de Ieperse gezagsdragers er ook al mee te maken. Op 30 december laten de wethouders François Thorin en Joris de Bruyne en de poortbaljuw officieel weten dat het strikt verboden wordt om te zweren, te vloeken, te blasfemeren en de naam van God te loochenen. Verfoeilijke en gruwelijke uitspraken tegen het geloof zullen de wonden van de heilige maagd Maria alleen maar terug doen openrijten en haar wonden en pijn in verband met de kruisiging van haar zoontje alleen maar verversen.

Er worden al onmiddellijk boetes op gezet. Wie betrapt wordt op vloeken en zweren en lachen met de kerk zal een boete betalen die in lijn ligt met zijn of haar inkomen. Bij een tweede overtreding zal de dader vastgeknoopt worden aan een pelorijn op het schavot en zal zijn of haar tong doorstoken worden, de geldende tarief voor het uitspreken van een valse eed. Wie daarna nog hardleers is en nogmaals betrapt wordt, zal het helemaal vlaggen hebben: hij of zij zal op al de hoeken van de straten der stad gegeseld worden en daarna uit het land verbannen worden. En wie deze verbanning aan zijn laars lapt, zal zijn leven beëindigen aan de galg.

In 1519 zijn ze in Zonnebeke alweer aan een nieuwe abdis toe. Aan het Hooghe wordt nummer twintig Maria Secx vervangen door Margarieta Provins. De schrijvers merken op dat het vrij goedkoop leven is voor het moment. Tja. Alles is relatief. Hopelijk zijn de lonen van 1514 al wat kunnen stijgen, want met vijf stuivers inkomen per dag loop je niet ver. Ik bekijk even de zogezegd goedkope prijzen: een halve kilo boter kost één stuiver. Een gelezen misviering kost 2 stuivers en een gezongen mis al direct 6 stuivers. Met wat geluk het daginkomen van een handlanger. Die mag trouwens al twee dagen werken om zich een hesp uit het oosten te kunnen aanschaffen.

Ik schets toch even een meer secuur beeld van het leven in de zestiende eeuw. Pas rond 1600 zullen er 14 stuivers verdiend worden voor een lange dag van 12 à 13 uur hard werken. Honger wordt er voorlopig niet geleden. Roggebrood, kaas en haring, erwten en bonen kunnen redelijk eenvoudig aangeschaft worden. Met water afgelangd bier is er voor iedereen die het kan betalen. Zolang de mannen niet ziek worden, is er niets aan de hand. Geen job, om welke reden dan ook, stort de gezinnen in de armoede. In de winter is er vaak minder werk, de werkdagen zijn sowieso al korter en de inkomens beperkter. De mensen zijn al blij als ze 8 uur kunnen werken tijdens de korte dagen. Al bij al een deeltijdse job en dat terwijl het geld voor brandstof om de huisjes enigszins te verwarmen nu juist broodnodig is.

Elke dag opnieuw loert de tegenslag om het hoekje. De prijzen van het voedsel hangen in hoge mate af van het succes van de oogst op het land. Slechte zomers zorgen voor exuberant hoge prijzen voor tarwe en gerst, brood en bier. Wie niets kon sparen tijdens de redelijke jaren, is er direct de pineut van en moet proberen zich in leven te houden van de liefdadigheid. Mensen die ziek zijn of invalide of oud kijken angstvallig richting stadsbestuur en naar de kerken. Of naar welwillende rijke mensen. De nood naar brood, bonen, erwten, kledij en dekens is prangend. Een gezongen mis zal ongetwijfeld veel te hoog gegrepen zijn voor de modale inwoners van Ieper-stad, en dat in deze zogezegd goedkope tijden.

Geld is natuurlijk geen probleem voor de koning van Frankrijk. Dat lijkt toch zo als ik het nieuws erop nalees dat hij in de loop van 1519 de stad Doornik gekocht heeft van zijn collega uit Engeland. Zolang er maar geen oorlog is, hoor je de stedelingen echter niet klagen. Op 22 juli 1520 krijgen ze zelfs Karel de vijfde op bezoek. Hij is twee maanden geleden uit Spanje vertrokken en is nu onderweg naar Duitsland waar hij in oktober tot keizer van het Roomse rijk zal uitgeroepen worden.

De keizer in spe doet zo zijn ‘solemnele’ intrede in Ieper waar hij in alle ‘magnificentie’ ontvangen wordt. De vorst heeft trouwens een verwittiging met zich mee. Al de boeken van aartsketter Luther die er in Ieper gevonden worden, zullen als ketters materiaal publiekelijk verbrand worden. Joos Geloen en Jacob Moenijn hangen op 20 augustus, een kleine maand na de prinselijke doortocht, een uitzendbrief op met groot nieuws voor de burgers: Karels tante; Margaretha van Oostenrijk wordt aangesteld als de nieuwe regentes en gouvernante van de Nederlanden.

De officiële wereld mag zich dan wel met veel tamtam verzetten tegen de principes van Luther, toch blijft zijn kritiek op het profitariaat van de geestelijken ook hier hangen. De priesters van de diverse parochies en kloosters zijn er al die eeuwen lang in geslaagd om hun inkomsten belastingvrij te houden. Maar daar komt nu in 1520 een eind aan. Op 20 oktober verschijnt een edict dat de geestelijke en andere personen voortaan tienden zullen betalen op diverse ‘substanties groeiende uit de aarde zoals hooi, gras en hout’. Er wordt gekeken naar de weiden waar vette hoornbeesten en schapen grazen. Varkens en kalveren. De opbrengst van het land hoort er ook bij: rapen, kolen, noten, peren, noem maar op.

De wet komt vanuit de entourage rond Karel en gaat zelfs nog een stuk verder. Het waren de geestelijken zelf die tot nog toe belastingen opeisten bij het gewoon volk. Om te vermijden dat ze de nieuwe tienden gewoon zouden doorrekenen aan het land, mag de geestelijkheid geen extra belastingen heffen boven diegene die ze al sinds veertig jaar aan de gelovigen opeisen.

In januari 1521 verschijnt er al direct een nieuwe wet, mee ondertekend door de schepenen De Mey en Van den Driessche. Alle processen van Vlaanderen en Artesië die uitgaan van het parlement van Parijs en van andere Franse rechtbanken, moeten ingetrokken worden en verder gezet worden bij de Raad van Vlaanderen te Mechelen. Wie dat niet doet, zal als rebel veroordeeld worden. Het mag duidelijk zijn dat de spanningen tussen Frankrijk en de Nederlanden aan het oplopen zijn.

De aanwezigheid van Karel de vijfde in de Nederlanden laat zich nog meer opmerken. Op 8 mei 1521 wordt er opnieuw een plakkaat van ’s keizerswege opgehangen. Dit keer op verzoek van de paus en ondertekend door de Ieperse schepenen Gillis Dieryx en Andries Cosyn waarbij de lering van Maarten Luther en zijn volgers als kwaad en goddeloos veroordeeld wordt. Alle pamfletten en boeken afkomstig van Luther dienen direct verbrand te worden.

Op 28 juni 1521 wordt de oorlog afgekondigd tegen François, de koning van Frankrijk en het nieuws zorgt voor grote beroering bij de inwoners van Ieper. De tijden worden onrustig. Tijdens de zomermaanden volgen er onderhandelingen in Calais en in Brugge, maar onze Karel blijkt gebeten op een revanche tegen Frankrijk. Vanuit Antwerpen sijpelt het nieuws binnen dat de paters Augustijnen uit de stad verdreven werden omdat die zich bezondigd hebben aan de ketterij van Maarten Luther. De opdracht komt van landvoogdes Margaretha. Twee monniken en de prior vliegen in Brussel en in Weldop op de brandstapel en worden er levend verbrand.

De jonge keizer beseft ook wel dat de taxatie op het Ieper van vandaag onredelijk is en accepteert een verlaging van de belastingen. Het stadsbesturing krijgt eveneens te toelating om enkele eigendommen aan de hoogstbiedende te verkopen. Twee woningen aan de zuidkant van de markt, enkele gronden en weilanden aan de Boezingsepoort en een bos in de parochie van Hollebeke. De opbrengsten van de verkoop dienen gebruikt te worden om de Ieperlee uit te diepen, de sluis van Nieuwendamme te herstellen en om de nodige reparaties uit te voeren aan de poorten, torens, muren en versterkingen van de Ieperse stadsmuren.

Op 25 augustus 1521 komt kroniekschrijver Thomas de Raeve af met een mooie historie. De feiten hebben te maken met een zekere Victoria Stuart die op die dag haar terugreis aanvat naar haar thuisland Schotland. Een meisje met blauw bloed, duidelijk van koninklijke afkomst pretendeert hij en wie ben ik om hem tegen te spreken. Thomas is er vol van en het lijkt me dan ook aangewezen om zijn tekst zo volledig mogelijk over te nemen, hier en daar enkel wat aangepast aan onze spelling en taal.

‘Anno 1521 is binnen Ieper, met alle tekenen van vreugde en blijdschap, de 25ste augustus uit haar huis gehaald geweest en gevoerd naar Schotland de edele Victoria Stuart van koninklijke afstamming. Deze dochter werd uit Schotland, nog maar 12 jaar oud zijnde, van haar ouders samen met twee meisjes van dezelfde leeftijd naar het kloosters van de Roesbrugse nonnen gestuurd om in Roesbrugge zelf de Franse en de Vlaamse taal te leren. Victoria werd er na een tijdje gedwongen om non te worden in dezelfde abdij, iets wat ze absoluut niet zag zitten. Overtuigd dat haar ouders zich bij het aandringen van de zusters zouden aansluiten, besloot ze om weg te lopen uit het klooster.’

‘Ze is op zekere avond heimelijk en met slechte kleren uit het klooster weggelopen en ’s anderendaags naar Ieper gekomen. Niet goed wetende wat ze nu moest aanvangen, presenteerde het meisje zich ten huize van de heer Julianus waar ze als dienstmeid werd aangenomen. Maar als ze twee jaar eerlijk gediend had, is naar haar te vrijen gekomen een schipper die vaak in Engeland en Schotland geweest was en die haar taal kende. Aan deze schipper vertelde Victoria dat ze in Schotland geboren was uit treffelijke ouders, hem wel verzwijgend dat ze weggelopen was uit het klooster van Roesbrugge.’

Ik neem even over. Mijn schippertje wil alleen maar een slippertje, maakt zijn model zwanger en laat haar dan stikken. Een verhaal van alle tijden. Grappig trouwens hoe Thomas de Raeve rond de ‘fucking story’ heen sluipt en pas achteraf afkomt met het nieuws van haar zwangerschap. ‘Haar minnaar heeft haar met beloften bedrogen zoals het doorgaans geschiedt als een jongeman zijn lusten gedaan heeft en dan zijn beminde verlaat. Zo heeft deze schipper haar ook verlaten en is hij naar een ander meisje te vrijen gegaan. Maar vooraleer Victoria Stuart ten einde van haar dracht was, werd deze zaak bij haar meester ontdekt welke de schipper bij zich ontbood.’

