Dagboek van Augustijn (1562-1572)

Ieperling Augustijn Van Hernighem is vanop de eerste rij getuige van de godsdienstperikelen die de Westhoek vanaf 1562 op zijn kop zetten. Zijn dagboek is een aaneenschakeling van drama en vergelding. Ik kruip in de huid van Augustijn en transformeer zijn oorspronkelijke teksten tot een eigentijdse kroniek. Het lijkt er op dat de lezer zelf onderdeel gaat uitmaken van de dramatische geschiedenissen uit de 16de eeuw.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Mag ik je Augustijn van Hernighem voorstellen? De man is Ieperling. Een voorname en goed opgeleide burger die zijn bestaan beleeft tussen 1540 en 1617. Van zijn geboortedatum ben ik niet zeker. Het enige wat ik over de man weet is dat hij in 1565 trouwt en dat hij tijdens zijn leven in goed contact staat met de Ieperse notabelen van die tijd. De man ontpopt zich tot een eersteklas kroniekschrijver. Samen met hem beleven we de godsdienstoorlogen die Vlaanderen en de Westhoek tientallen jaren lang op hun kop zetten. De geloofscrisis hebben jullie al kunnen meemaken vanuit Poperinge, Elverdinge, Brugge en Gent. Vreemd genoeg is Ieper daar niet zo sterk aan bod gekomen.

Voldoende reden dus om een expeditie te wagen in de handschriften van mijn hoofdpersonage. Historicus Ferdinand Van de Putte heeft al eerder zijn handschriften getransformeerd tot twee historische boeken met de naam ‘Nederlandsche Historie’ welke de periode tussen 1572 en 1591 met scherpe precisie beschrijven. Knap werk. Spijtig dat Van de Putte een bok vanjewelste schiet door de naam van de schrijver te verkrachten tot ‘van Hermelghem’, waardoor Augustijn de rest van de geschiedenis zal moeten verder zetten met een kwakkelnaam. Ikzelf ga hem voortaan tutoyeren en enigszins familiair aanspreken met zijn prachtige voornaam ‘Augustijn’.

Er is nog een tweede ‘maar’ bij dat werk van Ferdinand Van de Putte. Waar zijn Augustijns handschriften tussen 1562 en 1572 gebleven? Op het internet wordt er algemeen beweerd dat deze manuscripten spijtig genoeg verloren gegaan zijn. In het rijksarchief te Kortrijk kan ik gelukkig de hand leggen op deze schat. Met dank aan het fonds Goethals-Vercruysse. En precies op het moment dat ik me voorneem om zelf de teksten te gaan ontcijferen, blijkt het stadsarchief van Ieper dan toch een uitgetypt exemplaar te herbergen.

Het boekje dateert van 1978 en werd uitgegeven door de ‘Vereniging voor de geschiedenis van het Belgisch protestantisme’. Best aardig dat de katholieke Van de Putte nu concurrentie krijgt van zijn protestantse tegenhangers. Zo hoor ik het ook eens van een ander. Het werkje heet ‘Eerste bouck van de Beschryfvinghe van alle Gheschiedesse 1562-1572’. Ik ben verrukt dat ik de getuigenissen van Augustijn op zijn minst kan aanvangen van bij het begin. Het eigenlijk manuscript draagt een langere titel die ik voor de volledigheid toch nog eens wil meegeven aan mijn lezers.

‘Zeker beschryfvinghe van alle waerachtige zaken geschiedt ende ghebuert binnen der stede van Ypere en lande van Vlaendere, Brabant, Henegauwe, Arthoys, Hollant, Zeelant, Vrieslant ende somma meer andere landen ende conynckrijcken’. Een titel om ‘u’ tegen te zeggen. Gelukkig pakt van Hernighem uit met een goed gevonden subtitel: ‘Den Tydt die Lydt’, zeg maar; ‘De tijd die lijdt’. Wauw, dat is wat anders dan zijn eerste gedrocht. Ik probeer van mijn kant zijn oorspronkelijke oude taal zo goed als mogelijk om te toveren tot een leesbare en actuele Vlaamse tekst.

Om dat te doen ga ik zelf een beetje stout zijn. Ik geef Augustijn van Hernighem enkele flarden van mijn eigen karakter mee. Zijn verwondering, sarcasme en humor zijn eigenlijk die van mezelf. Ik kruip dus in de huid van de vroegere Ieperling. Als ik commentaar te geven heb bij de gebeurtenissen zal dat dus moeten gebeuren uit de mond (de pen) van Augustijn zelf, de enige ik-persoon in de kroniek. Hier en daar probeer ik de schrijver wat aan te vullen met extra informatie. Hopelijk nemen jullie het me niet kwalijk dat ik af en toe wat extra kleur geef met complementaire sfeerbeelden van klimaat, persoons- en stadsbeschrijvingen die op geen enkel moment afbreuk doen aan de historische waarheid van zijn geschriften. Ik hoop dat zijn oude herinneringen na al die honderden jaren weer eens echt tot leven zullen komen. Hier gaan we!-

Begin oktober 1562 krijgt Boeschepe plots te maken met een valse predikant die op het kerkhof een preek afsteekt over een nieuw geloof. Het duurt niet lang voor ik dat nieuws verneem in de Ieperse straten. Het moest er van komen. Wat die Duitse goeroe Luther al veel jaren uitkraamt over het christelijk geloof met zijn uitlaten om het eeuwig leven te verdienen doet ook de ogen openen van de mensen in de Westhoek. Terwijl de mensen met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen tijdens hun armetierig bestaan blijven de priesters de bevolking bestoken met kerkelijke tienden en laten ze de man in de straat dik betalen voor het celebreren van welk sacrament dan ook.

Enfin ‘zeggen ze toch’. Ikzelf ben een brave christelijke mens en geloof geen snars van al dat nieuw geloof. Er is maar één God waar ik in geloof. Ik ben zo opgevoed. Hoe is het toch mogelijk dat ze zich hier in de Westhoek laten vangen aan Luthers baarlijke nonsens? Hoe kan je nu tornen aan de kerk en het geloof? De boodschap van de protestanten is al enkele tientallen jaren geleden binnen gesijpeld. Maar nu wordt het toch wel menens. Vreemd genoeg in een plaatsje zoals Boeschepe. De naam van die valse predikant daar is Gelein Damman. De dorpspastoor ziet dat natuurlijk niet graag gebeuren en probeert Damman en zijn gezelschap weg te jagen. Iets waar hij niet zal in slagen. Er is op de begraafplaats van Boeschepe bijzonder veel volk bijeengekomen. Nogal wat mannen zijn in het bezit van wapens en samen zorgen ze ervoor dat hun predikant in alle veiligheid de menigte kan toespreken.

Het parket in Ieper wordt op de hoogte gesteld en grijpt kort nadien in. Enfin, ik heb het over de procureur-generaal van het hof te Ieper. Een samenscholing met gewapend volk én dan nog gericht tegen onze moeder de kerk. Dat kan zeker niet door de beugel. Waar komt dat volk toch allemaal vandaan? Er moeten zeker Ieperlingen bij geweest zijn. Op de grote markt wordt een plakkaat opgehangen waarbij het streng verboden wordt om de stad te verlaten om dergelijke sermoenen te gaan bijwonen. Laat staan gewapend dan nog. Wie dat toch doet riskeert dat zijn eigendommen zullen worden aangeslagen en verbeurd zullen worden verklaard. Nog voor eind oktober worden nogal wat inwoners hier opgepakt en in de gevangenis gestopt op verdenking van deelname aan het evenement in Boeschepe.

De 11de november verspreidt het gerucht zich als een lopend vuur. Drie van de deelnemers aan de preek zijn ter dood veroordeeld en zullen onthoofd worden. ‘De hals af geslagen’. En inderdaad. De volgende voormiddag komt de procureur-generaal met twee raadheren tot bij het kasselrijhuis om de drie slachtoffers op te halen. Kesstiaen Schapshooft, Mahieu van Peperstraeten en Pieter Pollet worden naar de grote markt gebracht en verwezen naar het hiernamaals. Die Pollet is trouwens de smid van Reningelst. De ondervraging van de andere betichten was de voorbije week helemaal niet van de poes. Geselingen, de schandpaal. Enkele boosdoeners werden verplicht om met een kaars in de hand vergeving te vragen aan het heilig sacrament en er werden enige oproerstokers verbannen naar de galeien. Overdrijven ze hier niet wat in Ieper?

Tijdens de eerste juni van het jaar 1563, een dinsdag tijdens de Sinksen ‘mesdagen’ breekt er rond 17 uur een grote brand uit in Poperinge. Er gaan wel zevenhonderd huizen in de vlammen op. Veertien dagen eerder kregen we hier het bezoek van de graaf van Egmont. Hij naam deel aan de schieting van de gilde van Sint-Joris. Het was de heer van Houtem die de gaai afschoot en zich tot koning mocht kronen. Op de 17de juli wordt er afgeroepen dat de vreemde munten voortaan veel minder waard zullen zijn en dat is een grote tegenslag voor de spaarcenten van de mensen en voor de handel die er helemaal door ontwricht wordt. We gaan bange tijden tegemoet als je het mij vraagt.

Veel meer heb ik niet te noteren in mijn dagboek. Ook voor 1564 is het nieuws vrij schaars. Buiten de wetenschap dat onze bisschop op de 7de februari terugkeert van het concilie van Trente. Hopelijk heeft de paus het kunnen bijleggen met de heretiekers. Maar het is vooral de winter die al een hele tijd de hoofdrol speelt. Een streng geval gevuld met vorst. Zo een hebben we de voorbije vijftig jaar niet beleefd. De koude begint in de week voor kerstdag en tien dagen later zijn er in heel Ieper geen kelders meer waar niet alles dichtgevroren is. Het ijs is zo dik dat men er zonder problemen met paard en kar kan over rijden. De markt wordt warempel gehouden boven op het ijs, grote vergaderingen van volk, het kan allemaal. Voor de rest zorgt de winter voor heel veel armoede en gegroefde gezichten. Iedereen zit zonder werk. Er is maar één lichtpunt: het koren is gelukkig relatief goedkoop. De vorst zal aanhouden tot aan Vastenavond in het begin van februari.

Op 25 augustus 1564 vliegen Hans Roothaar met twee van zijn kompanen en nog een andere jongeman op de brandstapel. Veel commentaar wordt daarbij niet gegeven. Mijn buren malen er niet om. Het is erger dat er na de zomer sprake is van een prijsstijging van het graan. In het begin van september kost een razier van zowat honderd kilo al veertien pond. De 20ste september verschijnt er een hallengebod dat er geen grote bruiloften meer mogen worden gevierd. Bij een trouwfeest mogen voortaan nog maximaal vierentwintig gasten van elke zijde mee aanschuiven aan tafel. Er staat een boete op van tien stuivers voor elk paar en men verbiedt eveneens om grote vergaderingen van maaltijden of grote banketten en feesten te organiseren. Dat allemaal omwille van de schaarste en de felle prijsverhogingen. De prijs van het graan is ondertussen al opgelopen tot twintig pond.

Het ergste is dat er bijna geen graan is. In de Ieperse parochies moet er lotje getrokken worden wie er aan de beurt is om koren te kopen. De gelukkigen krijgen dan voor drie pond graan. En wee diegenen die zich koren willen aanschaffen als ze daarvoor geen toelating hebben. Er staat hen een fikse boete te wachten. Het is dan ook niet te verwonderen dat er overal steen en been wordt geklaagd en dat de nood erg hoog is. Het ergste is dat er feitelijk wel voldoende graan beschikbaar is, aangevoerd uit het Oostland. Maar dat zit in handen van acht beurzen in evenveel steden. Zo ook die van Rijsel. Daar hebben de inwoners geen tekort aan tarwe en gerst. Ze hebben hun voorraden ruim op tijd aangeschaft via de haven van Antwerpen en ze kunnen daar blijkbaar op dit moment nog altijd vrij vlot aan geraken.

De mensen zijn natuurlijk ferm ontevreden en protesteren tegen deze gang van zaken. De overheid grijpt nu toch in en verplicht de Antwerpenaars hun praktijken binnen de zes weken te laten ophouden. Maar dat verandert weinig aan de dramatische situatie in Ieper. De nood is hoog. De armoede woekert maar verder. Het gevolg van een dramatisch slechte handel, een flauwe nering en de duurte van de voedingsmiddelen. De kerken zitten vol met biddende mensen. ‘God haal ons hier toch uit deze ellende’. Hoeveel keren zal God de vader deze vraag toegestuurd krijgen?

Mijnheer de burgemeester zit natuurlijk met de handen in het haar. Zo veel honger is niet normaal. Hij smeekt de poorters om elk voor zich vrijgevig te zijn en geld te schenken aan de armen en behoeftigen zodat ze niet dagelijks voor al de deuren zouden moeten gaan bedelen. Tijdens de aanloop naar kerstmis 1565 wordt er vijftig pond opgehaald. Wie geen werk heeft en geld tekort komt krijgt wat centen toegestopt. Als tegenprestatie moet het bedelen ophouden. Wie nog de deuren van de rijkere poorters afloopt op zoek naar medelijden zal opgepakt en gegeseld worden. Zo gaat dat hier in deze bizarre tijd. Mijn tijd. De goegemeente slaakt meer dan zomaar een zucht van verlichting als er tijdens de kerstperiode dan toch een verse lading graan uit Holland arriveert.

Eindelijk weer kwalitatief koren beschikbaar. De prijs is er naar. De goede tarwe is ondertussen al weer dertig percent duurder geworden. Gelukkig begint de prijs zachtjes te dalen vanaf einde maart. De vrees voor rellen blijft er bij het stadsbestuur goed inzitten. De armoede en al die roddels over dat beter geloof vormen natuurlijk een perfecte voedingsbodem om revolte te krijgen. Het wordt dus opletten geblazen met vreemdelingen die de boel hier kunnen komen verzieken en opstoken. De 29ste maart van 1566 komt er een gebod dat de burgers zelf de controle dienen uit te oefenen op wie hier allemaal binnenkomt en wat hij uitspookt.

Overdag dienen de diverse stadspoorten in de gaten gehouden te worden en tijdens de nacht moet er controle zijn over het bezant. Dat is de stadsgevangenis op de markt, de zogenoemde ‘vangenesse’ waar misdadigers moeten wachten op hun bestraffing. De naam bezant is feitelijk afgeleid van de term ‘paisant’. Hier op deze plaats werkten ooit de straathoekmedewerkers, de ‘paisantiers’, om de vrede in de straten te behouden. Wie kwaad gedaan had werd hier tijdelijk vastgehouden in afwachting van een verzoening tussen daders en slachtoffers. Gaandeweg is deze bezant echter geëvolueerd tot een tussenstop op weg naar de vierschaar. De ‘paisantiers’ van vroegere dagen zijn vervangen door de knechten van de baljuw. Anno 1566 lijkt het er wel op dat de magistraten bang zijn dat de gevangen schurken wel eens door hun kompanen uit de bezant zouden kunnen bevrijd worden. Vandaar dus die extra beveiliging.

De Ieperlingen mogen geen logement offreren aan vreemden en als er hiertoe een vraag is, moeten ze eerst bij het bezant aankloppen met hun persoonsgegevens en met de namen van de steden waar ze vandaan komen. Wie dit bevel aan zijn laars lapt krijgt een boete van tien schellingen. Niemand begrijpt precies waarom deze maatregel er in deze moeilijke tijden komt. Na de preek in Boeschepe weet ik wel beter. Vlaanderen kweekt broeihaarden dat het geen naam heeft. Begin mei wordt mijn vermoeden bewaarheid. In Gent gaat er een algemene vergadering door van de geestelijke staat van Vlaanderen. Zeg maar de topfiguren van de Vlaamse kerk. De hertogin van Parma is er aanwezig. Samen met de graaf van Egmont, al de edelen en de bisschop van Ieper.

In Ieper worden de gangbare veiligheidsmaatregelen rond die dagen wat afgezwakt. Het bezant moet niet meer bewaakt worden. Aan elke stadspoort moeten er wel altijd twee bewakers staan. Dag en nacht en zonder onderbreking. De 26ste mei komen de geestelijken nog een tweede keer samen te Gent. Het lijkt er sterk op dat de clerus niet erg op zijn gemak is.

De 16de juni 1566 is het Sacramentsdag. En die dag blijkt precies het startsein te zijn om opnieuw te beginnen prediken over het nieuw geloof. In Rijsel, Waasten Mesen, Gent, Antwerpen komen predikanten van de lering van Calvijn op straat om er voordrachten over de nieuwe godsdienst te houden. Deze sermoenen zijn als stroop voor de vliegen. Uit alle steden, dorpen en gehuchten van Vlaanderen stroomt het volk er naartoe. Werk en arbeid zijn plots niet langer belangrijk. En dat is toch wel ergerlijk om zien. De afwezigheid van zo veel werkmensen zorgt er voor dat de neringen en de ambachten zware schade ondervinden.

Dat de nijverheid en het koopmanschap teloor gaan wordt met de dag zichtbaarder. Niemand wil nog geld uitgeven. In Ieper en in de andere steden van het Westkwartier houden ze de wacht om de toeloop naar de sermoenen tegen te gaan. Er is echter geen houden aan. Op heel wat plekken in de nabijheid van de stad vinden de nieuwgelovige predikanten telkens opnieuw een gretig publiek. Ook in Armentières is dat het geval. De heren van de wet weten bij God niet wat ze moeten aanvangen met dit onbekend fenomeen.

De priesters en de bisschoppen weten het al helemaal niet. Op 7 juli 1566 houdt de bisschop van Arras een vurig sermoen in Armentières en na de mis gaat er een schone processie rond met al de heiligen en met de sacramenten. Rond de middag wordt de katholieke ritus brutaal verstoord door een aanhang van calvinisten die her en der in de straten van het stadje beginnen te prediken en overal weer veel volk op de been brengen. Ze profiteren van hun overmacht om met geweld twee van hun medestanders uit de gevangenis te gaan bevrijden.

Drie dagen later verschijnt er opnieuw een hallengebod in Ieper. Het wordt nu expliciet verboden om nog te gaan luisteren naar het gezwets van dat nieuw geloof. Wie dat toch doet riskeert om opgehangen te worden met daarbij de verbeurdverklaring van zijn of haar goed. De wacht aan de stadspoorten wordt nog opgeschroefd zodat men niet zomaar kan wegtrekken uit de stad. Gelein Damman en companie blijven echter hun gif spuien tijdens hun toespraken over de paus en zijn uitlaten. In Belle en Nieuwkerke en de omgeving daar lijkt de calvinist alomtegenwoordig te zijn en blijken de dreigementen van het Ieperse magistraat weinig indruk te maken. Het volk uit Ieper blijft immers maar toestromen om Damman aan het werk te zien en vooral te horen.

Broeder Anthonis Algoet uit Belle, een lange slungel van nog geen vijftig kilo zwaar, houdt op 22 juli een sermoen op de marktplaats van zijn thuisstad. De man heeft zijn kap over de katholieke haag gegooid en is overgestapt naar de concurrentie. Hij wordt bij zijn missieronde vergezeld van tweehonderd gewapende mannen. Enkele dagen later duikt Anthonis op in Waasten met opnieuw een massa van toehoorders.

Een deel van hen rukt op tot aan de Mesenpoort. Gewapend met zeker vijftig geweren in aanslag. Terwijl ze psalmen van David zingen. De stoet trekt door alle straten van Waasten, tot aan de markt. De bende houdt halt voor de woning van voorschepen van den Keyetten en daagt er ostentatief de lokale sterkhouder uit door het zingen van een psalm aan zijn voordeur.

Op enkele maanden tijd is de eerste Boescheepse hagenpreek uitgegroeid tot een heuse volksbeweging. Na Waasten komt Belle opnieuw aan de beurt. De prediking bij het lokale Sint-Anthoniusklooster wordt echter belet door de drie lokale gilden die het toestromende volk de toegang tot de stadspoorten beletten. Achteraf krijgen ze hulp van de baljuw die er zijn knechten op af stuurt. Wie hier trouwens geen werk heeft wordt opgetrommeld om de wacht te houden in Belle. De baljuwknechten zijn met tweehonderd en ze krijgen voor hun prestaties elke vier stuivers per dag.

De donderdag daarna is het weer prijs. Dit keer in Kemmel waar die vermetele Anthonis Algoet begint te prediken op de Dries. Met weer bijzonder veel volk van Ieper. Er is sprake van meer dan vijftienhonderd man en de kerstening van een kindje. Hier bij ons gaan de stadspoorten meer en meer dicht. Er blijven er slechts vier open. Tijdens de zondagsmissen smeken de priesters hun gelovigen om zich niet in te laten met die calvinisten, maar hun oproep lijkt vergeefse moeite te zijn.

Het gerucht wordt verspreid dat er nog diezelfde zondag sermoenen van drie andere predikanten zullen volgen. Het nieuws zorgt voor de nodige agitatie bij de poorters en voor verdere onrust bij de geestelijken en de wet. Veel stedelingen kiezen het zekere voor het onzekere en vertrekken met hun voornaamste eigendommen uit Ieper. Als decor voor hun preken hebben de heretiekers een weide vlakbij het clarissenklooster van Sint-Jan uitgekozen. Op geen tijd trekken de geuzen er drie preekstoelen op. Ze verwachten duidelijk heel veel volk. Sommigen voeren bier aan om te verkopen, anderen zorgen voor brood, vlees en allerhande etenswaren. De goegemeente fluistert dat de poorten dicht zullen blijven maar dat blijkt een vals gerucht. In de ochtenduren gaan de Boterpoort, de Antwerppoort en de Boezingepoort open en die krijgen de volgende uren een ongelooflijke toevloed van bezoekers te verwerken. Met daarbij heel wat gewapende mannen die er op afkomen om hun predikanten te beschermen.

Je moet het gezien hebben! Vanaf zes uur in de morgen krijgt onze buurstad Poperinge al te maken met een uitstroom van volk die zich op weg naar Ieper begeeft. Het is zondag en iedereen wil de Ieperse sermoenen bijwonen. Mensen van Belle en van al de omliggende plaatsen. Rond acht uur bereikt de massa mensen stilaan de Ieperse Boterpoort. Velen van hen zijn voorzien van geweren. Hun psalmen weergalmen door de straten, een diepgelovige bende. Maar waarom keren ze zich af van onze moeder de katholieke kerk? Rond negen uur noteer ik de aankomst van de predikanten. In het gezelschap van wel tweeduizend gewapende kerels die in het bezit zijn van bussen, pistoletten en andere geweren. Ze komen Ieper binnen via de Mesenpoort en wat later stappen ze zelfverzekerd door de oude poort die leidt naar het klooster van Sinte Clara.

Terwijl de Ieperlingen met man en macht de grote markt en de meeste poorten gesloten houden, speelt alles zich voornamelijk af buiten de feitelijke stad. De predikanten blijken met zijn twee te zijn. Broeder Anthonis en broeder Jacob, een gewezen augustijn. Die laatste is een bebaarde corpulente man met bolle wangen. Anthonis ziet er jonger en gespierder uit en heel erg zelfverzekerd. Hij trekt met zijn charisma meer volk dan zijn collega Jacob. Samen prediken ze voor een massa van wel vijfentwintigduizend mensen. Een volkse mengelmoes van doodgewone kinderen, vrouwen en mannen. Hun veiligheid wordt verzekerd door wel duizend geweren. De sermoenen duren zeker twee uur en worden gehouden op een bilk aan de zuidkant van het clarissenklooster.

Tussen het optreden van de calvinisten door probeert de Ieperse bisschop Rythovius krampachtig de schijn hoog te houden tijdens de gebruikelijke zondagsmissen van acht en negen uur. Hij predikt alsof zijn leven er van afhangt. Toch zijn alle ogen gericht op wat zich buiten de stadsmuren afspeelt. Na de alternatieve diensten stroomt het volk binnen in de stad. Duizenden psalmenzingende mensen overrompelen Ieper. Het lijkt er wel op dat ze in trance zijn. Opnieuw valt het op hoeveel van hen voorzien zijn van bussen, pijken, hellebaarden, pistoletten en andere geweren. Broeder Jacob verlaat de stad via de Boterpoort en broeder Anthonis gaat een mondje eten in de binnenstad. Grote honger van al zijn monologen heeft hij gekregen. Rond drie uur in de namiddag komen Jacob en zowat driehonderd van zijn gezellen door de oude poort gestapt en via een tussenstop aan de Mesenpoort verdwijnen ze dan toch uit Ieper. Ik hoor velen een zucht van opluchting slaken.

De volgende dag staat broeder Jacob er opnieuw. Het is amper maandag en toch alweer hoog tijd voor een volgend sermoen. Het scenario lijkt op dat van gisteren. De zomer weigert om roet in het eten te gooien. De dagen met schitterend weer rijgen zich aan elkaar. De zwoele temperaturen maken de mensen zelfverzekerd en zorgen vandaag opnieuw voor een toeloop van veel gewapend volk uit de buitengemeenten. De landmannen zullen zichzelf wel beschermen tegen de wet en de katholieke overheid. En de volgende dag komt Poperinge nu zelf aan de beurt. Weer broeder Jacob. Het is voortaan elke dag prijs. Belle, Nieuwkerke, Kemmel, Waasten en de hele omgeving. De volgende zondag spreekt Jacob in Cassel voor een ruime schare toehoorders. De menigte daar is er niet helemaal gerust in. Het gerucht loopt dat mijnheer van Moorbeke wel eens met grove middelen de manifestatie uit elkaar zou komen slaan. Maar dat gebeurt lekker niet.

De zelfverzekerdheid van de eenvoudige mensen groeit met de dag. In groep voelen ze zich onaantastbaar. Het duurt niet lang meer voor de eerste kwalijke symptomen van hun overmoed zich gaan manifesteren. Het aantasten van de katholieke concurrentie, het beschadigen van kapellen links en rechts. Zo bijvoorbeeld de 12de augustus. Een snikhete dinsdag. Opnieuw een sermoen, ditmaal op de markt van Belle waar traditiegetrouw veel volk opdaagt. Onder hen zeker vijfhonderd verhitte Walen en die dringen er op aan om de kerk binnen te gaan. Daar wordt uiteindelijk van afgezien, dan trekken ze maar naar het klooster van Sint-Anthonius waar ze de ‘baetselier myn heeren’ hopen te vinden. De abt en zijn monniken hebben de bui vermoedelijk al zien hangen en zijn het gisteren al afgetrapt richting Ieper. Hun afwezigheid frustreert de opgehitste Walen die er nu niets beter op vinden dan de deuren van het klooster open te breken.

Terwijl de graaf van Egmont op bezoek is in Ieper storen de indringers zich in Belle allerminst aan zijn aanwezigheid. De kerk van Sint-Anthonius moet er aan geloven. De heiligen en hun altaren worden afgesmeten en vernield. De glasramen aan diggelen gegooid. De spijzen en de miswijnen wordt opgegeten en opgedronken en alles wat ook maar enigszins breekbaar is wordt in gruzelementen gekwakt.

De 14de augustus speelt zich een gelijkaardig scenario af in Poperinge. Op het kerkhof houdt een zekere Bastiaan Matten er een sermoen. Achteraf blijken de lokale kerken samen met de kapel van de grauwe zusters nu kop van jut te zijn. De inboedel wordt er gebroken en vernield, het heilig sacrament wordt onteerd. Er blijft niets intact. Zoals gezegd is Egmont op dat moment al gearriveerd in Ieper na zijn doortocht in Brugge. Hij verbiedt nu uitdrukkelijk het dragen van wapens tijdens de preken. De bewoners moeten hun eigen steden van predikers vrijwaren en trouw blijven aan de koning en de hoogbaljuw. Ik vraag me af of de geest van de revolutie al niet al lang uit de fles is.

De volgende dag wordt mijn vrees direct bewaarheid. Op hemelvaartdag van 1566 houden de Ieperlingen de Diksmuidsepoort zo goed als gesloten. Bastiaan Matten die daags voordien al lelijk huis heeft gehouden in Poperinge is nu op komst naar Ieper. De woorden van Egmont maken niet de minste indruk op hem. Matten heeft arrogantie te koop. Je zou het hem bij het eerste zich niet toegeven. Een klein manneke van hooguit een meter zestig. Maar wat voor een aura, welke uitstraling laat hij hier toch zien. Hij dweept al heel wat jaren met zijn protestants geloof. Door zijn overtuiging moest hij ooit op de vlucht slaan naar Engeland waar hij het geschopt heeft tot een overtuigende en agressieve prediker. De veertiger heeft blijkbaar zijn Engelse episode achter zich gelaten en richt zijn vizier voortaan op de katholieke beau monde van Vlaanderen en de Westhoek.

Matten ziet zichzelf als een militieleider die strijdt voor zijn geloof. Hij is vergezeld van een bende gewapend volk. Ik overdrijf zeker niet als ik zijn entourage kan omschrijven als een privéleger van ontevreden calvinisten. Kwaad op de katholieken en hun vermaledijde symbolen. De kerken en kloosters werken op hen in als rode doeken op het netvlies van een stier. De godshuizen in Vlamertinge en Elverdinge krijgen als eersten de volle lading drek over zich heen. De toegang tot hun kerken wordt geforceerd en alle beelden worden er aan diggelen gegooid. Achteraf zullen ze de vernieling gaan omschrijven als een beeldenstorm, een perfecte omschrijving van hun haast onverzadigbare wraakzucht. Ook een godshuisje tussen Elverdinge en Ieper loopt zware averij op.

Daarna komt de kapel van de augustijnen aan de beurt, gevolgd door de kerk van Brielen, Sint-Jan en de kapel van de clarissen. De schade is er niet te overzien. In al de kerken gaat de wijn verloren. Verloren is feitelijk een verkeerde omschrijving van mijnentwege; de rebellen slobberen die natuurlijk allemaal zelf uit. De drank maakt de mannen nu nog wilder en roekelozer. Het duurt nu niet lang meer voor ze aan de stadsmuren van Ieper arriveren waar ze aandringen om binnen te mogen in het centrum. Iets wat hen natuurlijk niet toegestaan wordt. Ze zouden wel goed gek zijn om zoiets te doen! De wachters hebben daarbij geen rekening gehouden met de wetenschap dat Ieper uitpuilt van de poorters die grote sympathie koesteren voor het nieuw geloof en nu gewapenderhand de poorten voor hun calvinistische broeders openen. Het vervolg laat zich raden: ook hier ondergaan de Ieperse kerken een eerste vernielingsronde.

De tegenreactie van het stadsbestuur laat niet lang op zich wachten. Deze rebellie kan allerminst door de beugel. De arm der wet lacht niet met dergelijke insubordinatie. De diverse ambachten en gilden worden allemaal geconvoceerd om op de markt te verschijnen. Onder hun respectieve banieren. De ambachtslieden moeten er zich aanbieden bij hun hoofdmannen. Dertig Hondschotenaars die meegekomen zijn met predikant Matten worden gevangen genomen. De volgende nacht houden duizend mannen Ieper onder controle. Aan de vier hoeken van de stad branden er grote vuren. Het blijft nochtans de hele nacht betrekkelijk kalm. Een labiele en gevaarlijke rust. De stilte voor de storm.

Bij het aanbreken van de volgende morgen is het al direct pantomime. Storm. En meer dan dat. Wat bezielt de mensen toch om zo burgerlijk ongehoorzaam te zijn? De opruiende sermoenen moeten hun ogen echt wel geopend hebben. Wat er precies verteld werd kom ik niet direct te weten. Het zal wel weer deze goedverkopende zwans geweest zijn dat de katholieke priesters hun zakken vullen terwijl de mensen het zo moeilijk hebben om het hoofd boven water te houden. Goedkope retoriek natuurlijk, maar de effecten van de geuzenpropaganda zijn wel duidelijk.

De meeste van mijn buren en vrienden laten zich als goedwillige prooien vangen aan de opruiende taal. De belofte van een nieuwe democratie vergezeld van een diep geloof in God, maar dan wel zonder deze kerk van gulzige geestelijken. De ambachtslieden die de stad vannacht nog beveiligden, blijken vanmorgen in geen velden te bespeuren. Het lijkt er wel op dat ze de zijde hebben gekozen van de ontevreden man in de straat waar ze per slot van rekening zelf deel van uitmaken. Een groepje mensen uit Hondschote biedt zich aan om misdiensten bij te wonen in de Ieperse kerken en krijgt er warempel de toelating voor. ‘With a little bit help of your friends’. Misdoen mag ik hier wel letterlijk nemen. De heiligenbeelden krijgen er weer van langs.

De kapel van de grauwe broeders deelt in de brokken. De burgemeester en zijn schepenen lopen haastig tot ginder, maar kunnen niet veel anders dan hulpeloos toe te kijken. Ze laten de briesende mannen hun gang gaan. Wat later worden er nog eens dertig Hondschotenaars binnengelaten, maar het zijn toch onze eigen inwoners die de grootste malheuren aanrichten. De kerk van de predikheren wordt nu bestormd en tot een bouwval herleid. De priesters en hun pracht en praal zijn de gebeten honden. Kinderen, pubers en alle soorten van gewone mensen breken de inboedel af, lopen en stormen door het heilig gebouw, vreten en zuipen wat ze vinden. De kerk van Sint-Niklaas ondergaat wat later hetzelfde lot. De doopvont wordt brutaal ondersteboven gegooid. Het groot orgel en de reeks altaren worden verbrijzeld zodat er haast niets meer intact blijft binnen in het gebouw.

De bisschop zal niet tevreden zijn. Want ook Sint-Maartens krijgt nu de volle lading. De ongelovige bastaarden keilen orgels, altaren, boeken, smeedwerk op de grond en vertrappelen ze met stampende en springende voeten. Vooral de oude boeken zijn kop van jut, samen met de heiligenbeelden, de zo gehate symbolen van de katholieke dwingelandij van de pauselijke kliek die er altijd maar op uit is geweest om de werkman klein te houden. Het ongenoegen zit diep bij mijn medeburgers. Zelf het altaar van Maria en haar beeltenis worden naar de verdoemenis geholpen. In mijn ontsteltenis vergeet ik haast om hen te pardonneren door zelf een Weesgegroetje te bidden.

Ik herken mijn eigen medeburgers niet meer. Brave lieden zijn op geen tijd veranderd in regelrechte hooligans. Varkens. Hun adoratie voor Maria en haar afbeeldingen is er een van ‘scheer je weg’ in de plaats van ‘wees gegroet’. Ik ben ervan overtuigd dat God ons binnenkort zwaar zal straffen voor de ontheiliging van al zijn kerken en kloosters hier in Ieper. Alleen de kapel van de zwarte zusters ontsnapt aan de volkswoede. Vijftien man van de hoogbaljuw houden het klooster beveiligd zodat hier amper schade zal aangericht worden.

