De geuzentijd van Veurne

Ook Veurne krijgt af te rekenen met de geuzen en de beeldenstorm. De passage van Alva gaat ook hier niet onopgemerkt voorbij. Achteraf spuwt Vlaanderen de Spanjaarden uit en grijpt Willem van Oranje de macht. Veurne-Ambacht komt zo pardoes terecht tussen de Franse hugenoten en het Nederland-gezinde Vlaanderen. De Westhoek raakt verwikkeld in een hevige strijd tussen katholieken en protestanten. Vanuit hun bolwerk in Roesbrugge zaaien de malcontenten jarenlang terreur over de streek. Tot Veurne de Spanjaarden weer zal omarmen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Ik focus me op Veurne. Hoe verteert deze Westhoekstad – eiland tussen water en land – de verschrikkelijke geuzentijd tussen 1560 en 1600? Wie kan me dat beter vertellen dan Pauwel Heinderycx in zijn ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’? Ik sla deel drie open op het eerste kapittel met de betekenisvolle titel ‘Sedert het begin van de geuzerie tot dat de stad Veurne tegen de aanval van die sectarissen versterkt werd.’

De schrijver heeft het over de aanhangers van Luther en Calvijn die hij als sekteleden omschrijft. Heinderycx is overtuigd katholiek en laat regelmatig zijn afkeer voor de andersgelovigen merken. Ik kan jullie nu al vertellen dat hij zijn vooringenomenheid toch wel voor een flink stuk neutraliseert en dat hij zijn dagboeken op een vrij erudiete manier heeft geschreven. ‘Luther, Calvijn en veel andere heretiekers en hervormers van de roomse kerk hebben tijdens de jaren 1500 het christendom in vuur en vlam gezet. Met hun valse leerstelsels. De kronieken van Vlaanderen en de oude geschiedenisboeken staan er vol van. De alternatieve ideeën zijn op alle mogelijke manieren vanuit Nederland tot in Vlaanderen doorgedrongen.

Ondanks de dreiging met straffen en de strenge plakkaten die er worden uitgegeven. De inwoners van West-Vlaanderen zijn dan nog van de eersten om van het vergif van dat ‘hels serpent’ besmet te raken. Veel heeft te maken met de lakenhandel die hier in onze streek zowat de moeder van de werkgelegenheid is. Vooral de textielhandel met Engeland zorgt voor het binnensijpelen van het nieuw geloof hier bij ons in de Westhoek.

Edmond Ronse, de man die de handschriften van Heinderycx rond 1850 in boekvorm omtovert en uitgeeft, geeft hier en daar extra duiding. Ik kan zijn inmenging en aanvullende commentaar bijzonder appreciëren. Het is Ronse die dieper ingaat op het ontstaan van andere geloofsovertuigingen. De voorloper van het protestantisme luistert volgens hem naar de naam van Johan Wycleffe. Een pastoor in het stadje Lutterworth (district Leicestershire in het hartje van Engeland) die zich al in de 14de eeuw als geloofshervormer laat opmerken. Lutterworth-Luther, alsof het in de sterren geschreven stond!

Hij stelt de bijbel centraal. Priesters, bisschoppen en paus zijn daarbij niet nodig. Het gaat bij hen alleen maar om geld en macht. De wereldlijke macht die de paus zich toe-eigent is dikke zever en zijn systeem van aflaten afschrikwekkend. Dat de priesters in hun eucharistievieringen brood en wijn veranderen in het lichaam van Christus vindt Wycleffe al even grote bullshit. In 1382 krijgt hij de rekening gepresenteerd voor zijn aanval op de kerk. De doodstraf en de verbranding achteraf moeten zijn brutale ideeën voor eens en voor altijd uit de wereld helpen.

Dat gebeurt dus lekker niet. Een van Wycleffe’s studenten in Oxford zorgt er voor dat diens alternatieve denkpiste in Bohemen verzeild raakt en uiteindelijk tot bij de Praagse professor Johannes Hus belandt. Dat gebeurt rond het jaar 1410. Hus voegt er een denkbeeld aan toe: geloof moet gepredikt worden in de taal van het volk en dus helemaal niet in het Latijn. Ook hier loopt niks van een leien dakje. De weerstand tegen Hus en de discussies scheren hoge toppen. De geschriften van Johannes Hus worden in 1415 veroordeeld als zijnde ketters. De man blijft categoriek bij zijn overtuiging en stelt zich met een onvoorstelbare moed aan het hoofd van een nieuwe sekte om zijn blijde geloof verder te verkondigen.

Na zijn dood worden zijn ideeën overgenomen door nieuwe generaties predikers. Luther, Melanchton, Zwingel, Bucer, Calvijn en anderen. Vooral de naam van de theoloog Calvijn zal zorgen voor een doorbraak van de reformatie in de Nederlanden. Veurne zelf moet al in 1560 last hebben van deze nieuwe leer. In de stadsrekeningen van dit jaar wordt de executie van drie sekteleden vermeld. Ze worden ervan beschuldigd om oproermakers te zijn. De ketterij begint inderdaad in dat jaar serieuze vormen aan te nemen. De plebs en de ambachtslieden die meer en meer overtuigd raken van het calvinisme houden hun overtuiging in die beginjaren toch maar liever voor zichzelf. Uit angst voor represailles. Toch is er al sprake van nachtelijk vandalisme op heiligenbeelden die langs de wegen opgesteld staan. En ook de kapelletjes die in de bomen hangen worden afgeworpen.

‘Het fernijn van die leer drong dagelijks meer en meer door.’ Met dat prachtig authentiek Vlaams woord fernijn laat de oude Heinderycx het achterste van zijn tong zien. Hijzelf heeft een bloedhekel aan het calvinisme en hij laat dat ook te pas en te onpas merken. De ketters worden stouter met de dag. Tijdens een hoogmis te Nieuwkerke in 1561 durven ze het aan om zelf een alternatief sermoen te houden op de markt voor de kerk. ‘Het was de eerste heretiekse predicatie die in West-Vlaanderen in het openbaar gedaan is geweest!’ Rond die tijd is ook Wulvergem aan de beurt.

Op diezelfde manier vindt er op 12 juli 1562 een vertoning plaats in de parochie van Boeschepe. Juliaan Van Damme, een wever die hier geboren werd, geeft er tijdens een sermoen de nodige uitleg rond het godsdienststelsel van de gereformeerden. De leraren van het nieuw geloof worden achter de schermen stevig geruggensteund door machtige mensen. Ik noem ze van de eerste keer bij naam. De edelen en de grootgrondbezitters hebben er alle baat bij dat de kerken en de kloosters hun landerijen zouden moeten afstaan. Deze steun is natuurlijk verdoken. De wetenschap dat de prediker vergezeld wordt door een gewapende privémilitie die hem daarbij beschermt tegen de justitie spreekt boekdelen. Van Damme spreekt die 12de juli voor een grote menigte van inwoners uit de naburige gemeenten. Zijn toespraak is meteen een schot in de roos.

De schade die zijn sermoen daar in Boeschepe aan geloof en staat veroorzaakt is niet te overzien. Dat vertelt in elk geval Petrus Titelmans die in deze tijd aangesteld is als inquisiteur van het geloof. In een voetnoot kom ik te weten dat Titelmans feitelijk de deken van Ronse is en dat hij zich gaandeweg zal ontpoppen tot de meest geduchte vervolger van de gereformeerden in de Westhoek. Het duurt alvast niet lang voor hij een onderzoek instelt naar Juliaan Van Damme en naar allen die hem beschermd hebben. Ook zijn toehoorders worden gescreend.

Het vervolg laat zich raden. De soeverein-baljuw en de diverse baljuws van onze regio pakken heel veel mensen op. Ze worden conform de ernst van hun misdaden opgeknoopt, onthoofd, in brand gestoken of verbannen. De regen van straffen zorgt ervoor dat velen op de vlucht slaan naar andere oorden en dat diegenen die hier blijven zich voortaan verschansen achter een katholieke façade. Het komt er voor hen op neer om zich voorlopig uit de wind te zetten en te wachten op meer gepaste tijden om zich als calvinisten te outen.

