De Erembalden hebben graaf Karel vermoord

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     527 Views     Leave your thoughts  

De Erembalden hebben graaf Karel vermoord
Brugge. 2 Maart 1127. De bende van de familie Erembald heeft graaf Karel de Goede uit de weg geruimd. Het motief is overduidelijk: hij wou en kon de Erembalden niet op het zelfde maatschappelijk niveau tillen als de bestaande ridderschare in Vlaanderen. Door zijn recente beslissing om de ridders te laten beslissen over het lot van de Veurnse familie, heeft hij meteen zijn eigen doodsvonnis ondertekend. De familie van de Brugse proost Bertulf en zijn broer, kasteelheer Haket heeft de voorbije jaren rond zich een belangrijk machtsbastion opgebouwd in Vlaanderen. Na de koelbloedige moord degraderen de vroegere machtshebbers echter gaandeweg tot verstotelingen van de maatschappij.

Kerk en ridders rechten de ruggen en hebben onder elkaar beslist dat er wraak moet worden genomen op de bende Erembalden. Galbert, de vroegere secretaris van de graaf, heeft de gebeurtenissen nauwkeurig neergeschreven. Het eerste deel van zijn relaas kon u lezen in mijn episode ‘Drama in Sint-Donaas’. In deze episode is het duidelijk geworden dat de bende geïsoleerd zit in de Brugse Burg en in de kerk van Sint-Donaas waar de moord tien dagen geleden heeft plaatsgevonden.

De Erembalden zitten als ratten in de val. De afrekening op de moordende kliek die Karel de Goede botweg heeft vermoord, vangt aan. Dat hebben de prinsen van het land beslist. Zaterdag 12 maart. De prinsen noemt Galbert hen. Daniel, Richard, Thierry en consoorten worden in elk geval met het nodig respect omschreven. De prinsen werken zich in het zweet tijdens een constante belegering van de Burg die nu compleet omsingeld is.

Een bonte bende ambachtslieden biedt zich aan
Rond de middag ondernemen de burgers van de stad Brugge en de gewapende ridders pogingen om de poorten van het kasteel in brand te steken. Een van de tussendeuren tussen de Burg en de ambtswoning van de proost loopt hierbij zware schade op. Bundels hooi en strozakken worden tot bij de deuren gesleept en aangestoken. Met het nodige risico op lijf en leden want de Erembalden bekogelen hen met stenen en pijlen van boven de muren van de burcht. Een van de aanvallers bekoopt zijn actie met het leven wanneer hij door één van die pijlen gespietst wordt. Het ziet er naar uit dat de burcht niet in te nemen zal zijn zonder zware verliezen.

De 13de worden de gevechten ‘on hold’ gezet. Zondag weet je wel. Op de dag van God kan er toch moeilijk gevochten worden. De krachten worden bijgetankt. Op maandagmorgen is er nieuw volk op komst. Mannen uit Gent. Stadsbewoners en landbouwers uit de buitengebieden rond de stad. Ze zijn de graaf niet vergeten en willen meewerken aan de zuiveringsoperatie. Het is een bonte bende. Ambachtslieden van elke slag en soort, maar ook schurken, gemeen volk, crapuul en moordenaars zoeken een uitlaatklep om de hooligan uit te hangen. Enfin, zo komt het toch over als ik lees wat Galbert allemaal geschreven heeft.

Te voet of met paarden en met de hoop om hier een daar een graantje mee te pikken van het goud dat er buitgemaakt zal worden. Ze komen naar Brugge afgezakt met dertig wagens. Allemaal gevuld met wapentuig. Het is warempel een echt volksleger dat zich aanbiedt bij de Brugse poorten. Te veel mensen om te tellen. Ontelbaar en vol goede moed. Wanneer ze zich met geweld toegang willen verschaffen tot de stad, stuiten ze op verzet bij de Bruggelingen. ‘Jullie hebben hier niets verloren’, roepen ze. Het scheelt niet veel of de Bruggelingen gaan op de vuist met die van Gent.

Dirk van Holland zou geen slechte graaf zijn
Gelukkig zijn er een aantal slimmeriken bij die het misschien opportuun vinden dat ze hun krachten en hun wapens zouden bundelen in hun gemeenschappelijke strijd tegen de Erembalden. De Gentenaars mogen dus uiteindelijk met al hun troepen Brugge binnen. Ze stellen zich meteen op rond de Burg. Ongelooflijk toch hoe die details komen aanwaaien uit het verleden. Woensdag 16 maart 1127, de nacht van de feestdag van Sinte-Gertrudis.

Petronella van Saksen de gravin van Holland en haar zoon Dirk vervoegen zich bij het beleg. Met een pak volk erbij uiteraard. Zou Dirk geen goede kandidaat zijn om Karel op te volgen als nieuwe graaf? Er is in elk geval sprake van een fors charmeoffensief. De strijd om de macht in Vlaanderen zou wel eens een geanimeerd verhaal kunnen worden. Veel beloften en veel geld, Galbert is loslippig.

