De foltering van Tanneken Viane

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       7 months ago     439 Views     2 Comments  

Och mochte ick morgen sterven

Het is bekend tortuur in heksenprocessen wellicht op de meest hardvochtige wijze toegepast is geworden. Ondanks het feit dat veel rechtsgeleerde auteurs, zoals Wielant en Damhouder er op wezen dat een goede rechter zich tijdens de pijniging steeds door medelijden moest laten leiden, en hij bij de manier en de duur van de tortuur met de leeftijd en de fysieke sterkte van de ‘patiënt’ rekening moest houden, werd deze raad in veel heksenprocessen in de wind geslagen.

Behept als zij waren om het offensief van de duivel en zijn trawanten te stuiten, hebben sommige rechters niet geaarzeld om bepaalde verdachten de vreselijkste folteringen te laten ondergaan. Ze werden hierin gesteund door de demonologen of specialisten van de duivelsleer, welke eenparig verkondigden dat de heksen ook tijdens hun tortuur door de duivel werden bijgestaan en slechts door de wreedste pijnigingen konden gebroken worden.

Zo maakt men het in 1566 te Kasterlee mee dat de tachtigjarige Elisabeth Selffs tijdens haar foltering niet alleen werd gegeseld en in de palei opgehangen werd, maar tevens een arm gebroken werd en in haar mond de verwarmde urine van een koe kreeg ingegoten. Haar beulen waren zelfs van plan haar teen- en vingernagels uit te trekken. Elisabeth overleed evenwel tijdens de nacht voordat men aan die laatste folteringen wilde beginnen. Dit barbaarse handelen zou met tientallen andere voorbeelden kunnen worden aangevuld.

In dergelijke omstandigheden hoeft het ook geen verwondering dat er tijdens de tortuur in heksenprocessen nogal wat ‘ongelukken’ gebeurden. Meerde verdachten overleden in de gevangenis ten gevolge van hun tortuur of hielden er zware letsels aan over. Volgens de toenmalige rechtsleer was de tortuur nochtans duidelijk geen straf maar een middel om een bekentenis af te dwingen. Door de pijniging mocht een verdachte niet verminkt en nog veel minder gedood worden. Indien dit wel gebeurde, konden de beul en de toezichthoudende magistraat aansprakelijk worden gesteld.

In sommige heksenprocessen was er tijdens de tortuur een geneesheer of chirurgijn aanwezig. Indien de polsslag van de verdachte te sterk verminderde of wanneer er andere tekenen waren dat de verdachte het niet zou overleven, raadde hij de rechters aan om de tortuur te stoppen. Zo bijvoorbeeld in het proces van Tanneken Viane te Dentergem in 1661. Tanneken werd vooraleer zij op de pijnbank werd gelegd onderzocht door dokter Helant en de chirurgijn meester Jan Marcx. Beiden hadden de opdracht om te onderzoeken ‘of sij capable soude wezen nietjeghenstaende haeren ouderdom te onerstaen het scherp examen van den halsband’. Nadat zij beiden naar polsslag hadden gevoeld, verklaarden ze dat ‘sy souffisant is omme ‘t onderstaen eenen moderate torture’.

Maar niet altijd werden dergelijke voorzirgen genomen. Zo overleed Goolken Van Hille in 1596 in de gevangenis te Brugge na drie ‘behandelingen’ op de pijnbank. Voor dergelijke ‘accidenten’ gaf de demonologie volgende verklaring: heksen die tijdens of kort na hun pijniging overleden werden door hun duivel vermoord. Op die wijze werden gerechtelijke doodslagen witgewassen. Zo gebeurde het in het proces van Tanneken Sconyncx te gottem in 1603.

Na twee folteringen, de tweede ononderbroken gedurende bijna vier dagen en vier nachten, overleed zij in de gevangenis de nacht volgend op haar bevrijding uit de halsband. Vlug werd er een chirurgijn bijgehaald die verklaarde dat Tannekens dood aan geen enkele verwonding was te wijten. Tanneken werd dan ook op bevel van de schepenen in ongewijde aarde begraven. Ze moest door het toedoen van haar duivel zijn gestorven.

Vooraleer men de heksen pijnigde, werden ze eerst volledig uitgekleed en kaalgeschoren. Die kaalschering of het wegnemen van het hoofdhaar en alle andere haren op het lichaam, had een dubbel oogmerk. Vooreerst werd er gezocht of de verdachte geen stukjes perkament of andere tovermiddelen tegen de tortuur bij zich had. Damhouder verhaalt in zijn ‘Praxis rerum criminalium’ hoe hij te Brugge meemaakte dat een vrouw die dergelijke perkamentjes in haar vagina had gestopt, elke tortuur doorstond. Van zodra men deze had verwijderd, sloeg zij door en bekende ze haar omgang met de duivel. De rechters, die verhaal indachtig, lieten daarom na de kaalschering een nauwkeurig lichaamsonderzoek verrichten door de beul of een vroedvrouw. Het aankleden met een met wijwater besprenkeld kleed en het wijden van de folterinstrumenten hadden dezelfde bedoeling.

