De dood van onze Bobby

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     341 Views     Leave your thoughts  

Een vertelling niet om mee te lachen

Mijn vader, die een bakker was, en zijn hond Bobby, die aan de triporteur hielp trekken, hebben in hun leven veel moeten doen om aan hun brood te komen. Bobby at per dag meer dan een half brood: drie, vier sneden van twee vingers dik, die in zijn pateel; dat aan ’t kot stond, gebrokkeld werden. Daarnaast stond zijn teil met water, van hetzelfde pompwater dat mijn vader voor zijn gezondheid elke morgen dronk op zijn nuchtere maag en waarvan hij zei: zo helder als kristal.

Om Bobby een beetje tegen de meeste winterse kou te beschutten had vaderzijn kot naar ’t westen doen kijken: een houten kot met oude meelzakken erin en waarvan de bevloering, tegen de wakte een centimeter of twintig boven grond uitstak. Vóór en na de broodronde lag Bobby aan zijn keten: dag en nacht.

Als er langs achter, door de hof, klanten om brood en andere winkelwaar kwamen, baste Bobby totdat ze weer weg waren, terwijl hij, in den attendant, met zijn gespannen keten als straal, altijd maar kwartcirkels trok. Maar hij was een goeie brave hond, die nooit een mens kwaad ging doen.

Wanneer in de herfst de aardappelen eruit moesten, mocht Bobby mee van vader de hof in. Het was een plezier hem dan eens in zijn doening te zien. Hij liep te vluchte van vader weg tot aan de haag. t’ einden de hof, en van de haag terug naar vader.

En vader zei: goerte! uit de weg dedju, of anders kap ik je met mijn greep nog de leên af! Bobby stelde ’t goed met vader en vader met zijn hond; ze hadden wat aan mekaar; eten en drinken en veel ander contentement Vader streelde hem. iedere keer streelde vader onze Bobby wanneer hij hem eten droeg. Bobby ging dan op zijn rug liggen. Met de poten in de lucht. En vader streelde hem de buik. En onder de oksels.

Als ’t tijd was om de broodronde te doen, had vader de opzettelijke gewoonte, wanneer hij de triporteur had op straat gezet, de poort wagenwijd voor Bobby te laten openstaan. Vanals Bobby zijn halsband was afgedaan, vloog hij te schichte van zijn kot weg, de poort door, en zonder te kijken de straat over, om tegen de hoek van Poorters huis te gaan zeiken. Mijn vader gebaarde niets te zien, doch beleefde daar altijd leute aan in zijn buik. Poorter was van dezelfde stiel als vader, maar niet bijzonde capable, met het gevolg dat hij moest schenteventen om er te geraken: een bakker zogezegd die maar een stroeling hondezeik waard was.

Bobby vloog dus zonder kijken de straat over. In die tijd waren er nog niet veel auto’s. In onze straat passeerde er maar ‘ns een auto per verwaaide keer, en nochtans was onze straat de straat naar de tramstatie. Had er daar nu juist op dàt moment eens een auto voorbijgereden! Het had vader een ruïne kunnen geweest zijn!

Op zekere keer scheelde het weinig of Bobby had de onderpastoor mee die per velo aankwam. Wat zou dat geweest zijn had de onderpastoor een ongeluk moeten tegenkomen, had hij gevallen en armen en benen gebroken! Wie ging er met ’t batje gezeten hebben? Vader natuurlijk! ’t Spaargeld, dat weigerlijk in de voutekast zat weggestoken, zou er tot dè laatste centime aan zijn geweest.

Ik zie nog voor me hoe Bobby als een klein hondejong bij ons aan huis werd besteld. De nichten – Maria en Margriet uit Bovekerke kwamen het er mee af in een duivemand, die op ’t staantje van een van hun velo’s was vastgebonden. Het was een schone zomerse dag in de jaren ’32-33. Ik zat de zulle. Bobby toch, waar is de tijd jong?

Vader leerde hem van kleinsaf wat dat was, de triporteur helpen trekken. En alzo heeft Bobby dat een jaar of acht moeten doen. Tot in de oorlog van ’40. Mijn vader was veel te braaf voor de commerce van die tijd: hij verkocht brood aan de mensen die meer honger dan rantsoenzegels hadden, zonder in zulke noodgevallen een frank te durven doorrekenen. Zodat hij na korte tijd zegels mankeerde om nog meel te kunnen indoen. En er weldra niets anders opzat dan zijn bakkerij stil te leggen. En nu, vanwaar moest nu ’t brood komen? Ook voor onze Bobby, voor wie er ook geen werk meer was. Er stond niets anders op: Bobby moest eraan!

In ’t hennenpark heeft vader Bobby’s put gedolven. En dan deed hij de expert komen. Om de piqûre te geven. Vader ging mee tot aan ’t kot, en draaide zich dan om. Bobby was uit zijn kot gekomen zonder te bassen, omdat vader met de expert mee was. Hij kwispelde met zijn staart bijna zoals ten aardappeltijde. En dan, in een keer, alsof hij aanvoelde wat er hem te wachten stond, werd hij stil. Ik geloof dat ik hem zag beginnen beven. De expert gaf hem vlug de spuit. En in een-twee-drie zakte Bobby door zijn poten en lag hij dood vóór zijn kot.

Hoeveel is ‘t, meneer den expert?

Wanneer de onkosten betaald waren, deed vader onze hond voor de laatste keer zijn halsband af. Het was de eerste keer dat Bobby er niet op uitvloog om tegen Poorters muur te gaan zeiken. Vader pakte hem in zijn armen en droeg hem naar ’t henneperk, waar hij hem voorzichtig in de put liet glijden.

Allee Bobby, zei vader met een krop in de keel, stel het goed, jong. Den oorlog toch, dju toch! En hij smeet de put toe.

En ik: altijd maar voortschremen, voortschremen.

.

’t Bergmanneke

.

Uit ‘Het Manneke van de Mane’ van 1977

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>