Enkele ridders voelen zich inderdaad geneigd om voor Dirk van Holland te kiezen. Nog diezelfde dag stuurt Willem van Lo (kandidaat-graaf nummer één) de heren van Zomergem ter plekke om hen duidelijk te maken dat deze beslissing in handen ligt van de koning van Frankrijk en dat die laatste het graafschap al toegewezen heeft aan hem. Verwarring troef. De oude meesters zijn nog niet buiten en er wordt al ruzie gemaakt om wie de nieuwe zullen worden.

Daar in Brugge lopen er nogal wat ridders rond die er zelfs niet aan denken om ooit mee te vechten voor Willem van Lo, de man die vermoedelijk betrokken was bij de moord op Karel de Goede die ook wel Karel van Denemarken wordt genoemd. Donderdag 17 maart. De kanunniken van Sint-Donaas hebben ladders aangebracht aan de zuidelijke gevel van de Burg. Via de muren proberen ze zo kerkschatten in veiligheid te brengen. De relieken en de schrijnen van de heiligen.

Het wordt een woelige nacht
Wandtapijten, gewijde ceremoniekledij, kerkboeken en nog veel meer. Bertulf en zijn mannen hebben in het verleden wat uitgespookt om al die schatten binnen te rijven. Met de hulp van Frumold senior hebben ze zich rijkelijk voorzien van kerkeigendommen. Het lijkt er op dat de kerk van Sint-Donaas wel ontmanteld werd door de verraders. Het enige wat er gebleven is, lijkt wel hun concubines, hun latrines, de keukens met hun ovens en alle soorten van vuiligheid. Het wordt een woelige nacht. Brandende pijlen over en weer zorgen er voor dat heel wat huizen in het omliggende als fakkels verteerd worden.

Brugge doet apocalyptisch aan. Het zijn de belegerden die verantwoordelijk zijn voor die regen van vuur. En ondertussen proberen dieven alles te stelen wat er te stelen valt. Galbert sakkert. Er is geen tijd om een heel verslag te schrijven. Hij moet zich tevreden stellen met hier en daar een notitie in de hoop om alles op een later tijdstip te ordenen. Zo schiet het hem te binnen dat een deel van de mensen binnenin de Burg er toevallig is en helemaal niets te maken heeft gehad met de aanslag op Karel. Of mannen die pas achteraf gelokt werden met de beloften van geld. Zo bijvoorbeeld die dekselse boogschutter Benkin.

Wat hij daar boven allemaal aan werk verzet, is fenomenaal. Het lijkt er wel op dat hij het werk doet van een heel peloton schutters. Ridder Weriot is van een ander allooi. Hij behoort wel tot de kliek van de samenzweerders. Van jongs af aan al bezig met stelen. Een struikrover pur sang die nu aan één stuk door stenen gooit naar de aanvallers en daarbij een heus bloedbad aanricht.

Er komen onderhandelingen aan te pas
De poorten aan de oostzijde hebben al zware ravage opgelopen door het brandende stro. Er zijn al grote openingen zichtbaar die voorlopig gedicht worden met een allegaartje van materiaal. Ik krijg wat informatie over de manier waarop de Sint-Donaaskerk gebouwd werd. Precies een verhoogde rotonde met een kunstige ronde koepel. Een bouwwerk van bakstenen en leistenen. Vroeger was de kerk opgetrokken in hout met daarboven een fiere toren en dito spits van waaruit de klokken de burgers opriepen om te gaan werken of om ten strijde te trekken. Een brand heeft de oorspronkelijke kerk helemaal in de as gelegd.

De keuze voor steen als nieuw bouwmateriaal was snel gemaakt. Er komen onderhandelingen aan te pas. Ik focus me op de confrontatie die zich aan de voet van de kerk en de Burg aan het afspelen is. Tussen de opgesloten slechteriken zitten er ook dappere ridders die niets liever zouden willen dan zich uit de voeten te maken als ze daartoe de kans zouden krijgen. Het zint hen allerminst dat ze het predicaat van samenzweerder over hun hoofden hebben neer gekregen.

‘We hebben eigenlijk niets met die moord op de graaf te maken’, geven ze mee aan de belegeraars. ‘’Waarom laten jullie ons niet gewoon gaan?’ vragen ze aan hun aanvoerders, ‘we zijn best bereid onze onschuld voor een vierschaar te bewijzen’. Na de nodige discussies en gesprekken mag een groot deel mannen dan toch vrij en vrank de Burg verlaten. De proost en zijn medestanders hebben ook wel wat te zeggen. Bertulfs gezicht straalt vertwijfeling uit. Waar is die hoogmoedige, strenge en hautaine blik naartoe? Hij en zijn broer Haket zijn al heel wat pluimen kwijtgespeeld. Burggraaf Haket voert nederig het woord voor het gezelschap en richt zich tot de alliantie van prinsen die hen wil uitroken.

