De clash op de Casselberg

Na de dood van de zwakke Karel de Schone komt er een nieuwe sterke man aan de macht in Frankrijk. Filips van Valois profileert zich binnen de kortste tijd tot een krachtige leider. Hij stelt zich radicaal op tegen de vrijgevochten Vlamingen van Nikolaas Zannekin en Willem de Deken. De Vlamingen zijn geen partij voor het Franse leger en worden op de Casselberg in de pan gehakt.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De situatie is grondig gekeerd in Vlaanderen. Maar de hoofdrolspelers zijn helemaal niet van het toneel verdwenen. Integendeel! Jan van Namen is na zijn nipte ontsnapping uit het brandende Kortrijk opnieuw beland in Gent waar hij het verzet in handen neemt van de grafelijke troepen. Hij laat zich door de Franse koning installeren als ruwaard over Vlaanderen en hij stuurt meteen aan op een oorlog met Brugge. Zoveel is duidelijk. Maar in Brugge worden de zaken helemaal anders gespeeld!

De andere hoofdrolspeler is natuurlijk de onvoorspelbare Robrecht van Cassel die zich nu natuurlijk, na zijn door de edelen gedwongen ontslag als scheidsrechter in Ter Duinen, positioneert als vriend van de ambachten. De Bruggelingen snappen meteen dat ze de autoriteit van Robrecht van Cassel heel goed kunnen gebruiken. Tot slot stroomt het grafelijke bloed van zijn voorouders door zijn aderen. De Bruggelingen beschouwen de aanstelling van de Waal Jan van Namen als ruwaard door de Franse koning als een onvervalste provocatie.

Ze verplichten de gevangen Lodewijk van Nevers om zijn oom Robrecht van Cassel aan te stellen als officiële ruwaard van Vlaanderen. De ene Dampierre wordt uitgespeeld tegenover de andere. Robrecht zal Vlaanderen voortaan Vlaanderen besturen volgens de adviezen en de regels van de Bruggelingen. Robrecht van Cassel bevindt zich meteen in een ongemakkelijke positie. Jan van Namen plooit zich terug op Karel de Schone en het Franse parlement. Het wordt een juridisch steekspel om de wettelijke macht over Vlaanderen te verkrijgen.

Robrecht van Cassel ziet zich in een hoogst oncomfortabele rol gedwongen waarbij hij zijn vroegere medestander nu zelf moet bekampen. Hij ruikt natuurlijk de kans om zelf het graafschap in handen te nemen. Maar een aanval op Gent zou vermetel zijn. Onverstandig. De Fransen van hun kant willen onderhandelingen starten om Lodewijk van Nevers vrij te krijgen. Maar de Vlamingen hebben zo hun bekomst van de reeks onderhandelingen uit het recente verleden waarbij de Franse leenheer altijd het laken naar zich toe wist te trekken.

Nee nee: liever geen verlammende onderhandelingen. De strijd moet worden verder gezet op het land. Hun land. Een rechtstreekse aanval op Gent wordt dus uitgesloten. Maar er is nog veel ander werk te doen. Waarom zouden de Bruggelingen de Gentenaars zelf niet laten beslissen om zich aan te sluiten bij het nieuwe Vlaanderen? Er volgen intense contacten tussen de ambachtslieden van Brugge en die van Gent, maar die brengen geen zoden aan de dijk.

Een militaire actie dringt zich hoe dan ook op. Het komt er op neer dat de ambachtslieden die aanvankelijk met elkaar praten, in realiteit al beseffen dat ze de wapens tegen elkaar zullen opnemen. De opstandelingen besluiten om Gent verder van de buitenwereld af te sluiten en te omsingelen. Het kasteel van Petegem bij Oudenaarde wordt veroverd. Op 15 juli 1325 valt Deinze na een massale veldslag in handen van de Bruggelingen. De aanval op Oudenaarde mislukt. Aardenburg valt en hier worden de beschermende stadsmuren afgebroken. Van hieruit zullen de patriciërs nooit ofte nimmer nog militaire acties uitvoeren.

De Franse overheid maakt zich van langs om meer bezorgd om het lot van de gevangen Lodewijk van Nevers. Een eerste vraag tot onderhandelen, werd door de Bruggelingen categoriek van de hand gewezen. Nu Deinze in hun handen is gevallen, waagt de Franse koning opnieuw zijn kans. De Brugse opstandelingen ruiken deze keer wel mogelijkheden en stellen een deal voor: Gent moet zich aansluiten bij Brugge en dan zal de graaf binnen de vijftien dagen worden vrijgelaten.

We zijn augustus 1325. De partijen trekken naar huis en hoopt dat de vrede er zit aan te komen. De graaf blijft natuurlijk gevangen. De Bruggelingen zijn zegezeker en die geestdrift heeft zo zijn impact op de mentaliteit van de Gentse wevers die natuurlijk niet gelukkig zijn dat het bestuur van hun stad zich haaks opstelt tegenover de mening van het volk. Half augustus moet de schepenbank van Gent worden vernieuwd en de wevers doen er alles aan om hun positie in het schepencollege te versterken. De ambachtslieden en de arbeiders bundelen hun krachten in één volkspartij.

Die volkspartij stuurt een brief naar de (Brugse) Robrecht van Cassel met het verzoek een commissaris te sturen die de herverkiezing van het schepencollege moet begeleiden. Een verzoek sturen naar de vijandige ruwaard is natuurlijk een provocatie ‘pur sang’! En de Gentenaars betitelen Robrecht van Cassel in hun brief dan nog als hun gouverneur en ruwaard. Jan van Namen kan er allerminst om lachen. Hij gooit een deel van de wevers de stad uit.

In plaats van vrede, verziekt de situatie in Gent op een dramatische wijze. De tweespalt tussen de Gentse burgerij, die graaf Lodewijk onmiddellijk vrij wil zien komen, en de gewone mensen die dat helemaal niet wensen, noopt de eersten om hulp te zoeken bij de Franse koning om deze onhoudbare situatie te ontmijnen. De onderhandelingen zijn nog niet eens opgestart als Robrecht van Cassel de vijandelijkheden heropent op Oudenaarde, Gent en Aalst. De maand augustus is nog niet eens voorbij. Het bastion Gent is een geïsoleerd eiland midden in vijandelijk gebied. In september worden er opnieuw enkele duizenden Brugsgezinde wevers van verraad beschuldigd, uit de stad Gent verjaagd, en voor eeuwig verbannen.

Ze sluiten zich natuurlijk onmiddellijk aan bij de Bruggelingen. Jan van Namen staat zelf aan het hoofd van de Gentse militie met de hoofdmannen Hektor Vilain en Seger van Kortrijk aan zijn zijde. De situatie lijkt onhoudbaar en het lijkt er sterk op dat Gent nog tijdens de maand oktober het onderspit zal moeten delven. Karel de Schone is de situatie in Vlaanderen ondertussen spuugzat. De maat is vol met het aanvallen, vermoorden en gevangen nemen van graafsgezinden.

Wie de graaf schade berokkent, is een vijand van de Franse kroon en dient bestraft. Robrecht van Cassel kan op geen sympathie meer rekenen en wordt voor het Franse parlement gedaagd om zich te verantwoorden voor zijn aandeel in de majesteitsschennis van de voorbije maanden. De baljuw van Amiens brengt de boodschap van de koning tot bij de verbouwereerde Robrecht van Cassel die zich beperkt tot een schriftelijk antwoord en voor de rest de eis om naar Parijs te reizen naast zich neerlegt.

Het koninklijk offensief gaat verder. Jan van Namen wordt door de koning benoemd tot officiële ruwaard van Vlaanderen. De baljuw van Vermandois verschijnt aan de Brugse muren met een bevelschrift tot vrijlating van de graaf. Het volk is woedend dat de koning blijkbaar niet eens de moeite meer wil doen om met hen te onderhandelen. Op 4 november worden de Vlamingen in de ban van de kerk geslagen.

