De eerste graven van Vlaanderen

Eerst zijn het de forestiers die orde en reglement brengen in het uitgebreide Brugse Vrije. Later krijgt een reeks van graven de heerschappij over Vlaanderen. Een labiele periode getekend door vooral de Fransen die aanspraak maken op onze regio. Maar Vlaanderen weert zich als een Vlaamse leeuw in een doosje!

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Rond het jaar 420 zijn de Salische Franken onder leiding van hun koning Pharamond onze regionen binnengevallen. In 428, na het overlijden van Pharamond, wordt de unie van de Belgen met de Franken voltrokken. Zijn opvolgers Clodion, Meroveus en Childerik en Clovis zullen uiteindelijk de ooit zo machtige Romeinen helemaal uit onze contreien verdrijven. In 496 wordt Clovis te Reims gedoopt tot christene.

Na Clovis’ dood wordt zijn uitgestrekte Gallische rijk onder zijn zonen verdeeld. Het westelijk deel van België, van de Schelde tot aan de Noordzee wordt geërfd door Clotarius, die later na de dood van zijn broers, opnieuw de monarch zal worden over het hele rijk. Hij wordt opgevolgd door Chilperik en Clotarius II.

Vlaanderen, aanvankelijk het land van de Menapiërs genoemd, bestond voordien enkel uit het gebied dat later “Het Brugse Vrije” zal genoemd worden. Stilaan worden de aangrenzende gebieden bij “Het Brugse Vrije” gevoegd en ontstaat het graafschap Vlaanderen.

De oorsprong van de naam “Vlaanderen” is onbekend. De heilige Ondouenus maakt voor de eerste keer gewag van de naam in de 7de eeuw. Het graafschap Vlaanderen wordt aanvankelijk bestuurd door woudmeesters die de naam “forestier” dragen. De forestiers zijn aangesteld door hun opperleenheren die in Frankijk de scepter zwaaien.

De eerste forestier is Liederik De Buck. Daar hebben de oude kronieken het uitgebreid over. Tijdens de vierde en vijfde eeuw verkeert de landstreek van de Menapiërs en de Morinen in een gevaarlijk vacuüm waarbij het zonder enige vorm van bestuur verder evolueert tot een woest, gevaarlijk en onveilig gebied. De door de Romeinen ingevoerde wetten en reglementen worden al lang niet meer gerespecteerd. Er is maar één wet die telt: die van de sterkste. Vlaanderen stikt letterlijk en figuurlijk onder de aanwezigheid van dieven en moordenaars.

Clotarius probeert wel iets te doen aan die barbaarse toestanden, maar de bestuurders die hij naar Vlaanderen stuurt staan machteloos. Uiteindelijk wordt Liederik, een dappere heer aan het hof van Clotarius naar Vlaanderen gestuurd. Hij wordt Liederik de Buck genoemd, een naam die verwijst naar zijn versterkte burcht “Lyle le Buck” gelegen op de plaats waar later Rijssel zal worden gebouwd en waar men volgens enkele schrijvers nog steeds de overblijfselen van dat oude slot kan terugvinden.

Liederik I (622). Liederik krijgt de titel van “forestier” en zet alles op alles om de streek van het gespuis te zuiveren. Hij slaagt grotendeels in zijn opzet en in het jaar 634 is er een relatieve rust en veiligheid teruggekeerd in het land. Hij treedt in het huwelijk met Richilde, de zuster van Dagobertus en dochter van de koning van Frankrijk Clotarius II. Zo verwerft hij het bestuur over onder meer Artois, Vermandois en Picardië.

Tijdens zijn leven sticht Liederik veel kerken en kapellen, onder andere in Brugstock, nu Brugge, waar hij de kerk van St.-Donaas opricht. De eerste forestier Liederik sterft op 92 jarige leeftijd nadat hij Vlaanderen 52 jaar als woudmeester heeft bestuurd. Hij wordt in 678 in de Sint-Pieterskerk van het Noord-Franse Aire-sur-la-Lys (Ariën) begraven.

Antonius (678). Na de dood van Liederik wordt zijn tweede zoon Antonius forestier van Vlaanderen. De appel is vrij ver van de boom gevallen want Antonius is een slordige en zorgeloze woudmeester. Al vrij vlug neemt de onveiligheid toe in Vlaanderen. Tot overmaat van ramp vallen de Goten, Hunnen en Vandalen nogmaals het land binnen. Het wordt een “walk over” want nergens ontmoeten de benden enige vorm van weerstand.

Versterkingen, kastelen, kerken en kapellen worden in brand gestoken en vernield. Antonius vlucht en laat zijn volk in de steek. Onderweg naar Frankrijk wordt hij door struikrovers aangevallen en vermoord. Uiteindelijk is het Karel Martel, de hofmeester van de koning van Frankrijk, die orde op zaken stelt en de barbaarse roversbenden uit Vlaanderen verjaagt. Antonius wordt in de St.-Jacobuskerk van Aire-sur-la-Lys begraven.

Bouchard (695). Volgens de kroniekschrijvers volgt Bouchard, de derde zoon van Liederik zijn broer Antonius op als bestuurder van Vlaanderen. Bouchard trouwt met Helwida, erfgename van Pepijn van Herstal. Bouchard zal uiteindelijk door een conflict met de koning van Frankrijk de heerschappij over Vlaanderen verliezen en alleen het graafschap van Harelbeke behouden waar hij in 740 overlijdt en begraven wordt.

Estoredus (740). Estoredus is de zoon van Bouchard. Hij wordt de nieuwe woudmeester van Vlaanderen. Hij vestigt zich noodgedwongen in Harelbeke nadat grote gedeeltes van zijn gebied door de Noormannen werden verwoest. De Franse koning geeft hem opnieuw de autoriteit om de streek van rovers en stropers te zuiveren. Estoredus brengt weer rust in onze contreien. Zijn onderdanen zijn bijzonder droevig als hij in 792 in zijn kasteel te Harelbeke overlijdt.

Liederik II (792). De zoon van Estoredus, Liederik II, wordt door Karel de Grote (vanuit Aken) als nieuwe bestuurder van Vlaanderen aangesteld en bevestigd. Eerder had Liederik hem al grote diensten verleend en schonk Karel de Grote hem de titel van “zeeprefect”. Liederik schenkt aan zijn inwoners zoveel percelen grond als ze zelf kunnen beploegen en bezaaien. Op relatief korte tijd worden grote stukken wildernis omgeturnd tot vruchtbare landbouwgrond. Tot aan zijn dood in 832 blijft hij waakzaam zorgen voor de welstand van zijn volk. Ook hij wordt begraven in Harelbeke.

Inghelram (832). Inghelram volgt zijn vader Liederik II op in de heerlijkheid van Buck, in het graafschap van Harelbeke en als grootwoudmeester over Vlaanderen. Hij neemt het door monikken aangevatte werk over en zorgt voor de onginning van wouden en het droogleggen van de vele moerassen. Hij laat rigoureus de door Karel de Grote opstelde wetgeving, de “capitularia” naleven. De Vlamingen worden verplicht zich te schikken naar regels, wetten en tucht. Inghelram promoot het christendom en het respect voor de paus. De zeerovers worden aangepakt en de verwoeste kerken, versterkingen en kloosters worden heropgebouwd. Hij sterft in het jaar 852 en wordt in Harelbeke begraven.

Odoacer (852). Odoacer zet het goede bestuur van zijn vader verder. Cassel, Torhout en Oudenaarde worden verder hersteld. Gent wordt door muren omringd. De eerste grondstenen van het kasteel van Wijnendale worden gelegd. Bossen worden omgeploegd, gronden bezaaid. Buitenlandse families worden aangetrokken om zich in Vlaanderen te vestigen. Na een deugddoende regering van amper 11 jaar sterft Odoacer in Oudenburg. Hij wordt net zoals zijn voorvaderen in Harelbeke te ruste gelegd.

Maar hoe ziet Vlaanderen er uit in de 7de en 8ste eeuw? De feodaliteit of het leenrecht dat zijn oorsprong vond bij de Noorse barbaren heeft zich genesteld boven op de puinen van de Romeinse overheersing. Zogezegde “edelen” dompelen de mensen in een verdrukkende slavernij. Niemand bezit eigendommen, met uitzondering van de leenheren. De veldbewoners beschikken over enkele verlaten bossen of stukken heide waar ze zich verschuilen. Ze leggen er aarden versterkingen aan die ze “voorden” noemen. Het onderdrukte volk wordt beroofd van haar burgerrechten. Zonder toestemming van de leenheer mag er niet getrouwd worden en mogen kinderen hun huizen niet verlaten.

Karel de Grote (die heerst over heel West-Europa tussen 742-814) stelt vast dat grote delen grond onbevolkt en onbeploegd blijven en stuurt 10.000 Saksische families naar Vlaanderen. De Saksen zijn een fier en agressief Germaans volk dat zich vermengt met de lokale inwoners. Sinds die tijd bestaat het spreekwoord: “Karel de Grote heeft van één duivel er twee gemaakt”. Tot aan de regering van Karel de Grote spreken de lokalen nog steeds de Keltische talen, zij het in verschillende varianten.

De Romeinen waren mislukt in hun opzet om de Menapiërs en de Morinen hun latijnse taal op te dringen. Tijdens het bewind van Karel de Grote zijn er in onze landstreken nog twee talen in gebruik; het Rustique of Romane, afgeleid van het latijn die de basis zal vormen voor de Franse taal en de oud-Duitse of Teutonische taal die onze invloed van de Romeinse overheersing enkele latijnse trekjes heeft overgenomen en de oorsprong vormt van de Vlaamse en Duitse taal.

Een mooi voorbeeld van de veranderingen die geleid hebben tot het ontstaan van de Vlaamse taal vinden we op een doopformulier van het Concilie van Lastines terug. Zo lezen we dat de zin “Verzaekt gij de duivel?” origineel geschreven wordt als “V. Forsachis tu diaboleoe?”

Of meer..

Ec forsachio diaboleoe – Ik verzaak de duivel

En allom diabol-gelde? – En alle duivels gilde

Gelobis tu in Got Almagtigan Fador – Gelooft gij in God de almachtige vader?

Ec gelobe in Got Almagtigan Fador – Ik geloof in God de almachtige vader

Gelobis tu in Christ Godes-Suno? – Gelooft gij in Christus, Gods zoon?

