De Carmenhoek van Nieuwpoort

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     167 Views     Leave your thoughts  

Aan de hoek van de Arsenaalstraat en de Langestraat staat er nu een modern huis, na de oorlog herbouwd met volgend opschrift: ‘De Carmenhoek’.

De Carmenhoek! Hoeveel herinneringen brengt die naam ons niet in het geheugen! Herinneringen aan alle slag van mensen, gebeurtenissen en toestanden. Laten we eventjes stilstaan bij deze bladzijde geschiedenis en een ogenblik het Nieuwpoortse verleden onderzoeken.

Driehonderd jaar geleden stond er op de Carmenhoek een grote brouwerij die men ‘De Sleutel’ noemde. De tijden waren uiterst slecht voor de Nieuwpoortse bevolking. Handel en zaken kenden grote crisistijden en ook de brouwerij moest er diep onder lijden, zodanig dat ze openbaar te koop werd gesteld.

Toen woedde de hevige godsdienststrijd in Engeland en enkele Engelse kloosterzusters zochten toen een toevluchtsoord in Vlaanderen en kwamen naar Nieuwpoort, waar ze hun intrek namen in de brouwerij, met de welwillende toelating van het stadsbestuur, evenals met de goedkeuring van de bisschop van Ieper. De gebouwen werden een weinig omgevormd en tot klooster ingericht, dat gebeurde in 1637.

Maar de internationale politiek smeet Nieuwpoort in de branding van de oorlogsstrijd. De stad werd geteisterd. Besmettelijke ziekten slopen de stad binnen. De Polderkoortsen heersten hevig. Ook de pas gevestigde Engelse kloostergemeente bleef niet gespaard. Veel kloosterzusters stierven en na 25 jaar verblijf hier week de communauteit uit naar Brugge waar ze zich vestigde in 1662.

Het gesticht van Nieuwpoort kwam dan in de handen van de paters carmelieten, ook soms de Onze-Lieve-Vrouw-broeders genoemd. Met goedkeuring van de bisschop en de koning betrokken ze de gebouwen. Zo ontstond ‘De Carmenhoek’.

De carmelieten wonnen weldra de algemene achting van de Nieuwpoortse bevolking. Sommige paters schitterden door hun welsprekendheid en geleerde sermoenen. Ze oogsten vooral veel bijval bij de aristocratie, die te Nieuwpoort veel hoge officieren van het garnizoen onder zijn leden telde. De kapel van de paters werd druk bezocht. Het werd zelfs een voorname eer om te mogen begraven worden in de paterskerk. Zo werden de gouverneurs van Nieuwpoort in die tijd daar begraven.

Weldra deden de carmelieten grote veranderingen aan de kloostergebouwen. Ze bouwden een ruime kerk met toren en schoollokalen, die tot het oprichten van een Latijns college moesten dienen. In 1663, in verstandhouding met het stadsbestuur, openden ze de klassen van de oude humaniora.

Een eeuw lang kende het carmelietencollege zijn dagen van bloei en inzinking. Toen braken lastige tijden aan. De gebouwen vroegen een allerdringendst herstel. Ook de kerktoren dreigde in te storten. De paters begonnen de herstellingswerken, maar bij gebrek aan geld moesten ze de werken stopzetten. De gemaakte schulden waren groot en konden niet betaald worden. Door geldnood gedwongen moesten ze uiteindelijk hun gebouwen verkopen en de stad verlaten. Ze verlieten Nieuwpoort met Pasen van 1779.

De nieuwe eigenaar vormde de kloostergebouwen om tot woonhuizen. De schoollokalen werden verhuurd als pakhuizen. In 1820 knoopte het Hollandse bestuur onderhandelingen aan met de heer Rapsaet van Brugge, de toenmalige eigenaar van het gebouwencomplex.

Men zou er een arsenaal vestigen. Er werd een te hoge som geëist en de Hollandse regering liet de plannen varen. Later verkocht de heer Rapsaet zijn eigendom aan de Engelsman Philips die de mensen in de huisjes liet verder wonen en de pakhuizen gebruikt om er appelen stockeren. Deze fruithandelaar kocht ieder seizoen de appelen op van heel de streek. Met bargiën en wagens werden de appelen aangebracht en in de Carmenhoek opgestapeld, om vervolgens per zeilschip naar de markt van Londen te worden vervoerd.

Philips verkocht later de doening aan Alexander De Roo, die samen met zijn broer Willem De Roo handel dreef in Noords hout. De pakhuizen werden te klein en nieuwe magazijnen werden er bijgebouwd.

De oude mensen mochten echter ongestoord blijven verderwonen in hun huisjes. Ze betaalden niet veel pacht, maar toch was hun inkomen soms nog te klein om huur te betalen. Ze gingen dan hun miseries vertellen aan burgemeester De Roo, die een keer onder zijn bril keek om te zien of het gemeend was en dan een kruisjes maakte over de schuld.

Was er soms armoede onder die nederige mensen dan was er toch nooit gebrek. Ze leefden spaarzaam en waren netjes. Op de muren en op de vloer glansde alles van zindelijkheid. Ge mocht binnengaan wanneer ge dat wilde bij Charles Carnier (als ge Miel nodig had voor een karweitje) of ge vond er altijd Mietje Carnier met haar sajetten muts op het hoofd, druk bezig met kousen te stoppen of te spellewerken en preus in haar ‘paleis’ dat blonk als een spiegel.

Dan brak de oorlog uit. De Duitse kanonnen begonnen het grote vernielingswerk. Het oud college van de carmelieten werd niet gespaard, maar de ‘grote kelder’ werd de bergplaats voor de officieren van de genie.

Uit ‘De Poperingenaar’ van 1936 – www.historischekranten.be

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>