Rond tien uur komt er een oproep van de burgemeester dat alle katholieken zich een uur later naar de markt moeten begeven om de niet gebroken heiligenbeelden asap in veiligheid te brengen. De voogd vreest immers een nieuwe raid van de andersgelovigen. Die houden zich op dat moment op in de kerk van Brielen waar de geuzen de baby van Joos de Kerlis op hun eigen manier dopen. Rond de markt tekenen een deel christelijke ambachtslieden en hun respectieve hoofdmannen nu wel present. Met een klein hartje, dat wel. Kunnen ze wel opboksen tegen deze kolkende massa heretiekers? Gelukkig laten die het centrum links liggen, zodat een directe confrontatie vermeden wordt.

Bij het verlaten van de stad laten de heretiekers een spoor van ravages en vernielingen achter. Daarbij volgen er nog nieuwe inbraken in verscheidene kloosters en kerken. De kerk van Sint-Maartens wordt nog een keer slachtoffer van hun geweld. De heren van de wet kunnen er gelukkig twee beeldenstormers oppakken. Een andere probeert tot bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw bovenop de voute van de lakenhalle te geraken. Maar de boosdoener wordt na het nodig gedoe door mijnheer de voogd gevangen genomen, maar vreemd genoeg wat later weer op vrije voeten gesteld.

’s Anderendaags is het zaterdag en dus marktdag. De bewaking aan de stadsmuren en de poorten blijft streng. Er gaan slechts vier poorten open om het volk dat naar de markt wil binnen te laten. Veel volk vandaag want de prijs van het koren stijgt sneller dan gedacht. De nietsnutten die gisteren probeerden de beelden van Sint-Maartens te vernielen, worden tot boven in de schepenkamer van de lakenhalle gebracht waar ze grondig ondervraagd worden. Er is iemand bij van Armentières. Hij zal om vier uur opgehangen worden aan de schandpaal. En dat omwille van een diefstal die hij gepleegd heeft in het huis van de celbewaarder. Dat staan tenminste toch geschreven op een biljet dat aan zijn schandpaal gespijkerd is.

Na een nacht waar er weer stipt gewaakt werd breekt de zondag aan. De zenuwen staan overal gespannen. Broeder Willekin van de augustijnen heeft tot mijn ontsteltenis de kant van het nieuw geloof gekozen en houdt in Elverdinge zijn eerste alternatief sermoen. Normaal gezien zal broeder Jacob in de namiddag komen spreken in Brielen en stroomt het volk er nu al toe. Maar Jacob treuzelt hier en daar wat te lang zodat hij niet tijdig ter plekke geraakt. Om te vermijden dat het volk zou vertrekken haast Willekin zich naar Brielen waar hij nog eens zijn sermoen van Elverdinge herhaalt.

Jacob duikt maar op rond 16u30. Hij komt van Belle, gereden op een wagen en begeleid door vijfentwintig mannen. Nog diezelfde dag wordt een rebel bij de lurven gevat. Een zekere Louis Schelewaert die direct naar het huis van de Zale geleid wordt. Ondertussen doopt broeder Jacob enkele kinderen. Of het er nu drie of vier zijn kan ik niet met zekerheid zeggen. Op maandag komt er opnieuw een bevel van mijnheer de burgemeester. In elke straat krijgt een notabele er de opdracht om zijn buren op te zoeken en hen te doen zweren om bijstand te verlenen in geval van nood. Iedereen moet zijn handtekening plaatsen op een document waarbij ze zich engageren om de koning en de stad trouw te blijven.

Na de middag wordt het schavot opgetrokken voor het huis van de kasselrij op de markt. Schelewaert, een jonge gast van amper twintig jaar, zal er opgehangen worden omwille van zijn aandeel in de aanval op de kerk van Voormezele. Het plaatsen van de handtekeningen door de poorters van Ieper loopt trouwens helemaal niet van een leien dakje. Ik heb het jullie al eerder verteld dat de meeste mensen in hun hart eigenlijk de kant van het nieuw geloof kiezen. Een fenomeen dat natuurlijk duidelijk wordt nu ze verplicht worden om de zijde van het establishment te kiezen. Het merendeel van de inwoners weigert om te tekenen. Wie in het begin van de dag nog getekend had en moet vaststellen dat de meesten dit achteraf weigeren, komt op zijn stappen terug en vraagt om de schrapping van zijn of haar handtekening.

Tijdens de nacht van maandag of dinsdag wordt de wacht gehouden door lieden die niet onder een of andere hoofdman staan. Op dinsdagmorgen verandert de beurtrol wanneer Jan Maillaert de leiding op zich neemt. Het spel van de geweigerde handtekeningen krijgt nu natuurlijk nog een staartje. Wie niet getekend heeft, moet op zijn minst zweren en beloven dat hij of zij de vreemde predikanten uit de stad zal weren. Het lijkt er echter opnieuw op dat een groot deel van de poorters daar niet mee akkoord gaat.

In het naburige Rijsel is de spanning eveneens te snijden. Het gaat er heel kwalijk aan toe. Er wonen daar nogal wat Ieperse families. Rond Rijsel verzamelen zich heel wat mensen. De ene tumultueuze vergadering volgt op de andere terwijl ze in de binnenstad alleen maar bang moeten afwachten op het vervolg van al deze demagogie. Het stadsbestuur zoekt zowel binnen als buiten de stad naar vrijwilligers om de poorten te bewaken, maar het spel eindigt net zoals bij ons met het binnenbreken van kerken en kloosters waar alles teniet wordt gedaan. Onder de hooligans bevinden zich nogal wat gepeupel uit Belle en Nieuwkerke. Overal waar ze verschijnen sluiten de priesters haastig de deuren van hun kerken. Alle misvieringen worden afgelast buiten diegenen die in het geheim doorgaan.

En op de vrijdag duikt broeder Anthonis Algoet op in Langemark waar hij met hart en ziel staat te prediken. Die namiddag verhuist hij naar Brielen om er enkele kinderen boven de doopvont te houden. De zondag die daarop volgt is het 19 augustus. Er is sprake van een nieuwe predikant die twee keer een optreden geeft. Op dinsdag en woensdag herhaalt hij dat in Zuidschote en Noordschote. In Ieper heerst er nog altijd grote nervositeit bij de geuzen. De nieuwlopers worden trouwens ook wel hugenoten genoemd. Zo worden ze in Frankrijk omschreven. Blijkbaar zijn er gesprekken aan de gang met de magistraten van Ieper. Gesprekken, feitelijk zou ik het ‘eisen’ mogen noemen, eisen dat bewoners voortaan niet meer zullen gestraft worden als ze sermoenen van de calvinisten wensen bij te wonen. De wet houdt zijn antwoord in beraad. De spanning loopt daardoor verder op.

Het blijft sowieso een wazige tijd. De 24ste augustus is een donderdag. En toch klingelen de klokken niet om aan het werk te gaan. Sommigen werken. Velen vertikken het. De meeste mensen lopen buiten de stad op weg naar Brielen waar er weer zal gepredikt worden. Om negen uur is de kerk er al gezuiverd van ongelovige symbolen en beginnen de grote klokken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk plots te luiden. Voor de eerste keer sinds hemelvaartdag. De hoogbaljuw, de voogd en de schepenen verschijnen er ostentatief om er een katholieke misdienst bij te wonen. Ondertussen wordt de wacht nog uitgebreid. De geuzen van hun kant hebben blijkbaar opgeroepen om herrie te maken. In de kerk van Sint-Maarten gaan er twee christelijke eucharistievieringen door. Eentje voor het altaar van Sint-Andries, een andere ter hoogte van het hoogkoor. De bisschop tekent er present. De opkomst van katholieken is beduidend hoog.

De 25ste gaan er protestantse sermoenen door in Poperinge. Pieter Hazaert neemt er het woord. Ik heb me laten vertellen dat deze Hazaert een gerespecteerde Poperingenaar is. Op zaterdag verstuurt de wet van Ieper een plakkaat naar de buitengemeenten dat niemand nog geweren mag dragen tijdens de verboden sermoenen. Wie opgepakt wordt, zal hebben en houden verliezen. Het wordt onder andere streng verboden om oproer te maken of om schade aan te richten in kerken. Het breken van beelden is taboe en wie iemand daarbij betrapt moet eigenhandig optreden om de heiligensculpturen van schade te vrijwaren.

Op zondag 1 september gaan de katholieke diensten door zoals gebruikelijk. De vroegmissen gevolgd door een serie misvieringen. De bisschop zorgt zelf voor een omstandig sermoen. De schaapjes dienen extra in toom gehouden te worden. En volk in de kerk, zo veel mensen hebben ze hier nog nooit gezien. Ook in Brielen worden er katholieke sermoenen gehouden, net zoals trouwens in Sint-Maartens en in Sint-Pieters. Alleen de kerk van Sint-Niklaas blijft die dag dicht. De andersgelovigen laten zich evenmin onbetuigd. Bij het klooster van de predikheren komt er veel volk opdagen om te luisteren naar een geuzenpreek. Dat is ook het geval op zondagnamiddag in Vlamertinge, de predikant daar heeft trouwens ook al een show gegeven in de voormiddag te Brielen.

Op 2 september zit het in de roep dat Pieter Hazaert zal komen prediken in Brielen waar veel volk op hem gaat wachten. Maar uiteindelijk komt er een andere calvinistische priester aan het woord. Hij vertelt in zijn sermoen dat de pas overleden Clays Florizoone op de nieuwe manier zal begraven worden. De dienst vindt plaats om twaalf uur en zorgt achteraf voor een grote toeloop van volk. Iedereen is benieuwd naar die nieuwe manier van begraven. Allemaal heel erg langdradig van opzet tot de burgemeester erbij komt om poolshoogte te nemen van wat er hier in Brielen allemaal aan de hand is. Die burgemeester, ook wel onze ‘voogd’ genoemd heet François van Houtem. Een grijze afstandelijke vijftiger met een stuurs gezicht die vaak nooit de moeite doet om zijn bakkes te openen. Nu wel.

‘Hewel vrienden, wat heeft dit hier allemaal te betekenen?’ roept hij uit tot het gezelschap bij de lijkkist. ‘Wat staan jullie hier te staan, moeten jullie niet aan het werk gaan?’ Van Houtem gaat verder; ‘schamen jullie zich niet om al jullie beroering in de stad?’ Totdat de ene of de andere de burgemeester van antwoord dient: ‘ik heb evengoed het recht als gij om hier in de straten van “God den here” rond te lopen!’ Waarop de voogd in een Franse colère schiet en hij al kijkt in de richting van de bende hellebaardiers van zijn politiechef Jacob de Ronsenaere.

Gelukkig komt er een zekere Sael Bouve uit het publiek om de gemoederen wat te kalmeren. ‘Komaan mensen, luister eens naar mijnheer de voogd’. Met de hellebaard in de hand dwingt hij de aanwezigen om het af te druipen. Blijkbaar is de predikant op dat moment zelfs nog niet eens aanwezig. Bouve en zijn mensen stappen naar het lijk en dragen het op hun schouder naar het kerkhof. Het lijk van Clays Florizoone is enkel bedekt met een slaaplaken en van een baarkleed is geen sprake. Daar wordt de afgestorvene begraven onder het zingen van psalmen en natuurlijk ook onder de aarde.

François van Houtem is ondertussen al vertrokken. Terug naar de markt van Ieper. Ter hoogte van herberg ‘De Zwaan’ komen de hoogbaljuw, eerste schepen Bulteel en griffier Coorte hem met vier of vijf van hun assistenten tegemoet. Van Houtem is nog altijd razend en dient nu formeel klacht in tegen de begrafenistoeristen. Samen stappen ze nu naar het kerkhof van Sint-Niklaas waar veel volk samengetroept staat bij het graf van Florizoone. Veel volk betekent wel duizend man, onder hen de vrouw en de kinderen van de dode man.

Terwijl de stoet zich aan het ontbinden is (eigenaardige omschrijving voor een begrafenisstoet trouwens) grijpt de hoogbaljuw in. ‘Staat’, roept hij uit. Sommigen menen het woord ‘slaat’ uit zijn mond te horen en roepen ‘moord en slaat’ als tegenreactie. De mannen lopen direct storm, duwen de vrouwen en de kinderen omver in hun haast om de respectloze notabelen hier aan te pakken. Stampen en slaan, geharrewar alom. Het komt wat verderop tot een regulier gevecht bovenop het graf van de recent begraven dochter van Germaine Bastiaens die getrouwd was met Metsee van der Backs. Na de confrontatie plegen de geuzen overleg hoe ze bij het gerecht klacht kunnen indienen tegen de agressie van hun stadsbestuur.

Twee dagen later, de vierde september, arriveert predikant Hazaert alsnog aan de Ieperse stadspoort. Hij wordt er de toegang geweigerd door Pieter Emeloot, maar geraakt via de Tempelpoort dan toch binnen. De naweeën van de uitbarsting op het kerkhof zijn nog altijd zichtbaar. Er wordt niet gewerkt. Staking, burgerlijke ongehoorzaamheid zeker? De mensen zijn verbolgen. ‘We willen de spons gooien over de rellen tijdens de begrafenis van Clays Florizoone’, laat de voogd weten, ‘maar dan dienen jullie wel allemaal aan het werk te gaan.’ Velen werpen op dat ze niet eens een job hebben. ‘Kom maar naar het stadhuis’ repliceert van Houtem, ‘wie geen werk heeft mag zich komen inschrijven om te dienen onder het bevel van stadskapitein Simon Uyttenhove. Korte na de middag roffelen de trommels dat iedereen die trouw is aan de koning zich zoals afgesproken moet komen aanmelden. De bisschop doet er nog een schepje bovenop met zijn sermoen van 17 uur.

Op 5 september dienen er zich tweehonderd mannen aan in de lakenhalle waar ze hun eed aan de vorst en de baljuw moeten afleggen. Terwijl ze er bijeen rotten krijgen ze het gezelschap van mijnheer Vendeville en een zekere predikant Jacobus. ‘Leve de geuzen’, roepen die uit. De mannen weten niet goed wat ze er moeten van denken. Blij zijn ze natuurlijk wel met deze officiële verklaring van deze officiële instanties. Vendeville en Jacobus gaan achteraf logeren in ‘Het Zweerd’ waar ze ’s avonds tijdens hun avondmaal het gezelschap krijgen van enkele heren van de wet. Het is toch wel verrassend dat er ook binnen ons stadsbestuur sympathieën bestaan voor het geloof van Luther. Deze wetenschap biedt schitterende opportuniteiten voor de calvinisten hier in onze stad.

Het is nog vroeg in de morgen van de 6de september als de bisschop alweer een preek geeft. Om zeven uur om precies te zijn. Terwijl de regen in bakken neerplenst blazen de geuzen verzamelen voor ‘Het Zweerd’ en op de markt. De nieuwgelovigen leggen een petitie voor bij Vendeville en de vier schepenen. Ze willen graag kerken en plaatsen waar ze mogen samenkomen om hun diensten te houden en om te luisteren naar de calvinistische sermoenen. ‘Leve de geuzen’ buldert de massa. Tot drie keer toe. Bij hun terugtocht gaat het er weer woelig aan toe. ‘Wij willen ons geld’, scanderen ze. De trommels roffelen ten teken dat elk van hen drie muntstukken mag gaan afhalen. Ondertussen wordt er opgeroepen om als plichtbewuste geuzen zeker aanwezig te zijn diezelfde namiddag in de kerk van Brielen. Om 14 uur. In een tot de nok gevulde kerk spelen zich ’s namiddags zonderlinge zaken af waar zelfs ik het fijne niet van weet. Men doopt er in elk geval opnieuw een kind.

De 7de september weerklinken de trommels in de Ieperse lucht. ‘Iedereen die zin heeft om te werken mag zich komen aanmelden. Men zal de werkwilligen inschrijven.’ Gerechtsdienaar Jan De Visch komt de stad binnen met vier gevangenen die hij opgepakt heeft te ‘Heykinen’ in de buurt van Poperinge. Dat gebeurde al op de laatste dag van augustus. De sukkelaars worden nog diezelfde dag voor de vierschaar gebracht. Drie van hen belanden op de vuurstapel, de vierde zal worden geradbraakt. Het podium waar de terechtstellingen zullen doorgaan wordt alvast in gereedheid gebracht. Het schavot staat pal voor ‘Het Zweerd’. Een wiel, een rad dat zal gebruikt worden om justitie te doen wacht al op de markt, bij een houten huisje en vlak voor het bezant. Kapitein Simon Uyttenhove wacht er met zijn manschappen om er de goede orde te verzekeren. Net zoals zeven gerechtsdienaars.

Rond die tijd biedt predikant Pieter Hazaert zich aan bij de stadspoorten. Hij begeert het om binnen de stad te komen. Om halfeen is dat, de terechtstellingen op de markt zijn nog niet eens begonnen en de wachten laten hem veiligheidshalve niet binnen. ‘Maar weet je wat’, vertellen ze hem, ‘je kom beter terug met twintig à vijfentwintig man’ en dan zullen we je binnenlaten. Ik heb er zo mijn bedenkingen bij. Hazaert haast zich naar het nabijgelegen Brielen en binnen de kortste tijd staat hij terug aan de stadspoort met twintig gewapende mannen naast zich. De poorten gaan nu wel open en de wachten laten de gasten binnen om met geweren op hun schouders te komen kijken naar de executies voor het bezant.

Rond twee uur in de namiddag wordt het eerste slachtoffer geradbraakt. Een jonge vent van vierentwintig. Ik heb er medelijden mee want het is triestig om zien. Daarna komen de andere drie aan de beurt. Allemaal samen in één vuur. Het houten huisje gaat met zijn menselijke inboedel in de vlammen op. De schout staat er bij en kijkt er naar. Er is trouwens bijzonder veel volk getuige van de terechtstellingen. Het is al voorbij 16u als men de vier lijken buiten de Boterpoort transporteert en aan masten ophangt. De Ieperlingen van binnen en buiten de stadspoorten mogen best eens zien waar burgerlijke ongehoorzaamheid naartoe leidt.

Diezelfde dag nog predikt Hazaert in Brielen. Dat is op een zaterdag en de achtste september, een zondag dus, biedt er zich al meteen een nieuwe predikant aan. Meester Robert Willent een Ieperse schoolmeester nota bene, steekt een sermoen af en dat gebeurt opnieuw in Brielen, een buitengemeente die blijkbaar erg in trek is bij de heretiekers. Bisschop Rythovius biedt vanzelfsprekend het nodige katholieke tegengewicht vanop zijn preekstoel. En twee dagen later nog maar eens een vlammende speech om zeven uur, terwijl het nu aan meester Robert Vlamen is om voor de protestanten te preken in datzelfde Brielen.

Het lijkt een straatje zonder einde te zijn. Woord en tegenwoord. De beste God en de beste kerk. Wie zal het zeggen? Op zaterdag 14 september is de bisschop al opnieuw aan het woord in de zevenurenmis. De graaf van Egmont is ondertussen op komst van Kortrijk. Alle mannen die onder het stedelijk bevel staan worden opgetrommeld om zich aan te bieden bij Egmont. Ze troepen samen op de markt en gaan zich vanaf 15u opstellen tussen de Klierstraat en de Houtstraat. Rond 17u30 rijdt de baljuw binnen samen met nog een viertal heren de stad buiten via de Antwerpse poort en een half uurtje later rijdt graaf Egmont met zijn gezelschap via diezelfde toegang binnen in de stad.

Die Egmont ziet er me geen kwade uit. Een kalende man met een prima verzorgde rosse ringbaard en heldere grijsblauwe ogen. De graaf heeft iets over zich wat ik niet echt kan definiëren. Hij straalt echt wel autoriteit uit in zijn majestueuze kledij, gezeten op een schitterende merrie. Met de sabel in aanslag. Bij zijn aankomst in de Antwerpstraat schieten zijn manschappen hun geweren af en dat scenario herhaalt zich nog eens bij de aankomst op de markt. Egmont zich gelden, dat is maar al te duidelijk. Achteraf gaat hij logeren in de woning van Jan van Rootswas.

Er lopen heel wat vreemde sjarels rond in de stad. Veel volk van de omgeving. Lieden van Belle, Poperinge, Armentières, Nieuwkerke en daaromtrent. Ze hebben allemaal de intentie om tot bij graaf Egmont te geraken om hem een verzoek te kunnen voorleggen. Blijkbaar geloven ze dat de graaf openstaat om hen godsdienstvrijheid te beloven. Er is opvallend veel paardenvolk in de stad. Wel vierhonderd ruiters om de rust binnen de stadsmuren te verzekeren. Natuurlijk geen paarden in de kerk op zondag maar wel bisschop Rythovius die een hele preek te berde brengt over het evangelie van de tien melaatsen. Egmont en zijn edelen tekenen present in de misviering. Het volk in de kerk deinst achteruit wanneer de graaf zijn intrede doet en zich voor het hoofdaltaar gaat plaatsen. Na de dienst volgt er een extra dienst in het hoogkoor. Pas daarna vertrekt Egmont naar de grote markt.

Die morgen predikt Hazaert in Brielen. Ik had niets anders verwacht. Er komt heel veel volk op af. De mensen moeten hun wapens achterlaten aan de stadspoorten en kunnen pas dan deelnemen aan de viering. In de namiddag is er nog een optreden gepland van Hazaert, opnieuw in Brielen. Nog diezelfde zondag houdt men een katholieke vroegmis in de kerk van Sint-Niklaas.

Maandag 16 september 1566. Er is heel wat beroering merkbaar bij de geuzen. Ze meenden grote troost te krijgen van de graaf, maar komen bedrogen uit. Beatris Steurtebier heeft het nieuws opgevangen in ‘het Scaepshooft’. Rond negen uur in de morgen blazen ze verzamelen in de kerk van Brielen. Ze krijgen daar de droge mededeling dat er niet langer mag gepredikt worden in de kerken, kapellen en heilige plaatsen waar er katholieke misdiensten gehouden worden. Deze gebouwen zijn exclusief bestemd voor de katholieken. Het aantal predikanten wordt ook strikt beperkt. Maximum twee mogen ze er hebben en dan nog mensen die hier geboren zijn. Met daarnaast nog enkele andere beperkende maatregelen. Graaf Egmont is raar uit zijn pijp gekomen. De nieuwgelovigen begrijpen niets van deze onverwachte wending en druipen verstoord af. Dat kan hij toch niet menen?

Maar Egmont meent het heel ernstig. Nog diezelfde avond laten de geuzen aan hun achterban weten dat ze om zeven uur de volgende morgen hoe dan ook een nieuwe dienst zullen organiseren in de kerk van Brielen. Er komt op dinsdag opnieuw heel wat volk opdagen, maar de toegang tot de kerk blijft op bevel van de graaf gesloten. Er volgen nu heel wat heen en weer twistgesprekken met Egmont. Die gaat op dinsdagnamiddag samen met zijn edelen op bezoek naar het Zaalhof om er de werken die daar op dat moment worden uitgevoerd te inspecteren. Er staat ook een bezoek aan de weduwe van Pieter van Houtem op het programma. Ondertussen krijgt Egmont nu en dan brieven toegestopt. Er wordt zelfs geïnsinueerd dat er een persoonlijke brief van de koning bij zit.

De 18de vertrekt Egmont samen met zijn adellijke achterban naar Armentières. Ze rijden hier weg om zeven uur in de morgen. De geuzen wrijven zich in de handen. De bisschop is dan al begonnen aan de vroegmis terwijl het gepeupel zich in Brielen al opnieuw naar de kerk haast om er te gaan luisteren naar hun gebruikelijke geuzenpreek. Als de kat van huis is. Na het sermoen duiken de autoriteiten op. De hoogbaljuw, de burgemeester, de lieden van de wet, de luitenant van de graaf en nog enkele edelen. ‘Jullie mogen echt niet meer preken in de katholieke kerken’. Egmonts boodschap wordt nog eens herhaald. Samen met de verordening dat de calvinisten zich moeten tevreden stellen met maar twee predikanten, mensen uit eigen streek en zeker geen vreemdelingen of buitenlandse praatjesmakers.

Er wordt plots gezwaaid met een eigen plek voor de andersgelovigen. Een eigen locatie om er diensten te houden, te bidden en te luisteren naar hun predikanten. Daar mogen ze hun tempel bouwen. Dat verrassend voorstel van het stadsbestuur hebben ze nog niet eerder gehoord. Hun eigen huis kunnen ze krijgen op voorwaarde dat ze er niet de draak zullen steken met de katholieken en met de christelijke leer. Praten over het evangelie is wel mogelijk. Voor de rest dienen ze de dezelfde symbolen van de katholieke kerk te hanteren. Ik veronderstel dat het hier gaat om het kruisteken. Blijkbaar valt het al bij al verstandig voorstel in niet al te goede aarde. Het ‘Nee wij, nee wij’ verbaast de heren van de wet in elk geval. En de predikant ter plekke in Brielen is een jongeman die nog nooit eerder gepredikt heeft.

De geuzen blijken inderdaad ontstemd over de voorstellen van de Ieperse voogd. Die avond blijft de Mesenpoort open staan, zij het wel met bewakers die de toegang in de gaten houden. De andere poorten zijn dicht. Aan de Mesenpoort wordt graaf Egmont om 7 uur ’s avonds terug in Ieper verwacht. Op het aangekondigde tijdstip arriveert hij er effectief met in zijn zog een gezelschap van vijftig ruiters. Bij het binnentreden van Ieper stappen twee lakeien met een brandende toorts voor de graaf uit. Egmont begeeft zich direct naar zijn logement bij Jan van Rootswas.

De heretiekers zijn ondertussen erg benieuwd om te weten hoe een en ander verlopen is in Armentières. Hebben hun zielsgenoten daar dezelfde orders ontvangen? Graaf Egmont is niet eens een etmaal weg geweest. Hij heeft daar in elk geval een heilige mis laten opdragen. Sommigen vertellen dat Egmont er volledige vrijheid van religie heeft toegestaan en dromen nu al luidop dat dit ook hier in Ieper het geval zal worden. Het roddelen en de wishful thinking verspreiden zich als mussen door de lucht. Rond de middag verschijnt er een plakkaat voor de lakenhalle. Iedereen moet ter plekke blijven. Niemand mag weg, niet te voet en zeker niet te paard. Bevel van het hof. Op het gevaar af van opgehangen te worden. De boodschap is vermoedelijk gericht aan de militairen en de soldaten in de stad. Burgerij en ambachtslieden moeten in elk geval stevig achter de koning blijven staan en erop toezien dat de geuzen geen mensen gaan ronselen om oproer te stichten. Opvallend toch hoe er meer en meer paardenvolk binnenkomt in de binnenstad. Allemaal benden van de graaf.

Rond de middag blazen de geuzen verzamelen in Brielen. Er wordt gezwaaid met een document van graaf Egmont. Hij geeft nu plots toch de toelating om vier predikanten te houden samen met nog enkele andere toegevingen. In ruil hebben ze hem deze voormiddag beloofd om geen verdere onrust meer te veroorzaken. Veel geuzen in Brielen zijn het daar absoluut niet mee eens. Hier alleen al honderdvijftig mensen die protesteren tegen de gemaakte afspraken. Ze maken zich sterk dat de mensen op den buiten ook hun zegje moeten kunnen doen over de voorgestelde regeling met Egmont. Na heel wat gehakketak krijgen ze dan toch enkele dagen de tijd om er over na te denken. De graaf belooft om nog even in Ieper te blijven zodat de zaak helemaal kan geregeld worden.

De 20ste september wordt de achterban aangepord om zich te verzetten tegen de voorstellen van de graaf. De deadline wordt verschoven naar volgende maandag. In ‘Het Zweerd’ logeren vijf predikanten die daar stoutmoedig binnen en buiten gaan alsof ze zich er thuis voelen. Hazaert geeft zijn speech in Poperinge, in de kerk van Sint-Berten. De Ieperse bisschop pleegt rond de middag overleg met Egmont. Er zijn ondertussen al zeshonderd handtekeningen binnen, allemaal geuzen die akkoord gaan met de voorgestelde deal.

Om 17u komt de graaf naar buiten. Egmont en zijn edelen galopperen naar de grote markt. Ze houden stil voor de lakenhalle waar een extra gebod wordt afgeroepen. Luid en klaar want iedereen moet goed kunnen horen wat de graaf te zeggen heeft. Het is trouwens Egmont die tekst en uitleg geeft bij de nieuwe wet. Van nu af aan wordt er in geen geval nog gepredikt in kerken, kapellen en godshuizen. De calvinisten krijgen plaatsen opgelegd waar ze voortaan hun diensten mogen houden. Zeker al buiten de stadsmuren waar ze enkel op zon- en feestdagen morgen prediken. De katholieke diensten mogen niet verstoord worden en de geestelijken moeten met rust worden gelaten. Verbale en lichamelijke agressie tegenover katholieke priesters wordt absoluut niet getolereerd.

Egmont toont zich tevreden met het akkoord van de geuzen en biedt de nieuwgelovigen mondeling nog enkele extra toegevingen. In kleine groepje mogen ze wel degelijk de stad binnenkomen om er zieken te bezoeken en om overledenen te begraven. Zolang dat maar op kleinschalige manier gebeurt. De aanwezige geuzen hier in de stad kunnen moeilijk anders dan akkoord gaan. De militaire aanwezigheid van de troepen is nu eenmaal te groot om hier nog verder roet in het eten te gooien. De Ieperlingen hopen nu dat het gewone leven kan hervatten en dat de handel en nijverheid weer kunnen opgestart worden, iets wat toch wel heel erg nodig is in deze snel verpauperende stad.

Elke dag blijft echter zijn eigen verhaal naar boven brengen. Details in de geschiedenis van mijn stad. Ik weet het, niets wereldschokkend. Ik schrijf ze toch maar neer. Vandaag zijn we de eenentwintigste. De bisschop is van plan om al van in de vroege morgen een sermoen te houden, maar hij is nog niet eens tot aan zijn katheder geraakt of er wordt al een stoel bijgeplaatst. Graaf Egmont zal komen luisteren. En dat gebeurt ook zo. Rythovius is nog maar pas begonnen met zijn eerste zinnen als de graaf binnenkomt. Met al zijn edelen erbij. Of er voor hen stoelen voorzien zijn wordt er niet bij verteld. Direct na het sermoen vertrekken de gasten en keert Egmont terug naar zijn logies.

Het plakkaat dat gisteren werd afgeroepen hangt die morgen netjes vastgespijkerd voor de deur van lakenhalle. Iedereen van binnen en buiten de stadsmuren moet de inhoud ervan kunnen lezen en begrijpen. Het is marktdag en dat betekent een toeloop van veel volk. Voor het eerst sinds lang staan al de poorten van Ieper wagenwijd open. Tot gisteren was de toegang beperkt gebleven tot vier stadspoorten. Rond de middag wordt er een gebod gedaan dat men de bevolking van Brielen moet helpen met drank en spijs. Ik begin te begrijpen waarom de arme lieden zich hier zo massaal optrekken aan al de beloftes van het nieuw geloof. Het is waarschijnlijk het enige in hun leven om naar uit te kijken. De rest is honger en grauwe ellende. Voortaan zal er elke dag een graanmarkt moeten gehouden worden al is het maar dat er dan tenminste handelaars en vreemd volk de zaken hier wat doen draaien.

Rond twee uur in de namiddag komt er nog een vendel troepen binnen van de graaf. Een man of vijftig rijdt binnen via de Moutstraat, voorbij de verblijfplaats van Egmont waar er demonstratief een reeks van schoten afgevuurd wordt. De ruiters stappen door de Boterstraat en via de markt naar de Diksmuidestraat tot ze in Brielen arriveren. Daar houden ze halt en krijgen ze verse voorraden. Een uur later, zo rond drie uur, steekt de graaf zijn kop weer buiten. Egmont stapt naar de grote markt, natuurlijk weer in het gezelschap van zijn beschermende groep edelen. Het gaat richting Torhoutpoort. De graaf zit sierlijk en vastberaden in het zadel van zijn paard terwijl ze nu naar het kerkhof van Magdalena rijden. Hier in de buurt zullen de nieuwgelovigen een plek krijgen om te preken. Er volgt een eerste inspectieronde of de plaats wel voldoet aan de voorziene normen. Ik vertel er nog bij dat ook de voogd en de Ieperse schepenen (de arm der wet) deelnemen aan de visite.

Ook Vendeville is er bij. Die meneer is al eerder de revue gepasseerd. Zijn echte naam blijkt Adrien van Gistel te zijn, de heer van Renty en van Vendeville. Hij behoort tot de dichte entourage rond Egmont en staat bekend als notoir voorstander van de godsdienstvrijheid. Hij en andere edelen zullen dus wel hun invloed hebben laten gelden zodat de calvinisten hun eigen locaties toegewezen krijgen om er hun religie op een fatsoenlijke manier te belijden. Ik ben zeker geen voorstander van de geuzen, maar misschien is dat toch wel een verstandige strategie om de rust te doen terugkeren. Vendeville rijdt inderdaad prominent mee in de grafelijke stoet. Als steun en toeverlaat van de geuzen gaat hij nu ook nog een extra plaats voor hen inspecteren buiten de Boterpoort.

Een nieuwe dag, een nieuw sermoen. Zo gaat dat hier nu in mijn stad. De 22ste september vormt daar geen uitzondering op. Om acht uur staat de bisschop alweer in vol ornaat te speechen. Egmont tekent opnieuw present samen met veel volk van binnen en buiten de stad. Ondertussen predikt de alternatieve Robert Flamen op het Magdalenakerkhof. Twee vendels soldaten maken zich in de parochies van Sint-Niklaas en Sint-Jacob klaar. Enkele honderden knechten van de graaf vertrekken rond vier uur naar het huis van de graaf. Daarbij komen ze voorbij de Mesenpoort. Eén vendel stapt onder de leiding van aanvoerder Maarten de Slecken naar de markt en het ander naar de Klierstraat. Egmont laat zich eveneens zien op de markt. Van daar gaat het naar de Boterstraat waar een inspectie van de artillerie plaats vindt.

23 september. Om zeven uur worden de trommels beslagen. ‘Drmmm, Drmmm.’ De klanken trommelen echt wel ‘drmmm’ in de Ieperse lucht. Teken dat de soldaten zich asap moeten gaan opstellen bij hun vendels. Grote problemen tussen de burgers en de krijgslieden. Een ingreep dringt zich op. Tijdens de middag komt er een vermaning vanuit het stadhuis. De Ieperlingen die soldaten in hun huizen gelogeerd houden dienen hun gasten op een fatsoenlijke manier te behandelen. ‘Zoetelijk leven met hen’ staat er geschreven. Wie schade berokkent aan de mannen van de graaf zal achteraf niet moeten komen klagen als ze voor de vierschaar moeten verschijnen. Met daarbij nog een extra verwittiging dat niemand nog na de avondklok op straat mag komen als hij geen licht bij zich heeft. De boete van vijf schellingen geldt voor iedereen, burgers én soldaten.

