De burg van Leisele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     644 Views     Leave your thoughts  

Dit leenhof, gehouden van de Burg van Veurne, strekte zich uit over 28 gemeten, benevens nog 15 achterlenen. P.P. Heinderycx (17e eeuw) beschrijft deze heerlijkheid als volgt :
– “Hier is een leenhof genaemt Den Burgh van Leysel, behelsend het fonsier in 28 gem. daervan gehouden 16 achterleenen, gehouden van den Burgh van Veurne, gelegen suyt van het kerkehof, waerop datter jegenwoordig staet een schoon huys met groote grachten rontom, welke d’inwoonders van de prochie “Het Kasteelken” naemen, alwaer de 45 proprietarissen van alle tijden gewoont hebben.

Men siet nevens het huys een hooge mote omryngelt met een wijden gracht daer het kasteel op gestaen heeft, soo men bemerkt omdat daer gevonden syn geweest oude fondamenten van groote gebouwen en bovendien wierden in voorleden tijden alle kasteden en leenhoven gestelt op hooge mooten en verheven plaetsen tot teeken van eenig gebiet die sij hadden op het gemeente.’

Dit leenhof heeft altijds toebehoort aen verscheyde ridders die de naeme van leysel aennaemen. Men siet anno 1390 van mher. Diederyck van Leysel, die als principaelsten ceurbroeder en inwoonder van de casselrie het accoort dat alsdan gemaekt wiert tusschen de stadt van Veuren en de casselrie noopende de 2.000 franken die de casselrie gaf om de stadt te helpen bemeuren ende versterken, de welken daer naer ook geween heeft van ‘t, voornoemde magistraet lanthouder, en ook Pieter van Lcysel die schepen was van de casselrie anno 1409, en Xavier van Leysel anno 1413 en ander.

Naer dat dit leenhof langen tijd geweest hadde in het geslachte van die van Leysel, is het daernaer gevallen in de gonne van die Van de Burgh, die het ook langen tijd beseten heeft en anno 1562 heeft Simoen Van den Burgh dit leenhof verkocht aen Jaen Puessin, lantheere van Veuren-Ambacht die het ook anno 1577 achterliet aen Frans Puessin, synen soonc.” – (Naar mijn mening moet het 1570 zijn in plaats van 1577. Immers op de grafsteen van Jan Puessin is de datum van overlijden van deze laatste 1570.)

‘Denselven Frans stervende, is dit leengoet gekomen aen Jo. Margarita Puessin, dewelke huysvrouwe was van Jo. Bernaert de Brias, heere van Royon, die het gesac inde lijk anno 1594 gegeven hebben in gif te van houwelijcke aen Jo. Jan de Brias, heere van Villecourt hun lieden soone, die ik wel ken alsdan was burghemeester en lanthouder van de commune der stede ende casselrie van Veuren en liet anno 1614 dit leen aen J. Frans de Brias, heere van Villecourt, Royon etc. synen soone.’

Nadien kwam dit onroerend goed in handen van Charles Louis Francois de Brias, die het na zijn overlijden achterliet aan zijn zoon Anne Francois Eugène de Brias. Later werd het goed eigendom van de familie Dedullen en ging dan over naar de familie Sohier. Tenslotte kwam het in bezit van de familie Patfoort, en nadien door huwelijk van de familie Moeneclaey, die het op heden nog in bezit heeft.

Wanneer het kasteel van deze heerlijkheid werd gesloopt, staat nergens vermeld. In de beschrijving van P. Heinderycx staan er echter genoeg gegevens, waardoor wij de verdwijning van de burg bij benadering kunnen bepalen. Voornoemde schrijver schreef zijn kronieken in de 17e eeuw. Dus weten wij met zekerheid dat de burg er toen niet meer stond. Mogelijks was deze in verval geraakt en op het einde der jaren 1500 afgebroken. Gezien de burg gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van Hondschote, alwaar de geuzen zeer aktief waren, is het ook niet uitgesloten dat deze door de geuzen werd verwoest.