‘Omdat hij op trouwen stond met een ander, is hij genoodzaakt geweest om Victoria uit te kopen voor 100 gulden, haar geheel in het nieuw te stoppen en als het kind ter wereld zou komen, zou hij al de kosten op zich moeten nemen totdat de kleine 12 jaar zou worden. Kort daarna is ene kleermakersknecht bij Victoria te vrijen gekomen aan wie zij haar ongeval en de uitkoop van de schipper heeft opgebiecht. Deze, in alles tevreden zijnde, is met haar getrouwd en zes weken daarna beviel Victoria van een dochtertje.’

Het waargebeurd verhaal gaat verder zijn gang. ‘Dan is er binnen Ieper gekomen een koopman uit Schotland die overal in de stad op zoek ging of er nergens een meisje woonde met de naam van Victoria Stuart, geboortig van Schotland. De schipper was in de herberg genaamd ‘De Zwane’ in de Boterstraat als die koopman daar zijn hoofd binnenstak op zoek naar de vrouw. De schipper die de Schotse taal kende, antwoordde direct: “ik kenne zij, ze is getrouwd met een kleermakersknecht die luistert naar de naam van Martinus Liefooghe”. Deze koopman, dat gehoord hebbende, is er naartoe gegaan en vroeg haar of ze Victoria Stuart van Schotland was.

Ik heb opdracht om u te zoeken”, vertelt de koopman, “want ge zijt een kind van grote edeldom. Uw vader en moeder zijn gestorven, ik verzoek u om met me mee te gaan naar Schotland.” “Ik ben getrouwd” reageert de vrouw. “Ik vertrek niet zonder mijn man”. Zelf ziet hij de reis niet zitten, maar als Victoria het wil, kan ze haar eigendommen zelf gaan inpikken. Maar Victoria antwoordde dat zij haar man niet wilde verlaten en dat het vruchteloos was om haar tot deze reis te bewilligen.

Ik schakel over op mijn eigen schrijfstijl. De bombastische schrijfstijl van Thomas de Raeve hangt eerlijk gezegd mijn voeten uit. Geef me toch maar mijn directe taal. Hier en daar opgesmukt met fleurige flarden uit het verleden. Vicky blijft liever in Ieper en de koopman druipt af naar zijn herberg. ‘Het is verloren arbeid’, vertelt hij tussen pot en pint aan de schipper. Het frustreert hen mateloos dat al dat schoon geld daar ligt te wachten aan de andere kant van de zee. Bij zijn thuiskomst vertelt mijn bootsman het relaas van de weigering van Victoria.

‘Wat laat die stomme trut hier toch schieten?’, reageert madame de schipper. ‘Al dat schoon geld. Moest ik me nu eens voordoen als Victoria?’ ‘Laat ons naar Schotland gaan, iedereen zegt nu toch al dat ik zo goed gelijk op je gewezen maîtresse. Mijn postuur en mijn taal zijn als twee druppels water gelijk aan die Schotse geit. Ik zal me verkleden zoals zij nu zelf gekleed gaat en doen alsof ik zelf Victoria ben. En jij vergezelt me als mijn zogezegde schoonbroer, de broer van mijn man.’

‘Wel gepeinsd’, zegt de schipper, we moeten profiteren van de nachtelijke duisternis en er voor zorgen dat de koopman niet doorheeft dat jij niet de ware Victoria bent. Iets wat blijkbaar ook slaagt, want nog diezelfde nacht hobbelt een rijtuig de Boterpoort buiten op weg naar Duinkerke. Van daar vertrekt een schip naar Edinburgh, de hoofdstad van Schotland. Haar tachtigjarige oma is maar wat blij om haar kleindochter terug te zien. Ze is als kind naar Vlaanderen vertrokken en als een volwassen vrouw teruggekeerd. Ook haar vriendenkring reageert enthousiast, hoewel de maatjes het bizar vinden dat ze geen woord Schots meer kent. ‘Nochtans herkenden ze haar voor Victoria. Men deed haar aanstonds nieuwe kledij maken als een edele prinses en de schipper werd ook treffelijk gekleed. Ze deelde een machtige som geld en land en leidde de geveinsde Victoria van het ene hof naar het andere.’

Terwijl de valse Vicky door Schotland toert, controleer ik zelf eens het waarheidsgehalte van de Ieperse kroniek. In 1509 geboren moet Victoria Stuart een kind zijn van koning James IV van Schotland. Zijn pagina op Wikipedia zwijgt in alle talen over een kind met de naam van Victoria. Hij en zijn vrouw Margaret Tudor kregen vanaf 1503 vijf kinderen van wie er slechts één zijn jeugd overleefde. James overlijdt in 1513, zijn vrouw pas in 1541, dus daar wringt het verhaal al zeker. Ook in de aanzienlijke lijst van bastaardkinderen ontdek ik niet direct een aanknopingspunt om mijn sappig verhaal te legitimeren.

Mythe, overlevering, geschiedenis. De lijn is soms dunnetjes. Wat ben ik toch een gelukkig man dat ik hier in mijn eigen kronieken voluit en vrijuit mijn gang kan gaan en kan flaneren, hier op het grensland van de fantasiewereld. De rook die Thomas de Raeve in zijn jaarboeken zo uitbundig zijn gang laat gaan, moet ergens vandaan komen en dat op zich is een intrigerende gedachte. Ik verplaats mijn gedachten goedgeluimd naar het Schotland van de jaren 1500 en de gevaarlijke avonturen van mijn Ieperse intrigante. Misschien toch nog even volgende bedenking.

De geschiedenisboeken vermelden een vrijage tussen Schotland en Frankrijk en hebben het uitgebreid over een langdurige aanwezigheid van de Schotse graaf Albany op Franse bodem, een man die op zoek gaat naar een Schots-Franse alliantie tegen Engeland. Het is hoe dan ook vreemd dat er in datzelfde jaar plots aandacht besteed wordt aan een land dat doorgaans in alle talen verzwegen werd.

Spijtig trouwens dat haar naam nergens vermeld wordt. De vrouw van de schipper begint het stilaan in haar hoofd te steken dat ze nu wel echt de koningin van Schotland is. En ondertussen ‘werd zij aldaar bezichtigd van Schotse jonkers de welke bij haar de vrijen mieken.’ Eén van die jonkheden is er een van adel. Ze kennen zelfs zijn naam in Ieper. Carolus Batler. Listige Victoria treedt onbeschaamd in het huwelijk met deze Charles.

Ondertussen hoort een andere koopman in Ieper van de weigering van de echte Victoria en die laat niet na naar Schotland terug te keren met de melding dat er hier een geval met valse voorwendsels rondloopt. De man wordt aanvankelijk niet echt geloofd maar houdt voet bij stuk. Toch rijst er enige twijfel als ‘deze geveinsde zich hier en daar in sommige zaken misklapt’ en enkele van haar vrienden beslissen om toch eens naar Ieper te gaan om kennis te maken met de vrouw in kwestie.

Details genoeg. Het dochtertje van de Ieperse Victoria sterft aan de pokken terwijl ze de Schotten over de vloer krijgt met het indianenverhaal uit Edinburgh. Juist. Zij is hier de echte en als ze niet stante pede haar erfgoed gaat opeisen, mag ze die voor de rest van haar leven op haar buik schrijven. Echtgenoot Martinus Liefooghe vindt eveneens dat zijn vrouw zich niet mag laten doen en zo vertrekt Victoria Stuart naar haar thuisland. De Schotten bieden Liefooghe een beurs goudgeld aan in afwachting van het herstel van haar erfgoed.

Ieper mag dan wel een stad genoemd zijn, maar als puntje bij paaltje komt eigenlijk ook maar een grote parochie waar iedereen alles over iedereen weet of dat toch pretendeert. ‘Als de mare in de stad Ieper rondliep dat Victoria Stuart van zo een grote familie was, ja zelfs van koningsbloed uit Schotland en dat er twee edellieden waren om haar hier op te halen, dan heeft de heer Julianus, alsdan kapitein van de burgerlijke wijk, al de burgers aangezocht om zich te voegen bij al de koninklijke gilden om haar op 25 augustus met groot vertoon van vreugde uit de stad te begeleiden.’

‘Het was ongelooflijk te zien welke toeloop het vertrek van Victoria teweegbracht, allemaal om deze prinses te zien vertrekken. Men deed voor de deur komen een schoon rijtuig waar Victoria Stuart in gegaan is met haar man en die twee edellieden. Dan zijn ze stillekens de Boterstraat uitgereden tussen twee rijen musketten in, die er stonden van haar deur tot buiten de Boterpoort. Dan hebben de inwoners de goede reis toegewenst aan Victoria en zo is zij vertrokken.’ Het Iepers plaatje is duidelijk geschilderd met het fijnste penseel.

Zo teergevoelig gaat het er helemaal niet aan toe in Edinburgh. Terwijl er getoast wordt op de terugkeer van de echte prinses, wordt de valse vastgegrepen en met handen en voeten in de boeien geslagen. ‘Daar stond de bedriegster met beschaamde kaken en met bevend hart. Men leidde haar naar de kerker waar haar man de schipper al gevangen zat. Nadat ze acht dagen gekerkerd was, werden ze beiden veroordeeld. De schipper werd opgehangen en zij moest als sententie van bedriegster door Edinburgh vastgebonden op een kar rondgevoerd waar ze op de hoeken van alle straten met vijf roeden gegeseld werd en achteraf voorgoed uit Schotland verbannen werd.’

De echte prinses stuurt een brief naar haar echtgenoot die achtergebleven is in Ieper. Uiteraard is er het nieuws van de schipper en zijn troela. Er zit ook een pakje bij. Ik laat het aan Thomas de Raeve over om de inhoud ervan te verklappen: ‘Ze zond aan haar man een present van een zilveren crucifix, met een gouden ring voorzien van een kostbare diamant en daarbij een wisselbrief van 2200 gulden. Zij liet hem weten dat zo lang God hem in leven ging laten, hij elk jaar dergelijke som zou ontvangen.’

‘Ze maakte hem kenbaar dat zij een heel schip wijn gekocht had en dat het onderweg was naar Ieper. Ze gelastte dat hij zou trakteren aan de koninklijke gilden, de burgerlijke wijk en aan de Spaanse soldaten die tijdens haar vertrek met hun geschut gesalueerd hadden. Elke gilde, wijk en soldaat wachtte 2 à 3 stukken wijn volgens het getal van volk, 4 stukken wijn aan de heer Julianus waar ze zo lang als kindermeid had gewoond en ook haar disgenoten die op haar bruiloft waren geweest werden bedacht met elk een fles wijn.’