Tot aan het einde van 1565 blijft het relatief rustig. De heresie is gedempt door de ongehoord repressieve aanpak van de overheid. De toestand blijft nochtans bijzonder explosief. Tot de koning van Spanje brieven stuurt naar onze landvoogdes Margaretha van Parma. Hij geeft haar de dwingende opdracht om de wetten van zijn vader – keizer Karel – in Vlaanderen beter en dwingender toe te passen. Ze moet hierbij rekening houden met de besluiten van het Vaticaanse concilie van Trente i.v.m. de aanpak van de heresie.

Keizer Karel is al heel vroeg in zijn carrière gekloot geweest door de alternatieve geloofsstelsels. In 1521 en in 1526 hadden hij in de Nederlanden al zware boetes voorzien voor personen die betrapt zouden worden met boeken van Luther, Zwingler, Melanchton of andere hervormers. Alleen katholieke godgeleerden mochten het hebben over de ‘heilige schrift’. Karel deed er in 1529, 1531, 1540 en 1550 nog extra schepjes bovenop maar algemeen vonden zijn nieuwe maatregelen tegen de ketterij geen steun bij de bevolking. Het kwam er op neer dat de mensen niet mochten praten met gereformeerden, die zeker niet thuis mochten ontvangen of hen op enige manier zouden helpen.

Zelf in nood mocht men hen niet verplegen. Wie zwoer bij de heresie riskeerde lijf en goed te verliezen. De protestanten die alsnog hun geloof opgaven mochten rekenen op de onthoofding met het zwaard. Vrouwen werden levend begraven. Wie niet wou afstappen van zijn geloof en hardnekkig bleef volharden moest verbrand worden. Het zijn die oude barbaarse reglementen van keizer Karel die onze landvoogdes nogal ruim interpreteert en op een zachtere manier doorsteekt aan al de magistraten van de Nederlanden. Tot ze er dus op gewezen wordt dat dit niet door de beugel kan.

Het strenger maken van de wetten zorgt voor veel geroezemoes en onrust bij het gemeen. Ook de adel wordt er door geïnfecteerd. Die verspreiden moedwillig het gerucht dat de koning van plan is om hier te lande de Spaanse inquisitie in te voeren. De bitterheid en de frustraties bij het gewoon volk spelen natuurlijk in hun kaart. Veel van die edelen zijn op dat moment mistevreden over de uitgebreide macht die kardinaal Granvelle (Antoon Perenot, de bisschop van Arras en later aartsbisschop van Mechelen) zich toe-eigent op het hele beleid van de Nederlanden. Ze kunnen er niet mee leven dat de adel hierbij niet veel meer voorstelt dan het schoothondje te wezen van deze dictatoriale kardinaal. Rond 1566 rijpt het plan bij de adelstand om zich te verzetten tegen Granvelle. De al te repressieve aanpak van de andersgelovigen geldt daarvoor als een perfect alibi.

Dat verzet manifesteert zich bij een officieel bezoek van de hertog van Egmont aan de koning van Spanje. Hij verzoekt Filips II om wat toegeeflijker te zijn. Bij zijn terugkomst in het land wordt er tijdens een algemene vergadering door de bisschoppen en de rechtsgeleerden besloten om de strenge maatregelen toch maar met een korreltje zou te nemen. In december 1565 laat Filips II weten dat hier geen sprake kan van zijn en dat de Nederlanders en de Vlamingen streng de oude wetten van zijn vader moeten toepassen. De edelen te lande reageren hierop zoals gezegd met een genootschap. Ze zullen zich in groep verzetten tegen de oprichting van het hof van geloofsonderzoek. De beruchte inquisitie.

De heretiekers en hun predikers die tussen 1562 en 1565 op de vlucht waren geslagen naar Engeland, Duitsland of Genève zien het natuurlijk graag gebeuren dat ze de steun krijgen van de adel. Ze keren massaal naar de Nederlanden terug. De Vlamingen die zich de voorbije jaren koest hebben gehouden klitten weer samen met de teruggekeerde andersgelovigen en voor de overheid het goed beseft worden er al weer sermoenen gehouden. De nieuwe religie zet hier nu helemaal voet aan de grond. Dat gebeurt het eerst in Nederland zelf. Vrij kort al na de afkondiging van het verbond van de edelen tegen de invoering van de inquisitie. Hier in de Westhoek predikt men het eerst bij de kapel aan de Vijfwegen, in de buurt van Roesbrugge. Niet lang daarna duikt Sebastiaan Matte, een hoedenmaker uit Ieper op in Roesbrugge om er minister te spelen.

De andersgelovigen benoemen hun predikers als ministers en dus gaat minister Matte zijn rol opeisen. Hij houdt zijn eerste sermoen tijdens de nacht van 26 mei 1566. Op een open veld in de nabijheid van het klooster. Erg gerust zijn de toehoorders er nog niet in. Terwijl Sebastiaan Matte het beste van zichzelf geeft valt er een of andere pipo uit een boom nadat hij er in geklommen was om de spreker beter te kunnen zien. Het gedruis en lawaai van zijn buiteling zorgt voor grote paniek bij de massa. ‘De baljuw is daar met zijn volk. Help. Redde wie zich redden kan.’ De Westhoekers slaan allemaal op de vlucht en laten een ongetwijfeld verbouwereerde Matte alleen achter.

Een van de voornaamste ministers van de nieuwgezinden is ongetwijfeld Carolus Daneel. Zeg maar Karel Daneel. Een man die lange tijd monnik geweest is in het klooster van de predikheren te Ieper en daar geruime tijd undercover is gebleven als zijnde aanhanger van de nieuwe godsdienst. Nu probeert hij de gereformeerde religie met kennis van zaken te verkondigen voor een groot publiek. Hij concentreert zijn preken aanvankelijk op een locatie ergens centraal tussen Nieuwkerke, Niepkerke en Steenwerck, genaamd ‘Boelaards-bomen’. Maar later duikt hij zowat overal op.

Zijn baas, de prior van de minderbroeders krijgt natuurlijk onder zijn voeten. Ik overdrijf misschien, maar daar zal het ongetwijfeld op neerkomen. Die kan dus moeilijk anders dan op zijn beurt een brief te schrijven aan zijn dissidente broeder. 4 juli 1566. Een vriendelijk schrijven waarbij hij op zachtmoedige wijze vraagt waar hij als baas dan gefaald heeft met zijn geloof en patati en patata en of hij een antwoord van hem mag verwachten. Daneels schrijft inderdaad terug. Een brief gevuld met bitterheid, laster en kwade vloeken.

De heretiekers houden zich in geen geval in. Het verbond dat de edelen hebben gesmeed en de massa van hun aanhangers maakt hen overmoedig. Ze preken waar ze willen en negeren daarbij de justitie alsof die lucht is. Klanten winnen is niet moeilijk. De ministers zwaaien met de wetenschap dat de mensen helemaal geen biecht meer moeten ondergaan om bevrijd te worden van hun zonden. De jaarboeken van Veurne hebben het over de afschaffing van de ‘oorbiecht’, een naar mijn mening geniaal woord. Volgens de geuzen kan vergiffenis ook zonder oorbiecht. Daarbij verfoeien ze de vasten en de maagdelijke staat van het kloosterleven. De paus is kop van jut. Samen met zijn bende bisschoppen en prelaten. Ze zijn alleen maar uit op rijkdom en het bezit van zoveel mogelijk aardse goederen.

De koning laten ze met rust. Ze willen zich absoluut geen imago van oproerigen op de hals halen. Hun lokale besturen krijgen de boodschap dat ze niemand schade willen berokkenen en dat ze altijd bereid zijn om eventuele vernielingen tijdens de preken te vergoeden aan de eigenaar van de weide. De toehoorders, zeg maar de gewone man en vrouw van het land, voelen zich emotioneel gepakt door die nieuwe boodschap. ‘Luister maar’, zeggen ze tijdens de herhaalde sermoenen, ‘deze predikant leert ons het ware evangelie, hij wenst niemand schade toe en hij preekt vooral niet voor eigen profijt zoals de katholieke pastoors dat natuurlijk wel doen.’ En nogal veel van dergelijke ‘clappernien’, het oude Vlaams van de Veurnse geschriften kronkelt zich een pittige weg door het landschap van lang vergeten juweeltjes van woorden en uitdrukkingen.