Een nieuw herenhuis werd dan gebouwd, enkele tientallen meter west van de plaats, waar de burg stond. In de volksmond kreeg het de naam van “Het kasteeltje”. In de terriër of kadastrale legger van Leisele, opgesteld door J.L. Maes in 1765, staat dit goed vermeld onder de naam van “Huis van Plaisance”. Later nog kreeg het de naam van “Het Blauw Huis . Dit gebouw, dat thans als woonhuis van de hofstede dienst doet, heeft in de loop der tijden heel wat veranderingen ondergaan, wat men ondermeer aan de zoldering kan bemerken.

De hofplaats was omringd door een wijde gracht en men had er toegang langs een overdekte inrijpoort. Deze stond langs de zuidzijde van de hofplaats. Op de mote, waar eertijds het kasteel had gestaan, stond er een grote schuur, genaamd “de tiendeschuur”. Deze werd rond het jaar 1800 nader bij het woonhuis gebracht, en geplaatst langs de zuidzijde van de hofplaats. Onze oudste inwoners weten nog te vertellen, dat deze tiendeschuur op rollen werd geplaatst en zo in haar geheel van de ene plaats naar de an­dere werd verhuisd. Een deel van de schuur is tijdens een stormweder in het jaar 1955 omvergewaaid, zodat er thans nog slechts een gedeelte van overeind staat. Op een dwarsbalk kan men het jaartal 1770 terug vinden.

De omheiningsgracht werd gedempt, uitgezonderd een klein gedeelte langs de zuidoostkant. De overdekte inrijpoort is eveneens verdwenen. De mote, die in een weide was gelegen, was nog omringd door de inmiddels reeds half gevulde omheiningsgrachten. In 1974 werd deze weide omgeploegd tot zaailand. Terzelfdertijd werden de grachten geheel opgevuld waardoor de mote nog wat verlaagd werd. Bij deze werken werden nog grote bakstenen (mouffen) gevonden (27 cm x 13,5 x 7) alsook kleine, platte, middeleeuwse pannen. Deze bouwmaterialen zullen wel van de verdwenen burg afkomstig zijn.
Een andere geschiedschrijver, L. Güliodts-Van Severen, beschrijft ook de Burg van Leisele en geeft de hiernavolgende lijst van de bezitters ervan : Philips Van den Burch, heer van Vichte, in 1365, zijn zoon Guillaume Van den Burch in 1368, Jacques Van den Burch, zijn broeder, in 1398, Simon Van den Burch, zijn zoon, in 1453, José Van den Burch, zijn zoon, in 1480, Simon Van de Burch, zijn zoon, door gift in 1481, Jan Puessin, heer van Villecourt, door aankoop in 1516. (Het is de grafsteen van deze Jan Puessin, gehuwd met Margherite van Bierne, die in onze kerk bewaard wordt.) Na hem komt zijn zoon in het bezit van deze heerlijkheid, met name Jan Puessin, die gehuwd was met Jeanne d’Ave-lin, in 1534, Frans Puessin, zijn zoon, in 1577, zijn zuster Margherite Puessin, echtgenote van Bernard de Brias, ridder, heer van Royon, d’Es-priaux etc. in 1580, Jan de Brias, zijn zoon, kapitein van een Compagnie van 200 lanciers in dienst van Spanje, huwde in 1587 met Anne de Dion, dochter van Adrien de Dion, heer van Wandosme en van Anne d’Aix, gezegd de Lens d’Auligny.

Hij verwierf dit familiedomein op 20 december 1614. Frans Bernard de Brias, zijn zoon, getrouwd in eerste huwelijk met Marie de Brias, dame van Villecourt, zijn nicht, en in tweede huwelijk met Françoise d’Ognies, dochter van François d’Ognies, heer van Courriëres, en van Odillie de Novelles, en in derde huwelijk met Jeanne Jonglet, dochter van de heer Moyenville, verkreeg het op 18 november 1660. Op 7 juli 1690 verkocht hij deze heerlijkheid aan M. Pieter de Marieval, pastoor van Leisele, doch wegens niet-betaling nam zijn zoon uit het 2e huwelijk, Louis Joseph, heer van Royon en van Fiers, de heerlijkheid terug.

