De geschiedenis van Watou

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     1501 Views     Leave your thoughts  

De eerste beginselen aller dingen zijn met duisternis omgeven. Eene zaak treft maar de aandacht, wanneer zij in hare wording en ontwikkeling tot op zekeren trap gevorderd is, en wanneer het al niet meer doenlijk is de kiem dier zaak zelve na te gaan.

In de geschiedenis van landen en steden, zoowel als in die van volkeren en instellingen, kan men die waarheid ondervinden, en ziet men zich wel gedwongen, hetzij door vergelijking, hetzij door redeneering, naar vasten grond te trachten. Waar eene stad of gemeente ontstaan is, wijst zichzelf; niet echter hoe, noch waarom zij tot stand kwam. Uit de vergelijking met hetgeen op andere plaatsen, en op gelijke tijdvakken, gebeurde, kan men tot eene gegronde onderstelling komen, die meer en meer steun zal krijgen, naarmate feiten en omstandigheden aan die van andere plaatsen, bij toetsing en heredeneering, eenen schijn van waarheid verkrijgen.

Eer wij dus met de eigenlijke geschiedenis der gemeente Watou naar behooren kunnen aanvangen, is het wel onmisbaar eerst eenen blik te slaan op de wijzen van grondverdeeling en grondbezit in eenen tijd toen er van het bestaan dier gemeente nog geene spraak wezen kon, dit wil zeggen, tijdens of kort na de Romeinsche overheersching in onze gewesten.

Er wordt algemeen, naar Fransche werken, die over toestanden uit het oude Gallië handelen, verkondigd en in alle leerboeken van geschiedenis voor oogen gebracht, hoe de Franken, die Gallië aan de macht dor Romeinen ontweldigden, het overwonnen, hunne eigene staatsinrichting invoerden, kortom het leenroerig stelsel in de plaats der vroegere politieke landverdeeling stelden. Ten onrechte wordt het invoeren der feodaliteit in de Vlaamsche gewesten ook dienzelfden tijd aangeschreven, alsof onze voorouders Galliërs touden geweest zijn, in de plaats van Franken en stamgenooten der overwinnaars zooals zij metterdaad waren.

Dat de feodale inrichting hier te lande reeds bestond nog vóór zij in Gallië werd ingevoerd, lijdt geen twijfel. In dien eersten tijd der leenroerigheid waren gronden en landgoederen in drie soorten verdeeld. Het grootste getal daarvan bestond uit allodiale gronden (francs-alleux), lijnde de vrije erven der huisgezinnen; een ander deel waren beneficiaire landen en een nog minder deel behoorde tot de verpande of tributaire gronden. Buiten dat bestonden er nog veel gronden, meest bosschen, heiden, moerlanden,enz,, die geen vaste gebruikers noch bezitters hadden, en waarover het de vorsten des lands heel gemakkelijk viel naar hun goeddunken te beschikken.

Ten gevolge der overwinningen door de Franken in Gallië behaald, werden alzoo vele en uitgestrekte domeinen aan krijgslieden, hoogambtenaren en personen van belang weggeschonken, mits voorwaarde van getrouwheid en vaste hulpvaardigheid ten opzichte van den vorst, die er over beschikt had.

Zulke eigendommen, waar eene verplichting jegens de overheid mede gepaard ging, noemde men leenen en uit de betrekkingen tusschen leenheeren en leenhouders is het geheele stelsel der leenroerigheid, met al zijne latere verwikkelingen, tot stand gekomen, niet in eenmaal of op eenige jaren tijds, zooals het in sommige staatsomwentelingen gebeurt, maar stuksgewijze, hier wat vroeger en daar wat later, zoodanig dat het wel meer dan eene of twee eeuwen moet geduurd hebben, eer de zaak een vasten vorm en een algemeen erkend gezag verkregen had.

