De Brugse Metten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     4232 Views     Leave your thoughts  

1300: geen tegenstand voor de Fransen
De Fransen trekken zich niets aan van de situatie in en rond Ieper. Ze trekken zonder noemenswaardige weerstand door Vlaanderen. Ieper kan pas op het nippertje ontzet worden. Er wordt nog wel gevochten bij Poperinge, Hazebroek en Maldegem, maar telkens delven de Vlamingen het onderspit tegen het te sterke Franse leger. Het einde is nakend als Damme op 30 april 1300 in Franse handen valt en Willem van Dendermonde, tweede zoon van Gwijde, gevangen genomen wordt. Charles de Valois, die de Franse troepen aanvoert, laat Willem vrij op voorwaarde dat hij aan Gwijde en Robrecht de Franse eisen voor een stopzetting van de vijandelijkheden overbrengt.

Gwijde en Robrecht moeten zich overgeven maar de Vlaamse steden zullen hun rechten en vrijheden behouden. Over de goederen van de Liebaards zal de koning later beslissen en de gevluchte Leliaards zullen hun functies, goederen en eigendommen terug krijgen. Er rest de Dampierres weinig keuze. Ze gaan akkoord. De oorlog is verloren en Vlaanderen is veroverd. Vlaanderen moet zich noodgedwongen onderwerpen aan de grillen van het Franse hof.

De voorbije jaren hebben diepe wonden geslagen in de Westhoek. Van Ieper tot Rijsel. Van Poperinge tot Veurne. De Leliaards pikken ongegeneerd en met de steun van de Franse koning het landgoed in van de Klauwaards. Het zal nog veel jaren duren vooraleer de situatie enigszins zal kunnen worden hersteld. En dat allemaal ter ere en glorie van één persoon: sinds Karel de Grote is er nu weer sprake van één echte grote heerser over West-Europa. Het is onze Filips de Schone!

Vlaanderen, een drijvend wrak
Vlaanderen, eens door een gunstig gesternte geleid
nu door stormen onttakeld, een drijvend wrak.
Vlaanderen, dat ooit in weelde praalde
thans neergeveld in slijk en asse treurt.
Vlaanderen, dat altijd heersen mocht en nu op een slaaf
in lompen lijkt. Hoe diep ben jij gevallen.
En toch, de hoop bestaat dat jij ooit zult opstaan
en troost zult vinden. Dat ieder van ons zegge: het weze zo!
Frankrijk juicht! Maar ‘t einde kan verkeren.
Het lot verandert snel….

Gwijde wordt gevangen gezet in Compiègne
Gwijde en zijn twee oudste zonen, Robrecht en Willem, met bij zich nog een vijftigtal trouwe ridders, gooien de handdoek in de ring en reizen naar Parijs. Ze onderwerpen zich aan Filips de Schone. Het gezelschap wordt bij aankomst aangehouden en gevangen gezet. Zullen Gwijde en Robrecht ooit nog vrijkomen? Gwijde vliegt in de gevangenis van Compiègne. Robrecht en zijn dichtste aanhang worden gevangen gezet in Chinon (Indre-et-Loire).

Ze worden hoffelijk bewaakt door negen bewakers en krijgen vier personeelsleden die zich moeten schikken naar de wensen van ‘Monseigneur Robert’. De rest van de Vlaamse ridders wordt her en der gevangen gezet in Frankrijk. Vlaanderen reageert ontzet op de gevangenneming van Gwijde en zijn twee zonen. Waarom hebben ze zich zo vrijwillig overgegeven? Waarom zijn enkele zonen van Gwijde naar Namen gevlucht? Hadden ze niet beter de strijd tegen de Fransen verder gezet?

Het volk voelt zich verlaten, in de steek gelaten door hun leiders. De Franse bezetting is daarenboven een verschrikkelijke ervaring. De boeren, ambachtslieden en arbeiders snakken naar vrijheid. De intelligente en berekende Filips de Schone beseft als geen ander dat er een totale anarchie dreigt in Vlaanderen als er niet snel een bestuurder komt die stabiliteit en orde brengt.

Jacques de Châtillon wordt gouverneur in 1300
Iedereen verwacht dat er een nieuwe graaf zal worden aangesteld maar op 18 mei 1300 stelt Filips de Schone een gouverneur aan die in zijn naam Vlaanderen moet besturen. Vlaanderen wordt met andere woorden aan Frankrijk toegevoegd. Het graafschap bestaat niet meer. De nieuwe gouverneur, de luitenant van de koning, heet Jacques de Saint-Pol, bij ons beter bekend als Jacques de Châtillon. Hij is een neef van de Franse koningin Johanna van Navarra.

