De dronkaards van het Ceuninckstraatje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     461 Views     Leave your thoughts  

Oud-Diksmuide: het ‘Ceuninck straatje’ voor 1914

Het was een nauw, kronkelend straatje tussen de Paterstraat en de grote markt. Heel in den ouden tijd, moet het een aardeweg geweest zijn, waar de hovingen van de huizen van Woumen- en Esenstraat op uitgaven.

Later, als er schaarste was aan bouwgrond, zullen er huizen opgekomen zijn. En zoals het in de verleden tijd ging, men zag niet zo nauw naar ‘alignement’, zodat alles zowat uit en in, krom en scheef gebouwd werd.

In 1914 stonden daar een hele boel huizen en huisjes, stuk voor stuk krotwoningen, waaronder 3 à 4 herbergen en twee ‘logementen’. Op een plank, dienende als uithangbord, stond er voor deze laatste ‘droog logist’.

Alle bedelaars, leurders en straatmuzikanten vonden er voor de nacht een veilig onderkomen. Voor enkele centen kon men er de nacht doorbrengen, zittend op een bank, terwijl de armen en hoofden der slapers over een strakgespannen reep hingen.

In de prijs was nog begrepen, ’s morgens daarop een tas koffie en een snede brood. Nu, men was toch in het droge, en daarvan kwam waarschijnlijk de naam voort.

Langs de marktkant was het straatje afgesloten door twee bogen. De ene op de rooilijn van de huizen langs de markt en zonder enig ornement. De tweede, enkele meter in het straatje, versierd met een schoon kapelleke van O.L.Vrouw. Dit kapelleke werd door de bewoners van het straatje onderhouden, en zelfs goed onderhouden en altijd brandde er ’s avonds licht.

Dicht daarbij, woonde de enige ‘antiquaris’ van de stad. Een zonderling! Hij leefde er gans alleen en was goed gekend bij vele kunstenaars. Hij was reeds bij de 90 toen de oorlog 1914-18 uitbrak. Enkele jaren vroeger was hij verhuisd uit de Woumenstraat en boven op de verhuiswagen…stond zijn doodskist. Die was reeds vele jaren gemaakt en hij nam ze dus ook mede naar zijn nieuw tehuis. Maar hij heeft ze niet kunnen gebruiken, want op de vlucht heeft hij die moeten in de steek laten. In die kist stond een fles genever en lag geld voor de dragers.

Aan het andere eind van het straattje, aan de Patersstraat, was een oude smidse, waar wij, jongens, wel eens aan de blaasbalg mochten trekken, of eens op het aambeeld kloppen. Aan de andere hoek stond een winkeltje, waarvan de bazin pannekoeken bakte voor het publiek: een cent voor een gewone en 5 centiem voor een met appelen in. Zij bakte ook zwarte bollen, en wij hebben dat meer dan eens gadegeslagen. Zij smolt zwarte suiker in een ijzeren pannetje en goot de bollen eenvoudig weg op de vloer, waar ze stolden. Ze werden er dan met een mes afgeschreept.

Veel vrouwen uit het straatje beoefenden het kantwerk (spellewerk). Bij goed weer gebeurde zulks op straat. Rond O.H.-Hemelvaart was het spellewerkersmestdag. Dat was voor de wijk een heel feest. Eerst ging men in de stoet, en op zijn zondags naar de mis, daarna dretste men de straten der stad rond. Er was mastbeklimming voor de jongens en er waren ‘koekestuiten’ voor de vrouwtjes. Ook de hesp moest er aan geloven, terwijl het bier uit de talrijke stedelijke brouwerijen de kelen verfriste.

“s Anderendaags werd het hespebeen plechtig begraven in de Legeweg. Het was er aners ook nog al een rumoerig straatje. Niet alle inwoners waren heiligen, en zoals boven gezegd, er waren verschillende herbergen. Er werd nog al veel gedronken en dan kwam het soms tot brutaliteiten. Vele Diksmuidelingen durfden voor geen goed van de wereld door het straatje gaan, zelfs niet bij klaarlichten dag. Wij, jongens uit de buurt, lieten zulks niet aan ons hart komen en we liepen er door wanneer we wilden.

En ’t is alzo, dat we soms getuigen waren, al was het maar uit de verte, van tumulte of dronkemansgevechten. En er werd wel eens een ruit stukgeslagen of een deur ingeschopt.

En dan liep men om de politie. Co en Pol, de ‘garden’, kwamen het dan af, soms met de sabel in de hand, om de orde te herstellen. De ‘garden’ waren toen immers gewapend met een sabel, waar ze geweldig mede zwaaiden om schrik aan te jagen. Meer dan eens werd een dronkaard naar het ‘prison’ gesleurd, wat niet velripe zonder getier en gevloek… En als de gevangene het al te bont maakte, moest hij het ‘blokkot’ in. Dat was een soort kas, waarin men juist plaats had om genepen rechtop te staan, en die met vervaarlijke zware sloten toe was. In een museum kan men daar een foto van zien.

De dronkaard moest erin blijven tot hij tot betere gevoelens kwam! Al de kunstschilders, die voor 1914 Diksmuide aandeden, kenden het straatje en kwamen er werken, want het was uiterst pittoresk. Coppens, Titz, Lemmens, Rekelbus, Leduc, Cassel en andere hebben het op doek gebracht.

Op het laatste der vorige eeuw en tot aan 1914 stond op het naambord van het straatje: ‘KONIJNSTRAAT’. Wij weten niet waarom. Maar dat was een fout, daar van in 1380 in alle opeenvolgende stadsrekeningen ‘Ceuninckstraat’ staat.

Het straatje bestaat nu nog, maar slechts als uitweg. De krotwoningen zijn verdwenen, de dronkaards ook…..De som onmenselijke arbeidstoestanden, het gemis aan hygiëne, de krotwoningen en het gemis aan gezonde ontspanning waren zeker oorzaak van het overdadig drinken. Nu wonen de arbeiders in gezonde, aangepaste woningen, hetgeen voorzeker ten bate komt aan de morele en fysische verheffing van ons volk.

M. Catteeuw in ‘Bachten de Kupe’ van januari 1961

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>