De Gentse jaren van Veurnambacht

Pauwel Heinderycx omschrijft in zijn ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ de beroerde tijden in en om zijn thuisstad tijdens de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland. De grensstreek rond Veurne ondergaat de moordende gebeurtenissen en krijgt daarbij te maken met de anti-graafsgezinde Gentenaars van onder andere Jacob van Artevelde.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Ik heb het al eerder gehad over de wondermooie ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ die Pauwel Heinderycx en de Roesbrugse pastoor Van der Meulen voor ons hebben nagelaten en die dank zij Edmond Ronse halfweg de 19de eeuw uitgegeven worden. De kronieken vormen een prachtige inspiratiebron om terug te keren naar 1335.

We beleven die dagen vanuit het perspectief en de taal van de Veurnenaars. Hun taal en hun herinneringen proberen we anno 2013 te onderwerpen aan een ‘make over’ waarbij geen pogingen gespaard worden om de charme van onze vroegere Vlaamse taal te verstoppen voor de moderne mens van vandaag. Ten jare 1335 begon er een schromelijke oorlog te rijzen tussen Philippe van Valois, koning van Frankrijk en Edward de koning van Engeland.

Edward maakt aanspraak op de kroon van Frankrijk omdat zijn moeder de dochter is van Philippe Le Bel, beter bekend bij ons als Filips de Schone. Philippe van Valois baseert zich op de Salische wet die vrouwen en hun erfgenamen uitsluit van het bezit van de heerlijkheid Frankrijk en daar gaat Edward natuurlijk niet mee akkoord. De graaf van Vlaanderen blijft als oprechte vazal aan de kant staan van de koning van Frankrijk die zijn soevereine heer is. Allebei de koningen doen verwoede pogingen om de ‘staten ende ‘tgemeente van Vlaenderen’ aan hun kant te krijgen en beloven hen daarbij de hemel op aarde.

De graaf van zijn kant, probeert de steden aan de zijde van de Franse koning te houden, maar de mensen hier hebben een grote haat gekweekt tegenover de Fransen. Ze zijn al zo lang gekweld en gepest geworden door oorlogen en door vernielingen. Allemaal door die smerige vuile Franse koningen. Dus waarom zouden ze ingaan op de wensen van de graaf? En waarom zouden ze trouwens de vriendschap met de Engelsen op het spel zetten?

De wol die voor werk en welvaart zorgt in de Vlaamse contreien, komt allemaal uit Engeland. De mensen lopen allemaal erg nerveus rond door de op komst zijnde oorlog. Dat is vooral het geval in West-Vlaanderen waar de inwoners zo goed als mogelijk hun steden versterken in de hoop zo aan het vijandelijk geweld te kunnen weerstaan. Er komt heel wat lobbywerk bij kijken om de stadsbesturen te laten overeenkomen met de graaf en met diens Franse opperleenheer. Er is sprake van wederzijdse verplichtingen. Maar natuurlijk hebben de bewoners in deze gesprekken weinig of niets in de pap te brokken.

De bocht van de Vlaamse steden maakt de Engelsen kregelig. ‘Ten jare 1336’ komen ze met een flinke krijgsmacht en met veel schepen naar Vlaanderen en vallen ze binnen in het land van Cadzand. De graaf van Vlaanderen gaat er met een pak volk naartoe maar krijgt een nederlaag aan zijn broek gesmeerd. Na de overwinning op het graafsgezinde leger, roven en branden de Engelsen naar hartenlust in de streek van Cadzand. Tot zover de graaf die nu wel uitgespeeld lijkt. De drie goede steden van Vlaanderen, dus zeer afhankelijk van de Engelse wol, reppen zich via hun gezanten naar de koning van Engeland en slagen er in om met hem een verbond te maken.

Jacob van Artevelde wordt aangesteld als opperste veldheer en gouverneur. Die Jacob is een telg van een invloedrijke Gentse familie en is als een komeet naar boven geschoten nadat hij door de Gentse ambachten als deken naar voor werd geschoven. Van Artevelde is een kloekmoedig en bekwaam man die met veel gezond verstand zijn functie uitoefent en die een groot gezag uitstraalt over het volk van Vlaanderen, door de kroniekschrijver vaak omschreven als ‘het gemeente’. De gouverneur stuurt binnen de kortste tijd zijn onderbevelhebbers naar de Vlaamse steden en Kasselrijen die elk moeten instaan voor een deugdelijk bestuur.

Die van Veurne en van Veurnambacht accepteren de nieuwe bevelhebbers. Maar eigenlijk is dat met lange tanden en zeker niet uit liefde en met overtuiging. De hele grensstreek met Frankrijk voelt zich nog altijd nauw verbonden met ‘hunlieder grave’. Elke dissidentie tegenover de graaf levert toch alleen maar Franse oorlogen en de daarmee gepaard gaande verwoestingen op die de mensen uit de streek altijd als eerste moeten ondergaan. We leven al in 1337 als de graaf van Vlaanderen naar Frankrijk vertrekt om er zich te beklagen over het feit dat de Vlamingen een alliantie zijn aangegaan met de Engelsen en dat zij hem simpelweg van de macht verdreven hebben door die Jacob van Artevelde aan te stellen als opper-gouverneur van Vlaanderen.

Het laat zich raden dat de Franse koning bijzonder geïrriteerd is met dit nieuws. Hij doet zijn beklag bij zijn vriend, paus Benedictus XII. ‘Of hij de Vlamingen voor hun weerspannigheid in de ban van de kerk zou willen slaan?’ In geen tijd wordt de excommunicatie werkelijkheid als de bisschop van Senlis en de abt van St.-Denis, de vermaledijde Vlamingen in de ban van de kerk slaan. Het nieuws zorgt voor grote beroering bij de goede en godvrezende mensen. Hoe kunnen ze nu nog naar de mis gaan? Wat zal er nu gebeuren nu de heilige sacramenten niet meer kunnen toegediend worden?

De graaf geeft het niet zo maar op. Hij moet kost wat kost de Vlamingen ervan overtuigen om hun overeenkomst met de Engelse koning op te schorten. Hij komt in 1338 naar Brugge. Een charmeoffensief. ‘Hy sprack alsdan de Vlamingen seer minnelick toe, ende om te beter te geraecken tot sijn voornemen, gaf hy weer aen die van het Vrije ende andere landen, de previlegien die hy hun ten jare 1328 in de voorgaende wederspannichheyt afgenomen hadde’. En er kan ook een einde gemaakt worden aan de excommunicatie.

Op 25 april 1338 staat Lodewijk van Nevers in Veurne. Hoe staat het hier met de houding van de magistraten en de meest notabele personen van de stad en van de Kasselrij? De graaf neemt geen risico’s. Voor alle zekerheid krijgt Veurne zijn privileges en zijn vrijheden terug die ze net zoals de Bruggelingen tien jaar geleden waren kwijtgespeeld. De grafelijke truc slaat aan bij de bevolking. Door deze goedertierenheid overtuigt hij veel Vlamingen om opnieuw aan zijn kant te komen staan. ‘De mannen die van Artevelde geposteerd heeft in Veurne en in de Westhoek zijn verwaande nesten.’

Die van Veurnambacht kunnen ze niet uitstaan en ze besluiten de wapens op te nemen en hen te bestrijden. Ook in Sint-Winoksbergen hebben de mensen dezelfde mening: ‘die van Bergen vouchden hun dadelick met die van Veurne, ende alsdan hebben sy gesamenlick die gouverneurs ende oversten vervolcht.’ Het gaat er niet bepaald zachtzinnig aan toe. De confrontatie tussen het gewapende volk van Bergen en Veurne met de bevelvoerders van Artevelde vindt plaats in de buurt van Sint-Winoksbergen, de stad die we nu kennen als Bergues. De Veurnenaars trekken aan het langste eind.

Het team van Jacob wordt op de vlucht gejaagd en moet vijfentwintig doden ter plekke achterlaten. Het zal nog een tijd duren voor de bevelhebbers van Artevelde zich opnieuw zullen wagen op het grondgebied van Veurne en van de Westhoek. De edelen van de streek voelen zich door het voorval gesterkt in hun Fransgezinde overtuiging en nodigen de graaf uit om langs te komen in Diksmuide om er de delicate situatie van de Westhoek te bespreken.

‘Diksmuide zal wel een veilige plek zijn’, denken ze. ‘Ook hier zullen de poorters toegewijd zijn aan de graaf’. En zo komt de graaf afgezakt, met in zijn spoor de ridders en edelen die natuurlijk aan zijn zijde blijven staan. Ook de blauwe bloedgenoten van Veurne en Veurnambacht zijn van de partij. De gezagsdragers van Diksmuide ontvangen het hoog gezelschap met alle ‘uutwendige teeckens van blijdtschap’ maar houden er een verborgen agenda op na. ‘De graaf, zijn adeldom en zijn huisgezin logeren in Diksmuide’, laten ze weten aan die van Brugge. Het moment lijkt aangebroken om het gezelschap op te pakken.

De een of andere onverlaat brengt graaf Lodewijk midden in de nacht op de hoogte dat er verraad in het spel zit en dat de Bruggelingen elk moment kunnen opduiken in Diksmuide. Hij krijgt de tijd niet om zich volledig aan te kleden. Het is best grappig wat de handschriften van die dagen ons toevertrouwen: ‘Den grave, van dit verraedt verwitticht zijnde, ende verstaende dat die van Brugge ontrent de stadt waren om desen aenslach uut te wercken, dies heeft hy by nachte, half gecleedt zijnde, uut sijn huys geloopen, ende de poorten der stadt hebbende doen open breecken, is hy met alle vlijtichheyt van daer gevlucht naer St.-Omaers, door de groote haeste achterlatende sijn segel ende al sijne bagagie, by soo verre, dat hy aldaer aencommende, terstont moeste doen laecken coopen om hem ende sijn volck dat hem gevolcht hadde, te cleeden’.

Veel marge heeft de graaf niet gehad. Zijn bed is nog warm als de Bruggelingen de stad Diksmuide met groot gedruis binnenvallen. De graaf is er van onder, maar zijn huisgenoten en veel edelen hebben de tijd niet gehad om te ontkomen en worden nu opgepakt. Onder hen bevindt zich onder andere een zekere Mattheus Van der Burch, een edelman uit Veurnambacht. West-Vlaanderen staat nu weer integraal onder het bewind van Jacob van Artevelde. Veurne en omgeving krijgen nieuwe bevelhebbers die meteen op zoek gaan naar allen die te maken hadden met het oproer tegen het regime. Ze worden gevangen gezet.