Ook in ons land heeft het leenstelsel al vroeg aanleiding gegeven tot het vormen van heerlijkheden, baronnijen, graafschappen, enz., die uit malkander gesproten zijn om redenen van gezag of van maatschappelijk belang. Somtijds werden zelfs heerlijkheden rechtstreeks tot stand gebracht met een enkel oogwit van betere uitbating der landerijen : zulks was het geval met de heerlijkheid van het Hofland in Reninghe.

In 1065, schonk Boudewijn, graaf van Vlaanderen en Henegouwen, aan de abdij van Hasnon een hof met land en lage gronden in Reninghe (i). In 1464, ter oorzaak van den grooten afstand tusschen Hasnon en Reninghe om dezen eigendom te benuttigen, zette abt Laurentius, met de toestemming van het couvent, als leen, deze landen en gronden over aan Joannes Colin, heer van Houts-Amhacht, met vermogen van hoog, middel en laag gerecht, het benoemen van baljuw, amman en zeven schepenen, mits eene betaling van 10 pond parisis Vlaamsche munt, voor iedere leenverhefting, eene jaar jaarlijksche grondrente van 60 pond parisis, gelijk geld, en telken jare, bij hun bezoek, aan den abt en zijne medebroeders den kost te geven.

De heerlijkheid van het Hofland kwam alzoo tot stand en werd eene brank der Generaliteit van de acht parochiën. Uitgestrekte domeinen gingen over en werden bezeten door gezaghebbende mannen, die bij hunnen doopnaam dien van de streek aannamen : Philippc de le Douve, Gerardus van Crombcke, Jan van Stavele, enz.

Deze bouwden kastelen, die versterkingsplaatsen waren, In de nabijheid werden hutten of huizekens in leem, gedekt met riet of strooi, opgericht voor de werkende bevolking, die zich ten dienste van den heer stelde om de omhouwing der bosschen, het ontginnen en beploegen der landen te verrichten. Men noemde deze werkende bevolking de laten.

Voor de bewoners van het kasteel en deze die in den omtrek gevestigd waren, werd eene kapel opgericht. Een verdrag met den bisschop voorzag in de geestelijke behoeften door het zenden van een kapelaan. Dit al was last van den heer.

Naarmate de bevolking aangroeide, werden de kapellen door kerken vervangen en de leemen huizekens, met nieuw opgerichte woningen, dienden voor de verzamelde bevolking van een dorp.
Het hier aangehaalde geeft een klaar denkbeeld van eenen staat van zaken, die in de XVde eeuw nog niet veel veranderd was sedert de tijden van graaf Boudewijn.

Een band, die voorzeker van groote en weldoende beteekenis voor de betrekkingen tusschen de veelal vijandige leenheeren moet geweest zijn, lag in de meerdere eenheid, die ten gevolge van het ontstaan der parochiën, en naderhand, der burgerlijke instellingen, tot stand kwam tusschen gebieden van zeer uiteenloopenden aard. Ook de bescherming van het allodiale of familiebezit moest er veel bij winnen.

Een groep dorpen, of ambachten, vormde samen eene soort van graafschap, dat den naam van kasselrij verkreeg, toen een der landgraven zich den titel van Graaf van Vlaanderen had weten te verwerven en tevens het gebied was gaan voeren over de gewestelijke graven, die van dan af als kasteleins in aanmerking kwamen.

De streek, waarin Watou gelegen was, droeg voor eerst gekenden naam, de kasselrij van Cassel. Zij is daarna overgegaan, tot aan de Fransche omwenteling, aan de kasselrij van Veurne, die de stad Veurne tot hoofdplaats erkende.