De kersverse gouverneur treft een regio aan die in diepe crisis is gedompeld. Het platteland rond Ieper, Douai, Brugge, Gent en Rijsel liggen op apegaten. De mensen hebben honger. De wonden worden gelikt. Het zal veel inspanningen vergen om handel en nijverheid in het geteisterde Vlaanderen weer op de been te brengen. De Vlaamse steden worden nu, tot overmaat van ramp, aangepakt in functie van hun verzet tijdens de oorlogsjaren.

De inwoners van Damme krijgen hun vrijheden terug mits de jaarlijkse betaling van 5.000 pond. Gent met zijn aanhang van Leliaards wordt mild behandeld. Het vroegere stadsbestuur wordt opnieuw aangesteld en er komt een nieuwe keure. Ieper, de stad die zich pas op het bittere einde heeft overgegeven, krijgt het hard te verduren. Alle vrijheden staan ter discussie. Op tafel ligt een astronomische boete van 120.000 pond met in surplus een jaarlijkse belasting van 3.000 pond. Allemaal te betalen door de aanhangers van de graaf.

Over heel Vlaanderen worden bezittingen en eigendommen van gewezen aanhangers van de graaf aangeslagen en geschonken aan vertrouwelingen van het Franse hof. In alle steden worden de grafelijke baljuws vervangen door vertrouwelingen van Filips de Schone. In Brugge, Kortrijk en Rijsel worden nieuwe kastelen gebouwd die zullen dienen voor de Franse garnizoenen in oorlogstijd. Het is een gouden tijd voor de Franse koning die volop de rijpe Vlaamse vruchten kan plukken.

De Leliaards komen terug naar Vlaanderen
Jacques de Châtillon vestigt zich in Brugge van waaruit hij de totale onderwerping van de Vlamingen moet realiseren. De voorrechten van de steden blijven aanvankelijk overeind, maar dat duurt niet lang. Aanvankelijk toont hij zich inschikkelijk, maar al snel verandert die neutrale houding tegenover de Klauwaards. De Leliaards reageren enthousiast en velen keren naar Vlaanderen terug waar ze op gewelddadige en brutale manier weerwraak bieden voor wat ze beschouwen het onrecht hen aangedaan door Gwijde.

Moord en doodslag heersen over het hele Vlaamse platteland. De vernederde Vlamingen moeten de emmer tot op de bodem ledigen. In mei 1301 tergt de Franse koning de lokale bevolking met zijn blijde intrede. Filips de Schone en Johanna van Navarra, vergezeld van een koninklijk gevolg van 200 personen, komen in stoet naar Douai, Rijsel, Doornik, Kortrijk en Oudenaarde waarna ze zich op 22 mei aanbieden in Gent. Vooral de komst van Johanna, al van kindsbeen fervent Vlamingenhaatster, belooft niet veel goeds.

De Gentenaars ontvangen de vorsten met alle egards in de hoop dat ze de vroegere voorrechten die hen afgenomen werden door Margaretha van Constantinopel kunnen terugkrijgen. Er wordt een groot en duur feest (kostprijs 27.000 Parijse ponden) georganiseerd dat vijf dagen zal duren. Het volk juicht de Franse vorsten toe. Bij zijn vertrek laat de koning weten dat het gehate opgeld, een belasting op drank en voeding, wordt afgeschaft.

De Gentenaars zijn tevreden. Het stadsbestuur van zijn kant blijft achter met een financiële kater want met de afschaffing van het opgeld heeft Filips niet in eigen vel gesneden maar in dat van het stadsbestuur! Op 27 mei is Brugge aan de beurt voor een blijde intrede van Filips en Johanna. Het Brugse stadsbestuur is het onrecht dat Gwijde hen in 1279 heeft aangedaan niet vergeten. De ambtenaren hebben zich in schitterende kledij gestoken om de Franse vorsten te ontvangen. Hun eigen kledij is zowaar mooier dan die van de vorsten zelf. En dat steekt…

Filips de Schone bezoekt Ieper op 13 juni 1301
In tegenstelling tot wat gebeurd is in Gent wil het Brugse stadsbestuur niet weten van een afschaffing van het opgeld, dat in Brugge ‘assise’ wordt genoemd. Het verbiedt aan de Brugse inwoners, op straffe van de doodstraf, om de afschaffing van het opgeld te vragen. Waar de Gentenaars de vorsten enthousiast onthaalden bij hun intrede, zijn ze dit in Brugge allerminst. Zwijgend en mokkend staan ze langs de weg de stoet aan te staren.

En dat is niet naar de zin van de koning die het bevel geeft om Brugge onmiddellijk te verlaten. De Bruggelingen hebben zijn goed humeur grondig verbrod. Via Wijnendale arriveert het koninklijk gevolg op 13 juni 1301 in Ieper, de laatste stad op hun programma. Ook hier heeft het Ieperse stadsbestuur er alles aan gedaan om hun vorsten met alle pracht en praal te ontvangen in de hoop dat hun stedelijke privileges zullen worden vernieuwd.

