De Burg van Leisele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     144 Views     Leave your thoughts  

wat voorafging …

 

De schrijfwijze van Leisele heeft in de loop van de jaren heel wat veranderingen ondergaan. Zo schreef men in het jaar 1120 ‘Lincela’, in 1183 ‘Lincele’, in 1202 ‘Lensele’, in 1207 ‘Lensela’, in 1230 ‘Lenseles’, in 1303 ‘Leinseles, in 1307 ‘Leinsel’. In het begin van de jaren 1500 vinden we de naam van ons dorp geschreven met een ‘Y’, in 1515 ‘Leynsele’. Wat later wordt het ‘Leysel’ en ‘Leysele’. Eindelijk, in het jaar 1919 wordt de schrijfwijze veranderd in ‘Leisele’. Gelegen bachten de Kupe, aan de rand van ons Belgisch grondgebied, verdoken in de verre Westhoek, ligt Leisele, een mooie, landelijke gemeente. Het paalt ten noorden aan Houtem, noordoost aan Vinkem, oost aan Izenberge, zuidoost aan Gyverinkhove, zuid aan Beveren-aan-de-Ijzer en west aan Hondschote. Gelegen op zowat 12 km van Veurne en 15km van onze kust, is het een vrij goed ontsloten gemeente. Ze beschikt over een goed wegennet en wordt doorkruist door de buslijn Veurne-Poperinge.

De oppervlakte van Leisele bedraagt 1538 hectare. Buiten de dorpsplaats zijn er nog een achttal gehuchten: de Geldzak, de Haai-Baai, De Clachoire, het Stalijzer, de Noordwijk, de Bonte Hond, de Molenwijk en de Abele. Benevens deze gehuchten zijn er nog tal van andere plaatsnamen in gebruik. Zoals bijvoorbeeld de Sterre, het Kruikhol, De Klokkeput, de Flessche, Klein Wervik, het Kruiske, de Geithoek, Klein Leisele, de Groenen Dijk en andere.

Leisele is een typisch landelijk dorp, gelegen in een streek, eertijds genaamd ‘Het Houtland’. Deze streek omvattee 12 gemeenten. Beveren, Leisele, Houtem, Wulveringem, Vinken, Izenberge, Hoogstade, St. Ryckiers, Oeren, Stavele, Alveringem en Gyverinkhove. Ons dorp is hoofdzakelijk op landbouw aangewezen. De bodem is er zeer vruchtbaar, zodat we bijna uitsluitend zaailand zien, hier en daar onderbroken door een groenende weide, die soms nog omzoomd is door een weelderig groeiende haag en enkele wilgen- of populierentronken, die echter, jammer genoeg, langzaam aan het verdwijnen zijn.

Grote waterlopen zijn er niet in onze gemeente, slechts enkele beken. Een van deze beken staat nu bekend als ‘Voutebeek’. Deze naam komt reeds voor in de oudste archiefstukken. Er wordt ook vaak gewag gemaakt van de ‘Sloterbecke’, de ‘Oude steenstraete ofte Loowegh commende van de Cappelle tot de Sloterbecke, aen den ducker onder den Loowegh…(1529)’. Ik denk dat dit de beek is doe onder de Loweg loopt even voor men de Abelehoek bereikt. Dan is er nog de Houtgracht. Deze beek komt van de Clachoire, loopt langs de hofstede Debril tot langs de Veurnestraat, even door het kruispunt met de Houtemstraat. Vroeger bleef deze beek links van de Houtemstraat vloeien. Gekomen op het grondgebied van Houtem, verlaat ze de voornoemde weg en loopt ze linksweg naar de Grayaert, om dan verder op Frans grondgebied in de Bergenvaart uit te monden.

Over de eerste eeuwen van onze tijdrekening zijn weinig of geen bijzonderheden bekend, omdat er in die tijd weinig aantekeningen werden gemaakt. Oude archiefstukken vermelden Leisele reeds rond de jaren 1100. De parochiegrenzen werden onder het bestuur van Karel de Grote, op het einde van de 8ste eeuw, afgebakend, ter gelegenheid van het bepalen van de tienderechten. Deze vastlegging van grenzen werd gedaan teneinde te kunnen uitmaken aan wie de onderhavige grondbezitters de kerkelijke tienden moesten betalen. Gezien deze parochiegrenzen niet meer werden gewijzigd tot omstreeks de 13de eeuw, mogen we derhalve besluiten dat Leisele reeds bestond rond de jaren 800.

Ik ga het nu hebben over het geslacht van de heren van Leisele. Rond het jaar 1000 kwamen leden van het adellijke geslacht van de heren van Hondschote zich te Leisele vestigen waar ze bepaalde rechten verwierven. Op een honderdtal meter ten zuiden van de kerk werd er een kasteel gebouwd, genaamd ‘Den Burg van Leisele’. Dit kasteel met bijhorende heerlijkheid was de bakermat van een geslacht dat de naam van Leisele aannam.

