De abdij van de Nonnebossen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     647 Views     Leave your thoughts  

Wie waren die kloosterzusters? Hoe leefden zij?

Sla af naar de Kortrijkstraat en beeld u in dat de zuidkant van deze straat tot aan de Stropershoek, bestond uit onoverzichtelijke bossen die de helft van het huidige Zonnebeke innamen.

Te midden deze bossen kwamen er zich in 1101 Zusters Benediktinessen vestigen rond het Nonnebospachtgoed. I De Benediktinessen waren slotzusters van de strenge observantie. De Orde werd door de heilige Benedictus en zijn zuster Scholastica gesticht in de jaren 600 • Er bestonden toen al kloosters in Spanje, Frankrijk en België en ze telden reeds enkele hieligen onder hun leden o.a. Lioba, Thecla, Walburga en Hildegardis.

In de middeleeuwen verliepen de stichtingen; de verslappingen en hervormingen aan hetzelfde ritme als in de mannen kloosters.

De Reformatie in 1500 luidde de ondergang in, ondanks het feit dat slechts zeer weinig nonnen ontrouw werden. De Franse Revolutie in 1700 voltooide de afbraak der nog bestaande kloosters. De overlevende Benedictinessen hervormden hun kloosters die bestonden uit ‘slotzusters’ en ‘conversen’, die totaal afgezonderd van de wereld leefden. Zo ook in Zonnebeke.

Over de activiteit van het Nonnebosklooster is weinig of niets bekend gebleven, behalve dat hun kerk was toegewijd aan de heilige Veerle. Van dezelfde Orde bestaan heden nog de volgende kloosters: te Brugge, te Gistel, te Geraardsbergen, te Hunnigem, te Hekelgem, te Luik, te Leuven, te Menen en te Ermeton.

De zusters doen hun eeuwige geloften, wijden zich aan koorgebed en eigen arbeid van welke aard ook. Dit laatste moet hen in de mogelijkheid stellen eigen inkomsten te verwerven om in hun levensonderhoud te voorzien.

Zij leefden in de lijn van het kluizenaarsleven, maar op aristocratische leest. Tot die categorie behoorden ook de religieuzen van Zonnebeke die ‘Grandes Dames’ werden genoemd, in andere woorden: de aristocraten van het godsdienstig leven. Toch was hun leven beschouwend (contemplatief) en boetvaardig.

De slotafzondering gold voor heel het leven. Hun kleed was zwart en is tot op heden nog niet veranderd. Naar de overlevering moet het klooster een stevig vierkant gebouw geweest zijn dat uitrees boven de ongeveer 400 hektaren bossen en landerijen, en uitkeek over een kleine vallei waardoor een bekend bosbeekje vloeide. Als je toendertijde al over de kasseienlaan aan de grote massieve poort kwam en je trok aan de bronzen bel dan kwam je de hal binnen tot aan een zware deur met ijzeren slot en grendel en een paneel dat kon weggeschoven worden, zodat een traliewerk zichtbaar werd.

Daar mocht niemand door tenzij de dokter of de bisschop. Langs de binnenkant van de tralies zat de zuster die bezoek kreeg in een zwarte sluier gehuld, zelfs als haar ouders kwamen. Ze was steeds in gezelschap van een andere zuster die de gesprekken en de gebaren afluisterde en gadesloeg! Bij hun intrede werden de apirant-kloosterzusters verzocht een ereverklaring af te leggen betreffende hun maagdelijkheid, erfelijke ziektes, en vooral over gevallen van krankzinnigheid die eventueel in de familie voorgekomen waren.

Vervolgens diende de ‘bruidsschat’ besproken, die de financiële sterkte van het klooster moest waarborgen, en heel dikwijls landerijen en hofsteden inhield, zodat er uiteraard naar postulanten-dames werd uitgekeken, eerder dan naar arme, oprechte roepingen.

Deze laatsten, indien ze al werden aangenomen mochten niet aan het koorgebed deelnemen, niet in dezelfde refter eten, niet in dezelfde slaapzaal slapen, maar werden onderworpen als kinderen om de grove arbeid uit te voeren, en zeg maar; om de zuster-dames te dienen.

‘Kinder-Kirche-Küche’ (zijn als kinderen – bidden – en in de keuken blijven) hoor de men vaak in Duitse nonnenkloosters. Deze psychologische macht om de vrouwen eronder te houden werd niet alleen uitgeoefend door de abdis maar ook door de Kerk zelf. De kloosterzusters, zowel dames als conversen moesten overheerst worden op intellectueel, geestelijk, religieus en financieel gebied op grond van een eeuwenoude kanonieke wet, opgemaakt , geschreven en opgelegd door mannen.