Maar een humeurige Filips weigert botweg in te gaan op de wensen van de Ieperlingen en maakt rechtsomkeer naar Parijs. Zijn blijde intrede is enigszins anders verlopen dan hij had gedacht. Ondertussen zijn de Bruggelingen te weten gekomen dat ze alle kosten van de intrede, de peperdure kledij van de gezagsdragers en families incluis, zelf zullen moeten betalen. De situatie in Brugge was al labiel en explosief. Er is echt niet veel meer nodig om de potjes te laten overkoken. En dat gebeurt ook.

De toestand loopt uit de hand. De opstand komt vanuit de buik van de stad zelf. Een eenvoudige wever, Pieter de Coninck, volgens de kronieken een man met korte armen en benen, getrouwd met de dochter van een welgestelde burger, biedt zich aan als een welbespraakte en schrandere woordvoerder van de wevers, volders, scheerders en ververs. Hij wordt de leider, de volksmenner van de armste handwerkers. De Coninck wordt er door de massa op handen gedragen en oprecht graag gezien. De Leliaardse magistraten zien met lede ogen aan dat de straatprotesten aanhouden en besluiten Pieter de Coninck en 25 van zijn aanhangers op een vroege junimorgen uit hun bed te lichten en op te sluiten in het Steen.

1301: de Châtillon stuurt 1.500 soldaten naar Brugge
Ze worden verantwoordelijk gesteld voor de koele ontvangst van Filips de Schone in Brugge en zullen terechtstaan voor majesteitsschennis. De handwerkers zijn woedend om de opsluiting van hun leider. Op 15 juni 1300 bestormen ze met velen de gevangenis aan het Steen. Ze overrompelen de bewakers en bevrijden Pieter en zijn medegevangenen. De massa trekt in triomf door de straten van Brugge. Jacques de Châtillon is razend.

De onderkoelde ontvangst van zijn koning in Brugge heeft al de indruk gewekt dat hij de situatie niet helemaal in de hand heeft en nu dit. Hij moet en hij zal hard optreden tegen de muitende bevolking! Hij beslist dat de huizen van de opstandelingen op 13 juli zullen worden afgebroken en dat al hun werkplaatsen en gereedschap vernietigd moeten worden. Het stadsbestuur vreest voor serieuze problemen door die uitspraak en mobiliseert een bereden militie terwijl de Châtillon 500 ruiters aan de poorten buiten de stad posteert om in de vroege ochtend van 13 juli de stad binnen te vallen.

Maar de ambachtslieden hebben lucht gekregen van de nakende inval. Ze grijpen naar de wapens en bezetten de markt. De stadspoorten blijven gesloten voor de 500 ruiters. De Châtillon stuurt een extra troepenmacht naar Brugge. In totaal staan nu 1.000 ruiters en 500 man voetvolk te wachten om Brugge binnen te vallen. De ambachtslieden beseffen dat ze als ratten in de val zitten tegen deze enorme overmacht. Ze zijn ongerust.

Ze moeten met de Châtillon tot een overeenkomst proberen te komen om zo nodeloos bloedvergieten te voorkomen. Er worden onderhandelingen opgestart en uiteindelijk kan het geschil zonder bloedverlies worden beslecht. De Bruggelingen onderwerpen zich aan het koninklijk gezag en duiden 500 gijzelaars aan voor het geval ze hun belofte niet zouden nakomen. De gehate schepenen worden vervangen door één koninklijke ambtenaar. Pieter de Coninck en zijn medestanders worden niet vervolgd maar moeten wel de stad verlaten. Hun bezittingen worden verbeurd verklaard.

500 Brugse gijzelaars in 1301
De Brugse poorten kunnen weer open. Pieter de Coninck en konsoorten verlaten ongestoord de stad. Daarna doet de Châtillon zijn intrede. Hij laat onmiddellijk de stadspoorten wegnemen en enkele stadswallen verwijderen. Een deel van de beschermende stadsgrachten wordt gedempt. Maar dat is niet alles: bepaalde oude stadsrechten en vrijheden worden ingetrokken. De Bruggelingen zullen ze ooit kunnen terugkopen als ze zich blijvend ondergeschikt houden aan de Franse bezetter.

Bij de 500 mensen die verplicht werden als gijzelaar te dienen voor het niet naleven van de afspraken, bevinden zich verrassend genoeg ook 70 patriciërs, Fransgezinde Leliaards. Het is een vreemde beslissing waardoor hij zijn eigen achterban in het hart treft. Het blijft een tijdje rustig in Brugge. De gouverneur profiteert ervan om een nieuwe versterkte gevangenis te bouwen samen met een versterkte burcht.

De bouwwerken worden bekostigd met een nieuwe belasting. De arbeiders van de lakenindustrie en de ambachtslieden moeten voortaan 25% van hun inkomen afstaan aan de Franse tollenaars. Velen onder hen vertrekken naar het niet door de Fransen bezette Vier Ambachten, de regio Eeklo en Assenede tussen Brugge en Gent. Het vertrek van de crème van de lakenindustrie zorgt voor veel nieuwe frustraties in het Brugge van 1300.