Terwijl de vier gilden hun eed van trouw afleggen aan de koning en aan de stad en ook speciaal aan kapitein-generaal Frens volgt er al een direct een nieuwe verordening. Wat broedt er hier toch allemaal in Ieper? Bij rellen moet iedereen binnen blijven en die maatregel zorgt voor redelijk wat ontevredenheid bij de gilden en bij de soldaten. Om één uur vertrekt Egmont plots naar Brugge. Zijn troepen wachten hem op aan de markt om hem verder te begeleiden, ze kijken al in de richting van de Boterstraat waar de mensen in dikke rijen bijeen staan om hen uitgeleide te doen. Aan de vijfhoek van de markt houdt graaf Egmont halt terwijl zijn manschappen met hun paarden voor hem passeren om de weg naar Brugge aan te vatten. Het is al nacht en pikdonker als de ruiters binnen de stadsmuren terugkeren.

Op 24 september blijken er zeventig in het rood geklede ruiters gearriveerd te zijn in Voormezele. Ze brengen hier de nacht door en duiken de volgende dag in Ieper op waar de mannen extra voorraden en paarden toegewezen krijgen. Twee dagen later krijgen we alweer een nieuw gebod om de oren geslagen. Alle vreemdelingen, van welke stand of rang dan ook zullen moeten aantonen wat ze hier in de Westhoek aan het uitrichten zijn. Wie dat niet kan, zal binnen de drie maanden het land moeten verlaten.

De 30ste september is het al opnieuw zondag. Ik leef nog altijd in het jaar 1566. Gisteren bonsden en beukten de trommels met al hun lawaai dat de knechten van Simon Uyttenhove zich op zondagmorgen om 7 uur op de markt moesten opstellen, waar ze zouden gemonsterd worden. Ik zie ze daar staan, ik schat dat er zeker honderd manschappen in de houding staan. De slaap is niet eens uit hun ogen verdwenen. Uiteraard zitten de gelovigen van de rivaliserende godsdiensten op dat vroege uur al lang allemaal te luisteren naar de preken van de bisschop en van Pieter Hazaert. Die laatste gaat zoals afgesproken door op het Magdalenakerkhof. Er volgt trouwens in de namiddag nog een extra sermoen dat druk bijgewoond wordt.

Zo raken we in de oktobermaand verzeild. De dagen zijn al flink wat korter geworden. Alle predikanten uit het Westkwartier, Vlaanderen en Brabant zullen worden opgeroepen voor een nationale samenkomst die zal doorgaan in Gent. Achteraf blijkt dat enigszins overdreven en is er slechts sprake van maar enkele predikanten die uitgenodigd worden. Op 3 oktober logeren er een zestal van de predikers in ‘Het Zweerd’. Onder hen bevindt zich een notoire voorman van de geuzen. Herman de Struycker, alias Hermanus. Wat later vertrekt die man naar Kortrijk en van daar naar Brussel.

Na opnieuw een dag van wederzijdse sermoenen blijkt het nu ook te rommelen in Veurne. Terwijl ik me aan het afvragen ben of de mensen al die voordrachten en gezever over het geloof nooit eens moe geraken, sijpelt het nieuws van het Veurnse hier binnen te Ieper op 8 oktober 1566. Nogal wat geuzen wilden in Veurne binnen geraken maar werden er de toegang belet door soldaten die vanuit hun basis in Lo afgekomen waren. Ze raakten slaags met mensen van binnen en buiten de stadsmuren. Drie burgers werden doodgeschoten en velen werden gekwetst en volgens de geruchten hebben de soldaten zich dan nog flink ingehouden. Moesten ze echt gewild hebben dan zouden ze er nog veel meer hebben neergeknald.

De 11de oktober plaatst bisschop Rythovius nog maar eens zijn katholiek woordje. Dat gebeurt de voorbije weken telkens op woensdag en op vrijdag. Een deel Waalse soldaten te paard wordt overgeplaatst naar Lo om er de andere soldaten die nu in Veurne logeren te gaan vervangen. Hier bij ons wordt het voortaan verboden om nog schimpliederen of ballades te lezen of te zingen op de kap van de geestelijken. Wie daarop betrapt wordt zal gegeseld worden. Bij de beenhouwer in de Raapstraat hoor ik diezelfde middag het gerucht dat er momenteel grote meningsverschillen bestaan tussen de calvinisten onderling. Het gaat vooral over de zogezegde herdopers die het allemaal wat anders zien dan de gewone geuzen. Het zou vandaag tot een discussie komen hier in Ieper, maar achteraf blijkt dat hier toch om een storm in een glas water te gaan. De predikant van Calvijn predikt zoals gewoonlijk op zijn kerkhof terwijl de bisschop nog maar eens een excellent sermoen geeft. God zal content zijn.

Op 15 oktober worden de burgers opgeschrikt door een fameus ongeluk in de Auwerstraat. De Auwerstraat wordt hier ook wel Hangewaertstraat genoemd en bevindt zich aan de noordzijde van de markt bij het hospitaal waar de weg naar Menen start. Een jongeman is er aan het prutsen geslagen met buskruit, stampt op de rand van een mortier tot het vehikel natuurlijk in de lucht vliegt en de kerel helemaal verbrand wordt. Lelijk om zien. Met de woning vlakbij is het niet beter gesteld. Het projectiel is door het huis heen gevlogen en heeft er grote schade aangericht.

De 18de houden de militairen schietoefeningen in hun verblijfplaatsen. De groep onder de leiding van kapitein Karel in het klooster van Sint-Maarten, de andere bende vertrekt naar het klooster van de minderbroeders, de ‘Freminueren’. Er wordt geschoten op een doel en wie naast schiet krijgt een boete aan zijn been. De inwoners krijgen de dringende vraag om morgen mee te gaan in een algemene processie. Het verzoek komt van de gouvernante van Vlaanderen, de hertogin van Parma want er moet absoluut gebeden worden voor een overwinning van de keizer op de Turken. En terwijl de mensen dan toch rondgaan kunnen ze net zo goed bidden voor de rust en de vrede hier in het binnenland. Er komt ook een vermanend ‘fuck you’ vingertje bij kijken: ‘dat niemand enige beroerten zou maken in de processie, op zijn levende lijf!’

Het ziet er die dag helemaal niet goed uit voor twee jongemannen die het al te bont gemaakt hebben tijdens de vernielingsrondes van de geuzen. Een van hen behoorde tot het gezelschap dat al op de 7de september werd terechtgesteld. Ook hij eindigt op de brandstapel. De andere wordt vastgemaakt aan de schandpaal die in zeven haasten op de grote markt wordt gemonteerd. Er komt opnieuw een houten constructie, ‘the ultimate home of fire’, voorzien van perfect droog stro en prima sprokkelhout. Om zeven uur wordt het huisje in brand gestoken met de misdadiger er netjes in opgehangen. Zijn verkoold lijk wordt achteraf tentoongesteld als teken van kennisgeving aan zijn vrienden. Dat krijg je als je hier in Ieper het crapuul afgeeft. De macabere ceremonie speelt zich af tijdens de middag. Donderdagmiddag om precies te zijn.

’s Anderendaags is het Sint-Lucasdag, vrijdag de 19de oktober. In mijn tijd wordt bijna elke dag opgedragen aan een katholieke heilige. Ik heb er geen flauw idee van of mijn groot- en overgrootouders dat ook nog zo zullen beleven. Vandaag zal een kerkelijke processie zich als een menselijke slang door de binnenstad wurmen. De voogd vreest voor rellen. Op de markt worden er soldaten gepositioneerd en ook in de meeste straten merk ik troepen op. De meeste stadspoorten blijven potdicht, met uitzondering van twee toegangen. En volk dat er mee stapt. Niet te geloven. Het bewijst naar mijn bescheiden mening dat veel poorters hier nog altijd diep katholiek zijn. Op het kerkhof van Magdalena wordt er om negen uur gepredikt. Na de processie houden de mannen van Simon Uyttenhove opnieuw hun schietoefeningen op doel. Rond halfvijf in de late namiddag verschijnen ze weer op de markt. Zouden er veel pagadders bijzitten die boetes opgelopen hebben?

Op zondag de 20ste zijn de geuzen al vroeg actief. Rond zeven uur komen ze al samen om Pieter Ouveroye te begraven. Hoewel zijn vrouw katholiek gebleven was, verkoos hijzelf om begraven te worden op het Magdalenakerkhof. Een stoet van driehonderd mensen begeleidt de overledene langs de Zuidstraat naar de markt. Zijn lijkkist wordt op de schouders gedragen, een geplogenheid bij de calvinisten. De voorschepen en de griffier hebben tevergeefs geprobeerd om de uitvaart te beletten, maar die gaat onverstoord zijn gang. Van de markt gaat het in richting van de de stadspoort.

Die blijkt opzettelijk gesloten. Best wel een agressieve daad voor mensen die geen kwaad in en met zich dragen. De soldaten weigeren doorgang aan de begrafenisgangers. Van fijngevoeligheid kan ik ze in elk geval niet beschuldigen. Er vallen grote woorden en het duurt een hele tijd vooraleer de poorten alsnog opgezet worden. Dat gebeurt enkel onder de dreiging van een massa gepikeerde geuzen. De verontwaardiging scheert hoge toppen. In zover dat er achteraf direct bewaarschriften en klachten afgegeven worden bij het stadsbestuur. De bisschop stoort zich geenszins aan het tumult en houdt zijn gebruikelijke preek. In Nieuwkerke wordt er een samenkomst van de wederdopers en de calvinisten gepland. Een soort studiedag moet het zijn. Beide strekkingen houden ook hier hun sermoenen. De studiedag van de wederdopers krijgt echter onverwacht rood licht van de baljuw en wordt afgeblazen.

De 24ste oktober 1566 houden de soldaten van het vendel van kapitein Karel opnieuw schietoefeningen. Ditmaal bij de grauwe broeders. Wie het dichtst schiet kan hier vandaag één van de drie hoenen winnen. De calvinisten hebben de voorbije week hard gewerkt aan hun schuur en vandaag beginnen ze het dak te met biezen te dekken. Hun eigen tempel begint op iets te lijken. Een kleine week later vertrekt een vendel van zeventig ruiters onder de leiding van hun kapitein naar Atrecht. Ik ben net op tijd om ze nog door de Mesenpoort te zien verdwijnen.

Op alle heiligendag predikt Pieter Dathen bij ons. De man was ooit een karmeliet. Op alle zielendag, een zaterdag, ik probeer een beetje orde in de dagen te houden, is het opnieuw druk op Magdalena. Twee alternatieve sermoenen. Eén in het Vlaams met Dathen in volle actie op zijn spreekstoel en een tweede sermoen in het Waals. En onze bisschop zorgt in zijn kerk natuurlijk voor het nodige katholiek tegengewicht. Zijn betoog gaat natuurlijk volledig in tegen die van de geuzen. Er kan maar één God gediend worden.

Het blijft nu toch wel een hele poos min of meer rustig in de stad. Tijdens de begrafenis van Pieter Overoy concentreren de roddels zich rond de figuur van Joren Asack. Die zou blijkbaar gestorven zijn. Inderdaad roddels. Asack zou na een flinke woordenwisseling een soldaat van zijn geweer beroofd hebben. Op de tweede december wordt hij rond halfnegen in de ochtend boven geleid in de lakenhalle. De sfeer in het centrum is grimmig. De vendels en de soldaten staan stuurs en in een onaangenaam aanvoelende houding op de markt. Gewapend en in vol ornaat alsof ze een statement willen plaatsen tegenover de agressie op één van hen. De handelaars zijn er niet gerust in en sluiten hun winkels. De blinden van de ramen gaan één voor één dicht.

Voor de lakenhalle staan de stedelijke korpsen in het gelid. Volk van Simon Uyttenhove. Ik moet trouwens helemaal niet weten van die Uyttenhove. Haakneus, vetzak, loense blik waarbij zijn linkeroog niet eens weet waar zijn rechter exemplaar naar toe kijkt. Een kleine en rosse droedel die denkt dat hij de paus speelt in Ieper en omstreken. Een gemeen ventje waar een mens beter niets mee te maken krijgt. Soit. Asack verschijnt voor de vierschaar. Achteraf wordt hij, voorzien van een strop aan de hals, naar het schavot geleid waar hij een uur lang met scherpe roeden gegeseld wordt. Tot bloedens toe. Na de geseling mag hij ophoepelen. De stakker wordt voor eeuwig en altijd uit Vlaanderen verbannen. En pas na zijn vertrek heeft justitie zijn werk afgerond. De manschappen op de markt kunnen nu beschikken en trappen het verveeld af naar hun respectieve verblijven hier in de stad.

Terwijl de dagen altijd maar korter worden verhogen de spanningen in de Westhoek. In de week voor zondag 15 december gaat het gerucht rond dat predikant Pieter Hazaert die zondag naar Ieper zal komen prediken in de aanwezigheid van twaalfduizend man. Simon Uyttenhove was er niet gerust in en is vorige week met een man of veertig naar Mesen vertrokken om er de bewuste Hazaert op te pakken. Blijkbaar is hij daar niet in geslaagd en deze wetenschap op zich voorziet de roddels nog van extra zuurstof. Het zou volgens mij wel eens kunnen zijn dat de geuzen verbolgen zijn omwille van de terechtstelling van enkele van hun calvinistische broeders enkele maanden geleden. Er zou inderdaad wel eens veel volk naar Ieper durven afzakken.

Bange verwachtingen dus. Komt die grote bende geuzen nu af zondag? Alleen de Antwerp- en de Elverdingepoort worden opengezet, elk voorzien van vijftig bewakers. Op de markt staan er honderd man opgesteld. Het vendel van commandant Del Valle bewaakt ook nog de lakenhalle en het stadhuis. Vincent de Spelman heeft ’s morgens aan de poort al een ferme woordenwisseling gehad met Del Valle. Wanneer Vincent na het middagsermoen naar de markt afzakt wordt hij er opgepakt door de hoogbaljuw en de kapitein en vervolgens naar de gevangenis geleid. De kapiteins vinden de tijd rijp om zich naar de stadspoorten te reppen. Er begint inderdaad wel veel volk naar het kerkhof van Magdalena te gaan om er de preek bij te wonen.

Na de preek staan de soldaten in het gelid, strak voor zich uitkijkend en met hun geweren in de hoogte. Aan de stadspoorten wordt de toestand geleidelijk aan onhoudbaar voor de soldaten. Het volk blijft maar toestromen. Er is geen houden aan. Rond 15u30 verliezen enkele bewakers hun koelbloedigheid en komt er gedruis van. Een soldaat schiet zijn geweer af in de lucht en hitst met zijn lawaai enkel de woede van de geuzen op. Vreselijke toestanden. Enkele manschappen vuren in het rond in de hoop om de rust te laten terugkeren. Ze bereiken natuurlijk het omgekeerd effect. Al het volk in de stad wordt er door aangestoken. Een kwade roep die zich als een lopend vuur door de stad verspreidt. ‘Ze hebben op ons en onze predikant geschoten.’ Dat blijkt allemaal wat overtrokken maar toch blijken er enkele gewonden gevallen te zijn. Een geus heeft een schotwonde in zijn arm en ook enkele anderen blijken gelijkaardige verwondingen te hebben opgelopen.

Carlo begint op zijn trommel te slaan. ‘Extra versterking gevraagd en dringend.’ Dat zal de boodschap wel zijn. Terwijl de berichten van de confrontatie aan de stadspoorten al de Hondtstraat bereikt hebben gaat het van kwaad naar erger. De indringers slaan iedereen dood aan de poorten en de soldaten slaan in paniek op de vlucht voor de mensenmassa die hen op de hielen zit. Ook trommelaar Carlo haast zich om uit de greep van de geuzen te blijven. ‘Vlucht naar de markt’. Als kop kan het tellen. Veel respijt krijgen de soldaten er niet. Het volk stroomt in dichte massa ernaartoe. Carlo moet zijn rapier gebruiken om zijn soldaten onder controle te houden want die willen nu blijkbaar maar één ding: hier weg geraken.

De markt wordt uiteindelijk gevrijwaard. Een van Carlo’s mannen krijgt een dolk in de rug en wordt dodelijk gewond. De poorters zelf zijn ferm geschrokken van de impact van de toestromende buitenlieden en haasten zich naar hun huizen. ‘Nieuwers best dan thuus’, nergens beter dan thuis. De rust keert terug. De mensen die nu nog buiten aan de stadspoorten stonden te wachten worden na een uurtje weer toegelaten. Het gaat er plots veel rustiger aan toe nu iedereen zich in zijn huis beschermd houdt. Op 18 december komen de soldaten van Lo naar Ieper. Het is al halfnegen in de avond en stikdonker als ze op de markt voorzien worden van voorraden en munitie. De dagen die volgen blijft de Antwerpse poort gesloten. Wie langs daar binnen wil komt door het winket, een kleine toegangsdeur in de poort.

De rellen aan de poorten van enkele dagen geleden krijgen een vervolg op 23 december. Recht spreken in mijn tijd duurt echt niet zo lang. Jan De Visch, de officier van justitie toont geen medelijden. Ondanks het uitdrukkelijk verbod om geen rellen te veroorzaken hebben die van Hazebrouck er hun voeten aan geveegd. De galg staat al klaar op de markt voor woelmaker Vincent de Spelman die al sinds de zestiende kort zit. Hij wordt nu veroordeeld wegens zijn opruiende taal. Op het schavot wordt hij nu gegeseld door mijnheer Frennys. Met de roede tot het bloed uit zijn huid spat. Daarna wordt hij voor tien jaar uit het land van Vlaanderen verbannen. Op straffe van zijn lijf. Concreet betekent dit dat als de Spelman zich binnen deze periode hier laat opmerken hij zonder verdere tralala zal opgeknoopt worden.

De dag van Kerst valt er geen nieuws te rapen. De 26ste december van 1566 wordt er een bericht van de koning gepubliceerd. Lieden die zich zonder toelating opwerken tot aanvoerders van milities en al de mannen die zich hierbij als soldaten aansluiten, zullen tot de schandpaal veroordeeld worden. Hun goederen zullen worden aangeslagen. Al diegenen die zich te Valenciennes ophouden om zaken te doen en er wapens te verkopen mogen een gelijkaardige straf verwachten.

Op de 30ste dag van december wordt er justitie gedaan van een jonge gast die daags te voren gevangen werd genomen. De man maakte deel uit van de bende oproerzaaiers te Veurne die al eerder onder leiding van geuzenleider Jan Denys gevochten hadden in Wattrelos. Ze hadden zich daar maar net uit de voeten kunnen maken. Hoe de jongeman precies heet wordt er niet bij verteld, wel dat hij opgehangen wordt aan de galg op de grote markt. In de namiddag trekt het vendel van kapitein Carlo naar Waasten waar ze nieuwe voorraden en extra instructies krijgen. In Rijsel ziet het er op dat moment niet goed uit. Daar bevinden zich naar verluidt heel veel geuzen die van plan zijn om zich te verplaatsen naar Valenciennes. Hoe dan ook; de soldaten van Carlo keren al op de nieuwe dag, 1 januari 1567, terug naar hun garnizoensstad Ieper.

Op 4 januari organiseren twintig soldaten van het vendel van Carlo een raid op Vlamertinge. Het is dan al laat in de avond. Zeker tien uur. Ze lichten er een pachter uit zijn bed. Anseel Deraedt wordt opgepakt. Er wordt ijverig gezocht naar een ander individu maar die kon tijdig zijn schup afkuisen. De Vlamertingse klokken slaan alarm maar de soldaten antwoorden met het slaan van de trommels waarop de Vlamertingenaars netjes in hun woningen blijven.

De onrust houdt niet op. De 8ste januari staat er opnieuw een avondlijke inval op het programma van de soldaten. De helft van het vendel van commandant Del Valle gaat dit keer enkele verdachten oppakken in Elverdinge. Maar de parochianen daar staan hen met de geweren in aanslag op te wachten. De Elverdingenaars verschansen zich in hun kerk en luiden er de klokken. Een deel van de bewoners ontsnapt via de achterzijde van de kerk terwijl een tiental mannen in de toren vlucht. Lang duurt het allemaal niet. Er wordt wel een soldaat neergeschoten. De man overlijdt korte tijd daarna. Zeven burgers worden achteraf opgepakt. Onder hen hun predikant en de soldaten lopen vervolgens in en uit de woningen van het dorp waar ze veel huisraad stelen. Dat is natuurlijk gemakkelijk want de dorpelingen zijn in zeven haasten weggevlucht. Bij het krieken van de volgende morgen komen de soldaten met hun Elverdingse gevangenen binnengestapt door de stadspoorten van Ieper.

Nieuwkerke staat ook op het programma. Dat geuzennest moet dringend uitgezuiverd worden van radicale elementen. Rond de middag van 9 januari strijkt het vendel van kapitein Carlo er neer bij de provoost van Nieuwkerke. Op zoek naar crapuul dat malheuren heeft aangericht in de lokale kerk. Het scenario van Elverdinge herhaalt zich: die van Nieuwkerke willen hen niet zo maar binnenlaten en beschieten hen vanaf de kerk. Carlo geeft de opdracht om geweld te gebruiken, ‘groote forse’. De deuren van de woningen worden ingebeukt, huisraad gestolen. Iets wat de Nieuwkerkenaars hoegenaamd niet pikken. Het vervolg kan ik natuurlijk raden. Een open oorlog waarbij er van beide zijden met scherp wordt geschoten. Gewonden en doden. Terwijl de soldaten van Carlo terugkeren naar Ieper likken die van Nieuwkerke hun wonden. Ik veronderstel dat de poging om de obscure elementen hier gevangen te nemen niet bijzonder geslaagd is.

Een dronken soldaat zorgt tijdens de middag van 14 januari voor de nodige tumult hier in Ieper. Hij wil met alle geweld binnenbreken in een woning dicht bij het centrum. De buren zien het allemaal gebeuren en willen de inbraak beletten. De huurling wordt bekogeld met stenen en zet het op een lopen. Wat later keert hij op zijn stappen terug. In het gezelschap van enkele spitsbroeders, maar de buren staan er nog en verjagen het viertal opnieuw. ‘Alarm, alarm’, roepen ze om zich heen. Het paniekerig geroep van de soldaten zorgt voor grote beroering bij de garnizoenen. Binnen het half uur staan al de vendels met man en macht op de markt te dampen van agitatie. De inwoners en de winkeliers sluiten haastig hun deuren en ramen. De rust keert gelukkig snel terug. De zatlap uit de compagnie van Carlo mag het komen uitleggen en wordt opgeleid en gevangen gezet. Rond twee uur keren de soldaten naar hun logement terug. Het voorval toont aan hoe erg de zenuwen gespannen staan bij ons. De minste vonk kan zorgen voor een explosie van geweld.

15 januari 1567. Simon Uyttenhove laat zijn manschappen oprukken om justitie te doen over een zekere Lambert. De man, een ‘beeldensmijter’ uit de eigen stadsmilitie, wordt er van beschuldigd dat hij geweld heeft toegepast bij een buitenbewoner van het Ieperse. De ladder wordt klaargezet voor het schavot. De schandpaal prijkt zoals altijd pal voor het bezant en Lambert staat er gekneveld als de pineut van dienst. Dat zal hier slecht aflopen. Tot zijn echtgenote plots krijsend en huilend tot bij Uyttenhove komt met zes van Lamberts kinderen. ‘Gratie, gratie, alstublieft, vergeef mijn man voor wat hij gedaan heeft’. Simon moet medelijden hebben met zijn gezin. Op slechts enkele stappen van de ophanging verwijderd krijgt de sukkelaar zijn gratie. Zolang hij zich maar niet meer aanbiedt bij het stadsregiment.

De zenuwachtigheid in en rond de stad houdt Ieper in een bevreemdende wurggreep. De volgende morgen schalt het geluid van de trompetten door merg en been. De regimenten van Egmont houden grote oefeningen. Ze vertrekken in vol ornaat door de Torhoutpoort in de richting van ‘Hogezieken’ waar ze een defilé houden en gemonsterd worden. Achteraf keren ze terug naar het centrum.

Tussen die soldaten zitten niet altijd de meest fijnzinnige figuren. En dat is dan nog zwakjes uitgedrukt. Ongeletterde nietsnutten die zelf hun eigen vader en moeder zouden vermoorden, te lui zijn om te werken en uiteindelijk als huurling in dienst getreden zijn op zoek naar buit en andere malafide opportuniteiten. Twee van die mannen hebben het de voorbije dagen hier in Ieper maar al te bont gemaakt en zijn veroordeeld tot de strop. Hun collega’s laten dat niet zomaar gebeuren. Aan de buitenzijde van een raam aan de lakenhalle wordt een balk gemonteerd waar de mannen zullen worden opgeknoopt. Terwijl hun officier het touw vastmaakt aan de balk gaan zijn manschappen hem plots te lijf. Mijnheer Frennes en kapitein Del Valle tonen zich woedend om dit gebrek aan discipline en omdat de executie zo vertraging oploopt. Onder druk van de massa laten ze de makkers die de officier wilden aanranden uiteindelijk lopen.

De ellende tussen de burgers en de soldaten houdt aan. Water en vuur zijn ze. De toestand op het platteland is ook al niet beter. De vechtjassen zorgen voor grote overlast bij de landman. Ze duiken overal op en eisen eten en drinken alsof ze de baas zijn van het pand. De legerleiding zit zelf wel verveeld met de effecten die hun manschappen veroorzaken. Ze moeten rust brengen en doen net het omgekeerde. De kapiteins van de diverse vendels en mijnheer Frennes verspreiden het bevel dat er geen enkele soldaat, zowel Vlaming als Waal, zich nog verder dan de stadspoorten mag wagen zonder de uitdrukkelijke toestemming van Frennes zelf. Wie dat bevel negeert riskeert zijn lijf en de landlieden mogen de soldaten eigenhandig vangen en aan het gerecht uitleveren. De justitie zal ze allemaal ter dood veroordelen. Het is in elk geval een bevel dat aan de ribben kleeft.

De 29ste januari worden de geuzenleiders ontboden op het stadhuis. Of ze de sermoenen wat vriendelijk willen houden? De vraag laat uitschijnen dat de agressiviteit van de predikanten opnieuw over de schreef aan het gaan is. De calvinisten vertrekken met de belofte dat ze daar graag eens intern over willen beraadslagen. Rond 15u30 staan alle soldaten onrustig naast hun kapiteins te wachten. Ze moeten graaf Egmont gaan ophalen. Hij is op komst van Armentières. De stoet krijgers vertrekt via de Zuidstraat tot buiten de poort. Vanuit het raam van mijn woning zie ik ze paraderen. Eerst Carlo met zijn volk. Dan de mensen van Del Valle gevolgd door de rest van de soldaten.

Amper een half uur later duikt Egmont al op. Centraal in een compagnie van wel honderdvijftig ruiters. Allen gezeten op lichte paarden, met rode rokken en zwaarbewapend met lansen en diverse geweren maken ze grote indruk op mezelf en mijn medeburgers hier in de stad. De graaf logeert zoals gebruikelijk in de Montstraat. De ‘rode rokken’ schrijden te paard verder naar de markt waar ze hun bevoorrading krijgen. Ze krijgen allemaal een soort ticket waarmee ze dan hun logement kunnen opzoeken. De troepenparade wordt vervolledigd door de eigen soldaten. De machtsontplooiing maakt best een zelfverzekerde indruk van de zijde van de wet.

Graaf Egmont haast zich op 30 januari tot bij enkele gevangen soldaten. Ze werden opgepakt na de verstoring die ze gemaakt hebben op de 25ste. Ze zijn met zijn vier. Drie van hen moeten opgeknoopt worden, dat beslist Egmont persoonlijk, de vierde feitelijk ook, maar de soldaten smeken hem om zijn leven te sparen. De man moet vermoedelijk een Ieperling zijn die zelf de steun krijgt van veel hoge heren hier in de stad. Voor hem ziet de graaf dan toch alles door de vingers. Enfin, hij belooft om zijn beslissing uit te stellen tot ’s anderendaags. Eerst gaat hij lunchen met de bisschop en na het etentje maakt Egmont tijd voor een serie afgevaardigden die zich vanuit de Westhoek haasten om bij hem op audiëntie te komen.

Op de laatste dag van de januarimaand staat bisschop Rythovius al om zeven uur in zijn spreekvehikel te prediken. Net zoals elke woensdag en vrijdag. De graaf zit er bij en luistert naar wat hij te vertellen heeft om daarna zelf zijn mis te gaan bijwonen. De katholieke rite neemt behoorlijk wat tijd in beslag als ik het mag zeggen. Del Valle trommelt zijn mannen op om de opknopingen die daags voordien uitgesproken werden te helpen uitvoeren, maar de executies worden uitgesteld en zo kunnen de soldaten genieten van een vrije dag.

De graaf heeft andere katten te geselen. Om 9 uur laat hij her en der in de straten van de stad een gebod omroepen. De burgers moeten allemaal hun wapens inleveren. Elke poorter zonder onderscheid van stand of rang. Alle geweren en schietstokken. Rapieren en hakmessen moeten niet ingeleverd worden. Met lijfstraffen voor wie dat bevel negeert. Het moet trouwens vlug gebeuren want de burgers hebben tijd tot de volgende middag. Het bevel zorgt voor een grote samenloop van geuzen. Een noodvergadering in hun tempel om de grafelijke maatregel te bespreken. In en rond de tempel krioelt het van de geweren. Komt dit nog goed?

1 februari 1567. Om 9 uur wordt die vreselijke ladder weer omhoog getrokken voor het bezant. Er zullen straks twee soldaten terechtgesteld worden. Vreselijk toch. Een van de mannen van Carlo en een hellebaardier uit het vendel van kapitein Del Valle. Hun makkers smeken Egmont om hun vrienden te sparen. Bidden en pleiten, maar veel succes hebben hun smeekbeden niet. Gratie is uitgesloten. Terwijl Carlo zijn soldaat naar de markt brengt, verandert Egmont alsnog van gedacht. In plaats van opgeknoopt te worden, zullen de veroordeelden onthoofd worden. Beiden worden terug naar hun cellen geleid. Kort daarop volgt het bevel om een kar geladen met zand naar de markt te voeren.

Zand om de val van de afgehakte hoofden te breken en het bloed te absorberen. Berechting met het zwaard, mijn maag keert zich van misselijkheid. Enkele soldaten staan al in aanslag met een draagberrie om straks het eerste kadaver weg te voeren en ter aarde te bestellen. Van zodra de beul zijn slagen gegeven heeft, vliegen ze naar het lichaam om dit haastig naar Sint-Jacobs te dragen. En meneer Del Valle gaat vervolgens samen met de provoost naar het huis van de Zale om de andere ‘patiënt’ op te halen. Dat is zijn hellebaardier, een van zijn eigen mensen. Het gaat nu even ‘biechtwaarts’ en van daar verhuist de veroordeelde samen met een officier tot bij het bezant om daar zijn executie te ondergaan. Bij de ‘crycke om er te worden onthalsd.’ En de andere hellebaardiers dragen hun collega achteraf met droeve gezichten en harten gevuld met medelijden en wat weet ik nog allemaal naar het kerkhof van de predikheren. De stoet wordt begeleid door het geluid van drie trommels. In hun zog volgen nogal wat diepbedroefde soldaten met hun bussen en geweren naar de grond gericht.

Zondag 2 februari. ‘De tweede dag van Sporkele.’ Februari is de sprokkelmaand. De graaf gaat nog eens luisteren naar wat de bisschop te zeggen heeft. Nogal wat edelen volgen zijn voorbeeld. De andersgelovigen houden natuurlijk hun alternatieve dienst, de geuzenpriesters preken hun eigen waarheden. De sfeer is toch wel wat bedrukt. Er moeten vandaag nogal wat kinderen gedoopt worden. De meeste ouders vrezen voor represailles omdat alleen de katholieken mogen dopen. De geuzen mogen wel sermoenen geven maar dat is ook alles. Voor alle zekerheid worden de dooprituelen uitgesteld. Het onbehagen bij de calvinistische gezinnen is meer dan zomaar een buikgevoel. De volgende morgen kom ik eerder toevallig te weten dat er nogal wat katholieken lobbywerk verrichten om de sermoenen van de geuzen opnieuw te verbieden. Een reeks verzoeken bij de bisschop, bij de heren van de wet die deze voorstellen overmaken aan Egmont. Die belooft hen op zijn beurt om alle mogelijkheden te onderzoeken of de predicatie eventueel kan geweerd worden uit de stad.

In de vroege morgen vertrekt het vendel van kapitein Carlo via de Torhoutpoort naar Oudenaarde. Wat later schalt de trompet om het vertrek van graaf Egmont aan te kondigen. De ‘rode rokken’ bieden zich aan op de markt. Rond de middag arriveert de graaf er te voet en van daar stapt hij naar de Zuidstraat om er meneer van Hollebeke te spreken. Achteraf klimt hij op zijn paard en gaan man en merrie langzaam over de markt naar de Torhoutpoort met in hun gezelschap een stoet van veel meer paarden en edelmannen. Egmont vertrekt naar Roeselare terwijl zijn edelmannen later in de avond terugkeren naar Ieper-stad.

Op 7 februari moet de Ieperse predikant Theofiel voor de vierschaar verschijnen. Zijn echte naam is Karel Ryckewaert. Theofiel en Dathenus zijn in principe de enige twee predikanten die door het Iepers stadsbestuur getolereerd worden om het woord te voeren voor de hervormden. Ryckewaert en Dathen voeren hun functie enigszins officieus uit want geen van beide personen heeft zijn officiële eed al afgelegd. In de lakenhalle willen ze de puntjes op de i plaatsen, vooral omdat Ryckewaert volgens de hoogbaljuw sermoenen gehouden heeft op onbehoorlijke plaatsen en daar zaken uitgekraamd heeft die niet toegelaten zijn. Theofiel stuurt echter zijn kat.

Twee dagen later stelt het probleem van de niet beëdiging van Dathenus en Ryckewaert zich scherp. In de geuzenschuur aan het Magdalenakerkhof willen de geuzen er hun traditionele preken aanhoren. De schepenen stellen hun veto hiertegen. Alleen wie zijn eed aflegt mag prediken. Zolang Dathenus en Theofiel dat weigeren zullen de calvinisten op hun kin mogen kloppen. De heretiekers stellen voor dat Mahieu Loysier van Steenwerk in afwachting zou prediken en zelf de eed zou willen afleggen, maar dat wordt geweigerd door de heren van ’t stad. Het wordt nu toch wel heel erg duidelijk dat de (katholieke) overheid niet met zich zal laten sollen. Op het gerucht dat de geuzen toch aan het prediken zouden geslagen zijn, rukt de hoogbaljuw onmiddellijk uit met een bende van vijftig soldaten. Daar blijkt bij aankomst niets van aan te zijn. Die zondag 9 februari wordt er inderdaad niet gepredikt.

