De foltering van Mayken Karrebrouck

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     817 Views     Leave your thoughts  

Heksenvervolgingen in de 16de en de 17de eeuw

De zestiende en zeventiende eeuwen waren beroerde tijden in West-Europa door de vervolgingen tegen de protestanten, tovenaars en heksen.

De heksenvervolging is alhier overgewaaid uit Duitsland en werd een echte besmettelijke ziekte, waarvan al de openbare besturen aangetast waren. De slachtoffers waren meestal oude en abnormale vrouwen, die dan ook onschuldig op de brandstapel stierven.

Volgens de godsgeleerden en de rechtsgeleerden uit die tijd was de toverij de kunst om met de hulp van de duivel wonderen te verrichten. De tovenaar en de heks sloten een verbond met Satan, waarbij na hun dood hun ziel in de macht van de duivel viel.

De wettelijke bepaling van de toverij
Voor het einde van de 16de eeuw vinden we slechts enkele processen van toverij in de strafregisters van de Vlaamse steden en kastelanijen. De schuldigen worden er aanzien als bedriegers en op dezelfde voet geplaatst als de goochelaars en waarzeggers.

Hun gewone straf was het tentoonstellen gedurende enkele uren aan de schandpaal. Indien het een erg geval was, dan werd de schuldige daarenboven ‘gesleuteld’, ‘t is te zeggen gebrandmerkt op zijn wang met de beginletters van de stadsnaam, zodat hij overal opviel en daarna, voor een zeker aantal jaren buiten het graafschap Vlaanderen gebannen.

Na de godsdienstberoerten, wanneer in 1584 de katholieke godsdienst in onze gewesten was hersteld, begon een ware heksenjacht die bijna altijd eindigde met het levend verbranden van het slachtoffer. Ook in de protestantse landen heerste deze heksenjacht.

Reeds vroeger, op 5 december 1434, had paus Innocentius VIII zijn vermaarde bulle ‘Summis desiderantes’ uitgevaardigd, die in het kerkelijk alsook in het burgerlijk recht, een nieuw en tot dan toe onbekend begrip invoerde, namelijk het sluiten van een verbond met de duivel. Dit was goddelijke majesteitsschennis die dan ook met de dood moest bestraft worden.

Het uitgangspunt van de heksenjacht in onze gewesten, is het edict van het landbestuur, uitgevaardigd te Brussel op 20 juli 1592. Dit edict beschouwt de toverij als de gesel van het menselijk geslacht en als de ondergang van de samenleving.

Al de geheimen van de toverij worden er onthuld. Deze misdadigers voorzeggen het geluk of het ongeluk van de mensen volgens de planeet waaronder zij geboren zijn en ook door waarzeggerij.

En door het lezen in de handen waardoor zij soms het weder voorspellen en strafbare verzinsels trachten zij de lucht te verstoren, de mensen te betoveren en te bezweren, hun de neiging te geven tot ontucht en ze om zo te zeggen buiten hun zinnen te brengen.

Anderen leren nog door de duivelse zwarte kunst hoe men verloren voorwerpen kan doen terugkeren, afwezigen laat verschijnen, ‘t zij in de spiegels, ‘t zij in de waterlopen of in glazen flesjes. Door het fluisteren van enkele woordjes in het oor doen zij de duivel verschijnen onder de gedaante van een koning.

Zij betoveren ook de mensen met netten, met grote en kleine naalden, met vaantjes. Ze veroorzaken nog allerlei gezichtsbedrog door goocheltoeren met kaarten en ander tuig.

Deze personen mochten niet geduld worden op aarde en ze verdienden allen de doodstraf. Daarom worden de bisschoppen en de burgerlijke rechtbanken belast deze personen op te sporen en hun een voorbeeldige straf te geven.

Iedere rechtsmacht, tot de schepenbanken van de kleine dorpsheerlijkheden toe, begonnen nu heksen en tovenaars op te sporen. Daarbij hadden de arme oude vrouwen het vooral te verduren.

