De Clarissen van Langemark

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       10 months ago     281 Views     Leave your thoughts  

De Clarissenabdij te Langemark (1255-1259)

In deel 37 van ‘Archivum Franciscanum Historicum’ uit 1944 liet pater A. Heysse onder de titel ‘Origo et progressus Ordinis S. Clarae in Flandria’ de tekst verschijnen van een geschiedenis van de Clarissen in Vlaanderen, die in de jaren 1665-1667 door een onbekende werd opgesteld.

In het grondige commentaar, waarvan hij die tekstuitgave voorzien heeft, wijst de geleerde schrijver eens te meer op de duisterheden, die vooral het eerste optreden van de Clarissen in Vlaanderen omringen. In het bijzonder, wat de kortstondige stichting te Langemark betreft, blijft meer dan een punt raadselachtig.

Immers, naar de beschikbare bronnen is de bekende Ermentrudis van uit Keulen naar Brugge gekomen, en heeft omstreeks 1250 te Sint-Baafs de eerste Clarissenabdij in Vlaanderen gesticht. In de lente van 1256 heeft zij Brugge verlaten om te Langemark een nieuwe abdij, de tweede van haar orde in Vlaanderen, op te richten. Doch op het einde van 1258 of in de lente van 1259 heeft zij die stichting opgegeven en een nieuwe abdij te Rosendale, in de parochie van St.-Jan tussen de eerste en de tweede omheining van Ieper, gebouwd.

Over de redenen die Ermentrudis hebben aangezet om een abdij te Langemark te stichten, en vooral om die nieuwe stichting na een paar jaren op te geven, verschaffen de beschikbare bronnen geen bevredigende uitleg. Inderdaad, Ermentrudis vertrok uit Brugge naar Langemark ‘fundandi monasterii causa’ en gaf de nieuwe stichting op ‘ob incommoda et nimiam distantiam a civitate’.

De Minderbroeder H. Lippens, die in een tweetal studies over de abdij Langemark heeft behandeld schijnt te aanvaarden dat overbevolking te Brugge de reden van de nieuwe stichting is geweest, terwijl hij de verplaatsing van Langemark naar Ieper als een gevolg van de onveilige toestand op het platteland in het dertiende-eeuwse Vlaanderen beschouwt.

Die uitleg schenkt op haar beurt geen voldoening. Uit geen enkele bron blijkt dat de Brugse abdij op dat ogenblik reeds zo overbevolkt was, dat een nieuwe stichting zich opdrong. Bovendien blijft het een vraag waarom Langemark, dat zo spoedig een onveilig oord bleek te zijn, gekozen werd. Men kan niet veronderstellen dat Ermentrudis zich naar Langemark heeft begeven zonder de toekomstmogelijkheden van die stichting rijpelijk te hebben overwogen. Zo de onveiligheid te Langemark toentertijd werkelijk van die aard was dat een Clarissenabdij er geen stand kon houden, had. die omstandigheid, die aan Ermentrudis niet onbekend kon zijn, de vestiging te Langemark moeten verhinderen. In de waarheid, is er op dat ogenblik geen sprake was van onveiligheid de toestand in Vlaanderen onder Margaretha van Constantinopel is op het platteland even ordelijk en volkomen veilig als in de steden.

Ten andere, de bronnen gewagen niet van onveiligheid, maar van ‘incommoda’ en ‘ nimia distantia a civitate’; wat daaronder moet verstaan worden, doet eigenlijk weinig ter zake, want het is toch duidelijk dat de ‘incommoda’ en de ‘ ‘nimia distantia a civitate’ niet pas na 1255 ontstaan zijn; zo zij werkelijk van beslissende aard zijn geweest, zouden ze net als de vermeende onveiligheid de vestiging te Langemark hebben verhinderd.

Ermentrudis had die omstandigheden, zo zij bestaan hadden, des te minder kunnen over het hoofd zien, dat zij naar Langemark is gegaan met het inzicht er een duurzame abdij op te richten. Aan dat inzicht kan niet getwijfeld worden. Het feit dat zij er een kapel, die tot in 1577 heeft bestaan, bezat, bewijst weliswaar niet veel, daar die kapel misschien reeds voor haar aankomst voorhanden was; ook de vermelding in de verhalende bronnen dat haar vertrek naar Langemark ‘fundandi monasterii causa’ gebeurde, is, zelfs als zij op een historische traditie teruggaat, geen overtuigend bewijs voor een definitieve vestiging te Langemark.

Dat is daarentegen wel het geval met het feit dat Ermentrudis een pauselijke beschermingsbul voor haar abdij te Langemark heeft aangevraagd. Die bul werd door paus Alexander IV op 5 Maart 1258 afgeleverd en zal dus waarschijnlijk in de herfst of de winter van 1257 aangevraagd geweest zijn, zodat vast staat dat Ermentrudis tot op dat ogenblik in de overtuiging verkeerde, dat haar abdij voor goed te Langemark zou gevestigd blijven.

