De bakkers van de oude tijd

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     391 Views     Leave your thoughts  

‘Den ouden tijd’, hoor ik misschien hier of daar, ‘den ouden tijd’ wat schilt ons die oude tijd!’

Ah ! ik weet het wel, men drijft dikwijls den spot met den ‘ouden tijd’ en men trekt de schouderen op van medelijden en minachting voor de menschen die hem beleefden en de werken die zij verrichtten. en toch ! ’t en ging er zoo slecht niet!…

Eertijds en nu zijn twee verschillige woorden die veel beteekenissen hebben; zij zijn geheele dagen op onze lippen ; ’t is altijd van eertijds en en nu dat wij spreken, — en zeg eens, indien het eertijds zoo slecht was, zouden wij altijd, als ’t nu niet wel gaat, dat onveranderde en onveranderlijke woord in onzen mond hebben : ’t en was eertijds alzoo niet?»

Ah! Eertijds de wereld was anders gebouwd Bier was met graan en met hoppe gebrouwd. Zout was ook zout en de peper die beet De Vlaming en was in geen Franschman gekleed En… het brood was met graan gebakken !… En nu ? ja nu! Vraag het maar, wie weet er altijd waarmede zij het nu doen? Toch, het is aan iedereen genoeg bekend dat het graan waar- van ons brood gebakken wordt, niet altijd van onze Vlaamsche landbouwers komt. Niet dat ik hier van de bakkers kwaad wille spreken, verre van daar; er zijn nog veel goede en treffelijke bakkers in Vlaanderen, maar ziet gij wel, er zijn ongelukkig genoeg — anderen ook.

Gelukkig zijn DIE bakkers, dat zij in den «ouden tijd» niet leefden! Want onze voorouders wilden goed en deugdelijk brood eten; uit zuiver graan gebakken en zij wisten ’t aan boord te leggen om de bakkers op de rechte schreve te houden. En hoe deden zij dat? Wilt gij het weten, kom mede met mij. Ik zal u op het stadhuis van Thielt leiden, en met u een oud perkament lezen om hunne manier van handelen uit te leggen. De ambtenaars van ’t stadhuis zullen ons welwillend de toelating geven en met ons mede gaan naar de archivenkamer.

Het stuk, zoo gij ziet, draagt vooreerst geen jaargetal, maar het is onderteekend door J. Crayembrouc, die greffier «vander stede van Thielt» was op het einde van de jaren 1400; ‘k zou u nog veel andere perkamenten kunnen toonen om het te bewijzen. Eerst het opschrift gelezen, om te weten wat het inhoudt: ‘Dit naervolghende es de ordonnancie ende reghele gheordonneert ende gekuert by heeren ende wet van deser stede, daertoe gheroupen de Raden, notable ende de ghemeene insetene vander zelver stede ende dat upt fait vanden broode te backene alhier binnen deser stede, ende dat uuter ordonnancien daerup gheordonneert by proosten ende scepenen van Curtrycke, daer de stede van Thielt onder resorteert. Gij ziet het, wij zijn er boven op : ’t is een stuk dat de thieltsche bakkers van dien tijd aangaat, en gij zult zien of er treffelijke bakkers te Thielt moesten zijn op het einde van de jaren 1400.

In die merkweerdige en eerbiedweerdige vergadering van ‘heeren ende wet, raden, notable ende ghemeene insetene vander stede’ wierden er eerst en vooral «broodweghers» aangesteld, die de bakkers en hun gebak moesten gadeslaan en onderzoeken. Natuurlijk, dat lastig en dikwijls onaangenaam werk moesten ze voor nieten niet doen: dat verstonden de heeren van de wet en «de insetene» van Thielt ook, en er wierd daarover «gheordonneert ende ghekuert» als volgt: «Eerst zo zullen de broodweghers binnen deser stede hebben van elcken backere, woonachtich binnen deser stede, vyf notalen, te weten te Paeschen, telcken jaermaercten ende telcken vastenavonde, telcken reyse iiii sc. p.»