Laatstgenoemde werd aangesteld door de Hoge Raad van de Adel tot algemeen vertegenwoordiger van de Sta­ten van Artois. Hierdoor bekwam hij de titel van Markies in 1692. Hij huwde met Alexandrine Bernard, dochter van Maximiliaan Francois Bernard, heer van Esquelines, en van Marie Claire de Bergues St. Winnox (24 januari 1729). Zijn zoon Charles-Louis de Brias, Markies van Royon, heer van Embry etc. algemeen afgevaardigde van de Hoge Raad van de Adel van Artois, huwde met N. de Croy, dochter van Balthazar Joseph de Croy, baron van Molembais, en van Marie Philippe Anne de Créquy, oudste dochter van Antoine, heer van Vrolant, Erain etc. en van Anne-Marie de Croy, (30 september 1756).

Zijn 2e zoon, Anne Francois Eugène, kapitein bij de cavalerie van het Koninklijk Regiment Roussillon verwierf het door kontrakt en verdeling met de oudste zoon Ferdinand-Philippe-Bernard op 26 juni 1771.

DE TIENDEN
Het is wel nuttig het ontstaan van deze tienden wat nader toe te lichten. Ze waren meestal het tiende deel van de opbrengst van de boerderij; in sommige gevallen kon dit ook het 3e, 6e of 9e deel zijn, soms ook het 11e, 50e of 110e deel. Oorspronkelijk, in de vroege middeleeuwen, ontstond het gebruik der tienden om de onkosten van de eredienst te dekken. De opbrengst van deze tienden werd als volgt verdeeld : een derde was voor de pastoor, een derde ging naar de kerkfabriek en het overige derde kwam ten goede aan den disch (armenzorg).

In de loop der tijden kwamen veel van deze tienden terecht in handen van leken, de pastoor kon echter in de meeste gevallen zijn deel behouden. Er werden tienden geheven op de gewassen zoals tarwe, rogge, vlas en andere. Deze tienden noemde men grote tienden. Kleine tienden waren deze die geheven werden op bonen, erwten, enz. Onder de kleine tienden werden ook deze gerangschikt, die geheven werden op zwijnen, schapen enz. Dit waren de zogenaamde vlees- of bloedtienden. De tienden die geheven werden op vruchten, geteeld op nieuw ontgonnen grond, werden novale tienden genaamd.

Wanneer de oogst gepikt en gebonden was, moest de boer de tiendeheffer verwittigen. Deze kwam dan ter plaatse, wees elke tiende schoof aan en deed ze opzijleggen. Om alle betwistingen te vermijden, werden de pikkers en binders nadrukkelijk verzocht de schoven zoveel mo­gelijk gelijk te maken. Als de vruchten in goede staat waren om ingehaald te worden, kwam de tiendeheffer of een zijner onderdanen de vruchten weghalen. De verdere bewerking van de vruchten was ten laste van de tiendeheffer. De schuur, waar de vruchten werden ondergebracht, kreeg de naam van tiendeschuur.

Vóór de Franse revolutie had elke parochiekerk niet alleen een patroonheilige zoals nu (b.v. voor Leisele St. Martinus), maar bovendien ook een wereldlijke beschermer, wiens rechten en plichten tegenover de kerk zeer duidelijk bepaald waren. Vele kerken hadden inden beginne de Grootmeester der Tempeliers als wereldlijke patroon. Deze zeer belangrijke orde, die in Palestina ontstond tijdens de kruistochten, breidde zich zeer snel uit en telde omstreeks 1260 reeds ongeveer 28.000 ridders en 9.000 onroerende eigendommen.

Reeds in 1127 had deze orde een kerk en een gesticht te leper. Dit verdween in de 15e eeuw en de bezittingen gingen naar het Huis van Elverdinge. Veurne had eveneens zijn Tempelhof, wegens bouwvalligheid, werd het in het begin der jaren 1600 heropgericht. Nadien deed het dienst als Capucienenklooster. In 1230 was er een Tempelhof te Roesbrugge. Men vond een Tempelhof te Westvleteren enz. In deze Tempelhoven waren meestal oude, ziekelijke of gewonde broeders gevestigd. Zij dreven handel in wol, laken en dranken. De handel in dit laatste goedje zou de oorsprong zijn van de spreuk : “Zuipen als een Tempelier ! “.

Gezien in het archief van Leisele in het jaar 1600 melding wordt gemaakt van de Tempelierswal, mogen we hieruit veronderstellen, dat er eertijds ook een eigendom zal geweest zijn, dat aan deze orde toebehoorde.

Uit ‘De Geschiedenis van Leisele’ van A. Gossey

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>