Drie zonen van Gwijde hebben zich in veiligheid gebracht in Henegouwen terwijl hun vader en twee broers gevangen zitten in Frankrijk. Het volk is niet bepaald gelukkig met hun vlucht. Gaandeweg groeit het besef bij Jan, de oudste, dat hij nu de verantwoordelijkheid draagt over het Vlaamse volk. Een betere situatie in Brugge, het herwinnen van de vrijheid van Vlaanderen en het opnieuw herstellen van de grafelijke macht van de Dampierres worden voor deze jonge twintiger geleidelijk aan een erezaak.

Het was trouwens Jan van Namen die Ieper tot de laatste snik heeft overeind gehouden. Hij stelde zich aan als een bekwaam legeraanvoerder met een goed strategisch inzicht. Iets wat al bij al ontbrak bij zijn vader Gwijde van Dampierre en bij zijn broer Robrecht van Bethune!

Winter 1301: in Brugge broedt de opstand
Enigszins verbaasd kan hij vaststellen dat de arbeiders, boeren en ambachtslieden in staat zijn hun tanden te tonen en dat ze geen ridders of graven nodig hebben hiervoor. Het lot van Vlaanderen lijkt in de handen van de werkende klasse te liggen. De positie van gouverneur de Châtillon is danig verzwakt door de smeulende weerstand in Aalst, Ieper, Gent en Kortrijk. In de winter van 1301 besluit Jan, markgraaf van Namen, in contact te komen met de leiders van de Vlaamse opstand in Brugge.

Hij ontmoet er heimelijk de Brugse held Pieter de Coninck. Waarom zouden ze hun krachten niet bundelen? Waarom zou Jan de leiding niet nemen over de Vlaamse opstandelingen? Pieter de Coninck beseft de mogelijkheden van dergelijke alliantie en gaat akkoord.

Tijdens de zomer van 1301 worden de graafsgezinden systematisch gecontacteerd en bewerkt. Jan en Gwijde van Namen krijgen de hulp van een derde familielid van de Dampierres: Willem van Gulik, de 24-jarige goed opgeleide kleinzoon van Gwijde van Dampierre. De vader van Willem van Gulik is enkele jaren geleden gesneuveld in de modder van Bulskamp. Er is dus nog een openstaande rekening te vereffenen met de Fransen. Willem zal zich de volgende jaren ontpoppen als een mythische held van het Vlaamse volk.

De reputatie van Pieter De Coninck
De reputatie van De Coninck bereikt een toppunt als blijkt dat hij de steun heeft van de zonen van de graaf. In Brugge is hij zo onaantastbaar dat het stadsbestuur er zelf niet meer aan durft te denken hem iets in de weg te leggen. De omwenteling in Brugge is een feit. De graafsgezinden vallen in januari 1302 de stad binnen. De Châtillon staat machteloos wanneer De Coninck de macht overneemt en de orders begint uit te delen.

Een zoveelste beslissing van het Franse parlement ten nadele van de Bruggelingen is de druppel te veel. De patriciërs en de koninklijke baljuw die vrezen voor hun leven, vluchten de stad uit. Brugge is aan de Klauwaards. Het is een eerste stapje op de weg naar de bevrijding. De Coninck ontslaat het stadsbestuur en vervangt het door een evenwichtig samengesteld college waar de ambachten nu een meerderheidspositie bekleden.

Eén van de twee nieuwe burgemeesters wordt zijn lotgenoot, de volder Jan Heem. Er komt een transparant en sluitend systeem om de stadsrekeningen te laten controleren door alle lagen van de stadsbevolking. Ook Gent roert zich. De belofte van Filips de Schone om het opgeld af te schaffen, blijkt loos te zijn en de factuur voor de blijde intrede, 27.000 Parijse ponden, wordt doorgeschoven naar de ambachtslieden en de poorters.

De Gentenaars gaan onder leiding van Jan Borluut, een rijke graafsgezinde patriciër, in de vroege morgen van 2 april 1302 staken en blazen verzamelen voor het belfort. De stadhouder besluit hardhandig op te treden maar heeft de kracht van de betogers onderschat. De poorters zijn woedend om het hardhandig optreden van hun stadsbestuur dat zich noodgedwongen in het Gravensteen moet gaan verschuilen om zich te beschermen tegen de volkswoede. Met handbijlen, pieken en zwaarden wordt het Gravensteen belegerd.

De Brugse Metten breken los
De menigte is ziedend. In de vroege middag geven de belegerden zich over en komen ze in hemd en ondergoed naar buiten. Twee schepenen en elf poorters worden doodgeslagen. Het aantal zwaar gewonden is ontelbaar. Het volk neemt het stadsbestuur over en de stadhouder moet getrouwheid zweren aan de Gentse bevolking. De Châtillon is verbijsterd en zint op wraak. Hij verzamelt noordelijk van Kortrijk een nieuw leger om de Gentenaars aan te vallen.