Ec gelobo in Haligan Gast – Ik geloof in de Heilige Geest

Er was voor de tijd van Karel de Grote al met al vrij weinig sprake van economische activiteit in onze streken. Toch worden hier op het einde van de 5de eeuw het zadel en de stijgbeugels uitgevonden. In 630 worden de kerkklokken geïntroduceerd die al sinds 606 in Rome in gebruik waren. De klokken worden aangewend om de gelovigen bijeen te roepen. Op het einde van de 7de eeuw beginnen de boeren hoppe te kweken. Het eerste papier, gemaakt van katoen wordt voor het eerst gebruikt in 745.

Boudewijn I met de ijzeren arm (863). Boudewijn I wordt geboren in Zandhoofd (nu Nieuwpoort). De kroniekschrijvers twijfelen of Boudewijn de zoon is van Inghelram of die van Odoacer. Hij volgt in elk geval Odoacer op als woudmeester van Vlaanderen. Door het verdrag van Verdun behoort Vlaanderen nu toe aan Karel de Kale en die stelt Boudewijn aan als markgraaf van Vlaanderen.

De markgraaf is meestal gekleed met een ijzeren harnas. Het is een deugdzame man en heeft een bijzondere afkeer van vleierij. Als Boudewijn naar het Franse Senlis trekt om zijn eed als opperbevelhebber af te leggen in de handen van de koning wordt hij verliefd op zijn dochter Judith. Hij slaagt er in het jaar 863 in om Judith mee te namen naar Vlaanderen en met haar te trouwen. Dit zonder hiervoor de toestemming van haar vader te vragen.

Karel de Kale is verbitterd om het vertrek van zijn dochter en valt Vlaanderen met een krijgsmacht binnen. Het Vlaamse leger van Boudewijn treft de Fransen bij Atrecht (nu Arras) en onze markgraaf slaagt er in zijn schoonvader te verslaan. Karel de Kale heeft nog andere katten te geselen in zijn thuisland dat opnieuw door de Noormannen wordt aangevallen en ziet af van verdere strijd tegen zijn schoonzoon. Hij beklaagt zich echter bij paus Nicolaus I die de Vlaming Boudewijn in de ban van de kerk slaat.

Dat betekent niet minder dan een heuse ramp voor Boudewijn. Samen met Judith reist hij naar Rome waar ze zich voor de voeten van de paus gooien, schuld bekennen en zich aan hem onderwerpen. Uiteindelijk slaagt de paus er in om Karel de Kale en Boudewijn met elkaar te verzoenen. De ban van de kerk op het hoofd van Boudewijn wordt opgeheven, de koning verleent zijn toestemming voor het huwelijk en hij kroont Boudewijn tot erfelijke graaf van Vlaanderen. Hij verwerft alle landstreken tussen de Somme, de Schelde en de Noordzee en gaat zich vestigen in zijn woning te Brugge.

Boudewijn met de Ijzeren arm krijgt opnieuw af te rekenen met de Noormannen die het westelijke deel van Vlaanderen teisteren met hun moord- en rooftochten die een spoor van vernieling achter zich laten. De steden van Brugge, en de rijke handelssteden Oudenburg en Rodenburg (nu Aardenburg) worden geplunderd en in brand gestoken. Het klooster van Torhout en de kerk van Drongen (bij Gent) ondergaan het zelfde lot. Boudewijn slaagt er uiteindelijk de terreur te stoppen en nog voor zijn dood laat hij alle door de vandalen verwoeste kerken heropbouwen en maakt van zijn thuisstad Brugge een versterkte stad. Nadat hij Vlaanderen 1 jaar als forestier en 16 jaar als graaf heeft bestuurd sterft hij in Atrecht en wordt hij in Sithiu (St.-Omer) begraven in 881.

Boudewijn II de Kale (881). Boudewijn II volgt zijn vader op in het erfelijk graafschap Vlaanderen. De appel is deze keer wél ver van de boom gevallen want in tegenstelling tot zijn pa is Boudewijn II een hebzuchtige, laffe, wraak- en eerzuchtige man. Hij trouwt met Gertrude, de dochter van de Engelse koning Elfridis. Wanneer hij onrechtmatig de handen legt op kerkbezittingen en kerkelijke eretitels worden hij tijdens een kerkvergadering te Reims in de kerkban geslagen. Uiteindelijk wordt die ban teniet gedaan wegens de verdiensten van Boudewijn tegen de Noormannen.

Vooral na de dood van zijn vader waren die barbaren opnieuw Vlaanderen binnengevallen. Eerst hadden ze Brabant verwoest, daarna staken ze Doornik in brand. De Noormannen sloegen hun winterkwartier op in Kortrijk. Daarna rukten ze op tot aan de Somme. Ook Kameryk (Cambrai) en Atrecht zagen zich als prooi van de verwoesting in 881.

Kort daarna zet Rollo, een Deense prins die heerst in Friesland en Zeeland de hele Vlaamse regio in vuur en vlam. De hele landstreek langs de Schelde tot in Henegouwen en Frankrijk (de streek van Neustrië) wordt bij zijn doortocht genadeloos verwoest. Reneirus, graaf van Henegouwen wordt gevangen genomen door de bende van Rollo. De Franse koning ziet zich genoodzaakt om een vredesakkoord af te sluiten met die ontzaglijke vijand en biedt hem zijn dochter Giseila aan ten huwelijk, samen met de provincie van Neustrië als huwelijksgift. Voortaan zal Neustrië als “Normandië” bekend worden, refererend naar de de invallen van de Noormannen. Uiteindelijk zal Rollo zich bekeren tot het christendom.

Boudewijn II zet de oorlog tegen de Noormannen verder. Hij verslaat ze bij Leuven en tracht de rust en veiligheid te herstellen. Hij versterkt Ieper, Bergen en St.Winox en laat Sithiu door muren omringen. Het omringde Sithiu zal voortaan de rang krijgen van stad onder de naam van St.Omaers, verwijzend naar de stichter Audomarus. De Fransen noemen de stad voortaan St.-Omer. De door zijn vader opgestarte versterkingswerken in Brugge worden door Boudewijn II afgewerkt. Hij sterft in Gent op 2 januari 919 en wordt er in de Heilige Petruskerk begraven.

Arnulf I, den Ouden (919). Het graafschap van Vlaanderen gaat over op Arnulf, de zoon van Boudewijn. Zijn broer Adolphus verkrijgt de graafschappen van Terwanen en Boulogne. Opnieuw wordt Vlaanderen geteisterd door een golf van Noors geweld en plunderingen. Arnulf verdedigt zijn streek zo goed als hij kan en hij kan en straalt als graaf van Vlaanderen een nooit geziene macht en autoriteit uit.

In die tijd is Otto de Grote de keizer van het Roomse Rijk. De opvolger van Karel de Grote kan de macht van Arnulf in Vlaanderen moeilijk verkroppen en onder valse voorwendsels verovert hij het kasteel van Gent. Hij claimt dat Gent op de grens ligt tussen Vlaanderen en zijn keizerrijk. Hij laat er een nieuwe versterking bouwen die hij “Novum Castrum” noemt. Hij laat de verdediging van de versterking over aan graaf Wickman van Hamaland. Na enkele bloedige gevechten tussen Arnulf en Otto wordt de vrede opnieuw gesloten. Novum Castrum wordt afgestaan aan de graaf van Vlaanderen op voorwaarde dat Lutgardis, de dochter van Arnulf in het huwelijk zal treden met graaf Wickman. Het huwelijk gaat door en Wickman wordt burggraaf van Gent.

Arnulf bouwt Vlaanderen verder uit. Hij versterkt de grenssteden, neemt maatregelen die de economie stimuleren. Hij richt de jaarmarkten van Brugge, Kortrijk, Torhout, Cassel, enz.. op in het jaar 958. Hij werkt hard aan de opbouw van kerken en het voorzien van middelen aan kloosters die hij tienden en erfgronden schenkt. Hij richt, met de toestemming van de bisschoppen van Terwanen en Doornik maar liefst 12 proosdijen op en geeft aan de verantwoordelijke kanunikken gronden en tienden (= belastingen) in eigendom.

Het stichten van kloosters is in die tijd zowat het nuttigste werk dat de vorsten kunnen doen. Het volk is wild en roofgierig en dient broodnodig beschaafd te worden. Arnulf de Oude, door het gewicht van de jaren verzwakt, roept de Staten van Vlaanderen bijeen en staat zijn graafschap af aan zijn zoon Boudewijn III. De kronieken vertellen dat Boudewijn een dappere en godvruchtige leider is maar dat hij kort na zijn aanstelling als graaf zal overlijden. Arnulf wordt gedwongen het roer over Vlaanderen opnieuw op zich te nemen. Nog drie jaar zal hij graaf van Vlaanderen zijn tot hij op 92-jarige leeftijd overlijdt in Gent. Hij wordt samen met zijn echtgenote Alide begraven op de Blandinusberg in de abdij van St.-Pieters begraven. We vertoeven in het jaar 964.

Boudewijn III (961). Zoals geschreven is de zoon van Arnuldus geen lang leven beschoren. Boudewijn heeft het niet gemakkelijk. Het land is arm. Er is geen geld voor de mensen. In een poging om de koophandel te stimuleren stelt de graaf schatters aan die de prijzen van goederen schatten en daar een maximumprijs op zetten. Het is een poging om de ruilhandel tussen de mensen te stimuleren. Zo ruilt men bijvoorbeeld een gans voor 4 kippen, twee ganzen voor een jong varken of voor een lammetje, drie lammeren voor een vet schaap of een geit.

Als de koning van Frankrijk (Lotharius) opnieuw door de Norrmannen aangevallen wordt, snelt Boudewijn III hem met zijn krijgsmacht te hulp en verslaat de invallers. Na zijn terugkeer sterft de jonge prins in Sint-Winoksbergen aan de mazelen. In 961 wordt hij in het klooster van de Heilige Bertinus in St.-Omer begraven.

Arnulf de Jonge (964) – ook Arnulf genoemd. Arnulf is de zoon van Boudewijn III en heeft de ouderdom van 14 jaar bereikt als zijn grootvader overlijdt. De algemene vergadering, bijeengeroepen in Gent, stelt hem op die jeugdige leeftijd aan als nieuwe graaf van Vlaanderen. En dat blijkt al vlug een niet al te verstandige beslissing te zijn. De Franse koning Lotharius wil profiteren van de jeugdige leeftijd van onze graaf en valt Vlaanderen binnen.

