De constructie van het belfort

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       11 months ago     351 Views     Leave your thoughts  

Rijpende plannen voor een sensationele stenen lakenhalle
Vanaf 1150 rijpen de plannen om een ongeëvenaarde commerciële halle op te richten. Een paleis van een lakenhalle. Met voor die tijd ongeziene, immense afmetingen. Deze keer in steen. Er is blijkbaar grote nood aan een professionele verkoopsruimte en aan een fabriekshal van voldoende omvang en uitstraling. Een industriegebouw nog voor de term wordt uitgevonden. Zo arriveren we in het jaar 1200. Woensdag 1 maart, om precies te zijn. Boudewijn van Constantinopel verblijft in Ieper tijdens de 14 dagen van het jaarfeest. De stad bulkt van de vreemde handelaars. Het is een ideaal moment om de eerste steen te leggen van het nieuwe reusachtige gebouw. De graaf wordt bijgestaan door zijn echtgenote Maria, de dochter van de graaf van de Champagne, en door Erlibaldus, de grootbaljuw van Ieper en telg van de Hondeghemse familie ‘de Quienville’.

Het hout van de lakenhalle komt van Noorwegen
Hoe lang zal er worden gebouwd? Lambin en Vandepeereboom beweren dat de bouw 30 jaar duurt. De Ieperse stadsarchitect Jules Coomans die de heropbouw van Ieper zal coördineren na de eerste wereldoorlog, houdt er een andere mening op na: de manier waarop de dakgebinten zijn gebouwd en het ontbreken van enige tussenmuren, maken het voor hem duidelijk dat de bouw van de lakenhalle zowat 100 jaar duurt.

De eenheid van uitvoering en de harmonie van de architectuur maken het voor de kunstminnaar van voor de grote oorlog duidelijk dat Jules Coomans ongetwijfeld gelijk heeft. Er worden duurzame materialen ‘estophe’ gebruikt om de nieuwe halle (‘delle nouvele Halle’) op te trekken. Harde zandsteen van Bethune voor de buitenmuren. Voor de dorpels, vensterkruisen, mazen en staanders worden stenen gebruikt die afkomstig zijn van de steengroeve in het Henegouwse Bray bij Binche. Aan de binnenkant van de muren worden gele bakstenen gemetst. Uit de stadsrekeningen blijkt dat het met zeewater doortrokken hout afkomstig is van Denemarken en Noorwegen. De geïmpregneerde houten balken worden aangevoerd vanuit Wesel aan de Rijn. Ijzer, lood en tin komen waarschijnlijk van Engeland en worden voor het gebruik nog finaal bewerkt door Ieperse ambachtslieden.

De funderingen worden in één beweging aangelegd. Nadien begint de bouw van de oostervleugel die uitkijkt op de Grote Markt. De gilde van de lakenhandelaars dringt er bij het stadsbestuur op aan om eerst en vooral te beginnen met hét pronkstuk van de nieuwe lakenhalle: het belfort. In de voorgevel van de eerste verdieping zien we vier spitsbogige vensters. De buitenste twee zijn dicht gemetst. In de zijmuren is er een machtig ogief gemetst waarvan het boogveld twee parallelle, door pijler geschraagde spitsbogen, vormt. Ze fungeren als toegang tot de beide vleugels van de lakenhalle. Aan de achtergevel steekt slechts één venster. Langs weerszijden zijn wenteltrappen gebouwd die toegang geven tot de hogere verdiepingen.

Twee vensters aan de Donkerpoort
Aan de voorgevel zijn er boven de Donkerpoort twee vensters gemetst en een troonhemel in zachte steen waar een beeltenis van Maria geposteerd wordt. In 1377 zal het geheel moeten hersteld worden en is het beeld aan vervanging toe. Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw met de lantaarn in smeedijzer zal vanaf 1383 het onderwerp worden van grote verering door de stedelingen die het overleven van een immense belegering door de Engelsen en de Gentenaars in dat zelfde jaar toeschrijven aan de bescherming die ze blijkbaar kregen van deze Heilige Maagd. Aan weerszijden van het illustere beeld, op het verdiep, zijn er blinde vensters aangebracht.