Een week later begint de vastenperiode. De geuzen moeten het nog altijd stellen zonder hun sermoenen. Ze zingen dan maar psalmen alsof hun leven ervan afhangt en houden zich voor de rest netjes gedeisd. De volgende dag begint men met het teruggeven van de wapens aan de katholieke ingezetenen. Wie zijn of haar eed aflegt aan de koning, de stad en de katholieke kerk mag zijn schietalaam terughebben. De procedure sleept aan van de maandag tot de vrijdag. De schepenen laten trouwens nog weten dat de markt streng in de gaten zal worden gehouden. Daartoe aangestelde burgers en ambachtslieden moeten controle houden op de discipline. De leden van de neringen worden er op gewezen dat ze zeker ook de eed van trouw aan kerk, god en koning zullen moeten afleggen. Nogal wat ambachtslieden weigeren om in te gaan op die eis. De katholieken mogen dan wel de wetten stellen hier in de stad, maar dat betekent niet dat ze zomaar zelf moeten afstappen van hun eigen geloof.

De 22ste februari wordt er omgeroepen dat allen die wapens hebben naar de markt moeten komen om zich onder een hoofdman te plaatsen. Onder zijn controle en bevel moet er gewaakt worden over ‘law & order’. De baljuw weet blijkbaar niet goed wat gêne of scrupules zijn. Wie vorige week de eed aflegde aan de katholieke kerk mag nu staan zwaaien met zijn wapens en de controle uitoefenen op de andersdenkende medemensen.

De volgende dag is het zondag. ‘Crakezondag’, wat dat ook mag betekenen. Op en rond de stadspoorten patrouilleren er driehonderd katholieken om de toegang tot de stad te blokkeren. Daarnaast lopen er bij elke poort nog twee Walen, acht poorters en acht Vlamingen. De hoofdmannen hebben een overschot aan wapens. Niemand mag nog de stad binnen in het bezit van pistolen, lansen, spiesen, matsen en ander mogelijk vechtgereedschap. Kort na de middag maken de wachters wel de weg vrij voor een vendel soldaten.

De noodtoestand houdt ook ’s anderendaags verder aan. Het is behoorlijk druk aan de stadspoorten. In de geuzenschuur zingen en vergaderen de calvinisten in een zonder twijfel erg broeierige atmosfeer. Ik kan er me wel iets bij indenken. Wat moeten ze denken over de machtsontplooiing hier op de markt en binnen de stadsmuren? Tot de donderdag blijft de grote markt helemaal bezet door troepen en soldaten. Daar komt nog het vendel van kapitein Norrem uit Belle zich bij aansluiten. Van preken komt er in elk geval niets in huis.

De relatieve windstilte brengt me naar half maart 1567. Karel de zilversmid wordt door de vierschaar weggestuurd uit de kasselrij van Ieper. Verbannen worden uit je eigen milieu. Begin maar eens aan een nieuw leven! Ook Ieperling Platevoet mag het gaan uitleggen bij de baljuw. De 20ste maart krijgen we nog eens de doortocht van de knechten van kapitein Norrem. De volgende dag vertrekt een half vendel van kapitein Berry om er te gaan monsteren in Eversam. De noodtoestand blijft aanhouden. Vooral als bekend geraakt dat er vorige week een hele grote manifestatie van de geuzen heeft plaatsgevonden te Antwerpen. Een manifestatie die uitgelopen is op een heuse confrontatie met troepen van Brussel en van het garnizoen van Lier.

Opnieuw een troepenschouwing op 23 maart. Mijnheer Tamburge komt in opdracht van Egmont de monstering uitvoeren. Ook het half vendel van Berry dat momenteel in Veurne ligt moet aanwezig zijn. Er worden instructies gegeven om de 25ste naar Valenciennes te vertrekken. Als puntje bij paaltje komt zal alleen het vendel van kapitein Berry vertrekken en blijven de andere soldaten netjes in Ieper. Zeker al tot na Pasen.

Op de 5de april is het de zaterdag voor Beloken Pasen, de afsluiter van de paasperiode. Ik vraag me af of we nog lang zullen moeten wachten op de gebruikelijke vijgen na Pasen. Nee. Lang duurt het inderdaad niet. Er komt nog maar eens een formeel expliciet verbod voor de geuzen en voor de andere sekten om te preken. Op het levende lijf. Je mag dit laatste gerust interpreteren als een onvervalst dreigement van het katholiek establishment. Hun schuur mogen de andersgelovigen ook vergeten. De heren van de wet arriveren plotseling aan het Magdalenakerkhof waar ze de stoelen uit de ruimte halen en er de toegangsdeuren verzegelen. Achteraf zijn ze zo lomp om de zitmeubelen van de geuzen zomaar voor appelen en eieren verpatsen. Ik hoef er geen tekening bij te maken dat de geuzen allerminst opgezet zijn met deze gang van zaken.

Met Beloken Pasen zelf worden de zaken nog verder op de spits gedreven. Al om negen uur in de morgen breken enkele soldaten binnen in de geuzenschuur. Ze verschaffen zich via een raam toegang tot de gebedsruimte waar ze de rest van het meubilair meepakken en de preekstoel in gruzelementen slaan. Dat gebeurt allemaal buiten medeweten van hun eigen kapitein en wanneer die op de hoogte gebracht wordt van de inbraak van enkele van zijn manschappen haast hij zich ernaartoe. ‘Ach laat ze maar’, denkt hij in zichzelf en na zijn vertrek breken de mannen verder de ramen en de glazen uit om die wat later te gelde te kunnen maken. De rest van de inboedel wordt kort en klein geslagen.

Maar liefst tweehonderd soldaten vieren hun lusten bot op de geuzenschuur. Ze gaan op zoek naar wagens bij de pachters om al het hout van het gebouw op te laden om die dan achteraf binnen te voeren in de stad. De tactloze afbraak houdt heel Ieper in de ban. Een mensenzee is er getuige van hoe de fiere tempel rond vier uur tegen de vlakte gaat. Onder die mensen staan er natuurlijk ook veel geuzen. Mensen die zich aangetrokken voelden tot de eenvoud van Luthers leer. Mannen en vrouwen die nu boos en verdrietig zijn. In stilte verbijten ze hun tranen en frustraties. Een gebeurtenis om nooit te vergeten hier in Ieper; ‘de geuzenschuur op ’t Magdalenakerkhof gesteld werd op de zesde april op Beloken Pasen van het jaar 1567 geveld!’

Op 7 april halen de soldaten de rest van het hout en de stro op en voeren die daarna naar enkele plaatsen in de binnenstad. Een deel bij de schandpaal, het zal vermoedelijk wel goede brandstof zijn voor één of andere geplande vuurdood. Ook bij de herberg ‘De Spiegel’ en ergens in de Klierstraat wordt er materiaal naartoe gebracht. De burgers kunnen er wat extra materiaal kopen aan een billijke prijs en de mannen zijn blij dat ze een centje kunnen bijverdienen. Aan de gepijnigde zielen van de calvinisten wordt geen aandacht besteed.

En de geuzen zelf? Het wordt al snel duidelijk dat de niet-katholieken weg willen uit Ieper. De grond wordt te warm onder hun voeten. Hun leiders Karel Ryckewaert, Jacob Platevoet en Hans Tavernier vertrekken regelmatig op tournee. Veel andersgelovigen zoeken ondertussen al hun toevlucht in veiligere oorden. Een van die schuilplaatsen blijkt Poperinge te zijn en dat is niet erg naar de zin van de Ieperse kapitein Simon Uyttenhove. Hij trommelt enkele van zijn mannen op om in te grijpen in het Poperingse.

Het blijkt dat veel Ieperlingen besloten hebben om naar Engeland te verhuizen en dat buurstad Poperinge een eerste tussenstation is in hun reis. Uyttenhove houdt er meteen grote kuis. Nogal wat vluchtenden verliezen have en goed aan zijn soldaten die zich nu natuurlijk nergens nog voor inhouden. Wie betrapt wordt met boeken over Luther en co wordt gearresteerd. Bij het vallen van de avond van de 12de april sleept de Ieperse brigade twee gevangenen met zich mee. ‘We komen morgen terug om ook hier jullie schuur af te breken’. Met dit dreigement nemen ze voorlopig afscheid van Poperinge.

De 13de april is een zondag maar zondag of niet, de knechten storen zich daar niet aan. Al om zes uur in de morgen vertrekken ze naar Poperinge. Het vooruitzicht van buit zorgt voor de nodige haast. De geuzenschuur daar wordt helemaal afgebroken. Men vertelt dat ze de hele nacht verder gewerkt hebben aan de afbraak maar dat is niet waar want de manschappen waren netjes op tijd terug met de avondklok hier in Ieper. Terwijl de ene soldaten de schuur in Poperinge aan het afbreken zijn, amuseren hun collega’s zich met het aflopen van de landelijke huizen. Zo wordt een landman aan het Wieltje in de buurt van Ieper het slachtoffer van hun grote brutaliteit. In mijn tijd noemen ze dat ‘rudesse’. Twee of drie bewoners worden daarbij gedood en er blijven daarbij nog eens vier sukkelaars zwaargewond achter.

Op woensdag 16 april gonst het al snel van de bedrijvigheid op de Ieperse grote markt. De soldaten stromen er in groten getale toe. Allemaal voorzien van hun wapens. Provoost Jan De Visch zal justitie doen over twee soldaten en van een predikant die door de manschappen van Del Valle opgepakt werd in Elverdinge. Die soldaten zijn dit keer geen eigen mannen maar maakten deel uit van het geuzenleger van Woestenaar Jan Denys. Rond 9 uur schuiven de Ieperlingen massaal aan om toch maar niets van het schouwspel te missen. Het is al een hele tijd dat ik nog zo veel volk gezien heb op de markt. Een uur later staan de galg en het schavot in aanslag voor het huis van de kasselrij.

Een eerste rebel wordt opgeknoopt. De menigte soldaten kijkt schijnbaar onbewogen toe. Bijna allemaal Walen in een ‘geef acht’ houding en met de geweren in aanslag. De Ieperse brigade van Simon Uyttenhove kijkt bedrukt toe. De helpers van De Visch gaan na de eerste executie nu op zoek naar het volgend slachtoffer. De predikant. Zijn afscheid aan het leven gaat gepaard met het herhaaldelijk ‘adieu’ kussen met toeschouwers. Terwijl hij nu eindelijk toch onderaan de ladder voor het schavot belandt, worden zijn Ieperse broeders bijzonder emotioneel. De predikant is duidelijk een van hen. ‘Heb vertrouwen’ wordt er geroepen vanuit de menigte. Terwijl hij vastgeknoopt wordt maakt de beklaagde duidelijk aan de officier dat hij graag nog iets zou willen zeggen. Die kijkt op zijn beurt naar gerechtsdienaar De Visch. ‘Mag de terdoodveroordeelde nog spreken?’, vraagt hij aan zijn chef.

‘Wel spreek dan’, antwoordt De Visch enigszins tegen zijn goesting. Maar nog voor hij dat heeft uitgesproken breekt een algemeen tumult los bij de aanwezige Ieperlingen. Het volk begint in paniek weg te lopen en niemand weet precies waarom. Voelden de soldaten zich bedreigd door die massa aan sympathisanten? Het is me niet erg duidelijk. Wat ik wel weet is dat ze potverdorie beginnen te schieten op de vluchtende massa. Terwijl de trommels roffelen wordt er gemikt op mijn weerloze medebewoners.

Wat nu volgt is zonder meer een drama. ‘Zulke jammer toch, sinds mensenheugenis nog nooit vertoond in deze stede’. Moest een mens rijk geweest zijn en eigenaar van wel duizend pond, wel dan zou hij de helft ervan afgestaan hebben om gered te kunnen worden van deze afschuwelijke toestanden. De Walen schieten er vreselijk op los. Mikken op de burgers. Wie goed te been is heeft meer kans om weg te geraken. Oude kranke lieden komen in grote moeilijkheden. Jan Lamoot krijgt een houw van zijn hellebaard in zijn hoofd geplant en sterft ter plekke. Zijn hersenen belanden op de straatstenen voor het Waverhuis.

Messenmaker Jacob Bouseel en Gelein in ’t Maentgen worden doodgeschoten in de Hondtstraat. Op de grote markt sterft Jacob Gheraert. In de Klierstraat sneuvelt Willem de Lapper. Seghers de Barmentier wordt gedood voor zijn stal in de Aalstraat. Een gezel van Belle sterft, de zoon van Jacques de Bruyne die zo vaak als voorschepen van het huis van Belle gefunctioneerd heeft. De soldaten aan de lakenhalle vuren er maar op los. De taferelen zijn zo afgrijselijk dat ik er haast niet kan over schrijven. Ik schrijf met bloed en niet met inkt. Terwijl er zo veel bewoners gewond raken spurten en strompelen de anderen in paniek naar de veiligheid van hun huizen. En de soldaten die schieten maar verder op alles wat beweegt. Zijn ze gek geworden?

De dienaars van de provoost gaan ondertussen stoïcijns verder met hun terechtstellingen. De derde man raakt dus ook opgeknoopt. De grote markt is binnen enkele minuten herschapen in een surrealistisch tafereel. Doden, gewonden. De hele plaats ligt bezaaid met mantels, bonnetten, hoeden, pantoffels en schoenen en op de Botermarkt getuigen verbrijzelde rieten manden met boter, eieren en melk van de vreselijke paniek die er moet geweest zijn. De standen waar appelen werden verkocht liggen tegen de vlakte gesmakt. De ravage die de soldaten achteraf aanrichten is ronduit hallucinant. Ze beroven, plunderen en doden tal van onschuldige marktkramers. En na het schieten druipen ze weer af naar de grote markt. De mantels en de vertrappelde hoeden en de rest van het geld laten ze achteloos achter.

De nachtmerrie is nog altijd niet voorbij. De luitenant schuimt nu met zeker vijftig gewapende soldaten de straten af om na te gaan of er nergens geen samenkomsten van volk doorgaan. Ze vinden overal hermetisch gesloten huizen waar de mensen ongetwijfeld duizenden angsten moeten uitstaan. Het duurt zeker nog twee uur vooraleer een inventaris kan gemaakt worden van het aantal slachtoffers. Het dodentol loopt de volgende dagen verder op. Wullen Rabant viel bij de eerste gewonden. Hij kreeg de kolf van een geweer op zijn hoofd en kreeg daarna een steekwonde. Hij overlijdt de volgende dag aan zijn verwondingen. Elyas Lubaert werd neergeschoten en sterft nog dezelfde dag. Hans Witroot idem dito, die leeft nog twee dagen. Een gezel van de weegbrug wordt doorschoten en houdt het eveneens nog twee dagen vol.

De oude Adriaan van Dusten sterft drie dagen later aan zijn opgelopen schotwonde. En dan spreek ik nog niet eens over de slachtoffers van buiten Ieper. Landmannen en -vrouwen die hun leven verloren nadat ze neergeschoten of overreden waren. Een pak mensen vecht tegen de dood, perikelen van blessures en pijn. Bijzonder veel oudere mannen, maar eveneens jonge kerels. Zoals Geraard de Roy, geschoten in zijn been, Jacob Merghen, een hakwonde aan het hoofd. Jan van Hernighem; doodgeschoten, Jacob de Stercke overleeft het niet. Ook Jacob de Bie en Clais Prie behoren tot het macabere lijstje van wel tachtig slachtoffers. Eén week later is het dodental al opgelopen tot negentien, in de weken die volgen groeit dat aantal verder aan. Het laat me toe om op mijn eigen manier die moorddadige dag in een rijm om te zetten:

Op de zestiende van april, dan zag

men in Ieper ter markt een deerlijke woensdag

Simon Uyttenhove stijgt wat in mijn achting. Hij beschikt dus wel over een geweten. De stadskapitein is twee dagen na het bloedbad in Ieper nog altijd woedend op wat de Walen hier hebben aangericht. Zijn woede slaat over op zijn eigen manschappen. ‘Wat hebben jullie dwazen gedaan? Het is een regelrechte schande!’ De kapitein is verbolgen en drijft daarbij de nervositeit bij zijn mannen op de spits. Er moet wat teruggedaan worden voor de eigen poorters. De Ieperse soldaten gaan daarom op zoek naar de verloren mantels die her en der op de plaveien werden achtergelaten en die zich nu blijkbaar in een kamer van de lakenhalle bevinden. Misschien kunnen ze nog een en ander recupereren voor die arme slachtoffers.

Werken bij de stadsbrigade heeft wel iets mee van een interimjob. Op de laatste dag van april loopt het contract van de Ieperse mannen af. Simon heeft ze bij hun afscheid betaald voor hun prestaties van de voorbije vier maanden. Geld dat opgehaald werd bij de poorters zelf zodat de stad min of meer veilig kon blijven. Op 28 april stellen de burgers een verlenging van twee maanden voor. Ze houden hiervoor een algemene vergadering. Die extra periode wordt echter niet toegestaan. Waar zat Uyttenhove wanneer ze zijn hulp nodig hadden? Zo ziet de stadskapitein zich verplicht om te solliciteren bij graaf Egmont of het niet mogelijk zou zijn om een prinselijk vendel te leiden. Hier in het stadhuis achten ze de kans op slagen hiertoe niet echt realistisch. Al zijn soldaten worden in elk geval vanaf begin mei werkloos. Hier in deze stad is er geen werk voor al die jonge gasten. Ieper raakt zo steeds dieper in de problemen. Ik vertel er nog bij dat de Waalse vendels verder aan boord blijven.

Tijdens de marktdagen van Allerheiligen, de beroemde ‘Ascencionsmarkt’, vraagt de voogd hulp aan de poorters die beschikken over een geweer. Of ze een oogje in het zeil willen houden. Tijdens het weekeinde wordt er dan toch weer gewaakt op de grote markt. Twee halve vendels Waalse krijgsmannen zullen helpen bij het toezicht. Een deel van hen verlaat de bezette lakenhalle om er ietwat treiterig post te vatten aan de voorgevel ervan. Ik heb er het raden naar hoe de burgers zullen omgaan met de hele onwerkelijke toestand hier in stad. De huizen baden in de zon waardoor het geheel eindelijk wat vriendelijker kleurt. Ik vrees dat dit echter maar schijn is.

De 17de mei wordt mijn vrees in realiteit omgezet. Zes burgers worden van hun bed gelicht op beschuldiging van geweldpleging en inbraak. Het hoe en wanneer kom ik vooralsnog niet te weten. Pieter de Corte, Wouter Bevelen, Michiel in de Meulene, Wullekins Terouf en nog twee vrouwen. De aanhouding zorgt voor een domino-effect. Het gerecht vermoedt dat er zeker honderd burgers betrokken zijn bij de feiten. Nogal wat onder hen poetsen de plaat en maken dat ze weg zijn hier uit Ieper. Pieter de Corte en zijn vrienden mogen het nog eens gaan uitleggen in de schepenkamer en vliegen later weer achter de tralies. Een deel goederen dat klaar staat om verscheept te worden naar veiligere oorden wordt aangeslagen. Het is inderdaad niet toegelaten om waren te versassen zonder biljet.

De dinsdag na Pinksteren worden de beschuldigden weer voor de raadkamer gebracht en ondervraagd. Achteraf verdwijnen ze weer in de gevangenis terwijl er nu zowat dagelijks Ieperlingen er voor zorgen dat ze hier weg zijn. Iedereen loopt nerveus rond. Na nog maar eens een sermoen gevuld met onderhuidse dreigementen zien de stedelingen achteraf dat het schavot weer opgeslagen staat voor het bezant. Het blijkt om een uitloper van de moordpartij aan het Wieltje te gaan. Twee Waalse soldaten zullen opgehangen worden voor hun deelname aan de moord. Ze hebben nog geprobeerd om zich zonder paspoort bij een ander vendel in te schrijven maar zijn hierbij door de mand gevallen.

De terechtstelling gaat door om 10u. Om een herhaling van de feiten van 16 april te voorkomen mogen de soldaten hun wapens in geen geval meebrengen naar de markt. Meneer van Tamburge leidt het tribunaal waarbij inderdaad beslist wordt om het tweetal op te knopen. Vier uur later al worden de misdadigers begraven op het kerkhof van de minderbroeders.

De toestanden in Ieper zorgen voor grote onrust in de hele buitenregio van Ieper. Met pak en zak je thuis achterlaten doe je niet zomaar. Veel landlieden kiezen het zekere voor het onzekere en zoeken andere oorden op. Op de 22ste mei laat de soeverein een verhuiswagen halt houden en worden de vluchtenden met kar en al naar Ieper overgebracht. Het blijken allemaal inwoners van Westouter te zijn. Ook binnen Ieper blijven er poorters vertrekken. De 24ste laten de kapiteins Tramhuse, Del Valle en Norrem de trommels slaan om de inwoners ervan te verwittigen dat niemand mag vertrekken zonder zijn paspoort. Diegenen die dit bevel negeren zullen worden opgehangen. Het is me toch wel het sfeertje hier!

Tijdens de nacht van 27 mei verrichten de hoogbaljuw samen met de schepenen en enkele van hun medewerkers een nachtelijk inspectiebezoek waarbij ze binnendringen in diverse huizen. Ze treffen de meeste woningen leeg aan. De vogels zijn gaan vliegen. Deze inbraak van de overheid zelf zorgt er op zijn beurt voor dat de uitstroom van burgers nog verder toeneemt. Gratie van dit bestuur moet niemand verwachten. Wie vlucht out zich natuurlijk als een aanhanger van Luther. Het katholieke deel van de Ieperse bevolking blijft natuurlijk netjes thuis en is getuige van de zelfgekozen zuivering van de stad. Iets wat duidelijk zichtbaar wordt op de 29ste, wanneer zoals gebruikelijk het heilig sacrament door de bisschop persoonlijk in de processie wordt meegedragen. Met in zijn zog een grote menigte Ieperse gelovigen. Zoveel volk heb ik zelden gezien tijdens de vorige processies. Een dreigende vinger dat Ieper er enkel en alleen is voor de zuiveren van geest. En daar bedoelen ze natuurlijk de rooms-katholieken mee.

Op de laatste dag van mei worden er weer enkele sukkelaars naar boven geleid waar ze voor de rechters in de schepenkamer moeten verschijnen. Wraakroepend toch de manier hoe deze onschuldige mensen behandeld en berecht worden. Gisteren hebben ze al een sessie vol agonie en pijniging meegemaakt. Het gerucht gaat de stad rond dat er toen al enkelen hun marteling niet hebben overleefd. Maar dat blijkt niet waar. Er staat hen nog extra pret te wachten. Ik heb het hier over de burgers Bevelkin en Cabilliau die na het ondervraging door de baljuw weer naar de gevangenis worden overgebracht.

Diezelfde middag komt er een nieuw bevel van de overheid. Een gebod dat niemand, maar dan werkelijk niemand nog zijn kind mag laten dopen door valse profeten van de andere leer. De ouders moeten hun pasgeborenen tot bij de pastoor van hun parochie brengen. Hij zal er wel voor zorgen dat de baby’s het heilig christendom zullen ontvangen. Er bevinden zich hier in de stad trouwens nog kinderen die op dit moment nog niet gedoopt zijn. De ouders krijgen welgeteld drie dagen om hun ongedoopte kroost aan te bieden bij de parochiepriesters. Wie in gebreke blijft zal lijfelijk gestraft worden. Het dreigement slaat blijkbaar aan. Nog dezelfde dag komen er veel kinderen boven water (wat ben ik weer grappig) om hun katholiek doopsel te ondergaan. Kopje onder in de verplichte leer van Christus. Ook op dag twee en drie blijft dit het geval. Het lijkt er op dat de religieuze revolutie hier in Ieper aan zijn einde aan het lopen is. Of bedrieg ik mezelf met deze gedachte?

De tweede juni worden de gevangenen weer naar boven in de lakenhalle geleid. Net op het moment dat er een zwaar onweer losbreekt boven het belfort. De gutsende regen zal vermoedelijk het minste van hun zorgen zijn. Ik heb het over Pieter de Cock, Bevelkin, Jan Baelde, Cabilliau. Ze leven nog altijd en hun executie wordt uitgesteld tot de volgende dag. Het gevreesde evenement begint al erg vroeg. Al om drie uur weerklinkt het naargeestig geluid van de trommels. Ik haast me om van achter mijn raam een blik op te vangen van wat er aan het gebeuren is. Op de markt ontwaar ik al het eerste licht van brandende toortsen en zie ik de soldaten er toestromen. De terechtstelling zal inderdaad vandaag zijn beloop kennen.

Om vijf uur komen de heer van de wet samen in vergadering en worden de gevangenen weer naar boven gesleept. Ze zijn met zijn drie. Wouter Bevelen (Bevelkin), Wullekin Terouf en François Cabilliau. Al de getuigen moeten dit keer van de markt verdwijnen. De soldaten schuimen de markt af en jagen er de nieuwsgierige bewoners weg. Ik begrijp nu waarom de executies tijdens de nachtelijke uren zullen plaatsvinden. Het drietal wordt zoals verwacht veroordeeld tot de strop.

Terouf mag de spits afbijten. Terwijl het lijk van de eerste wordt weggesleept wordt nummer twee tot voor het nog bengelende touw gebracht om daar hetzelfde lot te ondergaan. Wat later herhaalt het sinister scenario zich nog een derde keer. De kadavers worden tijdelijk onder de Donkerpoort binnengevoerd. Enkele Ieperse schepenen beweren dat hun lijken nu buiten de poorten aan de schandpaal zullen worden opgehangen. Voer voor de kraaien en een voorbehoedsmiddel voor diegenen die mogelijk ook eens interessant zouden willen doen hier in ’t stad. Dat blijkt echter een roddel eerste klas. Wullekin wordt begraven op Sint-Maartens. François en Wouter vinden hun rustplaats ergens buiten de stad.

Ik heb het bij het verkeerde eind gehad. Het vroege tijdstip van de terechtstellingen heeft alles te maken met de wetenschap dat er na de eerste ronde van opknopingen nog een tweede ronde volgt. De razzia’s en de afrekeningen als ultiem statement van mijn overheid. Men zal niet spotten met de wet en zeker al niet met de heilige kerk. Inderdaad. Rond acht uur wordt er een nieuw trio aangebracht. Het verwondert me dat zij het er blijkbaar levend van af zullen brengen.

Michiel uit de wolmolen wordt voor vijftig jaar verbannen. Oblye Man, een zoon uit de herberg ‘de Galeye’ krijgt een betekenisvolle straf. Natuurlijk een absolute vernedering hier voor zijn eigen buren en medebewoners. Beeld je eens in! Tot aan de kerk van Sint-Pieters stappen met een kaars in de hand. Tussen twee dienaars van de kerk in en ondertussen om vergiffenis smeken bij God de heer en bij het heilig sacrament. Achteraf nog een boete van twee pond om de kerk te helpen herstellen en daarna mag hij voor een vol jaar ophoepelen uit zijn natuurlijke habitat. Jan Baelde krijgt een gelijkaardige straf. Ook op een drafje met een toorts lopen bidden voor God en de rest van zijn hemelrijk, vergiffenis vragen aan het heilig sacrament, wie of wat dit ook mag zijn, daarna veertien dagen boetedoening en bidden in het klooster van de grauwe zusters om dan als dessert voor drie jaar verbannen te worden uit deze stad. Vreselijk toch.

De zuivering is nog altijd niet afgelopen. Het magistraat richt nu zijn pijlen op al de ouderlingen die zich aan het nieuw geloof hebben verbrand. De 13de juni mogen ze het allemaal mogen komen expliceren bij de hoogbaljuw. Ze dienen daar te verschijnen voor de vierschaar. Ze worden allemaal bij naam en voornaam opgeroepen. Eenentwintig personen. Daarnaast worden nog eens vierendertig anderen opgeroepen om zich te komen verantwoorden. Ze zullen beschuldigd worden van inbraken, geweldpleging en andere misdrijven.

Op 4 juni volgen er opnieuw drie executies. Een half uur na middernacht. Het verbetert er niet op hier. Voor het bezant zie ik de opknoping van drie mannen. Ik bekijk het spookachtig gebeuren met gemengde gevoelens. Mijn gezin en ikzelf zijn overtuigde katholieken. Maar hoeft dit hier allemaal? Als een clandestiene voyeur zie ik het licht van de toortsen dansen in de nacht. Duistere figuren verschijnen één voor één. De angst op hun gezicht kan ik onmogelijk waarnemen. De strop wel. Die wordt over hun hoofd getrokken en enkele tellen later bengelen hun lichamen als zielloze en reuzegrote poppen in het pikdonker van de stad. Buiten de provoost, zijn dienaars en enkele soldaten zijn er verder geen getuigen. Buiten ik zelf natuurlijk. Wat later vertelt de oude klompenmaker Robrecht Pinsael in de Zuidstraat me dat de mannen beschuldigd werden van deelname aan de geuzenoorlog in Wattrelos en van diverse inbraken. Tot acht uur blijven ze doodstil hangen tot hun lijken afgenomen worden en dan direct begraven worden op het kerkhof van de predikheren.

Diezelfde middag wordt de galg weer rechtgezet voor het huis van de kasselrij. Waarom ze die constructie voortdurend weghalen om die dan wat later opnieuw in stelling te brengen blijft me een raadsel. Het zal een deel van de vertoning zijn zeker? Bewust bedoeld. Vijf mannen en een vrouw eindigen wat later hun leven aan een touw. Na een korte tussenpauze wordt er nog een individu opgehangen omwille van zijn deelname aan de slag van Wattrelos. Twee kerkbrekers krijgen een verbanning van vijftig jaar plus één dag. Plus een geseling vooraf. De toeschouwers maken dat ze weg zijn van de markt. Ze vertrouwen het hier niet. Vooral ouderlingen ruimen de baan. Een herhaling van 16 april kan best vermeden worden.

Het is de vaste gewoonte in Ieper dat burgemeester en schepenen jaarlijks door een nieuwe ploeg vervangen worden. Meestal zijn de nieuwe magistraten ergens familie of dicht verwant met de bestaande en mag volgend jaar een omgekeerde beweging verwacht worden. Men moet al een krak zijn om hier een speld tussen te krijgen. Macht geef je niet zomaar af. De zesde juni anno 1566 neemt de heer van Bellewaerde de functie van burgemeester over. Hij wordt de nieuwe voogd van Ieper. Meneer Handeroen wordt aangesteld als nieuwe voorschepen. Veel verandert er niet. Predikant Karel Ryckewaert wordt opgeroepen om te verschijnen bij de hoogbaljuw. Hij mag wat uitleg komen geven over zijn activiteiten. De wet wil wel wat meer weten over de verschillende reizen die Theofilius heeft ondernomen. De datum van de hoorzitting wordt voorzien op 13 juni. Naast de predikant worden eveneens Jacques Blatevoet en nog twee anderen verwacht om tekst en uitleg te verschaffen.

Geuzenleider Theofilius stuurt zijn kat. De 14de juni reageert het magistraat met extra vervolgingen tegen burgers die zich schuldig gemaakt hebben aan ongeregeldheden, illegale sermoenen en het zingen van psalmen van David. De feiten dateren al van 25 juli 1566 en hebben zich afgespeeld in de Zuidstraat. Een week later houden de Waalse soldaten van Del Valle en Norrem een parade, een soort van monstering van de troepen. Dat gebeurt voor het klooster van Sint-Maartens achter de lakenhalle. Achteraf vertrekt hun aanvoerder naar Sint-Omer. Ondanks de geruchten dat de soldaten hem naar ginder zullen volgen, blijven ze toch netjes hier in Ieper.

30 juni 1567. Enkele dagen geleden werd een kerkbreker opgepakt in Hooglede. Dat gebeurde op het grondgebied van de heerlijkheid van het Noord-Vrije van Roeselare waar hoogbaljuw Langhemersch de scepter zwaait. De toegangswegen tot de markt worden van het ene op het andere moment bezet door soldaten. Wie op de markt staat moet er blijven en wie de terechtstelling nog wil bijwonen is er aan voor de moeite. Het is puffend warm. De zon staat hoog in de hemel. Er hangt een lome atmosfeer. Een opknoping in deze hitte is best surreëel. De trommels klinken als tamtams. De patiënt – pardon; het slachtoffer – zal dit tropisch tafereel niet lang meer meemaken. Hij wordt aan de bast opgehangen. Dood aan de galg.

Maar of mijn overheid het nieuw geloof effectief tot in de diepste wortelsprieten zal verdelgen is toch maar zeer de vraag. Op 1 juli verspreiden de geruchten zich dat er nieuwe predikanten op komst zijn. Karel Ryckewaert is met de noorderzon verdwenen. Dat lijkt me duidelijk. Hij zal wel de boot naar Engeland genomen hebben waar hij ten minste lijf en leden niet riskeert om zijn beroep uit te oefenen. Hier in Ieper is het wachten op nieuwe bisschoppen, want zo noemen de nieuwgelovigen hun predikanten eigenlijk. In het stadhuis hebben ze deze info eveneens opgevangen. ‘Vergeet het maar’, schrijven ze direct. Het gebod hangt nog diezelfde middag als een verwittiging voor de lakenhalle. Hier komt niemand binnen om kwade maren te zaaien onder het volk. Criminele gezellen zullen resoluut aangepakt worden door de arm der wet.

Op 7 juli verschijnt er een nieuw gebod. Het wordt strikt verboden om te verhuizen naar Engeland. Dat Theofilius naar ginder is gemuisd, blijkt al publiek geheim te zijn en veel poorters en mensen van den buiten willen zijn voorbeeld volgen. Een zoektocht naar het veilige leven. Een zucht naar vrijheid. Weg van de katholieke repressie die Vlaanderen in de ban houdt. Dat willen de schepenen en de wet hier flagrant afstoppen. Er mag niemand vertrekken. Wie dat probeert zal zwaar gestraft worden. De mensen moeten een voor een beloven om hier te blijven. Er komt een verplichte eedaflegging aan de koning, de stad, de geestelijken en de kerk.

Op 8 en 9 juli moeten al de soldaten en hun respectieve gezinnen uit de vendels van Del Valle en Norrem verhuizen uit hun gasthuizen in de stad. De soldatenfamilies van Del Valle krijgen een onderkomen in de burgerwoningen van de parochie van Sint-Niklaas terwijl die van Norrem gaan logeren in Sint-Pieters. Al de burgers krijgen hun soldaat en zijn gezin toegewezen. Met uitzondering van de schamele lieden. De manschappen krijgen bevoorrading mee voor een maand. Het zou me verwonderen of de bewoners van de huizen daar iets van zullen zien.

De poorters zijn natuurlijk allemaal mistevreden dat ze zorg moeten dragen voor die vreemde luizen. Hun onvrede wordt nog extra gevoed door een verwittiging van de voogd. Van de burgers wordt verwacht dat ze olie, zout, kaarsen, azijn zullen voorzien voor hun gasten, samen met hout zodat die zelf hun potje kunnen koken. Ofwel moeten ze hun eigen voedsel delen met de manschappen. Wie dat niet doet mag zich verwachten aan een boete van drie gulden. Ook de soldaten krijgen een veeg uit de pan. Ze moeten hun manieren houden en elke vorm van brutaliteit tegenover hun gastheren achterwege laten. Want; ‘men zal goed recht doen en grote correctie voorzien voor elke mistoestand ter zake’.