Deze kasselrij bestond uit twee afdeelingen, te weten ;

A. Veurne-Ambacht,

B. de Generaliteit van de acht parochiën.

A. Veurne-Ambacht bevatte de plaatsen en dorpen, die in den onmiddellijken omtrok van Veurne en om zoo te zeggen in dagelijksche betrekkingen met die stad waren. Zij bestonden in 42 ammanien of dorpen verdeeld in twee vierscharen;

De Noordvierschaar, samengesteld uit twintig dorpen of plaatsen:
Oostduinkerke, — Ramscapelle, — Sint-Joris, — Pervyse, — Eggewaertscapelle, — Avecapelle, — Steenkerke, — Wulpen, — Boitshoucke, — Beoosterpoort, — ‘s Heer-Willemscapelle, — Leysele, — Isenberghe, — Wulveringhem, — Houthem, — Bulscamp, — Adinkerke, – Bewesterpoort, — Ste Walburga, — Coxyde;

De Zuidvierschaar, begrijpende de volgende twee en twintig dorpen:
Haringhe, hebbende voor bijvoegsel Rousbrugge, — Proven, — Stavele, — Crombeke, — Westvleteren, — Oostvleteren, — Reninghe, — Beveren, — Ghyverinchove – Hoogstaede, — Pollinchove, — Loo, — Caeskerke, Stuivekenskerke, — Oostkerke, — Oudecapclle, — Lampernisse, — Zoutenaye, — Alveringhcm, — S’-Ricquiers, — Oeren, — Vinchem.

Veurne-Ambacht, niet inbegrepen de vier steden, had eene oppervlakte van 77.355 gemeten 35 roeden, waarvan 36.527 gemeten 171 roeden voor de Noordvierschaar cn 40.827 gemeten 264 roeden voor de Zuidvierschaar.

Veurne-Ambacht was de afhankelijkheid van den koning, of anders gezegd, stond onder de heerschappij der graven van Vlaanderen, die voor het bestuur der streek landsheeren aanstelden.
Veurne-Ambacht begreep twee landstreken : de eene aan zee, de andere in ‘t binnenland.

De eerste bestond in de lage gronden of polderlanden, vrij van houtgewas, de tweede in de hooge gronden of houtlanden, diede bosschen uitmaakten. Vandaar de benamingen hunner bewoners, die in blootenaars en houtlanders onderscheiden worden. De laatsten hebben een voorhistorisch bestaan gehad, de anderen hebben slechts bezit van de streek genomen, naarmate de overwinning van deze gronden is geschied en door ‘t werk van den mensch bij middel van dammen, vaarten en andere kunstwerken in veiligheid is gebracht geweest. De nieuwe landen gaven de vruchten en beestialen in overvloed, de andere verschaften de houtgewassen.

B. De Generaliteit van de acht parochiën, spleten en branken. Deze was samengesteld:
1° uit de volgende gemeenten : Elverdinghe, — Vlamertinghe, — Watou, — Noord- en Zuidschote, — Reninghelst, — Locre, — Woesten ;
2° uit de negen vereenigde branken: ‘t Vrije van de abdij van Meesen te Elsendamme,— de heerlijkheid der Noorden Zuidvierschaar te Crombeke, — ‘t Zwynlandt (Oost en West), — Coppernolle onder Poperinghe, — ‘t Hof der Templiers te Westvleteren, — Eversam en Dieperzeele, toebehoorende aan de abdij van Eversam, — het Couthof – het vrije Laetschip in Reninghe, – en het Hofland binnen dezelfde gemeente.

Aan deze werden bijgevoegd, als vergoeding voor het algestane grondgebied van Watou : Westouter en Vleminchove.
3° uit de vijf afgezonderde branken, alzoo genoemd omdat zij van de Acht Parochieën gescheiden zijn ten noorden van den Yser, Noordover.

Het Vrije van rijsel te Caeskerke en Niewcapelle – de heerlijkheid of het leen van Nieuw-Capelle – het Vrije van St.-Omaers in de gemeenten Alveringhem, Lampernisse en Pollinchove -Het Vrije van Cassel, genaamd Hofland onder Oost- en Westvleteren, – Het leen of de splete van Bercle ol Ste-Catherine-Capelle onder Pervyse.

In tegenstelling met hetgeen in Veurne-Ambacht geschiedde, waren het de bezitters der heerlijkheden en leenen, die, ten gevolge van hunne rechten op de gronden het vermogen hadden om het bestuur te handhaven en tot de benoeming van de regeerders en al de mannen van de wet over te gaan. Deze beide afdeelingen hadden elk een afzonderlijk bestuur.