De goederen van de opstokers worden geplunderd, hun huizen in brand gestoken. Er worden ‘groote ruynen bedreven in de Casselrien van Veurne ende Bergen’. De modale Westhoekers beseffen als geen ander dat zij de eersten zijn die elke mogelijke obstructie tegen de Franse monarchie aan den lijve zullen ondervinden. En ook deze keer zijn ze de pineut. In 1339 valt de koning van Engeland Frankrijk binnen. Jacob van Artevelde en zijn 60.000 Vlamingen doen naarstig mee met de vernielingen en de brandstichtingen doorheen het Franse land. Maar veel resultaat heeft hun inval niet.

De Fransen hebben elke confrontatie met de Engelsen en de Vlamingen op een handige manier ontweken en staan binnen de kortste tijd in de Westhoek ‘ende bedreven aldaer alle soorten van vyandtschappen, soo met rooven als met branden, immers soo veel als dat eenen vyandt soude connen doen’. Een koekje van eigen deeg dus. Philippe van Valois, de Franse koning, vindt het ergerlijk dat de Vlamingen zo hardnekkig blijven in hun weerspannigheid tegenover hun Franse leenheer. ‘Beseffen ze in Vlaanderen dan niet dat Vlaanderen van oudsher Frans grondgebied is?’ Onbegrijpelijk toch dat ze niet ingaan op alle voordelen die Frankrijk hen te bieden heeft en zich inlaten met dat Engels verbond. Hij waagt zich aan een nieuw diplomatiek offensief in de hoop om de graaf weer binnen te kunnen loodsen in Vlaanderen.

De traditionele drukkingsmiddelen komen weer op tafel, ‘een bulle om hun weer in den ban te stellen’, een maatregel die in 1340 effectief afgekondigd wordt door de bisschoppen van Terwaan, Doornik en Kamerijk. Opschorting van misvieringen en sermoenen. Gedaan met het toedienen van de sacramenten. Het volk op den buiten is er niet goed van. In de grote steden laten ze niet na om toch de klokken te luiden en worden de priesters met verbanning afgedreigd om toch maar hun godsdienstoefeningen uit te voeren. Maar velen verlaten liever het land dan de bevelen van hun paus te negeren.

De Engelse koning snapt dat de diepchristelijke Vlamingen wel eens van kant zouden kunnen veranderen als ze hun godsdienst niet kunnen uitoefenen en laat Engelse priesters afzakken naar Vlaanderen. Ze vertellen aan de eenvoudige mensen dat de paus helemaal niet de bevoegdheid heeft om die banvloek uit te spreken in opdracht van zijn Franse vriendjes. ‘Desen ban moeste niet meer geacht wesen als den bijtebau, waermede men de onnoosele menschen de vervaertheyt aenjaecht’. De gemoederen worden in elk geval een stuk gekalmeerd. In Veurne is er sprake van twee Engelse priesters die het mistroostig volk komen opkikkeren.

De hele tijd door is er sprake van een belegering van Doornik door de Engelse legers die de steun krijgen van de zowat 40.000 Oost-Vlamingen van Jacob van Artevelde. De West-Vlamingen worden onder leiding van Robrecht van Artesië, die de kant van de Engelsen heeft gekozen, naar Artesië gestuurd om daar oorlog te voeren en dat doen ze flink tegen hun zin. Ze vragen zich af waarom ze gewoonweg niet hun eigen grenzen mogen bewaken en beschermen in plaats van in een ander land binnen te vallen. De delegaties van Veurne en Veurnambacht weigeren zelfs om de Nieuwe Dijk over te steken. Want wie zal dan de streek verdedigen als de Fransen hier met een groot leger binnenvallen?

Die Robrecht van Artesië is trouwens de schoonbroer van Philippe van Valois, de Franse koning bij wie hij enige tijd geleden in ongenade is gevallen waarna hij zijn heil is gaan zoeken aan het Engelse hof. Dat heeft de frauduleuze graaf van Artesië trouwens ruim aan zichzelf te danken. Hij is helemaal niet bang om hier en daar de waarheid wat geweld aan te doen en zo het gelijk aan zijn kant te halen. En ook nu kan hij het niet laten. Zo zwaait hij naar de West-Vlamingen met brieven die verstuurd werden vanuit St.-Omer. ‘De inwoners van de stad willen zich overgeven aan de Vlamingen.’ Hij vraagt hen om in alle haast te vertrekken naar St.-Omer en de mannen laten zich vangen door de geruststellende berichten en rukken op naar Frankrijk.

Oorlog voeren gaat in die dagen altijd gepaard met roven, plunderen en brandstichten. Zo gebeurt dat ook in Arques. ‘Te Arcke commende, hebben de Vlamingen dese plaets gerooft ende gebrant, ende van daer leyden de bevelhebbers hun leger naer St.-Omaers’. De stad is potdicht. De aanval breekt in alle hevigheid los, de projectielen vliegen tegen en over de stadsmuren. De stadsmuren trillen onder het geweld van de grote ramshoofden. Plots is er het nieuws dat de hertog van Bourgondië en de graaf van Armagnac op komst zijn met een groot leger van Fransen en Vlamingen die wel de zijde hebben gekozen van de graaf van Vlaanderen.

De slagorde wordt aangepast. De schrijvers van de Jaerboeken van Veurne verwonderen er zich zelfs niet over dat de Vlamingen die zogezegd tegen hun zin oorlog aan het voeren zijn in en tegen Frankrijk nu plots oog in oog komen te staan met landgenoten die het opnemen tegen de Engelsen. Nee. Ze schrijven over de reorganisatie bij de legers die St.-Omer in de tang houden. De soldaten van Brugge en van het Vrije worden in de voorste linies gepositioneerd. Daarna volgen die van Sint-Winoksbergen en van Veurne. De legers van Ieper worden belast om de heuvel van Arques te vrijwaren terwijl die van Belle, Cassel en Poperinge het slot houden op St.-Omer zodat de Fransen er geen volk kunnen binnen sturen zodat het beleg naar de vaantjes zou kunnen gaan. De ambities zijn duidelijk: de Fransen verslaan en St.-Omer in de tang blijven houden.

Ondertussen hebben de Franse en Vlaamse legers zich van elkaar afgescheiden en valt een flinke Franse cavalerie onder leiding van de graaf van Armagnac op de nek van de Ieperlingen te Arques. Die van Ieper zijn geen partij voor de Fransen en delven het onderspit. Het is nu kwestie van lopen voor je leven. En nu gaan de Fransen de confrontatie aan met de soldaten van het Brugse Vrije, Veurne en Bergen, ‘alwaer datter uutnemende sterck gevochten wiert met verlies van veele volck van wederzijden maer de Vlamingen moesten eyndelinge het veld ruymen’.

Robrecht van Artesië en zijn Vlamingen komen nu tegenover de troepen van de hertog van Bourgondië te staan. Er wordt verschrikkelijk hard gevochten. Deze keer in het nadeel van de Fransen. Het gaat er zo ongemeen fel aan toe dat de hertog op een bepaald moment in groot gevaar verkeert om zelf afgemaakt te worden. Pas met het vallen van de avond stoppen de gevechten. De Fransen trekken zich terug in St.-Omer en Robrecht van Artesië probeert zijn mannen te laten infiltreren bij de vijand en zo ook binnenin de stadsmuren te geraken. Maar deze poging mislukt.

Ondertussen gaan de teruggekeerde legers van de graaf van Armagnac zich moeien in de strijd om St.-Omer. Ze hebben de soldaten van Veurne, Ieper, Bergen en het Vrije verslagen en storten zich met grote overgave in de clash. Er wordt weer volle bak gestreden. Het wordt donker en de soldaten zijn meer dan moe. Iedereen gaat tot het uiterste van zijn kunnen. ‘Veele Vlamingen der gone die de zijde vanden coninck van Vranckrijck hielden, wierdender alsdan noch gevangen ofte gedoodt, by soo verre, dat de Franschen moesten vluchten, het gene sy lichtelick conden doen ter oorsaecke vanden nacht die aenquam’. De graaf van Artesië en zijn Engelsgezinde Vlamingen hebben het gehaald.

Pas nu komen we te weten dat de soldaten van de Westhoek zich moeten hebben gedistantieerd van de veldslag bij St.-Omer. Als graaf Robrecht bij hun legerkamp aankomt, stelt hij vast dat de Westhoekers gevlucht zijn en zelfs niet de tijd en de moeite genomen hebben om hun legeruitrusting en hun bagage mee te nemen. Ze blijken gevlucht naar Cassel en Robrecht gaat er achteraan. De gevluchte Vlamingen nemen het Robrecht van Artesië bijzonder kwalijk dat heel dat beleg van St.-Omer opgezet spel was van zijn kant. ‘Waarom hebt u ons die valse brieven getoond?’

Waarom heeft de graaf hen voorgelogen dat de poorters van St.-Omer zich zouden overgeven? ‘Ende ten schilde niet veel of hy wiert vande Vlamingen gedoodt.’ De graaf vindt het wijselijk om te vertrekken uit Cassel. Hij reist naar Ieper waar de koning van Engeland verblijft. Wie heeft er nu eigenlijk gewonnen daar in St.-Omer op de vijfentwintigste dag van de maand juli 1340? De geschiedenisschrijvers laten het in het midden. Ze zijn het er wel over eens dat de gevechten ‘schrickelick’ waren ‘ende datter veele volck van beyde de zijden doodt gebleven is.’

De Westhoeksoldaten, de kroniekschrijvers blijven hen hardnekkig ‘die van West-Vlaenderen’ noemen, gaan nu over tot maatregelen om hun eigen land te beschermen. Ze stellen zich met man en macht op langs het kanaal, de ‘Nieuwe Dijk’, in de hoop een inval van de Fransen te verijdelen. Artevelde heeft een bevelhebber gestuurd om hen te ondersteunen en dat zorgt al direct voor tweedracht bij de manschappen.

Velen weigeren bevelen te ontvangen van de Gentenaars. Het valt dus niet te verwonderen dat de Fransen de Nieuwe Dijk met een grote krijgsmacht passeren. Een groot deel van Cassel wordt in brand gestoken en de hele kasselrij wordt weer eens onder de voet gelopen. Jacob van Artevelde neemt maatregelen om de tweespalt in de Westhoek te laten ophouden. Hij stelt de bekwame edelman Nicasius van Cokelaere aan als bevelhebber over de streek en nu blijkt dat de orde beter gerespecteerd wordt. In de septembermaand maakt een wapenstilstand van een jaar of twee een einde aan het beleg van Doornik dat elf weken heeft aangesleept.

En ook de pauselijke ban vliegt van de agenda. Er ontstaat in het jaar 1342 een ruzie tussen Theodoor Van der Pale, de abt van het klooster van Sint-Niklaas en de magistratuur van Veurne. Het geschil draait rond de kapel van Oostuut. Van der Pale wil kost wat kost vermijden dat er in de Oostuut missen of sermoenen en godsdienstige oefeningen zouden plaatsvinden voor de Veurnenaars. Het staat aanvankelijk niet met zoveel woorden geschreven, maar gewoonlijk draaien zulke geschillen altijd over de controle van het offergeld. Het probleem moet wel ernstig zijn want het zijn de drie goede steden van Vlaanderen die gevraagd worden om uitsluitsel te geven rond het conflict. Ieper, Brugge en Gent als scheidsrechters.