De week van 10 juli regent het bijna onafgebroken. De hemel lijkt wel te huilen tijdens de zomer van 1567. De tristesse wordt nog versterkt door nieuwe maatregelen van de baljuw. Hele groepen bewoners worden opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Allemaal mensen die ervan verdacht worden om aanhanger te zijn van het nieuw geloof. Onder hen bevinden zich ook kerkbrekers, maar het zijn vooral gewone mensen. Buren, vrienden, lieden zoals jij en ik. Nog geen week geleden hing er nog een boodschap aan het stadhuis dat iedereen vrij de stad kon binnenkomen zonder angst om opgepakt te worden en nu slikken ze zomaar die belofte in. De poorters kijken verwonderd toe. Wat gebeurt hier toch allemaal?

Het weer wordt gelukkig wat vriendelijker in het begin van augustus. Er komt opnieuw een herschikking van de soldaten. De burgers krijgen een andere gast op bezoek. De legerleiding heeft beslist om die wissel voortaan maandelijks uit te voeren. Een aantal van mijn buren die onlangs nog naar Engeland waren verhuisd komen nu schoorvoetend terug naar huis. Blijkbaar is het daar ook niet allemaal koek en ei. De reis naar ginder is ook niet zonder hindernissen verlopen. Vincent de Maeght en zijn vrouw Alida springen eens binnen bij mij thuis. Ik ben opgelucht om hen terug te zien. Bij een glas gerstebier vertellen ze honderduit over hun wedervaren. Zo kom ik te weten dat een aantal van hun Ieperse medereizigers onderweg werden opgepakt. Dan konden ze net zo goed hier gebleven zijn.

Op 3 augustus is het Tuindag en gaat er zoals gewoonte een processie door de straten van de stad. Een heel plechtige ceremonie met een bisschop die dit jaar extra zijn best doet om een ‘solemnele’ mis te leiden. Met achteraf zoals gezegd deze processie vol van devotie en genade en met een overvloed aan kaarsen. Een eersteklas begrafenisstoet maar dan zonder lijk om voor te treuren. Rederijkersspelen zijn er niet bij dit jaar. De tijden zijn te schamel. Wat een verschil met vorig jaar toch. Dan hielden ook de geuzen hun eigen Tuindagfeest en er waren nog bijkomende festiviteiten op de maandag en dinsdag daarna. Wat waren we allemaal in een goede stemming dan. En dan nog al die processies erbij. Plechtige stoeten naar de augustijnen, naar de broeders van Sint-Jan en naar de andere kapellen.

Gerechtsdienaar Jan De Visch zorgt er op eigen houtje wel voor dat er dit jaar van rust geen sprake zal zijn. Op 6 augustus spreekt hij zich uit over het lot van een jongeman die ervan verdacht wordt om het woord gevoerd te hebben voor de calvinisten. De jongen is een illegale predikant en wordt ter dood veroordeeld door deze hardvochtige provoost De Visch. De terechtstelling gebeurt bij nacht. De sukkelaar wordt door enkele medewerkers van de vierschaar buiten de Antwerpse poort geleid. Hij wordt kort en bondig opgeknoopt langs de weg naar Zonnebeke, bij de ‘Vironnycke’, de mensen van het gerecht hebben er niet eens een beul voor nodig gehad. Ze klaarden het klusje zelf wel.

Twee dagen later, drie dagen later, weer een stel sessies van de vierschaar. Dit keer heeft Karel Ryckewaert wel degelijk prijs. Of hij al dan niet aanwezig is kan ik niet met zekerheid vertellen, ik zal hem in elk geval voor lange tijd niet meer zien want onze predikant wordt voor vijftig jaar verbannen uit deze stad. Vijftig jaar plus één dag om precies te zijn. Aan een premature terugkeer hangt een sanctie aan vast. Theofilius zal dan ‘gehangen en verworcht worden’. Wulten, de waard van herberg ‘Renty’ wordt op 20 augustus voor het huis van de Zale op de markt met een slag van het zwaard terechtgesteld.

‘Dat is nog maar een begin’, kom ik via via te weten. De voogd heeft hier blijkbaar brieven ontvangen waarin melding gemaakt wordt van de komst van een of andere Spaanse hoge piet. Een zekere hertog van Alva zou nu al op weg zijn naar Brussel om er orde op zaken te stellen. In Hove. Een begin? Kan het dan nog erger dan hier in Ieper waar de ene veroordeling en terechtstelling de andere opvolgt? Ik krijg die nare gevoelens niet uit mijn hoofd, woel de hele nacht in mijn bed en schiet pas bij het krieken van de morgen in een verkrampte slaap waarbij die vreselijk onbekende Alva door mijn geest blijft spoken.

De 24ste augustus komen de kapiteins Norrem en Del Valle van het hof terug met goed nieuws. Er is eindelijk soldij beschikbaar voor de manschappen. Ik begrijp meteen waarom de soldaten zich de voorbije tijd zo wispelturig hebben gedragen. Ze werden verdorie niet vergoed voor hun diensten. Ook vanavond komen de huurlingen op straat. Het nieuws van de betaling is blijkbaar nog niet tot hen doorgedrongen. De mannen vegen hun voeten aan hun wachtdiensten en schuimen de straten af. Hier en daar rukken ze mantels en hoeden af van de burgers die zich te dicht in hun buurt wagen. Er vallen zelfs gewonden.

De 25ste krijgen de soldaten eindelijk het geld waar ze nu al zo lang op wachten. Ze kunnen nu eindelijk vertrekken. De meesten wachten nog tot de volgende dag. Bij het opkomen van de zon gaan de stadspoorten open en het duurt niet lang voor de eerste lege karren Ieper binnenrijden. Ze worden nu gevuld met hun goed, kleren, vrouwen en kinderen en andere zaken. Klaar om te vertrekken. Sommige pachters uit de buitenregio nemen het zekere voor het onzekere en vertrekken met hun paarden uit angst dat de soldaten die uit hun stallen zullen roven. De volgende dag vertrekken ze vooral via de Mesenpoort. Tijdens hun vertrek vieren ze hun kwalijke lusten bot op de huizen van de pachters waar ze hier en daar een spoor van vernieling achterlaten en waar ze alles met zich meenemen wat ze maar kunnen sjouwen. De landman is er nog maar eens de pineut van.

De vooruitzichten voor de stedelingen zijn allesbehalve schitterend. Beetje bij beetje begint het door te dringen dat er een nieuwe lichting soldaten op komst is. Spanjaarden. In het zog van Alva is een heel leger zuiderlingen gearriveerd. In en rond Gent hebben ze al kunnen kennis maken met negentien vendels Spanjaarden. Macho’s, loosers schilderachtige figuren, sukkelaars, huurlingen die geen nagel hebben om aan hun gat te krabben en dus ongetwijfeld op zoek zullen gaan naar buit. Nee, de Ieperlingen hebben een heilige schrik voor die vreemde lieden. De opluchting is dan ook groot wanneer het nieuws bekend raakt dat er dan toch geen Spanjaarden voorzien zijn voor Ieper.

Er komt alvast een nieuw gebod dat de wachtrondes van de verdwenen soldaten zullen moeten worden overgenomen door de burgers zelf. Jan Maillaert wordt de nieuwe verantwoordelijke en hij krijgt burgers toegewezen die tot vorige week gediend hebben bij Simon Uyttenhove. Zij zullen de wacht voor hun rekening nemen en zullen hier ook voor vergoed worden. De klok rond. Vier pond voor dag- en nachtprestaties. Achtentwintig Ieperlingen houden de poorten in de gaten en evenveel mannen houden zich stand-by op de markt.

Het zint onze burgemeester van geen kanten dat de Ieperlingen in nauw contact blijven met de bewoners die naar Engeland vertrokken zijn en dat die van daar triomfantelijke berichten sturen dat ze ginder vrijuit hun nieuwe religie kunnen beleven. Al dat nieuws brengt alleen maar nodeloze onrust hier in Ieper. Agitatie die we best kunnen missen. Op 30 augustus komt er een formeel verbod om nog verder brieven uit Engeland te krijgen. De mensen mogen die natuurlijk wel ontvangen, maar ze mogen die niet meer openen. Alle post dient direct ingeleverd te worden bij de heren van de wet. Wie de omslagen opent krijgt een boete van tien pond en een ‘correctie’ van de schepenen. Discussies over het christelijk geloof worden taboe. Het lijkt er wel op dat hertog Alva zijn eerste accenten aan het opdringen is. Geen tooggesprekken meer over religie. Het bijhouden van psalmboeken en verdachte testamenten (ik heb het over Lutherse alternatieven voor het oude en nieuwe testament) is clandestien en zal eveneens beboet worden.

Op de eerste dag van september rekent de provoost af met een man die blijkbaar zijn eigen schoonvader om het leven heeft gebracht. De schuldige wordt voor de gevangenis op de grote markt het hoofd afgeslagen, of zoals ze bij ons zo wreed zeggen; onthalsd. De eerste vrijdag van september houden de raadsleden een nieuwe zitting van de vierschaar. Een hele groep calvinisten en kerkbrekers werd al een tijd verdacht van deelname aan geuzenpraktijken en mag het nu in de lakenhalle komen uitleggen. Een stapel psalmenboeken en verdachte literatuur wordt in het midden van de markt in brand gestoken.

Daags na de zitting volgt de uitspraak van de hoogbaljuw. Zaterdag 6 september 1567. Om vijf uur in de namiddag zal er door Jan De Visch justitie gedaan worden van een man die twee weken geleden opgepakt werd. Men beweerde dat hij ingebroken had in kerken. Een misdaad waar hij nu de rekening voor betaalt. Hij wordt straks opgeknoopt voor het bezant. Zijn vrienden en familie zijn er het hart van in. De sukkelaar heeft zich op een bepaald moment in zijn leven laten opzwepen. Hij had niets kwaads in zich. Ze kunnen de priesters er gelukkig van overtuigen om hem dan toch tenminste in heilige grond te mogen begraven.

De laatste rit voor Pieter de Cock breekt aan half september. Hij wordt vanuit zijn gevangenis tot voor de heren in de lakenhalle gebracht. Hij zat al een jaar vast en heeft al een hele tijd geleden zijn vrienden Bevelkin, Cabilliau en Terouf zien terechtstellen. Het zal nu vermoedelijk zijn beurt zijn. Hij krijgt in de rechtszaal nog het gezelschap van de bazin van ‘Het Rood Leeuwtje’; of ’t Roo Leeukin’, zoals ze zeggen bij ons. Nu ja, de herbergierster beweert van zwanger te zijn en zo ontsnapt ze aan het verdict van de vierschaar. Pieter de Cock heeft minder geluk. Hij zal op 17 september de dood aan de bast moeten ondergaan. Al van zes uur in de morgen zijn de zesenvijftig burgerwachten druk in de weer om de straten naar de markt af te zetten. De stadspoorten blijven hermetisch gesloten tot negen uur. Dat is het tijdstip waarop de Cock zijn leven eindigt aan het touw van de galg.

Verder van huis toont die hertog van Alva duidelijk wie er de nieuwe baas is in ons land. Naar verluidt zou hij brieven meegebracht hebben uit Spanje. Filips, de koning van Spanje, geeft Alva de totale zeggenschap over Vlaanderen en de Nederlanden. Hij begint al direct met een grote schoonmaakoperatie. Tot mijn verwondering en die van mijn buren worden er over heel het land nogal wat edelen opgepakt. En ook aan eigen hof zorgt hij voor een grondige zuivering. Wie ooit sympathie getoond heeft voor andersgelovigen wordt nu zonder scrupules door deze oerkatholieke hertog naar de cel verwezen.

Diezelfde sfeer van vergelding blijft ook hier hangen in de Westhoek. Provoost De Visch is de hele week druk in de weer. Hij concentreert zich vooral op de streek tussen Nieuwkerke en Mesen waar hij achttien verdachten oppakt en naar het gevangenhuis van Ieper meetroont. In de omgeving rond Meteren en Steenvoorde neemt hij de 20ste september tweeëntwintig burgers gevangen. Onder hen bevinden zich zowel mannen als vrouwen. ’s Anderendaags is het zondag. Na de gebruikelijke hoogmis in Sint-Maartens haast De Visch zich naar de markt waar hij de galg laat oprichten. Het slachtoffer, Hendrik Creus van Godewaarsvelde is enkele keren gaan luisteren naar alternatieve sermoenen. Iets wat wel verboden was, maar verder heeft hij niets verkeerd gedaan. De arme man is helemaal niet kwaadaardig. Na een laatste bezoek aan zijn biechtvader mag hij rond de middag beschikken hier op aarde. Creus wordt begraven op het kerkhof van Sint-Maarten.

Opschudding op 24 september. Rond acht uur arriveert er vanuit Poperinge een dringend verzoek aan de heren van de wet om te gaan ingrijpen ergens in het ‘bos van Lo’. Om precies te zijn gaat het over de bossen van Sint-Sixtus. ‘Er hokt daar veel kwaad volk samen en we vrezen dat er vreselijke dingen zullen gaan gebeuren.’ Wel tweehonderd opstandelingen. De boodschap is alarmerend. ‘Willen jullie ons alstublieft bijstaan?’ Dat zo’n urgente boodschap van Poperinge naar Ieper gericht wordt is op zich al helemaal ongebruikelijk. De burgerwachten worden in allerijl opgetrommeld. Je weet wel; de zesenvijftig stedelingen die het hier in Ieper proberen veilig te houden. Ze moeten zich voorzien van buskruit en kogels. ‘Cruut en loot, en breng er maar genoeg mee!’

Tegen die tijd zijn de hoogbaljuw samen met de baljuw van de Zale en hun dienaars al naar Poperinge vertrokken om er overleg te plegen. Simon Uyttenhove en zijn burgerwachten volgen hen rond 10 uur. De medewerkers van de provoost vergezellen hen. En ook Joris van Hallen en twee Ieperse wethouders zijn van de partij. Ieper staat ondertussen op zijn kop. Zoveel paniek en haastwerk bij het bestuur hier zorgt voor verbazing en beroering. Nogal wat bewoners haasten zich naar de Boterpoort. Bij de nieuwe molen niet ver van de stad zien ze de groep nog een hele tijd druk gesticuleren en dan trappen ze het af richting Vlamertinge en Poperinge.

Het najaar is al aangebroken en het is behoorlijk fris vandaag. Wanneer de Ieperse milities in de bossen van Sint-Sixtus arriveren zijn de vogels al gaan vliegen. De boeven zijn verdwenen. Blijkbaar woonden ze hier al geruime tijd. Dat kan men zien aan de lege hutten. Buiten wat achtergelaten geweren en een mes vinden ze hier niets. Op een andere plaats in de bossen kennen milities van Belle en van Veurne enig succes wanneer ze twee vluchtende bosbewoners kunnen vangen. De meeste bosgeuzen hebben zich net op tijd weten te verplaatsen naar een ander woud, vermoedelijk in de buurt van de Rodeberg en de Zwarteberg. De wethouders van Cassel blijken diezelfde dag ook de hand te hebben gelegd op drie verdachte individuen. Die avond blijven de Ieperlingen slapen in Steenvoorde, de volgende dag kammen ze verder, maar tevergeefs, de bossen uit rond Poperinge.

’s Avonds keren de mannen terug naar Ieper. De kalender wijst 25 september 1567 aan. Het gezelschap arriveert pas om zeven uur, de poortklok heeft al een uur geleden geluid, maar ze worden allemaal binnengelaten aan de Boterpoort. Rond dit tijdstip waken de ambachtslieden van de gilde van Sinte-Barbara. Later in de avond zullen ze vervangen worden door de leden van Sint-Joris en de Sebastiaansgilde. Die laatste gilde neemt ook de nachtelijke supervisie over de grote markt op zich.

Het is al een maand geleden dat de soldaten van de koning Ieper achter zich hebben gelaten. Wat een zucht van opluchting was dit voor ons allen. Het leven van de bewoners met al die vreemde gezinnen leek zeker en vast op de hel. Veel van die mannen zijn echter blijven hangen in de Westhoek waar ze op zoek gaan naar opportuniteiten op het land. Agressie, diefstal, verkrachting. De nietsnutten blijven het platteland afschuimen en hier en daar vormen ze privé milities, zolang ze maar geld kunnen binnenrijven. De wet in Ieper komt op zaterdag 27 september met een plakkaat dat al die praktijken zullen bestraft worden. De gewezen soldaten mogen zich niet met messen en geweren te lande begeven en wie in de toekomst betrapt wordt met wapens zal als een vagebond gestraft worden. Laat staan dat ze zich aan de eerste de beste als huurling presenteren. Er volgt ook een oproepingsbevel aan een aantal van die lummels om zich binnen de twee weken hier in Ieper te komen aanbieden.

Een tweede plakkaat zorgt voor veel rumoer bij de stedelingen. Tussen de marktkramen door wordt er gevezeld en geroddeld over de aangekondigde versoepeling van het stadsbestuur. De scepsis regeert. De stokvis blijft irritant rieken. Mensen die omwille van de nieuwe religie weggevlucht zijn uit Ieper mogen terugkeren naar hier. Ze zullen ongemoeid gelaten worden als ze zich ook maar enigszins willen verontschuldigen en beloven voortaan koning en kerk te dienen zoals het hoort. Ik betrouw de maatregel voor geen haar. Beloftes, ja en als de gezinnen eenmaal teruggekeerd zullen zijn kan de repressie van vooraf aan beginnen. Ik denk er het mijne van. Wie trouwens nog naar Engeland wil reizen zal daarvoor gestraft worden. Lijfstraffen voor de vluchtelingen maar ook voor de wagenmenners en de schippers en allen die meewerken om goederen naar ginder te vervoeren. Als straf zullen trouwens de paarden, wagens of de schepen verbeurd verklaard worden.

Procureur De Visch stoort zich niet aan de marktdag om diezelfde zaterdag af te rekenen met vier schurken uit het Westland. Gelukkig zijn het dit keer geen doodstraffen. De schandpaal, enkele uren publiek belachelijk gemaakt worden met een strop om de hals om daarna met scherpe roeden gegeseld te worden en als toemaatje verbannen te worden uit hun parochies. Plus een boete van driehonderd gulden. Het ritueel van bestraffing speelt zich af voor de gevangenis.

De hele septembermaand van 1567 heeft iets absurd over zich en daar heeft de aanwezigheid van Alva ongetwijfeld alles mee te maken. Neem nu graaf Egmont. Enkele maanden geleden had hij hier in Ieper nog alles te zeggen en nu hoor ik tot mijn verbazing dat hij door de Spanjaarden zou opgepakt zijn en opgesloten in hun kasteel te Gent. Samen met wel vierhonderd ruiters en in het gezelschap van de graaf van Hoorn. Naar verluidt zou Egmont het niet eens zijn met de vele terechtstellingen en de terreur die Alva in Vlaanderen heeft geïnstalleerd.

Begin oktober krijgen we hier berichten door vanuit Frankrijk. Het gaat er absoluut niet goed. De tweespalt tussen de katholieken en de geuzen is er nog heviger dan bij ons. De katholieke koning (Karel IX) komt er in conflict met Lodewijk I van Bourbon, de prins van de Condé die zich fanatiek aan het hoofd gesteld heeft van de Franse geuzen die ginder als de hugenoten omschreven worden. De naam ‘hugenoten’ staat synoniem met die van ‘slechte geesten’, een titel die de Franse calvinisten als een soort eretitel zijn gaan voeren. Eigenlijk niet meer dan een bende landelijke edelen die de kerk een loer willen draaien en zo extra land kunnen afhandig maken. Laat de gewone man ondertussen maar rebelleren. Hier in Ieper raakt het bekend dat Condé met een groot leger verzameld is in Picardië bij Soissons en dat veel van onze Vlaamse edelen zich bij hem hebben aangesloten. Anderen vertellen dan weer dat er een leger van calvinisten klaar staat in de streek van Luxemburg.

Bij ons gaat de zuivering genadeloos verder. Een hele groep vermeende geuzen en kerkbrekers verschijnt half oktober voor de hoogbaljuw. Nog voor 1 november zullen ze het oordeel van de vierschaar moeten ondergaan. Het nieuws dat tegen die tijd vanuit Frankrijk maar blijft binnenkomen is bepaald zorgwekkend. Condé werkt inderdaad aan de opbouw van een geuzenleger. ‘Een verrader van zijn koning’, vertellen velen hier in Ieper. Ik blijf liever op de vlakte. Laat me maar schrijven wat ik hoor zonder er mijn vingers aan te verbranden. De Franse koning laat zich duidelijk niet doen. Condé en de slechtgelovigen zullen tot in de wortels verdelgd worden. Karel IX krijgt daarvoor de overweldigende steun van de koningen van Spanje en Portugal en die van de hertogen van Savoye en Beieren. De nieuwe alliantie krijgt de uitdrukkelijke steun van de paus met al zijn kardinalen en bisschoppen.

Terwijl Egmont netjes gevangen blijft in het Spanjaardenkasteel te Gent komen er in Vlaanderen heel wat reacties op gang tegen de ontwikkelingen in Frankrijk. Nu Spanje uitdrukkelijk Frankrijk steunt in zijn oorlog tegen de geuzen schiet nu ook onze hertog van Alva in actie. Een groot deel van zijn Spaanse troepen moet zich aanmelden in Kamerijk. De soldaten zullen ingezet worden in de oorlog tegen de hugenoten. Ik krijgt in de loop van de dagen nog meer details over de legerleiding te horen. Alva wordt bijgestaan door de prins van Artesië. Samen met een groep van ‘meesters’ en procureurs. Onder hen bevinden zich eveneens de prins van Groeninge en de voorzitter van de raad van Vlaanderen.

Uiteindelijk vertrekken er vijf regimenten richting Frankrijk. Niet zonder eerst de confrontatie aan te gaan met het leger van van de hugenoten. De veldslag vindt plaats op 10 november 1567. Dat kom ik pas later te weten uit verslagen. Op een vlakte in de buurt van Parijs. Saint-Denis. Er komt niet echt een winnaar uit de bus. Er is wel sprake van ontelbare slachtoffers aan beide zijden. De hugenoten zien zich achteraf genoodzaakt om zich dieper in Frankrijk terug te trekken.

November 1567 is in dit Ieper een maand zonder geschiedenis. Het is misschien maar goed ook dat ik eens niet over dood en ellende hoef te schrijven. De eerste december komt daar wat verandering in. Drie assistenten van procureur De Visch hebben in Houtkerke enkele boeven gedood. Van zodra De Visch dit verneemt trekt hij naar ginder met acht paarden en de nodige dienaars. Diezelfde dag mag poorter Jan Dickaert het bij de vierschaar gaan uitleggen. Achteraf wordt de sukkelaar weer naar zijn cel overgebracht.

7 december 1567. De spanning is ferm opgelopen. Net zoals de dikte van het ijs op de stadsgrachten. Een onaangename oostenwind geselt de gezichten van de wakers aan de poort en die van de ambachtslieden die zich vermetel door de straten wagen. Koning winter is behoorlijk in zijn wiek geschoten. Over Alva kan ik eigenlijk hetzelfde vertellen. Twee commissarissen van het hof komen binnengereden en zijn op zoek naar gevluchte personen die er van verdacht worden van gewelddaden gepleegd te hebben op priesters. Zo ver zijn we dus al gekomen hier in Vlaanderen.

De parochiepriesters van de Westhoek komen in een moeilijk parket terecht met al dat geuzencrapuul dat nergens en overal gaat opduiken en de zwarte mannen van de kerk toch wel op beestachtige manier begint aan te pakken. Zeg nu zelf; iemand de oren afsnijden is toch wel behoorlijk over de schreef gaan. Een expressie van de zuiverste haat. De geuzen verdenken er de priesters van om de bevolking te hebben overgeleverd aan het gerecht. Privé-nieuws uit de biechtstoel dat zo zo maar op straat werd geworpen. Lekken van twijfels aan het katholiek geloof die zo goed als zeker fijne brandstof geweest voor de vierschaar en de inquisitie. De arme slachtoffers van deze klerikale indiscretie blijven als schimmen aan hun touw door mijn geest bengelen. Worden de oren van de pastoor precies daarom geviseerd? Wat ze hoorden in de biechtstoel was alleen bestemd voor God en moest verder verzwegen worden!

Op 11 december zit het er in Gent bovenarms op tussen de burgers en de Spaanse soldaten. Ook daar regent het veroordelingen en doodstraffen. De Gentenaars pikken dat niet zomaar. Spijtig genoeg eindigt hun protest op een bloedbad waarbij ontelbare poorters gedood of gewond worden door de genadeloze Spanjaarden.

Op de 16de dag van december verlaat Simon Uyttenhove de stad met een man of zestig. Hij is in het gezelschap van de baljuw van de Zale. Er moet dringend ingegrepen worden in de heuvelstreek rond Westouter en Loker. Een van sergeanten van Uyttenhove was gisteren wat loslippig. Wat enkele roemers sterk bier toch allemaal kunnen aanrichten! Wat hij vertelt is prima voer voor mijn dagboek. De bosgeuzen aan de grens met Frankrijk blijken allemaal verbannen Vlamingen te zijn, mensen van wie hun leven verbeurd zal zijn als ze naar huis terugkeren. Outlaws. Mannen die niets maar dan ook niets te verliezen hebben. De gouvernante van Rijsel en de provoost van Bethune blijken druk in de weer om de geuzen aan de Leieboorden op te sporen. Gisteren hebben ze nog het groot bos bij Nieppe uitgekamd.

De burgerwacht keert onverrichter zake terug na een zoektocht van een viertal dagen. Na hun retour wordt de bewaking van de kerken opgeschroefd. Hun veiligheidsmaatregelen zorgen voor nogal wat hinder voor de parochiepriesters. Ze beseffen blijkbaar nog niet goed wat hen boven het hoofd hangt. De baljuw verdenkt de families en vrienden van de outlaws ervan om die clandestien te steunen met voedsel en gerief. Nog voor het einde van de maand grijpt hij in. Een deurwaarder en enkele schepenen confisqueren alle goederen die in de voorbije twee jaar door deze families verworven zijn. Er komt een dringend bevel om niets op te sturen en zeker geen eigendommen van de gevluchte personen te gelde te maken.

Op oudejaarsdag 1567 buigt de vierschaar zich opnieuw over het lot van drie beschuldigden. Jan Dyckaert is één van hen. Joos, een metser en bewoner van Oudekapelle eveneens. Ze worden verplicht om in hun lijnwaad met een ongebrande kaars en tussen twee dienaars van de wet naar de kerk te gaan om daar vergiffenis voor hun zonden te vragen. Dyckaert moet naar de Sint-Niklaaskerk en Joos naar Sint-Pieters. Het drietal wordt nadien voor drie jaar uit de stad en uit het graafschap van Vlaanderen verbannen en moet voor zijn vertrek trouwens nog een schadevergoeding betalen aan de pastoor. Ter reparatie van de kerk. Hoe eenvoudig maakt de wet het hier toch voor de bosgeuzen om nieuwe leden te werven. Ze krijgen die gewoonweg op een presenteerblaadje aangereikt.

En op diezelfde laatste dag van december krijgt de priester van Houtkerke opnieuw bezoek van de geuzen. De man is één maand geleden zijn oren kwijtgespeeld en krijgt nu al opnieuw te maken met de boeven. Dat ze hem beroven zal wel het minste van zijn zorgen zijn. Ze bestelen hem eveneens van zijn leven. Dat is veel erger en vooral de manier waarop dit gebeurt is bepaald zorgwekkend voor de toekomst. Ze hakken hem zonder enige compassie de armen en de benen af. Als afsluiter van een dramatisch jaar kan dit wel tellen. Aan de horizon gluurt het nieuwe 1568. Het lijkt erop dat ik het geluid van huilende honden hoor in de lucht. Of zijn het wolven? Mijn verbeelding begint me lelijk parten te spelen.

De malaise houdt aan. Op 9 januari komen afgevaardigden van de zeven kasselrijen samen met de heer van Rasseghem. Die laatste is de burggraaf van Rijsel. Ook de gouvernante van datzelfde Rijsel is er aanwezig. Tijdens de vergadering worden er maatregelen afgesproken om het Westkwartier te zuiveren van al het kwaad volk dat overal te lande slachtingen en averij aanricht.

Alle bewoners die de voorbije tijd omwille van hun dwaalleer op de vlucht waren geslagen en dan achteraf toch naar huis teruggekeerd zijn, worden op diezelfde 9 januari bij schout Arnout van Acker geroepen. Voorafgaand hebben zijn commissarissen de parochies afgelopen om hen te identificeren. Ongetwijfeld hebben de priesters hier de nodige hand- en spandiensten bij aangeboden. Mannen en vrouwen, jongens en jonge dochters van Sint-Maartens, Sint-Jacobs, Sint-Pieters en Sint-Niklaas krijgen van de schout een oproepingsbevel om zich de 3de februari aan te bieden bij de hertog van Alva die hen zal genezen (purgeren) van hun dwaling. Wie niet komt zal zich later voor de rechtbank moeten verantwoorden.

Er zit ook een landman van de Westhoek bij diegenen die zich de 9de moeten aanbieden bij Arnout van Acker. Die stuurt zijn kat. De schout vraagt assistentie van het gerecht van Veurne of van Sint-Winoksbergen om de beklaagde te gaan oppakken. Bij hun terugweg houden ze halt in een herberg te Roesbrugge waar ze drie uur later overvallen worden door een uitgelezen bende bosgeuzen. Het uitgelopen cafébezoek loopt slecht af. Zeven dienaars van de wet worden koelbloedig om het leven gebracht. Hun gevangene wordt door de outlaws met plezier meegenomen.

12 januari 1568. Wat een hondenweer. Regen en wind geselen de Westhoek. Het noodweer houdt de bosgeuzen evenwel niet tegen in de uitvoering van hun verraderlijke plannen. Rond acht uur in de morgen arriveren achtendertig man aan de kerk van Reningelst waar ze binnenbreken. Pastoor Judocus Heugesoone wil zich verzetten maar wordt brutaal vastgegrepen net zoals de schoolmeester van de lokale school Jacobus Paneel die in Reningelst eveneens dienst doet als koster. Ook kapelaan Robertus Ryspoort is er aan voor zijn moeite. Ze worden alle drie meegesleurd in de richting van Kemmel waar de geuzen de kerk ook kort en klein slaan en daarna in brand steken. Daarna is Dranouter aan de beurt waar ook de pastoor daar wordt ontvoerd. En nu is het tijd voor de kerk van Nieuwkerke.

De brandstichting in Nieuwkerke zorgt er voor grote consternatie. De vernieling van de kerk kan de mensen geen bal schelen. Veel erger is dat Simon Uyttenhove op komst is om in te grijpen. Uiteindelijk kiest de commandant ervoor om met zijn soldaten naar Mesen te trekken om de kerk daar van verder onheil te sparen. Hij en zijn manschappen blijven er de hele nacht. Provoost De Visch arriveert de volgende morgen al vroeg met vijftien gevangen geuzen. Onder hen bevindt zich een vrouw. Ze worden begeleid door een peloton van de kapitein van Belle. Dertig soldaten.

Korte tijd later wordt een vreemd bevel afgeroepen voor de lakenhalle. Wie niet van Ieper is moet hier binnen het uur vertrekken. Daarna worden er lijfstraffen voorzien voor al de vreemdelingen. Daarbij komt nog een samenscholingsverbod. Geen vergaderingen op de markt of in de straten. Op grote correctie. Twee van de binnengebrachte opstandelingen worden al direct voor de baljuw gebracht. Het zijn twee broers die op de pijnbank arriveren en tijdens de nacht nog even bij de biechtvader voorbij komen. Dat laatste is in elk geval geen al te best teken voor het duo. Dat blijkt al in de vroegte van de volgende morgen. Het schavot wordt in geen tijd opgeslagen voor het bezant. Om 11 uur worden de broers opgeknoopt omwille van hun betrokkenheid bij de aanvallen bij Wattrelos en Oosterweel.

De drie geestelijken van Reningelst zijn ondertussen al om het leven gebracht. Ik kom het relaas van de moordpartij pas veel later te weten, maar plaats die netjes op het juiste tijdstip in mijn dagboek. De 12de januari dus, rond 22u in de nacht. Grote discussies met priester Heugesoone, koster Paneel en kapelaan Ryspoort. Met daarbij ook de pastoor van Dranouter. Bij de bosgeuzen voeren twee van hun predikanten het hoge woord. Ze noemen zichzelf ministers van het nieuw geloof. ‘Vuile papen, jullie gaan er aan, bereid je maar voor want jullie gaan sterven als jullie niet willen afstappen van het katholiek geloof.’ Dat is natuurlijk een onhaalbare eis. De mannen proberen met de moed der wanhoop tijd te winnen. ‘We willen er nog eens over nadenken, geef ons nog wat tijd.’

Veel ervan krijgen ze niet. De opstandelingen grijpen hen vast om die te onthoofden, maar dat blijkt niet echt te lukken. Dan snijden ze hen maar de oren af. En de neus en ze brengen de sukkelaars een resem dolksteken toe tot ze er aan bezwijken. Alleen de priester van Dranouter wordt in leven gehouden. Drie dagen later kan hij op een eerder gelukkige manier uit hun handen ontsnappen waarop hij zijn verhaal kan doen over de beestige lynchpartij op zijn collega’s. Vijf dagen na de moord worden de drie lijken teruggevonden op een halve mijl van Belle waar ze met groot respect worden binnengebracht. De katholieke Bellenaars tonen zich verbitterd en solidair met de arme priesters. De slachtoffers worden vervolgens naar hun thuisparochie Reningelst gebracht waar ze begraven worden.

De hele januarimaand van 1568 blijven de katholieke priesters de kop van jut voor de heretiekers. Die duiken overal op in de parochies van de Westhoek. De rust is ver te zoeken. Op 26 januari is Hondschote aan de beurt. Om zes uur in de morgen breken ze binnen in de kerk en vermoorden er de parochieherder. Daarna gaan ze naar de woning van de onderpastoor waar ze de man onder een vals voorwendsel naar buiten lokken. Ze grijpen de verraste sukkelaar vast en dienen hem enkele messteken toe. De man roept en tiert om hulp maar wanneer de eerste bewoners het huis bereiken vinden ze de geestelijke dood terug. Het zelfde tafereel speelt zich ’s anderendaags af in Rexpoede. Hier schieten de parochiepriester en twee onderpastoor er het leven bij in. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zich hier in mijn eigen streek zulke gruwelijke feiten kunnen afspelen. Vlaanderen is duidelijk het noorden kwijt!

Procureur De Visch doet zijn best om het geweld tegen te gaan maar hij vecht tegen de bierkaai. Hier en daar wordt een bosgeus opgepakt, gemarteld, gepijnigd en opgeknoopt maar de grote massa blijft maar moorden. Als ik het zo allemaal bekijk komen we van langs om meer in de invloedssfeer van de Franse hugenoten en kunnen onze katholieke schepenen niet langer op tegen die overmacht van kwaadaardige calvinisten die de Westhoek wel als een tsunami lijken te overspoelen.