Terwijl ik wat dromerig denk aan mijn verdwenen taal, blijken de protestantse ministers helemaal niet zo onschuldig als ze zich voordoen. Ze hebben zich meester gemaakt van de ziel van de massa en gaan die nu ook gebruiken voor hun eigen doeleinden. Ik laat even de handschriften aan het woord: ‘ze gingen prediken op al de parochies van onze kasselrij. Ze trokken er naartoe met een grote hoop gewapend volk. Van zodra ze er arriveerden stapten ze de kerken binnen. Ze wierpen de beelden en de altaren omver. Dat waren toch maar afgoden. Ze beroofden de kerken van al de ornamenten en versieringen.’

‘Ze bedreven schromelijke sacrilegiën, zeg maar kerkroof. Ze spaarden niets. Kelken, cibories en andere gewijde kerkgoederen verdeelden ze onder elkaar. Uit de missalen scheurden ze de requiemmissen en de gebeden die men voor de overledenen leest. De altaarstenen werden afgeworpen in hun zoektocht naar de duivelse zaken en de tovertrucs die volgens hen eronder verborgen lagen. Het enige wat ze vonden waren relikwieën van dode heiligen en andere gewijde zaken die de bisschop daar steevast deponeerde bij het wijden van de altaren.’

‘Het kastje waar de heilige olie in rust, en die ze de smoutpot noemden zochten ze begerig op. En wanneer ze die uiteindelijk vonden goten ze die olie eruit en ze wreven daarmee hun schoenen in. Het zilveren kastje hielden ze voor zichzelf. De geuzen hebben geen enkele kerk in de hele kasselrij gespaard. Wat voor een goddeloosheid werd er toch gepleegd.’ Pauwel Heinderycx sakkert er op los. ‘En het vernielen van de godshuizen was niet voldoende voor de bruutzakken. Ook de kloosterlingen werden lastig gevallen. Hun boeken werden vernietigd. Eerst kwam het klooster van Eversam aan de beurt waar de hele bibliotheek vernield werd. Een deel van de werken werd overgeleverd als prooi voor de vlammen, de rest werd gescheurd of gestolen.’

‘Ze waren van plan om hetzelfde te doen in het klooster van Sint-Niklaas te Veurne. Gelukkig waren de beste boeken tijdig op een geheime plaats verstopt. De boeken en schriften van de bibliotheek van de klooster van Lo kregen hetzelfde lot toebedeeld als die van Eversam. De monniken hier hadden eveneens hun voorzorgen genomen en de belangrijkste boeken in de grond begraven. Achteraf bleken die echter bedorven door het grondwater en het vocht van de aarde. Ook de bib van Ter Duinen in Koksijde werd aangevallen. Hier bevond zich wellicht de meest vermaarde verzameling boeken van heel Vlaanderen. Schone en zeldzame werken, vooral handschriften op perkament. Teksten die onder andere nog geschreven waren in de tijd van Sint-Bernardus in de jaren 1100.’

Uitgever Ronse komt in een voetnoot af met een getuigenis van de razernij. In het cartularium van Ratallez staat het als volgt geschreven;

Negen dagen na de oogst, ’s avonds om zes ure, fel

gingen de geuzen van Roesbrugge, zonder treuren en snel

naar Krombeke, en wierpen de beelden uit de kerken zoet,

en hebben ze verbrand, spijts de paus, prins en klerken wroet.

In Vlaanderenland, ten half oogste, op onze lieve vrouwe dag

was het dat men de christen religie zeer benauwd zag.

‘De geuzen vielen er op neer als een bende razende en boze duivels. Scheurden, vernielden, verbrandden wat ze vonden aan boeken. Gelukkig dat een belangrijk deel van de schat aan boek veilig verstopt zodat die niet in hun handen viel.’ De magistratuur van Veurne en Veurne-Ambacht staat er bij en kijkt er naar hoe de kasselrij er van langs krijgt en hoe de geestelijken verjaagd worden. De heel Westhoek loopt vol van rovers die zich onder de vleugels van de heretiekers verschuilen terwijl ze overal te lande massaal en in grote bendes diefstallen plegen.

De Veurnse wetsheren doen wat ze kunnen. Ze smeken herhaaldelijk om assistentie bij de hertogin van Parma, de landvoogdes van de Nederlanden en bij graaf van Egmont, de gouverneur van Vlaanderen. Maar er volgt amper een reactie van hun kant. De geuzen nemen nu de stad Veurne zelf in het vizier. Op 1 augustus 1566 komen ze met tweeduizend man afgezakt buiten de stadsmuren. Ze zijn goed voorzien van wapens. Vechtmateriaal van alle soort en slag. Het geuzenleger staat onder leiding van Jan Denys, een man afkomstig van eigen streek. Van Woesten. Denys heeft zich opgewerkt tot de belangrijkste kapitein van de West-Vlaamse geuzen. In zijn gezelschap bevinden zich twee predikanten. Ieperling Sebastiaan Matte en Gilles du Mont van Armentières.

De heretiekers sturen enkele afgezanten naar het stadsmagistraat met de vraag om te mogen binnengelaten worden. ‘Wij komen als vrienden’, beweren ze. Die ‘ze’ zijn Maillart, Charles van Drincham, Antheunis de Wale en een of andere Hondschotenaar. De schepenen antwoorden gevat dat vrienden elkaar niet bezoeken met wapens bij zich. ‘Ja maar’, repliceren de vier delegatieleden, ‘we dragen geen wapens om jullie kwaad te doen, we doen dit enkel om onszelf te beschermen omdat veel lieden ons niet toelaten om het woord van God te verspreiden.’ Hier in Veurne zijn ze natuurlijk niet van gisteren. Het is uitgesloten dat de geuzen op die manier hier voet aan de grond zullen zetten.

De kans om Veurne binnen te geraken vliegt dus aan hun neus voorbij. Via het naast de stad gelegen klooster van Sint-Niklaas stappen ze nu naar het blauwhuis. Dat ligt op zowat een kwartier stappen van de stadsmuren. ‘Alwaar predicatie werd gehouden.’ Kwestie van de mannen te motiveren. Oefeningen van religie om nadien het leger in verscheidene groepen op te splitsen. De pelotons vertrekken nu richting Diksmuide, Lo, Hondschote en Poperinge. Een deel van de manschappen blijft rondzwerven in de buurt van Veurne. Tot de poorten er weer opengaan en ze in groep dan toch de stad doortrekken. Gelukkig gaat dat zonder rellen. De burgers van Veurne lopen in elk geval verontrust in de wapens. De passage van de geuzen verloopt gelukkig zonder noemenswaardige problemen.

Het stadsbestuur vreest dat de problemen alleen maar groter zullen worden. Op 3 augustus 1566 vertrekt Nikolaas Blanckaert, de burgemeester van de commune naar het hof van Vlaanderen om daar advies in te winnen bij de graaf van Egmont. Veurne moet in elk geval bijgestaan worden. Tijdens zijn afwezigheid houden enkele spionnen nauwgezet de activiteiten van de geuzen in de gaten, zodat op zijn minst kan ingegrepen worden in het geval de potjes dan toch zouden overkoken. De stadsrekeningen van die dagen laten hun licht schijnen over die spionagepraktijken. Broeder Joos van Steelant houdt de toestand in de gaten te Ieper. Jan Knockaert infiltreert binnen de bende te Hondschote en is er bij wanneer de beelden er worden stukgegooid. Jan Halewijn gebaart van schoppenaas terwijl hij zich als een eersterangs andersgelovige mengt in een vergadering te Brugge. Karel Colaert reist rond tussen Belle en Poperinge en gebruikt ogen en oren om goed op de hoogte te blijven van de samenzweringen die de mannen van de nieuwe religie daar allemaal aan het smeden zijn.

Wie het goed kan zeggen heeft altijd al een streepje voor gehad in de geschiedenis. Dat is zeker ook het geval met Sebastiaan Matte. Hij doet dienst als minister van Hondschote. In het gezelschap van een hele bende volk reist hij daar door de kasselrij waar hij preekt dat de brokken in het rond vliegen. Hij heeft het met zijn schwung, naturel en enthousiasme over de calvinistische godsdienst en slaagt er wonderwel in om de landmannen en -vrouwen te doen afstappen van de oude christelijke dogma’s. De schwung waar ik het over heb staat in de jaarboeken omschreven als; ‘deze minister was zeer welsprekend en had zijn tong wel ontboden. Hij was feitelijk een grote hypocriet terwijl hij zijn toehoorders verfoeide omwille van hun kwade manieren, hun diefte, overspel, zweren en vloeken en ruzie maken. Op die manier bedroog hij het volk en wist hij hen tot zijn manier van denken te overhalen.’