De steden besluiten dat Veurne de kapel mag blijven gebruiken voor misvieringen, maar de abt van Sint-Niklaas krijgt het voor elkaar dat er geen diensten zullen doorgaan wanneer er misvieringen zijn in de parochiekerk van Sint-Niklaas. En ‘verders dat de abten van St.Nicolaes alles der rechten souden genieten die het patroonschap medebrengen conde ten voordeele der prochiepapen, als offerhanden ende andere saecken die aen sulcke instellingen toebehooren.’ Het gaat dus inderdaad om geld en invloed.

De lakenweverij in Vlaanderen is rond 1344 nog altijd erg winstgevend. De hele regio geniet, dank zij de textielnijverheid, nog altijd van een behoorlijke welstand en is daardoor vrij dichtbevolkt. Vooral Poperinge is als kool gegroeid en ‘wasser oock soo groote weverie als oyt van te vooren geweest was’. Nogal wat wevers uit de kasselrij van Veurne brengen hun vers geproduceerde lakens naar Poperinge om die daar van een kwaliteitslabel, loodjes, te laten voorzien.

Dat is absoluut niet naar de zin van de Ieperse wevers. De lakennijverheid is bij uitstek hun domein en de ongebreidelde groei van Poperinge stuit hen tegen de borst. Hun eigen kwaliteitseisen zijn erg hoog waardoor vrij veel Ieperlingen naar de streek van Poperinge verhuizen waar er minder bemoeienis is in verband met de kwaliteit. Ieper is woedend dat die van Poperinge hun textiel nabootsen en onder de prijs verkopen en zo ontstaat er een regelrechte oorlog tussen beide buursteden.

De uitgever van de ‘Jaerboeken’ nuanceert de situatie enigszins. De Ieperlingen zijn al eeuwen in het bezit van een grafelijk monopolie voor wat betreft de lakenweverij in een straal van zowat vijfentwintig kilometer rond de stad. In de meimaand van 1344 staat het Ieperse stadsbestuur aan de kant van de Gentenaars en in Poperinge is het graaf Lodewijk van Nevers die er de Fransgezinde lokale bevolking ophitst om niet langer onderdanig te zijn van die van Ieper. Het komt zo ver dat Poperinge zich gaat wapenen en een zekere Jacob Bets als aanvoerder aanstelt.

Een bende gewapende Ieperlingen trekken onder het bevel van Jan van Houtkerke naar Poperinge. De compleet verraste Poperingenaars doen wat ze kunnen om zich te verweren maar ze zijn geen partij voor de aanvallers. Er vallen enkele doden en ook Bets sneuvelt. Poperinge wordt ingenomen en de notabelen vliegen in de gevangenis. De wraakoefening is nog niet voorbij. Nu richten de mannen van Jan van Houtkerke hun pijlen op de bevolking van Reningelst, Oostvleteren, Westvleteren, Krombeke, Proven, Loker en alle gemeentes in het omliggende. Overal worden de wevers en de drapiers weggejaagd. De mensen van Reningelst die het aandurfden om de wapens op te nemen tegen de aanvallers ondergaan nu de woede van de Ieperlingen die nu het hele dorp in brand steken.

‘Anno 1345. De Franschen ende de Engelschen herbeginnen den oorlogh’, lezen we. Gedaan met de wapenstilstand. De koningen van Frankrijk en Engeland hengelen weer als vanouds naar de gunsten van de Vlamingen. De graaf van Vlaanderen doet ononderbroken het nodige lobbywerk voor zijn Franse baas maar de mensen hebben een voorkeur voor de Engelsman die er voor zorgt dat er wol is.

Gouverneur Jacob van Artevelde verspreidt volop het gerucht dat hij alleen verder wil met de Engelsen en dat de zoon van de Engelse koning Lodewijk van Nevers moet vervangen als graaf van Vlaanderen. Maar het liedje van Jacob is vooral in eigen stad uitgezongen. ‘Een groot gedeelte van het Gentsche gemeente ende onder desen namentlich die van ’t ambacht der wevers, onder het beleet van Geeraert Denys, hunlieder deecken, wierden jegens den voornoemden Artevelde oproerich, ende niet willende aen hunlieder grave sijn erfgoet laten ontnemen, hebben sy hem met vele engelschen die hy in sijn huys verborgen hielt, op den 24 Juli 1345 gedoodt, naer dat hy meer dan negen jaren Vlaenderen gestiert hadde.’

De dood van de gouverneur veroorzaakt grote beroering in de Westhoek. De ene wil aan de kant blijven staan van de Engelsen en de andere aan de zijde van Fransen. De adel is van oudsher Fransgezind en vooral ridder Lambrecht van Schore profileert zich als een voorstander van de Franse koning en de graaf van Vlaanderen voor wie hij trouwens ooit nog heeft gediend.

Blijkbaar heeft Lambrecht van Schore nogal wat invloed in Veurne, want hij slaagt er in om de poorters op te hitsen en te doen ageren tegen de mannetjes van Artevelde die nog altijd het bevel voeren over de stad en de kasselrij. De poorters reageren bits als de Gentse bevelhebber de opstand van Veurne wil neerslaan en dat zal Boudewijn Speliaert geweten hebben. Hij wordt door de woedende Veurnenaars dood geslagen. De overblijvende Gentenaars worden uit de stad gejaagd.

Maar al bij al brengt de wraakoefening van Veurne ‘luttel bate by aen den grave’. Gezanten van Brugge, Ieper en de andere steden van Vlaanderen sturen hun afgezanten naar de koning van Engeland om het Engels-Vlaams verbond te vernieuwen. Ze beloven aan Edward dat ze Lodewijk van Nevers niet zullen erkennen als hun legitieme graaf zolang hij geen manschap doet aan het graafschap van Vlaanderen en aan Edward als rechtmatige koning van Frankrijk.

Ook Veurne ondergaat noodgedwongen de wil van de rest van Vlaanderen en krijgt nieuwe bevelhebbers toegestuurd. Terwijl de Engelsen en de Fransen het in 1346 met elkaar aan de stok krijgen in Normandië, vechten de Vlamingen aan de Leie waar ze stadjes zoals St.Venant, (la) Gorgue en Steegher (Estaires) opnieuw inlijven bij Vlaanderen nadat de Fransen die eerder ‘vanden Vlamingen genomen hadden.’ De schermutselingen aan de Leie zorgen er alleszins voor dat de Fransen niet langer de regio rond de Ijzer aflopen en ambeteren. De Vlamingen durven het zelfs aan om de stad Bethune te belegeren maar na drie weken geven ze hun beleg voor bekeken wegens te grote weerstand.

‘Den 26 Ougst 1346’ worden de Fransen ter hoogte van Crécy in de pan gehakt door het Engelse leger. De slag betekent onder andere de zwanenzang voor de omstreden graaf Lodewijk van Nevers. ‘Lowys, geseyt Van Male, sone vanden gesneuvelden Lodewijck van Crécy, oud seventhien jaren, wiert dadelick vanden coninck als grave van Vlaenderen verclaert’. De overleden graaf was al jaren ‘persona non grata’ in zijn eigen graafschap maar zijn zoon Lodewijk van Male is een onbeschreven blad. Voldoende reden voor de Vlamingen om hem op zijn minst toe te laten in Vlaanderen.

Na Crécy begint Edward aan het beleg van Cales. De Vlamingen sturen een grote krijgsmacht ‘onder het beleet van Heindrijck van Vlaendren naer Artois, het gene aldaer groote ruynen met rooven ende branden aenrechte’. Ze willen absoluut beletten dat de Fransen de Westhoek zullen binnenvallen. De beste manier om dat te doen is om St.-Omer in de tang te houden. En zo sturen die van Veurne en Veurnambacht en de andere steden van de Westhoek hun mensen naar het beleg. Maar de Westhoekers krijgen af te rekenen met een langdurige periode van regenweer.

Ze worden genoodzaakt om het verzopen beleg op te breken en zich de hele winter door te verschansen ter hoogte van de Nieuwe Dijk om daar de mogelijke doorgang van de Fransen te blokkeren. Het beleg van Cales gaat tijdens de bijzonder strenge winter van 1346-1347 gewoon door. Dat de jonge graaf toegelaten wordt in Vlaanderen heeft alles te maken met het feit dat hij akkoord is gegaan met de deal die de Vlamingen gesloten hebben met Edward, de koning van Engeland. Een huwelijk tussen Lodewijk van Male en de dochter van Edward lijkt een ideale uitweg uit de crisis. In 1347 lopen de zaken enigszins anders. Na zijn officiële verloving is de jonge graaf teruggekeerd naar Male, waar hij intens gechaperonneerd wordt door Vlaamse lijfwachten. Op een bepaalde dag weet de jongeman zich heimelijk uit de voeten te maken en slaat hij op de vlucht richting koning van Frankrijk.

De Staten van Vlaanderen zijn bijzonder verstoord door de verdwijning van Lodewijk en vooral door het feit dat hij zich niet aan zijn belofte houdt. Het hek is nu helemaal van de dam. De oorlog tegen Frankrijk en tegen de graaf wordt nu nog verder opgedreven. Oorlog voeren, de soldij van de manschappen en voortdurend nieuwe wapens, tuigen en paarden, is natuurlijk een dure bedoening. ‘Om hun ontwerp ten uutvoer te connen brengen, belasten sy grootelicx door ’t uutsenden van sware pointingen hunlieder gemeente’.

Oorlogstaksen, en deze keer worden de kloosters en de geestelijken niet vrijgesteld. Het klooster van Ter Duinen krijgt een aanslagbiljet van 200 Vlaamse ponden, ‘eene uutnemende groote somme voor dien tijdt’. Veel heeft te maken met het feit dat abt Lambrecht adviseur was van de jonge graaf en dat hij nu beticht wordt van een samenzwering om Lodewijk van Male te laten vluchten naar Frankrijk en niet te laten trouwen met die Engelse prinses. De monniken van Ter Duinen proberen zich te onttrekken aan de hoge schattingen. ‘Veel te veel’, zeggen ze en bovendien zijn ze niet in staat om het bedrag op te hoesten.

Ze vragen uitstel van betaling, maar de Gentenaars die zich genaaid voelen door abt Lambrecht, houden voet bij stuk. ‘Op den eersten Junii 1347 zijn ze uutgetrocken met vijf duysent mannen naer de casselrie van Hulst, ende aldaer hebben ze de goederen vande geseyde abdye, de welcke lagen onder Sande, Lepe ende Noorthove, alwaer een deel meuningen woonden die dese benooten ende gebruyckten, berooft. Naer dat ze die uutgeplundert hadden, hebben ze met den molen van Heimsdijck alles wat vernielbaar was, verbrant.’ De jaerboeken van Veurne hebben het over dure tijden voor de mensen. De oorlogen en de oproeren maken voedsel zo goed als onbetaalbaar en dat laat zich zien door sterfte en het uitbreken van pest.