Het laatste wat ik van de hele historie verneem, is het feit dat Martinus Liefooghe een half jaar na datum overlijdt. God had er blijkbaar niet veel zin in om hem nog langer in leven te laten. Wanneer Victoria op de hoogte wordt gesteld van zijn overlijden, vindt ze er niet beter op dan te trouwen met die zelfde baron Sjarel die voordien al met de valse trut was getrouwd. ‘Men zegt voor waarheid dat deze laatste na haar verbanning trouwens op zee verdronken was.’

Na deze Schotse historie gaan de kronieken weer over op de orde van de dag. Die dag is de achtste mei van het jaar 1522. Er wordt een plakkaat gepubliceerd in opdracht van de keizer en van de paus die zich als duo presenteren in hun oorlog tegen het vals geloof. De leer van Maarten Luther en zijn aanhangers wordt als kwaad en goddeloos bestempeld, alle boeken die er hieromtrent in de omloop zijn dienen verbrand te worden. Het Bourgondische leger van keizer Karel slaagt er in november 1522 in om de stad Doornik te heroveren op Frankrijk. Het beleg heeft veertien dagen geduurd. Dat deze stad weer in Nederlandse handen valt, is uiteraard een opsteker voor onze graaf Karel.

Op geestelijk vlak dansen de Ieperlingen, zeg maar de bevolking van de Westhoek, al veel eeuwen naar de pijpen van de clerus van bisschopsstad Terwaan die vanuit Frankrijk de geestelijke plak zwaait. De spanningen tussen Karel enerzijds en de paus en Frankrijk anderzijds zullen niet vreemd zijn aan een beslissing van de keizer om het geestelijk hof van Terwaan te verhuizen naar Ieper-stad die trouwens vragende partij is hiervoor. De keizerlijke opdracht vertrekt in Brussel op 8 april 1522. Blijkbaar logeren die geestelijken al een tijd in Sint-Winoksbergen. Nu dienen de officiële, vicarissen, promotoren, procureurs, officieren en suppoosten zich officieel te komen vestigen in Ieper zelf.

Ze zullen voortaan van hieruit hun functies moeten uitoefenen. De zwarte geestelijkheid krijgt de formele belofte dat ze op geen enkel gebied zal moeten inleveren. Al hun vrijheden en voordelen van in Terwaan blijven behouden. Karel is formeel: het geestelijk hof verhuist expliciet naar Ieper. Hij neemt deze beslissing om de leegloop in deze Westhoekstad tegen te gaan in een tijd waarbij de industrie in verval geraakt is en er sprake is van een massaal vertrek van de wevers. De komst van de priesters biedt een oplossing voor de toenemende leegstand die van Ieper een soort van spookstad aan het maken is.

De oorlog met Frankrijk vertaalt zich spijtig genoeg in sterk stijgende prijzen voor de landbouwproducten. Het koren wordt nu toch wel erg duur: twee kronen voor het koren en 36 stuivers voor de rogge. Mogelijk kan een slechte oogst ook aan de basis liggen van de hoge prijzen. Veel goed zal de nachtvorst van eind juni niet met zich hebben meegebracht. De oude schrijvers vinden het in elk geval de moeite om de vriesnacht aan te halen: ‘Op de 24 juni was het zo ontijdig weder dat men in deze kwartieren de wateren van de vesten bevroren vond.’

De situatie met Frankrijk blijft ook in 1523 tegenwringen. Op 3 oktober publiceren de schepenen Hannenon en van de Walle en schout François Ruteneus een verbod dat geen enkele geestelijke nog mag gaan prediken op Franse bodem. De verwittiging komt natuurlijk van gouvernante Margaretha in opdracht van haar neef Karel. Wie dat toch doet, zal streng gestraft worden. Op 28 november laat de overheid weten dat de Vlamingen vrijgesteld zijn van alle mogelijk tolheffingen die de stad Doornik blijkbaar wil doorvoeren.

De hele periode tussen 1523 en 1529 blijft onaangeroerd door de Ieperse kroniekschrijvers. Met uitzondering van de aankoop van een os om op te vreten door de gilde van Sinte-Barbara en de prijzen voor het vlees ervan. Voor de rest blijft de geschiedenis zwijgen. Ik word er een beetje ongemakkelijk van. Een oud archiefstuk van Tielt vertelt over de jaren 1524-1525 en heeft het over de gevolgen van keizer Karels oorlogen tegen Frankrijk.

‘Sedert de verheffing van Karel tot het keizerrijk, had de koning van Frankrijk, François I, gedurig een voorwendsel gezocht om hem de oorlog te verklaren. De gewenste gelegenheid bood zich welhaast aan. De Fransen trokken in Spanje, maar werden gedwongen op hun stappen terug te keren. Gelukkiger in het zuiden van Frankrijk, verjoegen zij de keizerlijken naar Italië, en sloegen zich voor Pavia neder. De hardnekkige weerstand van die stad bereidde hun ondergang. Een aanzienlijk leger, onder het bevel van de konstabel van Bourbon en de ridder van Lannoy, werd verzameld, en kwam de 24ste februari 1525 de belegeraars slag leveren. Het gevecht was hevig; François I werd gevangen genomen en zijn leger gans uiteen gedreven. De blijde tijding van die schitterende zegepraal was niet zodra vernomen, of de Raad van Vlaanderen beval dadelijk openbare vermakelijkheden. Te Tielt vierde men de feesten op de 19de maart 1525.’

Voor wat betreft Ieper kan ik gelukkig terugvallen op de vroegere archivaris Isidore Lucien Antoine Diegerick die in 1860 een oplijsting maakt van alle wetten en verordeningen uit die dagen. Op 23 januari 1524 worden de schepenen Thierry Moenaert, Laurin de Rueel, André Terninck, Jean Mays als zaakgelastigden aangesteld voor wat betreft alle juridische aspecten in en om de stad. De 15de september arriveert de officiële goedkeuring dat Lo opnieuw zijn vrije markt mag organiseren tussen 7 en 10 oktober 1524. Een aantal gasten zijn er niet welkom: de vijanden van de prins, de verbannenen en de vluchtelingen.

Op 19 september 1524 sluiten de schepenen van Brugge en die van Ieper een akkoord rond de openingstijden van de Kattegatsluis op de Ieperlee. Deze regelt de belangrijke verbinding tussen de Langeleed, het kanaal tussen Duinkerke en Nieuwpoort met de Ieperlee. De waterverbinding tussen Brugge, Ieper en Nieuwpoort is een cruciaal element voor elk van de drie Vlaamse steden. De schepenen van Brugge en Ieper spreken af om een proefperiode in te bouwen. De sluis zal elke dag van de week geopend worden om 9 uur en om 15 uur als er op dat moment schepen liggen te wachten.

Waar de schepenen zich trouwens allemaal mee bezig houden in die dagen. Op 17 september reiken ze een diploma van vroedvrouw uit aan Catharine van Lokeren, de echtgenote van Jan Baelde. Haar erkenning komt er op voordracht van meester Pasquier Wils, dokter, die officieel verklaart dat Catharine voldoende opgeleid is en de nodige expertise in huis heeft om haar functie uit te oefenen.

In januari 1525 gooien de Ieperse schepenen het op een akkoord met de leiding van de Terwaanse geestelijken die nu vanuit Ieper de scepter zwaaien over de Westhoek. De kerkelijken van Terwaan genieten al eeuwen van een vrijstelling van taksen op hun wijn die ze aankopen in Ieper, maar blijkbaar zijn er daar enkele slimmeriken die de wijn goedkoop aankopen en zelf verpatsen aan tavernes die dan op hun beurt zorgen voor oneerlijke concurrentie. Voortaan kunnen ze de wijn enkel nog taksvrij kopen als ze die in flessen kopen en wanneer die bestemd is voor eigen gebruik. Wie betrapt wordt op distributie van deze wijnen zal zijn vrijstelling voor drie maanden verliezen. Bij herhaling zal dat verbod trouwens voor eeuwig zijn.

Keizer Karel laat tijdens diezelfde maand te Mechelen een wet publiceren die verband houdt met de overlijdens in Vlaanderen. De inwoners moeten voortaan de sterfgevallen in hun families melden aan hun respectieve stadsbesturen die voortaan ook zullen instaan voor de afhandeling van de erfenissen. Iedere persoon die zich als erfgenaam aanbiedt, zal dit dienen te doen in de stad waar de successie geopend werd.

Het lijkt wel komkommertijd als de oude geschriften het hebben over regelingen van sluizen en erfenissen. Wat gebeurt er dan zoal in tijden van vrede? De mensen gaan onder elkaar wel de nodige ruzie maken. Als er geen miserie is, dan zorgen de mensen er wel zelf voor dat die er komt. Conflicten zijn eigen aan het mensdom. In mei 1525 krijg ik weer eens zo een geschil op mijn bord gedeponeerd.

De Raad van Vlaanderen moet tussenkomen in een geschil tussen de Ieperse schepenen en het klooster van Eversam. De abdij komt op voor de ‘Westbrouckers’ van de waterrijke gebieden die zich uitstrekken tussen de overgang van de Ijzer bij de sluis van Knokke en de stad Diksmuide. Ieper trekt aan het kortste eind. De schepenen mogen niet zomaar de sluizen van Nieuwendamme openen en het zeewater vrijuit in de vaart jagen. Als ze het kanaal richting de overdracht naar Ieper bevaarbaar willen houden, dienen ze de waterloop uit te diepen in plaats van telkens naar het wapen van het zeewater te grijpen. Ik kan me inderdaad wel inbeelden dat systematische overstromingen een horrorscenario betekenen voor de West- en de Oostbroekers.

Keizer Karel is ondertussen vijfentwintig. De oorlogsperikelen in Italië en Frankrijk blijven op zijn agenda staan. Manschappen en leger kosten geld. De factuur ervan laat niet op zich wachten. Karel heeft 480.000 pond nodig. De Staten van Vlaanderen verklaren zich akkoord om de keizer te steunen in zijn oorlogen om de grenzen van het land te beschermen. De inwoners van Ieper krijgen in mei 1525 hun aandeel te horen; 11.600 Vlaamse ponden. Het geld zal moeten overgemaakt worden aan ontvanger van dienst Charles Claissone.

De schepenen van de stede van Torhout laten in juni 1525 weten dat de Ieperlingen van de keizer een vrijgeleide gekregen hebben om de dertigste van juni naar hun vrijmarkt te komen en ook naar de beestenmarkt de volgende dag. Ze zijn trouwens ook welkom op de driedaagse markt van juli waar lakens en andere producten aan de man zullen worden gebracht. Wat later komt trouwens een identieke toelating vanuit Rijsel maar dan voor hun markt die aanvangt op 29 augustus.