Op 1 februari 1568 wordt mijn stelling bevestigd. Een bende van honderd soldaten dient zich aan bij de stadspoorten. Men laat ze niet binnen, maar de volgende dag staan ze er opnieuw en nu krijgen ze wel hun voorraden en logies toegewezen. De Ieperse wenkbrauwen worden gefronst. Onder de indringers bevinden zich veel mannen die erom bekend staan om ooit nog geus geweest te zijn. De monstering van de troepen vindt plaats in de Elverdingestraat. De 11de februari komt er nog een vendel knechten bij. Via de Boterpoort zoeken ze hun weg naar woningen die als ‘geuzenhuizen’ bekend staan. De nieuwe soldaten zullen er logeren en dat gebeurt blijkbaar toch wel met de nodige tegenzin van de bewoners. En er worden nog twee extra vendels verwacht.

De sneeuw krist onder hun voeten. De wereld is wit en spookachtig. Tussen de warrige mist door doemen nog meer mannen op. Ze komen van Poperinge. Tussen de soldaten in ontwaar ik de silhouetten van enkele gevangenen. De soldaten behoren tot de brigade van kapitein La Motte van Grevelingen. Zijn echte naam is Valentin de Pardieu. Zijn manschappen hebben de hugenoten gevangen genomen in de buurt van Cassel. Ze waren er in het gezelschap van heel wat edelen die hun diensten hebben aangeboden aan oppergeus Condé. Het moet zowat zeven uur in de avond zijn als de brigade en zijn gevangenen door de stadspoort binnen geleid worden. Ze worden te slapen gelegd in ‘Het Zweerd’ op de markt. De hele omgeving van het gasthof wordt de rest van de nacht met man en macht bewaakt.

De sneeuw van gisteren heeft plaats gemaakt voor dooi en regen. De 14de februari kondigt trommelgeroffel aan dat de gevangenen zullen moeten verhuizen. Karren en wagens rijden tot bij ‘Het Zweerd’ waar verkleumde wachters in de gietende regen staan te wachten. Het weer is zodanig slecht dat de plannen noodgedwongen moeten afgeblazen worden en iedereen naar zijn logies terugkeert! Het transport van de gevangenen wordt uitgesteld tot morgen.

Inderdaad. De 15de februari is een zondag. Maar daar wordt niet om gemaald. Al om vijf uur grommen de trommels de soldaten op het appèl. Ze haasten zich naar ‘Het Zweerd’ waar dampende paarden al in het gareel van hun karren op de gevangenen staan te wachten. Ik ben hier en daar al eens mijn licht gaan opsteken over hun identiteit en zo ben ik te weten gekomen dat hun leider een zekere Hendrik van Nedonckel is. Hij staat beter bekend als ‘Hanekam’; een fel rosse, fanatieke en niets ontziende calvinist die in opdracht van Willem van Oranje probeerde om de bosgeuzen van de Westhoek te linken met de Franse hugenoten. Ros heeft Oranje gevonden. Hanekam zou van plan geweest zijn om met tweeduizend man Ieper binnen te vallen en van Poperinge een geuzenbolwerk te maken. Gelukkig kon hij dus tijdig opgepakt worden door de soldaten van Valentin de Pardieu.

Het duurt niet lang voor ik de rosse naar buiten zie komen. Zijn handen geboeid achteraan de rug en de helft van zijn gezicht omzwachteld. Hanekam is blijkbaar aan het hoofd gewond geraakt tijdens zijn arrestatie. In zijn zog verschijnen nog vier andere gevangenen. De vijf worden nu direct naar Rijsel opgebracht waar ze ondervraagd zullen worden door baron van Rasseghem, Maximiliaan Vilain, de stadhouder van Rijsel en toch wel de grote baas van Artesië. De belangrijke gevangene valt dus in de handen van een trouwe adept van koning Filips II. In het gezelschap van honderd soldaten laten ze Hanekam nu daar achter in Rijsel.

Trommelgeroffel. 18 februari. Wat is er nu weer aan de hand? De soldaten van het vendel van kapitein Kerfonnier worden naar de markt geroepen. Het zijn Fransen van uit de regio Grevelingen. Ze zullen vandaag een serie van terechtstellingen voor hun rekening nemen. Wat scheelt er met onze procureur De Visch? De galg wordt opgesteld op zijn gewoon plekje voor het bezant. Een gigantisch vuur flakkert zijn vlammen, een voorbode van de onderwereld. De hel wacht. Het duurt niet lang voor een eerste slachtoffer er naartoe wordt gesleept. Vastgebonden aan de staart van een paard. Hij wordt bij wijze van inleiding eerst eens naar alle vier de hoeken van de markt geslingerd en gesleurd. Alsof dit niet erg genoeg is moet de man achteraf nog een geseling doorstaan.

Daarna komt een volgend slachtoffer aan de beurt. De eerste moet nog even wachten op zijn dood. De tweede gevangene moet eerst opgeknoopt worden. Eerst gekeurd en goed bevonden en daarna opgehangen. Niet al te veel complimenten. Daarna moet het tweetal op de brandstapel. Het lijk van de opgeknoopte wordt nu samen met de levende stakker in het vuur gehesen. Agonie. Het lijken wel poppen van stro in het vreselijke vuur. Zou de dood nu niet direct kunnen ingrijpen? Mijn mond is droog, de geur van brandende huid maakt me misselijk, mijn keel snoert dicht, ik kijk nog even naar het vuur en dan naar mijn buren die net zoals ik wezenloos en in trance naar het spektakel staan te kijken.

De show is nog niet afgelopen. De galg wordt weer in paraatheid gebracht. Er staan nog vijf extra ophangingen op het programma. Een van hen is de gardemaker van Mesen, een man die al een hele tijd opgesloten zit. Daarna volgt nog meer schoon volk. Predikers van het nieuw geloof, lieden die het aangedurfd hebben om kerken en priesters aan te pakken. Ze kunnen volgens de rechters hier maar één straf hebben. De dood op de brandstapel. Wie geluk heeft mag eerst opgehangen worden, de rest moet zijn afscheid levend ervaren. Ze hebben het zootje geuzen van Belle geholpen aan buskruit, geld en middelen en daarvoor schieten ze nu op een gruwelijke manier het leven bij in.

De baljuw van Hondschote komt op 27 februari op bezoek bij het stadsbestuur van Ieper. De arme man komt zich een beetje excuseren. Hij heeft niet kunnen voorkomen dat zijn dorpspastoor vermoord werd. En dan nog in de kerk zelf die daardoor nu ritueel ongeschikt is om nog verder katholieke diensten te herbergen. Gelukkig heeft bisschop Rythovius ondertussen al aanbevelingsbrieven ontvangen van Alva dat hij de kerk opnieuw mag gaan wijden. De katholieke bisschop moet hiervoor wel zijn leven riskeren te midden van geuzenland.

Al de volgende dag avonturiert Rythovius zich richting Hondschote. Hij wordt vergezeld door zes ruiters. Ook de baljuw en jonkheer Simon Uyttenhove draven mee op. Samen met vijftig soldaten. Via Poperinge en Roesbrugge gaat het richting Hondschote waar ze ingehaald worden door een honderdtal mannelijke inwoners. Het is best een zonnige zaterdag, de temperatuur lonkt al naar de vijftien graden. De bisschop toont lef om zich hier te wagen in het hol van de leeuw. Dat vinden de Hondschotenaars in elk geval. Gisteren nog heeft de amman van Elzendamme een zware aanvaring gehad met een bende bosgeuzen. Na een woordenwisseling hebben ze hem onverhoeds aangevallen. De man kreeg enkele messteken toegediend en werd voor dood in de vaart gedumpt. Tot hij vanmorgen weer in levende lijve opdaagt. Ik krijg hier ook te horen dat de kerk van Rexpoede opnieuw moet gewijd worden nadat ook daar de dorpspastoor gelyncht werd.

2 maart 1568 is Vastenavond. Doorheen Vlaanderen en Brabant houden de mannen van Alva een algemene razzia en worden er overal te lande booswichten uit hun bed gelicht. Dat is ook het geval in Mesen, Waasten, Menen, Hondschote en op veel andere plaatsen. Twee dagen later krijg ik de opgepakte schurken in levende lijve te zien. Tenminste die van Mesen en Waasten die hier voor de Ieperse wethouders moeten verschijnen. Het gaat om tien geuzen die in colonne vergezeld worden door zeker veertig soldaten. ’s Anderendaags worden ze op twee wagens buiten de Antwerpse poort weggevoerd.

De hertog van Alva laat weten dat alle kerken binnen de drie maanden volledig hersteld moeten zijn. Op kosten van de daders en van iedereen die betrokken is geweest met ongelovige sermoenen en de voorbije rebelse toestanden. De facturen voor de herstellingswerken moeten integraal betaald worden door niet-katholieken. Een deurwaarder van Gent houdt op 10 maart een algemene zitting om te oordelen over een flink aantal verdachte mannen en vrouwen. Het is een sessie bestemd voor hen die al eerder opgeroepen werden om zich te komen verantwoorden en dat toen niet gedaan hebben. Ze krijgen welgeteld één maand de tijd om dat alsnog te doen.

Wie dat weigert zal binnenkort automatisch verbannen worden uit het land van de koning. Hun eigendommen zullen aangeslagen worden voor het profijt van Filips. De deurwaarder laat zijn bevel achteraf prominent ophangen aan de kerkdeuren van zes parochies en uiteraard ook aan de gevel van de lakenhalle. Ook de burgerwacht van katholieke ingezetenen wordt herbevestigd. Toch voor wat betreft de handhaving van de orde op de grote markt.

De 14de bereiken kapitein La Motte en zijn honderd soldaten de Boterpoort. Allemaal Walen. Ze nemen de wacht over aan het bezant. Evenveel Ieperse poorters blijven controle uitoefenen op de markt, aan de stadspoorten en op de voornaamste kruispunten in de stad. De manschappen van Simon Uyttenhove houden zich stand-by. De machtsontplooiing toont toch wel aan dat ze er hier niet erg gerust in zijn. Op 19 maart worden de Walen opgeroepen om naar Poperinge en omgeving te vertrekken waar het blijkbaar erg onrustig moet zijn.

Jan Fenten van Dikkebus moet op 23 maart 1568 voor de vierschaar verschijnen. Hij zit al een heel jaar gevangen nadat hij het heilig sacrament heeft onteerd en nog andere delicten op zijn kerfstok plaatste. Een assistent van de officier van Rijsel veroordeelt Fenten tot de ophanging aan de galg. Op de markt van Ieper. De opperrechter van Rijsel kan er die dag niet aanwezig zijn want hij heeft andere katten te geselen in Veurne. Dat ‘geselen’ mag ik best letterlijk opnemen want in het hartje van de Westhoek moet hij oordeel vellen over een ‘kwade hoop mensen.’

Twee dagen daarna dient Wijtschatenaar Pieter Cleenaert voor de baljuw van de Zale te verschijnen. Hij is weidenaar, de officiële jager van de heer van Wulvergem. Voor het huis van de kasselrij wordt hij even later opgeknoopt. Hij heeft ingebroken in drie kerken en was daarbij in het bezit van zijn geweer. De hele aprilmaand is het een komen en gaan van personen die ingebroken hebben in kerken. De hoogbaljuw heeft er zijn werk aan. Ik krijg diezelfde avond – op 30 april om exact te zijn – een bericht dat het in de buurt van Maastricht, in Roermond tot een serieuze aanvaring is gekomen tussen de Spanjaarden en een bende geuzen van Oranje. Als ik het nieuws mag geloven zouden de geuzen heel wat volk verloren hebben. Oranjes poging om de macht over te nemen in Vlaanderen liep op 25 april 1568 inderdaad af op een sisser. Na de slag van Dalheim werd zijn aanvoerder Montigny krijgsgevangen genomen en naar Brussel gevoerd. Hij zal het daar mogen uitleggen bij meneer Alva.

Op de twaalfde dag van de meimaand wordt er alweer een slachtoffer naar de andere wereld geholpen. Door toedoen van de baljuw van de Zale. Voor een keer niet op de grote markt maar wel onder de lindeboom aan het Zaalhof. Dood met het zwaard. De onthoofding luidt een hele serie van represaillemaatregelen in. Enkele dagen later kammen tien of twaalf vendels de hele streek van Armentières, Nieuwkerke, Waasten, Mesen, Wervik en Menen uit. De hellebaardiers van de Spaansgezinde graaf van Roeulx (Jan van Croy) zijn niet bepaald lieverdjes. Ze hakken in op de lokale bevolking en richten immens veel kwaad aan daar in de streek van de Leie.

De druk van de Spanjaarden begint eveneens toe te nemen in Ieper. Blijkbaar zijn er twee vendels op komst om ook hier orde op zaken te stellen. Enkele van mijn stadsgenoten beweren dat de soldaten controle komen uitvoeren tijdens de Ascencionsmarkt van hemelvaartdag. De realiteit is nog een stukje erger. Het zijn commissarissen van het hof van Alva. Ze stellen meteen een nieuwe provoost aan. Jan De Visch is blijkbaar veel te mild geweest hier in de stad. Een dikke onvoldoende, de oude is veel te braaf geweest en dat ondanks de hele reeks terechtstellingen waar ik jullie over verteld heb. Het is even slikken. De nieuwe provoost wordt Gelein Everaert. Er is ook sprake van een nieuwe ontvanger die zal zorgen voor extra confiscaties. Het duurt niet lang voor er bewoners van Kemmel en omgeving van hun bed gelicht worden.

De nieuwe hellebaardiers tonen zich meedogenloos ten opzichte van de bewoners op het platteland. Onze landmannen ondervinden veel kwaad. Op 20 mei strijkt een vendel soldaten neer bij de Boezingepoort nadat ze zich al in erg negatieve zin hebben laten opmerken tijdens hun doortocht in Vlamertinge, Brielen en Elverdinge. ’s Anderendaags krijgen ze gezelschap van een ander vendel knechten. Dit keer komen ze binnen via de Mesenpoort. Naar het einde van de maand toe dikt hun aantal nog verder aan. Dat heeft veel te maken met het groot aantal gevangenen die zich in de stad en de Zale bevinden. Ook in de streek van Belle, Mesen, Menen, Wervik wachten tientallen betichten op de uitvoering van hun proces.

Tijdens de dagen van Hemelvaart bewaken de Ieperse poorters de markt en ze krijgen hierbij het gezelschap van Vlaamse en Waalse soldaten. Hun hellebaarden glinsteren in de zon en maken een bangelijke indruk op de poorters en de bezoekers. Op de zaterdag van de Ascencionsmarkt komt het ei zo na tot rellen. Zo rond 18u ontstaat er plots paniek bij de aanwezige lieden die de markt afschuimen. Wat precies de oorzaak is van de oploop lijkt voor niemand echt duidelijk. De mensen stuiven uiteen, een scheet zal voldoende zijn om de onrustige geesten op hol te doen slaan. De handelswaren vallen pardoes op de grond. Tijd is er niet, de goederen worden in allerijl in veiligheid gebracht. Terwijl het volk van de grote markt wegvlucht, haasten de marktkramers zich met pak en zak naar hun woningen. Achteraf zijn ze maar al te blij dat ze zich in veiligheid hebben kunnen brengen. En dat ze niet beroofd werden door de soldaten.

De sfeer hier is zonderling. Vreemd en een beetje buitenaards met al dat vreemd gespuis hier. De ‘ons kent ons’ mentaliteit zo typisch voor een provinciaals stadje heeft plaats gemaakt voor een onwezenlijke en gespannen atmosfeer waarbij de oorlog zo meteen kan gaan losbarsten. Dat gebeurt gelukkig niet. Toch blijven de ingrediënten voor een explosie latent aanwezig. Zo bijvoorbeeld op de dinsdag voor Pinksteren. Midden in de nacht maken de trommels bruusk een eind aan de nachtrust van de Ieperlingen. Om drie uur. Wat een onzalig moment om de soldaten te laten uitrukken. De manschappen van alle aanwezige vendels moeten zich asap met hun geweren komen presenteren bij hun respectieve kapiteins.

De bazin van ‘De Rode Leeuw’ die nu al meer dan een jaar in hechtenis zit, wordt tot bij baljuw van Ackere gesleept. Ze is ondertussen bevallen van een dochtertje en kan nu berecht worden. Meer dan een vuile schim van haveloos grijsblond haar met een tandeloze mond stelt ze niet meer voor. Het is dan al vier uur. Een uur later wordt op de grote markt haar hals afgehouwen. De soldaten zijn er viriel aanwezig en blokkeren de toegangswegen naar het centrum. Er worden geen burgers bij de executies toegelaten. En dat is absoluut geen goed teken.

Onze herbergierster zal niet de enige zijn vandaag. Terwijl haar versteende ogen als glazen knikkers voor zich uit staren in een met stro gevulde rieten mand, staat al een volgend slachtoffer op zijn beurt te wachten. De jonge Claeys de Back wordt erbij gesleurd door de mannen van kapitein de Proven. De kerel wordt opgeknoopt voor het bezant. Tijdens zijn laatste ogenblikken roept en brult Claeys naar de mannen van het gerecht en zijn beulen. Zijn stem gaat echter verloren bij het extra tromgerommel die zijn protest genadeloos dempt en opslorpt. Tot ook hij stil wordt.

Voor de nieuwe kamer op de markt wordt een extra schavot rechtgetrokken. Kort daarna brengen enkele soldaten Jan Buuck tot op het podium. Ze maken er niet te veel tralala van. Hals afslaan en het slachtoffer laten liggen. De volgende weet zo direct wat hem te wachten staat. Jacob van de Steene ondergaat hetzelfde lot. Hier bij ons wordt er getreurd om Jan en Jacob. Niemand kan het echt geloven. Vijf maanden geleden waren ze allebei opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank. Schijnbaar omwille van onbenullige feiten, maar toch werden ze toen in de gevangenis gestopt. Na de middag worden ze begraven. Elk in zijn parochie. Dat weerhoudt de wet niet om verder op zoek te gaan naar ‘brekers’. Naar verluidt zouden er morgen weer een reeks executies doorgaan ter Zale waar al een grote partij gevangenen wacht op de uitvoering van hun doodsvonnis. Maar de sessies worden voor een of andere reden dan toch uitgesteld.

Op 4 juni vindt de jaarlijkse wissel van de wet plaats. Dat gebeurt onder de leiding van de regeringscommissarissen Masscheroen, Ongys en Rasseghem. De hertog van Alva bevindt zich momenteel in Brussel waar hij een grote zuivering houdt bij de geuzen. Enfin, hij noemt het ‘grote justitie’. Vanuit alle kwartieren van de stad worden gevangenen aangebracht. Ze worden allen met het zwaard gestraft en onthalsd. De week voor Sinksen loopt het bericht binnen dat Lodewijk van Nassau een militaire overwinning behaald heeft op de troepen van Alva. Ik besef meteen waarom de Spanjaard zo kittelachtig is hier in Brussel.

Pure revanche is het. Op de maandag en dinsdag voor Pinksteren vinden er veertig terechtstellingen plaats. Allemaal onthoofdingen. Eenentwintig onder hen zijn edelen die hun verzoek om wat milder om te gaan met de andersgelovigen met hun leven bekopen. Op woensdag van diezelfde week wordt graaf Egmont aangevoerd. Samen met de graaf van Hoorn worden ze in colonne naar Brussel geleid. Ze zullen hun steun aan het eedverbond van de edelen met de dood bekopen. Twaalf vendels Spanjaarden en wel zeshonderd paarden zorgen er voor een sinistere intocht van het duo. Onze bisschop bevindt zich op dat moment ook hier in Brussel. Hun onthoofding vindt plaats op sinksenavond. 5 juni 1568 is een dramatische dag voor Vlaanderen. Om acht uur komt Egmont het eerst aan de beurt, kort daarop gevolgd door Hoorn.

De nachtmerrie blijft maar aanhouden. Op 21 juni wordt een soldaat van het vendel van Bachy de hals afgeslagen. Dat gebeurt op zijn gewoon plekje. Het schavot voor het bezant op de grote markt. De provoost heeft tien vendels soldaten ter beschikking maar toch belasten ze de officier van de stad met de beulenopdracht. De krijgsmannen hebben blijkbaar andere dingen te doen. De poorters hier spreken er schande van. De Spaanse ellendelingen verlustigen zich veel te vaak aan onze vrouwen. Ik begrijp meteen waarom die soldaat door onze eigen officier moest behandeld worden. Ook een logistiek medewerker van de heer de Proven wordt beschuldigd van verkrachting. Hij wordt aan de schandpaal gespijkerd en daarna uit alle regimenten verbannen. Om vier uur in de namiddag wordt de dode soldaat begraven op het kerkhof van de predikheren.

Op 23 juni wordt een plakkaat afgeroepen in de naam van koning Filips. Dat we ons moeten weghouden van heresie en ketterij. De tekst is identiek als die welke Filips’ vader keizer Karel ooit in 1544 heeft laten afroepen. Om dat nog eens extra in de verf te zetten volgt er de volgende morgen om vier uur al direct een verse executie. Onze nieuwe provoost, Gelein Everaert is toe aan zijn proefstuk. Hij laat een poorter ophangen voor het bezant. Twee uur later wordt er een jongeman op het schavot gesleept waar hij onthalsd wordt. Daarna volgt de trommelaar die ooit deelnam aan de slag van Wattrelos. De sukkelaar is ziek en wordt voor de gevangenis en zittend op een stoel onthoofd.

Everaert heeft er duidelijk zin in. Ophangingen en onthalzingen maken nu plaats voor een variante. Radbraking. De meest onterende straf van allemaal. Een jongeman van twintig jaar en nog iemand anders worden op een rad vastgebonden. Hun ledematen worden met ijzeren staven verbrijzeld en versplinterd. De procedure voorziet negen slagen, de laatste is de genadeslag. Beiden hebben zich schuldig gemaakt om de provoost van Bethune te hebben vermoord. Ze waren hierbij in het gezelschap van zestien handlangers.

Op 7 juli vertrekt een deel soldaten naar Belle. We zien de zeveraars graag vertrekken. Het vendel van de heer de Proven moet zorgen voor het nodige tegengewicht tegen de komst van wel vier extra bendes bosgeuzen die zich blijkbaar aan het voorbereiden zijn om nieuwe malheuren aan te richten. Twee dagen later schiet Everaert nog eens in actie. De knechten van Bachy zetten de markt af en wat later worden er twee ontknopingen uitgevoerd. Pieter Pauwels, de tegeldekker van de Lombaardstraat heeft wat klussen aan mijn dak uitgevoerd en weet me achteraf te vertellen dat de voorschepen van Meregem hier in Ieper gevangen zit omdat ze hem betrapt hebben bij het zingen van psalmen. Hij krijgt inderdaad de doodstraf. Terwijl de andere twee slachtoffers begraven worden zal de illegale zanger als voorbeeld opgehangen worden. Zijn kadaver is nu voer voor de roofvogels.

Juli staat bekend als de hooimaand. Terwijl de boeren zich op hun akkers in het zweet zwoegen met het binnenhalen van de tarwe gaat het leven in de stad verder zijn normale gang. Voor zover alles in deze tijden natuurlijk nog als normaal mag bestempeld worden. Het moet de 11de zijn als er hier brieven toekomen met instructies gericht aan kapitein Bachy. Zijn vendel moet verhuizen naar Belle.

Blijkbaar zijn er weer samenscholingen gesignaleerd in de buurt van Hesdin. De koning van Frankrijk heeft er soldaten naartoe gestuurd om de Spanjaarden van Alva bij te staan. Terwijl Alva zelf vecht in Nederland zijn de hugenoten inderdaad onze grens overgestoken. De geuzen van de heer van Coqueville bezetten er het nieuw kasteel van Hesdin en worden er door de Fransen in de tang gezet.

De grensstreek verdrinkt van de hugenoten. Hele zwermen haveloze schurken die het slecht voorhebben met het land en zijn inwoners. Kwaad bloed dat alles vernielt. Veel volk van de regio van Nieuwkerke en het zuidwesten van de Westhoek. Terwijl de Waalse soldaten zich concentreren op het kasteel van Hesdin profiteren ze er op de 14de juli van om het dorp Oudekerke en zijn kerk in brand te steken. Vijf dagen later krijgt het vernielde dorp nog het bezoek van de soldaten van Sint-Winoksbergen die er de rest plunderen.

De oorlog giert door het Westland. Op 16 juli zullen een Ieperling en een inwoner van Herzele moeten berecht worden. Iets wat niet van een leien dakje loopt. Het is erg onrustig in onze straten nu de soldaten er niet meer zijn om de orde te handhaven. De schepenen verzoeken om assistentie en enkele uren later arriveren er zowat zestig soldaten om te helpen bij de uitvoering van de executie van het tweetal. Er blijven maar vijf stadspoorten open en de straten richting markt worden versperd terwijl de timmerlieden het schavot opslaan op het midden van de markt, pal voor de lakenhalle.

Het blijkt om schoenlapper Andries Coene te gaan. Hij heeft ingebroken in de kerk en wordt nu zonder pardon onthalsd. Zijn beulen tonen toch iets van genade. De Ieperling heeft zijn spijt betuigd en mag gelukkig sterven als een kind van de heilige kerk. Wat later wordt zijn hoofdloze lichaam binnengebracht in het bezant. Nu is het de beurt aan de Herzelenaar die hier ook al een hele tijd gevangen zit. Een geus van het zuiverste water. Achteraf worden beide lichamen in heilige aarde begraven.

Ondertussen is de aanval van de hugenoten nog altijd aan de gang. De 14de juli krijgt Kemmel in de late avond bezoek. Halfelf is het wanneer het dorp overvallen wordt door een kwade bende. Het klokkenhuis en de kerk worden in brand gestoken. Er wordt hevig geschoten naar de inwoners die wanhopig hun eigendommen proberen te bewaken. Ze kunnen helaas niet op tegen de overmacht van de geuzen. In de omgeving van Ieper bewaakt men krampachtig de kerken. De zenuwen staan strak gespannen voor wat mogelijk zal volgen.

Een identiek scenario in Mesen waar de bewoners als kippen zonder kop rondlopen. Paniek en beroering om de komst van de geuzen die overal bijzonder malicieus te werk gaan. De Mesenaars stellen zich in de wapens om dat crapuul tegen te houden. De plaatselijke provoost trekt er met zijn mannen op uit en slaagt er in om enkele geuzen op te pakken. Ze waren blijkbaar volop bezig om stro in de kerk te dragen om die dan achteraf in de fik te steken.

Is het nu de 16de of de 18de juli 1568? Het nieuws dat hier in Ieper aangewaaid komt is niet helemaal duidelijk. Maar het is wel hoopvol voor de rust in de Westhoek. Liever de strengheid van Alva dan de wrede moordpartijen van de hugenoten. De Spanjaarden spreken over twee schone victories. Een in het oosten en een in het westen. Het Franse stadje Sint-Walry wordt ingenomen door de Fransen die er meteen al de geuzen hebben gedood. In het oosten moet Lodewijk van Nassau in het zand bijten. Groningen wordt volledig vernield terwijl de hertog van Alva er met een grote krijgsmacht binnenrukt.

‘Law & order’ keren terug in Ieper. Tijd voor vergelding. Op 26 juli zijn we weer zo ver. Provoost Everaert laat het schavot monteren. Acht uur in de morgen, het midden van de markt. De gebruikelijke ingrediënten met natuurlijk weer de stadswakers die de markt afzetten voor ongewenste pottenkijkers. Vandaag verliezen drie slachtoffers er letterlijk hun hoofd bij. Twee rijke en machtige mannen van Stegherswaart en nog een derde. Ze worden allen in heilige aarde opgepot. Familie en vrienden die in het verleden ooit vertrokken zijn naar Engeland krijgen nu door het hof een officiële verbanning van vijftig jaar toegezwaaid. Niemand moet dus denken om ooit nog terug te keren naar Vlaanderen. Elk contact met de achterblijvers wordt voortaan strikt verboden. Geen brieven verzenden noch versturen en wie dat ondanks dit strikt verbod doet riskeert zelf een verbanning en de confiscatie van zijn of haar eigendommen.

De overheid wordt inventiever met de dag. Begin augustus worden er extra maatregelen van kracht. Het aantal kwaadwilligen moet absoluut naar beneden. Het gerecht weet niet waar eerst springen en vraagt de hulp van de goedmenende burgers om slechte buren en vrienden te verklikken. Wie een geus kan vatten krijgt daarvoor een beloning van vijftig gulden. Dat is veel geld, geloof me maar mensen. Of die dood of levend aangebracht worden doet er niet echt toe. Indien het nodig is mogen de mensen zelf de calvinisten doden. Ze zullen hiervoor niet gestraft worden. Iedereen wordt ‘vanger’. De hoop slechteriken moet absoluut gereduceerd worden. Geuzen die weer op het rechte pad wensen te geraken krijgen gratie als ze kompanen verklikken en krijgen ook deze som geld als beloning.

De 4de augustus wordt er aan de Zale een man onthoofd. Dat gebeurt in opdracht van de heer van Voormezele. Hij heeft zich bezondigd aan predikwerk voor de calvinisten. De man zit al zestien maanden vast. Vandaag wordt hij berecht en gedood op het Zaalhof en achteraf begraven bij de predikheren.

Tuindag 1568 dreigt in mineur te verlopen. We beleven een kwakkelzomer. De zon is schaars goed en het regent bijna elke dag. Iedereen verdenkt iedereen, de verdeel en heers politiek zorgt voor misdadige toestanden. Ik haat het leven hier in de stad. Op 15 augustus plannen de Ieperlingen dan toch een eenvoudige processie, een rondgang met het beeld van de maagd Maria, samen met de glazen stolp, gevuld door heilig sacrament. Tot er enkele brieven binnenvallen van Alva zelf. God moet niet zo zo geloofd en gevierd worden maar met een grote uitbundige processie en daarbij moeten de straten rijkelijk versierd worden.

De rederijkerskamers worden ontboden en krijgen de opdracht tapijten op te hangen, togen op te stellen, podia te bouwen en toneelstukken ten berde te brengen ter ere van God. De misdienst wordt inderdaad een groot succes. Ik sta stomverbaasd bij het zien van al die goede wil bij het gemeen. Gewone mensen die zich plots engageren om grote triomfbogen in elkaar te knutselen, bogen van blijdschap. Blijdschap die hier nochtans ver te zoeken is. En de rederijkers presenteren op het moment zelf en als eersteklas positivo hun toneelstukken, dichtkunst en gezangen. De processie sluipt als een heilige slang via de Leet naar de Zuivelmarkt, passeert de Koemarkt en slingert zich via de Duve door de Dauwerstraat, de Klierstraat en de nieuwe weg richting Oude Kleermarkt. Daarna keert ze via de Zuidstraat terug naar de Leet.

De straten zijn versierd als nooit te tevoren. Ik begin vreemd genoeg het leven zelf door een roze bril te bekijken. Mijn buren scharrelen elk voor zich hun sprankeltjes hoop en vreugde bijeen. De hemel werkt ook mee, want zon en blauwe lucht zorgen na zo een lange tijd van ellende eindelijk eens voor een vrolijk sfeertje hier in mijn Ieper. Het voelt aan als kermis. Na de processie haasten de poorters zich naar de markt om geen glimp te missen van de opvoeringen van de rederijkers. Esbattementen, buren zoeken elkaar op, tot in de kleinste buurten van de stad. Hier en daar zorgen pektonnen voor gezellig knetterende vreugdevuren. Men looft God. Merci toch dat hij iemand als hertog Alva naar hier heeft gestuurd om de heilige kerk uit de kluwen van de ongelovigen te redden. God zij geloofd dat Alva de snode Lodewijk van Nassau en zijn mannen klein heeft gekregen. Wie er een andere mening op nahoudt zal die op een dag als vandaag wel voor zichzelf houden.

Het flauwe leven neemt het na dit leuke intermezzo opnieuw over. De 13de augustus daagt de procureur-generaal van het hof te Brussel plots op in Ieper. Met bij zich oproepingsbevelen voor volk van binnen en buiten de stad. Willem de Bloucke, Andries Kainleu, Jacques van Houck, Jacques Cardinael, Jacob de Bie (de jonge) en meerdere anderen zullen in de loop van september moeten verschijnen voor het hof in Utrecht. Ze moeten zich daar onderwerpen aan het gerecht en als ze dat niet doen zullen ze automatisch verbannen worden en hun eigendommen verliezen.

Op 22 of 23 augustus wordt er in de buurt van Waasten een predikant opgepakt. Hij heeft clandestiene sermoenen gegeven in de broeklanden langs de Leie. De man vliegt direct naar Ieper waar hij op de 27ste onderworpen wordt aan een sessie vol pijniging en marteling. Onmenselijke foltering vindt hier meer en meer zijn weg om betichten toch maar tot bekentenissen te dwingen. De volgende dag wordt de arme man naar de gevangenis ter Zale gebracht. Ik vraag me bangetjes af hoelang de stakker zal moeten wachten op zijn definitieve verhuis naar het hiernamaals.

Terwijl er einde augustus grote troepenbewegingen te merken zijn in de buurt van Maastricht beleven we hier in Ieper de feestdag van Augustinus. Het moet 28 augustus 1568 zijn. Een doodgewone werkdag. Wanneer de werkklok klingelt haasten de Ieperlingen zich naar hun werkplaatsen. Ondertussen buigt de nieuwe baljuw zich over een volgend slachtoffer. De nieuwe vertegenwoordiger van Vlaanderen hier is nu de heer van Zonnebeke geworden. Hij zal oordelen over Omaar De Visch die al een hele tijd geleden iemand heeft doodgeslagen en daarvoor lang in de gevangenis heeft vertoefd. Rond de middag wordt De Visch onthoofd op een schavot aan het Zaalhof.

13 september 1568. Ik laat in het midden of het al dan niet een ‘vrijdag de dertiende is’, maar de dag heeft er in elk geval de allure voor. Rond 23u in de avond breekt er brand uit bij de grauwe zusters. En omdat het al een hele tijd streng verboden wordt om ’s avonds het huis te verlaten staan de brandmeesters er alleen voor. Niemand waagt zich om buiten te komen en een handje te helpen bij het blussen. De brandklok luidt nochtans anderhalf uur tot de klepel roodgloeiend staat. Figuurlijk wel te verstaan. Gelukkig blijft de schade beperkt tot de kloostergebouwen zelf. De kaasmakerij en de brouwerij lopen zware averij op. Er gaan heel wat slaapplekken verloren. Achteraf schatten de nonnen de schade op zeker driehonderd pond.