De koning van Frankrijk wil kost voor kost een einde maken aan het beleg van Cales waar de burgers al maanden uitgehongerd zijn. In een eerste troepenbeweging wordt geviseerd op Artesië waar een leger van 40.000 manschappen onder leiding van Jan, de hertog van Normandië en de zoon van de koning naar toe trekt. Het leger trekt de Nieuwe Dijk over als een fluitje van een cent, en gaat nu Cassel belegeren. De Vlamingen hebben kosten noch moeite gespaard om de stad te versterken en van het nodige volk te voorzien.

Van op de Casselberg hebben de Vlamingen een uitstekend zicht op de omliggende streek en dus kunnen ze zien dat de Fransen zich vergrijpen aan brandstichtingen en verwoestingen in de buitengebieden van Cassel. Hun doel is duidelijk: de Vlamingen schrik aan jagen en hen tot een uitbraak verleiden. Het zullen wel geen 40.000 man geweest zijn daar in Cassel, want dan zal het volgende wel met een korrel zout genomen moeten worden: ‘de vlamingen, dit vreet bedrijf aensiende, zijn uut Cassel getrocken ende sy zijn soo fellick op het fransche leger gevallen, dat sy het geheel verslagen ende gejogen hebben over den Nieuwen Dijck, van waer het gecommen was.

De hertog van Normandië is woedend om de flauwe prestatie van zijn mannen, scharrelt ze opnieuw bijeen en trekt opnieuw over de verdedigingslinie van de Nieuwe Dijk. De Fransen viseren het kwartier van Ieper waar ze alles ‘te vier en te sweerde’ stellen. De hertog profiteert van de afwezigheid van Vlaamse verdedigers want die halen op dat eigenste moment hun hart op met rooftochten in de streek van Artesië. Vooral de regio van Bethune wordt geteisterd door de Vlaamse roof- en brandpartijen.

De Ieperlingen zien met lede ogen toe hoe de Fransen huis houden in hun buitengebieden en besluiten om een uitval te wagen om de Fransen te stoppen. Ze gaan de Fransen tegemoet onder leiding van hun kapitein Jan van Houtkerke en vallen die op de huid ‘ter Steenstratebrugge op de prochie van Zuytschoote, in de Casselrie van Veurne’. Het gevecht is hevig daar in Zuidschote. Het krioelt van de grachten en de wegen zijn smal zodat de Franse cavalerie het moeilijk heeft om iets deftig uit te richten. De Ieperlingen vallen in alle hevigheid aan en het Franse voetvolk slaat in paniek op de vlucht. ‘Waar zijn die verdomde ruiters toch?’

Die van Ieper zitten de vluchtende Fransen achterna tot op het open veld waar ze hopen om hier de genadeslag uit te delen, maar deze keer leent het landschap zich wel uitstekend voor de Franse ruiters die nu op hun beurt de Ieperlingen op gruwelijke manier aanvallen en verminken. Hoe kan je op een zinnige manier dergelijk bloedbad omschrijven? Wie kan vluchten, probeert dat zo goed als zo kwaad mogelijk te doen, maar de Fransen jagen hen op tot in Ieper, Cassel en de andere steden waar ze zich in veiligheid willen brengen. De hele zomer lang blijven de militaire confrontaties tussen de Fransen en de Vlamingen aanslepen. Met wisselend succes voor beide partijen. Te veel om allemaal op te noemen, zeggen de kroniekschrijvers. Ze stippen wel aan dat de kapiteins van Veurne en Veurnambacht met hun manschappen actief deelnemen aan de gevechten.

Na een beleg van elf maanden plooien de inwoners van Cales. De uitgemergelde Calesanen overhandigen in augustus van het jaar 1347 de sleutels van hun stad aan koning Edward van Engeland die nu met de havenstad Cales een perfect pied-à-terre heeft in Frankrijk. De moe gevochten Fransen en de Engelsen sluiten een wapenstilstand. In 1348 krijgt graaf Lodewijk van Male de toestemming van de Franse koning om een afzonderlijk akkoord af te sluiten met de Engelsen die nog altijd in alliantie zijn met de Vlamingen. Vlaanderen zal zich voortaan buiten de oorlog houden die de Fransen uitvechten met de Engelsen.

Het vredesverbond tussen Vlaanderen en Engeland krijgt de goedkeuring van de Fransen op voorwaarde dat de Vlamingen de koning van Frankrijk als hun koning beschouwen en dat ze hem als graaf zullen respecteren. Zo geschiedt het dus dat de graaf met grote blijdschap en in volle pracht in de armen van Vlaanderen gesloten wordt. De magistraten zweren trouw aan de nieuwe graaf en die herbevestigt de rechten en de privileges van de steden. Ook in de kasselrij van Veurne worden de stedelijke privileges herbevestigd. Nu er geen oorlog meer is, kunnen de lokale frustraties zich weer manifesteren.

Anno 1349 zijn er al direct geschillen tussen de stad en de kasselrij van Veurne. ‘Hoe moeten de poorters belast worden als ze winsten genereren in de landelijke gebieden rond de stad?’ De Veurnenaars willen hun landen vrij houden van alle ‘pointingen ende settingen’, maar dat is niet naar de zin van de autoriteiten van Veurnambacht die zwaaien met akkoorden uit het verleden. De meningsverschillen tussen die van de stad en die van den buiten stapelen zich op en leiden hier en daar al tot geweld. Graaf Lodewijk acht de tijd rijp om in te grijpen.

Hij stuurt zijn raadsleden Hendrik Sporkin en Lauwers Zorinck, Frans Steven en Denys Stattine als bemiddelaars naar Veurne, waar ze zich aansluiten bij Jan Vanekine, de hoogbaljuw van Veurne. Alle partijen krijgen de kans om hun mening te ventileren en daarna komen de bemiddelaars tot een besluit. Alle personen die poorter zijn in Veurne en dat willen blijven, moeten met vrouw en kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben binnen de muren van de stad. Wie dat nog niet geregeld heeft, krijgt tijd tot Sinksen. Ook de inwoners die zich willen laten ontpoorteren uit Veurne, krijgen tot die dag de kans om dat zonder het betalen van issurechten te doen.

De poorters die land gebruiken in de kasselrij mogen daar aanwezig zijn in de zaai- en de oogstperiode. Ze krijgen telkens veertig dagen de tijd om hun land te bezaaien en te bewerken en om er de vruchten te oogsten. De ordonnantie is een waslijst lang en die wordt op 3 maart 1349 ondertekend door de geestelijke en wereldlijke autoriteiten van de stad en de kasselrij. Vanwege de stad zijn dat burgemeester Jan Joye en de schepenen Aernout Alouds, Jacob Verlanenzone, Jan Hofiser en Willem Meinaerd en nog een reeks poorters. De kasselrij wordt vertegenwoordigd door de schepenen Christiaen Blandelin, Christiaen Eglin, Jan Mannin, Jan De Langhe en Jan Pieterssone, gevolgd door een reeks keurbroeders. De overeenkomst wordt door de graaf bevestigd op 15 april van het jaar 1350.

Tegen die tijd zijn er weer al nieuwe beslommeringen. Een geschil tussen Veurnambacht en die der stede van Nieuwpoort. Eigenlijk gaat het over dezelfde problematiek. Inwoners van Nieuwpoort zijn zogezegd poorter van de stad maar verblijven in werkelijkheid op het gronden in Veurnambacht en dus bestaan er discussies wie nu belastingen en heffingen moet betalen aan wie. Er worden opnieuw bemiddelaars aangesteld en die dagvaarden de partijen om op 3 april 1350 te verschijnen in de abdij van Ter Duinen. Het zijn opnieuw dezelfde figuren die verschijnen op de nieuwe zitting. Nieuwpoort wordt vertegenwoordigd door burgemeester Claes Vaerdebout en de schepenen Jan Carin, Jacob Hughe en Jan Langhemerie.

Ook de raadsleden Michiel Danin en Willem Van der Broucke zetten hun krabbel onder de akte. In 1351 duikt er een probleem op tussen Sint-Winoksbergen en het magistraat van Veurne. Blijkbaar hebben beide steden een uitspraak gedaan over éénzelfde zaak en moet het magistraat van Brugge nu de knoop doorhakken wie nu het gelijk aan zijn kant heeft en hoe dergelijke geschillen in de toekomst kunnen vermeden worden. Bergen moet zich uiteindelijk schikken naar Veurne voor wat betreft toekomstige hoofdvonnissen.

De ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ maken nu een sprong terug in de tijd. Naar het jaar 1346 waar er sprake is van ‘eene groote bloedstortinge op de prochie van Vlamertinghe’. Wat is er aan de hand daar in Vlamertinge? De Ieperse wevers blijken in opstand gekomen te zijn tegen hun schepenen. Thomas Zemale, de deken van de wevers, rept zich met een massa wevers naar de lakenhalle, meer speciaal naar het schepenhuis waar de magistraten in vergadering zitten.

‘Sy hebben aldaer de schepenen besprongen, ter vensteren uutgeworpen, ende op sulcker wijse den hals gebroocken.’ En nu zijn de moorddadige wevers weggevlucht uit de stad. De graaf van Vlaanderen roept zijn bastaardbroer Rufelaert op om met een zwerm Ieperlingen de achtervolging in te zetten. In de parochie van Vlamertinge hebben ze de oproermakers te pakken. ‘Naer datter daer seer sterckelick gevochten hadt geweest, met groote bloedstortingge, hebben de wevers, te cranck zijnde, moeten wijcken’. Ze zijn er aan voor de moeite. Velen verliezen het leven. Alle overlevende wevers en volders die zich achter Thomas Zemale hadden geschaard, mogen zich nu verwachten aan een vonnis van de vierschaar en worden verbannen. Weg van Vlaanderen.

Er volgt een interessante voetnoot van uitgever Edmond Ronse. De passage van de moord en de vlucht naar Vlamertinge worden in de kronieken voorafgegaan door een blanco bladzijde. Wat heeft Pauwel Heinderycx, toevallig of niet toevallig, niet neergeschreven in zijn kronieken? Ronse wil meer weten en vindt het antwoord in ‘Histoires de Flandre’ van de geschiedschrijver Kervyn de Lettenhove. Het is godverdomme weer de graaf zelf die achter de rellen zit! De macht van de ambachten is te groot en de gemeenten hebben veel te veel te zeggen. Hij wil zelf een coherent beleid voeren over Vlaanderen, maar dan moet hij eerst wel de macht van die lokale hiërarchie breken. En daar zijn alle middelen goed voor.