In de geschiedenis vinden we herhaaldelijk namen terug uit deze adellijke familie. In 1172 wordt vermeld: ‘Everolfus de Lincela’. In de oude archieven van de Sint-Maartenskerk van Ieper wordt in het jaar 1207 een zekere Ivan de Lensela vermeld, welke in een open brief van gravin Mathilde ondertekende, waarbij ze zekere tienden in Watou bevestigde, die aan de kerk van Sint-Maarten werden geschonken. In 1220 wordt Johannes de Lensele vermeld. In een document van 1227, handelende over de betwisting tussen de geestelijke en wereldlijke tiendeheffers, betreffende het onderhoud van de kerk, werd de overeenkomst tussen beide partijen voorzien van het zegel van Walter, zoon van Ognier van Leisele.

Uit de tekst kunnen we opmaken dat deze Walter van Leisele een geestelijke moet zijn geweest. In 1227: ‘Mabam de Lenseles, in 1230 ‘Hebbekino de Lensele’, in 1231 ‘Herbertus de Lenseles’, in 1239 ‘Gerardo de Lenseles’, in 1241 ‘Wilhelmi de Lensele’. In 1280 wordt in een open brief van graaf Guy van Dampierre melding gemaakt van Willem de Lensele en Johan Ruphin, allebei ridders. In 1302 ‘Johan de Lensele’. In 1307 ‘Domicaus de Lensele’, in 1314 ‘Jacob de Lenseles’, in 1332 ‘Adelise van Lensele’, in 1345, ‘Nicole de Lensele’, in 1365, ‘Lambert van Lensele’. In 1371 is er sprake van ‘Stessin van Lensele ende Kestrien van Lensele, syn wijf’. In 1382 ‘Michiel van Lensele’, in 1390 ‘Diederyck van Leysel’, in 1409 ‘Pieter-Philips en Christiaen van Leinsele’. In 1413 ‘Xavier van Leysel’.

De burg van Leisele is een leenhof, gehouden van de Burg van Veurne. De eigendom strekt zich uit voor 28 gemete, (zowat 12 hectare), benevens nog 15 achterlenen. P.P. Heinderycx omschrijft in de 17de eeuw de heerlijkheid als volgt: ‘hier is een leenhof, genaemt Den Burgh van Leysel, behelzend het fonsier in 28 gemeten daervan gehouden 16 achterleenen, gehouden van den Burgh van Veurne, gelegen suyt van het kerkehof, waerop datter jegenwoordigh staet een schoon huys met groote grachten rontom, welke d’inwoonders van de prochie ‘Het Kasteelken’ naemen, alwaer de 45 proprietarissen van alle tijdens gewoont hebben. Met siet nevens het huys een hooge mote omryngelt met een wijde gracht waer het kasteel op gestaen heeft, soo men bemerkt omdat daer gevonden syn geweest oude fondamenten van groote gebouwen en bovendien wierden in voorleden tijden alle kasteelen en leenhoven gestelt op hooge mooten en verheven plaetsen tot teeken van eenig gebiet die sij hadden op het gemeente.’

Dit leenhof heeft altijds toebehoort aen verscheyde ridders die de naeme van leysel aennaemen. Men ziet anno 1390 van mher Diederyck van Leysel, die als principaelsten ceurbroeder en inwoonder van de casselrie het accoort dat alsdan gemaekt wiert tusschen de stadt van Veurne en de casselrie noopende de 2.000 franken die de casselrie gaf om de stadt te helpen bemeuren ende versterken, denwelken daer naer ook geweest heeft van ‘t voornoemde magistraet lanthouder, en ook Pieter van Leysel die schepen was van de casselrie anno 1409 en Xavier van Leysel anno 1413 en ander.’

‘Naer dat dit leenhof langen tijd geweest hadde in het geslachte van die van Leysel, is het daernaer gevallen in de gonne van die Van de Burgh, die het ook langen tijd beseten heeft en anno 1562 heeft Simoen Van den Burgh dit leenhof verkocht aen Jean Puessin, lantheere van Veuren-Ambacht die het ook anno 1577 achterliet aen Frans Puessin, synen soone’. Naar mijn mening moet dat in 1570 zijn in plaats van 1577. Immers; op de grafsteen van Jan Puessin is de datum van overlijden van deze laatste geschreven in 1570.)

‘Denselven Frans stervende, is dit leengoet gekomen aen Jonkfrouw Margarita Puessin, dewelke huysvrouwe was van Jo. Bernaert de Brias, heer van Royon, die het gesaemdelijk anno 1594 gegeven hebben in gifte van houwelijcke aen Jo. Jan de Brias, heere van Villecourt, hunlieden soone, denwelken alsdan was burghemeester en lanthouder van de commune der stede ende casselrie van Veuren en liet anno 1614 dit leen aen Frans de Brias, synen soone.’ Nadien kwam dit onroerende goed in handen van Charles Louis François de Brias, die het na zijn overlijden achterliet aan zijn eigen zoon Anne François Eugène de Brias.

Later werd het goed eigendom van de familie Dedullen en ging dan over naar de familie Sohier. Het kwam tenslotte in het bezit van de familie Patfoort, en nadien door huwelijk van de familie Moeneclaey die het op heden nog in bezit heeft.

wordt vervolgd ….