Hij palmt de regio van Atrecht (Arras) en Douai in en schenkt die streek aan Willem, de graaf van Poitou. De streek behoort niet langer tot het graafschap Vlaanderen. Die situatie blijft bestaan tot dat Arnulf de volwassen leeftijd heeft bereikt en hij alsnog de streek overneemt van de Franse overheerser. Ondertussen heeft ene Hugo Capet zich – met de hulp van de Franse edelen – onrechtmatig meester gemaakt van de Franse troon. De graaf van Vlaanderen weigert deel uit te maken van de combine die zich van de Franse troon meester heeft gemaakt.

De nieuwe koning is bijzonder gegriefd om het gebrek aan medewerking van de Vlaamse graaf. Hij stuurt een leger naar Vlaanderen, vernielt er het klooster van Atrecht en rukt op tot aan de Leie. Arnulf die zich in nauwe schoentjes bevindt neemt contact op met Richardus, graaf van Normandië die er in slaagt hen te verzoenen. In 987 komen de verloren steden opnieuw in handen van Vlaanderen, twee jaar voor het overlijden van Arnulf die in de Sint-Pietersabdij van Gent begraven wordt.

Boudewijn IV met de schone baard (989). Boudewijn IV is de enige zoon van Arnulf de jonge. Op erg jonge leeftijd neemt hij het roer over het graafschap Vlaanderen over. Opnieuw speelt zijn jeugdige leeftijd hem parten. De man met de prachtige zwarte baard krijgt te maken met lokale edelen en leenheren die hun respectieve gebieden opeisen. Zo maakt een zeker Elbodus, kastelein van Kortrijk, zich meester van de stad Kortrijk en probeert hij samen met de Kortrijkzanen de hand te leggen op het vermogen van de oude forestiers van Harelbeke. Tijdens één van die opstanden wordt hij gedood maar de inwoners van Kortrijk zijn niet van plan hun ambities op te bergen. Ze verspreiden zich over het hele grondgebied van Harelbeke waar ze de hele streek, incluis kasteel en kerk beroven en in brand steken. Uiteindelijk zal Boudewijn de oproerkraaiers tot rust brengen en bestraffen.

In 1006 worden de Vlamingen getroffen door een grote ramp. Een verschrikkelijke pest breekt uit. Alleen al in de stad Brugge sterven er 12.000 inwoners en in sommige plaatsen blijven er onvoldoende levende mensen over om de doden alsnog te kunnen begraven. Boudewijn heeft het niet gemakkelijk. Zo krijgt hij het meermaals aan de stok met de Roomse keizer Henrik II. Het komt tot een treffen in het Henegouwse Valencyn (nu Valenciennes). De graaf slaagt er in de stad in te nemen maar wordt later volledig ingesloten door de legers van de keizer. Hij wordt uiteindelijk gered door de hulptroepen van de koning van Frankrijk en die van de hertog van Normandië.

Hendrik II heeft zijn zinnen gezet op Gent. Door de hulp van de Franse troepen kan hij zijn plan echter niet uitvoeren. Toch worden de naburige dorpen platgebrand en trekt hij zich met grote buit en met gegijzelde edellieden terug naar Duitsland. Maar de graaf van Vlaanderen is een heerser die vooral vrede wil. Het komt in 1025 tot een vredesverdrag tussen de Duitse keizer en Boudewijn. Valencyn wordt afgestaan aan de Duitsers in ruil voor vrede en de terugkeer van de gegijzelde Vlaamse edelen. Boudewijn IV brengt nieuwe luister aan het geslacht van de graven van Vlaanderen: zijn zoon en toekomstige opvolger treedt in het huwelijk met Adela, de dochter van de koning van Frankrijk.

Dat huwelijk betekent meteen het begin van veel problemen voor Boudewijn. Gedurende vele jaren probeert zijn zoon de grafelijke troon te bestijgen ten nadele van zijn vader. Op een bepaald ogenblik betrekt hij de voornaamste leenheren van Vlaanderen in zijn plannen. Boudewijn zoekt noodgedwongen hulp bij Robertus de hertog van Normandië. Robertus roept alle partijen bijeen in Oudenaarde en laat alle konkelfoezende partijen zweren op de heilige relikwieën om de rust in het land niet langer te verstoren.

De wijze graaf van Vlaanderen laat verschillende rechtbanken (vierscharen) oprichten, laat de stad Rijsel met muren omringen en bouwt verder aan verschillende kerken en kloosters. Na een bestuur van 47 jaar sterft hij op 28 mei 1036 te Gent en wordt er in de abdij van Sint-Pieters begraven.

Boudewijn V van Rijsel (1036). Boudewijn V wordt na de dood van zijn vader tot het graafschap van Vlaanderen verheven. Hij gaat wonen in de stad Rijsel die hij laat verbeteren en versieren. Later zullen de Vlamingen de graaf van Vlaanderen omschrijven als “den Goedertieren” omwille van zijn menslievende inborst.

Tijdens zijn regering veroorzaken de mislukte oogsten van 3 jaren een verschrikkelijke hongersnood onder de mensen. De situatie in Frankrijk van Vlaanderen is schrijnend. De mensen hebben zodanig honger dat ze vertwijfeld de doden opnieuw opgraven, levende mensen en kinderen om hun vlees vermoorden. In 1044 wordt op sommige markten zelfs menselijk vlees geveild. De bisschoppen van Kamerijk en Luik en de steenrijke abt van Gembloux proberen de noden te lenigen. Zoals zo vaak betekenen ellende en miserie bij de mensen de aanleiding voor oorlogen. Dat is ook het geval in Vlaanderen: De Duitse keizer Hendrik III stelt zich opnieuw aan en bedreigt de onafhankelijkheid van Vlaanderen.

Boudewijn neemt de wapens op en neemt de stad Gent in. De keizer verovert van zijn kant de stad Doornik die hij in 1047 aan roof en plundering blootstelt. Opgejaagd door het leger van Boudewijn vlucht Hendrik III naar Duitsland maar de legers van Boudewijn en die van Godfried van Lotharingen achtervolgen de keizer en slagen er uiteindelijk in om het keizerlijk paleis grondig te vernielen. Pas dan wordt er opnieuw vrede gesloten tussen de strijdende partijen.

Al tijdens het leven van zijn vader hebben we gezien dat de vriendelijke Boudewijn V in realiteit een ambitieuze man is die hunkert naar macht en gebiedsuitbreiding. Hij laat zijn oog vallen op Henegouwen die hij wil annexeren aan Vlaanderen. Als Herman, de graaf van Henegouwen sterft, kan Boudewijn het zo regelen dat zijn zoon trouwt met de weduwe van de overleden graaf. Die weduwe, zeg maar nieuwe schoondochter van Boudewijn luistert naar de naam Richilde.

Eén en ander gebeurt zéér tegen de zin van de Duitse keizer die de Vlaamse gebiedsuitbreiding niet graag ziet gebeuren. Het komt opnieuw tot een veldslag die opnieuw niet goed afloopt voor de Duitsers want ten gevolge van het vredesverdrag dat afgesloten wordt in Keulen komt er nog een verdere gebiedsuitbreiding van het graafschap.

Boudewijn schopt het in 1060 uiteindelijk tot regent van Frankrijk, een functie die hij zal uitoefenen gedurende de minderjarigheid van de troonpretendent Philips I. Zijn zoon Robrecht treedt in het huwelijk met Gertrude, de weduwe van Floris, de graaf van Holland. In 1063 wordt hij voogd van de twee zonen van Getrude en dat is niet naar de zin van de Friezen die in opstand komen tegen graaf Robrecht. Robrecht van Vlaanderen verslaat de Friezen en wordt naderhand betiteld als “Robrecht de Fries” (Robert Le Frison).

Na zijn terugkeer in Vlaanderen besteedt Boudewijn de rest van zijn leven met de uitbouw van zijn graafschap. Tijdens zijn regering van 31 jaar heeft hij versterkingen gebouwd rond Rijsel, Ieper, Gent, Brugge, Oudenaarde en Arien (Aire-sur-la-Lys). Hij wordt in 1067 in de Petruskerk van zijn geliefde Rijsel begraven.

Boudewijn VI van Bergen (1067). Boudewijn VI is de opvolger van zijn vader. Hij is een rustige beschaafde man, matig in eten en drinken en een vijand van wijn en andere zatmakende dranken die hij als vergif van ziel en lichaam aanschouwt. De nieuwe graaf verbiedt het aangaan van duels (tweegevechten), hij legt de rechtbanken strenge gedragswetten op en schenkt gemeenterecht aan veel parochies.

De uitoefening van het recht wordt bijzonder strak aangehouden. Voor het eerst kunnen mensen te slapen gaan zonder hun deuren af te sluiten en kunnen ze zich verre verplaatsingen veroorloven zonder wapens met zich mee te nemen. Boudewijn verplicht de rechters om een roede te dragen, “roede van justitie” genoemd. Het is een gebruik dat zal aanhouden tot in de jaren 1800. Het wijze en deugdzame bestuur van Boudewijn is geen lang leven beschoren voor de graaf die sukkelt met een zwakke gezondheid. Hij voorziet van niet zo lang te leven en besluit de graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen te schenken aan zijn twee zonen. Vlaanderen gaat naar Arnulf die wel nog onder de voogdij staat van Robrecht de Fries. Henegouwen wordt – met de goedkeuring van zijn echtgenote Richilde) geschonken aan Boudewijn.

Boudewijn van Bergen sterft schielijk te Oudenaarde. In 1070 wordt hij in het klooster van Hasnon in het bisdom van Atrecht begraven. In datzelfde 1070 wordt de heilige Godelieve op bevel van haar man Bertulphus, castelein van Gistel vermoord. Ze zal voortaan vereerd worden als maagd en martelares in een kapel in de regio van Gistel.

Arnulf III de Eenvoudige. De graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen staan nu definitief onder het bestuur van de twee zonen Arnulf en Boudewijn. Onrust steekt al snel opnieuw de kop op in Vlaanderen. Er is een twist ontstaan tussen Robrecht de Fries en Richilde, de weduwe van Boudewijn van Bergen en de moeder van Arnulf. Beiden claimen ze de voogdij over Arnulf zeg maar de macht over het graafschap van Vlaanderen.