Olivier Bendin, de proost van het kapittel van Sint-Maarten gooit het in juli 1526 op een akkoord met het stadsbestuur van Ieper betreffende het gebruik van een deel van het kerkhof voor de Sint-Maartenskerk. De concessie handelt over het stuk grond dat grenst aan de Ieperlee. Ik denk spontaan aan de plaats waar zich anno 2016 het borstbeeld van Alphonse Vandenpeereboom bevindt. Er hangen wel voorwaarden aan vast: het terrein mag nooit gebruikt worden als een publieke doorgang, er mag in geen geval een vismarkt gehouden worden en er mogen zeker geen huizen of winkels gebouwd worden. De jurisdictie over de plek wordt trouwens voor de eeuwigheid afgestaan aan de schepenen. Moest hun begraafplaats in latere tijden te klein worden om er nog meer parochianen te begraven, dan zou het stadsbestuur er wel moeten voor zorgen dat ze de priesters een nieuw stuk grond ter beschikking stellen. Grond die dan wel eigendom zou moeten worden van Sint-Maarten.

Van een vrije markt is er absoluut geen sprake in het jaar 1526. Dat kan ik in elk geval uitmaken uit een privilege die door de keizer zelf toegekend wordt in verband met het schenken van bier in de ruime omgeving van Ieper. In de herbergen in en om de stad mag er enkel bier geschonken worden die gebrouwen werd in Ieper zelf. Bieren van de vreemde landen, die van over zee en over het land worden expliciet verboden. Het gaat over een verlenging van een bestaande wet. Karel wil natuurlijk een deel van de koek voor zich: vijftig ponden, jaarlijks te betalen aan de ontvanger van Vlaanderen. Van een witte kassa is er gelukkig nog geen sprake.

In datzelfde 1526 is er trouwens ook sprake van een nieuw akkoord tussen Ieper en het spiritueel hof van Terwaan die hier de geestelijke scepter zwaait. ‘In Spiritus Sancti’ heeft in dit geval veel te zien met de spirituele dranken die de geestelijken voor een prijsje kunnen aankopen. Weer al eens vrijgesteld van taks, zolang ze zelf geen handel beginnen te drijven in wijn en konsoorten. De drank is er alleen voor hen en hun familie. De vrijstelling blijft strikt beperkt tot maximum acht vaten per jaar.

De staten van Vlaanderen staan de keizer in de week voor Pasen 1527 een bedrag van 200.000 ponden toe om zijn leger operationeel te houden. De wettekst uit Mechelen geeft een inkijk in de toestand van die dagen. De sommen dienen besteed te worden aan het onderhoud van de 2.300 manschappen voetvolk die ter beschikking gesteld worden in een aantal Vlaamse locaties. Onder meer die in Ariën-aan-de-Leie, St.-Omer, Duinkerke, Grevelingen, Broekburg, Sluis, Biervliet, Nieuwpoort, Oostende en Blankenberge. De middelen zijn eveneens bestemd voor de ruitersdivisies van de graaf van Gavere en voor de schepen die instaan voor de veiligheid op zee. De werken aan de versterkingen, de aankoop van artilleriegeschut, poeders en ander materiaal die nodig is om de grenssteden van Vlaanderen te bewapenen. Al de budgetten staan onder strikte controle van vier afgevaardigden van de raad van Vlaanderen en zullen in twee keer dienen vereffend te worden aan de ontvanger-generaal. De wet is trouwens mee ondertekend door gouvernante Margaretha van Oostenrijk.

Op 25 oktober haalt Luther nog eens de actualiteit. Gouvernante Margaretha laat via de Ieperse raadsheren François van Dixmude, Jan Le Secq en de poortbaljuw weten dat de lering van Maarten Luther en zijn kompanen en al hun geschriften strikt verboden worden en dat er zware straffen staan op wie er zijn laars aan lapt. De tuchtiging van de overtreders oogt ronduit weerzinwekkend. De mannen zullen onderworpen worden aan het zwaard en de vrouw zullen levend gedolven worden, hun hoofden stellende tot ‘exempel van andere met confiscatie van hunne goederen.’

De wetteksten volgen elkaar in snel tempo op. In 1530 is er sprake van de goedkeuring van de verdragen van Madrid en Cambrai waarbij de hoge clerus van Sint-Winoksbergen, Ter Duinen, en van de Sint-Pietersabdij er uitdrukkelijk vermeld wordt. Samen met de heren van Ysenghein, des Fossez en Rassenghien. De rest van de steden en de kasselrijen die ressorteren onder deze hoge paraplu, geven er ook hun goedkeuring aan. Veel zullen ze niet in de pap te brokken hebben gehad.

Anno 1530 sijpelt er weer lokaal nieuws door. Op de 28ste mei wordt de eerste steen gelegd van het vleeshuis. De bouw wordt gefinancierd door de stad en het is de burgemeester zelf die het truweel hanteert bij de eerstesteenlegging. De bovenverdieping zal later kunnen dienst doen voor de vergaderingen van de schermers van de gilde van Sint-Michiel. De kelderverdieping zal kunnen gebruikt worden door de stedelijke koopmanschappen.

In 1533 doet de Ieperse kroniekschrijver plots zijn boekje open over de toestanden aan het Engels koninklijk hof. Ik vind het best grappig om eens een authentieke lokale Vlaamse insteek te krijgen in een historie die door een keure van internationale historici al uitvoerig werd uitgebeend. Het roddelachtig karakter van het verhaal moet zich als een lopend vuur in de Ieperse huiskamers verspreiden en er zorgen voor de nodige commentaren. Ik probeer van mijn kant eens lekker mee te roddelen en vouw me dubbel om een aanvaardbare tussenweg te vinden tussen mijn eigen taal en de oude stijl van de heimelijke teksten.

Anno 1533 dus. ‘De koning van Engeland, Hendrik de 8ste is getrouwd met de weduwe van zijn vrouw Arthur, genaamd Catharina, de dochter van Ferdinandus en Isabella, de koningin van Castilië. (Die Catharina is de zus van keizer Karels moeder Johanna.) Hendrik heeft er door toedoen van de duivel en door de wellust van zijn vlees niets beter op gevonden dan manieren te zoeken om te scheiden van zijn vrouw. Omdat hij geen andere redenen vond dan het feit dat ze eigenlijk de weduwe was van zijn broer, heeft hij aan sommige bisschoppen de bekommernis en de delicatesse van zijn gemoed te kennen gegeven en gevraagd of het wel behoorlijk was om de huisvrouw van zijn afgestorven broer ten huwelijk te nemen.’

‘Daar gebeurden vele onderzoeken op de voorgestelde scheiding. De koningin hield staande dat zij sommige misdrachten en zelfs een levende dochter (Mary Tudor) gekregen had met Hendrik en dat een scheiding voor de kerk geheel en al onmogelijk was. Een gevoelig onderwerp voor de paus dus. Paus Clemens de 7de heeft deze zaak doorgespeeld aan twee kardinalen terwijl koning Hendrik hetzelfde deed beraadslagen door diverse doctoren in de Godheid in Frankrijk, Italië en Duitsland. Maar die gaven hem meestal ongelijk. Deze ongedurige koning heeft ondanks hun mening en zijn ongelijk toch zijn huisvrouw verstoten en trouwde met Anna Boulena (Boleyn) waarmee hij al een tijd een relatie mee had.’

Het verhaal wordt smeuïger. ‘Anna Boleyn was de dochter van ridder Thomas Boleyn en lady Elizabeth Howard maar men was niet zeker of dat haar echte vader was. Deze ridder was als gezant actief in Frankrijk in de jaren dat ze ter wereld kwam. Men zegt dat koning Hendrik verliefd was op Elizabeth en Thomas als diplomaat naar Frankrijk stuurde om het leven genoeglijker te maken van diens vrouw, waarbij hij deze dochter bij haar won met wie hij daarna in het huwelijk trad.’ Hendrik de achtste zou dus de vader zijn van zijn toekomstige vrouw. Als dat geen roddels zijn!

‘Wanneer deze Thomas terugkwam in Engeland beschuldigde hij zijn vrouw van overspel en moest die verschijnen voor enkele rechters in opdracht van de bisschop van Canterbury. Elizabeth bracht de koning op de hoogte van de beschuldigingen en die liet via de markies van Orchester het proces staken. Thomas kon moeilijk anders dan de wil van zijn koning Hendrik te respecteren en bracht haar op alsof het zijn eigen dochter was geweest.’ Anna ontwikkelt zich op geen tijd tot een hitsig geval. ‘Zij was amper 13 jaar oud als ze haar eer kwijtspeelde aan een dienaar van sir Thomas. Daarna volbracht zij haar onkuisheid met de aalmoezenier van haar vader. Enige tijd daarna werd ze naar Frankrijk gezonden en kwam ze terecht aan het koninklijk hof waar ze op geen tijd berucht werd om haar onkuisheid.’

‘Men naamde haar de kakkeneye van Engeland’. Een klein vrouwelijk raspaard dat met zijn beide rechterbenen synchroon loopt, een hakkenei, het zal inderdaad wel iets te maken hebben met de opening van de benen. ‘Enkele tijd daarna werd ze naar Engeland teruggestuurd en werd opgemerkt dat de koning wel eens verliefd zou kunnen zijn geworden op de jonge Anna. Ze probeerde zich te gedragen als een eerlijke dochter die zijn nochtans niet was. Door dit vals gedrag verzotte de koning nog meer op haar en het maakte hem gelukkig met deze maagd te trouwen nadat hij zou gescheiden zijn van koningin Catharina, zijn wettige huisvrouw.’

Thomas Boleyn rept zich naar koning Hendrik om hem dit huwelijk met zijn dochter af te raden wegens schandelijk en schadelijk voor zijn reputatie. ‘Zwijg maar stil’, antwoordde de koning, ‘daar hebben al maar dan honderd te doen gehad met uw huisvrouw, wie weet aan wie zij toebehoort. Ze zal mijn huisvrouw zijn, keer terug naar Frankrijk, spreek er met niemand over of ik zal u laten doden.’ Zijn Engelse adviseurs waarschuwen voor de problemen die dergelijk onkuis leven hem zullen veroorzaken, maar meneer slaat natuurlijk de goede raad in de wind. Anna is nochtans geen beauty als ik de mannelijke commentaren over haar lees. ‘Ze was lang van persoon en van gezicht, had absoluut geen vriendelijke ogen. Ze was zwart van haar, geelachtig van kleur en lelijk van mond.’