Een typisch middeleeuws wapen om het volk koest te houden. Kerk en staat zijn één pot nat als het hen uitkomt. Inderdaad, de koning van Frankrijk oefent zelf de kerkelijke macht uit als hij Vlaanderen met een interdict en met excommunicatie bestraft. De bisschoppen van Doornik en Terwaan spreken het interdict uit en omschrijven de Brugse bevolking als ‘wilde beesten geheel en al beroofd van verstand’. De goederen van Robrecht van Cassel in Frankrijk worden in beslag genomen en het wordt de Vlamingen verboden om nog handel te drijven met wie dan ook in Frankrijk. De winter staat voor de deur. De situatie in Gent blijft aanslepen.

De ene Bruggeling verwijt de andere omdat hij niet meer naar de mis mag en omdat hij geen commerce meer kan doen. De troepen modderen maar wat aan. De illegale ruwaard Robrecht van Cassel voelt zich slecht in zijn vel. Zijn zelfvertrouwen is verzoek. Hij wankelt. Die Brugse twijfel zie je meteen in de onverwachte vrijlating van de graaf. Simpel van geest zijn ze daar in Brugge als ze de graaf op het Heilig Bloed laten zweren om geen wraak te nemen op hen en om alle bestuursdaden van Robrecht van Cassel te officialiseren.

Op 1 december 1325 laten ze, na veel gepalaver en onder zware druk van de belangrijke gematigde hoofdman en Brugse priester Pieter van Sinnebeke, graaf Lodewijk van Nevers en een groep medestanders als vrije mannen vertrekken. Nog voor het einde van diezelfde decembermaand zal de graaf er bij de Franse koning er op aansturen om bloedig wraak te nemen. Dat kon het kleinste kind eigenlijk al voorspellen op 30 november.

En ook in Gent is de situatie hachelijk. De winter speelt natuurlijk in hun voordeel. Van zodra het begint te vriezen, wordt het beleg stopgezet. De Gentenaars maken er gebruik van om hun stadsmuren te versterken en hun verdediging te optimaliseren. De strijdkracht wordt uitgebreid. Eén en ander leidt tot een groot gebrek aan financiële middelen. Dankzij de borgstelling van de Franse koning kan het stadsbestuur in die periode meer dan zesduizend ponden lenen aan de Lombardische gieren van bankiers. En de winter doorkomen.

De Gentse milities zijn opnieuw bijgesteld, de middelen zijn aanwezig en de stad wordt, dank zij de wintertoestand, niet in een wurggreep gehouden. De tijd is rijp om aanvallen te organiseren op de buitengebieden van Gent. De troepen van Zeger van Kortrijk, de heer van Drongen, en zijn collega Hektor Vilain slagen er in om de regio ten noorden, de Vier Ambachten, opnieuw in handen te krijgen. Achthonderd opstandelingen worden in de pan gehakt. Een poging van de opstandelingen om Assenede te heroveren, loopt af op een sisser en met de dood van hoofdman Walter Ratgheer.

Janszone, Beukels en Bonin kunnen ternauwernood ontkomen tijdens een chaotische ontsnapping. Ook het land van Waas en de vesting van Dendermonde komen weer in handen van de Gentenaars. De represaillemaatregelen tegenover allen die meegewerkt hebben met de opstandelingen zijn hallucinant. Alle bezittingen van Robrecht van Cassel in de streek worden met de grond gelijk gemaakt.

Het wegvallen van de handelsactiviteit met Frankrijk is natuurlijk een drama voor de Vlaamse steden. Het verbod om nog naar de kerk te gaan en dan nog die onverwachte nederlaag tegen de Gentenaars vallen zwaar bij de opstandelingen. Die van Brugge zijn in elk geval erg verdeeld. In de zuidelijke Westhoek blijven de revolutionairen even categoriek. Het uitgeroepen interdict verscherpt zelf nog de opstand.

‘Die wereld van Parijs en Avignon is ziekelijk. Koning en paus roepen de banvloek uit over de naarstige boeren die dit land van vader op zoon met harde arbeid veroverden op de zee. En nu gaan die Franse moordenaars ons nog maar eens onder de vloek van de hemel verwijzen?’ Vooral in de Kasselrij van Sint-Winoksbergen komt het tot hevige uitbarstingen van volksgeweld. Ook in Ieper stelt men zich zeer negatief op tegenover de Franse pogingen tot parlementaire inmenging in hun bestuurszaken. Ondertussen houdt Karel de Schone al van november 1325 een leger klaar in de regio Artesië. De soldaten bevinden zich in de streek van Rijsel en Sint-Omaars en wachten al maanden op het bevel om het afvallige Vlaanderen binnen te vallen en de opstandelingen mores te leren.

Robrecht van Cassel blijft getrouw aan zijn imago van windhaan. Onder druk van zijn zuster, de dame van Coucy, en van Jan van Namen, bezwijkt hij en onderwerpt hij zich aan de Franse koning. Hij trekt zich terug in zijn kasteel te Nieppe. Op 1 februari 1326 wordt het menens voor het Franse leger. Onderhandelen met de opstandelingen beschouwt de koning als taboe. Er komt binnenkort een militaire actie om Lodewijk van Nevers weer stevig in het zadel te helpen. De nervositeit in de Westhoek stijgt.

De archieven van de stad Veurne worden veiligheidshalve overgebracht naar de abdij van Ter Duinen. Er zijn al enkele weken eenenvijftig extra Ieperse boogschutters te vinden in Nieuwpoort. De militaire dreiging wordt echter voorlopig niet in de praktijk omgezet. De winter blijft aanslepen en de Fransen zitten ook nog verveeld met een dreigende oorlog met Engeland. Het favoriete speeltje van de Franse koningen wordt weer in gang gezet: zaai tweedracht en twijfel in de Vlaamse steden en maak van die verdeeldheid gebruik om de touwtjes weer in handen te nemen.

Een eerste splijtzwam komt er op 4 februari 1326 als de graaf de bestaande voorrechten van Brugge, Ieper en het Brugse Vrije bevestigt. Op voorwaarde echter dat er geen strijd geleverd wordt tegen die van Gent en Oudenaarde. Alle beslissingen van de gewezen ruwaard Robrecht van Cassel worden geannuleerd. Enkel de beslissingen van de officiële ruwaard Jan van Namen blijven geldig.

‘De moeite waard om te onderhandelen’, menen de gematigde Vlamingen. Voor een groot deel van het gewone volk is al die Franse tralala onbespreekbaar. De splijtzwam woekert door Vlaanderen. Het is wel duidelijk dat de sfeer in de steden onder druk van de weggevallen handel noodgedwongen gematigd geworden is. Dat kan vastgesteld worden in de jaarlijkse herverkiezingen van de diverse stadsbesturen. De clan van de gematigde Vlamingen stuurt de Ieperling Jan van Belle in opdracht van ‘den ymenen lande van Vlaendre’ naar Parijs om overleg te plegen. Er wordt een datum en een plek afgesproken om de onderhandelingen te starten.

De gesprekken zullen in de loop van maart 1326 doorgaan in Arques, een stadje in de onmiddellijke omgeving van Sint-Omaars. Enkel de officiële mandatarissen zijn welkom. Om u een idee te geven: van Brugge worden bijvoorbeeld veertig gematigde ambachtslieden en poorters uitgenodigd. Naast het schepencollege en de voogd wel te verstaan. De hoofdmannen van de revolutionairen worden volkomen genegeerd. Einde maart komt de vrede van Arques tot stand. Er is sprake van een milde veroordeling van de opstandelingen: het verplicht stichten van een klooster, het vergoeden van de kosten aan de kerk, een bedevaart naar het zuiden voor driehonderd Bruggelingen en Kortrijkzanen.

De verplichte eedaflegging aan de graaf en elke tien jaar aan de Franse koning. Daarbij komen nog fikse boetes van honderdduizend Doornikse ponden aan de graaf en tweehonderdduizend ponden aan de Franse koning. In ruil zullen de gevangenen worden vrijgelaten en zal iedereen weer in het bezit van zijn goederen worden gesteld. De verbannen Gentenaars blijven verbannen. De sacramenten mogen weer worden toegediend: het interdict is van de baan. En er mag weer handel gedreven worden met Franse klanten. De gewone Vlaamse man is nog maar eens gerold. Frankrijk heeft het hele graafschap Vlaanderen ter dood veroordeeld.