Wanneer Robrecht de Fries zich genoodzaakt ziet om af te reizen naar Friesland om daar een opstand de kop in te drukken ruikt Richilde haar kans. Ze nodigt een groot aantal aan Robrecht toegewijde leenheren en edelen uit om te komen naar Mesen. Ze laat ze met zijn allen onthoofden en neemt zo op de meest gewelddadige manier de macht over Vlaanderen over. Al snel bezwaart ze de Vlamingen met ongemeen harde wetten, wreedheden en diverse zware belastingen. De inwoners wenden zich hopeloos tot Robrecht de Fries en vragen zijn hulp om de wreedheden van Richilde te laten ophouden. Robrecht en een leger van Vlamingen slagen er in 1071 in om Richilde te verdrijven naar Rijsel waar ze zich definitief wil vestigen. De Vlamingen onder leiding van Robrecht de Fries willen graag de situatie uitklaren en het geschil met Richilde op een menslievende manier bijleggen.

Richilde nodigt de edelen van Brugge, Gent en Ieper uit om te praten over vrede. In werkelijkheid smeedt ze concrete plannen om alle Vlaamse edelen te laten onthoofden. Haar snode, valse en verraderlijke plan kan pas in laatste instantie verijdeld worden. Maar nu heeft ze zich definitief de intense volkswoede van de Vlamingen op de hals gehaald.

De burgers van Vlaanderen zijn furieus en belegeren Rijsel. Ze willen het vel van de valse Richilde. Robrecht en zijn Vlamingen slagen er in om de stad over te nemen maar Richilde ontsnapt naar Frankrijk. Ze begeeft zich naar de Franse koning Philippe en biedt hem 2000 kg goud aan om haar te voorzien in een ondersteunende krijgsmacht. Robrecht de Fries ziet de opbouw van het nieuwe – met goud gefinancierde – Franse leger met lede ogen aan. Hij laat de voornaamste steden versterken en stuurt gewapend volk naar Cassel waar hij een veldslag wil aangaan met de krijgsmacht van Richilde en Philippe.

Het leger van de Vlamingen, beduidend kleiner dan het Franse leger, zet de aanval in en neemt aanvankelijk de overhand. Tijdens de gevechten wordt Robrecht de Fries in het nauw gedreven en door de vijand gevangen genomen. Maar ook Richilde valt in de handen van de Vlamingen. De gevechten worden stopgezet. Uiteindelijk worden beiden aan elkaar uitgewisseld en valt alles te herdoen.

Op 20 januari 1071 komt het vervolg. De krijgsmacht van Robrecht de Fries wordt herschikt en wacht op de aanval van de Fransen. Er volgt een hevig gevecht waarbij de Fransen zich gedwongen zien zich terug te plooien. Robrecht beveelt nu een algemene aanval en slaagt er in de Fransen in de pan te hakken. De koning van Frankrijk en Richilde kunnen aan de slachting ontkomen en vluchten naar Vitry. Slechter is het gesteld met de jonge graaf Arnulf die het leven laat tijdens de strijd. Tijdens het bloedige gevecht op de Casselberg sneuvelen die dag 22.000 Franse soldaten.

Robrecht de Fries (1071). De zegevierende Robrecht wordt met de goedkeuring van de bisschoppen, de edelen van het land en ook met de toestemming van de steden (die al vrij machtig geworden zijn) tot graaf van Vlaanderen verheven. Het is zijn eerste zorg om die duivelse Richilde uit zijn graafschap te verdrijven want haar claims op Vlaanderen wil ze nu vertaald zien in het aanstellen van haar tweede zoon Boudewijn tot graaf. Opnieuw is ze er in geslaagd om de Franse koning Philips voor haar kar te spannen.

Een aanzienlijke Franse legermacht valt, samen met Boudewijn het Vlaamse St.-Omer binnen waar allerhande wreedheden worden begaan. Als het Franse leger zich om lafhartige redenen terugtrekt uit de stad, blijft alleen het leger van Boudewijn, graaf van Henegouwen over. Boudewijn wordt verslagen door het leger van Robrecht de Fries maar nog geeft Richilde het niet op.

Ze vindt nu steun bij de bisschop van Luik en bij de Duitse keizer Hendrik IV. Het komt opnieuw tot een gewapend treffen. Deze keer gaat de slag door nabij het Henegouwse Bergen, ter hoogte van Obourg. Opnieuw moet Boudewijn het onderspit delven tegen de Vlamingen. De slag in Obourg is zo heftig geweest dat de lokatie sindsdien de naam draagt van “Mortes Haies” of “Dode Hagen”.

Richilde zal zich uiteindelijk uit het publieke leven terugtrekken. Ze laat het gezag van Henegouwen nu definitief over aan haar zoon Boudewijn en trekt zich voorgoed terug in het klooster van Mesen. Henegouwen is opnieuw gescheiden van Vlaanderen. De tijd van herstel in het verwarde Vlaanderen is eindelijk aangebroken. In 1085 laat Robrecht het kasteel van Wijnendale bouwen op de plaats waar zijn voorganger Odoacer vroeger een versterking had gebouwd. Veel van de latere graven van Vlaanderen zullen Wijnendale als woonplaats kiezen.

Na een geschil met de paus is Robrecht de Fries in de ban van de kerk geslagen. De graaf toont zijn goede wil ten opzichte van de paus en vertrekt, vergezeld van zijn voornaamste edellieden, op bedevaart naar Jeruzalem. De aandacht van heel Europa is in die tijd helemaal naar Jeruzalem gericht. De godsdienst is in alle hevigheid aangegroeid en er bestaat een verlangen om de plaatsen te bezoeken waar Christus geleefd en geleden heeft. Hele groepen pelgrims begeven zich zonder enige vorm van middelen naar het verre Jeruzalem.

De graaf toont zijn goede wil en berouw tegenover de paus en besluit eveneens samen met zijn voornaamste edellieden op bedevaart naar Jeruzalem te trekken. Na zijn terugkeer uit het heilig land worden nog meer kerken en kloosters opgericht. Maar toch beantwoorden zijn gedrag en zeden niet aan de heersende opvattingen van die tijd. Hij geeft keer op keer aanleiding voor ergernissen bij de geestelijkheid die hij kwelt met zijn zedeloosheid en met tal van nieuwe belastingen voor de kerk. Het komt opnieuw tot een aanklacht bij de paus. Een tweede vonnis komt er niet want na een bestuur van 22 jaar sterft Robrecht de Fries in 1093 een schielijke dood in zijn kasteel te Wijnendale.

Robrecht II van Jeruzalem (1093). Robrecht II is zijn vader amper opgevolgd of er komt al een roep om een raid te organiseren naar het heilige land waar grote heibel is ontstaan tussen de Turken en de westerse bedevaarders. Het zijn de Turken die de scepter voeren over Palestina. Aanvankelijk laten ze de bedevaarten oogluikend toe want ze kunnen een graantje meepikken van de handelsactiviteiten die de missies met zich meebrengen. Op het einde van de 11de eeuw komt hier verandering in als het bestuur over Turkije in handen valt van Islamitische fundamentalisten die het christendom haten. Christenen die zich begeven naar Jeruzalem worden door Turkse Tartaren gemarteld en op verschrikkelijke wijze vermoord.

De westerlingen die zich op bedevaart stellen zich bloot aan de gevaarlijke toestanden maar ze lijden onder de vele mishandelingen die ze moeten ondergaan. Stilaan ontwikkelen er zich felle haatgevoelens tegen de Turken en Tartaren. De climax komt er bij het bezoek de Vlaamse monnik Pieter de Eremyt aan Jeruzalem. Hij stelt tot zijn verontwaardiging vast hoe de Turken de voor hem sacrale plaatsen tot stallen hebben gedegradeerd en hoe ze spotten met zijn godsdienst. Hij besluit er iets aan te doen.

Terug in Vlaanderen en Europa reist hij van dorp tot dorp, van stad tot stad. Gezeten op een ezel, met een wollen kleed om de lendenen, blootsvoets en met een kruisbeeld in de hand veroorzaakt hij overal een grote volkstoeloop. Hij vertelt over de bloedige mishandelingen van de christenen in zijn heilig land. Stilaan ontstaat er over heel West-Europa een razernij tegenover de Turkse houding. Pieter de Eremyt slaagt er in het jaar 1095 in om de paus te overhalen om de oorlog tegen de Turken te laten prediken. Robrecht II, graaf van Vlaanderen zit amper twee jaar op de troon.

De pauselijke oproep tot een vlammende rechtvaardige en gewettigde oorlog veroorzaakt grote geestdrift niet enkel bij de edelen en ridders, maar ook bij de gewone mannen en vrouwen. Het rode kruis, als teken van hun belofte wordt op de kledij genaaid of met gloeiend ijzer in hun huid geschroeid. De voorbereiding voor de eerste kruistocht is begonnen. De moedigste ridder van zijn tijd is Godfried van Bouillon die zijn heerlijkheid in Bouillon verkoopt aan de bisschop van Luik en dat geld aanwendt om er een krijgsmacht van wel 100.000 man mee te financieren.

Het leger vertrekt naar Constantinopel waar de bijeenkomst van de kruisvaarders van alle landen zal plaatsvinden. Het Vlaamse leger staat onder leiding van hun jonge graaf Robrecht en het Franse leger wordt geleid door Hugues de Groot, de broer van de Franse koning. Beide legers vertrekken eveneens naar Constantinopel.

Het ontzaglijke christelijke leger trekt zegevierend door klein Azië waar ze halt houden. De kronieken vertellen over de ontelbare heldendaden van Godfried van Bouillon maar ook de graaf van Vlaanderen laat zich onderscheiden. De Grieken noemen hem de “zoon van St.-Joris” en de Turken betitelen Robrecht als “het zweerd van de christenen”. Uiteindelijk krijgt hij de eretitel Robrecht van Jeruzalem.

Aanvankelijk zijn er voldoende levensmiddelen voorhanden om het Europese leger te ravitailleren. Op het einde van het jaar staan de legers voor de poorten van Antiochië, een stad die vestingsmuren bezit van wel 3 meter dikte en versterkt is met 130 torens. Na maanden van dagelijkse bestorming en beproefd door honger, dorst en algemene verzwakking, slagen ze er in een ultieme aanval in om de stad in te nemen.

Het kruis wordt op de wallen van Antiochië neergeplant. De kruisvaarders begaan er – haaks op hun eigen geloof – schandelijke wreedheden op de verslagen Saracenen. Het bekomt hen slecht, want naast het gebrek aan levensmiddelen breekt de pest uit en in een tijdspanne van 30 dagen sterven er maar liefst 50.000 kruisvaarders. En het wordt nog erger: de Fransen hebben besloten de terugreis aan te vatten en laten de christelijke legers achter in Antiochië waar ze op hun beurt opnieuw belegerd worden door een ontzaglijk Turks leger onder leiding van de Sultan van Moussoul.