De Gentenaars beseffen dat ze geen partij zijn voor zulk leger en proberen zich te verontschuldigen. Het mag niet baten: de Franse soldaten dringen Gent binnen en herstellen het stadsbestuur. Jan Borluut en de graafsgezinde patriciërs verlaten de stad. Er volgt een tijd van harde repressie. Er ontstaat een ongekende volkshaat tegen alles wat Frans is. Het nieuws van de volksopstand in Gent wordt met grote vreugde begroet in Brugge.

De Coninck en zijn bende koesteren plannen om de revolte over heel Vlaanderen uit te breiden. Ze gaan op zoek naar geld, middelen en steun bij graafgezinde poorters en door de bezittingen van de koningsgezinden aan te slaan. Damme, Aardenburg en de streek van het Zwin sluiten zich aan bij de Bruggelingen. Op de andere plaatsen van Vlaanderen slaat de repressie van de Fransgezinden hard toe. In Douai en Ieper nemen de Leliaards de macht over in dienst van de Franse bezetter.

De graafsgezinde patriciërs en het gewone volk kunnen het bloed wel drinken van die vuile Franse collaborateurs die de Klauwaards voortdurend vernederen, verklikken, verkrachten, vermoorden. De economie van de welvarende steden en de landbouw vallen zo goed als stil. Het ontwrichte Vlaanderen bevindt zich in een diepe crisis. Hongersnood dreigt.

Het geheime wapen van de Dampierres
De Vlamingen zijn al baas over hun eigen land sinds Boudewijn met de Ijzeren Arm in 864 de Noormannen verdreef. Ze zijn in 1302 op zoek naar een leider die hen kan bevrijden van de Franse tirannie. Jan van Namen, de 6de zoon van Gwijde en Pieter de Coninck beseffen dat ze onmachtig zijn tegen de Franse overmacht en doen een beroep op Willem van Gulik, de 25-jarige kleinzoon van Gwijde van Dampierre.

Het geheime wapen van de Dampierres komt tevoorschijn: Willem van Gulik neemt de leiding van de Vlamingen op zich. In mei 1302 komt hij voor het eerst met een huurleger naar Brugge. Een schildknaap gaat het leger vooraf met het grafelijk wapen van de gevangen Gwijde van Dampierre. Een klauwende leeuw staat afgebeeld op het schild en de banier van de fiere en zelfbewuste legerleider Willem van Gulik.

Hij wordt door de juichende Bruggelingen als een echte bevrijder binnen gehaald. De verbittering om wat Gwijde van Dampierre allemaal heeft uitgericht, lijkt vergeten en vergeven. Hier is de nieuwe landvoogd van Vlaanderen. Ook Damme en Aardenburg erkennen Willem als nieuwe leider. Jan Breydel, een Brugse vleeshandelaar en zijn neringdoeners sluiten zich aan bij het leger van Willem en Pieter de Coninck.

Ze vallen op gewelddadige manier de Leliaardse kastelen van Sijsele en Male aan waar de bewoners gelyncht worden. Parijs gaat er zich mee bemoeien. Ondertussen zit er een flink haar in de boter tussen de paus en Filips de Schone. Als de Franse koning dan nog een Vlaamse opstand op zijn bord geserveerd krijgt, zijn represailles tegen de opstandelingen niet meer veraf. Op 10 mei benoemt hij Robert d’Artois als opperbevelhebber van een nieuw te vormen leger.

D’Artois plant een veldtocht naar Vlaanderen. Zoveel is zeker. Hij stuurt de bisschop van Auxerre en zijn rechterhand Pierre Flote om landvoogd de Châtillon bij te staan. De wetenschap dat er een nieuw Frans leger op komst is, doet de Gentenaars alweer zwalpen. De ene wil een akkoord met de Franse koning, de andere wil een verbond met de Bruggelingen van De Coninck. Op 11 mei sturen ze een delegatie naar Kortrijk waar de Châtillon verblijft.

De Châtillon eist vergelding voor de Brugse Metten
In ruil voor een aantal voorwaarden, vrijheden, inspraak in het stadsbestuur en andere zaken, zijn ze bereid om de koning te steunen. De Châtillon stemt in met de voorstellen. Later zal Filips de Schone dat akkoord bevestigen. Op 12 mei staat een ongedurige De Coninck met 1600 man in Meulestede, het noorden van Gent waar ze bijzonder vijandig ontvangen worden door een leger van poorters en Leliaards. Het komt net niet tot een gevecht. De Bruggelingen druipen ontgoocheld af als ze vaststellen dat de mensen van Gent hun kar hebben gekeerd. Op de terugweg slagen ze er in het door de Leliaards ingenomen Aardenburg opnieuw te bevrijden.