In 1606 moest de raad van Vlaanderen te Gent, het opperste gerechtshof van het graafschap, een commissie aanstellen van zes bekwame rechtsgeleerden onder het voorzitterschap van een raadsheer van het Hof. Ze moesten zich uitsluitend bezig houden met het geven van advies inzake toverij aan de ondergeschikte rechtbanken. Vijfenvijftig jaar later heerste de heksenjacht onverminderd voort en deze commissie zal in 1661 het aantal van haar leden verdubbelen.

De bewijzen van de misdaad
Wanneer een van toverij verdachte aangehouden was, werd zij eerst ondervraagd in de schepenkamer. Gewoonlijk streed ze alles af wat haar ten laste gelegd werd, ofwel legde ze bekentenissen af, die door de schepenen als onvoldoende aanzien werden. Daarop werd zij naar de folterkamer overgebracht waar de ondervraging werd voortgezet in de hoop dat, onder de invloed van de plaats, er iets meer uit de beschuldigde zou kunnen gehaald worden. De rechters waren inderdaad vast overtuigd van het bestaan van de toverij, ingegeven door de duivel. Ze trachtten dan ook met alle middelen de beschuldigde ervan te overtuigen dat ze werkelijk schuldig was.

Daarna volgde foltering. Al de haren van het lichaam werden afgeschoren en men zocht de ‘stigmata diabolica’ of merktekens van de duivel. Want wie zijn ziel aan de duivel verkocht had, ontving van Satan één of meerdere merktekens die de onbetwistbare bewijzen waren van de schuld.

Alle vlekken en littekens van het lichaam werden onderzocht. Men doorstak deze met een lange naald om te zien of er bloed zou uit vloeien en of de geblinddoekte patiënte de pijn van de naaldenprikken zou gevoelen.

De beul en zijn helpers, die meestal ongeleerd waren, vonden overal het merkteken van de duivel. Maar de schepenen hadden niet altijd volle vertrouwen in de bevoegdheid van de scherprechter en ze deden soms de patiënten onderzoeken door gezworen heelmeesters die veel voorzichtiger en terughoudender waren in hun besluiten.

Deze schepenen, die ter goeder trouw handelden, stonden onder de invloed van langdradige en geleerde werken over toverij, meestal geschreven door godgeleerden, echte kamergeleerden, die weinig van de wereld afwisten en die tussen de vier muren van hun studeervertrek er zo maar op los schreven.

Heksenvervolgingen te Brugge
In 1633 waren er te Brugge veel klachten van mensen, die beweerden betoverd te zijn. De schepenen stelden een grondig onderzoek in, dat leidde tot de aanhouding van vier bejaarde vrouwen: de 65-jarige Mayken Karrebrouck, weduwe van Guillaume Couse, de 60-jarige Mayken Luucx, echtgenote van Lenaert van den Berghe, de 60-jarige Catheline Verpoort, huisvrouw van Pieter Dhondt en uiteindelijk de 73-jarige Catheline Ide, weduwe van Aernout de Schuyter.

Alle vier werden verscheidene malen op de pijnbank gelegd totdat ze volle bekentenissen aflegden die ze dan ook buiten de pijnkelder bevestigden. Deze vier toverheksen werden veroordeeld om ‘ghewoelt (gewurgd) te worden aen een staecke op den Burch deser stede, ende daernaer aldaer verbrant te worden totten pulver’.

Het gerecht was reeds wat menslievender geworden. Nu werd de veroordeelde eerste gewurgd vooraleer haar lichaam werd verbrand. Vroeger werden ze levend verbrand, soms bij langzaam vuur om ze veel te doen lijden.

Hier volgt een overzicht van het proces van Mayken Karrebrouck. De eerste klacht kwam van een vrouw die school hield nevens het huis van de heks. Een van de schoolmeisjes kreeg regelmatig aanvallen van vallende ziekte telkens de hond van Mayken begon te huilen. Dit gebeurde slechts wanneer Mayken thuis was. In haar afwezigheid mocht de hond huilen, het meisje voelde dan geen ongemak. Mayken dreef handel in melk en room en ging uit om te helpen bij geboorten.