Het verdrag van Arques is een regelrecht dictaat van de Franse koning over Vlaanderen. De overeenkomst wordt door de gematigde Vlaamse ‘vrede-met-Frankrijk-tot-elke-prijs’ aanhangers ondertekend. Het dictaat draagt duidelijk de stempel van de koning. Hij zal er persoonlijk er op toezien dat die gerespecteerd wordt. Hij stuurt daarvoor een aantal mandatarissen naar Vlaanderen. De graaf zelf is er eigenlijk niet echt gerust in en stelt zijn terugkeer alvast uit tot september. Pas dan dient Lodewijk van Nevers zich weer aan als graaf van Vlaanderen.

Het bevestigt voor de zoveelste keer de stelling van de Westhoekbevolking dat de Fransgezinde burgers en de edelen keer op keer misdaden mogen begaan en toch telkens opnieuw in het zadel worden geholpen. De werkman is zoals steeds de pineut. Voor hen is er dan ook in de verste verte geen sprake van een vrede. De hoofdmannen van de revolutie blijven op post. De graaf en de koning hebben het laatste nog niet gezien van het verbijsterde volk! Het dictaat van Arques heeft de deur van de vrede voorgoed dicht gedaan!

‘De leeuw vreest de lelie niet’. De kenspreuk van Pieter de Coninck indachtig, wordt het gebrul van de Brugse arbeiders, de vissers en de boeren aan de zeezijde steeds merkbaarder. Georganiseerde bendes gaan opnieuw op zoek naar alles wat ruikt naar Leliaards. Het ‘popularium genus hominum naturaliter brutale’ bezondigt zich aan extreme gewelddaden. Hondschote, Rexpoede, Killem, Oostkappel zijn in diezelfde zomer en herfst al het toneel van dat revolutionair geweld.

Elke landbouwer die wil meewerken aan die verdomde vrede van Arques, krijgt aanvallen en plunderingen te verwerken van de opstandelingen. De Kasselrijen van Sint-Winoksbergen Duinkerke en Broekburg worden geterroriseerd door de bendes van Jacob Peyt en Jan van der Brugghe.

Wie is die Jacob Peyt? De kronieken omschrijven hem als ‘een vrouwenzot, een heidene, een duivel zonder consciëntie en een onbeschoft heerschap’. Maar hij is tezelfdertijd de tweede ziel van Zannekin en van zijn volk. Peyt is ‘de granieten bok van Sint-Winoksbergen, Sint-Omaars en Cassel’ Hij heeft radicaal gebroken met de kerk en met alle Franse nonsens. Priesters hebben het bij hem totaal verkorven: ‘er zou maar één geestelijke mogen bestaan op aarde, ééntje die opgeknoopt is.’ Hij is een opstandeling van de zuiverste soort die er niet eens aan denkt om zijn tienden neer te leggen voor de afkortingen van Athis-sur-Orge.

Jacob Peyt gaat regelmatig zwaar over de schreef, maar hij inspireert hoe dan ook het brute volk van Veurne-Ambacht. Hij is helemaal niet wars van heiligschennis. Iets wat helemaal niet van die tijd is. Het is daarom niet verwonderlijk dat Jacob Peyt nauwelijks geduld wordt binnen de muren van Brugge. Hij laat effectief geen gelegenheid voorbijgaan om herrie te schoppen tegen de zogezegde verraders van 1302 en tegen de nieuwbakken ridder Jan Breydel. Peyt vreest geen enkele Brugse zot. Hij is op korte tijd het symbool van een radicale groep geworden. Peyts geest doorkruist Brugge en crasht onophoudelijk met oude waarden en met de zeden van de nieuwe hoogwaardigheidsbekleders. Maar Brugge blijft hem voorlopig tolereren. Met lange tanden.

Hij kan de stad erg belangrijke diensten bewijzen in zijn streven naar onafhankelijkheid van de Franse leenheer. Over het hele Westland is er al vlug sprake van gewapende bendes die door niets ontziende hoofdmannen worden geleid. Elk stadje of elke regio heeft zijn eigen hoofdman. In Ieper wordt de bende geleid door Willem van Moorslede. De Westhoek staat in rep en roer. Drieste volksbendes plunderen de woningen en eigendommen van diegenen die hulp verlenen aan de baljuws die werken aan de uitwerking van de vrede van Arques.

Alle graafsgezinden worden onverbiddelijk aangepakt. De streek moet en zal gezuiverd worden van alles wat ook maar ruikt naar blauw bloed of lelies! Ook de kerk en de priesters krijgen het zwaar te verduren omwille van hun steun aan het gegoede volk en hun medewerking aan dat verdomde interdict. De radicalisering valt niet te ontkennen. Dat kan men perfect vaststellen op lichtmis, 2 februari, bij de jaarlijkse herverkiezingen van het Brugse stadsbestuur waar de allerminst gematigde ex-voogd Willem de Deken opnieuw aantreedt als schepen. Aanvankelijk is het nog rustig in Brugge waar de graaf opnieuw zijn intrek heeft genomen.

Maar de rebellie van het Westland bereikt de stad Brugge in maart 1327. Het moorden en plunderen breidt zich gaandeweg opnieuw uit tot het hele westelijke gebied van het graafschap. Vlaanderen distantieert zich wel enigszins van het al te brute geweld van de ondertussen overleden Peyt. Jacob Peyt wordt in augustus 1327 vermoord in de buurt van Hondschote. Hij kreeg tot eenieders verbazing een kerkelijke begrafenis in Coudekerke. Brugge laat een onderzoek instellen naar de daders van de moord. Maar één en ander zal wel met valse schijn te maken hebben.

De dood van deze rebelse en voor velen ‘crapuleuze’ Jacob Peyt is uiteindelijk voor veel gematigden een goede zaak. De moord kan dan ook wel een afrekening vanuit die richting geweest zijn. Ondertussen gaan de inningen en de pointingen van de koninklijke ontvangers hun gewone gang. Belastingen, taksen, boetes. Afdokken. Het volk mort tegen de edelen, de magistraten, de pointers en de ontvangers. Opnieuw wordt een ideale ‘fond’ gelegd voor de opstand van het volk. De onrust van 1324-1325 gist opnieuw volop in de Vlaamse steden.

De hoofdrolspelers van toen komen weer in beeld als de grafelijke baljuws worden verjaagd. De hoofdmannen nemen opnieuw het roer in handen. De kastelen en woningen van de edelen worden opnieuw aangevallen en geplunderd. De welgestelden maken zich uit de voeten of bundelen hun krachten tegen de meute. Nog nooit is de onvrede zo onmiskenbaar geweest in Vlaanderen! De revolutie toont zijn scherpste kantjes bij een reeks van vergeldingsacties van de volkspartij tegen allen die zich gematigd opstellen. Graafsgezinden in onder andere Ieper, Aardenburg, Gistel, Cassel en Poperinge worden bijzonder bloedig aangepakt.

De bezittingen van de graaf worden vernield en aangeslagen. Het is een tijd van eindeloze afrekeningen en terechtstellingen. Het geweld houdt de hele winter van 1327 en het voorjaar van 1328 aan. Vlaanderen gaat van de ene terreurdaad naar de andere. Bij het aanbreken van de eerste mooie dagen van 1328 stabiliseert de toestand in het Vlaamse land. Het lijkt er sterk op dat de stad Brugge psychologisch de macht gegrepen heeft over Vlaanderen. In de kuststreek blijft het erg woelig, maar voor de rest lijkt Brugge meester geworden te zijn over de situatie. De opperste leiding van Brugge negeert resoluut de uitvoering van het verdrag van Arques.