Een serenade van niet gemeende woorden
Een serenade van niet gemeende woorden over hun vroegere vriendschappen en dat ook zij de dood van de arme graaf betreuren maar eigenlijk niet zo bedoeld hebben, maar dat ze ook aan hun families moesten denken. De proost en de jonge Robrecht hebben trouwens helemaal niets te maken met de moord en willen dat op gelijke welke manier ook bewijzen aan de kanunniken. Ze willen zich uiteraard verantwoorden voor het gerecht. Liever dat dan daar opgesloten te blijven met de daders van de moorden. Je moet het toch maar kunnen zeggen, denk ik. Ze proberen zich wanhopig vast te klampen aan een laatste strohalm. Ridder Wouter is in 1127 ook mijn mening toegedaan. Die vriendschap mogen ze op hun buik schrijven. Al dat geblaat over hun vermeende onschuld maakt niet op zijn minst indruk. Ze hebben notabene de schatten van de staat met de moordenaars onder elkaar verdeeld. Ze bezetten het grafelijk kasteel waar ze geen enkel eigendom kunnen claimen.

‘Wij zijn christenen’ roept Wouter, ‘jullie hebben de wapens opgenomen tegen christelijke legers. Jullie zijn dus werkelijk zo onbeschaamd om zelfs tegen God te vechten.’ De partijen gaan gefrustreerd en geïrriteerd uit elkaar. De confrontatie zal koppig verder gezet worden met een nog grotere hardnekkigheid.

Isaak vlucht naar Steenvoorde
Isaak is na zijn nachtelijke vlucht gearriveerd in Ieper en dat blijkt een misrekening want hij dacht dat hij naar Gent aan het rijden was. Hoe zouden de wegen er eigenlijk uitzien aan het begin van de 12de eeuw? Ik krijg er maar geen beelden van binnen. Een verblijf in Ieper zint Isaak in elk geval niet. Hij vlucht verder naar Steenvoorde, een landbouwexploitatie in handen van zijn schoonzoon Guido. Die raadt hem aan om naar Terwaan te trekken en zich daar als monnik te vermommen. Het nieuws van zijn vlucht heeft zich echter als een lopend vuurtje verspreid en zorgt voor een ongeziene klopjacht. Het zal geen sinecure zijn om zich voor de buitenwereld verscholen te houden.

Arnold, de zoon van een advocaat uit Terwaan haast zich naar de broeders van de abdij waar Isaak zich nu nog veilig waant. Hij moet dus al van binnenuit op de hoogte zijn gebracht van diens aanwezigheid. Hij vindt de voortvluchtige in de kerk. Verscholen onder de kap van zijn pij. In een pose van gebed en meditatie. Kruistekens en psalmen brengen geen baat. Arnold slaat Isaak in de handboeien en eist van hem dat hij de namen van de samenzweerders opnoemt.

‘Welke personen hebben de graaf verraden?’ Isaak bekent zijn betrokkenheid en somt de namen van zijn kompanen en hun huurmoordenaars op. Het brein achter de aanslag zat bij verscheidene personen: Bosschaert, Willem van Wervik, Ingerrand van Esen, de jonge Robrecht en Wilfried de broer van de proost. Ik ben ondertussen al aanbeland op vrijdag 18 maart van 1127. Met man en macht worden er nu ladders aangebracht aan de Brug. Eenvoudig is dat niet onder die voortdurende regen van pijlen en stenen.

De muren zijn glibberig en hoog
Schermen en schilden moeten voor enige beschutting zorgen. De muren zijn glibberig en hoog, 20 meter en de 4 meter brede ladders zijn bepaald zwaar. De bovenste ladder is minder breed, maar die is op zijn beurt wel een flink stuk hoger. Aan de voet roepen en waarschuwen de Gentenaars voor aankomende projectielen. Het aanbrengen van de stellingen moet een helse job zijn als ik lees wat Galbert allemaal geschreven heeft. De hele dag door wordt er hard gewerkt en gevochten maar als de avond valt, is er nog niet op zijn minst sprake van een doorbraak.

De volgende morgen likken de belegerden vermoeid hun wonden. Die ononderbroken belegering van de Gentenaars blijft in de kleren steken. Aan de andere kant voelen ze zich nu ook wat rustiger. Wat ze daar aan de buitenkant proberen, kunnen ze vrij gemakkelijk afslaan en zo gunnen de mannen zichzelf een korte pauze. Met het aanbreken van de nieuwe morgen zijn de wachters afgezakt naar de woning van de graaf om zich wat op te warmen bij het haardvuur.

