De eerste dag van Wintermonath

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      3 months ago     225 Views     Leave your thoughts  

Als een rijpe en volop geurende appel valt een boek uit 1844 in het mandje van mijn kronieken. Een Franstalig boek uit 1844 met de titel ‘L’année de l’ancienne Belgique’. Op het eerste zicht niets bijzonder tot ik de ondertitel lees en snel doorheen de 194 bladzijden scrol. Dat is niet gezeverd, daarmee schiet je mij recht in het hart, een Cupidootje voor een geschiedschrijver van mijn allooi. De ondertitel maakt al direct alles duidelijk, ik vertaal die maar meteen in het Vlaams: ‘herinneringen aan de seizoenen, de maanden, de weken, de feesten, de volksgebruiken van lang geleden, nog voor de komst van het christendom naar België. Met uitleg van de belangrijkste data uit onze middeleeuwse geschiedenis en die nu nog altijd van kracht zijn in onze moderne tijden.’ Ondertekend door een zekere dokter Coremans en die verwijst op zijn beurt naar een dokter Waitz welke al een eerdere vertaling van hetzelfde werk heeft uitgevoerd.

Het is eigenlijk een zoektocht naar de term ‘lotdagen’ die me op het spoor van dit onvoorstelbaar kostbaar boek brengt, en om nog preciezer te zijn was ik aan het controleren wat nu precies de link is tussen dertiendag (6 januari) en die bewuste lotdagen. En zo krijg ik dus een overheerlijke lawine van volksoverlevering over me heen. Hier wil ik best een nieuwe kroniek over schrijven en voor ik het goed en wel besef staat bovenstaande inleiding al op papier. De inspiratie gutst uit mijn vingers, het lijkt er wel op dat ik hier jaren op gewacht heb. Het huis van mijn kronieken kan nooit afgewerkt zijn zonder nog eens grondig terug te keren naar de gewoontes en het bijgeloof van al onze voorouders.

Ik sla de inleiding over en begin meteen met hoofdstuk ‘De Seizoenen’. Waarom denk ik trouwens meteen aan het meesterwerk van Clem Schouwenaars? De Romeinse historicus Tacitus vertelt tijdens de eerste eeuw over de Teutonische volkeren die zijn pad kruisen wanneer de Romeinen zich meester maken van West-Europa. De Teutonen zijn Germanen uit het noorden die alleen maar graan kweken en hun jaren in drie stukken indelen: de lente, de zomer en de winter. De herfst kennen ze niet. De term ‘autumnum’ zal pas later komen, dat vertelt de schrijver Grimm toch. Die zal pas in gebruik komen wanneer de oogst van fruit belangrijk zal worden wat hier zeker nog niet het geval is bij de volkeren uit het koude Germanië waar toch vooral de eindeloze bossen nu nog altijd de hoofdrol spelen.

Lente, zomer en winter of in het Engels ‘spring, sommer and winter’ zijn duidelijk van Germaanse oorsprong. Terwijl ‘autumn’ van Romaanse origine is. Die veronderstelling is gefundeerd omdat de vroegere kalenders het hebben over oogst en ‘harvest’ en niet over het vallen van het blad of de ‘fall-leaf’. Het is zelf vrij zeker dat onze voorouders zelfs maar twee seizoenen kenden: zomer en winter. De Vlamingen geven de zondag van halfvasten oorspronkelijk de naam ‘zomerdag’. ‘Midzomernacht’ staat voor de feestdag van Sint-Jan in het hartje van de zomer rond 24 juni. Sint-Mathijsdag (24 februari) geldt dan aan de winterzijde voor ‘winterdag’ terwijl kerstdag voor ‘midwinter’ telt.

Maar die benamingen voor zomer en winter gaan nog veel verder terug in de tijd. De naam van de lente, in het Engels bekend als ‘spring’, stond bij onze voorouders bekend als een synoniem voor ‘born’ of ‘source’ of ‘bron’. Een woord die we nog altijd terugvinden in ‘oorsprong’ of origine. In het Duits is dat ‘Ursprung’. De lente was dus het eerste deel van de zomer en betekende dus in wezen: de bron van het jaar. Spijtig genoeg is die betekenis verloren gegaan in Duitsland en Nederland en bestaat die nog slechts in Engeland als ‘springtime’.

Heerlijke materie toch. En dan het woord ‘lente’. In het Hoog-Duits is dat ‘Lenz’, afgeleid van het oude woord : ‘lyn’ zeg maar ‘zacht’ of ‘teder’ een gelijkaardige betekenis als ‘lauw’; niet warm en niet koud of gelijkaardig aan ‘lind’; zacht, teer. Ik denk meteen aan ons Vlaams woord ‘lijnwaad’, zachte onderkleding. De Oostenrijkers hebben het nu nog altijd over ‘leine Eier’ als ze spreken over zachtgekookte eieren. In Duitsland hebben ze over ‘Frühling’, wat dus in wezen wil zeggen ‘eerste zachtheid’. De landlieden van het vroegere Vlaanderen hadden het over een ‘vroegeling’ voor een dier dat in de lente geboren was.

Sommigen verdeelden de lente in ‘kleinlente’ en ‘grootlente’. De kleinlente begint op ‘zomerdag’ (halfvasten) en duurt tot de zondag van de vreugde, bij ons ‘wonne of wonst-zondag’, de derde zondag na Pasen. De grootlente eindigt op het feest van Sint-Jan, op 24 juni. De lente was opgedragen aan de god Thor die met zijn hamer het ijs van de grote winterreus aan diggelen sloeg.