Toch slagen de legers er in om de Turken te verslaan. Tijdens de slag sneuvelen 100.000 Turken en telt het chistelijke leger 4000 verliezen. Begin 1099 kunnen de kruisvaarders eindelijk doorstoten naar Jeruzalem. Van de 900.000 man die het kruis hebben aangenomen blijven er maar 60.000 meer over als ze uiteindelijk het einddoel van hun reis bereiken en de heuvels van Emaus beklimmen.

Maar ook Jeruzalem blijkt moeilijk in te nemen. De stad wordt bezet door 40.000 Egyptenaren. Er volgt een bloedige slag. Slechts na het bouwen van 3 zware stormrammen kan uiteindelijk een doorbraak geforceerd worden. Op 15 juli 1099 wapperen eindelijk de kruisbanieren boven de muren van Jeruzalem: de stad is ingenomen door de kruisvaarders. Wraak is genomen op de ongelovigen.

Er dient een koning van Jeruzalem gekozen te worden. Veel van de voornaamste veldheren achten Robrecht-Korte-Knie van Normandië of onze Robrecht, graaf van Vlaanderen geschikte kandidaten, maar beiden verzaken aan de titel omdat ze terug willen keren naar hun vaderland. Uiteindelijk wordt Godfried van Bouillon tot koning van Jeruzalem uitgeroepen. Het rijk van Godfried zal echter niet zo lang duren want amper één jaar later wordt hij ziek en sterft hij. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Boudewijn.

Robrecht van Vlaanderen en de zijnen komen in 1100 met roem overladen terug bij hun huisgezinnen in het vaderland. Ze worden in Vlaanderen als helden ontvangen. Maar Robrecht krijgt al snel te maken met diezelfde vijanden die het zijn vader ook al zo moeilijk maakten.

Tussen 1100 en 1110 volgen meerdere veldslagen tegen de legers van de graaf van Henegouwen die in een verbond met de Engelse koning is getreden met als bedoeling de heerschappij over Vlaanderen over te nemen. Robrecht slaagt er in de Engelse invasie af te slaan en sluit zich in 1111 aan bij het Franse leger van Lodewijk de Dikke (koning van Frankrijk) dat eveneens strijd levert tegen de Engelsen. Het Engelse leger wordt verslagen te Gesors in 1111, maar bij een val van zijn paard op de brug van Melun wordt Robrecht van Jeruzalem zwaar gewond en sterft hij aan de opgelopen verwondingen. Hij wordt begraven in de H. Vedastuskerk van Arras.

Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken (1111). 18 jaar is hij als hij zijn vader opvolgt. Op het einde van zijn leven heeft Robrecht de tweede nog enkele strenge wetten opgesteld tegen de talrijke misbruiken binnen het graafschap. De naleving van die wetgeving vergt gezag en een sterke hand. Het is bovendien hoog tijd geworden om zich bezig te houden met het intern bestuur van Vlaanderen in plaats van het continu voeren van allerhande oorlogen.

Boudewijn is er de geknipte figuur voor. De nieuwbakken graaf roept bij de aanvang van zijn bestuursperiode alle Vlaamse edelen samen in de stad Ieper. Tijdens een geestdrifitge speech overtuigt hij hen om kordaat alle misbruik en geweld uit te roeien en een kordaat bestuur te voeren in elke regio van het land. Alle leenheren krijgen één maand de tijd om na te denken over de voorstellen die hij in Ieper voorlegt en zullen op het einde van hun bedenktijd op het kasteel van Wijnendale hun antwoord dienen te geven.

Eén maand later, in Torhout, voert de edele heer Van Praet, woordvoerder van alle Vlaamse edelen, het woord en vertelt hij aan de graaf dat er niets urgenter is dan de rust in het land te herstellen en de hervorming van het gerecht uit te voeren. Daarmee stellen de leenheren zich op dezelfde lijn van Boudewijn die nu opnieuw de Staten-Generaal samenroept.

Er dient dringend een einde gemaakt te worden aan de verschrikkelijke buitensporigheden die zich overal in het land voordoen. De oorlogen die Boudewijn VI en Robrecht de Vries voerden hebben geleid tot een algemene verbastering van de zeden bij de Vlaamse bevolking. De ene ramp volgt de andere op in die 11de eeuw die door de mensen ook wordt omschreven als de “ijzeren eeuw”. Iedereen vecht en moordt er op los, het ene dorp vecht tegen het andere maar ook de huisgezinnen zijn verdeeld. Broers tegen broers, vaders tegen zonen gebruiken dolken en messen om elkaar te bevechten en te vermoorden. De situatie is werkelijk schrijnend.

De zogezegde “landsvrede” van Boudewijn VII stelt uiteindelijk perk en paal aan het geweld en is de voorloper van de rechtspraak die we op vandaag nog kennen. Maar bij de uitoefening van het gerecht ontstaan er grote misbruiken. Vooral de water- en vuurproeven, waarbij bekentenissen afgedwongen worden bij het toebrengen van excessieve pijnen zijn voorbeelden van onterechte bestraffingen en gekleurde rechtspraak.

Het feodaal bestuur, nog ingevoerd door Karel de Grote in de 9de eeuw, wordt door de adel fel misbruikt. De leenheren oefenen een ongenadig bestuur uit op hun onderdanen die ze als slaven behandelen. Binnen de grenzen van hun domeinen heersen geen wetten. Integendeel: hun kastelen zijn roversnesten waar ze gestolen goederen en de vruchten van hun onderdanen stockeren. Zogezegde misdadigers worden in onderaardse hokken opgesloten waar ze al of niet van de honger en ontbering omkomen terwijl de heren zichzelf te goed doen aan drinkgelag en baldadigheden.

De landbebouwers proberen zich te beschermen tegen de vele roofbenden en ze proberen hun pachthoeven te omwallen. Geleidelijk aan worden die met aarden wallen ommuurd en omringd door grachten. In de 11de eeuw is de onkunde en onwetenheid even groot zoniet groter dan die in de 7de eeuw. De edelen zelf kunnen noch lezen noch schrijven en ze gaan er zelfs prat op dat ze ongeletterd zijn. Voortaan dient de wet echter nageleefd te worden door alle burgers, edelen of niet-edelen en eveneens staatsbeambten die bij het niet-respecteren van de wetten zelf een dubbele straf zullen ondergaan. De zware bestraffing wordt omschreven als de “eerlijke vrede van Ieper” omdat ze het recht en de vrede van alle klassen in de samenleving ambieert.

Boudewijn blijkt inderdaad erg streng in de uitvoering van de wetten: als de heer van Oostkamp bij Brugge enkele koeien koopt bij een arme weduwe en haar daarbij betaalt met twee valse munten, wordt hij op de markt van Brugge levend in een kokende verfketel gegooid. Boudewijn toont niet het minste pardon of verschoning voor misdaden in Vlaanderen. Hij laat 10 edele ridders beticht van moord en geweld met de strop om de hals ophangen aan een balk van zijn kasteel.

Een ander voorval schetst de doortastendheid van Boudewijn: de heer van Calloo en 9 andere edellieden hebben vernomen dat er enkele oosterse juwelenhandelaars zijn aangekomen in Brugge met als bedoeling om hun juwelen te slijten op de jaarmarkt van Torhout. Ze besluiten de handelaars in een hinderlaag te lokken en stellen zich op in “De Leepe” een bos tussen Brugge en Torhout (nu Zedelgem) waar ze de oosterlingen vermoorden en beroven van hun juwelen.

Ondertussen wachten de knechten van de handelaars vol ongeduld op hun komst. Als ze uiteindelijk het nieuws krijgen van de moorden klagen ze de smerige edellieden aan bij de graaf van Vlaanderen. Zonder verwijl vertrekt de graaf met een groep gewapende mannen op zoek naar de vermeende moordenaars en dieven. Hun reistassen worden doorzocht en de gestolen juwelen worden er inderdaad in teruggevonden. Ze worden alle 10 gevangen weggevoerd naar Wijnendale waar ze op 30 juni 1112 opgehangen worden.

Boudewijn met de bijl (hij heeft die inderdaad steeds bij) stelt zich scrupuleus en zonder pardon op voor dieven en stropers die zonder scrupules aan de bomen worden opgeknoopt. Overal in het land heerst er groot ontzag voor de graaf die er in slaagt om van zijn gebied een veilige regio te maken.

Wanneer Boudewijn VII afreist naar Frankrijk om er Lodewijk de Dikke te ondersteunen in zijn strijd tegen de Engelsen wordt hij in Normandië aan het hoofd gewond. Aanvankelijk lijkt de blessure mee te vallen, maar gaandeweg wordt deze levensbedreigend.

Hij verlaat noodgedwongen zijn leger en trekt naar Roeselare waar hij de staten van Vlaanderen bijeenroept. Hij benoemt er Karel, de zoon van de Deense koning Canutus en de kleinzoon van gewezen graaf Robrecht de Fries tot zijn opvolger. Boudewijn trekt zich terug in een klooster waar hij in 1119 op amper 26-jarige leeftijd overlijdt. Hij wordt begraven in het klooster van de heilige Bertinus te Gent.

Karel I, Karel De Goede (1119). Karel van Denemarken zit amper op de troon als hij te maken krijgt met de afgunstige graven van Henegouwen, Leuven, Boulogne, St.-Paul die hem zijn erfgoed betwisten. De zoon van de broer van Robrecht de Fries heet Willem van Ieper (anderen zeggen Willem van Loo). De afgunstige graven slagen er (onder leiding van de moeder van Boudewijn VII) in om Willem Van Ieper tegen de nieuwbakken Deense graaf op te hitsen.

Graaf Godfried van Leuven neemt Oudenaarde in met zijn troepen en verwoest de stad. Het zelfde gebeurt in Frans-Vlaanderen door de graaf van St.-Paul. Door het feit dat beide legers zich niet samen coördineren, slaagt Karel I er in om beiden te verslaan en de vrede gewapenderhand te herstellen. De nieuwe graaf ontpopt zich tot een behendige krijgsman maar vooral tot een schrandere staatsman. Hij vernieuwt de “eerlijke vrede van Ieper” ingesteld door zijn voorgangers en hij voegt er enkele verordeningen aan toe. Zo mogen staatsbeambten geen wapens met zich meedragen en worden de Joden, omwille van hun woekeractiviteiten, uit het land verbannen.