Ze zijn verkleumd door de nachtelijke koude en laten de binnenkoer van de Burg even voor wat ze is. De Bruggelingen ruiken hun kansen. Aan de zuidelijke gevels waar de geestelijken er in geslaagd zijn om hun relieken in veiligheid te brengen, worden er nu smalle ladders aangebracht. Genoeg om één man per keer naar boven te loodsen. Deze keer gaat het er muisstil aan toe. Een hele groep geraakt zo ongemerkt binnen. Enkelen zakken af naar de poorten waar ze de aarde en de stenen opruimen zodat de belegeraars van de buitenzijde zullen kunnen binnen stormen.

Ridder Giselbrecht stort naar beneden
De mannen daarbuiten weten trouwens niet eens dat een groep van hen al binnen zit. De verzetsgroep vindt eveneens een poortje aan de westkant van de Burg. Voorzien van een stevig slot en helemaal niet versperd door aarde en stenen. Met zwaard en bijl hakken de Bruggelingen de kasteelpoort aan spaanders. Het geluid van de hakbijlen maakt de manschappen aan de buitenzijde van de muren wakker. Met groot tumult komen ze de poortopening binnengelopen.

Een hele bende is het. Om het gevecht aan te gaan met de verraders of om te plunderen. Daarom zijn ze toch naar Brugge afgezakt. Een aantal onder de belegeraars gaat de kerk van Sint-Donaas binnen om beslag te leggen op het lijk van Karel de Goede die meteen naar Gent vervoerd zal worden. De ‘verraders’ van de Erembald-kliek zijn wakker geworden uit hun eerste slaap daar in de woning van de graaf. Ze horen overal geschreeuw en ze lopen verschrikt en onwetend naar buiten om poolshoogte te nemen van wat er aan de hand is. In alle haast grijpen ze nog naar hun wapens maar de meesten zijn er aan voor de moeite. Ze staan voor een overmacht en ze beseffen dat het spel gespeeld is.

Ze leveren zichzelf over aan de gratie van de overwinnaars. Hier en daar zijn er enkelingen die vrezen voor hun leven als ze in de handen van de burgers zullen vallen en in alle haast proberen ze via de glibberige buitenmuren naar beneden te klauteren. Zo bijvoorbeeld ridder Giselbert die naar beneden stort en de vlucht met zijn leven bekoopt. Enkele vrouwen dragen zijn dode lichaam naar een huis in de binnenstad om hem klaar te maken voor zijn begrafenis. Dat is niet naar de zin van de Diksmuidse burggraaf Diederik de Bevere.

Ze gooien zijn lichaam in een open riool
Ze sleuren het lijk van Giselbert buiten de woning, binden het aan de staart van een paard en sleuren het daarna door alle wijken van de stad. Als afsluiter gooien ze het lichaam in een open riool van de publieke markt. Voor de woning van de graaf is het verzet nog niet helemaal gebroken. Enkele belegerden bieden nog hardnekkig weerstand en dringen hen terug binnen in het huis waar ze hen van kamer naar kamer achterna zitten.

Tot ze uiteindelijk arriveren in de kamer waar Karel van Denemarken zich gewoonlijk klaar maakte om naar de kerk te stappen. In deze met stenen gebouwde voute wordt hevig strijd geleverd. De Bruggelingen vechten nu man tegen met man en met het zwaard. Ik maak een gevecht mee zoals ik die enkel gezien heb in de zwart-witte avonturenfilms van mijn jeugd. Goed tegen slecht. Met de nodig details rond de overmacht en het bloedvergieten. Een wanhopig verzet van mensen die zich letterlijk en figuurlijk voor een muur geplaatst zien. Een aantal Erembalden slagen er toch in om zich uit deze heksenketel te redden.

Terwijl hun kompanen vechten voor wat ze waard zijn, maken ze plaats voor de vlucht van hun leider Bosschaert. Galbert omschrijft hem als een woeste, woedende, felle en onverschrokken krijger die er met een haast wonderbaarlijke kracht op los hakt en veel burgers zware letsels toebrengt. Ook de jonge Robrecht kan ontkomen. Blijkbaar mag hij op heel wat goodwill rekenen bij zijn stadsgenoten.

De kelders van de graaf worden leeggeplunderd
Zelfs na zijn dood zijn ze blijven twijfelen aan zijn schuld en mogelijk verraad. Robrecht besluit in deze heksenketel om aan de zijde te blijven staan van de verraders en zijn lot met hen te delen. De belegerden geraken met de meeste moeite van de wereld binnen in de kerk zelf. De stedelingen houden het nu voor bekeken, vechten in het huis van God is ‘not done’ en nu kunnen ze zich dan toch nog eens uitleven in de nodige plunderingen en aan diefstal.