Op 15 augustus houdt Sebastiaan Matte een van zijn beruchte sermoenen te Lo. Hij wordt nu al gevolgd door tweeduizend mannen van de streek. Het merendeel is in het bezit van wapens. De manifestatie gaat door in open veld waar de psalmen door de lucht galmen en gieren. Het bestuur van de kasselrij van Veurne is zich heel goed bewust van wat er zich hier afspeelt. Matte staat ondertussen al bekend als de voornaamste geuzenaanvoerder in de Westhoek. Veurne stuurt een delegatie op hem af om de minister te interpelleren over wat hij allemaal aan het uitrichten is.

Jonkheer Roeland van Zegerscappel, een landhouder van de wet en griffier Gilles Blomme zijn bepaald scherp met hun vragen. ‘Weet hij wel dat zijn mensen zijn speechen gebruiken om dan achteraf kerken binnen te vallen? Beseft Matte wel dat hij die grote menigte mensen inspireert om beelden te breken, kelken, cibories en andere kostelijkheden te stelen en de geestelijken te beroven?’ Ze verzoeken hem met aandrang om zijn gezag te gebruiken dat dit niet meer zou gebeuren en dat hij zijn mensen rustig moet houden. Ze dienen de gestolen goederen terug te bezorgen en daar moet hij voor zorgen.

Matte speelt natuurlijk de vermoorde onschuld. Het breken van de beelden en het beroven van de kerken gebeurt natuurlijk tegen zijn wil en staat trouwens haaks op de leer en de godsdienst die hij predikt. Dat is allemaal het werk van ‘kwaad volk’ die zich onder zijn toehoorders mengt en de reformatie gebruikt als alibi voor die baldadigheden. ‘Ik wil niemand schade berokkenen’ fulmineert Matte, ‘maar jullie mogen het gerust weten, mijn aanhang zal in de toekomst alleen maar groeien.’

De 17de augustus komen de geuzen nog een keer opdagen in Veurne. ‘Visite in Veurne’ lijkt me een leuke titel voor een of andere roman of kroniek, maar het plaatje hier en nu oogt helemaal niet zo idyllisch. Zeshonderd wel bewapende heretiekers staat te azen om binnengelaten te worden in de stad. Een groot deel van hen ‘bespringt’ het klooster van Sint-Niklaas vlakbij de stadsmuren. ‘Hetgeen ze beroofden van alles dat hun gedienstig zou kunnen zijn’. De rest van de bende valt Veurne zelf binnen. Van gesloten poorten is er vreemd genoeg geen sprake. De geuzen hier staan onder leiding van een zekere Ollevier, een timmerman uit Brugge. De mannen zijn van plan om alles wat ook maar enigszins naar afgoderij ruikt te vernietigen. Ze hebben het natuurlijk over de heiligenbeelden.

Twee dagen voordien hebben ze in Ieper al een enorme ravage aangericht. Een oude kroniek getuigt van de dramatische taferelen daar. ‘De 15de augustus geschiedde er een schromelijke destructie door de calvinistische beeldenstormers die in de stad binnengelaten werden door enkele nieuwgezinden. Ze hebben al de beelden gebroken en het zilver van de altaren weggenomen. Ze hebben al de boeken verbrand en ze plunderden de kerken en de kloosters. De huizen van de kanunniken en veel burgerwoningen werden vernield terwijl ze veel gewijde nonnen en religieuzen schoffeerden.’

De aanvoerder heeft nu niet meteen een geruststellende naam hier in Veurne. Ollevier komt hier nu alles in vuur en vlam zetten. Mijn gedachtegang ontspoort even. Ik blok mijn teveel aan creativiteit af en focus me opnieuw op de feiten van 17 augustus 1566. De schrijver keert even terug in de tijd. Ollevier is nog op komst. Het stadsbestuur ziet de bui al hangen en gaat hem tegemoet in een poging om zijn goddeloos voornemen te beletten. Ze zijn er nu al zeker van dat zijn komst zal leiden tot de inbraak in kerken. Precies zoals dat gebeurd is in Ieper.

‘Wat zijn jullie hier van plan?’ vragen ze aan de Bruggeling die net klaar staat om samen met zijn volk door de stadspoort binnen te trappelen. ‘Onze minister heeft ons bevolen de afgodenbeelden te verwijderen’, reageert Ollevier. ‘Dat hebben wij al gedaan’, stellen de schepenen, ‘kom even mee naar de Sint-Niklaaskerk’. Ze leiden een kleine delegatie van tien man naar de bewuste kerk waar ze zelf begonnen zijn met het verwijderen van beelden en schilderijen. ‘Oké’, reageren de geuzen, ‘jullie hebben precies acht dagen de tijd om alle kerken in Veurne te zuiveren van die heiligenbrol’. En zo vertrekt Ollevier terwijl hij het stadsbestuur wat respijt geeft.

De werkelijkheid ziet er natuurlijk niet uit zoals die zich hier voordoet. De kunstwerken zijn weggehaald om die te beschermen. En veel belang aan het vertrek van de geuzen moet er niet gegeven worden. Binnen Veurne zijn inderdaad al veel poorters ‘besmet’ door de nieuwe religie. Iets wat maakt dat de toegangspoorten zo lek als een zeef zijn en iedereen nu binnen kan wie dan wil. De hier volgende zin verwondert me dan ook geenszins: ‘tijdens de nacht die daar op volgde bleven een achttal beeldenstormers verscholen in de stad en die zijn ’s morgens in alle vroegte naar het klooster van de grauwe zusters (nu de penitenten) gestapt waar ze alle pogingen ondernamen om er binnen te geraken. Het gerucht van hun acties werd alras verspreid en ze werden er door de burgemeester van de commune verdreven.’

Bij hun terugweg kiezen de geuzen hun weg om door de Zuidpoort de stad te verlaten. Terwijl ze door de Zuidstraat laveren stellen ze tot hun aangename verrassing vast dat de poort van de Sint-Denijskerk wijd open staat. De schuld van de klokkenluider blijkt achteraf. Kort voordien was er een misviering doorgegaan op vraag van een katholiek madammetje dat blijkbaar pas bevrucht was en nu bij God wilde forceren dat die zou zorgen voor een flinke baby. De calvinistische schurken moeten alvast de toegang tot de kerk niet forceren en krijgen er de vrije toegang.

‘Dadelijk hebben ze de tafels van het hoog altaar neergesmeten. Net zoals de andere altaren. Vervolgens wierpen ze de beelden en de sinten af, braken die in stukken en deden er andere grote goddeloosheden. Zonder dat de Veurnenaars hen dat beletten. Enkele leden van het magistraat en een deel verzamelde burgers maakten ten slotte een einde aan de vernielingen door de geuzen uit de stad te verdrijven zonder hen nochtans te durven vangen.’ De volgende veertien dagen zal het gebouw zeker niet meer kunnen dienen om er eucharistievieringen te laten doorgaan. Pas op 2 september start de kerk weer met een Lof en daarna schieten de missen weer op gang.

Bij het hof in Brussel kunnen ze niet lachen met het vandalisme in Veurne. Wat heeft hen hier bezield om een van hun kerken zo maar te laten beroven door een handvol crapuul? Eigen schuld, dikke bult. En waarom hebben ze de beeldenstormers niet opgepakt en berecht zoals dat hoorde? De wacht wordt in elk geval flink opgedreven. Het magistraat vordert nu noodgedwongen alle burgers op om getrouwheid te zweren. ‘Trouw aan de koning, de opperhoofden van de stad en aan onze moeder de heilige kerk.’

Er wordt een lijst opgesteld van gezworen mannen die bekwaam zijn om wapens te dragen. Met zijn vierhonderd zijn ze, een mengelmoes van ambachtslieden en ander jong volk die nu de stad van verder onheil zal beschermen. Bij het magistraat zelf worden enkele hoofdmannen geselecteerd. Die krijgen elk een deel burgerwachten onder hun bevel, elk met een aantal locaties die voortaan zullen moeten bewaakt worden. Van zodra de klokken alarm slaan moeten ze zich haasten naar hun toegewezen plaatsen. Wie dat niet doet mag zich aan een ferme boete verwachten.