Het negatief advies van Rome is helemaal niet naar de zin van Hendrik. Als dat zo zit dan mag de leer van Luther ook zijn rechten krijgen. ‘Door hem is geheel Engeland veranderd van religie. Hij heeft al de geestelijken uit zijn land en uit hun kloosters verjaagd. Hij heeft wel 647 conventen vernietigd en de eigendommen van 2347 kapelanieën geconfisqueerd. Bovendien is hij verbitterd geweest op de bisschoppen en de prelaten omdat zij zich niet konden vinden in zijn echtscheiding met koningin Catherina en hem niet wilden houden als hoofd van de Engelse kerk.’

‘Uit deze ongevallen zijn er veel vervolgingen voortgesproten tegen een massa geestelijke en wereldlijke mannen. De enen hebben het moeten bekopen met de dood, de anderen met de vlucht of met de verbanning uit hun vaderland met verlies van hun goederen. Velen kwamen naar Vlaanderen om er een schuilplaats te zoeken. Zo spoelden er veel Engelse uitwijkelingen aan in Ieper.’

Ik laat de Engelse vaudeville achter me en bevind me plots terug in het Ieper van 1534. De zomer maakt het jaar licht en luchtig. Op 13 juni wordt de ‘berg van charitate’ opgericht. Een liefdadigheidsinstelling die er komt in opdracht van het stadsbestuur en ook wel omschreven wordt als de ‘Beurs’. Een soort pand- of hypotheekorganisatie moet het zijn. Behoeftige mensen kunnen geld krijgen met hun huis in onderpand. Maximum 18 gulden die dan in schijven en zonder intrest kan terugbetaald worden. De berg wordt bestuurd door een team van vijf mannen waar de geestelijken van Sint-Maarten en het stadsbestuur zoals gewoonlijk de hoofdrol spelen.

In 1534 leeft er in de stad een befaamde kunstenaar. Cornelis Boerman. Hij is kousenmaker en kleermaker en hoeft niet eens de maat te nemen om te zien welke kleren zijn klanten nodig hebben. ‘Hij vrochte bij ’t gezichte zonder mate te nemen, hij sneed meer in een ure als een ander in een halve dag.’ ‘Hij kon houten mannekes maken en andere dingen die konden roeren en bewegen alsof ze leefden. Onder andere heeft hij gemaakt van hout een vrouwke dat spinde terwijl ze omkeek naar haar kind in de wieg die dan nog gewiegd werd door een ander kindje. Men zegt dat hij een houten mannetje gemaakt had die met een boekzak voor zijn wijf ter kerke ging.’

Er is nog veel meer van dan moois. Mijn artiest zit trouwens met een ambetante vrouw op zijn dak en knutselt noodgedwongen achter de schermen aan zijn speelgoed. De beschrijving van zijn bazige vrouw staat in de Ieperse handschriften lekker beeldig beschreven; ‘hij was zeer deerlijk gekweld met een zot kwaad wijf waar hij nochtans erg wijs mee leefde. Zij mocht niet zien dat hij met zulke dingen bezig was, daarom moest hij het allemaal doen in het heimelijk en buiten haar weten.’

De 14de november van 1534 maakt Maria van Hongarije een eind aan een dispuut die er gerezen was tussen de Ieperse wevers en hun collega-drapeerders bij de voorgestelde wijzigingen van het textielreglement. In die tijd nog de ‘keure’ genoemd. De regentes houdt voet bij stuk betreffende de aanstelling van twee meestergasten bij de wevers. De drapeerders worden ook verplicht om een soort waarborg van 18 denieren per laken te betalen, als garantstelling voor de kwaliteit van de geleverde draad, de loodjes en de rest.

Ondanks de druk op de ketel van Karel en zijn tante verspreidt het nieuw geloof van Luther zich ook binnen de stad Ieper. Het bloed kruipt waar het niet gaan mag. En dan nog in de kloosters van de stad zelf. De schepenen en de schout reageren op 23 maart 1535. Of de nieuwe burggraaf van Ieper er voor iets tussen zit, blijft koffiedik kijken. Philips d’Oignies werd er op 12 maart omwille van zijn vrouw inderdaad aangesteld tot de 29ste burggraaf. De opdracht komt in elk geval van de keizer zelf. Enkele geprofeste mannelijke en vrouwelijke geestelijken blijken weggelopen uit hun kloosters en zijn in hun wereldlijke habijten op zoek gegaan naar logies in de herbergen en de huizen van de stad. Het plakkaat is duidelijk: wie hen onderdak biedt zal een boete van 200 gulden mogen verwachten.

Er zal een nieuwe school worden opgericht. De beslissing valt ergens rond februari 1535. Dat komen de schepenen overeen met Jean Bane, de proost van Sint-Maartens die zoals gewoonlijk alles in de pap te brokken heeft. Er moet uitgekeken worden naar een capabele vent, een schoolmeester die de nieuwe instelling zal leiden. De schepenen zullen de aanwerving uitvoeren in samenwerking met de proost. De partijen komen overeen dat een eventueel ontslag van de schoolmeester er pas zal komen na een zware fout zijn zijnentwege en uiteraard pas nadat stad en kapittel het er over eens zijn.

De meester krijgt een woning in de parochie van Sint-Maarten, liefst zo dicht mogelijk bij de kerk zelf. Hij zal een loon van 80 ponden ontvangen en met dat bedrag zal hij onder andere zijn huur moeten betalen. De schoolmeester of zijn adjunct zal er persoonlijk voor zorgen dat de kinderen zich regelmatig naar de kerk begeven waar ze een plek krijgen in het koor en waar ze zanglessen zullen ondergaan. De ouders zullen 40 stuivers per kind moeten betalen. De proost zal er voor zorgen dat zes arme kinderen gratis lessen kunnen volgen.

De orde van de dag ademt nochtans oorlog uit. Maria van Hongarije beklemtoont nog een keer de noodzaak om in gezamenlijke slagorde de grenzen van Vlaanderen te bewaken. Samenwerken biedt alleen maar voordelen. De verschillende kasselrijen zien zich verplicht om 2000 manschappen en 1000 paarden ter beschikking te stellen voor de beveiliging van de buitengrenzen met Frankrijk.

Op 14 februari 1536 brengen de schepenen Jacob Coolen en Jacob Baelde slecht nieuws. Mobilisatie. Alle edelmannen of zij die er zich voor uitgeven en allen die bekwaam zijn om te vechten, moeten zich klaarmaken en bewapenen om binnen de 14 dagen in dienst te gaan van de keizerlijke troepen. ‘Ter bescherminge van deze landen tegen de koning van Frankrijk de welke grote gereedschap maakte om Vlaanderen binnen te vallen.’ Er gaat nog een heel voorjaar over voor het zover is. Op 1 juni wordt de vrees van de bevolking bewaarheid: de oorlog tussen de keizer en de koning van Frankrijk wordt gepubliceerd.

Ik bepotel met een zekere schroom de authentieke handgeschreven lijst van de 600 mannen die zich aanbieden en ingeschreven staan als ‘weerbaar’. Ze komen allemaal uit de kasselrij van Ieper. 30 mannen uit Moorslede, 14 uit Zonnebeke, 35 uit Rozebeke, 7 van Zandvoorde. 13 uit Voormezele en 7 uit Hollebeke. Uit Dikkebus en Zillebeke tel ik er 28 en 15. Ik vraag me af hoeveel er van deze 600 sukkelaars effectief zullen terugkeren van hun avontuur in Picardië.

Ieper moet minder betalen dan eerst voorzien. Dat meldt Maria in een officieel schrijven. Waarom ze dat doet, is me niet helemaal duidelijk. Misschien werd het aantal inwoners zoals zo vaak te hoog ingeschat en hebben de schepenen dat kunnen weerleggen met cijfers. De gouvernante laat in elk geval weten dat Ieper een stuk van zijn oorlogsbijdrage niet hoeft te betalen. In 1537 en 1538 volstaat een bijdrage van iedere keer 1200 pond, voor 1539 en 1540 zal dat 1500 pond worden.

Brugge, Ieper en het Brugse Vrije sluiten in naam van Vlaanderen een akkoord met Maria van Hongarije. Juli 1536. Het valt me geweldig op dat de naam van Gent nergens te bespeuren valt. Vreemd toch. De volgende vijf jaar zal er telkens in totaliteit 200.000 pond bijgedragen worden om de keizer te helpen in zijn oorlog tegen de hertogen van Holstein en van Gelderen, maar vooral om de Vlaamse grenzen met Frankrijk te beschermen tegen invallen vanuit het zuiden. In 1537 volgt er een verdubbeling van de oorlogsbelasting.

Jacques van Halewyn, heer van Boezinge en hoogbaljuw van Ieper en zijn kasselrij heeft het tijdelijke met het eeuwige geruild en wordt op 15 april 1537 vervangen door Walrand van Hollebeke, de heer van Woumen. De nieuwe hoogwaardigheidsbekleder zal genieten van alle rechten, vrijheden, profijten die er aan zijn functie vast hangen en legt zijn eed af in de handen van een of andere pipo aan het grafelijk hof te Rijsel. Ik loop er niet warm voor. Gelukkig komen de oude geschriften af met een pittig geschil over het vervalsen van Ieperse merkproducten.

Het begint met een ruzie tussen de schepenen en de Ieperse drapeerder Pieter Van Aelst. Die heeft enkele jaren geleden een rol lakens verkocht van het merk ‘Thune’ maar heeft nagelaten om deze te labelen zoals het hoort. Het laken is niet voorzien van de reglementaire loodjes. De koper was Pierre de Médalie, een Spanjaard en die eist dat de lakens achteraf alsnog van labels voorzien worden, maar hier in Ieper weigeren ze pertinent om dat te doen. De lakens zijn niet van de voorziene afmetingen en hier en daar treffen ze mankementen aan in de textiel. Tijdens hun onderzoek naar de bewuste lakens, komen de officiële keurders tot de vaststelling dat Pieter van Aelst grondig gefoefeld heeft met zijn handelswaar en de Spanjaard bij het zeventiende heeft gezet.

De drapeerder wordt opgepakt, opgesloten en voor ondervraging voorgeleid. En hij krijgt de voorziene boete. Van Aelst pikt het niet dat hij veroordeeld wordt en gaat in beroep bij de Raad van Vlaanderen. Hij krijgt gelijk en eist op zijn beurt om genoegdoening. Het voelt wonderlijk aan dat de Ieperse rechters, hier dus de schepenen, blijkbaar persoonlijke risico’s lopen met het uitoefenen van hun job. Ik zie het nog niet direct gebeuren met de vrederechters van vandaag dat die na een mogelijk verkeerde beoordeling plots zelf op het beklaagdenbankje terechtkomen.