WATOU.

Den naam der gemeente, die men heden als Watou spelt, vindt men in de latijnsche oorkonden der middeleeuwen veelal als Watna; soms ook, in Fransche en Vlaamsche schriften zal men, om de beurt, Wateewe, Watewe, Watuwe en Watue aantreffen. Zelfs nog in 1760 treft men de spelwijzen Watoue cn Watoe aan, die sedert het begin der XIXe eeuw algemeen door de schrijfwijze Watou vervangen zijn.

Om het eerste ontstaan van ecne stad of gemeente na te speuren, wordt veelal in plaatselijke geschiedenissen en monographieën getracht naar het vinden van de beteekenis van den naam der behandelde plaats. Dat het er gewoonlijk wild op los gaat, en dat men de ongelooflijkste etymologieën te pas brengt, is van algemeene bekendheid, alsook dat de uitslagen van zulk een pogen doorgaans nietig zijn. Wij zullen die klip mijden en maar enkel gewag maken van de opvolgende onderstellingen die, wegens het ontstaan van Watou, in het licht gebracht werden.

Naar de meening van Gramaye, meldt Sanderus dat de naam van Watou door de Batavieren zou gegeven zijn geweest en dat deze parochie een zeer groot gebied van Vlaanderen zou uitgemaakt hebben. Volgens Lanssens, die meer tot de moderne gedachten genaderd was, heeft Watou zijnen naam ontleend aan water en ouw of gouw en gau, hetgeen land beteekent. Alzoo zou Watou eene waterstreek aanduiden. Tot staving dier meening meldt hij, dat aldaar, tot de elfde eeuw, zeer veel stilstaande waterpoelen bestonden, in welke de slangen krioelden.

Wij lezen in de volledige werken van Raepsaet, dat in 895 het bisdom van Therenburg, bijgevolg onze streek, bewoond was door eene wilde en barbaarsche bevolking, en ook nog dat de omstreken van Watou, door een buitengewoon groot getal serpenten, onveilig werden gemaakt.

In een uittreksel van de tiendenverpachting voor den ontbloot van 1792, om eene ligging aan te toonen, wordt de benaming van ‘Snaeckhouck’ gegeven.
Wij hebben ook ‘t bestaan van moerassen tegengekomen in een afschrift van leenverheffing der Douvie, deze van 19 Juli 1415, door Jacobus Braem, schildknaap, van wege zijne vrouw Jehanne t’ Zaedelaers, komende van edelen heer monseigneur de Fiens.

Dit wordt beschreven als zijnde : ‘un lief gisans en la paroisse de Watou contenant en changles, prées, boies, mares et terres ahanables.’

Emiel Van den Bussche, gewezen staatsarchivaris te Brugge, die zich ook tusschenin met het verklaren van dorpsnamen onledig gehouden heeft, rangschikt Watou in de klas van de plaatsnamen die aan alle ontleding en verklaring ontsnappen.

Wij zullen op den naamoorsprong van Watou niet verder ingaan, en liever de grenzen dier gemeente in oogenschouw nemen.

Een grondplan van 26 december 1713 geeft de volgende afpaling.

Dit is het plein van de prochie van Watou, welcke prochie haar separeert van suyden op de straete, die lopt van den Abeele naar Steen voorde jeghens de prochie van Bousschepe, Godewaersvelde ende Steenvoorde, het welcke een gescheet is: van westen op eene groote becque jeghens de prochien Steenvoorde, Winnezeele ende Houtkercke, het welcke oock een seer precys gescheet is;

van noorden jeghens de prochjen van Haerynghe ende Proven op een kleyn waterlopken; item jeghens t’ Couthof op een onseeker gescheet; item van oosten t’selve Coulhof, het Zwynlandt ende Jurisdictie van Poperinghe, op een onseeker gescheet; soo verre datter alreede, ter canse van t’ selve gescheet, processen syn en de noch staen te commen.

De omringende kastelnijen waren : Yperen, Belle, Cassel, Bergen St-Winnoc en Veurne, waarvan het deel uitmaakte.