Vier schellingen parisis en is juist niet wonders veel, maar belet eens wanneer ze moeten betaald worden: als ’t feest en viering en kermis is te Thielt : «te Paeschen, telcken jaermaercten ende telcken Vastenavonde:» — het drinkgeld moest dan zeker wonderwel te pas komen. Maar is het met recht en reden dat ieder bakker gelijk moet betalen? Er is bij voorbeeld daar een arm bakkerke, dat ter nauwernood alle weken een twintig broodjes in zijnen oven mag schieten om dat het de overige niet kwijt en geraakt, en nevens hem woont er een bakker die ’t al verkoopt en brood levert aan de helft van de stad!..

Wacht maar, de heeren van de wet hebben daarop gepeisd, en die meest bakt, zal meest betalen: «Item boven dien, van elcken backere alhier binnen deser stede, van elcken mude meels dat zy verbacken zullen, ii sc. p.» En wat moeten de broodwegers doen om hunne schellingen te winnen? In een woord, zoo ik zei, de bakkers en hun gebak gadeslaan en onderzoeken en alles op order schikken voor wat de broodbakkerij aangaat; onder andere: « . .Alle maerctdaghen den prys vanden coorne ende taerwe ter maert te halene ende den backers van deser stede ofte van buyten commende, daerup rechtveerdelic loodt ende ghewichte te ghevene, omme die toecommende weke tbroot up zynen prys ende ghewichte te backene.» En ’t meeste waarop ze letten moeten is dat de bakkers «hun broot licht mackene ende wel backene, zonder eenighe frauduleuscheyt,» en bij aldien de broodweger zelve bakker is, hij zal «in dese ordonnancien negheen voordeel hebben voor ander backers, met ghewichte ofte andersins, up de verbuerte vande broode de aermen te deelne ende up de boete van vyf ponden parisis. »

Hierin vindt men, zoo gij ziet, eenen trek van de oude goede Vlamingen: van boeten en straffen zal de rijkskas wel iets trekken, maar alles niet : de armen zijn daar, en die aan ’t hoofd staat van bestier en regeering weet, dat hij, zoowel en beter nog voor de armen moet zorgen als voor den rijke en welhebbende burgers : ’t brood zal verbeurd zijn, maar niet ten profijte van den staat: aan de armen uitgedeeld dat is beter en vooral christelijker. De bakkers weten ook wat zij doen moeten, en, vervullen zij hunne plichten niet, de broodwegers zijn daar en de schepenen om ze hunne les te spellen en er goede bakkers van te maken.

Het eerste en ’t noodigste dat de bakker doen moet is « zyn broot licht te mackene ende wel te backene,zonder eenighe frauduleuscheyt ofte on- duechdelicke zwaerheyt daerin te maekene upde verbeurte vanden broode als qualic ghebacken den aermen te deelne, de backere inde boete van x s. p. » Hier ligt de knoop. De «chimie» en was zeker in de jaren 1400 nog niet verre gespeeld, maar men zou toch zeggen dat er, te dien tijde, bakkers waren te Thielt die er iets van kenden : mij dunkt dat de «heeren» van de thieltsche wet «ende andere insetene» daar anders geen verbod zouden op leggen; maar zoo gij ziet, zij maken met al die vooruitloopers van hunnen tijd kort spel: het brood verbeurd en den armen gedeeld en tien schellingen boete «par dessus le marche.»

Och ! en of ze wederkwamen! Zingt de dichter; niet dat ik aan den bakker, die mijn evennaasten is, kwaad wil, verre van daar; ik geloof nogtans dat, moesten de Thieltsche wetheeren van de jaren 1400 wederkeeren, veel bakkers niet lachen zouden, en dat wij, beter en «duechdelicker» brood zouden eten De bakkers weten daarbij nog wanneer zij tarwenbrood en witte brood mogen bakken. « Item, als coorne ghelt boven de xl grooten de rassiere, dan mogten de backers backen wit ende taerwenbroot te vij mijten stic, ende niet eer, upde boete van vyf ponden parisis.