Lodewijk van Male en zijn overleden vader Lodewijk van Nevers hebben de Vlaamse koophandel al beduidende schade toegebracht met hun anti-Engelse maatregelen en dito houding. En nu richten ze hun vizier op de vrijheden van de gemeenten. De privileges van de goede steden zijn zowat hun allerbelangrijkste bezit en daar zal nu van grafelijke zijde in worden gesnoeid. Het is een verdeel-en-heersstrategie die leidt tot gemor en tot rellen in de dichtbevolkte steden van Vlaanderen. En de graaf is zich heel bewust van de onrust die hij opzettelijk laat broeden en bloeien en cultiveert.

De climax komt er als graaf Lodewijk zich dochter Margaretha in Oudenaarde laat trouwen met de hertog van Bourgondië. De goede steden Gent, Brugge en Ieper zien het met lede ogen gebeuren. Het doelbewust negeren van hun status zou in het verleden nooit maar dan ook nooit het geval geweest zijn. Oudenaarde ‘of all places, parbleu’! De Lettenhove is formeel: ‘uit dat gemor sproot de opstand. Korts daer na sloeg het volk te Ypre aen ’t muiten; de balliu des graven, Jan de Pruysenaere genoemd, viel de eerste ten offer van die reeds langverduerde grieven’. We begeven ons opnieuw naar Veurne. 5 december van het jaar 1346.

Sint-Niklaasavond. Mijnheer Jan van Rijssel, de hoogbaljuw van Sint-Winoksbergen die ook al in Veurne aan de slag geweest is in diezelfde functie, meldt zich aan in de stad. Hij is in het gezelschap van een knecht die de nacht zal doorbrengen bij de paarden in de stal. Tijdens die nacht valt een brandende kaars in het hooi en stro van de paardenstal die binnen de kortste tijd in lichterlaaie staat en waardoor er ‘aenstonts soo eenen grooten brandt opgeresen is, dat men dien maer meester wiert, naer datter meer als de helft der Stadt afgebrant was’.

De ‘jaerboeken’ maken nu een flinke sprong voorwaarts in de tijd. De acht parochies van Veurnambacht dienen, bij Lodewijk van Male, klacht in tegen de stad Veurne. De nieuwe keure zorgt er voor dat de mensen uit het buitengebied meer moeten betalen dan wat ze gewoon waren en daar kunnen ze niet mee leven. De Raad van Vlaanderen wordt er bij gehaald, beide partijen worden gehoord en finaal besluit de raad dat de acht parochies gelijk hebben. De keure moet worden aangepast en de graaf maakt van de gelegenheid gebruik om er een oorlogsbelasting van ‘seven-en-twintich ponden grooten tien schellingen van ider der hondert gelijcke ponden’ te heffen op de totaliteit van de hele kasselrij en dat de acht parochies daar hun representatief deel moeten aan bijdragen.

Anno 1377 vertellen de kronieken over de scheuring van de kerk in Urbanisten en Clementijnen die de oorzaak zal zijn voor voldoende oorlogen, moordpartijen en vernielingen. Ook het land van Vlaanderen, de stad en de Kasselrij van Veurne zullen er onder lijden. Frankrijk en Spanje en nog enkele andere landen houden het bij paus Clemens van Avignon, terwijl Engeland en Vlaanderen Urbanus van Rome als rechtmatige paus beschouwen. Veurne zit in een moeilijke positie want de streek valt onder de kerkelijke autoriteit van het bisdom van Terwaan die enkel Clemens als paus erkent.

In het Veurnse lopen er nogal wat priesters rond die gewijd werden door de paus van Avignon en die worden nu door de Urbanisten in de ban van de kerk geslagen omdat ze aanzien worden als ‘ongeloovige ende vermaledijde menschen’. De haat van beide partijen tegenover elkaar is zo fel dat het hele christendom op zijn grondvesten beeft. In 1376 wordt Johannes Maes verkozen tot abt van Ter Duinen. Een jaar later gaat hij, samen met de abt van Clairvaux, op bezoek bij paus Gregorius de 11de die hen in hun waardigheid bevestigt en de autoriteit geeft om voortaan een mijter te dragen. Ze krijgen het recht om voortaan altaren, kerkelijke gewaden en kelken te wijden. In het kort: er wordt een bom gelegd onder de autoriteit van de bisschop van Terwaan.

Het derde kapittel van de ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ heeft het over ‘den opstant ende beroerte in Vlaenderen tijdens Lowys van Male, tot aan den vrede van Doornijcke. De periode tussen 1379 en 1385. Graaf Lodewijk heeft blijkbaar een stevige reputatie van een rokkenjager, een ‘ladies man’, die zich dag-in-dag-uit bevindt in een gezelschap van lichte vrouwen, ‘comedianten’, toneelspelers en zangers. Kortom: mensen die al even verdorven zijn als hijzelf. Ze leven ‘met de verderfvenisse der princen’.

Zijn hofhouding is decadent te noemen en de graaf is in de fleur van zijn leven. Nooit voordien heeft een graaf van Vlaanderen zich zo te goed gedaan aan het liederlijke leven. ‘De zinnelijkheden van Lodewijk hebben natuurlijk hun prijskaartje.’ Maar dat kan geen probleem zijn in het rijke Vlaanderen, dat onderworpen wordt aan nieuwe schattingen. Denkt hij. Zijn mannetjes gaan daarvoor geen baldadigheden uit de weg. De Raad van Vlaanderen oordeelt dat de graaf momenteel geen dergelijke kosten kan hebben omdat we niet leven in een tijd van oorlog. Vlaanderen weigert te betalen voor de wulpsheden van zijn graaf. Vooral de Gentenaars distantiëren zich van Lodewijk van Male en aarzelen helemaal niet om de wapens hiervoor op te nemen. Maar nog hetzelfde jaar wordt er uiteindelijk een regeling uitgedokterd en wordt er in Oudenaarde opnieuw vrede gemaakt.

In 1380 is het alweer bingo. Er zijn er nogal wat van Ieper die meeheulen met de Gentenaars en dat komt de graaf ter ore. Hij stuurt een divisie soldaten naar Ieper om de stad te belegeren. De Veurnenaars en de Veurnambachters die van oudsher erg aan hun graaf gehecht zijn, rukken met een meute gewapend volk naar Ieper om mee te helpen met het beleg. De Gentenaars van hun kant, zien zich verplicht om hun kompanen in de Westhoek te helpen en ze sturen een eigen leger naar Ieper om de troepen van de graaf neer te slaan en het beleg op te breken. Blijkbaar wordt Lodewijk goed op de hoogte gehouden van de komst van die van Gent.

Hij geeft opdracht aan een peloton Veurnse soldaten om zich verdekt op te stellen in de parochie van Woumen want hier zullen de Gentenaars voorbij komen op hun tocht naar Ieper. ‘Dese hebben hun daer stil gehouden ende ’t goede uer afgewacht, ende al op eens zijn sy de Gentenaers op ’t lijf gevallen ende hebben hun soodanich geslegen dat sy teruch moesten keeren met verlies van vele volck.’ De Veurnenaars en hun bevelhebber, hoogbaljuw Jacob Van Belle, oogsten alle lof voor hun overwinning. Ieper kan niet anders dan zich over te geven.

De reactie van de graaf is barbaars en buiten proportie. Hij laat vijfhonderd Ieperlingen doden, een ongeziene wreedheid die hem later zuur zal opbreken. Na de massamoord in Ieper gaan de graafsgezinden nu naar Gent, ook nu weer in het gezelschap van het volk van Veurne en Veurnambacht. Maar al bij al blijkt het leger van Lodewijk onvoldoende groot om de operatie ‘Gent’ succesvol te kunnen aanpakken. Hij laat een bevel uitsturen naar alle hoeken van Vlaanderen waarbij hij 12.000 man opeist om zich bij zijn leger te komen vervoegen. Wie niet komt, zal in gebreke worden gesteld en zwaar gestraft.

Ook de stad en de Kasselrij van Veurne krijgen het grafelijk bevel toegestuurd: ‘Lodewijck, grave van Vlaenderen, enz.. , onsen geminden vrienden, de goede vrienden van onse stede van Veurne ende Veurnambacht, salut: weet dat wy geordonneert hebben om het behoudt van ons, van u ende van onsen gemeenen lande van Vlaenderen ende om te wederstaen de rebellen die ons contrarie zijn, dat gy ons senden sult ten onsen dienste seven hondert sergeanten, daeraf datter moeten hondert schotters wesen. 700 extra mannen dus, in surplus boven de mannen die zich nu al voor Gent bevinden. En er moeten honderd boogschutters bij zitten.

De verordening dateert van 1 oktober 1380. De zevenhonderd mannen hebben precies acht dagen de tijd om zich te melden in Oudenaarde. Maak er maar zes van. De magistraten van Veurne en van de Kasselrij krabben zich in het haar als ze vaststellen dat de brief al twee dagen geleden werd geschreven. Hoe kunnen ze in godsnaam tijdig zevenhonderd weerbare mannen vinden op een dergelijke korte tijd?

Ze kwijten zich in alle vlijtigheid van hun taak. Er zal wel niet echt aan te ontkomen zijn voor die van Veurne en het zullen wel Chinese vrijwilligers zijn die zich precies op tijd aanmelden in Oudenaarde om het grafelijk leger te vervoegen. Veurne heeft nu vijftienhonderd man die actief zijn bij de graaf en zich schikken onder hun bevelhebber Jacob van Belle. En zo heeft Lodewijk weer eens de beschikking over een flink leger. Eindelijk kan hij Gent aanpakken. Maar zijn plannen lopen niet zoals gewenst. Zijn leger ‘creeg dagelickx meer nadeel als voordeel’.

Het moet maar een sukkelachtig gedoe zijn wat ze daar met hun beleg uitspoken, want die van Gent lopen onophoudelijk in en uit hun stad om de landen van de graaf te verwoesten, te beroven en in brand te steken. Dendermonde en Geraardsbergen worden daarbij ingenomen door die Gentenaars. De graaf zijn frank valt blijkbaar traag als hij in de late herfst gaat beseffen dat zijn leger onvoldoende slagkracht heeft om Gent met succes aan te pakken. Met de winter in zicht stuurt hij iedereen naar huis.

Na de winter trekt Lodewijk nog maar eens het veld op om Gent te belegeren. Met meer mankracht dan verleden jaar. Deze keer zal die dekselse stad er moeten aan geloven. Vanuit het Veurnse vertrekt weer een massa volk om de Gentenaars te bedwingen. Jacob van Belle wordt in zijn taak bijgestaan door burgemeester Willem van Stavele. Maar de resultaten in 1381 zijn precies dezelfde als die in 1380. Op het einde van het zomerseizoen worden de mannen opnieuw naar hun respectieve kwartieren terug gestuurd.