In de buurt van Maastricht blijft de atmosfeer beklemmend nu de legers van de hertog van Alva en Willem van Oranje zich schrap zetten voor een militaire confrontatie. Het zal vermoedelijk niet al te lang meer duren voor de leider van de Nederlandse calvinisten de grens zal oversteken. Hier bij ons maken de schepenen werk van de eerste verkopingen van aangeslagen poorterseigendommen. Op woensdag 22 september staan er weer enkele terechtstellingen op het programma. Provoost Gelein Everaert en zijn assistenten Jan de Zoutere en Joris van Hallen zullen er een man uit Vlamertinge onthoofden. Het schavot en de staak (de crycke) worden rechtgezet, de markt afgesloten. Na de dood van de Vlamertingenaar is het de beurt aan een vrouw uit Menen. Haar mond is dichtgeknoopt met een touw zodat ze niet zal kunnen spreken. Ze weigert halsstarrig om van mening en van geloof te veranderen nadat ze naar eigen zeggen vroeger al herdoopt is geworden door de geuzen. Ze eindigt haar leven aan de crycke voor het bezant.

De reeks is nog niet afgelopen. Als volgenden worden nu twee jonge kereltjes onthoofd. Samen zijn ze amper drieëndertig jaar geworden. Daarna volgen opnieuw een inwoner van Vlamertinge en drie anderen die veel kwaad uitgericht hebben in Wattrelos. De reeks eindigt met de executie van acht bosgeuzen. Onder hen bevindt zich één vrouw. Zij wordt opgehangen, de zeven anderen worden onthoofd. De beulen hebben goed hun werk gehad vandaag.

Op 24 september wordt er in de kerk van Sint-Maarten een plechtige uitvaartmis gecelebreerd ter ere van de overleden zoon van de koning. De doodsklokken kondigden zijn dood af drie dagen geleden. Over de omstandigheden van dit overlijden kom ik bitter weinig te weten. Het gaat om Filips’ enige zoon Carlos. De opvolger had als ik het zo lees een beetje de onstabiele trekken van zijn overgrootmoeder. Dat was Johanna de Waanzinnige, de moeder van zijn grootvader keizer Karel. Carlos werd gepasseerd door de hertog van Alva om de Nederlanden te besturen en dat zou al bij al de aanleiding geweest zijn van grote ruzies, geweld en moordaanslagen aan het Spaanse hof. Het is maar al te duidelijk dat niemand ooit het fijne van deze duistere zaak zal te weten komen. Het enige donkere hier zijn de zwarte lakens die opgehangen worden in het koor van Sint-Maartens. In de voorgrond wapperen de vuren uit vijftig toortsen boven de wapenborden van onze koning. En men draagt er met veel poeha en eerbied een wapenschild van onze eigen Ieperse wetheren.

Omtrent deze tijd laat deurwaarder Pieter Vermeersch een schoon huis openbaar verkopen. De woning is geconfisqueerd van een geus. Eind september worden er vijftien bosgeuzen gesnapt. Ze hebben een hele reeks misdaden op hun kerfstok. Een van hen wordt naar Ieper overgebracht waar hij de rest verklikt en daardoor gratie krijgt. De veertien anderen worden door Joris van Hallen en zijn mannen vastgehouden in het bos bij Kaaster. Blijkbaar bevinden er zich enkele gewonden in het gezelschap en daarom worden ze wat later naar de gevangenis van Belle geleid. Het duurt zo zijn tijd voor onze voogd er bij kan geraken. Twee van de gevangenen zijn er erg aan toe en de provoost vreest dat ze nooit in Ieper zullen raken om terechtgesteld te worden. Uiteindelijk reist de beul dan maar naar Belle waar de twee zwaargewonden berecht worden uit vrees dat ze wel eens voortijdig zouden kunnen sterven. De rest kan nu overgebracht worden naar Ieper.

Zware jongens zijn het. Terwijl een hevige storm over de Westhoek raast worden ze in twee wagens door de stadspoort binnengereden. De twaalf stevig vastgebonden mannen kijken wezenloos voor zich uit. Het zijn naar verluidt notoire geuzen. De landmannen zijn maar wat tevreden dat er een einde gemaakt werd aan al hun kwalijke daden. Jan Camerlynck van Hondschote is de aanvoerder van de bende. In zijn gezelschap bevinden zich Jan van Penen van Ruisscheure, de Engelsman Ryckaert, Maarten Ghysel van Steenvoorde, Joos Winnebroot van Kaaster, Claeys van Hem en Pieter de Buusere van Moorbeke, Hercules Notzette van Antwerpen, Jan Coppen van Wormhout, Joris de Colts van Killem en tot slot Pieter Damme en Mahieu Verbliet van Rubroek.

Soeverein Masscheroen vindt de vangst belangrijk genoeg om op zaterdag 2 oktober naar Ieper af te zakken. Jan Camerlynck wordt zwaar gebonden naar de bovenverdieping van de lakenhalle gebracht. De bewakers wijken geen seconde van zijn zijde. De ondervraging begint om half vier in de namiddag en eindigt pas om halfacht in de avond. Het verhoor gaat verder op zondag. Zowat de hele dag. Verhoor is eigenlijk een te braaf woord, feitelijk ondergaat Camerlynck een erbarmelijk etmaal aan pijnigingen. De soeverein, de hoogbaljuw, de provoost, de griffier en de officier willen het fijne weten van zijn activiteiten en onderwerpen de bendeleider aan gruwelijke pijnen. Dat heeft men hier in Ieper nog niet veel meegemaakt. Ook de hele maandag wordt er verder gewerkt aan de sessie. Wanneer Jan Camerlynck die avond naar buiten wordt gebracht staan er heel wat Ieperlingen nieuwsgierig te wachten om een glimp van de schurk op te vangen. Ze kunnen vaststellen dat de ondervraagde nog amper kan lopen. Hij mankt en lijkt gekwetst te zijn aan de benen. Blijkbaar hebben de mannen van het gerecht met hagel op hem geschoten.

Op 5 oktober is het de beurt aan Pieter de Buusere, in de wandelgangen ‘Hoge van Zette’ genoemd. Tijdens zijn arrestatie werd hij zwaar gewond aan de hand en dat is er duidelijk aan te zien. Veel zal het allemaal niet meer uitmaken want de volgende dag is het schavotdag. Om 6 uur wordt de constructie voor de halle opgeslagen. Helemaal centraal op de grote markt. Er wordt een Andrieskruis op het podium getorst. Een kruis in de vorm van een ‘X’. Boven op een staak wordt een wiel, een rad aangebracht en aan de andere kant van het schavot plaatsen de gerechtsmedewerkers een slede met daar bovenop een soort van rieten mat die men hier als een ‘vlaak’ omschrijft.

Om 7 uur wordt Pieter de Buusere uit de gevangenis gehaald en voor de vierschaar geleid. Hij zal er zo meteen zijn sententie horen. De tarief voor al die kwalijke daden. Ik maak de zitting mee als getuige van dienst. Aan een langwerpige tafel vooraan zetelen een beangstigende soeverein die geflankeerd wordt door hoogbaljuw Bellewaert. Naast hen hebben eveneens de voorschepen en de griffier plaatsgenomen. Het is de griffier die de uitspraak voorleest. Ongelooflijk toch hoeveel kwaad deze bosgeuzen hebben berokkend. De bende heeft met zekerheid zeventien moorden op zijn kerfstok. Ze hebben de kerk van Houtkerke verbrand en er de dorpspastoor vermoord. Op dergelijk smerige manier dat het onmogelijk te beschrijven valt.

De Buusere wordt veroordeeld om op de vlaak vastgesjord te worden en er gegeseld te worden. Daarna zal men hem op zijn rieten mat naar de vier hoeken van de markt slepen. Achteraf zullen zijn beulen hem vastmaken aan het kruis waar de radbraking op hem wacht. Wel met de bijzonderheid dat hij er levend moet op gemonteerd worden en zijn eigen dood zal moeten sterven. Dood gaan op eigen kracht. Een verschrikkelijke straf die nu direct zal uitgevoerd worden. Tijdens de geseling en het slepen over de markt huilt hij om vergiffenis en om gratie. De markt is voor de gelegenheid nu eens niet afgezet. De Ieperlingen zien zijn apocalyptisch einde met zijn allen gebeuren.

Na zijn rondrit wordt hij naakt op het schavot gesleept. De Buusere begint daarop luidop een psalm te zingen, iets wat hem flagrant verboden wordt door de officier die hem nu laat blinddoeken. Hij wordt aanstonds met handen en voeten aan het kruis vastgepind. Een signaal voor de beul om hem nog eens aan te pakken. Een ijzeren staaf verbrijzelt ’s mans armen en benen. Dan wordt hij terug van het kruis verwijderd, op zijn buik gelegd en nog twee keer met diezelfde staaf op de lendenen geslagen. En dan levend op het rad gesteld.

Hoge van Zette’ zingt duidelijk al een toontje of twee lager. ‘Kan je mijn doodstrijd niet te lang laten aanslepen?’ vraagt hij luidop smekend aan Joris van Hallen. En de soeverein ontbiedt de officier op de lakenhalle en gelast hem om de veroordeelde nog een extra slag te bezorgen zodat hij niet meer zou kunnen roepen. Daarna verliest de sukkelaar zijn taal. Korte tijd later kan hij eindelijk zijn dood sterven en wordt hij buiten de stadsmuren gevoerd waar zijn kadaver aan een staak wordt vastgegespt.

Het duurt nog tot vrijdag 22 oktober vooraleer de tweede ronde van de terechtstellingen zal doorgaan. Vijf bendeleden worden gebonden tot bij de provoost gebracht. De vierschaar beslist vandaag over hun lot. De eerste heeft warempel veel geluk. Een simpele opknoping. Pal voor het bezant. Een min of meer pijnloze dood komt over als een flinke gratie. En; zeg nu zelf de man heeft maar vijf of zes dagen meegelopen met de bende en hij heeft daarbij geen bloed gestort. De heilige kerk betuigt haar grote leedwezen voor dit kind van haar katholieke gemeenschap.

Daarna begint het zwaardere werk. Een jongeman van een jaar of eenentwintig krijgt een identieke afscheidstournee als ‘Hoge van Zette’. Inclusief de vlaak en het kruis. Geseling, ijselijke pijnen, de sleeptocht op de vlaak, de radbraking, het verpulveren van de ledematen. Een onmenselijke doodstrijd. Zijn kompaan Joos Winnebroot uit Kaaster krijgt er nog een extra portie pijn bij. Voor zijn behandeling aan het rad zal de beul nog eerst zijn oren afsnijden. Winnebroot heeft vierentwintig moorden op zijn geweten. Een van zijn slachtoffers was een priester die hij eigenhandig de oren had afgehakt. De vierschaar kent geen genade.

Twee schurken worden levend verbrand. Onder hen die Antwerpenaar. Een ongelijke strijd tegen het vuur. Eerst moeten ze wel de martelgang van het radbraken doorstaan. Geen van beiden wil afstappen van zijn geloof en ze roepen het uit tot de beul hen met proppen de mond snoert. Tot de vlammen hun wrede werk doen. Na de terechtstellingen blijft het schavot gewoon staan. De crycke zal ook op zaterdag dienst moeten doen. Na de markt wordt een houten constructie in elkaar geflanst. Het verschrikkelijk huisje dat straks zal branden als de hel. Rond drie uur in de namiddag wordt een predikant uit Komen tot bij de schavot gebracht. Pieter Haeze wordt gekneveld en in het huisje geplaatst waar hij de vuurdood ondergaat. Wat een contrast met de eerste kou van de herfst, de Ieperlingen kijken gebiologeerd en verkleumd toe hoe de vlammen niet al te lang werk nodig hebben om de geus uit zijn menselijke miserie te bevrijden.

De executies gaan verder hun gang. De vuurdood voor een collega-predikant uit Waasten. Die smeekt om begraven te mogen worden in heilige aarde. ‘Allemaal goed en wel’ antwoordt de baljuw, ‘maar dan moet je je wel eerst bekeren’. Iets wat de arme man ook noodgedwongen doet. Jan Codts van Killem krijgt ook zijn beurt. Op zijn kerfstok prijken er vierentwintig doden. Hij krijgt een identieke behandeling als Winnebroot. Met inbegrip van het verlies van zijn oren. Het rondslepen op de vlaak, de vier hoeken van de markt laten zich voelen tot in de diepste poriën van zijn lichaam. Het wiel. De ijzeren staaf die zijn beenderen en zijn spieren tot moes slaat en daarna is het wachten tot de dood een eind wil maken aan deze verschrikking. En ik vergeet er nog de marteling bij te vermelden. Alsof het nog niet allemaal erg genoeg is. Ik heb er genoeg van en laat de rest van de terechtstellingen aan me voorbij gaan.

Het blijft even rustig tot 20 november. Een nieuwe zaterdag, een nieuwe marktdag en een nieuw schavot. Boven op een staak wordt een pekton vastgemaakt waar de kleverige brij wordt ingegoten. De staak wordt voorzien van drie kettingen. De bodem van het podium krijgt een laag aarde zodat die niet in brand kan geraken. Rond twee uur zijn we zover. Tijd voor Camerlynck de oppergeus. Op de markt staat een omvangrijke menigte. Tussen twee en drie staat hij geboeid te luisteren naar de straf die de vierschaar voor hem in petto heeft. Dat ‘geboeid’ mogen jullie best letterlijk opvatten. Voor de rest zal Jan Camerlynck niet al te veel animo voelen voor wat hem te wachten staat.

Rond halfvier wordt de veroordeelde naar de markt gebracht. Recht voor de steger van de lakenhalle. Het afsnijden van de oren als aperitief. Daarna wordt hij vastgesjord op de vlaak. Een teil met hete kolen met daarin een gloeiende tang staan al te wachten. Een extra ingrediënt. De straf moet voelbaar zijn. Met de tang nijpt de beul nu telkens weer in de borst van de veroordeelde die daarbij huilt als een klein kind. De pijn is duidelijk niet te harden. Daarna volgt de geseling met de roede en het slepen van de vlaak. Maar eerst wordt hij nog eens gevoerd via de Zuivelstraat, voor ‘De Roze Hoed’, door de Diksmuidestraat. Aan elk kruispunt wordt er halt gehouden en krijgt de geus een extra behandeling van de hete tang.

God, God, help me’, tiert Camerlynck wanneer hij nu eindelijk op het schavot wordt gehesen. ‘Een beetje geduld’ roept zijn biechtvader. ‘Genade, genade’, de terdoodveroordeelde krijgt nu de kettingen om zijn geblakerde lijf gespannen. Hij blijft maar roepen. Ondertussen zit het vuur al in de pekton boven zijn hoofd. Een kleine vlam wel te verstaan. De brandende teer begint nu ongenadig te druppelen en te sijpelen op zijn lijf. Gelukkig duurt het niet lang meer voor de vlammen de pek in lichterlaaie zetten en zijn geest verzwolgen wordt door een zee van vloeibaar vuur. Zijn lijk wordt nu opgehangen. De overleden Jan Camerlynck moet ergens drieënveertig of vierenveertig jaar geworden zijn.

27 november 1568. De dagen zijn al flink ingekort. Voor de lakenhalle hangt er plots een lijst van gevluchte personen van wie hun eigendommen verbeurd verklaard worden. De ontvanger Pieter van der Mersch heeft zich de voorbije maanden nauwgezet bezig gehouden om een en ander te inventariseren. Deze week raakte trouwens bekend dat er nog vier anderen verbannen worden. Andries Cavillau, Rogier de Bloucke, Jacques Cardinael. Van de vierde ken ik zijn naam niet. De 14de december moet Jacques Strooy voor provoost Gelein Everaert verschijnen. Beticht van bendevorming waarvoor hij al een hele tijd gevangen zat.

Strooy wordt veroordeeld tot de brandstapel. Zijn naam leent zich daarvoor natuurlijk toe, maar ik zet even mijn galgenhumor op een laag pitje. Hier in Ieper zijn er geen redenen om ook maar enigszins grappig te willen zijn. De ondervraging van Jacques Strooy sleept bijzonder lang aan. Hij zweert bij het geloof van Luther. Wat de onderzoeksrechters precies hebben uitgericht kan ik niet vertellen. Ik kom alleen te weten dat het lang liggen in de ijzige winterkoude hem uiteindelijk toch van mening doet veranderen. Waardoor hij kan sterven als een kind van de heilige kerk.

Kerstavond is voor de justitie een avond als een andere. Joris de Codt van Killem zal de volgende dag niet halen. De crycke prijkt als een vreemdsoortige kerstboom voor het bezant. De Codt staat bekend als een rijk man. Hij bekoopt zijn steun aan de bosgeuzen met het leven. Na zijn opknoping blijft Joris’ lijk daar nog drie uur hangen. Daarna wordt het weggehaald en begraven op het kerkhof van de predikheren. In de parochies Kemmel, Nieuwkerke, Armentières, Wervik en Menen worden de laatste dagen van 1568 veel Italianen en Spanjaarden opgemerkt. Die zouden afkomstig zijn van het leger van Alva.

Januari 1569 gaat voorbij zonder noemenswaardige feiten. De vrieskou en de sneeuw hebben het even overgenomen van de baljuw en de provoost. Daar komt op 1 februari een einde aan met de berechting van die Engelsman Ryckaert. Gelein Everaert laat de man met een strop rond de hals aan het pelorijn vastmaken waar hij met roeden gegeseld wordt. Hij ontloopt echter zijn doodstraf. De vierschaar stuurt hem weg uit Vlaanderen. Hij heeft blijkbaar geen schuld aan al het kwaad die zijn kompanen hebben uitgericht en kan hoogstens beschuldigd worden van onnozele lichtgelovigheid.

Tijdens het voorjaar van 1569 is er in toenemende mate sprake van ongeregeldheden op zee. Grote problemen met de Engelsen op de Noordzee die Vlaamse en Spaanse koopvaardijschepen aanvallen en beroven. Er zal oorlog van komen. Op 14 april roept het stadsbestuur af dat niemand zich nog op zee mag riskeren tenzij hij daartoe van overheidswege verplicht wordt. De maatregel blijft van kracht tot dat onze eigen vloot op punt staat om de veiligheid in het Kanaal te garanderen. Afspraken met Engelse burgers zijn voortaan streng verboden en wie nog schulden heeft aan hen mag die momenteel zeker niet betalen. Eventuele schulden dienen achterhouden te worden tot een later moment.

De hertog van Alva heeft het niet gemakkelijk om op te boksen tegen Willem van Oranje en tegen de Engelsen. Zijn legers lopen de hele tijd op de toppen van hun tenen. De militaire kosten swingen de pan uit. Dat de bevolking voor die kosten zal opdraaien wordt van langs om duidelijker. De vrees die leeft bij de mensen wordt tijdens de eerste lentedagen van 1569 in realiteit omgezet. Een vermogensbelasting van één percent en tien ten honderd toeslag op handel en nijverheid. Dat is het voorstel van Alva. De mensen sakkeren en knarsetanden en toch zullen ze voor 20 april antwoord moeten geven of ze al dan niet akkoord gaan met de voorgestelde belastingen.

Maandag 18 april 1569. Pasen is al acht dagen achter de rug. Op de markt worden er vijf staken rechtgezet. Gelein Everaert en de provoost van de Zale spreken zich uit over nieuwe slachtoffers. Ze worden om tien uur tot bij de vierschaar gebracht. Twee wederdopers, twee kerkbrekers die heel wat heiligenbeelden vernield hebben en de vijfde heeft gediend in het leger van Willem van Oranje. Geen van de vijf wil zich nu nog distantiëren van zijn geloof. Enkele geleerde mannen doen nochtans hun uiterste best binnen in het bezant maar de vijf willen niet eens luisteren. Daar is maar één oplossing voor vindt het gerecht. De vuurdood. Ze worden allemaal samen op een reusachtige vuurstapel geketend. De beul snoert vier van hen de mond omdat ze maar blijven zingen. Hand in hand staan ze in het vuur en verdwijnen ze uit hun levens. Nadien worden ze geschouwd om toch wel zeker te zijn dat ze overleden zijn.

Identieke taferelen op 9 mei. Een kerkbreker van de Klytte wordt om elf uur onthoofd. Een man die zijn vrouw doodgeslagen heeft wordt eveneens een kopje kleiner gemaakt. De rechtsgang van die dag eindigt met de geseling van een vrouw. De maand mei nadert al van zijn einde als onze voogd Wullen Leste in hechtenis neemt en hem om middernacht van de 25ste naar Ieperse gevangenis laat overbrengen. Die gevangenis is een soort hut waar zich op dat moment nog twee andere gedetineerden bevinden. Een man van Belle en een zekere Waarmoezier die beticht wordt van verschillende inbraken. De baljuw slaagt er echter niet in om deze beschuldiging te bewijzen.

Het drietal vindt er niets beter op dan samen te ontsnappen uit hun gevangenis hier. Via het dak en de goot kiezen ze het hazenpad. Wanneer hun bewaker vaststelt dat zijn vogels gaan vliegen zijn slaat hij alarm. De hele stad staat direct in rep en roer. De poorten blijven hermetisch gesloten. Waarmoezier wordt even later opgepakt bij de Boterpoort. Om vier uur in de morgen roepen de heren van de wet een spoedvergadering bijeen. De poorters riskeren hun leven als ze logies verstrekken aan de twee boeven. Wie hen kan oppakken en uitleveren zal een ferme beloning krijgen. Vierentwintig gulden voor de ene en twaalf voor de andere. En als iemand weet waar de mannen zich bevinden moet hij of zij dat kenbaar maken.

Twee uur later ontdekken vier helpers van de provoost Wullen Leste. Verscholen achter een stadsmuur bij de Elverdingepoort. Leste vindt er niets beter op om zich in de stadsgracht te storten en via de vestingen weg te zwemmen. Buiten staan er al wagens te wachten om in de stad te komen. ‘Houd deze man tegen’, roepen de wachters richting de wagenaars. Die willen natuurlijk hun leven niet riskeren door de vluchteling te helpen. Ze houden hem met lange stokken in het water tot de poorten eindelijk open zijn en het team van de baljuw zich meester kan maken van de ontsnapte gevangene. Hij wordt zwaar gewond overgebracht naar de gevangenis. Blijkbaar heeft een van de gerechtsmedewerkers Leste een steen tegen het hoofd gekeild. De man van Belle blijft spoorloos. De stadspoorten gaan pas open rond tien uur. Diverse gildebroeders helpen nu met de wet om de resterende gedetineerde te snappen.

Die blijkt in rook opgegaan te zijn. Er zijn er hier de voorbije maanden al een heel aantal letterlijk in rook opgegaan. Maar dit keer mag ik het eens als figuurlijk beschouwen. Waarom ook niet? Wie doet eens geen pekelzonde? Ik probeer mijn binnenpretjes voor mezelf te houden en hoop stilletjes dat de man goed en wel weggeraakt is. Twee dagen later wordt op de grote markt een burger van Ieper onthoofd. Opnieuw iemand die vorig jaar heeft binnengebroken in een kerk. Hij vindt zijn laatste rustplaats op het kerkhof van Sint-Pieters.

Ook Willem Leste en Mailliart Waarmoezier moeten die 27ste mei voor de officier van justitie verschijnen. Leste wordt voor het bezant opgeknoopt. Waarmoezier wordt aan de schandpaal gespijkerd, met de strop rond de hals ontvangt hij een half uur lang een bloedige regen van geselingen. Daarna wordt een roodgloeiend ijzer door zijn tong gedraaid en mag hij beschikken. Dat beschikken betekent concreet een verbanning van vijftig jaar plus één dag. Weg van Vlaanderen omdat hij valse eden heeft afgelegd. Hij heeft enkele mensen onterecht beschuldigd van kerkbraak en van andere misdaden. Deze beschuldigingen bleken na onderzoek volledig uit de lucht gegrepen.

De onrust om de extra belastingen van Alva beroert niet alleen de poorters van Ieper. Het gemeen volk van Vlaanderen, Brabant, Artesië en al de andere landstreken blijkt zeer ontstemd te zijn over deze maatregelen. De autoriteiten storen zich allerminst aan hun onrust en blijven actief verder werken aan de algemene zuivering van de bevolking. Op maandag 20 juni 1569 slaat Gelein Everaert nog een keer toe. Het brandstapelhuisje wordt rond 11 uur al opgebouwd. De officier rept zich naar het bezant om er twee misdadigers op te halen. Die hebben naar verluidt veel kwaad uitgericht, moorden, bendevorming. Een van hen weigert af te stappen van zijn geloof en dat zal vermoedelijk nog zijn grootste zonde zijn. Zijn kompaan geeft wel toe. Als dank wordt hij nu netjes gewurgd en ontsnapt hij aan de vuurdood. De koppigaard wordt geblinddoekt in het houten huisje geplaatst en terwijl het vuur hem al gauw begint te veroveren begint de man met het zingen van zijn psalmen. Wat een vreemd schouwspel om zien is dit hier toch. Ik hoop dat God de heer hem zijn koppigheid in de hemel zal vergeven.

Een oude wet van keizer Karel wordt nog eens opgerakeld. Op 24 juni worden daar drie bijkomende artikelen aan toegevoegd. Die hebben natuurlijk weer alles te maken met de religie. De bewoners moeten altijd en overal grote eer bewijzen aan het heilig sacrament. Bijvoorbeeld tijdens processies. Een buiging als teken van reverentie en op zijn minst verplicht meezingen met de gezangen van de priesters. Bij elke processie zullen er twee notabelen op toezien dat de omstaanders zingen. Wie dat niet doet zal gestraft worden. Een tweede artikel is bestemd voor de vroedvrouwen van de stad. Ze moeten alle geboren kinderen binnen de vierentwintig uur aangeven bij de parochiepriester.

God is liefde. Zegt men. Veel daarvan is alleszins niet te merken in het derde artikel. Elk overlijden moet gerapporteerd worden aan de priesters. Indien hij daar geen kennis van heeft of dat de dode in verdachte omstandigheden gestorven is, dan zal zijn of haar lijk naar het gerecht gevoerd worden om daar opgehangen te worden. De eigendommen van de overledene zullen geconfisqueerd worden en wie voortijdig goederen van de dode ontvreemdt zal zelf helemaal onteigend worden.

12 juli 1569. De werkweek begint nog eens in mineur voor een aantal mensen. Olivier Varpoort wordt onthoofd wegens kerkbraak. Vijftien maand geleden werd hij hiervoor opgepakt. Een mevrouw uit Nieuwkerke krijgt dezelfde exit uit het leven. Ze heeft logies verstrekt aan bosgeuzen en krijgt daar nu de rekening voor gepresenteerd. Exact twee maand later volgt de terechtstelling van meester Dirk Adriaenszoon, ooit geboren in Keulen en de andere is een Waal, een kerkbreker. Adriaenszoon was betrokken bij de oorlog van de geuzen in Wattrelos. Een fraaie ruiter, dat wel. Twee slagen van het zwaard maken een eind aan evenveel levens. De mannenlijken kunnen allebei begraven worden want hun geesten zijn katholiek gestorven.

In oktober wordt de aangekondigde belasting officieel. Iedereen moet een honderdste penning van, de waarde van zijn roerende en onroerende activa afstaan aan de overheid. Een vermogensbelasting van één percent op eigendom. Dat mag gebeuren in drie keer. ‘Nu, dan en nooit’, denk ik bij mezelf, maar zo eenvoudig zal het wel niet zijn. Wie geen honderd gulden bezit wordt vrijgesteld van belasting. In elke parochie van de stad worden er vier mannen aangeduid . Nadat ze de eed hebben afgelegd dienen ze bij al hun medeparochianen op huisbezoek te gaan om er te gaan schatten hoeveel iedereen waard is. De vier moeten al de huizen individueel aflopen, elke woning krijgt dus de vier heren afzonderlijk op bezoek. De experten mogen geen overleg plegen met elkaar en dienen hun rapporten rechtstreeks over te maken aan de burgemeester.

De burgers krijgen het recht om niet akkoord te gaan met de schatting. Dan komt er een tegenonderzoek. Wie ongelijk heeft zal het vierdubbele betalen met daarbij nog een boete voor de gemaakte kosten. Zo wordt er op 22, 23 en 24 november van huis tot huis gegaan om de eigendommen van de mensen te schatten. Daarbij worden al de huizen, erven, bossen, velden, molens en alle andere onroerende eigendommen omschreven en naar waarde geschat. De eigenaars zullen hun belastingen moeten zien te betalen in drie keer. Met kerstdag van 1569, einde juni 1570 en de rest op kerstdag 1570. Op de 15de dag van december 1569 ondergaat Coppen Ardaen zijn onthalzing. Ook hij had zich aan een inbraak in de kerk gewaagd, zat hiervoor twintig maand gevangen. Gelukkig vergeeft God hem zijn zonden en kan hij treffelijk begraven worden.

Voor ik het goed en wel doorheb, leef ik al in het jaar 1570. Waar er tijdens de decembermaand zowat elke dag sneeuw is gevallen, bleef januari een rustige grijze en zachte maand. Pas naar februari toe begint het weer hard te vriezen. Lichtmis komt er aan en dat is zo precies een van de favorieten van koning winter. Op 1 februari schiet Gelein Everaert nog eens in actie. Een schavot met drie masten en evenveel kettingen. Met daarbij het ondertussen beruchte ‘huizeken’. Een constructie van riet en hout die straks weer zal dienen als brandstapel. Drie ketters worden er naartoe gesleurd. Het moet zowat acht uur in de morgen zijn. Twee van de drie zijn hardleers en willen niet van hun geloof afstappen. De derde weifelt en twijfelt. Het is hem allemaal niet zoveel waard om levend verbrand te worden. De provoost spaart de jongen nog even. De anderen krijgen de kettingen rond zich heen gesnoerd en verdwijnen in het vuur. Hun krijsen en jammeren dringt door merg en been. Hier kan je nooit aan wennen. Daarna worden ze allebei aan de schandpaal opgehangen.

De zesde februari verschijnt de jongen die niet goed weet wat hij wil met zijn geloof tot bij de provoost gebracht. Aan het vuur is hij ontsnapt. Everaert moet blijkbaar wel verrast zijn dat hij zich niet met volle goesting wil overgeven aan het katholiek geloof en feitelijk blijft zweren bij zijn verboden variante. In het holst van de nacht wordt hij opgeknoopt. Zijn lichaam blijft tot acht uur in de morgen aan het touw bengelen. Daarna wordt hij weggebracht van het bezant en gerecht aan een staak buiten de Boterpoort.

Op zaterdag 11 maart 1570 spreekt de baljuw van de Zale recht over Jacob Speeken. De feiten spreken voor zich. Op 25 februari arriveerde Speeken bij de woning van Passchier Yweins in de parochie van Zonnebeke waar hij de vrouw des huizes koelbloedig vermoord heeft. De arme dame werd bedacht met liefst negentien messteken. Daarbij heeft hij haar spinrokken gestolen samen met een som geld. Drie gulden. Terwijl hij haar man heeft verscholen in een nabijgelegen bos, was hij zo stoutmoedig om het spintoestel te verpatsen in de herberg aan de Driemolens. Waardoor de gruwelijke feiten bekend geraakt zijn. Jacob Speeken werd van zijn bed gelicht en opgesloten. Tot nu dus. Hij bekent de feiten voor de leenmannen van het Ieperse hier aan het Zaalhof.

Zijn straf is niet van de poes. Op de grote brug aan het Zaalhof wordt hij vastgebonden aan de staart van een paard om er vervolgens alle hoeken en kanten van het plein te zien. Daarna volgt een geseling met scherpe roeden. Voor het huis van de kasselrij op de grote markt houwt de beul zijn vuist eraf waarop hij levend verbrand wordt. De misdadiger toont wel berouw voor zijn daden, dat mag gezegd worden, hij blijft er de hele tijd rustig bij. Tot in de dood. Daarna hangen de gerechtsmedewerkers zijn kadaver op aan een schandpaal onderweg naar de Nonnenbossen. Zijn vuist wordt aan de staak gespijkerd, samen met het mes waarmee hij de feiten heeft gepleegd.

Maandag 17 april 1570. Het volgend slachtoffer van Gelein Everaert is deze keer een dertigjarige barbier die meegevochten heeft met Jan Denys bij Wattrelos. Hij droeg er het vendel. Na een gevangenschap van twintig maand wordt hij levend verbrand voor het gasthuis op de grote markt. Tijdens zijn lijdensweg weigert hij af te stappen van zijn opinie. Twee maand later is het de beurt aan Lieven Mael van Dikkebus. Hij heeft eerder zijn parochiepriester ’s nachts uit zijn woning verjaagd. De snoodaard heeft het zelfs gewaagd om de klepels uit de klokken te verwijderen. Het zwaard zal straks zijn werk doen. De zesde juli leiden enkele gerechtsmedewerkers Pieter Vercken naar Voormezele waar hij berecht zal worden door de baljuw van meneer van Maele en de leenmannen van het Ieperse. Vercken heeft op Allerzielen van 1569 zijn broer vermoord. Ook hij zal onthalsd worden voor zijn misdaad.

Bisschop Rythovius laat eindelijk nog eens iets van zich horen. Tijdens zijn sermoen van 30 juli spreekt hij een algemeen pardon uit voor alle misdaden uit het verleden. Het gemeen heeft er behoorlijk lang op moeten wachten. Het pardon komt direct van de paus. Vergiffenis van de paus, de poorters zijn opgelucht als dit pardon na de mis ook effectief omgeroepen wordt aan het bezant. In de aanwezigheid van de heren van de wet. Vermoedelijk zullen ze de boel ondertussen al wel hebben uitgemest.

Half augustus krijgen de Nederlanden hoog bezoek. Alva en zijn edelen wachten in Nijmegen, in Gelderland op de komst van de koningin. Anna van Oostenrijk is nog maar twee maanden getrouwd met koning Filips van Spanje. Zijn vierde huwelijk. Eigenlijk moet ze nonkel zeggen tegen haar man. Een wetenschap die de paus tactvol door de vingers ziet. Anna is de dochter van keizer Maximiliaan II van het heilig Roomse rijk. Ze krijgt in Gelderland een warm onthaal met alle eer van dien. Tornooien en banketten, de decadente geplogenheden van de beau monde. De Vlamingen zullen hun vermogensbelasting wel betalen. Op 26 augustus staat mevrouw de koningin in Antwerpen. Opnieuw enkele dagen volgepropt met elitaire toestanden. Daarna reist ze naar Bergen-op-Zoom waar ze gratie verleent aan een groep bannelingen. Het valt wel op dat er geen enkele behoort tot de nieuwe religie. Via Zeeland vaart Anna nu terug naar Spanje.

De kerk in Ieper wil ook wel zijn duit in het zakje doen voor een behouden terugkeer van de koningin. Op 17 september 1570 gaat er een algemene processie rond om te bidden voor God dat ze goede wind kan krijgen op zee. En terwijl ze nu toch bezig zijn met bidden, kunnen de mensen meteen ook vragen aan de Heer dat hij vrede en eendracht zou mogen brengen over Vlaanderen. De bisschop houdt een bevlogen sermoen in de kerk van Sint-Pieter. Hij blijft bij zijn vergiffenis voor de zonden en pleit er vol vuur voor dat al zijn parochianen naar zijn kerk zullen terugkeren.