Maar ook in Brugge blijken de meningen verdeeld als ze vernemen dat het bondgenootschap met de Gentenaars een flop blijkt. Willem van Gulik en Gwijde van Namen trekken hun legers weg uit Vlaanderen. Dat doet de Bruggelingen nog meer twijfelen. Waar is van Gulik? Waarom doen de Gentenaars niet mee? Waarom werden zoveel mensen vermoord in Male? Hier en daar wordt De Coninck als verrader bestempeld.

De grond wordt warm onder de voeten van Pieter De Coninck. De landvoogd wacht niet op de troepen van zijn koning. Hij verzamelt zelf een zwaar bewapend leger van 1200 man, bestaande uit ridders, schildknapen, kruisboogschutters en voetvolk. Een geërgerde de Châtillon biedt zich half mei met veel machtsvertoon aan te Brugge. Er heerst grote angst bij de Bruggelingen. Ze sturen een delegatie buiten de stadspoorten om te onderhandelen met de gevreesde landvoogd.

Ze bieden de volledige onderwerping van de stad Brugge aan. De Châtillon eist vergelding voor de moordpartij in Male. Er volgen lange onderhandelingen. Flote wordt er bij geroepen want met de Châtillon valt blijkbaar niet te praten. De Fransen stemmen er uiteindelijk mee in dat de Bruggelingen die zich tegen de Fransen hebben gekeerd, verbannen worden. Weg van Vlaanderen.

17 mei 1302: De Châtillon en Flote arriveren in Brugge
Op 16 mei laat het stadsbestuur van Brugge afroepen dat iedereen die vervolging vreest, voor de middag van de 17de mei de stad mag verlaten. 5.000 mannen kiezen het zekere voor het onzekere en trekken naar Damme en Aardenburg, of brengen de nacht door aan de oevers van het Zwin. Op de late middag van 17 mei volgt de intrede van De Châtillon en Flote in de stad. De klokken luiden, de mensen worden uitgenodigd om hun landvoogden te begroeten.

De schrik zit er in als ze de 1.200 zwaar bewapende krijgers op het plein bij de hallen zien paraderen. Het gezicht van de Châtillon staat op onweer. De Bruggelingen verwachten een bloedbad. Enkelen onder hen trekken naar het noorden om de situatie te bespreken met de duizenden geëvacueerde Vlaamsgezinden. Er rest hen weinig keuze: willen ze dit overleven, dan zullen ze moeten vechten.

Ze smeken de 5.000 weggetrokken stadsgenoten om terug te keren en om hen te helpen. De nietsvermoedende de Châtillon verwacht geen noemenswaardige weerstand en heeft zijn troepen over de verschillende herbergen van Brugge gelegerd. De deels vernielde Brugse wallen worden bewaakt door grotendeels dronken en slaperige Franse soldaten. De bannelingen houden de situatie scherp in de gaten en besluiten om in de vroege ochtend van vrijdag 18 mei 1302, bij het luiden van de klokken voor de eerste mis, de stad binnen te vallen. ‘s Anderendaags.

We hebben het over de fameuze ‘Brugse Metten’. De bende van Pieter de Coninck, Jan Breydel en Willem van Gullik valt op een vinnige manier Brugge binnen. Ook de gewone Bruggelingen komen uit hun huizen. Gewapend. Ze gaan op zoek naar alles wat ruikt naar Frans. De Franse soldaten zijn zo verrast door de aanval van de Bruggelingen, dat ze niet eens de tijd vinden om hun wapenuitrusting aan te trekken.

Vlaanderen de Leeuw: dood aan de Leliaards
De inval ontaardt in een genadeloze lynchpartij. Alle Fransen die de Bruggelingen op hun weg ontmoeten, worden genadeloos afgemaakt. Ieder wie niet op een inheemse manier de leuze ‘scilt ende vriend’ kan uitspreken, wordt zonder pardon gedood. De ‘escilden’ sneuvelen met bosjes. Het ‘Vlaanderen de Leeuw, dood aan de Leliaards’ galmt door de steegjes van Brugge. De lijken stapelen zich op. De slachting gaat de hele dag verder.

De soldaten van de Châtillon proberen tevergeefs weerstand te bieden aan het bloedbad maar ze kunnen niet voorkomen dat duizend Fransen worden vermoord en 85 Leliaardse edelen gevangen worden genomen. Er rest de Châtillon geen andere keuze dan te vluchten. Hij kan zich ternauwernood, vermomd als monnik, via het water van de Brugse grachten, in veiligheid brengen. Hij vlucht drijfnat naar Kortrijk. Ook Flote kan ontkomen.

De koninklijke lelie wordt onder groot gejuich vervangen door de Vlaamse leeuw. Op 19 mei benoemen de zegevierende Bruggelingen hun eigen stadsbestuur. De lijken van de vermoorde Fransen worden buiten de stad op de stortplaats gegooid. De stad wordt gereinigd.