Pieter Van Aelst moet behoorlijk in zijn wiek geschoten zijn met de Ieperse bestraffing. De schepenen zullen hiervoor de gevolgen dragen. Zijn eisen zijn vierledig; de schepenen moeten in hun hemd verschijnen voor de Raad van Vlaanderen om er zich publiekelijk te verontschuldigen tegenover hem en zijn familie. Hoe uitgebreid die ook mag zijn. Hetzelfde pardon in slippen dient te gebeuren tussen de mensen op de markt van Ieper. In de vensters van de schepenzaal moet een glasraam aangebracht worden waarbij zijn naam voor eeuwig gezuiverd wordt. Hij eist nog een financiële tegemoetkoming die mag afgestaan worden aan de armen van Ieper. De Raad van Vlaanderen gaat echter niet in op de eisen van de klager en geeft de schepenen over de hele lijn gelijk. De klacht van Aelst is onterecht en hij krijgt trouwens nog een extra boete vanwege zijn zotte eisen.

De gedeputeerden van Gent zijn er niet over te spreken dat Brugge, het Vrije en Ieper beslissingen nemen om keizer Karel financieel bij te springen terwijl zij het daar absoluut niet mee eens zijn. Dat blijkt alleszins uit een protestbrief van notaris Simon Van de Cappel in september 1539. Gent heeft de reputatie om dicht bij Frankrijk aan te leunen en kan zich niet vinden in het taxeren van hun inwoners. Een Gentse bijdrage in een oorlog tegen de Fransen ligt vermoedelijk erg gevoelig. Het laatste woord is er nog niet over gezegd, dat kan ik zo voorspellen.

De Raad van Vlaanderen intervenieert in een geschil tussen het stadsbestuur van Ieper en de ontvanger van Nieuwpoort welke in die tijd nog omschreven staat als een tollenaar. De inwoners van Ieper genieten op de Nieuwpoortse waterwegen vrijstelling van taksen, maar dat moeten ze persoonlijk komen opeisen telkens ze voorbij de tollenaar moeten. ‘Overdreven’, vinden ze in Ieper en ze spannen een rechtszaak aan tegen deze pezewever van een ambtenaar. De Raad geeft hen gelijk. Als de vervoerders een certificaat voorleggen dat ze materiaal vervoeren van Ieperse burgers, moet hij zich hiermee tevreden stellen.

Enkele brieven uit 1540 werpen een verhelderend beeld op de bedroevende situatie binnen de stadsmuren tijdens de oorlog tussen keizer Karel en de Fransen. De gewezen topgeestelijken van Terwaan slaan alarm. Achthonderd wevers produceren hun lakens voor de Franse markt en zien hun omzet op nul gebracht door de oorlog. In deze oorlogstoestand voelt het bestuur zich verplicht achthonderd gezinnen te voeden en te onderhouden. Duizenden monden voeden ze en dat allemaal op kosten van de stad. Tot overmaat van ramp is Ieper de vergaarbak geworden van zowat al de ongelukkigen van de Westhoek. Tussen deze stad en St.-Omer is het nergens veilig, de wevers van het platteland komen zich uit bittere noodzaak met hun gezinnen vestigen binnen de beschermende muren van mijn stad.

Ik begrijp meteen waarom Maria zich genoodzaakt voelde om de bijdragen van Ieper in de oorlog terug te schroeven. Dat de geestelijken uit Morinië aan de alarmbel hangen, heeft natuurlijk natuurlijk niets te zien met empathie of menslievendheid maar eenvoudigweg met hun ergernis dat de kerkelijke inkomsten in de zes parochiale kerken ter plaatse dramatisch gedaald zijn door deze omstandigheden. En ze zitten dan nog opgescheept met de onderhoudskosten van vier vrouwenkloosters waar de begijnen het moeten zien te redden met aalmoezen en giften.

In de junimaand van 1540 komt er een akkoord uit de bus met de West- en de Oostbroekers van de Acht Parochiën. Het gaat nog altijd over de instroom van zeewater in de kanalen op weg naar Ieper. Al de partijen zullen een sluismeester aanstellen die het waterpeil in de gaten zal houden en die het waterniveau op een bepaalde hoogte zal houden. De peilstok wordt aangebracht in Nieuwendamme. Het lozen van zeewater in het kanaal wordt verboden zolang het waterniveau niet onder het vooropgestelde niveau zakt. Als schepen moeilijkheden ondervinden om te varen tussen Nieuwendamme en de overdracht van Knokke, dan moeten die van Ieper zelf zorgen voor de uitdieping van dit traject en geen gemakkelijkheidsoplossing zoeken met extra zeewater waar de omwonenden dan de dupe van worden. Het akkoord van 16 juni zal pas op 9 december 1542 door beide partijen geratificeerd worden. Het water tussen die van Eversam en Ieper moet letterlijk veel te diep zijn. Wat voor een fijne woordspeling toch hier in deze context!

Ik krijg te maken met een delict van ketterij waarmee ze in Ieper niet goed weg mee weten. François De Jonghe, een schilder, heeft de verordeningen van de keizer aan zijn laars gelapt en heeft ergens een bord neergeploft met de boodschap dat mensen die beelden vereren zich eigenlijk zouden horen te schamen hiervoor. De schepenen hebben de schilder ook betrapt met coupletten van ketterse liederen die de draak steken met de katholieke gebruiken waarbij de paus verweten wordt van een antichrist te zijn. Hij zou zijn coupletten trouwens gedeeld hebben met Etienne Van der Meersch die hiervoor door de Diksmuidse autoriteiten streng bestraft werd.

Moeten ze hier nu in Ieper werkelijk de doodstraf uitspreken tegen hun onderdaan? De schepenen twijfelen en vraag advies aan de Raad van Vlaanderen. Het officieel antwoord kent minder terughoudendheid of gêne: François De Jonghe moet onthoofd worden. Zijn lichaam zal op een rad tentoongesteld worden en ’s mans hoofd zal op een lans gespiesd worden. Al is het maar om te tonen dat er niet met de paus gespot wordt.

Enkele brieven uit 1542 verrassen me enigszins. Reynaert van Nassau, de prins van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, heeft het over de verlenging van de bestaande privileges in zijn heerlijkheden van Kemmel en Wulvergem. Zijn voorgangers waren Jean van Luxemburg in 1463, de graaf van Saint-Pol in 1469 en Antoine van Luxemburg in 1499. Reynaert van Nassau staat eveneens bekend als René van Châlons en als een trouw medestander van Karel V. Het privilege heeft het over een bepaalde techniek in het lakenweven, waarbij hetzelfde laken tot vierenzestig gangen kan worden gekamd. Ik leer trouwens dat Kemmel en Wulvergem toebehoren aan de heerlijkheid van Waasten, ook al eigendom van de prins van Oranje, net zoals veel gebieden in Bourgondië trouwens.

Ieper 1543. De wolhandelaars Sebastiaan Matte en Hector de Roo krijgen de toelating om voor achttien jaar gebruik te maken van het water van de Ieperlee ter hoogte van de overdracht van Sint-Pieters, een herberg ter hoogte van de Diksmuidseweg die lange tijd uitgebaat werd door een zekere Pirron Scaits. Deze overdracht, de tweede in de rij na die van Brielen, staat nu nog altijd bekend als de Scaitsoverdracht. Hier aan deze houten sluis, bouwen Matte en de Roo een watermolen waar ze het water uit de Ieperleed gaan gebruiken in het productieproces van vilt bestemd voor hoofddeksels, luifelhoedjes die hier trouwens omschreven staan als ‘bonnetten’.

Sebastiaan en Hector moeten zelf instaan voor de bouw en het onderhoud van de watermolen. Jaarlijks zullen ze 24 pond betalen aan stad Ieper. Ze moeten zich garant stellen voor alle mogelijke schade die hun activiteiten kunnen veroorzaken aan de sluizen en ze mogen in geen geval het water onder een bepaald waterpeil laten zakken zodat de bevaarbaarheid niet in het gedrang komt. Hun activiteit blijft trouwens strikt beperkt tot de productie van hun hoedjes. En als de stad het nodig vindt om de Ieperlee uit te diepen, moeten ze niet klagen als deze werken hinder veroorzaken.

Enige tijd later, in juni 1543, komt er een brief binnen van de keizer zelf. Hij moest eigenlijk al het jaar voordien op bezoek gekomen zijn in de Nederlanden om zich persoonlijk bezig te houden met de invasie van de koning van Frankrijk in Vlaanderen. Problemen in de Roussillon en in Navarra hebben daar een stokje voor gestoken. Hij belooft nu om stellig naar Vlaanderen af te reizen om het land in zijn vroegere rust en vrede te herstellen. Karel verzoekt zijn onderdanen om er in afwachting goed voor te zorgen dat de grenzen goed bewaakt blijven en dat de verdediging van het land intact gehouden wordt.

Het schrijven van keizer Karel is er niet toevallig gekomen. Tien dagen later herhaalt gouvernante Maria van Hongarije de dringende noodzaak om te weerstaan aan de agressie vanuit Frankrijk die zich nu nota bene geallieerd heeft met de Turken en met de hertog van Cleve. Een groot Frans leger blijkt nu plots binnengevallen te zijn in de streek van Henegouwen en zoekt nu zijn doorgang naar Luxemburg, Brabant of Vlaanderen. De keizer is op komst om orde op zaken te stellen en bevindt zich momenteel in Italië. Hij werkt ginder aan de samenstelling van een nieuw leger dat zal bestaan uit een massa voetvolk en ruiters voorzien van de modernste artillerie en munitie.

Het jaar 1543 is een rampjaar voor de inwoners van Ieper. ‘Er was onder het gemeen een zeer grote sterfte waarbij er binnen een tijdspanne van tien maand vierduizend mensen stierven.’ De oorzaak van de sterfte wordt niet eens vermeld door het stadsbestuur. De archieven zwijgen tot in oktober. De oorlog zal zich vermoedelijk niet in de Westhoek afspelen. Dat laat niet na dat de menselijke bagatellen zomaar verleden tijd zijn. De vierschaar spreekt zich op 25 oktober 1543 uit tegen Michel Depover. Hij werd ervan beschuldigd om met enkele vrienden de poortbaljuw en zijn agenten aangevallen te hebben met stenen, stokken en een mes. Daarbij werden medewerkers van de baljuw om het leven gebracht. De schepenen veroordelen Depover nu om zich bij hen aan te bieden, blootsvoets, blootshoofds en in zijn hemd, met een ferme waskaars in de hand. De goede oude boetedoening. Op zijn knieën smeken om vergiffenis, zoiets als ‘ik zal het nooit meer doen’.

Daar blijft het niet bij. Veel medelijden bestaat er niet in de middeleeuwen. Na zijn boetedoening tegenover de hoogbaljuw, verhuist de veroordeelde nu naar de grote markt waar hij gedurende één uur op een podium vastgebonden wordt aan de schandpaal, de ‘bezant’, met op zijn borst een bordje waarop vermeld staat wat hij mispeuterd heeft. Daarna mag Michel Depover beschikken. Enfin; hij wordt voor tien jaar het land uitgezet, verbannen, en als hij eerder betrapt wordt, zal hij ter dood worden gebracht. Hij zal zich trouwens moeten haasten. Binnen de 24 uur moet hij weg zijn uit Ieper en na drie dagen dient hij helemaal uit Vlaanderen verdwenen te zijn.