Alles wat niet te groot of te zwaar is hier in de woning van de graaf ligt er om te grijpen en nu ze hier toch toevallig zijn, moeten ze er van profiteren. Ook de woningen van de proost en het klooster van de broeders worden leeggehaald en verwoest. In de beschermende gordel rond het kasteel staan enkele woningen en die worden eveneens gestript van hun meubilair en hun inboedel. Uit het huis van de graaf verdwijnen meerdere matrassen, tapijten, linnen, bekers en alle metalen voorwerpen.

Bij de proost worden bedden, koffers, zetels, kleren, vazen en alle meubelen meegepikt. En dan heeft Galbert het nog niet eens over de onbestemde hoeveelheid graan, vlees, wijn en bier die gestolen wordt uit de kelders van de graaf, de proost en de broeders van het klooster. In de slaapzaal van de geestelijken treffen ze dure en waardevolle habijten aan. De buit moet groot zijn, want de hele nacht is het een komen en gaan van transporten.

Hoe kan de schrijver dat toch allemaal weten?
Hoofdstuk tien vat de gebeurtenissen uitstekend samen: vlucht van de proost – tweedracht bij de belegeraars terwijl de belegerden zich verschansen in de toren en de galerie van Sint-Donaas. Terwijl de plunderingen volop aan de gang zijn, hebben de belegerden dus hun soelaas gezocht in de kerk. Ze hebben zich weten te voorzien van wijn, vlees, wildgebraad, kazen, groenten en andere levensbehoeften. Hoe kan de schrijver dat toch allemaal weten? Hij probeert niets of niemand over het hoofd te zien. Burggraaf Haket, Bosschaert, de jonge Robrecht, Wouter, de zoon van Lambrecht van Aardenburg en Wilfried Knop. Proost Bertulf blijkt niet meer bij het gezelschap te zitten.

Eigenaardig toch. Tijdens de voorafgaande nacht van de verovering van de Burg heeft hij 400 marken overhandigd aan wijnmeester Wouter en die heeft hem sluiks via een touw laten afglijden tot onder de galerie. Als een dief in de nacht en moederziel alleen is Bertulf ervanonder gemuisd richting een onbekende plaats die ‘Moer’ genoemd wordt. Voorlopig zal ik dus niets meer horen van de proost en ik richt mijn blik dan maar weer op de toren van Sint-Donaas waar de belegerden zich in veiligheid hebben gebracht en waar ze stenen en projectielen gooien naar de wriemelende massa dieven onderaan het gebouw.

Tussen het verslepen van de meubels en de kostbaarheden door, worden de stropers geconfronteerd met vallende stenen. Met de nodige slachtoffers tot gevolg. Het duurt niet lang voor de toren het doelwit wordt van een pijlenregen. Wie zijn hoofd nog buiten de ramen van de toren riskeert, loopt kans om doorboord te worden door één van de duizenden pijlen of stenen afgeschoten uit ontelbare katapulten. Met de wetenschap dat stenen en pijlen niemand een stukje verder brengen, wordt er een versnelling hoger geschakeld.

Bedolven onder een berg van pluimen
De mannen in de toren vinden er niets beter op om nu brandende pijlen af te vuren op het dak van de galerie aan de voet van de toren. Ze willen zo het aanpalende huis van de proost in brand steken. Hun pogingen kennen echter geen succes. In de vroege morgen hijst een jonge Gentenaar zich via een touw door een van de belangrijkste vensters van Sint-Donaas. Die van de kapel waar het schrijn opgesteld staat.

Met zijn zwaard slaat hij het raam aan gruzelementen en opent hij de schrijn op zoek naar schatten en buit. Hij bekoopt zijn gedurfde diefstal met de dood als het zware deksel van de sarcofaag plots dichtklapt en hij verpletterd wordt door het gewicht ervan. Tussen de ornamenten van de heilige kist bevond zich een hele stapel pluimen die met de klap van het deksel in de lucht gezwierd worden om dan stilletjes weer naar beneden te dwarrelen. Als de Gentenaars die buiten wachten dan toch poolshoogte komen nemen van waar hun kompaan blijft, treffen ze hem tot hun verbijstering aan geklemd tussen het schrijn en het deksel.

Helemaal bedolven door een berg van pluimen en veren. Het moet inderdaad een vreemd beeld geven. Ik weet nu waar het de Gentenaars om te doen is. Ze willen het lichaam van de graaf bemachtigen, maar dat is nog altijd niet naar de zin van de Bruggelingen die er zelfs niet aan mogen denken dat hun buren uit Gent de kist van Karel zouden ontvreemden uit Sint-Donaas. Wat begint met een ordinair zwaardgevecht, ontaardt in een gevecht in regel tussen de Bruggelingen en de Gentenaars. En dat terwijl de belegerden in de toren nog altijd niet lijdzaam toezien en het volk beneden blijven pijn doen met hun projectielen. Gelukkig zijn er toch enkele Bruggelingen die de kalmte bewaren en die toch bereid zijn om even luisteren naar wat hun lotgenoten uit Gent te vertellen hebben.