Er worden geen boetes meer betaald. En er is zeker geen sprake meer van het afbreken van stadsmuren wat mee in het Franse eisenpakket zat. De Franse munt wordt geweerd en dat heeft zo zijn gevolgen voor de textielhandel. Zonder er veel woorden aan vuil te hebben gemaakt, strekt de macht van Brugge zich nu uit over het Vrije, het Westland, de streken van Ieper en Kortrijk, de Vier Ambachten, het land van Waas. Zeg maar over heel Vlaanderen met uitzondering van de stad Gent. In de nieuwe Vlaamse orde is er geen plaats voorzien voor de Leliaards of voor de rijke poorters. Hun goederen worden aangeslagen. De opbrengsten van de verkoop worden gebruikt voor de financiering van het leger. Het eeuwenoude feodale systeem wordt onder de zoden van de tijd begraven.

Ook de graaf heeft niets meer in de pap te brokken. Zijn situatie wordt uitzichtlozer met de dag. De schade aan zijn kastelen in Wijnendale en in Male is niet te overzien. In Brugge heeft de opperste leiding hem aan de kant geschoven en in Gent is zijn autoriteit ook al niet veel soeps. Lodewijk van Nevers besluit om zich als ‘chevalier du Lys’ terug te trekken naar Frankrijk. Hij vertrouwt het bestuur over Vlaanderen toe aan Gent. Hij vraagt zijn koning om dwingende maatregelen te nemen. Maar op 1 februari van het jaar 1328 is er plots geen koning meer.

De ziekelijke Franse koning Karel de Schone is overleden. Er zijn geen mannelijke Capetingers voorhanden die de troon kunnen opvolgen. Het geslacht stond als sinds 987 met Hugo Capet op de troon in Frankrijk. Als de Franse koning overlijdt, is hij was vierendertig jaar. Zijn vrouw is in verwachting en het kind wordt verwacht in april. Er bestaat nog geen echo om te bepalen of de toekomstige baby al dan niet van het mannelijk geslacht zal zijn. In afwachting van de geboorte en de wetenschap of er al dan niet een mannelijke troonopvolger zit aan te komen, wordt Filips van Valois door het Franse parlement voorlopig aangesteld als regent.

Hij is een neef van de illustere Filips de Schone maar ook verwant met het Engelse hof. De regent probeert de onderhandelingen die de overleden Franse koning aan het voeren was met de Vlaamse gemeenten, verder te zetten. Maar de situatie tussen het nurkse Vlaanderen en zijn leenheer Frankrijk zit muurvast. Enkel een veldslag tussen de partijen lijkt een uitsluitsel te kunnen brengen. De baby blijkt een meisje te zijn. Volgens de recent aangepaste Salische wet, kunnen de Franse baroenen regent Filips van Valois op 29 mei 1328 uitroepen tot Filips VI van Frankrijk.

De omwisseling van dynastie zal in de kortste tijd leiden naar grote moeilijkheden tussen Frankrijk en Engeland. De opperste leiding van Brugge is de voorbije decennia steeds in nauw contact gebleven met de hoogste niveaus van hun belangrijke handelspartner Engeland. Het voorbije jaar zijn die contacten nog opgedreven, want de situatie tussen Frankrijk en Vlaanderen is zo fragiel, dat een verbond met Engeland zeker geen overbodige luxe is.

In het voorjaar van 1328 stelt aan delegatieleider Willem de Deken zelf voor aan de Engelse koning om de titel van ‘Koning van Frankrijk’ aan te nemen, zodat Vlaanderen hem zou kunnen erkennen als hun hoogste leenheer. Eigenlijk is het erg leep gezien van de Vlamingen, want de zestienjarige Edward III is zelf kandidaat om Karel de Schone op te volgen als Franse monarch. Vlaanderen trekt dus volop de kaart van de Engelse kandidatuur. Het snijdt natuurlijk in eigen vel als het Franse parlement hun eigen Filips van Valois kiest.

Nu krijgen de Vlamingen natuurlijk te doen met een nieuwe Franse koning die hen vijandig gezind is. Hoe dan ook, de beginperiode van de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland is aangebroken. Met als inzet de zeggenschap over heel West-Europa! De conservatieve Franse feodale heren bekijken de toestand in Vlaanderen met argwaan. De onrust en het bloedige geweld van de voorbije decennia in hun noordelijke leengebieden, hebben een nieuwe orde geschapen waar geen plaats meer is voor de rechten van de adel of de gilden.

Vanuit het volk is er eindelijk een democratisch getint zelfbestuur ontstaan dat zijn tijd ver voorop is. Vlaanderen ligt zwaar op de maag in Frankrijk. De Franse gemeenten zelf, van Parijs tot Normandië, kijken op naar de zelfverklaarde vrijheid van hun noorderburen. De Franse edelen maken zich terecht bezorgd dat de situatie in Vlaanderen dreigt te escaleren binnen hun eigen Frankrijk. Er moet absoluut gereageerd worden op die woelige en vervelende onderdanen.

Er moet een voorbeeldige straf worden opgelegd aan het brutale Vlaamse gepeupel. De Vlamingen moeten voor eens en altijd het zwijgen worden opgelegd. Het is notabene de paus van Avignon zelf die de grote aanstoker is van een militaire actie tegen de Vlamingen. De rebellie van de Vlamingen blokkeert blijkbaar de organisatie van nieuwe kruistochten. Johannes de 22ste is de menner en de ophitser die er bij de Franse koning op aandringt om een strafexpeditie te ondernemen tegen het opstandige Vlaanderen. De intense haat van de Franse gezagsdragers ten overstaan van de Vlaamse volksbeweging wordt van langs om duidelijker. Er wordt besloten om de Vlamingen een lesje te leren. Ze hebben oorlog gevraagd en ze zullen die ook krijgen!

Reims. 29 mei 1328. Filips van Valois (vijfendertig jaar) wordt tijdens een plechtigheid in de kathedraal tot ridder geslagen en gezalfd tot officiële koning van Frankrijk. Ook Lodewijk van Nevers is, vergezeld van tachtig Leliaardse edellieden, aanwezig als Pair van Frankrijk en als belangrijkste leenman van het rijk. Wanneer hij opgeroepen wordt om als ‘graaf van Vlaanderen’ het zwaard aan te bieden aan de nieuwe koning, blijft hij zitten en negeert hij tot drie keer de oproep van de wapenheraut. ‘Waarom zou ik hierop antwoorden Monseigneur’ beweert de graaf: ‘Waar is mijn gezag over Vlaanderen gebleven? De burgers van Brugge, Ieper, Poperinge en Cassel hebben me uit hun gebied verdreven.

Er blijft nog nauwelijks Gent over waar ik me durf te vertonen!’ Het zit een verbitterde Lodewijk van Nevers nog steeds erg hoog dat hij op de meest brutale manier als nar werd behandeld tijdens de Kortrijkse Metten. Dat het zijn schuld was, komt niet bij hem op. ‘Het graafschap staat niet meer aan de zijde van de graven van Vlaanderen. Het houdt het bij barbarendom, anarchie en ketterij.’ ‘De Vlamingen zijn erger dan honden en Turken.’ Daarom weigert Nevers het koninklijk zwaard in de stoet te dragen. Tachtig Vlaamse edellieden protesteren met hem tegen de voortdurende smaad van een barbaars volk. De koning van Frankrijk heeft als leenheer de plicht zijn leenman te beschermen, vooral tegen dit gemeen muitend volk.

Volgens de kronieken wordt bij deze gebeurtenis definitief de beslissing genomen om Vlaanderen binnen te vallen. De nieuwe koning zweert op het Heilig Olie die hem koning heeft gemaakt, dat hij niet zal terugkeren naar Parijs vooraleer Lodewijk van Nevers weer zal beschikken over een vredig Vlaanderen. De Franse adel wordt nog voor het einde van juli gedagvaard te Atrecht om er zijn diensten aan de koning te komen bewijzen.

Op 12 juni 1328 spreken de aartsbisschop van Reims en de bisschoppen van Doornik en Terwaan opnieuw het interdict uit over Vlaanderen. De magistraat en de inwoners van Brugge, Ieper en alle opstandige steden en Kasselrijen worden op vraag van koning Filips VI van Valois in één beweging geëxcommuniceerd. Het Franse ridderleger, het telt honderdzeventig banieren en dat is beduidend omvangrijker dan dat van 1302, wordt in gereedheid gebracht en zal op 31 juli verzamelen te Arras. Eén van de eersten die zich aansluit bij het leger van de koning is onze Robrecht van Cassel die hiermee zijn onherroepelijke trouw aan de nieuwe koning bewijst.