De vijandelijkheden met Frankrijk zorgen er voor dat de geestelijke hoofdstad Terwaan verder zijn invloed verliest op het kerkgebeuren in de Westhoek. In 1544 past paus Paulus III daar een mouw aan. De bisschoppelijke zetel verhuist nu officieel van Terwaan naar Ieper voor wat betreft Vlaanderen en ook de inwoners van Artesië en St.-Pol vallen zolang de oorlog aansleept nu onder de geestelijke jurisdictie van Ieper. Terwijl Engeland meer en meer betrokken raakt in de oorlogsperikelen van keizer Karel, blijft het leven van elke dag verder zijn gang gaan.

In 1545 moet de Raad van Vlaanderen vanuit Mechelen ingrijpen in het aanslepend dispuut tussen Ieper en Nieuwkerke. De wevers van Nieuwkerke hebben zich nu gewaagd aan het produceren van de ‘grote draperie’ lakens en hebben daarmee de Ieperse wetten aan hun laarzen gelapt. In datzelfde jaar benoemt keizer Karel de heer van Boezinge tot hoogbaljuw van Ieper. Ik heb het over Nicolas Halewijn die Nicolas van Rooden vervangt vanaf 8 juli. De eedaflegging gebeurt zoals gebruikelijk in Rijsel. Voorts is er sprake van een juridisch samenwerkingsverband tussen het Brugse Vrije en Veurne-Ambacht. Ik ben ervan overtuigd dat ik binnenkort wel de details zal vernemen bij mijn geplande bezoek aan de jaarboeken van Veurne.

De Poperingse wevers proberen op de jaarmarkt van Torhout lakens te slijten die niet passen in het kraam van de Ieperlingen. Het is niet de eerste keer dat ze de reglementering negeren. Mechelen laat weten dat Ieper het recht heeft om zijn gerechtsdeurwaarders naar Torhout te sturen en de verkoop te blokkeren. Die van Poperinge verzetten zich daartegen met hun bemerking dat Ieper niets te zeggen heeft op deze vrije markt en dat hun regels hier helemaal niet van tel zijn. De Raad blijft desondanks achter de Ieperse claims staan en verbiedt de Poperingenaars nog verder zaken te doen met deze verboden textielwaren.

Die van Poperinge proberen de Ieperse kwaliteiten te produceren en te verkopen en dat heeft blijkbaar veel te maken met het vervallen van hun octrooi in 1545 of rond die periode. Waasten, Wervik, Poperinge, Mesen, Komen, Kemmel, Nieuwkerke, Wulvergem en Dranouter hebben een verzoek gestuurd om de Ieperse patenten niet langer te vernieuwen. De wevers in de buitengebieden zijn daar al van uitgegaan en ik begrijp meteen waarom de conflicten met Ieper de pan uit swingen.

Dat de wevers aan de alarmbel hangen, zal wel een bittere noodzaak zijn in Ieper. De vicaris-generaal van Terwaan die zetelt in de stad, richt op 28 september 1545 een schrijven aan de Ieperse schepenen. De proosten van Sint-Maartens en van Voormezele en Zonnebeke ondertekenen eveneens de brief. Ze maken zich grote zorgen over de toestand in het centrum. Grote problemen zijn er. De taksen zijn buitensporig en zorgen voor ellende alom. De versterkingen en de stadsmuren vervallen tot puinhopen door een gebrek aan onderhoud en herstellingen. Door het verval van de textielnijverheid scheert de armoede hoge toppen.

2.800 mensen leven van de voedselbedeling, zeg maar hompen brood die ze toegestopt krijgen om toch maar niet van de honger te sterven. De distributie van dat brood gebeurt trouwens door de magistraten. Een heel deel van die sukkelaars was enkele jaren geleden nog aan het werk als meestergast en ziet zich nu veroordeeld tot de bedelstaf. En tot overmaat van ramp dreigt er een gebrek aan brood, iets wat de geestelijken aankaarten als ronduit schandelijk voor een stad van dergelijke allure. Stadsarchivaris Diegerick schrikt op van de details die hij in de fameuze brief te lezen krijgt en publiceert deze integraal tijdens de 19de eeuw. Ik volg zijn voorbeeld. Een betere kans om het leven in Ieper tijdens de middeleeuwen mee te maken, krijg ik niet meer.

Ik geeft hun litanie weer in mijn eigen taal waardoor die hopelijk nog spitser en scherper de rauwe werkelijkheid van 1545 in beeld kan brengen. ‘We willen getuigenis afleggen over de sociale toestanden in deze stad. Wat we vertellen, hebben we vernomen van de lokale notabelen en van mensen met veel goede wil en betrokkenheid, u mag er dus van op aan dat wat we te zeggen hebben volledig strookt met de realiteit.

De stad is gebouwd op een ondergrond die niet bepaald stabiel is, de trillingen en de soms ‘kokende’ aarde zorgt continu voor schade aan huizen en aan vestingen. Ieper ziet zich dus geconfronteerd met financieel onhaalbare kosten om tijdig de straten in en buiten de stad te herstellen en te onderhouden. En dan zijn er nog de kosten om de vestingen verder te voorzien van het water uit de vijvers. De reparaties aan de loden buizen in de grond slorpen 15% van het volledig stadsbudget op.

Voeg daarbij nog de kosten aan de verzakte riolen om het vuil huishoudwater en de excrementen van de inwoners in de Ieperleed te kunnen lozen. Bewuste riolen zijn gemetst met bakstenen en bovenaan afgedekt door grijze dekstenen die voortdurend opengebroken en gerepareerd moeten worden. Samengevat: het budget van deze stad wordt bijna voor de helft opgesoupeerd aan zijn ondergrond.

En dan zijn er nog de stadsmuren. Die kunnen we het best omschrijven als bouwvallig, kaduuk, oud en rot. Net zoals trouwens de slotgrachten die er belabberd bijliggen en vooral op het einde van de winter grote overstromingen veroorzaken wanneer een muur van water van soms wel 70 meter ver de stad binnenstroomt, door breuken en bressen in de vestingmuren. Uiteraard hebben we dan nog niet gesproken over de kosten om de Ieperlee tussen Ieper en Brugge bevaarbaar te houden. Allemaal historisch vastgelegd op de kosten van onze eigen stad. Nee. Op termijn zal het geheel van de kosten zorgen voor onhoudbare intresten op leningen en voor een bankroet van deze stad.

Voeg daarbij de wensen van onze keizerlijke hoogheid Karel. Ieper ligt midden in het vlakke land van de Westhoek en moet altijd maar bijspringen om dat land te vrijwaren van vijandelijke invallen. Tot overmaat zijn er hier vier bedelorden actief aan het schooien. Een excessief aantal als u het ons vraagt. De Franciscanen, de zwarte en de grijze nonnen, het gesticht van ‘de dertien arme kinderen’, de zes parochiale kerken met elk hun priesters en kapelanen waarvan de meerderheid niet eens betaald wordt. Al dat volk leeft op kosten van de stad.

Ieper ligt dan warempel nog op de grens van Frankrijk en Engeland en wordt om de haverklap en bij elke militaire dreiging overspoeld door vluchtende mensen van het Westkwartier zoals dat bijvoorbeeld het geval was in 1537 wanneer de koning van Frankrijk opgerukt was tot in St.-Venant en tot aan de rivier van Waten. Je had al de buitenbewoners moeten zien aanspoelen hier in deze stad. Mannen, vrouwen en kinderen met karren die volgestouwd waren met hun meubeltjes en hun schaarse bezittingen, allemaal op zoek naar een veilige plaats binnen onze stadsmuren.

De textielnijverheid heeft er altijd voor gezorgd dat er voldoende werk was en dat de rekeningen van de oude stad konden betaald worden. De sukkelaars en de arbeiders vonden er werk en konden hier hun leven leiden met de opbrengst van de lakenverkoop. In deze droeve tijden worden de markten echter overspoeld door goedkope lakens uit Spanje. Concurrentie die onze industrie de nek omwringt. Armoede en hongersnood zijn er het gevolg van. We vragen opschorting van taksen voor de mensen en vooral hulp, veel hulp tot dat de vrouwen en de mannen in deze stad weer zelf hun boterham zullen kunnen verdienen met werk en jobs.

Het Transport van Vlaanderen aarzelt om Ieper nog langer de exclusiviteit van de lakennijverheid te bieden en dat zorgt voor grote onrust en rumoer in de hele streek. De vijandelijkheden met de buursteden tonen aan hoe moeilijk het allemaal ligt voor de lokale industriëlen. Een verlenging van het octrooi zou een pak verlichting brengen voor de duizenden hongerlijdende mannen, vrouwen en kinderen. Ieper zit verder nog opgezadeld met een jaarlijkse intrestkost van meer dan 25.000 pond, allemaal het gevolg van bijdragen aan de keizer of veroorzaakt door herstellingskosten aan de verdedigingswallen.

De inkomsten komen voornamelijk van taksen op wijn, bier, lakens, hoornbeesten, hout, lakens en voldoen al lang niet meer om de grote kosten te dekken. Het aantal inwoners is al tientallen jaren aan het krimpen en is simpelweg niet meer voldoende om de kosten van de hele infrastructuur te dragen waardoor de belastingen wel moesten verdubbelen. In Nieuwkerke, Mesen, Waasten en Komen bijvoorbeeld hebben de inwoners wel werk en moeten ze al die belastingen niet betalen. De overheden moeten absoluut bijspringen om een catastrofe te vermijden. Er moet een fonds komen om de 3.000 arme mensen hier bij te staan. Geloof ons, de toestand is extreem dramatisch.

De priesters van de diverse parochies en enkele notabelen proberen ondertussen de nood te lenigen met het uitdelen van brood. Elke persoon één brood, de zwangere vrouwen krijgen er twee toegestopt. De mensen huilen en smeken. Het geloof van de inwoners wordt danig aangetast door hun tranen van ellende en hun honger. Hun zoektocht naar werk hier in deze stad is hopeloos. We smeken u eigenlijk om een verlenging van het textieloctrooi zodat er weer kan gewerkt worden. De buitensteden mogen niet zomaar de broodwinning van onze inwoners afpakken.’ De bewuste brief wordt ondertekend en van zegels voorzien op 28 september van het jaar 1545.

Een maand later komt er een reactie binnen van Maria van Hongarije. De klachten en de documenten zijn doorgestuurd naar de hoge raad van de keizer en al de stukken zullen er worden bestudeerd. In Wervik en in Komen zijn de Ieperlingen hun boekje te buiten gegaan. De geconfisqueerde lakens moeten teruggebracht worden. In Waasten en in Mesen mogen ze voorlopig verder werken, hoewel er nu toch wel sprake is van limieten op de productie.