De Brugse beeldhouwer Cornelis Laenem zal later, in 1512, de beelden van Maximiliaan van Oostenrijk, zijn vrouw Maria van Bourgondië en die van Filips de Schone met zijn gemalin Johanna van Aragon beitelen. Boven het Mariabeeld prijkt een zwartgeschilderde leeuw die het wapenschild van de stad met zijn klauwen vast klampt. In tegenstelling tot wat Vandepeereboom en Lambin schrijven, is de schepenkamer wel degelijk gelegen in het belfort. In de stadsrekeningen van 1317 lezen we inderdaad ‘a y valles qui ont ramonné le cambre deschevins sour le belefroy’.

De Ieperse schepenkamer in 1303
Het is in die schepenkamer dat zich op Sint-Andriesavond, 29 november, van het jaar 1303 gruwelijke taferelen afspelen. Er breekt een grimmige volksopstand uit die vooral gericht is tegen het stadsbestuur. Enkele heethoofden beuken de deur van de schepenkamer in en vermoorden er negen schepenen. Michiel Paeldinc, Andries Van Acker, Frans Debeir, Niklaas de Vellemaecker, Jan Copsen, Jacob Baerdonc, Jan Peper, Bartholomeus Morin en Niklaas van Loo worden genadeloos geliquideerd. Ze worden onder zware zerkstenen begraven in het zuidportaal van de Sint-Maartenskerk, meer bepaald in St.-Eloy, de kapel van de gelovige zielen. Rond 1325 ruimt de schepenkamer in het belfort plaats voor de schatkamer. Voortaan worden hier de voorrechten, de keuren, van de gemeente opgeborgen.

Ze steken in zware koffers die voorzien zijn van zeven sloten. De zeven respectieve sleutels worden aan evenveel magistraten toevertrouwd. Hier worden ook de stadsjuwelen en de schuldbekentenissen van de stad bewaard. In de schatkamer worden trouwens ook de stadswerklieden uitbetaald. In de loop van de 15de eeuw zullen de registers en de financiële archieven i.v.m. de openbare werken, de inkomsten en uitgaven, trouwens verhuizen naar een nieuwe schatkamer in het ‘stedehuus’. De juwelen en de beveiligde koffer blijven echter in de schatkamer in het belfort. Het baar geld wordt toevertrouwd aan de Ieperse schatbewaarder. De toestand zal onveranderd blijven tot dat de Fransen in 1794 na de belegering van de stad ermee dreigen om het archief te zullen vernielen. De leden van de gemeenteraad en de Franse commissarissen gaan over tot de verkoop van een deel van de archieven en besluiten om de rest te gebruiken als schietpatronen.

De schatkamer in het Stedehuus
Stadsarchivaris Lambin kan op gevaar van eigen leven de ‘gheluwen boek’ uit de brand slepen. Een zekere Hyndrick en zijn dienstknecht slagen er in om mondjesmaat de voornaamste stukken van de Ieperse archieven naar hun huis mee te smokkelen. Nadat de Fransen in 1815 de stad hebben verlaten, zullen de gerecupereerde archieven teruggeschonken worden aan het stadsbestuur. Onder het Franse bestuur zal de schatkamer in het ‘stedehuus’ afgeschaft worden en verhuizen de archieven opnieuw naar het belfort. Jean-Jacques Lambin en Isodore Diegerick zullen er tientallen jaren van hun leven doorbrengen om er orde te scheppen in de warboel.

De netjes geklasseerde stukken zullen voortaan in het archief recht tegenover de kleine kerkdeur van Sint-Maartens opgeslagen worden. Maar er blijft veel oud papier rondslenteren in het belfort. Een ongeordend zootje documenten wordt in de 19de eeuw als waardeloos aanzien. Onbegrijpelijk toch! Waardevolle stukken uit het verste verleden van de stad zullen gebruikt worden als inpakpapier voor de marktkramers en vanaf 1888 zelfs eenvoudigweg vernietigd worden. Een mooi voorbeeld van de intrinsieke waarde van de vernietigde documenten wordt bewezen door J. Cordonnier die in 1888 uit een naar de stortplaats verwezen kar met oud papier een uiterst zeldzame rekening van de Ieperse Gilde van O.L.V. der Parijse studenten uit de 14de eeuw opvist. De vernietiging van de oude ‘schatten’ kan nu eindelijk worden stopgezet.