Hij is en blijft een niet te vertrouwen persoon. De koning neemt trouwens persoonlijk het voortouw in het opzetten van zijn troepen. De baljuws van alle Franse steden krijgen de dwingende opdracht om alle beschikbare leenmannen en achterleenmannen tegen de Vlamingen in het gelid te brengen.

Het gaat er heel minutieus aan toe bij de voorbereiding. Er wordt niets aan het toeval overgelaten om een scenario zoals dat van Kortrijk zesentwintig jaar geleden te vermijden. Alle noodzakelijke levensmiddelen en krijgsbehoeften worden naar noord-Frankrijk versast. Grote voorraden aan koren, haver, erwten, bonen, koeien, schapen, varkens, wijn, azijn, zout en kaarsen worden bijeengebracht in de steden St.Omaars, Rijsel en Doornik. Zesentwintig baljuws uit de diverse Franse steden, verzamelen het indrukwekkende bedrag van 229.000 Doornikse ponden.

Een bedrag dat op vandaag ongetwijfeld enkele miljarden euro zou zijn. Naast een landleger houdt de koning rekening met een aanval over zee en wordt een Franse vloot in staat van verdediging gesteld. De Fransen sturen ondertussen regeringscommissarissen naar de Vlaamse steden met de vraag zich onherroepelijk te onderwerpen aan het Franse gezag en de regels te respecteren. De aankomende oorlog en de pertinente houding van Filips van Valois zorgen opnieuw voor erg verdeelde gevoelens in Vlaanderen. De gematigde Vlamingen dringen er op aan om in te gaan op de Franse voorstellen. Maar dit keer staan de radicalen sterker in hun schoenen dan twee jaar geleden. Het komt hier en daar tot opstanden, maar zowat in alle Vlaamse steden worden nieuwe hoofdmannen aangesteld die de revolutie moeten verder zetten.

Alleen de stad Diksmuide vormt een uitzondering: hier komen de gematigden aan zet. Willem de Deken trekt nog een laatste keer naar het Engelse hof. Samen met Clais van Leke, Lieven Utenbroucke en Jan Museconingh proberen ze de Engelse koning ertoe te bewegen om de Vlamingen militair bij te staan. De abten van de Vlaamse abdijen, onder wie die van Ter Duinen, zijn verschrikt voor de dramatische gevolgen van een veldslag tegen Frankrijk en proberen de Franse autoriteiten met vredelievende smeekbrieven te laten afzien van de komende veldslag. Tevergeefs.

De Franse strategie lijkt er in te bestaan om de Vlamingen aan te vallen op twee verschillende fronten. Filips van Valois zal aanvallen vanuit het zuiden terwijl Jan van Namen de Gentenaars vanuit het oosten zal bedreigen. Zo worden de Vlamingen verplicht om hun strijdkrachten op te splitsen. Milities uit de regio’s Ieper en Kortrijk bewaken de zuidelijke invalswegen in Rijsel en het Westland. Ter hoogte van Cassel wordt de weg tussen Sint-Omaars en Ieper door de Vlamingen geblokkeerd. De Bruggelingen bewaken de regio van Doornik en houden een oogje op het nog steeds onbetrouwbare Gent.

De krijgstoestand en de tactiek van de Vlamingen is bedenkelijk. De sterfte onder de beschikbare mannen de voorbije jaren en de gereserveerde houding van de gematigde Vlamingen zorgen er voor dat het aantal manschappen zeker niet aan de hoge kant moet geschat worden. En terwijl de Fransen een massale geconcentreerde aanval plannen, verdelen de Vlaamse hoofdmannen zich in veel te veel eenheden. Daartegenover staan ongetwijfeld gedrilde mannen die perfect zullen uitvoeren wat hun legendarische hoofdmannen Janszone en Zannekin hen zullen opdragen. Maar zal dit voldoende zijn om een Frans leger van dergelijk kaliber te weerstaan?

De komende oorlog is van uitzonderlijk belang voor de kersverse Franse koning. Een kruistocht tegen Vlaanderen! Bij een overwinning kan hij zijn gezag over het heroplevende ridderschap bevestigen. Het zal een harde strijd worden tegen die opstandige Vlamingen. Een nederlaag zal hem met zekerheid zijn kroon kosten en zal meteen een breuk betekenen voor de pas geïnstalleerde Valois-dynastie. Het is meteen duidelijk waarom Filips zo gestructureerd en georganiseerd te werk gaat bij het samenstellen van zijn strijdkrachten. Hij heeft gewoonweg te veel te verliezen als ‘de grote oorlog’ verkeerd afloopt.

Dinsdag 9 augustus 1328. De laatste Henegouwse divisie heeft zich zonet vervoegd bij de rest. Het Franse leger wordt marswaardig bevonden. De volgende dag begint de opmars naar Vlaanderen. Via Etrun gaat het naar de heerweg die Atrecht met Terwaan verbindt. Ter hoogte van Houdain slaan de Fransen op vrijdag de twaalfde hun legerkamp op over een breedte van negen km. Het kamp van Houdain ligt perfect centraal tussen Rijsel en Sint-Omaars. Het blijft koffiedik kijken voor de Vlamingen voor welke richting het vijandelijk leger uiteindelijk zal kiezen.

Schijnmanoeuvres en militaire mistgordijnen: van hieruit vertrekt Robrecht van Cassel met tweehonderd gevluchte edelen en patriciërs naar Sint-Omaars om er hun garnizoen te organiseren. Lodewijk van Nevers en Jan van Namen vertrekken naar Rijsel. Het is duidelijk te zien dat enkel de Franse koning de lakens uitdeelt. Het kamp verlegt zich tot bij Bethune. De Vlamingen die de troepenbewegingen nauwkeurig bespioneren, vermoeden dat de Fransen zullen oprukken naar het noordwesten. Inderdaad. Een trip van dertien km brengt het leger naar de abdij van Ham, richting Sint-Omaars. Hier sluiten zich zeshonderd Doornikse voetknechten aan bij het Franse leger. Rond 17 augustus is het duidelijk geworden.

De Fransen zullen Vlaanderen binnenvallen via Sint-Omaars. Ze zullen de Aa oversteken en opstomen naar de Casselberg. Het staat nu vast. De boeren en de ambachtslieden van de zuidelijke Westhoek zullen de eerste schokken moeten opvangen. De manschappen van Veurne-Ambacht, Sint-Winoksbergen, Poperinge, Broekburg, Belle en Cassel staan onder leiding van Nikolaas Zannekin. Het Westhoekleger is zowat zeven- à achtduizend man sterk. Latere kronieken spreken van twintigduizend man en zelfs meer.

De Brugse aanvoerder Willem de Deken coördineert de operaties. Hij stuurt versterking in de vorm van ambachtslieden en een honderdtal boogschutters naar de troepen van Zannekin. Ook de afdelingen van Deinze en Kortrijk worden versterkt met mannen uit het noorden van de provincie. Een koerier uit Brugge bezorgt de laatste informatie over de militaire toestand bij de Vlamingen. De Ieperlingen houden de Leie in de gaten en verdedigen Kortrijk. Die van Brugge houden de controle aan de Schelde en bij Doornik. En er zijn versterkingen op komst voor Zannekin. Op 20 augustus arriveert koning Filips van Valois met zijn leger op ongeveer tien km van Cassel.

Vierduizend ridders en een massale meute van voetvolk slaan hun kamp op bij het Ruwhoutbos ter hoogte van de Schoudebroekvijver. De Vlamingen van het Westland houden de stad Cassel bezet en houden van op de heuvel nauwgezet de vijandelijke bewegingen in de gaten. Drie dagen lang blijven de legers elkaar in het oog houden. Er gebeurt voorlopig niets. Voor de Fransen lijkt het er op dat het een moeilijke onderneming zal worden om de berg op te stormen en de Vlamingen te verslaan. Er zal met een list moeten gewerkt. De Vlamingen moeten naar de open vlakte gelokt worden. Robrecht van Cassel krijgt de opdracht om voor de ogen van de Vlamingen goed zichtbare vernielingen uit te voeren op het vlakke land tussen beide legers.