De toestand in Veurne-Ambacht is tegen die tijd al te omschrijven als precair. De heretiekers richten overal te lande grote malheuren aan. Hun voornaamste doelwitten zijn kerken en kloosters en de plekken waar een vleugje katholiek geloof kan worden opgesnoven. De woningen van de priesters bijvoorbeeld. Honderd Veurnenaars worden in allerijl naar de kasselrij gestuurd om er bijstand te verlenen en de roofpartijen waar mogelijk te verijdelen. De hulptroepen worden ingedeeld in drie groepen onder de leiding van hoogbaljuw Louis de Loueuse, de landhouder van de commune, William van Coornhuse en de stedehouder van de baljuw Joris Mattaert.

Ik mag zeggen wat ik wil maar de bestuurders van Veurne spelen het spel correct. Nog voor ze zullen ingrijpen op het platteland gaan ze nog even op bezoek naar Hondschote. Die ‘ze’ zijn keurheer Martin Pierin en meester Gilles Blomme. Een meeting bij Sebastiaan Matte. Die gaat door op 20 augustus. De minister wordt van de Veurnse plannen op de hoogte gebracht. ‘Er komen grote problemen van als Matte zijn geloofsgenoten niet kan overtuigen om zich vreedzaam te gedragen. De geuzen mogen niemand schade berokkenen en moeten dringend ophouden met het beroven van geestelijken.’ Ze eisen een document van Sebastiaan dat hij zijn gezellen aan de justitie zal overleveren als ze zich niet kalm houden.

‘Jullie moeten zich niet inhouden’, reageert Matte. ‘Wie rooft en kwaad doet mogen jullie gerust oppakken en berechten.’ Maar hij verzoekt wel om het eigen volk van zijn stad Hondschote aan hem persoonlijk uit te leveren en niet aan het gerecht.’ Hier zullen we zelf de nodige correcties doen die we willen. Ik wens er zelf aan mee te werken zodat er goede en verstandige vonnissen zullen worden uitgesproken.’ In één adem vertelt hij er bij dat er geen sprake kan zijn van terdoodveroordelingen. Vermaningen moeten volstaan. De eigen boosdoeners moeten met sermoenen op het rechte pad gebracht worden. Conform de leer van de ‘Heilige Schrifture’.

De volgende dag begint de razzia doorheen de kasselrij van Veurne-Ambacht. De streek wordt in betrekkelijk korte tijd gezuiverd. Hier en daar wordt een schurk opgepakt en de rest wordt verdreven. De geuzen van hun kant zijn ondertussen absoluut niet tevreden met de manier waarop ze aangepakt worden. Vooral de wetenschap dat hun ministers niet meer mogen en kunnen preken vinden ze een brug te ver. Jan Denys, een zeer krachtdadig en oproerig man uit Roesbrugge, krijgt de opdracht om een eigen militie uit te bouwen met het doel om de ministers en hun aanhang beter te beschermen. Blijkbaar is dat niet zo moeilijk. De inwoners ter plekke outen zich massaal als calvinisten en zijn bereid om hun geloof met hand en tand te verdedigen. Zo wordt een leger uitgebouwd met jonge mannen van Roesbrugge tot Hondschote. Het eerste officiële leger van de andersgelovigen in de Nederlanden.

De officiële instanties van Veurne-Ambacht brengen de graaf van Egmont stante pede op de hoogte van de bewapening van de geuzen en verzoeken hem om gepaste maatregelen te treffen. Ik moet er nog bij vertellen dat vooral de lokale edelen in de Westhoek zorgen voor de financiering van het geuzenleger. Hoe meer de abdijen bloeden, hoe meer er opportuniteiten te verwachten zijn. De wetenschap dat ze de gewone mensen voor hun kar spannen maakt me misselijk. Vooral de wetenschap dat ze zonder scrupules misbruik maken van het alternatief geloof stoot me voor de borst. De mensen opnaaien met opstandige gevoelens en die nog financieren ook. Adel en plebs verbinden hun lot aan elkaar. ‘En zo vermeerderde het getal van hun aanhangers dagelijks. In zover dat de hertogin van Parma begon te vrezen voor een algemene oproer.’

De hertogin besluit om zich wat toleranter op te stellen. Na advies van de voornaamste heren van het land besluit ze de vrije uitoefening van de religie alsnog toe te laten en de inquisitie af te schaffen. Zolang de mensen zich niet zouden opstellen tegen de koning en zijn wetten. En vooral dat ze een einde zouden maken aan het bederf en de roofpartijen in kerken, kloosters en kapellen en dat ze zouden meehelpen met het straffen van beeldenstormers en kerkbrekers. Het spreekt vanzelf dat ook de geestelijken met rust moeten worden gelaten. Calvinisten mogen preken maar dan niet op plekken waar er voordien katholieke diensten werden gegeven. En verder mag niemand zich bij dergelijke bijeenkomsten wapenen en wanorde veroorzaken.

Op 29 augustus 1566 ontvangen die van Veurne en Veurne-Ambacht enkele brieven van Egmont waarbij de beslissingen van Margaretha van Parma uit de doeken worden gedaan. Met daarbij zijn verzoek om die officieel te verkondigen. Het nieuws zorgt voor grote blijdschap onder de geuzen. Gezanten van stad en kasselrij haasten zich tot bij de ministers om hen plaatsen aan te wijzen waar preken mogen plaatsvinden en waar de geuzen hun eigen tempels mogen bouwen.

De geuzen verliezen in elk geval geen tijd om van de voordelen van de nieuwe wet te profiteren. Ze beginnen aan de bouw van een tempel op de parochie van Sint-Rijkers. Op een locatie niet ver van de herberg ‘Het Haentje’. In de buurt van café ‘De Hagedoorn’ te Roesbrugge komt er ook een godshuis. Verder nog een in Elverdinge en enkele andere in de ‘Acht Parochies’. Pauwel Heinderycx verwondert zich over de snelheid waarbij de nodige fondsen worden ingezameld om al die gebouwen neer te poten. Het geld wordt opgehaald tijdens de sermoenen. De eigen aanhang zou zijn laatste stuiver uitgeven om hun religie vooruit te helpen. ‘Zo groot was de hardnekkigheid van de geuzen.’ Hoeveel de edelen bijdragen is koffiedik kijken.

‘Ondertussen begonnen de ministers overal het officie van pastoor te bedienen, dopende de nieuwgeboren kinderen, de huwelijken doende en begravende de doden.’ De katholieke priesters staan er bij en kijken er naar. Hoe hadden ze ooit kunnen denken dat hun onaantastbaar statuut, een cadeau van de paus nota bene, zo zou kunnen gaan wankelen? Hun wrok tegenover de nieuwgezinden zal groot zijn. Maar hetzelfde mag echter ook gezegd worden van de calvinisten. In plaats van zich te beperken tot de uitoefening van hun eigen religie, blijven sommigen zich hardnekkig revancheren op de katholieken. Dwaze kortzichtigheid is het. De geuzen vragen werkelijk om problemen.

Lees maar: ‘ondanks het feit dat de leiders van de geconfedereerden geaccepteerd hadden dat de geuzen niet langer beelden mochten breken en dat dit desnoods met geweld zou belet worden, liepen er nog veel naar de kerken op zoek naar overblijvende heiligenbeelden. En ze wierpen die in stukken. Ja, de minister zelf, genaamd Pieter Haezaert, waagde het om op 10 september 1566 aan het hoofd van tweehonderd man naar Veurne te komen en dan te gaan preken in Wulpen. Dat werd hem echter geweigerd en toen vonden ze er niet beter op dan zich tussen Veurne en Wulpen uit te leven aan kerkbraak en sacrilegie. Op dezelfde tijd werden er grote inbraken gepleegd door kwade inwoners in de kerken van Houthem, Izenberge, Wulveringem, Vinkem en de andere parochies van de kasselrij. Het klooster en de kerk van Eversam werden eveneens verwoest en gebroken door een bende kerkbrekers onder de leiding van Jacques Mormentin van Roesbrugge.’ Die laatste wordt door de schrijver getypeerd als een grote booswicht.