‘Zomer’, in het Hoog-Duits ‘Sommer’ komt van ‘Sunna’ of ‘Zuna’, de godin van de zon. In het ‘Oberdeutsch’ spreken ze nog over ‘Summi’, het woord ‘Sommern’ staat voor het zich blootstellen aan de zon. Kort gezegd: zomer is het seizoen van de zon en opgedragen aan zijn god Zuna.

‘Herfst’ (‘Herbst’) betekende vroeger vooral ‘de oogst van het achterseizoen’. In het Latijn heeft ‘autumnus’ ook die dubbele betekenis. In Zwitserland staat ‘Herbst’ gelijk aan ‘oogst’ of ‘herbsten’.

‘Winter’ is een zoon van de wind en niemand in onze contreien kan beweren dat de zoon geen eer aandoet aan zijn papa. Het seizoen van de wind is niets minder dan een vage benaming. Onze voorouders rekenden niet per jaren maar per winters. De reuzen en de elfen kwamen uit de zielen van hun vader en hun moeder was Hertha de aarde. Die term ‘wind’ is nog altijd merkbaar in ‘windbruid’, de verloofde van de wind.

Hoofdstuk twee van dit boeiend boek gaat over de herkomst van onze maanden. Die worden hier beschreven als de twaalf gezellen van de oppergod Wodan. Die Wodan mag je best beschouwen als de voorloper van onze God. Een onbekend fenomeen achter de schermen van het menselijk leven, waar ooit nog het eerste bewijs van zijn bestaan moet worden van geleverd. Dat getal twaalf vinden we in onze hedendaagse maatschappij nog terug in bijvoorbeeld de twaalf gezworenen in een rechtbank. Het jaar wordt op diezelfde manier opgesplitst in twaalf maanden.

De eerste maand in het jaar is januari. Ooit nog omschreven als ‘Giuli’, ‘Aftera-Geola’, ‘Ijsmaand’, ‘Hardemaand’, ‘Huwelijksmaand’ of ‘Lauwmaand’ (de maand van de sneeuw). Karel de Grote had het rond 800 over ‘Wintermaand’ of ‘Wintermonath’. De Joelfeesten of de feesten van ‘Midwinter’ duurden tot de twaalfde nacht, die van ‘het heilig licht’ die daarmee de reeks van de twaalf heilige nachten afsloot. Het feest van het dienstpersoneel wordt in sommige streken nog altijd gevierd op de eerste maandag na die twaalf heilige nachten. In andere regio’s valt die op de ’14de van Giuli’ ook wel benoemd als zijnde ‘Egyptische maandag’ of ‘Verloren Maandag’. De schrijver belooft me nu al dat hij het straks uitgebreid zal hebben over de dagen van onze kalender.

De landbouwers uit de buurt van Maastricht en ook die van Luxemburg hebben het over ‘aardslaapdag’ die valt op 18 januari. Op die dag mag je de aarde niet beroeren want het is een ‘lotdag’. Een voetnoot maakt duidelijk wat de schrijver bedoelt met ‘lotdag’. Een dag van het lot waarbij precies op die dag beslist wordt hoe de oogsten, de veestapel en bij uitbreiding hele bevolkingsgroepen het er in de loop van dit jaar van af zullen brengen. Als het regent op 18 januari zal het jaar zeer nat zijn. Als het vriest mag de boer zich verwachten aan grote droogte. Een christelijke variante van ‘aardslaapdag’, de dag waarop de aarde slaapt, vinden we terug in het feest van Onze-Lieve-Vrouw van de Slaap, of zoals in het Frans ‘Sommeil de Marie’ een voor mij compleet onbekend gebruik dat ik ook nergens kan traceren via een of andere zoekmachine. In Brussel is er zelfs nog een straat die verwijst naar dit oude feest, hoewel ik daar anno 2018 ook geen sporen van terugvindt. De schrijver heeft het nog over ‘nestendag’ op 23 januari maar zijn info over deze dag vind ik wat ondermaats.

Ik verhuis meteen naar februari. Ooit genoemd als ‘Salmonath’, ‘Reinigingsmaand’ of ‘Mensis purgatorius’, ‘Sporkelmaand’ of ‘Sprokkelmaand’ en ook wel ‘Schrikkelmaand’ of ‘Spurkel’. De tweede dag van de sprokkelmaand was lang geleden nog een feestdag voor de knechten en de meiden op het platteland. Ze verlieten op 2 februari hun werkplekken om andere oorden op te zoeken en er eventueel te gaan trouwen. In 1844 zuiverde of reinigde men nog altijd de stallen door het verbranden van jeneverbessentakken. Het is een dag van losbandigheid, burleske feesten en zottigheid van alle soort en slag.

Zelfs tijdens zijn transformatie naar de christelijke variante heeft die 2de februari veel van zijn oud landelijk karakter behouden. Want er zijn wel altijd al ‘lichtmissen’ gehouden waarbij de mensen gekscheerden en zich bijvoorbeeld verborgen achter maskers. En dan liepen ze verkleed langs de straten met fakkels en toortsen terwijl ze zich lazarus dronken. In het Frans vertalen ze Lichtmis in ‘Le Chandeleur’ en daar herken ik direct het woord ‘kandelaar’ in, verwijzend naar die brandende fakkels in die oude stoeten. Het licht mocht trouwens niet uitgaan tijdens de nacht van de kandelaars. En zoals al de heilige nachten werden ze opgedeeld in drie ‘kaarsen’. De schaduw van de tweede kaars kondigde diverse gebeurtenissen aan die zich in de nabije toekomst zouden voordoen en dus keken de mensen van toe daar minutieus op toe.

….

Wordt zeker vervolgd….

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>