Geschiedschrijver Oudegherst vertelt dat er in het jaar 1382 een reus van een man woonachtig is in Veurnambacht. ‘Die reuse hadde wonderlicke macht ende was seer vreet van gesichte.’ Zijn ouders behoorden tot de volksklasse. Onze kroniekschrijver heeft het over de vondst van een geraamte bij de toren in de kerk van Sint-Niklaas dat aan onze reus zou hebben toebehoord. Nu zouden ze vertellen dat de man eigenlijk een grote lamzak is die te lui is om te werken. Of te dik om fatsoenlijk te bewegen.

De jaarboeken beschrijven het zo; ‘hij heeft in sijn leven geene merckelicke dingen gedaen daer toe te coel ende te cleenmoedig zijnde, ende meer soeckende naer ruste als naer eenen middel om sijne cloekcheyt ende macht te oefenen in de oorlogen, ende hem daer door bekent te maecken.’ In 1382 gooit de graaf het over een andere boeg. Hij blokkeert alle toegangen tot de stad Gent en verbiedt de hertog van Brabant om nog voedsel te leveren aan Gent. Ook vanuit Holland wordt de stad droog gezet. De honger zal het werk moeten doen waar hij de vorige twee jaar niet in geslaagd is.

Het land van Aalst en de buitengebieden van Gent worden in brand gestoken en verwoest. En zo ontstaat in Gent een groot gebrek aan voedsel. De bevolking lijdt honger en de toestand binnen de stadsmuren wordt erger met de dag. Het water staat de Gentenaars zo aan de lippen dat ze Lodewijk van Male smeken om toch maar te onderhandelen over een vredesbestand.

Zo lang ze maar eten tussen de kiezen kunnen krijgen. De graaf denkt van slim te zijn en stelt zich tijdens die gesprekken beenhard op: ‘hy stont hun den vrede toe maer onder soo sware ende harde bespreecken, dat sy liever hadden de uuterste perijckels ende onfortuyne vanden oorloge te onderstaen als diergelicken peys aen te gaen.’ De weigering van Gent om dit alles zo maar te slikken heeft alles te maken met de opkomst van Filips van Artevelde, de zoon van de legendarische Jacob. Filips van Artevelde weet zijn stadsgenoten nieuwe moed in te pompen en organiseert een stoutmoedige uitval en een mars op Brugge, waar de graaf zijn vaste standplaats heeft. Op 3 mei 1382 vertrekken 5.000 Gentenaars onder zijn leiding met de bedoeling om Brugge aan te vallen.

Het is een ‘alles of niets’ poging. Dertigduizend mensen in de stad hebben de voorbije vijftien dagen geen brood meer gegeten. Dan kunnen ze evengoed sterven met de wapens in de handen dan van de honger. Ze voelen zich totaal verlaten door de graaf. Eigenlijk is het een hoopje ellende die op komst is naar Brugge. De 40.000 manschappen die de graaf rond zich heeft in Brugge doen meewarig over de sukkelaars die het tegen hen willen opnemen. De confrontatie vindt plaats aan het Beverhoutsveld, maar over de exacte locatie hebben de Veurnse jaerboeken het niet.

Ze hebben het over de kwaadheid van de Gentenaars die het makke voetvolk van de Bruggelingen in volle hevigheid aanvallen waardoor ze de orde in hun gelederen volledig uit het oog verliezen en moeten wijken voor de briesende aanvallers. Lodewijk van Male ziet geen andere uitweg om zich zo snel als mogelijk uit de voeten te maken en te vluchten naar de binnenstad van Brugge. De Gentenaars zijn nu zegezeker en zitten de vluchtende Bruggelingen achterna, breken de stadspoorten open en maken zich meester van de steegjes en de huizen van de stad.

‘Dan sochten sy overal naer den grave om hem te dooden ofte vangen, den welcken het ter nauwer noot ontquam, genootsaeckt zijnde om in veylichheyt te wesen van te vluchten in een huyseken eener arme vrauwe. Hy croop aldaer onder het bedstrooy van hare kinderen, ende verschool hem alsoo gedeurende den geheelen nacht. Sijne vyanden quamen hem tot in dit arm huyseken opsoecken, maer die wierden door de slimheyt der arme vrauw die hem verborgen hielt, verleet. Des anderdaegs morgen vertrock den grave te voet uut de stadt ende hy gerochte onbekent, tot binnen Rijssel.’ Filips van Artevelde is meer dan gelukkig.

Hij laat Gent onmiddellijk voorzien van wijn en graan en van alle levensmiddelen waar zo veel gebrek aan geweest is. De vreugde in Gent is immens. Artevelde roept de wethouders van de steden van Vlaanderen op om te vergaderen in Brugge en om alle sleutels van hun respectieve steden en kastelen te komen overhandigen ten teken van overgave aan het nieuwe regime. En zo gebeurt het dat zowat heel Vlaanderen de graaf nu als een baksteen laat vallen en ingaat op de uitnodiging van de nieuwe gouverneur Filips van Artevelde. Alleen Oudenaarde en Dendermonde geven verstek. Het is daar dan ook waar de edelen en het krijgsvolk van de graaf gestationeerd zijn.

Artevelde vertrekt van Brugge richting Ieper waar hij de magistratuur verandert. De wethouders van Veurne en Veurnambacht en die van de andere Kasselrijen van de Westhoek worden opgetrommeld om voor hem te verschijnen in Ieper. Ze worden verplicht om dezelfde eed van onderdanigheid en getrouwheid te zweren zoals ze dat eertijds gedaan hebben tegenover de graaf. En korte tijd later, ondanks hun eed, moet een heel deel van de wethouders plaats ruimen voor Gentsgezinde poorters. Daarna, worden de volwassen mannen opnieuw gemobiliseerd, om vanaf 9 juni Oudenaarde te gaan belegeren.

Dezelfde Veurnambachters die twee jaar op rij aan de zijde gevochten hebben van graaf Lodewijk, gaan nu in het derde jaar precies het omgekeerde doen. Het beleg van Oudenaarde is nu volop aan de gang. De graaf zoekt soelaas bij de koning van Frankrijk. De Vlamingen moeten absoluut weer onder zijn gezag komen nog voor dat Oudenaarde zou vallen. Hij zoekt hulp en bijstand bij zijn schoonzoon, Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië. Binnen de kortste tijd trekken hele legertroepen de grenzen van Vlaanderen binnen. Filips van Artevelde beseft het gevaar en stuurt een delegatie naar de koning van Engeland.

Hij heeft Engelse hulp nodig om het Franse gevaar te bezweren. Maar de zomer loopt al op zijn einde en dus ziet Edward het niet zitten om nog in het najaar de nodige mannen te laten inschepen. Hij belooft Artevelde hulp in de lente van volgend jaar. Artevelde wil vermijden dat de Fransen de Leie en de Nieuwe Dijk zullen oversteken en laat die door veel volk bezetten. ‘Hy bevool de bruggen ende alle beschansde plaetsen daer den vyandt conde overtrecken, af te werpen’. De wethouders van de Vlaamse steden krijgen een nieuw bevel dat er nog meer manschappen van doen zijn om de Vlaamse grenzen te beschermen tegen een Franse inval. En ondertussen blijft de belegering van Oudenaarde maar doorgaan.

De magistraten van Veurne en Veurnambacht voeren de bevelen van Filips van Artevelde uit en sturen opnieuw een hele bende volk uit onder leiding van kapitein Pieter Doenen die blijkbaar door Artevelde zelf werd aanbevolen. De Franse legerleiding beraadt zich over een gepaste tactiek. Ze besluiten uiteindelijk een aanvalspoging te wagen aan de Leie ter hoogte van Komen. Na de nodige schermutselingen en gevechten verslaan ze de Vlamingen die wel met 9.000 man de Leie probeerden te verdedigen daar te Komen.

Drieduizend Vlamingen worden gedood op 10 november 1382, de hertog van Bourgondië is de Leie over en staat nu klaar om het Vlaamse land binnen te stomen. We lezen over de wreedheid van de Franse soldaten en krijgen warempel koude rillingen als we het volgende lezen; ‘soohaest de Franschen de Leye overgetrocken waren, beroofden sy het lant ende staecken alle de plaetsen op de Leye in brande. Comen, Meenen, Wervyck, Waesten ende meer andere wierden alsoo behandelt, terwijlen dat sy overal grooten buyt maeckten, namentlick van alle soorten van laeckenen die daer geweven wierden.’

De Franse koning Charles VI rukt op naar Ieper. De Ieperlingen geven zich over zonder zich te weer te stellen. Zolang ze maar lijf en goederen kunnen behouden. Ze beloven 40.000 gulden betalen als afkoopsom voor de vrijgevigheid van de Fransen. Ook Poperinge krijgt Frans bezoek en hier wordt er geplunderd dat het geen naam heeft en van Poperinge gaat het naar de buitengebieden van Veurnambacht waar de boeren en het landvolk halsoverkop en met have en goed op de vlucht slaan naar de beslotenheid van de steden.

‘Daer was alsdan de meeste beroerte in ’t lant als men oyt gehoort hadde; des te meer om dat de Franschen het lantsvolck overal soo tyrannelick behandelden.’ De inwoners van de kleine Westhoeksteden en van de kasselrijen krijgen te horen dat die van Ieper genade gekregen hebben van de Franse koning en hun stad zo maar hebben overhandigd aan de vijand, zien in dat ook dit de ene mogelijkheid is om te kunnen ontkomen aan de Franse furie. Ze vallen op hun knieën en bidden om genade.

Ze keren zich tegen de kapiteins en het volk van Artevelde die ze gevangen nemen en op een presenteerblaadje gaan afgeven aan de Franse koning die zich in de buurt van Ieper bevindt. Aanvankelijk helpen hun maatregelen geen barst. Ze beloven hem eeuwige gehoorzaamheid. Maar de spijt van de Westhoekers laat de koning onbewogen. ‘We hebben ons verbond met Frankrijk verbroken alleen maar omdat Artevelde dreigde geweld te gebruiken’. Het buikgevoel van de gewone mensen aan de grenskant met Frankrijk is weer al eens correct gebleven. Het is beter om de Fransen te vriend te hebben dan als vijand. Het is uiteindelijk de entourage van de koning die hem adviseert om die van de Westhoek genade te schenken.

Er kan een einde komen aan de roofpartijen en de brandstichtingen, er zullen niet langer mensen worden opgepakt als de Westhoek over de brug komt met een som van 60.000 gulden. De afgezanten van de Westhoek bedanken de koning voor zo veel goodwill. De kapiteins van Artevelde die ze hebben uitgeleverd, worden onthoofd. Achteraf blijkt dat de Franse soldaten het niet al te nauw nemen met de belofte van hun legerleiding om niet verder te plunderen. De ravages in de Westhoek gaan onverdroten verder; ‘sy en lieten op het lant niets achter dat hun dienstich conde wesen. De Casselrie van Veurne wiert soo afgeloopen van die vreemde benden, datter niet eene coeybeeste en bleef.