Zijn eigen land in brand steken! Hij wordt door Filips van Valois benoemd tot guastatores (brandmeester). Het is de koning zelf die zonder enige vorm van respect voor de waardigheid van het geslacht van de Dampierres, Robrecht van Cassel aanstelt als brandmeester. Hijzelf moet en zal zijn vruchtbare geboortegrond tot onbruikbare verbrande aarde verschroeien. Graaf Robrecht van Kassei, half edelman, half boer, de man die jarenlang de Vlaamse gemeenten tegen Frankrijk heeft opgestookt, betaalt nu zelf de tol van zijn dubbelzinnige houding. De titel van brandmeester past bij zijn vizier: hij moet nu maar eens voorgoed bewijzen dat hij aan de kant van de koning staat en er niet meer aan denkt om alsnog over te lopen naar de Vlaamse kant, waar hij ooit de scepter zwaaide. De ridderlijke eer van de Dampierres wordt erdoor voorgoed geblameerd.

De brandmeester en zijn groep van tweehonderd ‘branders’, zullen de Vlaamse dorpen, schuren, huizen en boerderijen in de nabijheid van Cassel in brand steken. De Franse brandstichters hebben het natuurlijk gemakkelijk. In de streek van Sint-Winoksbergen is er over een breedte van vijftien kilometer geen levende ziel meer te vinden. De Vlamingen reageren niet op de provocatie van die smerige en valse guastatores. Ze blijven netjes en gedisciplineerd op hun posities terwijl ze verbijsterd kijken naar de talrijke brandhaarden. Een lichte zuiderbries zorgt er voor dat het vuur vrij spel krijgt in het zomerdorre land rond de Casselberg.

De Dampierres zijn laag gevallen: ze verschroeien de vruchtbare grond die zo vele jaren hun geldkoffers heeft gevuld. Sint-Bartolomeüsdag. Op 23 augustus 1328 schuift het Franse leger op tot over de Peenebeek vlakbij de Casselberg. De Fransen hebben hun lesje geleerd met de Groeningebeek. Deze keer zorgen ze er voor dat ze zich strategisch opstellen voorbij en over het water. Tussen de formaties is er nu nog een afstand van anderhalve kilometer. De eerste beperkte schermutselingen vinden her en der al plaats. Het ridderleger dat klaar staat om de Vlamingen te bekampen is één vierde groter dan het leger dat ooit in 1302 het onderspit moest delven aan de Groeningebeek. 9.650 ruiters nu. 7.400 ruiters toen. Er waren destijds 40.000 man voetvolk. Hier aan de voet van de Casselberg staan 50.000 voetgangers klaar.

Hoog boven op de honderddrieënzeventig meter hoge Casselberg wapperen de witte, met rood kruis geweven banieren van het leger van Zannekin. De tweelingheuvels vormen een schijnbaar oninneembare vesting. De stadspoorten zijn beschilderd met hanenafbeeldingen. Sommigen beweren dat het een reusachtige strooien haan is. Het spotten met de tegenstander. Provoceren met de tekst ‘Quand ce coq chanté aura, Le Roy Cassel conquettera’. Van hieruit zien de zenuwachtige Vlamingen de silhouetten van Sint-Omaars, Sint-Winoksbergen, Poperinge en Haezebroek. De goedendags, de met ijzer beslagen knotsen, staan in aanslag.

Er is geen plaats voorzien voor schilden, die alleen maar de bewegingsvrijheid van de krijgers zullen hinderen. De troepen van Zannekin lijken natuurlijk niet gek om de Fransen te bestrijden op de open flanken van de Casselberg. Maar er wordt wel gedacht aan strategische uitvallen. Waarom zouden ze in afwachting van de aangekondigde versterkingen uit het Brugse Vrije geen verrassingsaanval uitvoeren op het Franse kamp en meer bepaald op de tent waar de Franse koning zich bevindt? Het doden of gevangen nemen van Filips van Valois zou een enorme dreun geven aan de vijand. Het is een stoutmoedige gedachte. Het plan van Zannekin is het plan van een durver. Een krijgsman in hart en ziel. Maar niet dat van een militaire strateeg.

Wil hij zelf te graag de grote leider zijn van de Vlamingen? De Brugse versterkingen zijn al in Diksmuide aanbeland en zullen zich binnen de kortste tijd aanmelden op de Casselberg. Waarom wacht Nikolaas Zannekin niet op die extra troepen? Net zoals bij de vorige militaire confrontatie op de Pevelenberg, is het op 23 augustus 1328 opnieuw bijzonder heet. De hitte zindert over het land en over het reusachtige leger dat daar bivakkeert tegen de Schoudehoekvijver in het Ruwhoutbos. Speren en bogen liggen wanordelijk dooreen.

Het lijkt er op dat veel manschappen hun roes aan het uitslapen zijn. De eerste ruiterijafdeling is net terug van hun smerige brandoperatie. Paarden en ruiters staan of liggen in hun zweet. Ze snakken naar een koele bries en naar wat verfrissende drank. De rook van het smeulende hinterland en de hitte verlammen de vlakte. De Franse ridders suffen er op rond. Enkel het voetvolk blijft present. Het lijkt een ideaal moment om een verrassingsaanval uit te voeren. Zannekin wacht nog tot 17 u maar besluit het er dan op te wagen. De Fransen houden hun vespers. Hier en nu zal hij zijn slag slaan.

De krijger en de durver halen het op de strateeg. Drie Vlaamse legerdivisies stormen van de Casselberg naar beneden. Drie colonnes Veurne-Ambachters stormen de hooggelegen stad Cassel uit: één onder leiding van Zannekin, een tweede o.l.v. Jan Craye, zijn neef, een derde onder bevel van Veurnenaar Jacob de Deckere. Eén van de colonnes is er op voorzien om de weg open te houden om terug te keren op de heuvel. Een tweede dient als afleidingsmanoeuvre. Ze vallen met luid geschreeuw de linkerflank aan waar de Henegouwers in aanslag staan.

De hoofdcolonne met Zannekin aan het hoofd, profiteert van de verwarring om zonder veel lawaai toe te slaan op de strategische plek naar keuze. Daar waar de blauwwitte banieren van de koning wapperen. De siësta van de Fransen brengt hen binnen de kortste tijd in de onmiddellijke nabijheid van de koninklijke tent. Tussen Zannekin en Filips is de afstand nog één kruisboogscheut. Tweehonderd meter. Het voetvolk van de Fransen is volkomen overrompeld door de drieste en verraderlijke aanval van de Vlamingen en roept al uit dat alles verloren is voor de Fransen. Maar veel dichter geraken de Vlamingen niet. Niet dichter bij de koninklijke tent en ook de aanval op de linkerflank mislukt.

De manschappen onder leiding van Robrecht van Cassel, slagen er in om de Vlaamse opmars tot staan te brengen. Robrecht van Cassel bewijst hier zijn steun aan zijn koning. Het gaat er hevig en moordend aan toe. En tot overmaat van ramp blijkt de aanval op de Henegouwers ook al geen succes en wordt de achterhoede die de weg terug moet openhouden zelf door de Fransen in de tang gezet. Van terugkeren is geen sprake meer. Het Vlaamse leger is rond 18 u volledig omsingeld door de aansnellende Franse soldaten. Er wordt in dichte drommen gestreden. De strijd duurt uren. De Vlamingen strijden voor wat ze waard zijn en de Fransen kunnen alleen maar vaststellen dat ze er op die manier niet zullen in slagen om Zannekin op de knieën te krijgen. Het is nu aan de Fransen om een krijgslist te verzinnen.