Terwijl Anna met of tegen haar zin zat te kijken naar de voor haar georganiseerde tornooien in Nijmegen wordt er op 16 augustus hier in Ieper een man opgepakt. Jacob de Ronzelaer slaagt er in om een zekere Meus bij de lurven te vatten in de buurt van de Tempelpoort. Een kerkbreker die drie jaar in Engeland heeft gewoond. Hij was daardoor verbannen verklaard. Meus wordt betrapt bij het binnensmokkelen van brieven die bestemd waren voor Ieperse burgers. Iets wat zowel binnen als buiten de stadsmuren streng verboden is. Meus wordt in de folterkamer gebracht waar hij niet veel anders kan dan bekennen voor wie zijn brieven bestemd waren. Een maand later worden de gevolgen van zijn bekentenis zichtbaar. Zes poorters worden ’s nachts van hun bed gelicht. Jan de Beer, Jan de Meulenare, een vrouw die woont buiten de Tempelpoort en een die woont achter de watermolen. En tot slot ook nog twee schippers van Brielen.

Rond 30 december zal de vierschaar zich uitspreken over hun lot. De Beer en de Meulenare dienen in hun ondergoed vergiffenis te vragen aan God van het hemelrijk en natuurlijk aan de justitie. Met een ongebrande kaars in de hand meestappen in een algemene processie. Ook beide vrouwen krijgen een gelijkaardige straf. Het gemeen is behoorlijk opgelucht dat mijnheer de burgemeester zich mild toont ten opzichte van de sukkelaars. Volgens de plakkaten hadden ze moeten sterven.

Voor Meus zal er minder medelijden getoond worden. Ik voel het aan mijn water. Op donderdag 4 januari 1571 wordt hij berecht. Ik hoor nu pas dat hij al in de cel zit vanaf 16 augustus. De vierschaar zal voor de gelegenheid eens niet presideren in de lakenhalle. Dat gebeurt op een grote weide achter de herberg ‘Het Tamboerke’, een beetje buiten de Tempelpoort. Het weer oogt vriendelijk. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst om weer eens ondergedompeld te worden in dit sfeertje van wraak en bloederig geweld.

Als de heren van de wet rond tien uur komen aanschoffelen sta ik al in aanslag om niets van het schouwspel te missen. De beschuldigde arriveert in het gezelschap van baljuw Jan de Moor welke in die tijd eveneens baljuw is van de Tempelrij van de stad. Meus wordt – zoals algemeen verwacht – natuurlijk veroordeeld. Omdat hij ingebroken heeft in een kerk. En vooral omdat hij zijn verbanning van vijftig jaar aan zijn laarzen heeft gelapt als zijnde de bode van Engelse brieven van en naar Ieper. Iets wat streng verboden was. Nadat de beklaagde weigert om af te stappen van zijn geloof wordt hij veroordeeld om levend verbrand te worden. Iets wat kort daarna gebeurt. Zijn verkoolde lijk wordt traditiegetrouw aan een staak opgehangen.

16 januari 1571. De relatieve rust in Ieper wordt verstoord door de passage van drie vendels paardenvolk. Om en bij de driehonderd Italianen die blijkbaar op weg zijn naar Lorreinen. Een week later gebeurt er nog iets wat ik als heel vreemd kan bestempelen. Sint-Vincent valt op 22 januari. Normaal gezien moet er die dag niet gewerkt worden, maar de feestdag is dit jaar om een of andere reden zomaar afgeschaft. De werkklok luidt als op een gewone werkdag. Het is werken geblazen voor de Ieperlingen. Diezelfde dag raakt het ook bekend dat er nog negen andere heilige dagen getransformeerd worden tot ordinaire werkdagen. De overwegend katholieke bevolking snapt hoegenaamd niet wat hier de bedoeling kan van zijn. Heeft het te maken met de onverzadigbare geldhonger van hertog Alva? Ik weet het niet. Veel meer dan gehoorzamen zit er niet in.

Rond Pasen krijgen we berichten dat de Noordzee weer erg belemmerd wordt door zeerovers die grote malheuren aanrichten bij de commerciële schepen. Kooplieden en schippers worden overvallen en op rantsoen gezet. Het gevolg van die situatie is een flinke daling van de handelsactiviteiten. Op 15 juni wordt er justitie gesproken over een schapendief. Die heeft een hele kudde schapen en een koe ontvreemd. Hij werd gevangen gezet op verzoek van Joris van Hallen, de baljuw van de heerlijkheid van het Rollegemse. De veedief wordt opgeknoopt in de buurt van Sint-Jan, langs de grote weg die men passeert om naar Diksmuide te gaan.

Op diezelfde dag krijgen er nog twee Duitsers en een vrouw straffen die vallen onder de jurisdictie van dezelfde heerlijkheid. Ze hebben de mensen op den buiten overvallen en veel kwaad aangericht. De schepenen geven het bevel om de drie te deponeren aan een schavot voor de Gulden Poort. Met een strop om de hals worden ze met scherpe roeden gegeseld en met gloeiend ijzer verwend. De Duitsers worden voor vijftig jaar uit de Nederlanden weggestuurd op het risico van ophanging. Ook de vrouw wordt gegeseld. Ze hangt voor de gelegenheid aan een boom. De doodgewone huisvrouw wordt daarna verbannen voor een termijn van drie jaar.

In de Nederlanden circuleert er al een hele tijd vreemd geld. Het gevolg natuurlijk van de massa vreemde soldaten die hier rondtoeren. Het gaat meestal om Duitse daalders die een waarde hebben van 32 stuivers van ons eigen geld. Vanaf mei 1571 komt er een verbod op gebruik van dat Duits geld. De overheid zwaait met grote boetes als er van deze munt gebruik zal gemaakt worden tijdens de meimaand. De mensen morren. Hoe moet het nu verder? Het volk heeft geld maar mag het niet meer gebruiken. De kooplieden en het gemeen zijn woest. Iedereen snakt naar het einde van de maand. Begin juni wordt de maatregel verlengd. Tot overmaat van ramp worden de levensmiddelen met de dag duurder. Het koren. De boter. Begin juli wordt de maatregel verlengd tot het einde van het jaar. Daarbij wordt de waarde van alle Duitse daalders uit 1567, 1568, 1569 en 1570 verminderd tot 31 stuivers. Het komt neer op een devaluatie van de Vlaamse munt van drie ten honderd.

De toestand in de Westhoek gaat er snel op achteruit. Het gevaar loert blijkbaar vanuit Frankrijk. Aan de grenzen met Vlaanderen liggen er vanaf juli heel wat soldaten te wachten. Hun bedoelingen zijn niet bekend maar zorgen wel voor heel wat nervositeit bij de plaatselijke bevolking. De landlieden van ter plekke vluchten voor alle veiligheid naar de min of meer beschermende omgeving van Sint-Omer, Ariën-aan-de-Leie, Arras en Bethune. Dat ze naar ginder trekken heeft ook te maken dat de wetenschap dat het zeer onveilig is op de Noordzee. Het krioelt er van de zeerovers die ook wel als ‘watergeuzen’ omschreven worden.

Op 1 september treedt de taks van tien percent in voege. Een belasting op alle commerciële transacties. De Vlamingen hebben het over de tiende penning. Elke verkoop zal moeten geregistreerd worden. De taks geldt over het hele rijk van de Spanjaarden. In zeventien landen worden overal ontvangers aangekondigd. Op de 9de september is die in elk geval nog niet in dienst getreden. De maatregel mist zijn effect niet. Handel en nering draaien op lage toeren. Op 4 september wordt er aan de Zale justitie gedaan over een man van zeventig. Een grijsaard van Langemark die weigert om trouw te zijn aan de katholieke kerk en daarom onthalsd wordt. Hij wordt evenwel in heilig grond begraven omdat hij tijdens zijn laatste ogenblikken toch nog snikkend aangeeft dat hij wil breken met zijn alternatieve godsdienst.

Tijdens de eerste week van oktober 1571 komt er weer nieuws over de fameuze tiende penning. De ontvangers komen er aan. Er worden wel enkele veranderingen aangebracht aan de fameuze wet. Goederen die verkocht worden aan het buitenland zullen belast worden met 3,33%. De taks op inlandse transacties wordt teruggebracht naar vijf percent. Er zit daarbij een serieuze adder onder het gras. Ook de verkoop van landerijen, woningen, erven en renten zullen met die twintigste penning belast worden. De bevolking reageert met afgrijzen op de nieuwe taks. Het volk mort dat het de officieren van het leger zijn die tijdelijk zorgen voor de inning van de belastingen en het daarbij niet al te nauw nemen.

De Ieperse poorters steigeren bij de aankondiging dat er een groot leger van Spaanse soldaten op komst is om de veiligheid in de stad te verzekeren. Dat gebeurt op 7 november. Er is sprake van acht vendels soldaten. Er moeten zeventienhonderd slaapplaatsen geregeld worden. Meneer de burgemeester doet het onmogelijk om de vreemdelingen weg te houden uit de stad. ‘Kan het niet met wat minder?’ De baljuw vertrekt naar het hof en keert terug met de mededeling dat het wel degelijk om zo’n bende volk zal gaan.

De 8ste en de 9de heerst hier bij ons een drukte van vanjewelste. Vanuit de schepenkamer volgt het ene gebod na het andere. Nogal wat poorters die van plan waren om vlug de stad te verlaten krijgen een absoluut verbod om dat te doen. Hier blijven is de boodschap. Kamers vrijmaken. Reinigen en poetsen, er voor zorgen dat alles netjes is voor de komst van de Spaanse gasten. Iedereen moet zijn uiterste best doen om ervoor te zorgen dat er geen rellen en ruzies ontstaan en dat de Spanjaarden fatsoenlijk worden opgevangen.

De markt van zaterdag 10 november wordt geannuleerd. Niemand mag er zijn waren komen slijten. De Spanjaarden maken zich klaar om de stad binnen te komen. De poorters krijgen het bevel om de prijzen van het koren, de haver, appelen, fruit en warmoes niet op te slaan. Dat geldt ook voor de veemarkt. De schepenen zullen niet aarzelen om de prijzen indien nodig te corrigeren. De bakkers, vleeshouwers en brouwers moeten zorgen voor voldoende materiaal. Er mag aan niets gebrek zijn. Er komt nog een extra gebod dat de Spaanse gasten wekelijks moeten voorzien worden van verse servetten, een dweil en schone lakens. De mannen moeten voldoende huisraad ter beschikking krijgen om zelf hun potje te kunnen koken.

En dan is het door de bevolking zo gevreesde moment aangebroken. De intocht van de Spanjaarden wordt door jong en oud met de nodige angsten aanschouwd. De 10de verzamelen de vreemd ogende soldaten zich in de omgeving van de Torhoutpoort. Rond de stad hebben ze dan al lelijk huis gehouden bij de buitenbevolking. Sinds hun aankomst vier dagen geleden hebben ze de landlieden verplicht om te zorgen voor wijn en vis. Rond half twee in de namiddag begint hun intrede door de Torhoutpoort.

De imposante colonne marcheert een lange tijd binnen in rijen van vijf. Alle soldaten voorzien van vervaarlijke hagelgeweren, haakbussen, en goud-groen glimmende harnassen. De vendels blijven maar toestromen. Ze sleuren grote voedselvoorraden met zich mee. Het geluid van hun bruine laarzen weerklinkt door de Cawertijnstraat en de Auwerstraat. Een hol klinkend gedreun die zindert op de vierkante straatstenen. En eindigt aan de grote markt waar ze zich in slagorde opstellen. Wel dertig rijen dik. Een bizar beeld. Om hun entree hier in de stad nog te accentueren vuren al die soldaten allemaal samen één schot af. Het geluid is gruwelijk om aan te horen.

Wat zullen we met deze vreemdelingen beleven? Ik mag er niet aan denken. Nadat ze plaats hebben geruimd van de markt komen hun wagens nu aangereden. Hele zwermen vreemdelingen lopen onze stadspoorten binnen. Spaanse gezinnen, vrienden van de soldaten. De rest van de namiddag blijven ze maar aanspoelen. Tot driehonderd per poort. Gevolgd door wagens en karren telkens geflankeerd door wel honderd hellebaardiers. De soldaten van twee vendels nemen meteen de wacht van de stad op zich. De anderen beginnen aan hun zoektocht naar een geschikte slaapplek. Ze krijgen allen een door griffier De Codts getekend biljet. En daarmee gaan ze op zoek naar hun lokale gastheren. Dat zijn onze mannen, vrouwen, families die geen woord Spaans kennen en wel duizend doodsangsten uitstaan met al die verschrikkelijke allochtonen en hun onbekende wapenuitrusting en kledij.

Wat een cultuurschok toch. Elk geeft zijn gast de nodige voedingsmiddelen, bekijkt hen met scheve ogen vol wantrouwen. De voorbije dertig jaar is deze stad nooit zo erg overladen geweest met vreemde charlatans. Ieper lijdt onder de Spanjaarden. Het lukt in geen geval om zonder kleerscheuren door die eerste week te geraken. De soldaten hebben het echt moeilijk om zich aan hun orders te houden. Hun bevelhebbers zitten met de handen in het haar en halen er een commissaris van het hof erbij. Die bestudeert ter plekke de heersende logistieke problemen en kan alleen maar vaststellen dat deze stad niet bij machte is om acht vendels op te nemen.

Op 17 november 1571 loopt het nieuws binnen dat de heilige liga (een christelijk leger) een mooie overwinning heeft behaald op de ongelovige Turken. Dat gebeurde op 7 oktober in de Middellandse zee tijdens de slag om Lepanto. Feitelijk zijn onze burgers fijn gerust in dat hele gedoe maar opperbaas Alva ziet dat enigszins anders. Vieren zullen we! Er moet een algemene processie komen om God te loven voor deze victorie. Op zondag 18 november roepen de trommels op dat al de vendels zich naar de markt moeten reppen. Om acht uur preekt de bisschop naar vaste gewoonte. Hij heeft het uitgebreid over Gods hulp bij de zeeslag waarbij maar liefst honderdtachtig galeien betrokken waren. En Juan van Oostenrijk, de halfbroer van onze koning behaalde er de overwinning met relatief weinig verlies aan manschappen.

Zonder God zou dit niet mogelijk geweest zijn. De merci’s zwieren door de lucht. Achteraf baant de processie zich een weg door de straten van de binnenstad. In de buurt van de markt komt de biddende sliert voorbij aan de massa Spaanse soldaten. Een of ander zuiders uilskuiken vindt zichzelf interessant wanneer die plots zomaar in het wild begint te vuren. Hij lokt daarmee een hele reeks salvo’s uit. Pijnlijk om zien en om horen. De mannen vertrekken even van de markt maar komen er snel terug. De rust keert pas na de middag terug wanneer elkeen zijn logies gaat opzoeken.

De geforceerde vreugdetaferelen van de clerus lopen simultaan met het hooliganisme van het Spaanse uitschot. Grote pektonnen op de markt zorgen voor vlammende vreugdevuren. De beelden en de garnituur van de processie worden nu opzichtig aan het belfort opgehangen. Boven de vogels van de toren worden lantaarns gehangen. Het licht van hun tintelende kaarsen is vreemd om zien. Heel feeëriek, al zeg ik het zelf.

Een van de Spanjaarden is tegen de lamp gelopen en moet op 2 december voor de baljuw verschijnen. Hij heeft in Langemark een landman om het leven gebracht en mag dat nu in Ieper eens komen uitleggen. De galg staat al vier dagen op hem te wachten. De schandpaal lonkt aan de zuidzijde van de markt. Om 11u begeleiden vijf Spaanse priesters hun landgenoot naar zijn executieplaats waar hij zonder veel complimenten wordt opgeknoopt. Pas vier uur later wordt zijn lijk weggehaald en met de nodige vreemdsoortige Spaanse manieren op het kerkhof van de minderbroeders begraven.

Elke dag opnieuw gonst het van de terreur die de vreemdelingen hier in de stad veroorzaken. De benauwdheid hangt als een deken van frustratie over de schamele poorters. Voeg daarbij de invallende herfstdagen. De koude heeft zijn intrede gedaan waardoor velen niet meer aan het werk kunnen gaan en de thuissituaties met de dag penibeler worden. Het werken wordt daarom tijdelijk opgeschort en verboden. De soldaten hebben zelf geen geld en kunnen niets kopen. Dat heeft meteen tot gevolg dat de burgers niet voldoende middelen hebben om de soldaten van voedsel te voorzien. De burgemeester moet ingrijpen om onlusten te voorkomen. Iedereen die soldaten te slapen legt krijgt vijf pond en moet daarmee de volgende veertien dagen zorgen dat zijn gasten niets te kort komen.

Op 11 september wordt nog eens omgeroepen dat de ontvangers hun werk zullen gaan uitvoeren m.b.t. de aangekondigde taksen. Best lomp bij deze kritieke toestanden hier in ’t stad. Ik ben helemaal niet verwonderd dat de opbrengst van de belastingen een flop is. Op 29 december maken de schepenen bekend dat er niet langer met vreemde valuta zal kunnen worden betaald. Gelukkig wordt deze maatregel korte tijd later tijdelijk weer opgeschort. Een dag later krijgt een Spanjaard de strop. Enfin, eigenlijk moet ik zeggen de ‘stroppat’ waarbij men het gevoel van ophanging simuleert met een soort foltertuig. Hij wordt eerst voor de gevangenis aan een katrol opgehangen omdat hij zijn gastheer Joos Ryspoot toegetakeld heeft. ’s Anderendaags bindt een officier zijn handen op de rug en katapulteert hij de soldaat enkele keren omhoog en omlaag tot tegen de grond. De pijn lijkt niet te harden. Het spektakel is deerlijk om zien.

Zo belanden we hier met zijn allen in het nieuwe jaar 1572. Mijn dagboek is aan zijn tiende jaar toe. Op 3 januari wordt mijn zoontje Willemke geboren. Wat een leuk mannetje. Hij komt ter wereld op een donderdag rond 17u. Elke parochie spant zich drie later in om een eigen processie te laten rondgaan om de geboorte van de kleine te vieren. Nee, niet die van mij. Ik heb het over de nieuwe zoon van koning Filips en prinses Anna. Hun eerste zoontje Fernando werd geboren op 4 december 1571. De Spanjaarden vieren natuurlijk duchtig mee. Het zijn zij die de pektonnen in brand steken en er bij het vuur van hun vreugde op los drinken.

De feestelijke sfeer is van korte duur. Twee Spaanse vrouwen die gelogeerd zijn in de woning van meester Jan Langheduls zijn nogal tekeer gegaan op diens echtgenote en hebben haar met extreme ruwheid geslagen en mishandeld. Die doet natuurlijk aanklacht van de feiten waarop beide dames met een scherpe roede worden gegeseld bij de galg. Een soldaat die blijkbaar betrokken was bij de feiten vliegt aan de beruchte stroppat en achteraf voor geruime tijd in de cel. De 19de januari doet de stroppat nog eens dienst voor twee andere Spaanse huurlingen. Ook zij hebben zich laten betrappen op ongepast geweld.

13 februari. Wat een nacht hebben we toch achter de rug! De sneeuwstorm die vannacht over Ieper heeft geraasd hebben we sinds mensenheugenis niet meer meegemaakt. De wind was zo fel dat zelf het kruis op de toren van de Sint-Niklaaskerk er moest aan geloven. Het gevaarte is in het schip van de kerk gedonderd en helemaal in stukken gebroken. Feitelijk vriest het al twee weken stenen uit de grond. De lange vorstperiode zorgt er voor dat vooral het hout erg in trek is. De Spaanse soldaten hamsteren al het sprokkelhout dat ze vinden. De poorters krijgen het van langs om moeilijker om hun huizen te verwarmen.

Tijdens de marktdagen van deze ijskoude februarimaand gaat het er erg sober aan toe. Daarbij komt nog eens het gerucht dat er weer sprake is van de tiende penning. In Brussel en Antwerpen is de taks al ingevoerd. De winkeliers daar worden op lijf en goed verplicht om hun boetieks te openen en de tien percent af te dragen. Hier in Ieper gaat het flauw met de zaken. De markt is niet veel soeps. De hele omgeving van de markt wordt streng bewaakt door de vreemde soldaten en dat op zich zorgt al voor een onwezenlijke sfeer. Samen met de vorst natuurlijk. De vreemdelingen leggen grote vuren aan op de markt om zich toch een klein beetje warm te houden.

De Ieperlee is helemaal dichtgevroren. Bij de Meersbrug, voor de kerk van Sint-Maarten hebben de manschappen een tafel op het ijs geplaatst. Het is best een vreemd zicht om hen daar te zien zitten rond hun tafel. Een pak volk dat daar vreet en zuipt alsof ze zich in een herberg bevinden. Ook de schippers zorgen voor bizarre taferelen. Ze zitten warempel te kaarten en goed bier te drinken op het ijs. Met naast zich drie biertonnen die ze gebruiken als kachel. De koude blijft hangen tot 8 maart. Sinds 2 februari is er hier in de stad nog geen dag gewerkt. Het hout is schaars en niet meer te betalen met geld. Allemaal de schuld van de Spanjaarden natuurlijk. Niemand heeft kunnen voorzien dat ze hier zo lang zouden blijven.

Tijdens de nacht van 31 maart ontsnappen er vijf gevangenen uit hun gevangenis van de Zale. Hun terechtstelling stond gepland voor 2 april en of ze nu al dan niet gevat worden, kom ik vooralsnog niet te weten. De Spaanse soldaten laten zich van hun katholiekste kant zien op Witte Donderdag. Ze organiseren een avondlijke processie. De stoet vertrekt aan de predikheren. Het moet zowat 9 uur zijn. Daarna schuifelen ze door de Hondtstraat. Vooraan paradeert er een zuiderling met een zwaar houten kruis. Een namaak-Jezus op weg naar zijn gespeelde dood. Het lijkt een beetje op een van onze rederijkersspelen, het spel van de gekruisigde Johannes. Achter de koploper puffen vier Spaanse mannen met grote ijzeren latten. Gekleed in hun ondergoed. Hun lijnwaad. Er zit eentje bij met een trompet die hij nu en dan eens stil en bescheiden laat blazen.

Deze zonderlinge voorhoede wordt op de voet gevolgd door een grote menigte volk. De mensen lopen in hun lijnwaad. Gelukkig is de vorst verdwenen. Blootsvoets, met bedekte gezichten en ontblootte ruggen strompelen ze door onze straten terwijl ze zichzelf geselen met grote zwepen voorzien van zilveren sporen. Soms slaan ze zichzelf zeven keer na elkaar, wat later vijf keer, vier keer. Allemaal met brandende toortsen in hun handen. Met centraal in de menigte het beeld van Onze-Lieve-Heer aan zijn kruis. De Spaanse priesters zingen de ziel uit hun lijven. Onder hen bevinden zich eveneens kanunniken van Sint-Maartens. Het lijkt er op dat ze nooit zullen ophouden met hun zelfkastijding.

De stoet trekt dwars door de kerk van Sint-Pieters en van daar naar die van Sint-Jacobs en naar de kerk van de predikheren waar ze een mooie plaats vrijgemaakt hebben om het Heilig Sacrament op te slaan. Acht soldaten zorgen er voor een buitenissige scène. Hun gezichten zijn bedekt met vizieren zodat niemand weet wie ze zijn. Ze blijven er vierentwintig uren staan. Tussen Witte Donderdag 10 uur en Goede Vrijdag 10 uur; zonder eten of drinken staan ze hier in starre houding. Na de Spaanse processie schieten de predikheren in actie. Ze slaan zichzelf tot bloedens toe. Men ziet na een tijd niet meer wie ze zijn door de geseling.

Eind april lijkt het er op dat een deel van de bezetters Ieper achter zich zal laten. De mensen hopen dat met hart en ziel maar zo’n vaart loopt het spijtig genoeg niet onmiddellijk. Enkele Spanjaarden vertrekken met hun korporaals richting Gent op zoek naar de legerleiding. De krijgers wachten op hun soldij en eisen dat de commissaris van de koning naar Ieper zou willen komen om de mannen eindelijk eens voor hun diensten te betalen. De Ieperlingen kunnen dat geld hard gebruiken. De handel en de nering zijn zo dood als een pier na een bezetting van zes maanden en na deze onmenselijke winter haast zonder middelen om te overleven.

Op 29 april 1572 krijgt de stalknecht van meester Du Campe een flinke beurt aan de stroppat. Na een diefstal is hij er vanonder gemuisd en daarna gearresteerd. Na zijn hardhandige behandeling door de katapult krijgt hij nog een extra aandenken. Aan de galg wordt hij gebrandmerkt met het merkteken van de stad. Een andere Spaanse soldaat wordt de volgende dag geconfronteerd met de gevreesde stroppat. Hij wordt gestraft omdat hij een poorter toegetakeld heeft.

Rond Pasen valt er hier toch wel belangrijk nieuws uit het noorden van de Nederlanden te rapen. Alva en zijn Spanjaarden zijn blijkbaar niet onaantastbaar. Op 1 april vallen drie vendels watergeuzen vanuit de Noordzee de Hollandse havenstad Den Briel binnen. De Spaanse bewaking is er maar zwakjes en voor de zuiderlingen het goed en wel beseffen hebben de geuzen de stad al ingenomen. Het Spaanse juk is ook in het noorden van het land amper te dragen en inspireert de Hollanders en de Zeelanders om te revolteren tegen hun bezetters. Dat gebeurt eerst in Vlissingen. Pogingen van Alva om daar de orde te herstellen worden er door het gemeen afgeblokt en dat is hard schrikken voor onze hertog van Alva. Ook in Artesië, zuidelijk van Ieper, stijgen de spanningen. De hugenoten hebben het meer en meer voor het zeggen gekregen aan het Franse hof. Het huwelijk van de notoire hugenoot Hendrik van Bourbon met de zuster van de koning botst op veel ergernis en onbegrip van de katholieken in Spanje en Italië.

Terwijl Alva het aan de stok krijgt met de watergeuzen in het noorden, werken zijn tegenstanders in het zuiden naarstig aan de opbouw van een leger met de bedoeling om zich meester te maken van het zuiden van de Nederlanden en Henegouwen. Het leger zal geleid worden door een zekere Coligny. Hier in Ieper krijgen we het nieuws dat er twintig vendels soldaten zullen geleid worden door mijnheer De Beulnoys en nog eens tien door de heer De Rens. De schrik zit er diep in dat we binnenkort met een onvervalste oorlog te maken zullen krijgen.

De 3de mei houden de Spanjaarden een generale wapenschouwing. De manschappen van alle acht de vendels worden om twee uur in de nacht uit hun bedden getrommeld om zich te gaan presenteren. Om zes uur gaan de stadspoorten dicht en marcheren de Spanjaarden onder leiding van hun kapiteins naar de minderbroeders waar ze zich in ‘geef acht’ opstellen. Terwijl de stadspoorten eventjes opnieuw worden opengezet duurt de schouwing zowat de hele dag. Achteraf blijkt alles te maken met de grote problemen welke Alva in Zeeland aan het ondervinden is. Het zou best wel eens kunnen zijn dat onze lieve vrienden daar naartoe moeten.

Het aangekondigd geld voor de Spanjaarden arriveert eindelijk. We zijn 5 mei. De soldij wordt geleverd door een peloton van zestig soldaten. Het geld zit opgeslagen in acht tonnen. De volgende dag is het nu zeker: de Spanjaarden gaan vertrekken uit Ieper. Op 7 mei voeren de mannen al vanaf vier uur in de morgen hun wagens en karren voor de weide bij de minderbroeders of op het plein voor de kerk van Sint-Maartens. Het opladen van hun materieel kan beginnen.

In de late namiddag wordt omgeroepen dat de soldaten die hun schulden nog niet hebben betaald aan hun gastheren dat nu dringend moeten doen. Dat geldt ook voor de Ieperlingen die nog schulden hebben bij de Spanjaarden. De hele namiddag is het een komen en gaan bij de auditeur in de lakenhalle om alle zaken te regelen. Vaak grote discussies. Spanjaarden en Vlamingen vinden wel altijd hun redenen om niet te betalen. Zo duurt het nog tot de 8ste mei om de soldaten echt weg te krijgen uit onze stad. Het geluid van hun trommels weerklinkt vreemd genoeg als muziek in onze oren. De soldaten nemen afscheid van hun gastgezinnen. Geld wordt er nu niet meer betaald, de poorters zouden hun geld binnen de twee dagen toch maar verzuipen.

Rond 9 uur staat de markt vol. Wel tweehonderd wagens, het blijft een indrukwekkend zicht. De zon klimt in de hemel en kondigt een stralende lentedag aan. Die wordt beslist nog mooier nu we met zijn allen de hele bende zien buitentrekken. Dat gebeurt via de Torhoutpoort. De Spanjaarden gaan op weg naar ’s Hertogenbosch om bij te springen in Zeeland waar het blijkbaar toch wel serieus hommeles is. Helemaal gerust zien ze er toch niet uit.

God zij dank. Ze zijn weg. Vertrokken. Salido. Al die vreemde snuiters die ons de hele winter lang zo veel overlast hebben bezorgd. Merci God. Wat heeft dat niet allemaal gekost voor ons allemaal. Wat hebben de burgers geleden onder de Spaanse bezetting. De poorters hebben hun verstand gebruikt en de soldaten ontzien. De relatie tussen de Ieperlingen en de Spanjaarden is gelukkig nooit ontaard in moorden op één van hen. Er is wel fysiek geweld geweest. Slagen en verwondingen. Zolang de mensen hen gaven wat ze begeerden hielden de Spanjaarden zich min of meer gedeisd. Gelukkig is die smerige periode nu achter de rug.

Op sinksenavond, 23 mei 1572 wordt een plakkaat uitgeroepen dat die van Vlissingen en van den Briel uitgeroepen zijn tot vijanden van onze majesteit Filips. Er volgt meteen een streng verbod om nog enige contact aan te houden met de mensen van daar. Geen handel natuurlijk en wie dat riskeert dreigt bestraft te worden. De gebruikelijke term ‘op lijf en goed’ is opnieuw van de partij. En net op deze sinksenavond vallen de Fransen Bergues en Valenciennes binnen. Hier bij ons wordt er gepreveld dat de Fransen nu aan de zijde staan van Lodewijk van Nassau. Ook Vlaanderen krijgt van langs om meer te maken met de Hollanders. Vorige week konden de Gentenaars al kennismaken met de opstandelingen van Vlissingen die er het Sas van Gent in brand hebben gestoken en verschillende bruggen hebben vernield. Tussen Gent en Vlissingen is er naast water nu ook vuur.

Nu de Spanjaarden vertrokken zijn zullen de burgers weer eigenhandig moeten zorgen voor de bewaking van hun eigen stadspoorten. Op 28 mei komt het bevel daartoe van de burgemeester. De helft van de stadspoorten moet dicht en de rest dient door de poorters zelf bewaakt te worden. Er dient ook bekeken te worden in hoeverre de burgers nog in het bezit zijn van hun geweren. De vrees dat de Westhoek wel eens zou kunnen aangevallen worden door de Fransen zorgt in de hele streek voor grote beroering.

Alva heeft het verkorven bij koning Filips II. Op de 11de of de 12de juni arriveert zijn opvolger. De hertog van Medina-Celi lijkt me een rustiger type. Maar in Nederland zijn ze fijn gerust in de komst van een nieuwe katholieke kwezel. Die van Vlissingen worden van zijn komst op de hoogte gebracht en gaan meteen over op de aanval. De Spaanse schepen krijgen het hard te verduren. Medina-Celi moet noodgedwongen voet aan de grond zetten in Sluis. Drie Spaanse schepen worden er in de haven daar in brand gestoken. Aan boord bevinden zich nogal wat ballingen en gevangenen die ofwel verdrinken ofwel gevangen genomen worden. De wreedheid van die van Vlissingen zorgt voor een bloedbad onder de Spaanse bemanningen. Velen worden gevangen genomen en opgeknoopt.

Gruwelijke en beestachtige taferelen die door de hertog met grote droefheid gadegeslagen worden vanuit zijn kasteel in Sluis. Na drie dagen reist Medina-Celi door naar Brugge. Hij is in het gezelschap van zijn zoon. Vandaar gaat het naar Gent en naar Brussel. Zijn entourage is best magertjes te noemen. Vijftienhonderd van zijn mannen blijven achter op hun oorlogsschepen. In het geharrewar zijn heel wat met wol gevulde schepen verloren gegaan. De balen wol die een stukje welvaart naar de Nederlanden moesten brengen gaan verloren in het Noordzeewater. Zeker vijftig schepen zijn in de golven vergaan.

Op 27 juni worden de beschikbare mannen in de Westhoek gemobiliseerd om zich te gaan aanmelden in de omgeving van Bergues. Men zal de stad in de tang nemen in opdracht van Frederik, de zoon van de hertog van Alva. Een dag of tien geleden is bij ons het nieuws verspreid dat Simon Uyttenhove opgepakt werd in Middelburg. Deze Uyttenhove was de fameuze Ieperse kapitein die in de jaren zestig zoveel terechtstellingen van geuzen op zijn conto heeft geplaatst. Naast hem is ook een zeker Mathijs Huyghe opgepakt. De geuzen zitten zowat overal in het noorden van Vlaanderen. Ze houden het doen en laten van de Brugse hoogbaljuw Ougyn in de gaten. Samen met die van Frennis, de bisschop van Doornik.

Beiden zouden op bezoek komen naar het kasteel van Middelburg. Omdat die plannen niet doorgaan zoals gepland focussen de geuzen zich dan maar op Uyttenhove en Huyghe die logeren in herberg ‘De Zwaan’ te Middelburg. Vroeg in de morgen stormen ze er binnen en komt het tot zwaar geweld in de kamer van Simon Uyttenhove. De kapitein verweert zich hevig, schiet in het rond waarbij er zeker één van de aanvallers neergelegd wordt. De geuzen besluiten dan maar de herberg in brand te steken. Uiteindelijk worden Uyttenhove en Huyghe bij de lurven gevat. Ze worden allebei vastgebonden en achter hun eigen paarden naar Vlissingen gesleept.

Vlaanderen staat ondertussen in rep en roer. Hertog Medina-Celi is met verscheidene Artesische vendels onderweg om Bergues aan te vallen. In Henegouwen krioelt het van de Spanjaarden en de Duitsers. In Antwerpen zorgt de dramatische terugval van handel en nijverheid er voor een uitbarsting van geweld. In het begin van juli krijgt de noordkant van Vlaanderen het ongewenst bezoek van drie à vierduizend calvinistische soldaten. Een mengeling van Fransen en Engelsen die de bevolking schrik aanjagen. Daarover zal ik jullie later meer vertellen. Want hier eindigt mijn eerste boek; ‘De tijd die lijdt’, van al deze geschiedenissen, beschreven door Augustijn van Hernighem.