De Fransen tonen niet het minste medelijden met dit arme volk dat de zijde blijft houden van paus Urbanus. Het lijkt er sterk op dat God aan de kant van de Fransen staat in hun opdracht om alle Urbanisten te verdelgen. Filips van Artevelde zelf houdt Oudenaarde nog altijd in een wurggreep en finaliseert de uitbouw van een nieuw leger van 50.000 man die de confrontatie met de Fransen zal aangaan. Hij kiest zijn legerplaats ter hoogte van Westrozebeke, waar zijn troepen zich aan de Goudberg in slagorde opstellen.

De slag van 27 november 1382 loopt faliekant af voor Artevelde en zijn Vlamingen. Filips wordt gedood en 20.000 mannen verliezen het leven. Opnieuw breekt de keuze van de Vlamingen voor paus Urbanus hen zuur op. Het is tot nog toe niet geweten, maar de Fransen gebruiken bij hun veldslagen waar de koning bij betrokken is, altijd de auriflamme als vaandel en standaard. De koninklijke banier. In Westrozebeke wordt de auriflamme ontwimpeld, de vlag wordt gestreken, iets wat enkel gebeurd is bij gevechten tegen de Turken of de Sarazijnen of tegen ongelovige en geëxcommuniceerde mensen. Het debacle bezorgt de Vlamingen grote schrik.

De hoop op een overwinning was als een sprookje. Nu zijn de Fransen hier. Ze kunnen best hun kamp opbreken daar bij Oudenaarde en zich in veiligheid brengen in hun steden. Velen vertrekken ook terug naar Gent. Als de Bruggelingen de Fransen zien opduiken bij hun stad, weten ze hoe laat het is. Ze zenden enkele gevolmachtigden de stad uit en die worden door de koning in genade ontvangen. Ze krijgen de factuur mee voor hun medeplichtigheid: 120.000 gulden. En een verplichte eed van getrouwheid aan de lelie.

Dat doen de Gentenaars allerminst. Voor hen blijft de oorlog tegen de Fransen en allen die de kant kiezen van de graaf onverminderd voortduren. Ze krijgen een adempauze met de winter die op komst is en de Engelsen hebben hulp beloofd voor de volgende uitkom. De Franse koning ziet ook in dat alle pogingen om Gent nog tijdens het jaar 1382 onder de knoet te krijgen, gedwarsboomd worden door de koude winter.

Hij keert terug naar Parijs en laat wat garnizoenen achter in Vlaanderen om er de steden in de gaten te houden. De Gentenaars vragen militaire hulp aan koning Edward van Engeland, maar die zit in een wat ongemakkelijke situatie omdat hij in dat geval een tijdelijke wapenstilstand met Frankrijk zal breken. De pausenkwestie biedt een excellent alibi om met een leger naar het Europees vasteland te trekken.

Paus Urbanus heeft vanuit Rome opgeroepen om een heilige oorlog, zeg maar een kruistocht, te voeren tegen de ongelovigen die paus Clemens als hun paus beschouwen. De geestelijken in Engeland krijgen een bulle toegestuurd waarbij gesteld wordt dat één tiende van de kerkelijke eigendommen mag gebruikt worden voor de kruistocht tegen de Clementisten. Er komt heel wat propaganda en indoctrinatie bij kijken, maar duizenden Engelsen schrijven zich in bij het grote leger van de bisschop van Norwich dat zijn steven richt op de goddelozen in Europa. Op 3 april 1383 ontscheept de bisschop met een groot leger te Cales. De stad die al sinds 1346 in het bezit is van de Engelsen.

Er komt overleg op hoog niveau met de lokale bevelhebbers die zich in Frankrijk bevinden. De meesten willen de oorlog verder zetten in Frankrijk, maar de bisschop van Norwich moet natuurlijk de geheime agenda volgen van de koning van Engeland. Bijstand aan de Vlamingen die het al te moeilijk hebben met de Fransen. Hulp aan de Gentenaars. Hij beslist, zeer tegen de zin van zijn kapiteins, om de Westhoek binnen te vallen. ‘Dat is toch ook Frankrijk’, stelt hi,j en zo vertrekken ze naar ‘Grevelinghe, welcke stadt men met gewelt heeft ingenomen, daer naer geplundert ende waer men bovendies het gemeente seer qualick gehandelt heeft.’

Hetzelfde gebeurt in Broekburg en in Duinkerke. De Engelse kruistocht doorheen Vlaanderen komt aan als een complete verrassing voor graaf Lodewijk van Male die zich in Rijsel bevindt tijdens de week wanneer de losgeslagen Engelsen de Frans-Vlaamse kuststeden teisteren.

‘De Vlamingen zijn toch even gehecht aan paus Urbanus als de Engelsen zelf?’ Hij stuurt enkele ridders naar die bastaard van een bisschop om zich te beklagen over die ongeoorloofde praktijken in zijn land. De bisschop repliceert dat de koning van Frankrijk in 1382 Vlaanderen weer onder zijn hoede heeft gesteld en dat Vlaanderen dus automatisch beschouwd wordt als grondgebied van de Clementisten. De ridders argumenteren dat de koning van Frankrijk na zijn inval het graafschap Vlaanderen weer in het leengebied van de graaf heeft geplaatst en dat de regio dus automatisch weer toegewijd is aan de paus van Rome.

Er helpt geen lievemoederen aan. De bisschop-opperbevelhebber laat natuurlijk niet in zijn kaarten kijken. De dekmantel weet u wel, zou de graaf eigenlijk wel beseffen dat al dat gebral over kruistochten en pausen eigenlijk een ordinair argument is om Vlaanderen weer Engels territorium te maken en de alliantie met de Gentenaars te herstellen? Hij stuurt in elk geval versterkingen naar de steden aan de grenskant. De mensen van de Westhoek dreigen weer al eens de pineut te worden. Net zoals vorig jaar. Ze kijken vol afgrijzen naar de gewelddaden van de Engelse indringers. Ze vluchten met hun beste goederen in de versterkte steden.

Wie kan vechten in Casselambacht en Bergenambacht, wordt bewapend en naar Sint-Winoksbergen gestuurd om de Engelsen te beletten vooruitgang te boeken in de grensstreek van West-Vlaanderen. Ze worden onder het bevel van Lodewijk van Vlaanderen geplaatst, de bastaardzoon van de graaf die rondloopt met de bijnaam ‘Lodewijk de Haze’. Geen enkel geschiedenisboek geeft wat meer verhelderingen waarom Lodewijk met die bijnaam opgezadeld zit. Met nog niet eens zo veel fantasie kan ondergetekende zich wel een beeld voor de ogen halen van een man met grote vooruitstaande tanden, zoals die van een konijn. Maar laat ons weer ter zake komen, er zijn inderdaad nog meer potentieel valabele alternatieven waarom de Vlamingen iemand vergelijken met een haas.

De schermutselingen tussen de Engelsen en de troepen van Lodewijk de Haze verlopen met wisselend succes. Zij die kunnen vechten van Veurne en Veurnambacht, komen ondertussen samen met die van Diksmuide, Nieuwpoort en het West-Vrije in het achtergelaten en geplunderde Duinkerke. Jan Sporkin wordt aangesteld als kapitein van de lokale troepen. Hij is een man met ervaring, zo is hij al meerdere keren schepen geweest in de kasselrij van Veurne. ‘Een cloeck man, die wel geoeffent was in den handel van wapenen.’ Ze sluiten zich aan bij de troepen van Lodewijk de Haze. In totaal 12.000 man maken zich nu klaar om een kampgevecht aan te gaan met het Engelse leger onder leiding van die fanatieke bisschop.

Zijn kapiteins zien het gevecht met afkeer tegemoet en pleiten bij hun bevelhebber om er van af te zien. ‘Siet wat wy aenvangen, wy gaen slagh leveren aen dit volc, wy die weten dat die van Vlaenderen goede Urbanisten zijn’. Maar die van Norwich heeft ondertussen ook al de assistentie van Gentse troepen en kan natuurlijk niet meer achteruit. Hij komt er onderuit met een handigheidje. Na heel wat onderhandelen binnen eigen rangen, komen ze tot een vergelijk om een wapenheraut te sturen naar de Westhoekers met de vraag of ze wel degelijk Urbanisten zijn en als ze in dat geval samen met de Engelse legers willen optrekken naar Artesië om daar samen oorlog te voeren tegen de Clementijnen.

De verwijzing naar een bulle van paus Urbanus om een kruistocht te organiseren tegen diegenen die aanhanger zijn van paus Clemens te Avignon, blijkt een geniale zet om uit de impasse te raken. Hij weet deksels goed genoeg dat de Vlamingen er niet eens aan denken om oorlog te voeren tegen de koning van Frankrijk, nadat ze vorig jaar door het stof zijn moeten gaan om hem hun eed van getrouwheid te mogen afleggen.

De arme wapenheraut blijkt de grootste sukkelaar te zijn van de bisschoppelijke zet. ‘Hy wiert vande voorwachte doodt gesmeten, sonder dat den edeldom het selve conde beletten: daerom de Engelschen seer vergramt waren.’ Elk beraad wordt bruusk afgebroken en onder de standaard van de heilige kerk, zij zijn toch soldaten van de paus Urbanus, vallen ze met man en macht op de huid van de Vlamingen. Het gevecht is hard en de weerstand van de Westhoekers groot. Ze gaan tot het uiterste om zich te verweren. Uiteindelijk bezwijken ze onder de grote druk. Wie nog niet gesneuveld is, probeert zich in veiligheid te brengen in Duinkerke, maar de Engelsen gaan hen genadeloos achterna, en zo ontstaan er in en rond Duinkerke opnieuw hevige gevechten.

Negenduizend mannen worden afgemaakt, ‘waer onder datter wel duysent mannen waren dieder doodt bleven uut de Stadt ende Casselrie van Veurne, ende onder desen M’her Jan Sporkin, hunlieder capiteyn, ende vele andere edele ende treffelicke mannen’. Aan Engelse zijde vallen er 3.000 dode mannen te betreuren en ook hier zijn er veel edelen om het leven gekomen. ‘Desen slagh geschiede op den 25ste Meye 1383, langst de oostzijde van Duynkercke, nevens de duynen, volgens de beschrijvinge van Thomas Diaconus, meuninck van Bergen-St.Wynocx, die ten dien tijde leefde, ende volgens Froissart nam dit geval aen de westzijde van die stadt plaets.’

De Bergenaars hebben zich afzijdig gehouden omdat ze het verkozen om hun stad te bewaken. Na het verlies van de Westhoekers, zien ze zich verplicht om gezanten toe te sturen en de stad aan hen over te geven. Zo kunnen ze ten minste lijf en goed bewaren. ‘Daer op wierden sy in genade ontfangen, maer sy hebben dese bloothertige overgaven daer naer ellendichlick moeten becoopen.’ Een divisie van het Engelse leger zakt nu af naar Veurne die nu natuurlijk op lemen voeten staat. Van bescherming is nog nauwelijks sprake.