Watou is wat meer dan dertig kilometers van de zee afgelegen, Deze plaats zal wel zeker eene der eerste geweest zijn alwaar de bevolking zich neergezet heeft om zich aan het beboeren der landen over te geven. Hierin mag men waarschijnelijk de oorzaak vinden dat vele adelstammen er hunnen oorsprong gehad of hun verblijf genomen hebben.

Op ons verzoek, heeft Dr’ D. Van Hove, repetitor aan de Hoogeschool te Gent, een onderzoek gedaan naar den ondergrond van Watou. Zijn verslag is berustend in ‘t gemeentearchief aldaar.
Deze streek heeft een klei- en leemgrond, ‘t opperste van de Ypresiaansche laag is middelmatig aan ‘t merkcijfer 45, de dorpplaats aan 15. De ondergrond zou kunnen gevonden zijn op 105 a 130 meters diepte. Het is niet te vermoeden, dat er steenkool te vinden is.

De oppergronden zijn niet zeer doordringbaar voor het water. Wanneer aldaar en op de bergkanten veel regen valt, kan de Warandebeek in twee uren tijds tot op de plaats komen en overstrooming veroorzaken. Dit is ook het geval met de Heybeek.

Watou behoorde tot de Generaliteit der acht parochiën van welke zij gansch afgesneden was, om een omsluitend grondgebied uit te maken.
Dewijl de gemeente Watou, wier lotgevallen wij zullen beschrijven, nooit meer dan eene landelijke gemeente geworden is, waar het leenroerig element van in de vroege middeleeuwen tot aan de Fransche omwenteling altijd op den voorgrond gestaan heeft, en al de opvolgende gebeurtenissen om zoo te zeggen doorworsteld heeft, is er ook geen twijfel of het ontstaan der gemeente moet geplaatst worden in de eerste tijden van hot feodale tijdvak (600-800).

Watou was met de leengoederen, die allengskens op zijn gebied tot stand kwamen, eerst eene onderhoorigheid van het stadje, dat nu eens als Castellum Morinorum, dan weer als Casfellum Morinorum aangeboekt werd, namelijk Cassel, waarvan het ambacht of volgland eene enclave had die het eigen Watou bevatte.

Derhalve hingen de bijzonderste en oudste leenen van Cassel af. De gerechtsberoepen waren te Cassel uitgesproken. De bestuurs- en handelsbetrekkingen bestonden met de bevolking van het Oosten, Zuiden en Westen maar geenszins met die van het Noorden.

Watou had eene uitgestrektheid van 6500 gemeten, waarvan 6000 gemeten winnende land en 500 gemeten bosch. Bij het verdrag tusschen den koning van Frankrijk en keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk, in date van 18 november 1779, zijn 1918 gemeten, 166 roeden grondgebied naar Frankrijk overgegaan. Deze oppervlakte kwam voornamelijk voort van de heerlijkheden van Beauvoorde en het Graafschap.

Ingevolge dit verdrag geschiedde eene afzwering die wij verhaald vinden in de kroniek van Gratiaan Vervot van Steenvoorde:

‘Den 14 juni 1780 heeft eene plechtigheid plaats gegrepen in de kerk van Watou, voor ‘t keeren van dezen hoek, door den Intendent van Ryssel, verbeeldende den Koning van Vrankrijk en den officier van Oostenryk. Van den eenen kant was de afname en van den anderen kant de belofte van getrouwigheid aan Vrankryk. Dit geschiede in de tegenwoordigheid der wet van Watou en door ‘t leggen van de handen op ‘t evangelie. De tolbureelen zyn slechts veranderd op 4 juli 1781.’