De wijsheid en persoonlijkheid van Karel verspreidt zich als een lopende vuurtje door het Europa van toen. Als Hendrik de 5de in 1125 sterft komen de 60.000 hertogen, graven, baronnen,.. (welke immense versnippering heeft het feodaal bestuur al ondergaan sinds Karel de Grote 300 à 400 jaar geleden?) van zijn rijk samen om een nieuwe keizer te kiezen.

De Europese prinsen dragen Karel de Goede voor als nieuwe keizer, maar deze weigert het aanbod. Hij verkiest het vaderlijke bestuur van zijn Vlaamse volk boven de hoogste eretitel. Karel wordt terecht bestempeld als “de goede” want hij staat heel dicht bij zijn mensen. In 1126 breekt er een rampzalige hongersnood die zich heel scherp laat gevoelen in Vlaanderen en Frankrijk. Karel, de vader van de armen, probeert met man en macht de hongersnood in te dijken maar het is onbegonnen werk. Overal sterven mensen van honger en ontbering.

Hij verbiedt het brouwen van bier, laat alle honden afmaken. Hij verplicht de graanhandelaars om hun zolders te openen en het koren aan eerbare prijzen te verkopen. In elk van de pachthoeven die hij bezit laat hij dagelijk honderd behoeftigen spijzen. Karel stelt een deugdzame man, Thancmarus, aan als zijn rechterhand bij het bestrijden van de armoede en hongersnood. In Ieper laat hij op één dag 7800 broden uitdelen.

Karel stelt zich hard op tegen allen die woekeren met de prijzen van de schaarse levensmiddelen en die houding levert wrevel en vijanden op. In de stad Brugge leeft een familie die zich heeft weten op te werken sinds de tijd van Robrecht de Fries. De familie Van Der Straeten is rijk geworden door moord, overspel en geweld. Het is een echte clan die onder leiding staat van Bertolf Van Der Straeten die eveneens proost is van de St.-Donaasparochie in Brugge. Naast Bertolf zwaait zijn aangetrouwde neef Burchard de scepter over deze familie en zijn maffieuze achterban

In deze periode van grote hongersnood heeft Bertolf Van Der Straeten zowat alle graan opgekocht dat er te vinden en te importeren is met de bedoeling om het te stockeren en zo de prijzen ferm te kunnen opdrijven. De clan Van Der Straeten heeft zowat het eigendom van alle tienden (=recht op het heffen van belastingen) van de Vlaamse abdijen en zit in een positie om te marchanderen met zowel de tienden als met de prijzen van het graan.

De abt van Oudenburg kaart het misbruik van de familie Van Der Straeten aan bij de graaf die Bertolf onmiddellijk bij zich laat roepen. Hij verplicht hem om zijn graanzolders te openen en het graan aan schappelijke prijzen op de markt te brengen. De proost van St.-Donaas is woedend. Het is al de tweede beslissing van de graaf die zich tegen hem heeft gekeerd want in een eerder rechtsgeding was zijn familie al zijn adellijke titel afgenomen.

De clan Van Der Straeten besluit zich te wreken voor het onrecht dat hun wordt aangedaan. Hun eerste wraakoefening richt zich tegen Thancmarus, de aalmoezenier van de graaf. Ze profiteren van het vertrek van Karel de Goede naar Frankrijk om in Oostkamp het kasteel en de boerderijen van Thancmarus te vernielen.

Als de graaf bij zijn terugkeer uit Frankrijk verneemt wat de Van Der Straeten clan heeft uitgericht met de eigendommen van zijn aalmoezenier roept hij zijn edelen samen te Ieper. Hij gebiedt om het kasteel en roversnest van Burchard met de grond gelijk te maken. Actie leidt tot reactie. Ook hier. De aanhang van Van Der Straeten smeedt een snood plan (in de St.-Maartensabdij van Ieper) om graaf Karel de Goede om het leven te brengen. Het is alleen kwestie van te wachten op de perfecte gelegenheid.

Die gelegenheid biedt zich vrij snel aan. Op 2 maart 1127 begeeft de godvruchtige graaf zich naar de H. Mis in de kerk van St.-Donaas te Brugge. Hij gaat bidden in een kapel boven de galerij. Niet ver van de graaf bevindt zich de in bedelaar verklede Burchard die wacht om zijn slag te slaan. Wanneer Karel zijn hand uitsteekt om een aalmoes te geven aan een arme vrouw slaat Burchard toe. Met een forse slag van het zwaard hakt hij de “gevende” hand af van de graaf. Met een tweede slag slaat hij de hersenpan in stukken zodanig dat de hersenen overal in het rond uiteenspatten. Zijn kompanen gooien het dode lichaam naar beneden waar het voor het altaar blijft liggen. Het is een vreselijke moord.

Burchard is niet uitgeraasd. Nu begeeft hij zich naar de woning van Tancmarus waar hij de aalmoezenier samen met zijn twee zonen om het leven brengt en het hele huis plundert. Daarna begeeft het gezelschap zich naar het grafelijk kasteel waar de aanwezige bedienden en edelen vermoord worden en er volop verder geplunderd wordt.

De schrik zit er dik in bij de Bruggelingen. Niemand die initiatief durft te nemen, niemand die het dode lichaam van de graaf durft weg te nemen. Het blijft er drie dagen lang onaangeroerd liggen, dat terwijl de moordernaars zich in de Burg verschansen en waar ze proberen het volk van Brugge aan hun kant te krijgen.

Het nieuws van de moord op de graaf van Vlaanderen verspreidt zich razendsnel doorheen de Vlaamse steden en veroorzaakt een ware schokgolf! Een gewapende groep van 60 edelen, waaronder de heren Servaas van Praet, Willem van Loo, Theodorus van Diksmuide, Boudewijn van Gent, de heren van Bouchoute, Langemark, Staden, Koekelare trekt onmiddellijk naar Brugge om de moorradige roversbende van Bertulf en Burchard Van Der Straeten te belegeren.

Eindelijk kan het lichaam van de dode graaf geborgen en begraven worden. De belegering van de Burg is er één van lange adem. Op een bepaald nacht slaagt een groep trawanten van Burchard er in om te ontsnappen uit hun schuilplaats. Ze kunnen echter één voor één worden gegrepen. Onder grote druk van vooral Willem van Loo volgt uiteindelijk de totale overgave van de bende. Allen worden zonder uitzondering op gewelddadige manier opgehangen, onthoofd, geradbraakt of door paarden in stukken getrokken. De wraak voelt zoet aan.

Na de wraak en de zuivering staat Vlaanderen natuurlijk zonder bestuurder. De vermoorde Karel de Goede bezit geen erfgenamen. Willem van Loo en andere edelen claimen het bestuur van het graafschap Vlaanderen. Dat is buiten de waard gerekend van de Franse koning Lodewijk de Dikke die om staatkundige reden (lees: zijn eigen voordeel te doen) besluit om Willem van Normandië tot graaf van Vlaanderen te verheffen.

Willem van Normandië (1127). De nieuwe graaf is de zoon van Robrecht, de graaf van Normandië. Hij is getrouwd met de schoonzus van de koning van Frankrijk. De aanstelling van Willem tot nieuwe graaf van Vlaanderen biedt een unieke gelegenheid om zijn vijandschap tegenover Engeland te versterken. De vriendschap tussen Vlaanderen en Engeland wordt wel héél erg op de proef gesteld door de zet van Lodewijk de Dikke.

De Vlaamse edelen verzetten zich hardhandig tegen de aanstelling van de Normandische graaf, maar Willem slaat hun verzet neer. Al vrij snel worden nieuwe belastingen geheven op de kap van de Vlaamse mensen. Overal doorheen Vlaanderen verkoopt Willem van Normandië ambten en bestuursmandaten voor eigen geldgewin. Al snel wordt hij door de vrijheidsminnende Vlamingen gehaat en verfoeid.

De Engelsen zijn heel goed op de hoogte van het Vlaamse ongenoegen en sluiten zich aan bij het Vlaamse verzet tegen de dwingelandij van de Fransen. Als er één graaf is die recht heeft op de Vlaamse kroon, dan is het wel Dirk van den Elzas. Ze verzoeken hem om ondersteuning die ze krijgen in de vorm van een leger van 5000 Duitse soldaten die zich naar Vlaanderen begeven.

Het komt tot verscheidene militaire treffens tussen de Franse legers van Willem van Normandië en het Duitse leger van Dirk van den Elzas. Zo onder andere in Wingene, Oostkamp en Tielt. Rijsel wordt door de Fransen belegerd maar voor Dirk van den Elzas ontzet. Het Duitse leger leidt een nederlaag in de omgeving van Aalst waarna Willem Van Normandië de stad Aalst gaat belegeren.

Bij die belegering gaat het mis voor de Fransen: Willem van Normandië krijgt een pijl in de schouder. Vijf dagen later sterft hij aan die verwonding. De Fransen zien niet langer het nut in van hun belegering en trekken zich massaal terug. Dirk van den Elzas trekt zegevierend naar Gent waar hij geestdriftig ontvangen wordt door de geestelijkheid en het volk. Hij wordt in 1128 aangesteld tot nieuwe graaf van Vlaanderen.

Dirk (Thierry) van den Elzas (1128). Maar wie is die eigenlijk? Hoe komt het dat hij de gerechtvaardigde opvolger is als graaf van Vlaanderen? De vader van Dirk, graaf van den Elzas, is getrouwd met de tweede dochter van Robrecht de Fries. Dirk van den Elzas is dus de kleinzoon van de voormalige graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries die in 1093 overleed. Maar er is een andere troonpretendent die al in 1119 probeerde om de macht te grijpen. Willem van Loo (eigenaar van veel eigendommen te Ieper, waaronder het Sint-Pieterskwartier) is de zoon van de broer van Robrecht de Fries en dus de achterneef van Dirk van Den Elzas.

Tussen de twee ontstaat al snel een grote vijandschap. Willem van Loo settelt zich in Damme, een stad die hij versterkt. Dirk van den Elzas houdt zich bezig met het herstel van de wetgeving en met het op punt stellen van de ordehandhaving. Stilaan begint Willem van Loo de naburige dorpen van Damme te teisteren met diefstallen en gewelddadige overvallen. De nieuwe graaf is een clevere man en hij besluit om niet over te gaan tot een open oorlog met zijn opponent maar hem in het nauw te drijven daar in zijn roversnest te Damme. Uiteindelijk slaagt hij in zijn opzet: Willem van Loo ziet definitief af van zijn eisen en reist af naar Engeland.