De mannen zijn verdwenen en gesneuveld. Veurne is een vogel voor de kat. Beschut door een ondiepe gracht omgeven door bedenkelijke aarden grachten. De inwoners zijn verschrikt en panisch. Wat kunnen ze anders dan iemand naar buiten sturen om zich over te geven? De Engelsen hebben er allerminst oren naar. Ze zijn woest om het hardnekkig verzet van de Vlaamse grensstreek en zoeken revanche. Vergeet niet dat er zich onder de bisschoppelijke troepen nogal wat uitschot bevindt dat ten oorlog is getrokken om zelf een graantje mee te pikken. Ze beginnen aan een verbijsterende raid door de binnenstad van Veurne. Iedereen die aangetroffen wordt met een wapen, wordt dood geslagen. En graantjes zijn er hier voldoende te vinden. De bewoners van de buitengebieden hebben zich hier verschanst met hun beste have en goed.

En dat ligt hier nu allemaal zomaar om te grijpen. ‘Naer dat de Engelschen de Stadt geheel geplundert hadden, liepen sy op de Casselrie ende namen daer al ’t gone dat sy oock vonden; de arme lantslieden die ten voorgaenden jare noch yets van hunlieder goederen hadden connen behouden vande fransche plunderingh, wierden nu vanden Engelschen geheel uutgerooft. Sy handelden soo vreedelick, om datter vele van die in den voornoemden slagh geweest hadden.’ De stad en de kasselrij zijn nog nooit in zulke ellendige toestand geweest. Helemaal kaalgeplukt en leeggeroofd.

Op vele plekken leven er amper nog dieren of mensen. Veel huizen, kastelen en kerken zijn in brand gestoken. Werkelijk niets is hen bespaard gebleven. Ook de stadsgracht van Veurne moet er aan geloven. De Engelsen ontzien letterlijk niets of niemand. De vestingen worden afgebroken en de grachten lopen leeg. Na de streek van Veurne, worden Diksmuide, Nieuwpoort, Oostende en Blankenberge op identieke manier veroverd door de Engelsen van bisschop Norwich. De 8ste juni zijn de Engelsen gearriveerd in de regio Ieper waar ze hun kamp opslaan. De Gentenaars hebben hen assistentie beloofd en sturen 20.000 man onder de leiding van Frans Ackerman, Pieter De Bois en Rasse Van der Voorde. Samen zullen ze de stad Ieper belegeren.

Binnen de stadsmuren voeren Jan van Oultre, de burggraaf van Ieper en zijn zoon Boudewijn, de heer van Elverdinge, het bevel. De graaf van Vlaanderen heeft ondertussen alarm geslagen bij zijn schoonzoon, de hertog van Bourgondië en bij de koning van Frankrijk. Er wordt besloten om een deel volk te concentreren ter hoogte van Atrecht. De Veurnse kronieken zijn bijzonder beknopt over de helse zomermaanden van Ieper. Twintigduizend ruiters en zestigduizend mannen voetvolk rukken op en ontzetten Ieper op 8 augustus 1383. Het beleg heeft tweede volle maanden aangesleept. De Gentenaars druipen af naar hun thuisstad en de Engelsen keren terug naar de steden die ze al veroverd hebben. De troepen die Ieper de hele zomer in de tang hielden, hebben nogal wat averij opgelopen. Ze zijn moe en ziek.

Hun oorlogsbuit hebben de soldaten natuurlijk nog altijd bij zich. Het resultaat van al die plundertochten, steekt de ogen uit van die van Nieuwpoort en enkele parochies van het Vrije in de regio. Ze nemen het besluit om terug te slaan en vallen op de huid van zowel Gentse als Engelse terugtrekkende soldaten. Er vallen doden. Slim is het niet echt, want nu willen de verstoorde soldaten natuurlijk revanche. Nieuwpoort is er aan voor de moeite, want ‘d’Engelschen ende de Gentenaers trocken naer Nieupoort, namen die andermael in ende sloegen al de menschen doodt die sy aldaer vonden’.

We gaan verder in het oud Vlaams. ‘Sy plunderden daer naer de stadt, roofden de kercke, ende trocken met hunnen buyt eensdeels te schepe naer Engelant ende eensdeels met wagens naer Bergen. Ende willende teeckenen van hun grammen moedt laten, staecken ze, eer dat sy van daer vertrocken, stadt ende kercke in brant. Niet een huys en bleef er over.’ Het Franse leger zit de geweldenaars op de hielen in de Westhoek. Onder de leiding van kapitein Clisson komen ze nu opzetten naar Cassel dat door de Engelsen bezet wordt. Hoog moet het moreel niet meer zijn bij de Engelsen, want bij het zien van de Fransen, openen ze de stadspoorten en slaan ze op de vlucht naar Sint-Winoksbergen.

Ook de Fransen zijn geen doetjes, want nu ondergaat het volk van Cassel en Cassel-Ambacht de bloedige oorlogsterreur van moorden, branden en plunderen. Het zelfde scenario speelt zich enkele dagen later af in Bergen. De Engelsen vluchten verder weg richting Grevelingen en Cales en slepen en sleuren zo goed als het kan hun oorlogsbuit met zich mee. In hun zog vluchten ook de burgers. Vrouwen en kinderen betrouwen niet erg op de genade van de Franse koning en kiezen het zekere voor het onzekere.

Je kan ze geen ongelijk geven: ‘Bergen wiert door ’t aenruckende leger dadelick opgeloopen, ende, daer men byna geen tegenweer conde bieden, terstont genomen. Den meerderen deel der inwoonders wierden doodt gesmeten; tot vrauwen ende kinderen toe, vielen ten prooy van ’t sweert.’

De vluchtende soldaten hebben nogal wat oorlogsbuit moeten achterlaten en dat valt nu in de schoot van de Franse schobbejakken. Er volgt opnieuw een lange uiteenzetting van oorlogsmisdaden. Alleen de kerk van Sint-Winoksbergen en van Sint-Pieters en het klooster van de Predikheren ontsnappen aan het vuur. Ook Veurnambacht deel weer in de brokken. Niemand kan het zich veroorloven om in zijn huis te blijven.

De mensen maken dat ze weg zijn voor de rovende Fransen. Ze vluchten in de bossen of in het riet aan de Moerekanten waar ze al eerder schuilplaatsen hebben gebouwd. Nu Bergen ingenomen is, stevenen de Fransen nu op naar Broekburg. Het bevel komt van de koning. ‘Hy belegerde dese stadt, in welcke er vele Engelschen waren, ende dede vier schieten de op huysen. Dese waren meest alle met stroey gedeckt, daer door verbrande den meerderen deel der stadt.’ De aftocht van de Engelsen gaat nog via Grevelingen en Cales.

De Franse soldaten weigeren nog te vechten omdat ze nog altijd wachten op hun soldij en zo kunnen de meeste Engelsen veilig beginnen aan hun overtocht naar hun thuisland. Het spel van de bisschop is uitgespeeld. De Engelsen zijn buitengezet uit Vlaanderen. De winter kondigt zich aan en de mannen mogen terugkeren naar hun heimat. De bewoners van de Westhoek kunnen opgelucht adem halen. Ze keren terug uit hun schuilplaatsen in de bossen en vanuit het riet aan de Moeren en gaan weer wonen op het land dat ze kennen. Als ze al iets achtergelaten hebben, dat is er helemaal niet meer terug te vinden bij aankomst. De helft van de mensen heeft de bloedige periode trouwens niet eens overleefd. De meesten zijn vermoord, maar velen zijn ook gestorven van ellende.

Ook de inwoners van Veurne vatten nieuwe moed op. Er zit weinig anders op. De vernielde vestingen worden zo goed en zo kwaad mogelijk hersteld. Engeland en Frankrijk zijn de oorlog grondig beu. Je zou voor minder. In Lelinghem, ergens tussen Cales en Boulogne, komen de delegaties overeen om alvast tot aan Sint-Michielsdag 1384 niet meer te vechten. Ook de Gentenaars verbinden zich er toe om niet meer te vechten. De hele periode van de onderhandelingen is er nauwelijks sprake van de graaf van Vlaanderen die nu blijkbaar, zeer tegen zijn zin, als het vijfde wiel aan de wagen beschouwd wordt. Lang trekt Lodewijk van Male het echter niet meer.

Een uit de hand gelopen discussie met de hertog van Berry ligt aan de basis van zijn dood. De graaf beweert bij hoog en bij laag dat de hertog van Berry hem manschap moet doen voor wat betreft het graafschap van Boulogne omdat dit in vroegere tijden onderdeel uitmaakte van Vlaanderen. Er komt ruzie van en uiteindelijk plaatst die van Berry zijn dolk in de borststreek van de graaf. Op 30 januari 1384 sterft Lodewijk. Zijn lichaam wordt met de nodige pracht en praal begraven in de Sint-Pieterskerk van Rijsel.

‘Lowys van Male liet alleenelick eene wettelicke dochter, Margriete genaemt, echter, welcke getrouwd was met Philips van Valois, hertogh van Bourgondien.’ De nieuwe sterke man van het graafschap Vlaanderen is nu Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië. De schoonzoon van de vermoorde graaf. De magistraten van de stad en de kasselrij van Veurne trekken naar hem toe om hun eed van getrouwheid af te leggen. Ze vragen hem vergiffenis voor al die jaren dat ze ongehoorzaam geweest zijn tegen zijn overleden schoonvader. Jammer genoeg waren ze daartoe gedwongen onder zware druk van Filips van Artevelde na diens overwinning op Brugge. De nieuwe graaf heeft ervoor gekozen om een meer diplomatieke koers te varen en schenkt de Veurnenaars al hun vrijheden en privileges terug.

En hoe gaat het nu verder met de Gentenaars? De vijandelijkheden tegen iedereen die graafsgezind is, blijven opflakkeren. Dat zal de heer van Escornay wel geweten hebben. Zijn goederen worden geplunderd en vernield en dat leidt tot een revanche met de inname van de stad Oudenaarde. Onderhandelingen met de hertog met opnieuw de Engelsen die zich zouden durven bemoeien. Maar dan!

‘Door tusschenspreecken van vele treffelicke lieden, is er eyndelinge vrede gemaeckt tussschen den hertogh van Bourgondien ende de Gentenaers. Desen wiert tot Doornijcke op den 18n December 1385 by den hertogh ende de hertoginne, door de gemachtichde van ’t magistraet, dekens vande neeringen ende ’t gemeente van Gent, mitsgaders de middelaers ende de staten van Vlaenderen geteekent ende besegelt. Den vermelen oorloge hadde seven jaren gedeurt, de doodt veroorsaeckt van meer dan van twee hondert duysent menschen ende de verwoestinge van gansch Vlaenderen te wege gebrocht.’ De af en toe macabere Gentse jaren van Veurnambacht zijn eindelijk afgelopen.