De maatregelen die Veurne neemt worden stipt gebrieft aan Egmont de gouverneur van Vlaanderen. Ze klagen steen en been dat de geuzen zich niet aan de afspraken houden die de geconfedereerde heren gemaakt hebben met mevrouw van Parma. De graaf reageert door enkele leiders van de calvinisten bij zich te roepen. ‘Als jullie niet ophouden met het beroven van kerken dan zal ik me verplicht zien om de vrije uitoefening van het alternatief geloof weer in te trekken.’ De magistraten in Veurne krijgen de opdracht om beeldenstormers en kerkbrekers zonder pardon op te pakken en hen conform de plakkaten te berechten. Van dan af aan gaan de geuzen zich wat gedeisder opstellen.

De Westhoek krijgt het bezoek van een zekere pater Willem. Een augustijner monnik met pij en al. Afkomstig van het Nederlandse Dordrecht. Niemand die deze man ook maar enigszins verdenkt van heresie. Tot hij zijn monnikenkleren afwerpt en zich gaat profileren als een volleerde calvinistische prediker. Zijn outing gebeurt op 18 augustus 1566. Willem wordt prompt verkozen tot minister van de geuzen. Zijn eerste sermoen houdt hij in Elverdinge waar een grote toeloop van volk ontstaat. Van daar gaat de Hollander naar Mesen, Poperinge en andere plaatsen waar hij het vergif van zijn nieuw geloof nieuw leven inblaast. In oktober 1566 wordt hij aangesteld als minister van Roesbrugge waar hij ook gaat logeren.

De geuzen zien in pater Willem een wijze, verstandige en ijverige man. Onder zijn impuls wordt de tempel van Hagedoorn opgetrokken. Rechtover de Groenestraat, eventjes buiten de kern van Roesbrugge. Hij krijgt hulp van zowat overal. Bomen en andere bouwmaterialen. Tijdens zijn preken slaagt Willem er in om geld in te zamelen zodat de constructie vlot kan worden gefinancierd. De schrijver vindt de bouw op niet te veel trekken. ‘De gezeide tempel was zeer slecht gemaakt en leek meer op een grote schuur.’ Maar de geuzenpater stoort er zich niet aan. Hier houdt hij zijn diensten. Doopt en trouwt hij de bewoners en begraaft hij hun doden. Zijn sermoenen trekken veel volk uit de ruime buurt. In de schuur galmt gedurig het geluid van de psalmen. ‘In de velden, bossen, op de wagens, schepen, molens en in de winkels hoorde men voortdurend dat zingen van die psalmen. En zulks gebeurde zonder dat de uitoefenaars daar grote devotie bij betoonden.’

Eind september 1566 is de rust op het platteland teruggekeerd. De geuzen houden zich nu aan hun woord. De rovers en de landlopers zijn weggetrokken. De 26ste worden de honderd man die de kasselrij moesten bewaken ontslagen van hun taak. Het magistraat vindt hun aanwezigheid niet langer nodig. De stadhouder krijgt nu een groepje van twaalf mannen bij zich om de kasselrij in de gaten te houden en om eventuele misdadigers gevangen te nemen. Dat gebeurt zoals gezegd in opdracht van Egmont.

Het duurt niet zo lang vooraleer justitie zijn hand kan leggen op vier beeldenstormers. De belangrijkste onder hen is een zekere Renaut Ringot die de aanvoerder bleek geweest te zijn van een bende van tien kerkbrekers. Op 2 oktober wordt Ringot te Veurne opgeknoopt. De berechting van de andere drie loopt minder van een leien dakje. Jan Bonvoisin, Jan Maes en Ghislain Baillie wachten op hun proces. Eerstgenoemde Bonvoisin is goed bevriend met de bekende minister Gilles du Mont die zich de laatste tijd vooral manifesteert in Poperinge. Du Mont die de brutale ophanging van Ringot heeft moeten vaststellen, leeft met de vrees dat zijn spitsbroeder Jan Bonvoisin het zelfde lot zal moeten ondergaan. Hij heeft per slot van rekening identieke daden gepleegd.

De minister van Poperinge stookt de ministers van de Westhoek op om op alle mogelijke manieren te lobbyen bij de wetsheren van Veurne zodat die de vergrijpen van zijn boezemvriend door de vingers zouden willen zien. Diplomatie op zijn best natuurlijk. Twee gezanten vertrekken naar Veurne. ‘Ze verzochten op zijn vriendelijkst dat het magistraat van Veurne-Ambacht hun vrienden terug in vrijheid zouden willen zetten en ze gebruikten daarbij veel schone en beleefde woorden.’ ‘Daarvoor hebben we in elk geval de toestemming nodig van het hof te Brussel’, kaatsen de schepenen van Veurne de bal terug. De gezanten druipen noodgedwongen af. Even later komen ze op hun stappen terug. Als jullie onze mensen niet vrij laten zullen we die met geweld zelf uit de gevangenis komen bevrijden. De diplomatie heeft plaats geruimd voor stoere taal. De bedreigingen vliegen door de lucht. Al de kerken van de stad zullen bij deze gelegenheid geplunderd worden en de stadsmagistraten zullen allemaal individueel een lesje krijgen.

De schrik zit er dik in te Veurne. De bedreigingen zijn reëel en dienen ernstig genomen te worden. Vooral de wetenschap dat het geweld vanuit Hondschote zal komen baart hen zorgen. ‘Dit was het voornaamste en meest heretieke nest van heel Vlaanderen. Bewoond door meer dan vierentwintigduizend grote mensen, zonder de kinderen meegerekend. En dat door de fabricatie van de saainijverheid die er geweldig floreerde. Van al dat volk dat deze activiteiten uitoefende was het merendeel met ketterij besmet. Hun ministers deden dagelijks hun best om de Hondschotenaars op te ruien tegen de heilige kerk en tegen de koning.’

Veurne zou wel eens kwalijk kunnen besprongen worden. Ze hebben geen garnizoen ter plekke om de stad te beschermen en veel van de eigen burgers zijn ook niet te vertrouwen omdat die ook al geïntoxiceerd zijn door dat dwaas nieuw geloof. Het bijvoegsel ‘dwaas’ neem ik gratuit over van schrijver Heinderycx. Ik zelf zou er anno 2017 voor wat mij betreft eveneens het woord ‘nieuw’ weglaten. Maar goed; ik weiger beslist om schoonmoeder te spelen over de geschiedenis en laat Pauwel zijn rol verder spelen zoals dat hoort en zoals hij dat ook met overtuiging doet. Zijn jaarboeken zijn gevuld met precieuze details waar ik dankbaar gebruik van maak.

De magistraten hier gooien het over een andere boeg. Waarom zouden ze zich niet transparant opstellen rond de rechtsgang van de beklaagden. Er vertrekt een brief naar Hondschote met de nodige details van de verhoren. Ze moeten daar echt wel beseffen dat Jan Bonvoisin en zijn kompanen wel degelijk beeldenstormers zijn en dat ze zelfs nog andere misdaden op hun kerfstok hebben. Allemaal criminele feiten die haaks staan op de plakkaten van de koning en zeker in strijd zijn met de wet.

De ministers in Hondschote buigen zich over de brief en de aangehechte bewijsstukken. Ze besluiten om een retoursbrief te sturen. Opgesteld in het Frans maar de schrijver is zo vriendelijk om die in het Vlaams over te zetten. Ik ben benieuwd naar hetgeen ze hebben neergeschreven. Het komt er op neer dat de ministers zeker zelf geen opdracht hebben gegeven om beelden te breken en dat zij zich bedroefd voelen voor al hetgeen er werd uitgericht. Het enige wat ze in Hondschote willen, is zich zelf te mogen buigen over het lot van Bonvoisin.

Er wordt nogal wat gezwaaid met de naam van God en met het geestelijk zwaard van meneer de paus. Ook de steun die ze genieten van de edelen te lande word nog eens fijntjes aangehaald. Uiteindelijk komt de warrige brief tot de kern van de zaak. Een smeekbede om genade is het. Want Jan Bonvoisin is helemaal geen vechter en geen twistmaker maar integendeel een vreedzaam man. Getekend de Mont. Ik vertel er nog bij dat het verzoek van vrijlating van de twee anderen eveneens gevraagd wordt.