Willem van Lo waant zich al de nieuwe graaf
‘We hebben wettelijk het recht om het lijk van de graaf met ons mee te nemen’ claimen ze. Uiteindelijk worden de gemoederen gesust met de overeenkomst dat het met Gods wil de nieuw graaf zal zijn die zal beslissen wat er met Karel dient te gebeuren. Uiteraard in nauwe samenspraak met de bisschop, de prinsen van het land en met de clerus. De brand is geblust en er kan nu weer gedacht worden aan de verdelging van de booswichten verderop in de kerk en in de toren.

Aan de kant van het klooster wordt de deur kapot gebeukt. De ruiten sneuvelen her en der. Van heiligheid en sereniteit is er in Sint-Donaas al lang geen plaats meer. In de galerie houden de Erembalden zich verscholen achter koffers en altaren en andere kerkmeubelen. Ook in het hoofdkoor wordt er hevig en hardnekkig gevochten. Galbert geeft aan dat er een ontelbaar aantal mensen gewond raken.

Ridder Gervaas van Praet laat van zich horen. De gewezen kamerheer van Karel van Denemarken heeft met zijn manschappen de woning van de graaf gezuiverd en de vlaggen van de Erembalden neergehaald. Hij plant er nu ostentatief zijn eigen banieren neer. Willem van Lo waant zich op dat moment nog altijd heer en graaf van het land en die gaat ergens in de Westhoek de confrontatie aan met enkele leenheren die hem weigeren om manschap af te leggen en die niet van plan zijn om belastingen te betalen. Het middenplein van de Burg is nu volledig in handen van Gervaas van Praet. Ook het klooster van de broeders, het huis van de proost, de refter en de slaapzaal worden bezet gehouden. De belegerden proberen nog altijd de woningen rond de kerk in brand te steken. Het komt er nu op aan om dit te allen prijze te voorkomen.

Proost Bertulf vlucht naar Keiem
De nacht die volgt, kan ik best als spannend omschrijven; met de Erembalden die als dieven in het duister telkens opnieuw proberen om de wachten te verschalken. Zowat elk uur laten de bezetters hun klaroenen en trompetten schallen in de hoop dat ze hier nog zullen kunnen ontsnappen. Ik laat de toestand in Brugge even voor wat ze is, en verhuis even naar de Westhoek. Wijnmeester Wouter heeft zijn proost aangeraden om naar ‘Kaihem’ te vluchten.

Bertulf arriveert daar in het holst van de nacht. Samen met de broer van kanunnik Folquin zijn ze spoorslags te paard hierheen gereden. Keiem is in 1127 een domein dat in handen is van diezelfde Wouter en van verrader Bosschaert. Zijn verblijf daar in de buurt van Diksmuide is van korte duur als hij ontdekt wordt en hij ternauwernood weg kan raken. Deze keer alleen, als een dief in de nacht, galoppeert hij naar Veurne, waar zijn vrouw woont. Hier blijven mag hij het trouwens op zijn buik schrijven en dus rept hij zich tijdens deze vrijdagnacht verder naar Waasten.
Waasten betekent niet het einde van de vlucht van de proost.

Galbert monkelt goedkeurend in zijn teksten uit 1127. ‘Ja ja, Bertulf moet het maar weten. Hij heeft het zelf gezocht.’ Als aangeschoten wild wordt hij verder opgejaagd. Moederziel alleen, te voet en blootvoets dan nog vlucht hij verder. Hij ondergaat nu persoonlijk zijn straf voor zijn zonden. Dat blootsvoets heeft alles te maken met God, orakelt Galbert, want alleen op die manier zal hij ooit mogelijk vergeving kunnen krijgen voor wat hij de arme graaf heeft aangedaan. En zie, hij krijgt nog gelijk ook. De zool van zijn voet raakt gekneusd en de stenen van de weg zorgen er op hun beurt wel voor dat Bertulf met bloedende voeten verder moet strompelen. Er is niet veel meer over van deze man, hij die dacht dat de wereld aan zijn voeten lag en bijna verdronk in de luxe en de welstand en in zijn mondain gedoe. Hij is nu een verschoppeling die de hele wereld op zijn dak heeft gekregen.

Koning Lodewijk de Dikke gaat zich moeien
Dat weten zijn mannen allemaal nog niet daar in Brugge. De status-quo van de voorbije nacht heeft iedereen lui, verveeld en moe gemaakt. Hun nachtelijke slaperigheid maakt nu plaats voor de futloosheid van de nieuwe dag en dat is zondag 20 maart. In Atrecht, ietwat zuidelijker in Vlaanderen, komt ondertussen de reactie van de Franse koning Lodewijk (de Dikke) op gang. Hij is er op bezoek om zijn leenheren van Frankrijk en Vlaanderen en om de pairs van het Franse parlement te begroeten en toe te spreken.