Tot verbazing van de Vlamingen openen de Fransen hun rangen richting Casselberg. De soldaten van Zannekin veronderstellen dat die opening alles te maken heeft met het oprukken van hun eigen achterhoede en willen zich aansluiten bij de op komst zijnde troepen. De succesvolle krijgsopstelling van de Vlamingen verandert in een ordeloze massa vechtende bende waar de Fransen het nu wel gemakkelijk hebben om hun numeriek overwicht uit te spelen. De kroonopstelling van de Vlamingen is verbroken. De Vlamingen vormen nu een gemakkelijke prooi voor de Franse ruiterij. De kerels van de Westhoek worden vertrappeld en afgeslacht onder de hoeven van de Franse paarden. Ze worden in de pan gehakt. Nikolaas Zannekin sneuvelt samen met zijn manschappen. Achteraf zal men zijn totaal verhakkeld en onkennelijk lichaam terugvinden in de stapel van gesneuvelde mannen.

De graaf van Henegouwen stuurt zijn legerafdeling naar de stad Cassel boven op de heuvel. Duizenden Vlamingen worden op de helling en in de stad vermorzeld en gedood. De banieren van Zannekin ruimen in de kortste tijd plaats voor de gehate blauwe lelievlaggen. Cassel, avond 23 augustus 1328. De door de Vlamingen zo verfoeide Leliaardvlaggen wapperen, op het tempo van de zomerwind, hier hoog boven de stadsmuren van de stad. Alles wat zich binnen die muren bevindt, staat nog voor de nacht gevallen is, in lichterlaaie. Koning Filips van Valois trekt zich terug in zijn tent die zo goed als intact is gebleven. Vlakbij het dorp Hardifort.

Maar niet zonder vooraf een groot ‘Te Deum’ op te dragen. De koning is zichtbaar verrukt met deze grote, zeg maar haast miraculeuze overwinning op de Vlamingen. Bij toortslicht beveelt hij zijn manschappen niet te eten of te drinken zonder vooraf de heer God te bedanken. Hij stuurt een koerier om het Franse parlement en de bewoners van Parijs er van op de hoogte te brengen dat hij en hij alleen weer de heerser is over zijn erfgoed Vlaanderen. Hoeveel mannen zijn er gesneuveld op tijdens die enkele uren van strijd?

De diverse kronieken geven een aantal aan tussen de 10.000 en de 20.000 doden. Eigenaardig genoeg is er over het aantal Franse slachtoffers geen cijfer voorhanden. De enige betrouwbare bron is een document waar de verbeurdverklaringen van 3.185 Vlaamse opstandelingen met naam en toenaam vermeld staan, samen met hun woonplaats. Ook wijlen Nikolaas Zannekin bevindt zich op die lijst.

Drieduizend honderdvijfentachtig (3.185) mensen uit de Westhoek die gedood worden in een tijdstip van amper enkele uren tijd. Nooit of te nooit zal een oorlog in onze regio op zulke korte tijd zoveel van onze mensen uit het leven wegrukken. Ook de grote wereldoorlogen die pas binnen pakweg zeshonderd jaar zullen plaatsvinden, zullen gelukkig geen zulke dramatische verliezen van eigen mensen veroorzaken. Wie zijn ze, die 3185 Westhoekers? De inventaris van de gesneuvelden spreekt letterlijk boekdelen. De slag van Cassel was er één van alle bevolkingslagen van de Westhoek. De lijst maakt geen melding van de gesneuvelden uit de Kasselrijen Ieper, Belle, Broekburg, Cassel en Duinkerke.

In de gemeenten Alveringem, Isenberge, Beveren en Leisele alleen al is er sprake van 250 doden. Veel onder hen zijn boeren met een hofstede of mensen met een eigen woning. Al de boeren van de streek moeten hebben deelgenomen aan de strijd. Het is zeer de vraag hoeveel onder hen het hebben gered. Uit de ellenlange lijst halen we als uiting van respect voor ons verleden volgende details naar voor in verband met gesneuvelde volksgenoten. Filip Kinbles van Alveringem, 20 ha eigendom. Diederik van Polinkhove, 28 ha in Polinkhove. Jan Rijkaard van Reningen, 21 ha. Jan Aerembout van Haringen, 19 ha. Stasen Lauwaerd van Eggewaartskapelle, 28 ha. Willem Lauwaerd, 28 ha. Boudewijn de Witte van Kaaskerke, 19 ha. Jan Lauwer van Krombeke, 21 ha. Jakemyn Swaks van Lampernisse, 25 ha.

Nikolaas en Gillis de Raedt van Lampernisse samen 51 ha. Rijkaerd Blauvoet van Pervyse, 23 ha. Willem Tastevort van Vinkem, 23 ha. Jakemon de Peyere van Renteke (Arnike), 23 ha. Nikolaas Joris van Winnezele, 19 ha. Jan van Bambeke, 1 huis, 2 schuren, 2 stallen, 1 wagenhuis, 1 molen en veel land. Jan en Roeland van der Eiste van Bambeke, 21 ha. Hendrik van Moere van Wormhout, 4 huizen, 4 schuren, 2 stallen en 23 ha land. Jan van de Borre, ergens uit het Casselse, 55 ha op verschillende plaatsen in grote partijen verspreid.

De weerslag van de verloren slag is dramatisch voor de overgebleven families. Alle gronden en goederen van elk die aan de slag heeft deelgenomen, worden verbeurd verklaard. Have en goed wordt scrupuleus in kaart gebracht door Franse schatters en zonder pardon aangeslagen door de Franse kroon. Eén derde van de gronden wordt tijdens oktober 1327 door Filips van Valois geschonken aan Robrecht van Cassel. Ook graaf Lodewijk verwerft één derde van de aangeslagen landerijen. De lijst van gesneuvelden per dorp is impressionant.

Op 23 augustus 1328 verliest een hele generatie jonge gezonde mannen het leven. 119 gesneuvelden van Veurne. 76 van Adinkerke. 37 van Wulveringem. 77 van Alveringem. 24 van Isenberge. 80 van Beveren. 70 van Leisele. 17 van Zuidschote. 43 van Lo. 28 van Wulpen. 36 van Boitshoeke. 48 van Pollinkhove. 30 van Westvleteren. 52 van Stavele. 18 van Oostkerke. 16 van Sint-Rijkers. 16 van Ramskapelle. 31 van Stuivekenskerke. 33 van Koksijde. 53 van Reninge. 42 van Haringe. 18 van Oost-Duinkerke. 3 van Zoetenaaie. 21 van Gyverinkhove. 17 van Eggewaartskapelle. 4 van Noordschote. 24 van Hoogstade. 8 van Elverdinge. 17 van Avekapelle. 22 van Proven.

26 van Kaaskerke. 31 van Bulskamp. 33 van Oostvleteren. 30 van Krombeke. 41 van Houthem. 47 van Lampernisse. 52 van Pervijze en Sinte-Katerine. 12 van Nieuwkapelle. 25 van Vinkem. 21 van Poperinge. 12 van ’s Heerenwillemskapelle. 12 van St. Jacobskapelle. 11 van Oudekapelle. 74 van Watou. 74 van Steenkerke. 174 van Nieuwpoort. 14 van Nieuweride. De lijst gaat tergend door met de slachtoffers van de vele dorpen in de Kasselrijen Cassel, Bergen, Duinkerke,…. De lijst van honderden gedode Brugse ambachtslieden is al even veelbetekenend. Een aantal afdelingen is er in geslaagd om de dans te ontspringen. Een deel van de Nieuwpoortse divisie kan ontsnappen. 284 van de 458 mannen kunnen zich redden.

Na de slag willen wraakzuchtige legerleiders het hele kustland in brand steken en iedereen doden die ze op hun weg vinden. Vrouwen en kinderen incluis. Filips gaat niet in op dit voorstel omdat hij ook wel weet dat niet iedereen in Vlaanderen het eens was met de rebellie tegen zijn rijk. Hij ziet meer gave in de onderwerping van de steden en Kasselrijen die wel degelijk tegen hun graaf in opstand zijn gekomen. De verpletterende nederlaag is als een mokerslag aangekomen bij de Vlamingen. Het volk is ontredderd. Verslagen en onthutst. Wat staat er Vlaanderen nu te wachten?