Dirk van den Elzas heeft de eed van trouw gezworen aan zijn volk. Hij legt zich met ijver toe op zijn taak. Tijdens zijn leven krijgen heel wat parochies of steden hun eigen charters of eigen gemeenterechtgeving toegewezen. In 1134 sterft zijn vrouw Margaretha en hertrouwt hij met Sybilla, de dochter van Fulco van Anjou die op dit moment aangesteld is als koning van Jeruzalem.

Zijn nieuwe schoonvader zit in de problemen met barbaren en Egyptenaars die zijn stad belegeren en vraagt hulp aan Dirk. De deugdzame graaf besluit in te gaan op de vraag van de koning van Jeruzalem. Hij roept een staatsvergadering samen te Ieper op 19 februari 1138. Hij bevestigt er nogmaals de door Boudewijn de 7e opgestelde landsvrede en stelt zijn echtgenote Sybilla aan als bestuurder van Vlaanderen. Hij reist naar Syrië.

Het wordt een succesverhaal daar in het heilig land. Dirk van den Elzas verslaat de barbaren en hij slaagt er stormenderhand in de zeehaven van Ascalon, een Egyptisch bolwerk, te veroveren. Tijdens zijn afwezigheid blijft het relatief kalm en rustig in Vlaanderen. Alleen in de Westhoek zijn er onlusten ontstaan, meer bepaald in Veurne Amacht. Maar die onlusten worden bij de terugkeer van de graaf al snel in de kiem gesmoord.

In 1147 willen de Sarazijnen Syrië opnieuw overmeesteren en opnieuw wordt Dirk van den Elzas naar het heilig land geroepen. Ondanks de inname van Damascus en een grandioze overwinning aan de Jordaanrivier blijkt de situatie er verre van gezond. Er bestaat heel wat onenigheid tussen de christenen zelf die dan nog op hun beurt verraden worden door de Grieken. Terwijl veel kruisvaarders moedeloos terugkeren, blijft Dirk van den Elzas – tegen beter weten in – zijn schoonvader ondersteunen.

In zijn thuisland krijgt zijn vrouw Sybilla af te rekenen met een inval van de troepen van Boudewijn van Henegouwen. Ze kan die aanval echter afslaan en dwingt hen tot de terugtocht. In 1150 sterft Falco, koning van Jeruzalem en wordt zijn zoon Boudewijn III (de broer van Sybilla) de nieuwe koning. Dirk van den Elzas komt terug naar zijn vaderland.

De dankbaarheid van zijn schoonbroer en de patriarch van Jeruzalem is groot! Ze schenken hem een onwaarschijnlijke schat: een deel van het heilig bloed dat ooit toebehoorde aan Jezus Christus en in een kristallen beker bewaard werd in de heilige plaatsen van Jeruzalem. De kroniekschrijvers hebben het bijzonder moeilijk om de triomfantelijke intocht van graaf Dirk en zijn kostbare relikwie in Brugge te omschrijven. De geestelijkheid omgeven door massa’s van mensen gaan de graaf tot ver buiten de poorten tegemoet. De harten smelten van blijdschap, de knieën buigen van eerbied en respect. De tranen springen uit de ogen. De lucht is zwanger van de lofzangen als de praalstoet zich uiteindelijk op 7 april 1150 aanbiedt bij het kasteel van de graaf.

Enkele jaren later is het weer van dat. Boudewijn III wordt opnieuw belegerd door een leger van ontketende Sarazijnen. Hij vraagt om hulp bij zijn schoonbroer, onze graaf. Dirk van den Elzas stelt deze keer zijn zoon Filips aan tot nieuwe bestuurder van Vlaanderen. In 1157 vertrekken Dirk en Sybilla samen met hun leger naar het verre oosten. Na hun terugkeer in 1159 volgt een zelfde scenario in 1163. Ondertussen bestuurt Filips van den Elzas het Vlaamse gewest, kent hij nieuwe voorrechten toe aan de gemeenten en steden en zorgt hij voor de veiligheid.

Als Dirk van den Elzas terugkeert van zijn vierde kruistocht verneemt hij het overlijden van zijn vrouw Sybilla in een Syrisch klooster. Dirk trekt zich bedroefd terug in het klooster van Waasten (toen Watene). Hij sterft uiteindelijk op 69-jarige leeftijd in Grevelingen op 17 januari 1169. Hij wordt in Waasten begraven.

Filips van den Elzas (1169). Filips, nu definitief graaf van Vlaanderen, zet zijn bestuur verder. Hij zorgt er voor dat de economische activiteit floreert door nodeloze belastingen te schrappen. Hij kan het regelen dat de Vlaamse handelaars hun goederen kunnen slijten op de Duitse markten van Aken en Duisburg. Tijdens zijn bewind krijgen Orchies, Damme, Biervliet en Duinkerke hun gemeentelijke infrastructuur. Gent, Brugge, Ieper, Oudenaarde, Geraardsbergen,.. hun stadsrechten (gemeentecharters met eigen wetgeving) toegekend.

Als Filips trouwt met Elisabeth, de dochter van de koning van Frankrijk, wordt Vlaanderen uitgebreid met de streken van Vermandois, Valois en Amiens. Maar opnieuw komt de roep om een militaire ingreep te gaan verrichten in Palestina. Het duurt even voor Filips definitief besluit om in te gaan op die vraag, maar uiteindelijk reist hij voor een eerste keer af in Augustus 1177. Verscheidene geschiedsschrijvers beweren dat hij al na één jaar terugkeert naar Vlaanderen. Volgens die schrijvers zou Filips van den Elzas daar ter plekke een bende Sarazijnen hebben aangevallen, daarbij hun vlag, een zwarte leeuw op een gouden achtergrond, veroverd hebben. Filips zou diezelfde leeuw definitief als zijn wapenschild introduceren.

Na de dood van zijn echtgenote Elisabeth hertrouwt onze graaf met de dochter van de koning van Portugal. Haar naam: Mathilde. In 1190 vertrekt hij voor een tweede keer op kruistocht. Bij de inname van de stad Ptolomaïs sterft Filips op 1 juli 1190 aan de pest. Hij wordt aanvankelijk begraven in de kapel van de heilige Nicolaus maar zijn lichaam wordt uiteindelijk – in opdracht van Mathilde – gerepatriëerd en begraven in het Franse Clervaux.

De opvolging van de graaf zorgt voor problemen. Zijn oudste broer Boudewijn is al vroeg gestorven en zijn broer Pieter werd eerder omgebracht door vergifitging. Uiteindelijk zal zijn zuster Margaretha tot opvolgster van het grafelijk bestuur aangesteld worden. Graaf Filips van den Elzas gaat de geschiedenis in als één van onze beste graven.

Margaretha van den Elzas (1191). Na het overlijden van Filips nemen zijn zuster Margaretha en haar man, Boudewijn V, graaf van Henegouwen, het bestuur over. Omdat de opvolging van het geslacht niet langer meer in mannelijke lijn is verder gegaan, wordt de erfenis betwist. Basis voor die betwisting is de Salische wet die Pharamond, de eerste koning van de Franken in 425 invoerde en waarbij vrouwen van de troon uitgesloten werden.

Het is de aartsbisschop van Reims die op dit moment de regent is van Frankrijk. Hij eist dat het Vlaamse gebied opnieuw toe zal behoren aan het Franse rijk. Margaretha betwist de Salische wet die volgens haar enkel geldt in Frankrijk en helemaal niet in Vlaanderen. Vlaanderen wordt in de kortste tijd aangevallen door koning Philippe Augustus die inmiddels teruggekeerd is uit het heilig land. Maar er komt gelukkig een regeling van het conflict. Het gebied rond Artois wordt afgestaan aan Frankrijk. Hierbij verliest Arras (Atrecht) het voorrecht van hoofdstad van Vlaanderen te zijn en wordt Gent aangeduid als nieuwe hoofdstad. De zwakke Margaretha sterft kort daarop in Wijnendale en laat Vlaanderen overgaan op haar zoon Boudewijn. We leven in het jaar 1194.

Boudewijn IX van Constantinopel (1194). Als ook de vader van Boudewijn sterft in 1195 wordt Boudewijn ook baas in Henegouwen. De nieuwe graaf doet het al vrij snel uitstekend en dat laat het beste verhopen voor Vlaanderen. Maar het klimaat steekt daar een stokje voor. Overvloedige regenval, felle stormen en onweders beletten de rijping van de veldgewassen en verhinderen de zaai van nieuwe gewassen. In 1196 begint een hongersnood die vijf jaar zal duren. Graaf Boudewijn heeft amper vat op de hongersnood die zijn volk treft.

Rampspoed gaat vaak hand in hand met oorlog. En ook nu is het niet anders. Boudewijn wordt verplicht de partij te kiezen van de Engelse koning Richard Leeuwenhart ten nadele van Philippe de koning van Frankrijk. Hij is nog niet vergeten dat de Fransen hem het gebied van Artois hebben afgenomen en eist de regio terug van de Fransen. Na een botte weigering van de Franse koning besluit Boudewijn het gebied gewapenderhand in te nemen. De Vlamingen vallen Douai binnen en starten in 1197 het beleg van Arras. Dank zij een list slaagt hij er in het leger van Philippe Augustus in het nauw te drijven in de moerassen rond Belle. De Fransen kunnen niet anders dan het gebied van Artois terug te geven aan West-Vlaanderen.

Maar de koning van Frankrijk komt terug op zijn woord en de oorlog gaat verder. De situatie klaart uiteindelijk uit als Maria van Champagne (de echtgenote van Boudewijn) haar neef, de koning van Frankrijk, kan overreden om een vredesverdrag te sluiten. In 1200 wordt “de vrede van Péronne” getekend. Arras en St.-Omer komen terug in Vlaamse handen terwijl de Fransen de rest van Artois toebedeeld krijgen.

Ondanks de alomtegenwoordigheid van oorlog en de hongersnood wordt er verder gewerkt aan het binnenlands bestuur van Vlaanderen. Nieuw is een “tarief van de inkomende rechten”, importheffingen aan de welke de koopwaren aangeboden op de markt van Brugge onderworpen worden. Graaf Boudewijn is de eerste om een stelsel van gelijkheid van maten en gewichten in te voeren (Per totum Flandrium debet esse oequali pondus) maar dat stelsel houdt niet zo lang stand.