Hij belooft hen sterkte en hulp in hun wraakoefening tegen de moordenaars van zijn neef, de zeer achtenswaardige Karel, graaf van Vlaanderen, die per slot van rekening duizend keer meer deze titel verdiende dan de man die nu wordt voorgesteld door deze afschuwelijke verraders. Ik weet meteen wat de positie is van Willem van Lo, de sterke man van Ieper. ‘Ik ga me persoonlijk niet zelf bemoeien in deze strontboel’ deelt hij mee aan zijn leenhouders.

Het land hier is een puinhoop. ‘Al die samenzweringen om Willem van Lo in het zadel te hijsen, hebben Vlaanderen zware schade berokkend’. ‘Jullie moeten wel reageren’ beveelt hij en hij vervolgt dat de inwoners van de steden deze Willem niet zien zitten als hun toekomstige graaf. De man is een bastaard, geboren uit een vader van hoge afkomst en uit een moeder van de lage klasse die heel haar leven textielarbeidster is geweest. Nee nee, de nieuwe graaf dient gekozen te worden door zijn pairs, met hun volledige toestemming, want hij moet een gelijke zijn van de edelen. Enkel deze nieuw verkozen graaf kan regeren over de Vlamingen. Bovendien beginnen de zaken te dringen want het land kan echt niet langer zonder heer en graaf verder functioneren.

Diederik van de Elzas is ook kandidaat-graaf
De woorden van koning Lodewijk zijn niet eens koud wanneer een andere boodschapper zich komt aanbieden bij het gezelschap. Hij komt op de proppen met een nieuwe kandidaat. Diederik van den Elzas is een kleinzoon van de vroegere graaf Robrecht de Fries en dus een neef van de vermoorde Karel van Denemarken. De man uit de Moezelstreek geniet de voorkeur van de adel in Gent, Rijsel, Sint-Omer en Brugge die Willem van Lo niet kunnen accepteren als nieuwe graaf. De kandidatuur van Diederik van den Elzas wordt voorgelezen, maar die wordt vreemd genoeg op scepticisme onthaald en als vals bestempeld.

De keuze van nieuwe graaf dient gemaakt te worden tijdens de algemene vergadering van de pairs. Op een serene manier en na wijs beraad. Zolang de situatie in Brugge niet gezuiverd is, kan er geen sprake zijn van een nieuwe graaf. Het blijkt dat ze er geen haar zullen over laten groeien, want de algemene vergadering zal al binnen de 48 uur doorgaan. Diezelfde zondag vertrekt er een boodschap vanuit Atrecht richting Brugge met de dringende oproep om af te rekenen met de Erembalden nog voor dinsdag aanstaande. De belegerden hebben er het raden naar waarom de aanvalsgolven op de toren meteen aan een hoger tempo worden uitgerold.

Galbert maakt een sprong vooruit in de tijd, ik heb moeite om hem te volgen, maar ga aarzelend en noodgedwongen verder naar woensdag 23 maart. Isaak wordt gevangen genomen en opgehangen. Precies drie weken na de moord. Lambrecht, de boogschutter, is ook kunnen ontkomen uit de toren. Hij heeft zich verstopt in een kleine sloep die hem brengt tot in de landbouwexploitatie van Michem. Het latere Koolkerke, op een kilometer of vijf ten noorden van Brugge. Lambrecht van Aardenburg staat bekend als adviseur van Bosschaert.

Bosschaert is een crapuleus manneke
Een crapuleus manneke zowel in zijn adviezen als in zijn eigen acties waarbij hij zijn heren voortdurend aangezet heeft tot allerhande misdrijven. Ook tijdens de verdediging van de Burg heeft hij zich van zijn meest kwalijke kant laten zien. In de vroege ochtend van 23 maart is hij er van onder getrokken en de hele dag gaan de belegeraars op zoek om Lambrecht te vatten. Bosschaert moet op zijn beurt ziedend zijn op de man en schreeuwt luidop het tijdstop van de vlucht en de plaats waar ze zijn gewezen vriend kunnen vinden. De woning in Koolkerke wordt geïdentificeerd en omsingeld door de burgers.

De boogschutter wordt finaal gevangen genomen en terug naar Brugge gebracht waar hij op de markt zal opgehangen worden. Het plan van de meute wordt verijdeld door enkele ridders die vanuit Atrecht aangekomen zijn aan de Burg. Hij wordt geketend weggebracht om zijn straf te ondergaan wanneer de ridders dat passend achten en de tijd daarvoor rijp zal zijn. Korte tijd daarna wordt het duidelijk dat hij zich zal moeten onderwerpen aan het Godsoordeel. Het laatste woord is aan Hem.