Het is pas ongeveer een jaar later, op het einde van 1258, dat aanstalten werden gemaakt om Langemark te verlaten. Op dat ogenblik inderdaad is Ermentrudis in het bezit gekomen van het landgoed Rosendale, waarheen zij de nieuwe abdij zou verplaatsen. Dat goed was haar geschonken door Margaretha, de weduwe van Jan Boudraven, die herhaaldelijk schepen van Ieper was geweest en die tot de rijke poorterskringen van zijn stad behoorde.

De schenking van Rosendale lost het raadsel van Langemark niet op, want zo zij uitlegt waarom Rosendale tot nieuw, en ditmaal definitief verblijf gekozen werd, zegt zij niet waarom Langemark werd opgegeven. Het raadsel van de verplaatsing van de abdij blijft dus onopgelost en is, op grond van de tot nu toe uitgegeven bronnen, onoplosbaar. Daarorn is de hierna uitgegeven oorkonde van bijzondere betekenis; zij werpt inderdaad een betekenisvol licht op het raadsel van Langemark.

Uit die oorkonde van Augustus 1255 blijkt dat Jan de Scotis, pastoor van Langemark, niet lang te voor op zijn parochie een hospitaal, gewijd aan de H. Paulus, had gesticht. Te oordelen naar zijn familienaam behoorde de stichtende pastoor tot een voornaam Iepers poortersgeslacht; zijn stichting schijnt ten andere de gunst van de gegoede Ieperse poorters te hebben genoten, ten minste indien het legaat waarmede de Ieperse schepenklerk Johannes Bonus rond 1250 het hospitaal van Langemark bedacht, voor het S. Paulushospitaal bestemd was.

In Augustus 1255 schenkt Jan de Scotis dat S. Paulushospitaal aan de Clarissen. Eigenaardig genoeg wordt als voorwaarde van de schenking bepaald dat een Clarissenabdij ter plaatse binnen de twee jaren moet gebouwd worden. Die voorwaarde schijnt er op te wijzen dat het initiatief van de schenking van de pastoor zelf uitging. Wellicht is Jan de Scotis op het denkbeeld van zijn schenking gekomen onder de invloed van de begeestering voor de Clarissenorde, die de toenmalige hogere burgerij van Vlaanderen heeft bezield. Men weet dat die begeestering ten andere aanmoediging vond in de openlijke bescherming die gravin Margaretha van Constantinopel aan de nieuwe kloosterorde verleende, en in dat verband is het niet zonder betekenis te doen opmerken dat de gravin zelf de schenkingsoorkonde van Jan de Scotis medezegelt, zoals zij ten andere zal tussenkomen in de schenking van het goed Rosendale.

De schenking van het S. Paulushospitaal legt niet alleen uit waarom Ermentrudis naar Langemark is gegaan, ze is bovendien van aard om begrijpelijk te maken waarom de nieuwe stichting zo snel opgegeven werd.

I-fet vertrek van Ermentrudis uit Brugge is, zoals de bronnen het zeggen, << fundandi monasterii causa ‘ gebeurd, niet, in de eerste plaats, omdat overbevolking te Brugge heerste, · maar omdat de abdis, als het ware naar Langemark werd geroepen : zij vertrok met de vaste wil er definitief een nieuwe abdij te vestigen. De termijn van twee jaren voor de bouw van de abdij die door de schenking was opgelegd, schijnt voor het verdere verloop beslissend geweest te zijn.

Het zal immers geen toeval zijn dat Ermentrudis, die in de lente van 1256, dat is in het eerste gunstige seizoen na de schenking, te Langemark aankomt, die plaats verlaat in de loop van 1258 of wellicht in de lente van 1259, dat is in het gunstige seizoen na twee jaar verblijf.

Waarschijnlijk heeft zij in 1255 de hoop gekoesterd de nodige fondsen voor het bouwen van haar abdij bij de rijke poorters van het nabije Ieper te zullen vinden. Zo zij niet aan dovemans deur heeft geklopt, schijnt zij nochtans het aanzienlijke bedrag, dat voor de bouw en de uitrusting van haar abdij nodig was, niet te hebben gevonden, tot wanneer Margaretha Boudravens zich in 1258 aanbood.

Er bleek dan echter dat die schenkster slechts geneigd was een beslissend gebaar te doen op voorwaarde dat de abdij op haar eigendom en niet op die van Jan de Scotis werd gebouwd. Aan die eis heeft Ermenrrudis zich onderworpen, gezien de termijn door Jan de Scotis bepaald, snel zijn einde naderde.

Langemark, waarvoor haar het geld ontbrak, heeft zij dus opgegeven voor Rosendale, dat bovendien wellicht gunstiger gelegen was.

Zijn de zaken zo verlopen, dan is de episode Langemark in het leven van Ermentrudis een geval van wedijver tussen twee vermogende Ieperse poortersgeslachten, de de Scotis en de Boudravens, om de gunst van de Clarissen, en een bewijs te meer van de grote bijval die de nieuwe orde bij de rijke poorters van Vlaanderen omstreeks het midden van de 13de eeuw heeft gekend.

E. I. Strubbe in ‘Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis’ van 1950