In het Franse Neuilly predikt de priester Foulques om een nieuwe kruisvaart te ondernemen. Boudewijn wil in de voetsporen van zijn voorgangers treden. Hij stelt in 1202 zijn broer Philippus van Namen aan als tijdelijke regent van Vlaanderen en benoemt zijn grootmoeder, gravin Mathilde van Portugal tot voogdes van zijn dochter Joanna. Hij vertrekt naar Venetië waar hij samen met andere Europese christelijke prinsen de tocht naar Palestina aanvat. In 1204 volgt een bloedig en langdurig beleg van de stad Constantinopel. De stad wordt finaal stormenderhand ingenomen en Boudewijn wordt wegens zijn dapperheid benoemde tot keizer van Constantinopel.

Zijn bewind duurt maar één jaar. Al in 1205 wordt hij aangevallen door de Bulgaren en krijgsgevangen genomen door diezelfde Bulgaren. Er bestaan heel wat verhalen over zijn dood. Volgens de enen is hij lafhartig vermoord in zijn kerker, anderen zeggen dat zijn armen en benen werden afgehouwen en hij als prooi toegeworpen werd aan wilde dieren.

Johanna van Constantinopel (1205). De mensen van Vlaanderen zijn bedroefd om de dood van hun graaf Boudewijn. Zijn twee dochters worden door toedoen van de graaf van Namen – zeer tegen hun zin – een huwelijk aangaan dat enkel en alleen van politiek belang is. Er dient immers absoluut vermeden te worden dat ze zouden trouwen met Engelse prinsen en zo de invloed van Engeland in Vlaanderen nog zou uitbreiden. Zo trouwt Johanna, de oudste dochter van Boudewijn in 1212 met Ferrand van Portugal, de zoon van de koning van Portugal. Het begint al onmiddellijk goed, want bij het huwelijk dient Johanna Arras en St.-Omer terug te geven aan de Franse koning.

Philippus van Namen eist van Ferrand en Johanna dat ze ten strijde trekken tegen de Engelsen. Beiden weigeren elke medewerking zolang Arras en St.-Omer niet teruggegeven worden aan Vlaanderen. Deze weigering resulteert in een bloedige oorlog tussen Frankrijk en Vlaanderen. Philippe Augustus, de Franse koning, valt Vlaanderen binnen met een machtig leger en overmeestert Douai, Rijsel, Kortrijk, enz.

Ondertussen is Ferrand een verbond aangegaan met de koning van Engeland (Jan zonder Land genoemd) en keizer Ottho van het heilig Roomse Rijk. De Duitsers komen de Vlamingen te hulp met een leger van 100.000 man en de Engelsen nemen de Franse steden Anjou en Poitou in. Aanvankelijk denken de Duitsers en Engelsen aan een opdeling van Frankrijk maar die hoop wordt de grond ingeboord tijdens de ongenadige veldslag van Bouvines op 26 juli 1214. De Fransen slagen er in om Ferrand krijgsgevangen te nemen en brengen hem naar Parijs waar hij 12 jaar gevangen zal blijven. Gravin Johanna zal er alles aan doen om haar echtgenoot vrij te krijgen.

Pas als Lodewijk IX de nieuwe koning van Frankrijk is geworden volgt er een doorbraak. Op 6 januari 1227 wordt Ferrand tenslotte vrijgelaten en keert hij naar Vlaanderen terug. Na een vrij positief bestuur sterft Ferrand in 1233 en zal de kinderloze Johanna nog 11 jaar aan het roer blijven van haar graafschap. Ondertussen hertrouwt ze met Thomas van Savoye. In 1144 sterft Johanna in Rijsel en wordt ze ook daar begraven.

Margaretha van Constantinopel (1244). Zus Margaretha laat het beste verhopen voor Vlaanderen. Veel steden en gemeenten krijgen nieuwe voorrechten ef nieuwe gemeenterechten. Zo krijgt het Brugse Vrije 3 rechtbanken (vierscharen), één in Brugge, één in Oudenburg en één in Aardenburg. Bovendien krijgt Brugge de toelating om zichzelf met wallen te omringen en te versterken. In 1251 geeft ze toestemming om een kanaal te graven (de “Lieve”) tussen Gent, Aardenburg en Damme. Na een eerste mislukt huwelijk met Burchard van Avesnes trouwt ze met Willem van Dampierre.

Uit haar eerste huwelijk heeft ze kinderen en al snel ontstaat er een tweespalt tussen de gravin en haar kinderen. De Franse koning die als bemiddelaar wordt aangesteld beslist dat het graafschap Henegouwen overgaat naar haar zoon Johannes van Avesnes terwijl het erfrecht over Vlaanderen overgaat naar de oudste zoon van Willem van Dampierre. Op die manier slaagt de koning er in om het blok Vlaanderen-Henegouwen uiteen te spelen.

Johannes van Avesnes is niet tevreden over het verlies van Vlaanderen en samen met zijn schoonbroer, Willem van Holland en de Duitse keizer Frederik ontketent hij een gewapend conflict met zijn moeder. Bij een verrassingsaanval op Walcheren lijden de Vlamingen echter ter hoogte van Westkapelle een grote nederlaag. In 1252 sneuvelen maar liefst 30.000 Vlamingen in de strijd en worden de 2 zonen van de gravin gevangen genomen. Opnieuw wordt de Franse koning aangesteld als scherprechter en uiteindelijk wordt beslist dat Vlaanderen aan de Dampierres toebehoort en Henegouwen aan de Avesnes. In 1254 worden beide Dampierres trouwens vrijgelaten.

Hoewel Margaretha één en ander doet om de mensen te helpen staat ze wel bekend als “razend wijf” of “zwarte dame”. In 1278, op latere leeftijd staat ze het graafschap Vlaanderen tijdens een algemene vergadering van de edelen in Damme af aan haar zoon Guido (Gwijde) van Dampierre. Als ze 2 jaar later sterft gaat Henegouwen over naar Johannes van Avesnes. Margaretha wordt in 1280 begraven in de abdij van Flines bij Douai.

Gwijde van Dampierre (1279). Gwijde is de tweede zoon van Willem van Dampierre en Margaretha van Constantinopel. Hij volgt zijn moeder op als graaf van Vlaanderen. Echt gelukkig is zijn bestuur niet te noemen, want zijn meestal impulsief gedrag zorgt al gauw voor moeilijkheden alom in Vlaanderen. Zo hebben de bestuurders van de rijk geworden steden Brugge, Gent, Ieper er Kortrijk het al gauw verkorven bij Gwijde. Er bestaat een zekere afgunst tussen de graaf van Vlaanderen en de rijke steden die meer en meer hun invloeden laten gelden in Vlaanderen. Gwijde wil de macht van de staden inperken. Op zijn eis om jaarlijks hun geinde belastingen aan te tonen en een deel ervan af te dragen, reageren de steden hierop negatief. De graaf is hierover verbolgen en kan al snel revanche nemen als op 15 augustus 1280 de houten halletoren van Brugge afbrandt en de Brugse voorrechten en stadscharters door de vlammen verteerd worden.

Gwijde van Dampierre neemt van die gelegenheid gebruik om Brugge naar zijn maatstaven te besturen en al vlug komen de Bruggelingen tegen zijn willekeurig bestuur in opstand. In Gent gaat het al niet veel beter. De patriciërs, begoede Gentenaars die zich verrijkten met hun handelsmonopolies en daarom niet wensen dat de graaf zich te veel bemoeit met hun zaken, zoeken hun toevlucht bij Philips de Schone, de koning van Frankrijk, maar die is alleen geïnteresseerd omdat hij zo een staatkundig voordeel uit kan halen.

Graaf Gwijde onderhoudt uitstekende relaties met de koning van Engeland. Hij zegt de samenwerking op met de Fransen en probeert zijn dochter Filippina te laten trouwen met de zoon van de Engelse koning. Philips de Schone is zeer beducht voor zulk huwelijk en bij een bezoek van Gwijde en zijn vrouw aan het Franse Corbeil worden beiden gevangen gezet in het Louvre te Parijs. Uiteindelijk zullen ze beiden vrijgelaten worden op voorwaarde dat hun dochter Filippina zich als vrijwilllige gijzelaar aanbiedt. Volgens de meeste geschiedschrijvers wordt Filippina in 1296 vermoord of vergiftigd.

Gwijde is razend om de dood van zijn dochter en zoekt bondgenoten om zich te wreken op de Franse koning. Maar in eigen land heeft hij het grotendeels verkorven en de steun die hij krijgt vanuit Engeland stelt al met al weinig voor. Integendeel is een deel van de (rijke) Vlamingen zich gaan afzetten tegen zijn bestuur en leunen ze aan bij de Franse koning. De Fransgezinde bourgeois noemen zich Leliaarts en dat kan men zien aan hun vlaggen waarop 3 lelies afgebeeld staan. De Vlamingen, zeg maar het gewone volk, die de graaf goedgezind blijven, verenigen zich onder de leeuwenvlag en noemen zich Liebaarts. De oorlog breekt uit!

Philips stuurt een leger van 80.000 man naar het noorden. Cassel, Bourbourg en St.-Omer worden ingenomen. De belegering van Veurne is aangevangen. Hij sluit een akkoord met de Leliaarts die de Vlaamsgezinden tijdens het beleg in de rug aanvallen. De Fransen winnen de veldslag van Bulskamp in 1297. Maar liefst 16.000 Vlamingen schieten er het leven bij in. Philips de Schone verovert in datzelfde jaar Douai, Rijsel, Kortrijk, Brugge en Gent. De schaarse Engelsen druipen af. Gwijde van Dampierre, totaal geïsoleerd van zijn leenheren en verzwakt door de ouderdom, trekt zich terug in zijn burcht te Rupelmonde en laat het bestuur over aan zijn 48-jarige zoon Robrecht van Dampierre.

De opperbevelhebber van het Franse leger adviseert Gwijde van Dampierre om zich onderdaning op te stellen ten opzichte van de Franse koning en zich publiekelijk te onderwerpen aan de Franse souverein. De trotse Philips de Schone ziet het anders! Hij zet Robrecht gevangen en annexeert Vlaanderen aan Frankrijk. We leven in het jaar 1300. Er is zwaar weer op komst voor de Vlamingen!