Donderdag 24 maart. Een zekere Walter Cruval arriveert in Brugge met een brief waarin de Engelse koning akkoord gaat met de aanstelling van Willem van Lo als nieuwe graaf van Vlaanderen. Hij heeft Willem een grote som geld ter beschikking gesteld en 300 ruiters om zich meester te maken van het land. De brief is vermoedelijk vals maar door een verkeerde vertaling wordt de inhoud ervan toch voor waarheid aangenomen. Er is sprake van 500 Engelse ponden en een hele complottheorie waarbij dat geld gediend heeft om de moord op Karel te financieren. Volgens schrijver Galbert maakt die som geld deel uit van de schatten die de Erembalden buit hebben gemaakt op de graaf zelf en is er geen sprake van een samenzwering waar de Engelse koning zou bij betrokken zijn geweest.

De broeders willen het lichaam van Karel
Neef Gijselbrecht heeft ondertussen een veilig onderkomen gezocht bij zijn collega-burggraaf van Sint-Omer. Ook hij wordt beschuldigd van hoogverraad. Om aan de volkswoede te ontsnappen, verkiest hij voor de vierschaar van de pairs van het koninkrijk te mogen verschijnen waar hij tenminste zijn onschuld zal kunnen bewijzen. Ik krijg een hele waslijst van heiligen en feestdagen op mijn bord om aan te tonen dat we vandaag vrijdag de 25ste maart zijn.

Er is blijkbaar een regeling uit de bus gekomen rond de overdracht van het lijk van Karel van Denemarken. De overeenkomst is er stiekem gekomen op aandringen van ridder Ansbold, enkele Bruggelingen en ook de verraders hebben er hun zeg in gehad. De rest weet van toeten noch blazen. Tijdens de nacht van vrijdag op zaterdag arriveren enkele broeders uit het klooster van Gent bij de kerk van Sint-Donaas waar ze het lichaam via het raam van het hoofdkoor willen ontvreemden en in een lijkzak willen wegvoeren.

Het plan wordt op het laatste moment verijdeld door de wachters van de kerk. Ansbold en zijn medeplichtigen slaan op de vlucht en hierbij raken enkele Bruggelingen gewond. 27 maart. Palmzondag. ‘Onze burgers blazen verzamelen op een veld dicht bij de stad. Binnen de omheining van een boerderij.’ Ze zweren er voor God dat ze een graaf willen die capabel is om Vlaanderen te besturen en die op krachtige manier hun rechten kan verdedigen tegen de vijanden van het land. En dat hij vooral mededogen toont voor de arme gelovigen, een recht pad bewandelt en begaan is met de gemeenschappelijke belangen van iedereen. Als ik Galbert mag geloven staat de weide propvol schoon volk.

De plaats met de vergeten naam Ladbek
De rijksten en de besten uit Ijzendyke, Oostburg, Rodenburg, Lapscheure, Oostkerke, Uutkerke en Lissewege dat schattig ‘Lisweg’ wordt genoemd. Schoon volk uit Slijpe, Gistel, Oudenburg, Lichtervelde (Torhout) en een gemeente met de vergeten naam ‘Ladbek’. Ik spring naar woensdag de 30ste maart. Het luiden van de klokken kondigt de komst aan van de edelen. Ze komen terug van Arras waar ze hun algemene vergadering gehouden hebben met de koning van Frankrijk en waar ze samen met de baronnen en de pairs overgegaan zijn tot de verkiezing van een nieuwe graaf voor Vlaanderen. De mannen zien er vrolijk en opgewekt uit.

Ze groeten de Brugse bevolking en vooral diegenen die zich engageren om zich te wreken op de moordenaars van de vorige graaf. Ze krijgen de grote complimenten van koning Lodewijk. In Brugge mogen ze best weten dat hij op komst is met zijn koninklijke troepen, met hun goddelijke kracht en met hun onoverwinnelijke moed, om af te rekenen met diegenen die het land zo fel geteisterd hebben.

Al die mooie volzinnen worden door Wouter de wijnmeester voorgelezen uit een koninklijke brief. Wouter, de man met de twee gezichten. Was hij niet de man die zich heeft laten omkopen om proost Bertulf te laten ontsnappen? Na veel vijven en zessen komen ze in Brugge te weten dat de jonge Willem van Normandië aangeduid werd om de nieuwe graaf te worden. Nobel van afkomst tot op vandaag, al van kinds af opgevoed om deze taak uit te voeren en rigoureus opgeleid tot dappere ridder. Een voetnoot maakt me duidelijk dat het gaat om de 25-jarige Willem Clito. Hij zal zich nu moeten aanpassen aan de zeden en de gewoonten van Vlaanderen, maar dat zal geen probleem vormen, beweert Wouter verder.

Deze tekst komt uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>