Dit afgestaan grondgebied droeg voortaan de benaming van katon ‘Watou-Fransch’ en ging over tot de kasselrij van Cassel, doch bleef bestuurlijk verbonden met Watou. Menige vergaderingen der Vier Wetten melden de tegenwoordigheid der schepenen van Watou-Fransch. Zooals wij verhalen in het hoofdstuk der heerlijkheden, bleef de graaf van Watou het recht behouden om de schepenen te benoemen. De erflijkheid van het baljuw- en griffierschap bleef insgelijks bestaan. Dit nieuw bestuur deed geschillen ontstaan, met het gof van Cassel, nopens de belastiungend en de bestuursbewerking.

Bestuurlijk is dit grondgebied in volle wezenlijkheid overgegaan aan Steeznvoorde, in 1795, na de overwinning van ons land door Frankrijk. De afpaling is geschied ingevolge een traktaat gesloten te Kortrijk den 28 maart 1820, tusschen Frankrijk en de Nederlanden. Uit deze blijkt de volgende grensvaststelling:

Tusschen Watou en Houtkerke, beginnen aan de monding der Moenaertbeke in de Heybeke, volgt de grens den as van dezen waterloop op bijna 280 meters van den Steendam tot den waterloop, die Houtkerke van Winnezeele scheidt, gaat voort met de Heybeke tot de monding der Hazewindbeke, gemeenschapspunt van Winnezeele, Steenvoorde en Watou;

verder zelfde Heybeke tot de haag der weide van Louis De Poers, alwaar een paalsteen op den boord der beek geplant is ; volgt deze haag tot de Warandedreef, behoudt den as van deze dreef om zich zuid-oost te richten tot de weide van Aimé Lardeur, alwaar -een tweede paalsteen geplant is ; loopt 98 meters langs de Warande en van daar volgt de haag eener weide tot de Schietelstraat en het land van Jan Beheydt, alwaar de derde paal geplant is ; om van daar in rechte richting te loopen tot de Warandebeke, waar de vierde paal zich bevindt; volgt dan deze beek tot het midden der Callecanesstraat, waar gemelde beek doorloopt, dit zijnde een natuurlijke paal;

volgt deze straat tot den weg van Poperinghe naar Steenvoorde aan de herberg genaamd Callecanes, dienende voor natuurlijke paal; van deze kruisstraat volgt den weg Poperinghe-Steenvoorde oostwaarts tot de brug, scheidende Godewaersvelde van Boeschepe, van hier volgt den as van den steenweg tot den Abeele, keert de Kruisstraat loopende naar Boeschepe, volgt deze straat tot het gemeen punt der drie gemeenten Boeschepe, Poperinghe en Watou.

De bestuurstukken, met schetskaarten hiertoe betrekkelijk, berusten in het gemeentehuis. In evenredigheid van het getal strijders in den slag bij Cassel, op 23 Augustus 1328, zou Watou alstoen eene bevolking van 1000 inwoners bezeten hebben.

Hij gelijke berekening waren er te Elverdinghe 25o, te Reninghe 265, te Rousbrugge 3oo, te Alveringhem 385 en te Beveren 400 inwoners.

Volgens optellingen was de bevolking, op 24 April 1688, van 1483 inwoners. Op 18 November 1697 bestonden er 1487, verdeeld in 287 mannen, 283 vrouwen, 75 groote jongens, 77 dochters, 305 kleine jongens, 269 meisjes, 98 dienstboden en 93 meiden; onder deze waren 190 landbouwers, 4 brouwers, 7 herbergiers, 4 molenaars, 1 procureur, 2 baljuws, 1 schoolmeester, 6 kleermakers, 8 renteniers, 2 winkeliers, 2 heelmeesters, 1 slachter, 7 sergeanten, 1 notaris, 122 werklieden, 1 snijder, 2 stoeldraaiers, 3 hoefsmeden, 5 timmerlieden, 1 kuiper, 2 wevers, 1 strooidekker.

Op 21 Juni 1811 bestonden 2359 inwoners en 484 huizen.

Tegenwoordig heeft de gemeente eene oppervlakte van 3123 hectaren, 74 aren, 89 centiaren; eene bevolking van 3775 inwoners verblijvende in 654 huizen.

Uit ‘De Geschiedenis van Watou’ L.A. Rubbrecht 1910

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>