Daardoor werden enkele geneesmiddelen in haar huis gevonden die verdacht werden om duivelse ingrediënten te bevatten! Sommige van haar klanten klaagden dat ze ziek waren gevallen na het gebruiken van de melk en de room door Mayken geleverd.

Andere vrouwen beklaagden dat zij bij de geboorte van hun kinderen betoverd waren, wanneer Mayken aanwezig was. Deze was sedert jaren niet meer te biecht geweest, evenmin als haar zoon Jan Couse, een 33-jarige kleermaker, die ook aangehouden werd, wat haar zaak nog erger maakte.

Daar de vrouw niets wilde bekennen van wat haar ten laste gelegd werd, gingen de schepenen over tot de foltering. Ze werd op 8 maart ‘s nachts gefolterd nadat de pijnkelder en alles wat deze bevatte, met gewijd water was besprenkeld.

Mayken bekende echter niets gedurende de acht uren. Dat deze foltering geen plezierige bezigheid was, toont het feit dat de twee schepenen, die haar ondervroegen, om de twee uren door twee ambtsgenoten werden vervangen.

Ze werd nog tweemaal vruchteloos op de pijnbank gelegd gedurende acht uren in de nachten van 6 april en 13 juni. Nu besloten de schepenen haar nog veel erger te folteren. Ze lieten haar niet enkele weken tijd om te bekomen van de foltering zoals het gebruik was, maar legden haar reeds op 20 juni opnieuw op de pijnbank. Ze hield he uit van 21 tot 23.45 uur zonder bekennen.

Maar, door de pijn gedwongen, bekende ze alles wat de schepenen haar voorschotelden. Wie haar de ‘conste’ of toverij geleerd had, hoe dikwijls zij de heksensabbat had bijgewoond en hoe ze erheen gevlogen werd, wie zij betoverd had en hoe.

De volgende morgen moest zij, buiten de pijnkelder, haar verklaringen bevestigen. Ze bekende het bijzonderste en werd daarop zonder verdere folteringen veroordeeld om reeds op 15 juli gewurgd en daarna verbrand te worden. Haar zoon werd vrijgelaten met aanwijzing van te biecht te gaan en zich te gedragen als een christen mens. Dit is slechts één van de talrijke Brugse heksenprocessen.

Besluit
Wij hebben hier voor enkele jaren een atmosfeer gekend die veel trok op de heksenwaan van de 16de en de 17 eeuw. Na de bevrijding van 1944 was iedereen, die terecht of onterecht verdacht was van collaboratie met de vijand, door zijn medemensen aanzien als schuldig.

Wie iets in zijn voordeel durfde uitbrengen, was eveneens verdacht. Zo dat er hier een algemene schrik ontstond, waardoor de verdachten werden gemeden als de pest.

Wat was er nu werkelijk waar wat hetgeen aan de toveressen of heksen ten laste werd gelegd? Onder deze heksen bevonden zich aftroggelaarsters die met hun toverpraktijken de lichtgelovige mensen trachtten geld af te persen. Anderen hielden zich bezig met geneeskunde.

Meestal echter waren het hysterische en onevenwichtige oude vrouwen, die soms gebruik maakten van verdovende middelen. Maar het waren vooral de rechters, die onder invloed van de zwaarlijvige en geleerde werken over toverij, geschreven door godgeleerden en rechtsgeleerden, de beschuldigden zolang beïnvloedden, vooral op de pijnbank, door hen voor te houden wat ze werkelijk zouden misdaan hebben totdat de beschuldigden niet verder meer konden dan te bekennen wat hun ten laste werd gelegd.

De rechters immers waren overtuigd dat de heksen nooit meer konden verlost worden uit de slavernij van de duivel en daardoor een bestendig gevaar opleverden voor hun medemensen. Het was dus maar redelijk en rechtvaardig dat deze boosdoensters verdelgd werden.

J. De Smet in ‘Het Brugsch Handelsblad’ van 1962

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>