De lantaarn van het Ieperse belfort
Maar laat ons terugkeren naar de bouw van de lakenhalle. De derde verdieping van het belfort krijgt het daglicht binnen via hoge gotische ramen die aangebracht zijn aan de vier zijden van de toren. Boven zien we kantelen, die aan de hoeken onderbroken worden door slanke spitse torentjes. De banieren van de gilden en ambachten worden samen met de krijgsstandaard van de stad en die van de graaf van Vlaanderen bewaard in de wapenkamer op de derde verdieping. In de noordwesterhoek van de wapenzaal is een donker hok gemetst waar onruststokers in tijden van oproer kunnen worden opgesloten.

De volgende verdieping is gemetst met gele baksteen. Gotisch en dus met spitsboogvormige vensters. Aan alle zijden is een gaanderij uitgewerkt die toegang geeft tot de borstwering van de kantelen en de torens. Hier bevinden zich de klokken in het ‘clockeluudershuus’. In 1308 zijn er drie mensen belast met het luiden van de klokken. In 1311 krijgt Jan Boom 24 pond voor het luiden van de dag- en avondklok. Bij de blijde inkomst van hooggeachte personen, zoals de graaf, gaan de ‘trompers’ zich naar de gaanderij waar ze het geluid van hun bazuinen laten weergalmen over de stad en zijn voorgeborchten.

Hier is ook een achtzijdige naald aangebracht. Ze bestaat uit verschillende delen. Onderaan een afgeknotte kantzuil. Hierboven een klokkenlantaarn afgewerkt met een kapje. De naald wordt aanvankelijk bedekt met tegels. Later met vergulde schaliën. De spitse naald bezit vier standvensters die door bewakers gebruikt worden om de stad en het omliggende in de gaten te houden. Bij het naderen van de vijand of bij het uitbreken van een of andere brand, wordt er alarm geslagen via klokkengelui. De bewakers en de klokkenluiders kunnen elkaar via een smalle houten trap bereiken. De lantaarn van het belfort wordt geflankeerd door twee klokken.

Een ooggetuige van het beleg van Ieper in 1383 vertelt dat de Ieperlingen bij het naderen van de vijand eerst de grote en dan de kleine klok luiden. Maar in de stadsrekeningen van begin 1300 wordt er gewag gemaakt van verschillende klokken: de ‘dagclocke’, de ‘poorteclocke’, de ‘weverclocke’, de ‘garenclocke’, de ‘corenclocke’, het ‘bruutclocsin’, de ‘wingeroen’ die het sluitingsuur van de herbergen (22u) aankondigt, en de ‘huerclocke’. Het zijn natuurlijk niet allemaal verschillende klokken. De naam wordt aangepast aan de omstandigheden waarvoor de klok moet luiden. De huerclocke kan bij andere omstandigheden net zo goed de stadsclocke, de stormclocke of de triomheclocke heten.

De constructie van het belfort in 1200
En blijkbaar zijn er niet voldoende varianten voorzien want op de maandag en de zaterdag van de garenmarkt begint het klokkengelui met de ‘derde schelle’ van Sint-Maartens. Op de borstwering van de galerij, boven de klokkenlantaarn, prijken acht koperen arenden. Ze worden er aangebracht in 1330. Dirk de Pondelmaker heeft ze vervaardigd. Hendrik Manin staat in voor het vergulden van de arenden die elk ongeveer 55 kg wegen.

De zware ijzeren spil die oprijst uit de naald wordt de ‘drake’ genoemd. Het symbool van de vrije stad. Bij de bouw van het belfort wordt er geen plaats voorzien voor een uurwerk. De uurplaat en de wijzerplaten zullen pas aangebracht worden met het jaar 1500 in het verschiet. Toch moet er al een eerste wijzerplaat zijn in 1432 want in oude documenten kunnen we lezen dat Frans de Wichterne de wijzer heeft vernist. (‘onlanx ant belefroot ghestelt’). In 1564 zullen er zelfs uurplaten worden aangebracht op verschillende hoogtes. Eén tussen de eerste en de tweede gaanderij zoals wij die nu nog steeds kennen.