De Châtillon reist naar Rijsel om een nieuw leger samen te stellen. Het enige wat hij wil, is wraak! Koning Filips verneemt de Brugse wandaden tegen zijn soldaten. Deze keer zijn ze echt over de schreef gegaan. Vanaf nu plant hij enkel en alleen nog zwaar repressief op te treden tegen de Vlamingen. De wapens zullen spreken. De rol van de Châtillon is deze keer voorgoed uitgespeeld. Filips de Schone heeft genoeg van diens zwakke leiding. Er komt een nieuwe gouverneur, de graaf van Boulogne die geflankeerd wordt door een militaire bevelhebber, de vermaarde Robert d’Artois. Het Frans gezag in Vlaanderen moet zonder dralen hersteld worden.

En ook Johanna van Navarra gaat er zich mee bemoeien. Ze is uitzinnig van woede om wat er in Brugge gebeurd is. Bovendien is ze de beledigende ontvangst van vorig jaar niet vergeten. Ze beveelt d’Artois om alle Bruggelingen, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht te doden.

Willem van Gullik wordt blij onthaald in Brugge
Na opnieuw een triomfantelijk onthaal in Brugge, wordt het menens voor Willem van Gulik. Hij maakt met zijn schitterende uitrusting diepe indruk op de stedelingen die hem overladen met geschenken. Het stadsbestuur schenkt de legeraanvoerder 10 peperdure paarden en de meeste exclusieve uitrusting en dito legermateriaal. Begin juni volgt de blijde intocht van Gwijde van Namen. De Brugse klokken luiden onophoudelijk.

De Bruggelingen zijn verrukt om hun nieuwe ruwaard en beloven hem unaniem hun trouw. Ze lijken voorbij te gaan aan de wetenschap dat ze zich de eeuwige vijandschap van de machtigste heerser van Europa op de hals hebben gehaald. Het nieuwe Brugse stadsbestuur gaat dynamisch en doelgericht te werk. Het financieel beleid beperkt zich niet tot de stad zelf maar strekt zich uit tot alle veroverde gebieden. Losgeld voor de gevangen Leliaards, inbeslagname van goederen, leningen bij de sympathiserende rijke poorters en geestelijkheid.

Tot aan de Franse grens wordt er steun ingezameld. Alles staat nu in het teken van die machtige Vlaamse strijdkracht die Willem van Gulik en Gwijde van Namen koortsachtig op poten aan het zetten zijn. De strijd om de bevrijding begint op 31 mei 1302 wanneer Willem met een flink van wapens voorzien leger de stad uittrekt. Het is een vreemde combinatie van Bruggelingen, de handwerkers en de ambachtslieden van Pieter de Coninck samen met een bende vrijwilligers en gehuurde ridders.

Ze trekken via Wijnendale (ze laten de versterkte burcht links liggen) en Gistel naar Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort. De Leliaards slaan overal op de vlucht. In elke stad worden de koninklijke baljuws vervangen voor Klauwaardgezinden. Begin juni worden Veurne, Nieuwpoort, Hondschoote, Broekburg en Sint-Winoksbergen veroverd. Overal worden de troepen als bevrijders ingehaald. De boeren en de plattelandsbewoners sluiten zich enthousiast aan bij het Vlaamse leger. De mensen van de Westhoek hebben een tijd van doffe ellende meegemaakt. Waar ze tot voor enkele jaren konden genieten van relatieve welvaart, heeft de Franse onderdrukking iedereen teruggebracht naar de ergste feodale toestanden.

Mei 1302: het Vlaamse leger bevrijdt het graafschap
Het leger trekt naar het versterkte Franse bolwerk van Kassel. Ondertussen wordt het nieuws vernomen van de capitulatie van het kasteel van Wijnendale. Ook de twijfelende Ieperlingen openen hun poorten: ze zullen instaan voor een leger van 500 gewapende stedelingen.

Ondertussen hebben 300 overblijvende Fransen zich verzameld in het kasteel van Kortrijk. En er is nog een, door het Brugse stadsbestuur gefinancierde, nieuw leger op komst voor de Vlamingen: Gwijde van Namen, de 7de zoon van Gwijde van Dampierre, trekt op 12 juni naar de ultieme bestemming: Kortrijk. Handwerkers, edelen, arm en rijk hebben maar één doel: een zelfstandig Vlaanderen, bevrijd van Frankrijk.

De Fransen die zich hebben verschanst nabij Kortrijk, schieten met vuurpijlen de stad in brand. Het zal enkele dagen duren vooraleer de Vlamingen de situatie onder controle krijgen. Met enkele reusachtige katapulten schieten ze onophoudelijk zware stenen naar het Kortrijkse kasteel. De Fransen houden zich gedeisd maar blijven wel ter plaatse. Heel Vlaanderen is al lang overstag gegaan voor de snelle opmars van de Vlaamse legers. Er rest alleen nog het Fransgezinde Gent. Oudenaarde besluit de doorgang van de Schelde te blokkeren. Geen enkel graanschip kan nog aanmeren in Gent.