Eeuwenlang hebben vrouwelijke kloosters onder de overheersing van bisschoppen en priesters geleden. Ze moesten steeds wachten op gunsten in plaats van rechten, regels in plaats van vrijheid, en meer dogma dan ruimte om zelf te denken, en dit uit vrees dat ze hun geloof zouden herleiden tot sentiment, devotie tot emotie, de liefde tot God tot zoetigheid, enz…

De macht van de abdis was despotisch Ze regeerde over haar land! Droeg de abdis van Zonnebeke trouwens niet de titel van ‘Abdis en Gravin van de Nonnebossen’? Ze hield haar eigen hof met gunstelingen, uitgekozen volgens de maatstaven van adeltitel, financiële sterkte, of bekwaamheid.

Zij besliste over straf en boete» Ze woonde zelf in het klooster niet, maar in een afzonderlijk abtsgebouw, een klein paleis op zichzelf! De abdissen werden ook zoals de abten benoemd om redenen die vaak fel afweken van de religiositeit.

Het Concilie van Trente maakte ‘gelukkig’ aan die macht een einde, en deze machtsbeperking bleef in voege tot aan het Vaticaans Concilie II.

Over het eigenlijk dageljks leven van de nonnen van Zonnebeke is zeer weinig bekend, zodat naar waarheid mag verondersteld worden dat hun leven was zoals dat van alle slotzusters uit die tijd. Uit documenten is het mogelijk een dagindeling vast te stellen :

– Om 2 uur ’s nachts luidt de klok het opstaan.

– Om 2u30: zingen der Metten in de kerk, gevolgd door persoonlijk gebed en meditatie

– Om 3 uur: zingen der Lauden, vervolgens korte rust.

– Om 5u30: zingen der Priem, vervolgens morgendeten en bereiding van de dagtaak + korte rust.

– Om 9u45: zingen der Terts, hoogmis, vervolgens arbeid.

– Om 15 uur: zingen der Nonen, vervolgens arbeid.

– Om 17 uur: tweede eetmaal van de dag.

– Om 17u30: stille recreatie

– Om 18u30: – zingen der Vespers en Completen, vervolgens geestelijke lezing, of persoonlijke bezigheid.

– Om 20 uur: rust.

Zij huisden in cellen waarvan de inventaris bestond uit een ellendig kapstokje waaraan een ‘dicipline’ hing (een gebedskoord met knopen dat werd gebruikt voor zelftuchtiging), een vierkant tafeltje met zitbankje en een hangkastje.

De zwijgplicht was totaal, ternzij om mekaar iets duidelijk te maken, gebruikte toegelaten men een gebarentaal. Tijdens het uur recreatie werd de zwijgplicht wel opgeheven.

De refter bestond uit drie lange houten tafels met eveneens houten krukjes. Het eetgerei was in hout door de conversen zelf gemaakt. Vanop een katheder las een non de anderen voor uit heiliglevens, geestelijke werken en de Regel. De maaltijden waren sober,’mager kooksel’ vermelden de documenten, en in roodkoperen potten opgediend. De vaat werd met opgerolde mouwen en jute schortjes gedaan door de werkzusters.

Alle zusters sliepen in een zelfde grote zaal voor wat de ‘dames’ betrof en in een andere voor de conversen (werkzusters). De zalen waren onderverdeeld in alkoven afgesloten door grote linnen lappen. In ieder alkoof stond een houten bak met daarop een doorstikte strozak, een hoofdkussen van gekapt stro, alles overdekt met een ruwe deken’en een grove sprei. Daarnaast stond een nachtkastje.

Eens in het klooster getreden, mochten de zusters onder geen enkel voorwendsel er weer uit. De arbeid der zuster-dames bestond uit kantwerk, copijwerk, naai- en herstellingswerk; maken van misgewaden of het onderhouden van de sacristij.

Hoofddoel van de arbeid was het klooster te helpen aan inkomsten, hoe rijk het ook was. Daartoe hielp ook in grote mate de kloosterhoeve. Voor wat het zichtbare betrof, verliep het leven der zusters binnen de kloostermuren, maar wat het eigenlijke betrof verliep dat in het hart volgens uitstippeling van Gods wil.

De kloosterzusters die overleden, werden begraven op het kloosterkerkhof bezijden het koorgebouw gelegen. De abdissen werden begraven in de kerk of pand.

De abdij der Nonnebossen hield op te bestaan in 1580 toen ze in brand werd gestoken door de Calvinisten. De puinen werden opgeruimd in 1605. Al haar bezittingen werden later door Napoleon verbeurd verklaard en verkocht. Alleen de hoeve; het Nonnebospachtgoed, werd op de zelfde plaats herbouwd.

Zo was de Nonnebosabdij van Zonnebeke, volgens de weinige beschikbare bronnen, zo werd ze verondersteld gezien: een deel van Zonnebeke’s heerlijk verleden. Ik heb niets beter gevonden om deze kleine bijdrage te sluiten dan een zinspeling te doen op een gelegenheidsgedicht van een onbekend Zonnebekenaar dat luidde als volgt:

”Eens daagt de dag dat men horen zal,

van Voeren tot aan de Duinen,

dat d’ Abdij herrijzen kan

manmoedig uit haar puinen.’

.

.

Geschreven door Jos. Pil

Uit ‘Zonneheem’ van 1981

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>