Daags na de slag onderwerpt Duinkerke zich aan de koning, maar toch wordt de stad voor een groot deel in brand gestoken. Twee dagen later, op 26 augustus van 1328, houden Veurne, Nieuwpoort en Lombardsijde het voor bekeken. Ze staken de strijd. De mare van de nederlaag en de vele doden uit zoveel Westhoekfamilies heeft een desastreuze uitwerking op de mensen. Ze zijn precies van het lam Gods geslagen. Ook Reninge, Elverdinge, Vlamertinge, Noordschote en Woesten geven zich over aan de Fransen.

De legerleiding in Brugge probeert een uitweg te zoeken en de beschikbare krachten te reorganiseren. Willem de Deken heeft het niet onder de markt om na deze nederlaag, zijn eigen autoriteit te bewaren in zijn Brugge. Hij reist te paard naar Diksmuide. De strijdkrachten van Filips van Valois rukken verder richting Ieper. Op 27 augustus is de koning opgerukt tot de regio Poperinge. Via Eeke, Westouter en Berten. Poperinge onderwerpt zich aan de koning. Het Franse leger last een pauze in van enkele dagen om wat rust te bieden aan de soldaten en om de gewonden te verzorgen. Filips van Valois roept graaf Lodewijk van Nevers bij zich.

Volgens de Franse kronieken adviseert hij zijn ‘beau cousin’ om voorzichtiger en menselijker om te gaan met de Vlamingen zodat hij minder te maken zal krijgen met rebellie. En er volgt vooral de dreiging dat het de laatste keer is dat hij Vlaanderen ‘in vrede’ aanbiedt aan zijn vazal. In het geval hij dit ooit nog eens moet doen, zal dit alleen nog maar in zijn eigen voordeel zijn en niet langer in dienst van Lodewijk. Lodewijk van Nevers slaat de woorden van de koning in de wind. Hij denkt er het zijne van.

De teruggekeerde graaf denkt maar aan één zaak: wraak. Hij wil zich ongenadig wreken op die vuile Vlamingen. Willem de Deken doet vergeefse pogingen om het parlement samen te roepen in Diksmuide. Er worden brieven verstuurd naar Sint-Winoksbergen, Poperinge en Ieper. Maar Poperinge is al gevallen en de Ieperlingen laten weten dat de Fransen al veel te dicht genaderd zijn en dat het veel te laat is om ook maar enige weerstand te kunnen organiseren.

Inderdaad! Op 1 september 1328 staan de Fransen aan de poorten van Ieper dat met zijn omwalde buitenvesten een reusachtig bastion geworden is. De Ieperse schepenen zien het zinloze van hun strijd in en openen de poorten van de stad om bloedverlies van de stedelingen te voorkomen. Tweeduizend Fransen onder leiding van Gauchez de Châtillon proberen de stad binnen te komen. Maar ze krijgen in die eerste dagen te maken met hevig verzet van het gewone volk en de wevers die het niet eens zijn dat hun schepenen de deur wagenwijd hebben gezet voor hun aartsvijanden. De vuile patriciërs hebben het hen weer gelapt.

Het verzet van de Ieperlingen wordt georganiseerd door de pastoor van Sint-Michiels. Op 7 september 1328 valt het doek over Ieper. De soldaten onderdrukken op meest bloedige wijze de opstand van de wevers. De priester van Sint-Michiels bekoopt zijn verzet met zijn leven als zijn woning gebarricadeerd wordt en hij levend verbrand wordt. De Ieperlingen worden verplicht hun wapenuitrustingen in te leveren. De Fransen gooien de alarmklok uit het belfort en stellen Jan van Belle aan als kapitein van de stad. Ze geven het bevel om de vestingen af te breken en de grachten te vullen. Veel Ieperlingen worden verbannen of worden veroordeeld tot het betalen van fikse boetes.

Ondertussen komen de Gentenaars uit hun blauwe schulp. Deinze, dat tot op het laatste aan de zijde van de opstandelingen is blijven staan, wordt door de Gentenaars onder de voet gelopen en in brand gestoken. De regio van Maldegem wordt afgezet en er worden voorbereidingen getroffen om Brugge aan te vallen. Willem de Deken beseft dat zijn milities nu vanuit twee richtingen in de tang worden genomen. Hij ziet geen uitweg meer.

Op 5 september geeft Diksmuide zich over. Op 8 september besluiten ook de Bruggelingen om de strijd te staken. De volgende dag wordt er een nieuw stadsbestuur verkozen dat zich rept naar een tentenkamp nabij Ieper om zich te onderwerpen aan grote baas Filips van Valois. De nieuwe wind in Brugge komt van de rijke adellijke grootgrondbezitter Willem van der Stove. Deze onvervalste patriciër neemt het roer over als stadsvoogd. Er wachten harde tijden voor de Brugse ambachtslieden en het werkvolk. De schepenen die aanstuurden op een onafhankelijk Vlaanderen worden opgepakt en opgesloten in het ‘Ghiselhuus’, de halle op de Burg.

Overal in Vlaanderen worden honderden opstandelingen terechtgesteld of voor eeuwig uit Vlaanderen verbannen. Willem de Deken weet aanvankelijk te ontkomen naar Brabant maar wordt alsnog door de Fransen opgepakt en naar Parijs gevoerd. Hij wordt er twee dagen gemarteld op de pijnbank. Op 24 december 1328 wordt hij terechtgesteld. Zijn handen worden afgehakt. Hij wordt op een wissen mat door de straten van Parijs gesleept en uiteindelijk aan een galg in Montfaucon opgehangen. Zeger Janszone van Bredene, de compagnon van Nikolaas Zannekin, wordt pas in februari 1329 gevat in Oostende wanneer hij probeert om een nieuwe opstand te ontketenen.

Zijn opstand mislukt na verraad van enkele Brugse patriciërs. Hij wordt geketend en ontkleed op een brandwagen door de straten gevoerd terwijl hij met een gloeiend ijzer wordt bewerkt en daarbij over zijn hele lichaam brandwonden oploopt. Zijn ledematen worden stuk voor stuk gebroken. De wakkere en dappere verzetsstrijder Zeger Janszone sterft op 2 februari na verschrikkelijk lijden. Geradbraakt en onthoofd. Zijn ontzielde lichaam wordt aan de galg opgehangen.

De ooit zo machtige stadsklerk en priester Pieter van Sinnebeke, vlucht naar Utrecht en komt er uiteindelijk terecht in de gevangenis van een bisschop. Wat er tussen de vlucht en de gevangenis heeft afgespeeld, oogt niet zo fraai. Er bestaan geschriften over zijn verraad aan de eigen idealen. Vooral als hij zich verlaagt door als verklikker op te treden voor de graaf en daarmee gewezen medestrijders de zak in draait. Op 28 november 1329 geeft paus Johannes XXII de opdracht om hem te bestraffen omdat hij andere geestelijken tot opstand heeft opgezet.

Hij wordt tegen de betaling van losgeld uitgeleverd aan de graaf van Vlaanderen. Het laatste spoor van de ‘magistrum Petrum Flamingi de Brugiis’ leidt ons naar het Châtelet in Parijs. Zelfs de doden worden niet met rust gelaten. Het stoffelijk overschot van de vorige zomer vermoorde Jacob Peyt wordt op bevel van de bisschop van Terwaan opgegraven en als aartsketter verbrand. Het lijk van de dode ketter wordt tot as verpulverd. Graaf Lodewijk van Nevers heeft de Vlamingen opnieuw in zijn macht en vertrappelt ze zonder genade. 1700 gijzelaars van alle rangen en standen uit Brugge en Ieper worden als gijzelaars uitgeleverd aan de koning.

Ze vertrekken op 17 september. Zij zullen als borg dienen voor de onderwerping van hun landgenoten. Duizenden Bruggelingen worden te Damme opgeknoopt, veel ambachtslieden van Ieper worden gedecimeerd. Vrijheidsstrijder Lambrecht Bovyn en veel anderen worden geradbraakt. Ontelbare burgers worden verbannen. De goederen van allen die gestreden hebben in Cassel zijn al lang verbeurd. De steden zijn beroofd van hun keuren en voorrechten en worden doodgeslagen met ontzaglijke boeten. De stadsgrachten moeten gedempt zijn voor Pasen van 1329. Er staat een periode van jarenlange repressie voor de deur van Vlaanderen.