De wetsheren in Veurne zouden eerlijk gezegd niets liever willen doen dat de gevangenen op vrije voeten te stellen. Ze vrezen het geweld van die van Hondschote. Aan de kant vrezen ze zich de verontwaardiging van het hof van Brussel op de hals te halen. En dus besluiten ze om hun gevangenen niet vrij te laten maar om die nog strikter te bewaken. Het duurt niet al te lang voordat in Hondschote de beslissing valt om de dreigementen effectief te gaan uitvoeren.

Wat me nu toch imponeert, het mag dan wel 450 geleden zijn, is het revolutionair karakter en de massa van het volk dat zich op geen tijd gaat scharen achter zijn protestantse leiders. Om hun ontwerp te kunnen uitvoeren werden alle gereformeerden uitgenodigd om op 7 oktober naar Roesbrugge te komen. Wel voorzien van wapens want er staat iets belangrijk op het programma. En dan. ‘Amper te geloven welke menigte van volk er uit Hondschote, Poperinge, Belle, Nieuwkerke, uit Cassel-Ambacht, uit het land van La Leu (de Leiekant) en van alle andere gewesten daar naartoe liep.’

De massa heeft maar één bedoeling. Veurne een lesje geven. Deze kwalijke stad moet veroverd en geplunderd worden. Zijn dat dan die vrome gelovigen? Ik krijg al direct antwoord op mijn bemerking. Tussen de menigte bevinden zich nogal wat landlopers, rovers en kwaad volk die natuurlijk van de partij zijn om hun graantje van de buit mee te pikken. De magistraten van Veurne hebben ondertussen al weet gekregen van de samenscholing in Roesbrugge. ‘We gaan dus bezoek krijgen.’ Het wordt hoog tijd om de stad extra te beschermen. ‘Ze bevolen aan al hun inwoners dat ze zich om 13 uur moesten komen aanmelden voor het stadhuis. Voorzien van wapens, elk onder zijn hoofdman. Op het ogenblik waarop de alarmklok zou klingelen moesten ze zich dan haasten naar de vestingen zoals het bevolen was, op pene van zware straffen voor wie in gebreke zou blijven.’

Er worden nog meer maatregelen getroffen. De inzet van de bestaande burgerij zal niet volstaan om de stad tegen een dergelijke bende geuzen te beschermen. Een bende die naar verluidt nog altijd aan het groeien is. Ze roepen de hulp in van kapitein Berry die met zijn garnizoen voor Lo ligt. Om 23 uur arriveert Berry. Drie uur later worden de poorten van Veurne hermetisch gesloten. In Roesbrugge stijgt de agitatie al de hele dag. Voor een deel van de rebellen gaat het allemaal niet snel genoeg. In de nabijgelegen parochie Beveren aan de Ijzer dringen ze het nonnenklooster binnen. Wat volgt is natuurlijk de traditionele plundering en een kwalijke behandeling van de nonnen.

Enkele geuzen focussen zich op de abdij van Eversam waar ze alles meenemen waar ze goesting in hebben. ‘Tot die benden naar Roesbrugge terugkeerden. En toen er besloten werd de stad Veurne zonder uitstel te bespringen, de gevangenen te verlossen, mitsgaders te doen plunderen, de huizen, de kerken te roven en de beelden te vernietigen. Daarom zijn ze ’s anderendaags, wezende de 8ste oktober, ’s morgens om vier uur met grote furie naar Veurne getrokken. Met omtrent de vierduizend man die zeer wel voorzien waren van wapenen.’

Het zal er gaan spannen. De jaarboeken vertellen het gebeuren best boeiend en ik zie niet in waarom ik hun relaas zou moeten bijkleuren. ‘Kapitein Berry en zijn volk, gelijk ook de burgers waren al in de wapens. Een deel van de weerspannige geuzen begon al direct met de aanval; de barrieren en de poorten met ladders beklimmende net zoals de muren van de stad. Terwijl anderen hevig vuurden met hun musketten. Maar kapitein Berry en zijn manschappen manifesteerden zich natuurlijk ook. Ze verweerden zich prima en schoten hevig terug. Zo dat er aan beide zijden enkele doden en gekwetsten te betreuren vielen. Zo zijn de geuzen kloekmoedig afgeweerd en gedwongen geweest om te vertrekken. Dat gebeurde met een uitnemende blijdschap van de inwoners en met een grote schande voor de geuzen die zo hun lichtvaardig voornemen in rook zagen verdwijnen.’

De aanval op Veurne is dus effectief op een fiasco uitgedraaid voor de Hondschotenaars. Dat betekent niet dat de rust in en om de stad nu terugkeert. Zowat elke dag wordt er mee gedreigd om terug te keren en een nieuwe aanval te lanceren. Dit keer met nog meer volk en met grof geschut om de stadsmuren aan flarden te schieten. Er moet dringend extra bescherming komen. Een eskadron soldaten onder leiding van de heer van Lysques verhuist van Sint-Winoksbergen naar Veurne. Een groep Veurnenaars reist naar Brugge en het Brugse Vrije waar ze op zoek gaan naar buskruit en lansen. Hun missie is succesvol: twee ton buspoeder en vijftig pieken en ook het aanbod om Veurne waar nodig verder bij te staan.

Het Veurnse stadsbestuur stuurt naar mijnheer de la Cressonnière, de gouverneur van Grevelingen een alarmerend bericht over de explosieve stand van zaken hier. De dreiging om alsnog het pleit van de geuzen te verliezen blijft reëel. Kunnen ze geen twee tonnen buskruit lenen van hem? De gouverneur moet hen ontgoochelen omdat hij onvoldoende poeder in voorraad heeft. Dan maar polsen in Nieuwpoort en Ieper en andere steden waar er gekeken wordt om alle beschikbare poeder op te kopen. Het lood om kogels te gieten kan alvast aangeschaft worden bij de abt van Ter Duinen.

De stad van Hondschote is in het bezit van vier gietijzeren kanonnen. De geuzen hebben er hun begerig oog laten op vallen. Precies wat ze nodig hebben om hun plannen kracht bij te zetten. Cressonnière wordt er bij gehaald om te lobbyen bij het stadsbestuur en slaagt er in om het zwaar geschut naar Veurne zelf te verhuizen. ‘Die werden door tussenkomst van de landhouder en de keurheren van Veurne-Ambacht bij nacht gelicht en binnen Veurne gebracht op de 25ste oktober 1566, niet zonder perikelen voor diegenen die daar de opdracht voor hadden gekregen.’

Madame van Parma mag feitelijk wel wat meer doen dan brieven te sturen en de brave landvoogdes te spelen. Kan zij niet zorgen voor munitie? Het verzoek komt van het stadsbestuur en wordt niet lang daarna positief beantwoord. Er ligt wel wat voorhanden in het magazijn van de koning. In de stad van ‘Ter Veere’. Twee metalen kwartierslangen die elk een kilo ijzer kunnen afvuren. Twee halfslangen en twee van ijzer gesmede kwartierslangen. Samen met honderd kloten en twaalfhonderd pond buspoeder. Goosin Kellembergh, de verantwoordelijke voor het koninklijk geschut in Ter Veere vraagt enkel dat hij graag de niet afgevuurde munitie zou terugkrijgen als de problemen van de baan zijn.

De zelfverzekerdheid in Veurne groeit met de dag. Ze hebben de eerste aanval weten af te slaan en nu met die extra bewapening en munitie staan ze er nog beter voor. Het is nu kwestie van hier en daar kuis te houden bij de geuzen zelf. Er worden kleine patrouilles gevormd. Telkens een officier die vergezeld wordt van enkele soldaten. Ze gaan op zoek om oproerlingen te vangen. Mensen die zich gewaagd hebben om Veurne te bestormen, kerkbrekers, rovers die de kerken hier zijn binnengevallen. Wat is het toch dwaas geweest van de calvinisten om zich te vereenzelvigen met al dat driest geweld. Precies op het moment dat ze salonfähig geworden waren, met het recht om eigen tempels en erediensten te hebben. En nu hebben ze hun pas verworven status verprutst. De katholieke ingezetenen van Veurne beschikken nu wel degelijk over een alibi om hen aan te pakken.