De Gentenaars krijgen wekenlang geen brood op de planken. De situatie zorgt voor een nooitgeziene malaise en hongersnood bij de bevolking. Ze zoeken met de moed der wanhoop steun bij de Franse koning. Filips belooft hen zo snel mogelijk te helpen. De twijfel slaat toe bij het arbeidersvolk van Gent. De tweespalt tussen de Leliaards en de Liebaards bereikte ongeziene hoogtes. De Leliaards blijven in de meerderheid maar heimelijk hebben enkele honderden Gentenaars besloten om de stad te ontvluchten.

Jan Borluut, de Vlaamse ‘Enfant Terrible’
Ze sluiten zich aan bij de Bruggelingen. Hun leider is Jan Borluut, een Vlaamse ‘enfant terrible’, en een al eerder uit de stad Gent verbannen poorter. Filips de Schone is in zijn eer gekrenkt als hij verneemt dat een Vlaams leger de Fransen overal heeft verjaagd. Hij vormt een legermacht van 2.500 ruiters, 500 boogschutters en 5.000 soldaten te voet. Robert d’Artois krijgt de leiding voor de krijgsmacht die op 30 juni 1302 vanuit Arras gaat opstomen.

Van zodra zij de Vlaamse grens voorbij zijn, leveren ze zich over aan extreem geweld. Elke man, vrouw of kind die ze kunnen vatten, wordt genadeloos onthoofd. De arrogante d’Artois laat zijn manschappen zelfs de kerken binnendringen en de heiligenbeelden vernielen. De legerleider heeft maar één doel: zo snel mogelijk op te rukken naar het vermaledijde Brugge. Tijdens zijn bevrijdingstocht door Vlaanderen, is het Vlaamse leger verder versterkt met delegaties van Ieper, Kassel (2.000), Poperinge (8.000) en Gent (Jan Borluut met 700 man).

Jan Breydel zorgt voor verse ravitaillering en Jan van Renesse komt met een groep Zeelandse elitesoldaten. Allen zullen ze strijden en vechten onder de gemeenschappelijke Vlaamse leeuwenvlag. Ook de tempeliers, een divisie van de zwarte, witte en grijze tempeliers, zijn van de partij om de Vlamingen militair bij te staan. Ondanks de oppositie van de Leliaards in Ieper zijn er 1.200, in het rood uitgedoste, Ieperlingen van de partij.

Het geloof in eigen kunnen bij de Vlaamse massa gaat hand in hand met intense wraakgevoelens tegenover de Fransen. Veel boeren hebben zwaar geleden onder de plundertochten van dat crapuul, in de jaren 1297-1300. Ridders en edelknapen hebben nog altijd familieleden die gevangen zitten in Frankrijk. Zo bijvoorbeeld Gwijde van Dampierre, Robrecht van Bethune, Filippina. Velen hebben hun bezittingen verloren omdat ze ooit partij kozen voor de graaf.

En ze willen hun doden wreken zoals Willem van Gulik zijn broer die overleed op het slagveld van Bulskamp. Iedereen kent zijn lot: het is ofwel winnen, ofwel de niet te onderschatten wraak van de Fransen te moeten ondergaan. Zo eenvoudig ligt de keuze.

De Mossenberg – de Pottelberg – in juli 1302
Op 8 juli slaan de Fransen hun kamp op aan de voet van de Mossenberg, die nu Pottelberg genoemd wordt. De 2.000 Franse ridders doen zich enkele dagen te goed met spel, banketten en plezier. De Mossenberg wordt prompt omgedoopt tot ‘Berg van Weelde’.

Die nu heet die berch van Weelden,
daer lagen die Franken ende speelden,
in hare tenten ende Pauwelyoenen.

Het Vlaamse leger treft zijn laatste voorbereidingen. De 1.200 Ieperlingen staan opgesteld aan de wallen van het kasteel van Kortrijk, waar ze de uitbraak willen vermijden van de daar gekazerneerde Franse divisie onder leiding van de heer van Lens. De posities blijven onveranderd tot woensdag 11 juli. Rond 5 uur, zonsopgang, zijn er brandende toortsen te zien op de vestingwallen van het Kortrijkse kasteel waar zich het Franse regiment bevindt.

De Fransen werpen ostentatief hun toortsen neer buiten de buitenmuren aan de noordkant van het kasteel. Rechtover de graslanden die leiden naar de Leie en het klooster van de Grauwe Zusters. ‘Hier staan de Vlamingen klaar’, maken ze duidelijk aan hun basiskamp. De te duchten bevelhebber Robert d’Artois heeft de brandende hint gezien. Hij weet voldoende.

Dit fragment maakt deel uit van deel 2 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1302100.htm