De foltering zelf geschiedde op verschillende wijzen. Naast het rekken of ontwrichten van de ledematen al dan niet gepaard gaande met het opgieten van water en het geselen met roeden, gebruikte men in Vlaanderen vooral de tortuur met de halsband en de driepikkel. De verdachte werd aan handen en voeten gebonden en de hals werd in een metalen of lederen halsband gestoken die van binnen voorzien was met een rij scherpe ijzeren pinnen.

De halsband zelf werd met koorden aan de vier muren vastgemaakt. Bij elke hoofdbeweging drongen de pinnen in de hals en veroorzaakten zij een helse pijn. Om de pijn te vergroten zette men hem of haar op een puntige driepoot met gewichten aan de voeten. Aldaar bleef hij of zij soms dagen en nachten na elkaar zitten zonder zich te verroeren.

Om de weerstand te breken werd in de kamer een groot vuur gemaakt en zelfs bier, wijn en voedsel aan de patiënt toegediend. Van deze folteringsmethode beweerde de advocaat van de Velde in het proces van Tanneken Sconynckx dat dit ‘het cruelste torment dat men jeghens een vrauwe zoude kunnen excogiteren’ was.

Ook Pieter Gheldof en Cathelyne Strubbe werden in de halsband geplaatst. Van Pieter Gheldolf weten we dat dit gebeurdein de nacht van 13 op 14 december 1660. De tortuur werd uitgevoerd door Jean de Reulle, stadsbeul van Ieper, die er reeds 34 jaar praktijk op had zitten. Er was een chirurgijn, maar geen dokter in de geneeskunde aanwezig. Dit laatste zou het leenhof van Mesen later zuur opbreken.

Eerst werden alle folterinstrumenten door twee pater Capucijnen gewijd. Vervolgens werd Pieter door de chirurgijn volledig kaal geschoren. Om 12 uur werd hij op een schabel voor een groot vuur gezet en met allerlei gewichten uitgerokken. Zijn voeten werden in een soort schraag gekneld. Om 12u30 werd hij in de halsband gestoken en werden ook zijn duimen met koorden opgespannen. Enige tijd later werd hij tot driemaal toe met roeden gegeseld. Dit alles was volgens beul Jean de Reulle ‘le styl ordinair quand on use’.

Ze legden hem kruisgewijs een stola op zijn hoofd en besprenkelden hem voortdurend met wijwater. Op een bepaald ogenblik viel het schabel omver en vloog Pieter in het brandende haardvuur. Hierbij liep hij aan beide knieën zware brandwonden op. Om vier uur ‘s morgens viel hij reeds flauw. Losgemaakt poogde men hem nog vlug wat op te knappen door hem wat eten en drinken te bezorgen, maar tegen de middag was hij al gestorven.

Een lijkschouwing uitgevoerd in opdracht van de familie van Pieter Gheldolf stelde dat Pieter er half gebraden uitzag. Eén van de paters Capucijnen zou later verklaren dat de leenmannen van Mesen als tirannen handelden en Pieter gestoven was als een ware martelaar.

Ook Cathelyne Strubbe overleefde haar foltering niet. Op 25 mei 1660 werd ze om 11 uur ‘s avonds nog eens ondervraagd. Ondanks de dreiging met de tortuur weigerde ze te bekennen. Op 26 mei werd ze dan maar om 0u30 ‘s morgens door beul Jan Norman in de halsband gestoken. Zonder enige onderbreking bleef ze daar 31 uur inzitten. Haar handen en voeten waren opgespannen. De beul sloeg nu en dan eens op de koorden om de pijn te vergroten.

Om haar weerstand te verkleinen gaf men haar boterhammen met gezouten spek, vier grote schotels ‘wijncandeel’ en een grote schotel karnemelkpap. Intussen werd ze belezen door twee paters Recoletten. Die deden haar ook drie kleine bolletjes van een of andere gewijde materie inslikken. De beul voerde nog eens de prikproef uit. Ze kreunde herhaaldelijk en smeekte om erbarmen.

Op 27 mei 1660, klokslag 7u30 viel haar hoofd plotseling slap. Men maakte haar los uit de halsband en stelde vast dat haar nek was gebroken, een vaststelling die later door dokters in de geneeskunde werd bevestigd. Een half uur later was ze dood. Ze had niets bekend. Volgens de beul was de duivel de schuldige. Beide processen kregen een staartje voor de Raad van Vlaanderen en zijn ons op die wijze overgeleverd.

Uit ‘Zonneheem’ van 1995