Men zal maar boeken verkopen in deze tijden van ketterij. De valse leer van Luther verspreidt zich als een lopend vuur dankzij de nieuwe rage van het drukken. De publicaties worden natuurlijk met een scheef oog bekeken. De Ieperse boekenverkoper Joost Destrez kan er alles over vertellen, hij houdt zich zoals het zo mooi in dit welig Vlaams omschreven staat onledig met het ‘vercoopene van boucken ende prentene’. Er moet vermoedelijk een heuse roddelcampagne gestart zijn met de nodige verdachtmakingen dat de man betrokken zou zijn met onwettige en ketterse boeken. Joost zoekt in september 1546 zijn soelaas bij het stadsbestuur die overal verkondigt dat de drukker op geen enkel manier te maken heeft met de illegale verspreiding van godslasterlijke boeken zoals die omschreven worden in de keizerlijke wetten. Ik vind het daarbij opmerkelijk dat ook de Raad van Vlaanderen de Ieperse drukker volledig onder zijn hoede neemt.

Maarten Luthers dissidente leer krijgt er een concurrent bij. De leer van een zekere Calvijn. Die bereikt in elk geval de stad Ieper in het jaar 1546. ‘Daar ontsproot een andere ketterij die, alhoewel uit het Lutherse was voortgekomen, toch danig ervan verschilde en daarom ook aanzien werd als een nieuwe leer die bijzonder veel schade aangebracht heeft in Nederland. Johannes Calvijn was de uitvinder. Hij was geboren te Noyon in het jaar 1509.’

Een uitspraak van diezelfde raad, daterend van een jaar later, weerhoudt mijn aandacht. Ik heb al een redelijk oninteressante revue van haring- en kaastoestanden zien passeren, maar dit hier trekt echt mijn aandacht. Het gaat om een geschil tussen de schepenen en Jan Florizone senior die van de schepenen voor zijn zoon een postje gekocht heeft als officiële boodschapper van de stad. Die wordt echter na korte tijd onder curatele gezet omwille van zijn verkwistende praktijken, wordt ziek en sterft. Tijdens de ziekte van de jonge Florizone hebben de curator en de vader aan twee schepenen het verzoek ingediend om de overeenkomst op naam van zijn zoon te beëindigen.

De beëindiging van het contract blijkt echter niet volgens de wettelijke procedures verlopen en blijkt achteraf van nul en generlei waarde te zijn. Volgens de wet moest die afhandeling gebeurd zijn in de schepenkamer. Dat is niet gebeurd. Florizone junior was veel te ziek om zich te verplaatsen, blijkbaar een besmettelijke ziekte die als ‘haastig’ omschreven staat. De schepenen reppen zich naar de woning van de stervende, maar dat blijkt achteraf een procedurefout geweest te zijn. De post van boodschapper keert door deze beslissing terug in de handen van het stadsbestuur die ze nu opnieuw per opbod verkoopt aan de hoogst biedende. De klacht van de oude Florizone bij de Raad van Vlaanderen loopt af op een sisser, want die bevestigt in september 1547 alleen maar de beslissing die eerder genomen werd door de Ieperse schepenen.

‘Anno 1548 begon de vermaarde lakenweverij van onze stad Ypre zeer te verminderen ende te declineren ter oorzake van de opkomende floratie van de stad Antwerpen waar ook al de koopsteden van Vlaanderen in nieuwe hanteringe verminderden.’ Het jaar dat er op volgt, krijg ik een bericht dat er warempel nog een nieuwe kerk bijkomt. Die van de paters Predikheren die het heilig gebouw neerpoten op de plek waar vroeger het washuis van de blekerij te vinden was.’

De inwoners kunnen op 8 juli 1549 voor het eerst kennismaken met de zoon van keizer Karel. Filips II (22 jaar op dat moment) zal op termijn de 34ste graaf van Vlaanderen worden. De opvolger wordt ‘eerlijk ende costelyk’ ingehaald en zal er een nacht logeren in het klooster van Sint-Maarten. De volgende dag vertrekt de prins naar Brugge. Jan van Lichtervelde, de baljuw van de Zaele en van de kasselrij Ieper legt op 15 juli 1550 de eerste steen van een nieuw kasselrijhuis dat opgetrokken wordt op de markt. De gevel wordt versierd met fraai beeldhouwwerk waarbij de zeven planeten allemaal uit de steen gehouwen worden. Er komt trouwens een kapel, uiteraard om te bidden, de kronieken hemelen deze baljuw trouwens op tot een erg waardige magistraat.

De kronieken van Ieper lijken zich futloos door de jaren 1550 verder te slepen. Ik word er zelf landerig en vervelend van. Dit is niet de geschiedenis die ik wil lezen. Gelukkig kan ik een oud handschrift van Michiel Forret op de kop tikken. Deze onbekende kroniekschrijver vertelt wat ik wilde horen. Hij heeft het bijvoorbeeld over de winter van 1551. De dinsdag en de woensdagnacht van 13 en 14 januari 1551 raast er een zware storm over het land. ‘De felste wind die men ooit had meegemaakt’, schrijft hij.

De schepen op zee vergingen met man en muis. Te Oostende spoelt een menigte van verdronken mensen aan op het strand. De stormvloed zorgt van verschrikkelijke schade aan de jonge bedijking van Vlaanderen en die van Zeeland. Huizen en hofsteden worden weggesleept en de dijken worden geslecht tot op de grond. Op andere plekken worden metersdiepe bressen geslagen van wel honderd meter breed De schade zal zichtbaar blijven tot in 1688.

In 1552 kost de tarwe op de markt van Lo maar liefst 240 stuivers per emmer. In 1554 blijkt de zomer zo droog te zijn dat er amper nog hooi te vinden is. Geen plezierige tijden dus voor de landbouwers in de Westhoek en de toestand wordt er niet beter op. De zomer van 1555 is een absolute flop. Het regent maanden aan een stuk. Het jaar telt in totaliteit maar 10 dagen met schoon weer. De dijken stellen niet zo veel voor als vandaag en het is er aan te zien. Een nieuwe stormvloed zorgt voor meer ellende. In Veurne-Ambacht breekt het water door de dijk en vernielt het zaailand en de oogst. Op de markt van Veurne loopt de prijs van het graan al op tot 6 pond per emmer. Korte tijd daarna beslissen ze in Ieper om dagelijks een korenmarkt te houden. De schaarste zorgt op zijn beurt natuurlijk voor woeker en hongersnood waar vooral de arme mensen het slachtoffer van worden.

Op 18 september 1555 vertrekken de hoogbaljuw en twee Ieperse schepenen naar Brussel om er op de 26ste de troonopvolging van keizer Karel bij te wonen. Het keizerrijk gaat naar zijn broer Ferdinand. Spanje en de Nederlanden verhuizen voortaan naar zijn 28-jarige zoon Filips de tweede die achteraf door de staten ontvangen en gehuldigd wordt als 34ste graaf van Vlaanderen. Wat er nu precies zal gebeuren met de aftredende keizer, wordt door de kroniekschrijvers nergens vermeld.

Op zaterdag 19 mei 1556 loopt de prijs van een emmer koren op tot boven de 7 pond. ‘Daar was dan zulk een jammer onder het gemeente dat niemand van dergelijke en wist te spreken noch ooit gehoord en hadde.’

Al van in maart is er in de hele stad van Ieper geen koren meer te vinden. ‘Het volk dromde malkander in de Leet om schipkoren te hebben en was ’s anderendaags geboden door het hallengebod, dat geen landslieden van buiten nog koren mochten kopen voor twee uur in de namiddag zo dat menige mensen naar huis moesten reizen zonder koren of brood die nochtans ’s ochtends vertrokken waren zonder brood of koren in hun huizen.’ In de parochie van Reninge zijn er drie bakkerijen en in geen enkele van de drie is er ook maar voor één stuiver brood te kopen.

In Diksmuide is het ook al niet beter. Integendeel. De prijs voor een emmer graan is hier al opgelopen tot elf pond. De molenaars, bakkers en buitenlieden mogen geen graan meer’ verhandelen voor 14 uur. Elke overtreding zal zes ponden kosten en het koren zal verbeurd verklaard worden. En niemand mag nog meer dan twee broden ronddragen op ‘peine van gelijke boete’. Een zak bonen kost nu al 16 pond. Idem dito in Ieper waar bijvoorbeeld de prijs van de nieuwe rogge hoge toppen scheert.

Het jaar 1556 brengt op zijn beurt ook al nieuwe ellende met zich mee. De 10de januari vallen de mensen al meteen in de prijzen. ‘Er was zo een schromelijke wind dat er molen, huizen en bomen aan stukken vlogen en de torre van de kerk van Adinkerke naar beneden donderde, zodat er wel 500 ponden grote schade werd aangericht aan de voorzeide kerke’.

‘Ten jare 1558 kwamen de Fransen in Bergen-Ambacht, vernielden, plunderden en verbrandden zowat alles en namen Sint-Winoksbergen (Bergues) in. De mensen en beesten en het goed dat uit Veurne-Ambacht kwam gevlucht te Pereboombrugge over tot Reninge, dat het wonderlijk was om zien. En na die zelfde kwade loop, kwamen zo veel muizen dat ze schier al het gras af aten zodat de koeien en de beesten nog voor Bamis (1 oktober) hooi en droogvoer moesten krij²gen. De oorzaak dat de muizen zich zo voortplantten was dat er geen grote katten uit Veurne-Ambacht kwamen want de kleine katten konden ze niet weerstaan, waardoor dat jaar het gras teniet gedaan werd en het volgende jaar was het nog veel slechter.’

Ik eindig mijn dagboek in Ieper doelbewust met de dood van keizer Karel. De mensen in Vlaanderen weten het op dat moment nog helemaal niet. Maar 1558 is best een scharnierpunt in de Vlaamse geschiedenis. De laatste in Vlaanderen geboren graaf heeft plaats geruimd voor zijn zoon, een rasechte Spanjaard zonder enige affectie voor zijn Vlaamse wortels. Vlaanderen en zijn Westhoek zullen voortaan in toenemende mate een speelbal worden van internationale belangen. Nog even en de gistende kiemen van de armoede zullen wortel schieten en zorgen voor een tabula rasa van de oude middeleeuwen. Niets zal nog ooit hetzelfde zijn.

De oude keizer sterft op 21 september 1558. In Ieper vergeten ze hun leider niet. ‘Anno 1558, de 10de december werd er in de kerk van Sint-Maarten een schone uitvaartmis gehouden ter nagedachtenis van Carolus de 5de, keizer, als graaf van Vlaanderen.’