Dat besluit moet ongetwijfeld zijnen uitleg vinden in de omstandigheden van den tijd waerop de onderhavige keure gemaakt wierd, het stuk, zoo ik in’t begin zei, draagt ongelukkiglijk geen jaargetal,en den juisten uitleg geven daarover, kan ik niet. Voor ieder «mude meels» moet de bakker zoo gezeid wierd aan de broodwegers 2 schellingen parisis junnen; maar hoe kan de broodweger weten hoeveel meel de bakker verbakken heeft op eene weke?

Hier zullen de wetheeren nogmaals weg mede weten en steunen op voorvaderlijke godsdienstigheid en eerbied voor den eed. Eens te weke moeten de bakkers aan de broodwegers verklaren «Up haerlieder eedt, hoe vele meel zy verbacken hebben ten eynde dat zy de voornoemde broodweghers danof salareren zo boven verclaarst es, ende zo wat backere danof in ghebreke bevonden wert, zal telcker reyse verbueren x. sch. p.» .

Bij iederen bakker moet de prijs van’t brood bovendien gelijk zijn, en zoo en zal de eene aan den anderen de broodwinning niet afnemen , die prijs zal iedere week door de broodwegers ‘echtveerdelic’ bekend gemaakt worden, volgens den prijs van koorn en tarwe, en is er een die den prijs van de broodwegers niet volgt «in dat geval t’broot verboert ende aermen ghedeelt ende backere inde boete van drie ponden parisis.»

Is zijn brood te klein, dan gaat het nog slechter ‘Item zoo wat broode te cleene bevonden zal wesen van drie ofte vier pointuren , updat men danof bevindt drie ofte vier brooden in elcke scoete, tzelve broot verbuert ende den aermen ghedeelt, de backere in de boete van x. sch. p.’

Maar omdat het brood met den tijd lichter wordt, «Zo wanneer een broot drie daghen oudt es, zo en zal men dat niet weghen, updat de backer dat up zynen eedt verclaerst;» en, om alle bedrog onmogelijk te maken, «elck backere moet hebben diversche teekenen ende updat men bevindt eenich brootgebacken zonder backers teekene, tbroot verbeurt ende den aermen ghedeelt, ende van elcken broode ongheteekent de boete van x. sch. p. »

Nu nog zijn er bakkers die een bijzonder teeken op hun brood slaan ; zou dat gebruik van geen dergelijk gebod komen? «Item dat de voornoemde brootweghers nyement en vermoghen in boeten te slaene, zy en zyn ten minste zy twee, upde boete van vyf ponden parisis.» Dat is om veel moeielijkheden te ontgaan, zoo men ziet ; en opdat het brood overal aan den zelfden prijs verkocht en ’t volk in den tijd van nood niet uitgestropt zoo worden, doen er de wijze wetheeren het volgende nog bij : «Item dat nyement broodt en coope omme hooghere te vercoopene dan de backers, upde boete van iij p. P.»

Verders moeten de broodwegers ongetwijfeld vaste regels hebben om den prijs van ’t brood te schikken naar de dierte van ’t graan en dat staat insgelijks in den charter, dien wij onder handen hebben te lezen. Geheel den «tarif» uiteendoen zou den goedwilligen lezer die mij tot op het stadhuis van Thielt vergezeld heeft toch vervelen, en geen wonder ook! maar de grondregel dien zij te volgen hadden was de volgende: hoe goedkooper het graan en ’t koorn wierd, hoe zwaarder het brood moest wezen. «Ende alsoo voort van trappe te trappe te hooghene ofte neerne, naer dat licht ofte diere, ende es gheconsenteert elcken wie het zy, broot alhier te coope te brenghene, taerwenbroot van ii gr. van xii ende van vi deniers parisis tstic onghebult, ende ooc rogghenbroot elck in zyn ghewichte zo voren ghezegt es, ende voort ghebetert (zoo’t) behoort naer costume.»

J . Crayembrouc in ‘Rond den Heerd’ van 1878

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>