Een tweede is aangebracht ter hoogte van de schepenkamer in het westen. Naast de constructie van het belfort in 1200 wordt meteen ook werk gemaakt van de bouw van de oostervleugel. De oude halle met uitkijk op de marktplaats. In de oude stadsboeken van 1304 en 1305 wordt melding gemaakt van ‘delle viese Halle’ maar tezelfdertijd ook van een nieuwe halle. Dat wordt trouwens nog eens bevestigd door oude rekeningen van 1285 en 1286 waarbij onkosten betreffende de aankoop van allerhande bouwmaterialen (‘estophe’) voor de nieuwe hal (‘delle nouvele Halle’) worden gespecificeerd. Het wordt in elk geval duidelijk dat er sprake is van de bouw van een nieuwe halle, maar dat er in die tijd wel degelijk een eerste gebouw aanwezig is.

22 deuren op het gelijkvloers
Op het gelijkvloers geven 22 deuren met een bovendorpel in de vorm van een schouderboog uit op de markt. Hun spitsbogige bovenraam is voorzien van een blind boogveld met gotische versiering. In de verdieping steken afwisselend open en blinde vensters die identiek versierd zijn zoals die van het gelijkvloers. Hoe groot is de Ieperse bevolking in die tijd? Lambin vraagt het zich af. Hij vergelijkt eens de situatie in Ieper met die van Leuven halfweg de 14de eeuw, waar elke lakenwever zowat 30 à 40 arbeiders in dienst heeft. Ieper telt op zijn hoogtepunt 4000 wevers. Een kleine rekensom leert ons dat er in die tijd tussen de 120.000 en 160.000 mensen aan het werk zijn in de Ieperse textielindustrie.

Die stomende bevolkingsgroei zorgt voor een bont allegaartje van duizenden wolkammers, scheerders, ververs, vollers en diverse textielarbeiders. Het is dit allegaartje dat in de loop van die vroege middeleeuwen ook zorgt voor de nodige sociale onrust en criminaliteit in en buiten de stad. De brute gewelddaden die zich voordoen in de jaren 1280, 1303, 1328, 1364, 1374 en 1380 blijven kleven aan de Ieperse geschiedenis.

Ook aan de lakenhalle blijven lang dergelijke souvenirs zichtbaar. Als we zo bijvoorbeeld kijken naar de linkervleugel van de voorgevel van de oude halle, zien we een prominente console tussen de hoofdtrap en de galerij. De console wordt volgens de traditie opgetrokken als aandenken van een vadermoord uit jaloezie. Het is een moord die plaatsvindt ten tijde van de constructie van die oude halle. De moordenaar is verbitterd omdat hij één denier per dag minder verdient dan zijn vader. In 1836 staan er nog steeds restanten van het moordtafereel afgebeeld op de console.

Ter hoogte van de gaanderij
De vloer op de verdieping bestaat uit straatstenen of plaveien die vastgezet zijn in aarde. Onder de aarde liggen planken die rusten op grote balken. De balken worden geschraagd door stevige pijlers. In 1642 zullen de plaveien vervangen worden door blauwe en grijze tegels van 29 cm grootte. De plankenvloer zal plaats maken voor gemetste gewelven. Het is Valentyn Bulteel, de voogd van de stad, die op 1 september 1675 de eerste steen zal leggen van die gewelven.

De halle wordt aan de buitenkant volledig opgetrokken in zandsteen. Aan de binnenkant wordt die lijn niet doorgetrokken. De binnenzijde van de verdieping is gemetst in gele baksteen. De voor- en de achtergevel hebben een gaanderij ter hoogte van de dakgoot. De borstwering van de galerij is voorzien van kantelen met kunstige gotische boogvormen. Ter hoogte van de gaanderij, aan beide uithoeken van de oude halle, rijzen slanke achtzijdige gotische torens op. Hun naalden zijn, net zoals het dak van de lakenhalle, bedekt met rode tegels. Op de spits van beide torentjes prijkt een windwijzer. De ene windwijzer stelt een schutter voor, de andere een paardje.

Beide zijn gegoten door Walter de Pondelmaker en verguld door Manin en Haning Soliere. Dat kunnen we lezen in de stadsrekeningen van 1317. De rode tegels van het scherpe dak van de halle liggen vast gemetst op eiken latten die gespleten werden uit duigen van wijnvaten. Ze zorgen al snel voor problemen. In 1312 moet het oudste gedeelte van de loden dakgoot worden hersteld. In 1393 begeeft het dak het onder het gewicht van de tegels en zien de Ieperlingen zich genoodzaakt om die te vervangen door schaliën.

.

Dit is een fragment uit boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>