De gevolgen voor de geuzen worden al in december 1566 duidelijk. De graaf van Egmont verbiedt hen expliciet om nog te dopen, huwelijken in te zegenen en begrafenissen uit te voeren. Prediken wordt nog altijd getolereerd. Net zoals het zingen van psalmen. Het verbod om nog sacramenten uit te voeren werkt in als een rode lap op het netvlies van een stier. ‘Ja de geuzen werden er nog vuriger door om de uitoefening van hun religie te plegen. Om hun gedachten ten uitvoer te kunnen brengen, besloten ze onder elkaar om geld in te zamelen en zelf soldaten aan te werven.’

‘Overal stelden ze commissarissen aan om de middelen te ontvangen die men daarvoor nodig had. De ministers wekten tijdens hun sermoenen het volk op om mild te zijn en geld te schenken dat gebruikt zou worden om hun religie en natuurlijk hun eigen lijven te beschermen. Het is niet zeggelijk welke grote sommen zij op die wijze gevonden hebben om hun opzet te realiseren.’ Jan Denys, een man geboren in Woesten en nu inwoner van Roesbrugge wordt als eerste kapitein van de gewestelijke geuzentroepen aangesteld. Hij is sowieso de eerste Vlaming die soldaten aanvoert in dienst van de heretiekers.

‘Overal waar hij kwam liet hij de trommels slaan en moedigde hij het volk aan om op te trekken met zijn bende, al uitroepende deze woorden; de gene die van goede wil zijn en de vurige ijver hebben om de wapens op te nemen ter verdediging van het evangelie, diegenen mogen zich laten opschrijven in de evangelische militie onder leiding van Jan Denys. Ze zullen een goed loon ontvangen voor hun geleverde prestaties.’ In de jaarboeken staat het woord evangelie met een hoofdletter geschreven. Geloof verdedigen met wapens en dan nog een hoofdletter opeisen. Het lijkt me van het goede te veel te zijn. Wat is het toch minnetjes van mensen om god en geloof als kapstok te gebruiken voor het plegen van idioot geweld.

Dit terzijde. Ik kon het even niet laten om mijn ongezouten mening te verkondigen. Dat is nou het leuke aan mijn kronieken. Verbazingwekkend toch hoe die oude geschiedenis precies een kopie is van hetgeen ik anno 2017 dagelijks zie en hoor in het journaal. Maar nu focus ik me weer op de gebeurtenissen van december 1566. Jan Denys gaat ongestoord verder met het ronselen van rekruten. Op de vraag waar hij die autoriteit vandaan haalt om zelf een leger te leiden, antwoordt hij steevast: ‘van de opperste koning van al de koningen. Om zijn evangelie te beschermen.’ Bah ja.

Op 21 december van 1566 sturen de autoriteiten van de kasselrij meester Nikolaas Spierinck naar het hof in Brussel om ze daar te informeren over de opbouw van het geuzenleger van Denys en over de moedwilligheden die de geuzen her en der hebben bedreven. Jan Denys loopt natuurlijk direct in de kijker van wie hem maar al te goed kan gebruiken. Zijn leger is amper op getalsterkte als hij van de heer van Brederode het bevel krijgt om op te trekken naar Valenciennes. Die Brederode is zowat de belangrijkste figuur van het verbond van de edelen. Voor wat Valenciennes betreft zal het hun taak zijn om die te ontzetten uit de handen van de katholieken. In een voetnoot legt Pauwel uit dat de inwoners van Valenciennes zeer genegen waren voor de heresie en absoluut geen koninklijk garnizoen wilden aanvaarden, waardoor ze als weerspannigen aan de kroon verklaard werden. Vandaar die belegering door deze koninklijke troepen dus.

Ze starten hun campagne op kerstmis 1566. De eerste stopplaats van Denys en zijn mannen is Tourcoing waar ze dienen te wachten op milities van de Leiekant, het land van Laleu. ‘In alle parochies waar Jan Denys en zijn volk doorheen trokken, deden ze de oorlog jegens de pastoors en de geestelijke personen en ze beroofden hen van alles wat ze vonden.’ Op 27 december smelten de legers samen. De volgende etappe gaat nu richting Doornik waar ook de milities van ter plekke worden opgepikt. Onderweg naar Valenciennes gaat het echter grondig verkeerd. Ter hoogte van Wattrelos lopen ze in een hinderlaag en komen ze oog in oog te staan met het garnizoen van Rijsel dat hen holderdebolder op de vlucht doet slaan.

De gouvernante van de Nederlanden is de toestand ondertussen grondig beu. Ze heeft de alternatieve godsdienst op voorstel van de edelen gedoogd mits het naleven van enkele voorwaarden. De calvinisten hebben ondertussen op alle punten hun woord gebroken. De opbouw van een geuzenleger heeft de druppel doen overlopen. De andersgelovigen hebben zich in eigen voet geschoten. Van een gedoogbeleid kan er niet langer sprake zijn. De gereformeerde religie wordt met onmiddellijke gang van zaken verboden. De orders van mevrouw van Parma aan Egmont zijn nu wel dwingend.

‘De graaf van Egmont zond kort daarna aan de magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht een plakkaat waarbij alle geuzen nu als rebellen werden verklaard, met de last van hen te vervolgen en te berechten. Daarnaast was er nog het bevel van de graaf zelf om alles in het werk te stellen om de bevelen van mevrouw van Parma op te volgen en de sermoenen zo veel mogelijk te beletten.’ De magistraten van onze kasselrij geven instructies aan de landhouders Willem van Coornhuse, Roeland van Zegerscappel en aan meester Jan de Wilde. Op 4 februari van 1567 moet er opgetreden worden in Roesbrugge.

‘Ze dienden er de ministers en de leiders van de geuzen de inhoud van de nieuwe plakkaten ter kennis te brengen en ze moesten hen bevelen dat ze hun vergaderingen en preken moesten staken. Indien ze dat weigerden zouden de officiële instanties zich verplicht zien om hen met de grootste strengheid als gereformeerden te vervolgen.’ De volgende dag wordt het plakkaat overal officieel verkondigd. De geuzen reageren met de versterking van het leger van Jan Denys.

Over dat fameus leger valt er wel nog wat te vertellen. De hele winter tussen 1566 en 1567 ontpoppen de manschappen van Jan Denys zich als een echte pest in de streek. Vooral voor de katholieke inwoners en de geestelijken die zwaar in de miserie raken. ‘Hij liep met mannen van zijn aanhang van prochie tot prochie en hij dwong de ingezetenen er via pijniging en geweldenarij om hen hun geld te geven. Bovendien beroofden ze de huizen van alles wat ze er in vonden. Dat was vooral omdat Jan Denys dit aan zijn soldaten toeliet om de opbrengst van hun diefstallen voor zichzelf te houden zodat ze in hun eigen onderhoud konden voorzien. Daardoor bevonden er zich onder zijn mannen natuurlijk veel andere straatschenders en kwaad volk.’

Het leger van de Westhoek moet nu ook gaan bijspringen in Antwerpen. De geconfedereerden onder leiding van de heer van Toulouse plannen een inval te Antwerpen en ontbieden Jan Denys heimelijk om hen daarbij te komen assisteren. Die is natuurlijk gretig om nog eens in actie te mogen komen en rept er zich met vijfhonderd man naartoe. ‘Maar de verzamelde troepen werden te Oosterweel, een halve mijl van Antwerpen, onvoorzien aangetast van de troepen van de heren van Beauvois en La Motte en verslagen op de 13de maart van 1567.’

Jan Denys wordt opgepakt en vrij korte tijd nadien te Leuven opgeknoopt. Meteen het einde van de eerste kapitein van de geuzen. Iemand die grote last heeft veroorzaakt aan onze kasselrij en aan andere regio’s. De geuzen van de Westhoek hadden een ongelooflijk vertrouwen in hem, vooral omdat hij bekend stond als een stoutmoedig en ondernemend man. Voor zijn dood zou hij nog bekend hebben dat hij helemaal niets gedaan had voor de eer en glorie van zijn God maar dat hij er vooral op uit is geweest om zelf fortuin te maken. Zijn aanhangers voelen zich natuurlijk in de steek gelaten en verliezen hun moed. ‘Jan Denys, hoge verheven, is te Brussel aan een galge gebleven’. De gereformeerden rouwen om het verlies van zoveel van hun vrienden daar in Oosterweel.

Valenciennes raakt veroverd door de koning. Oosterweel is een succes voor de katholieken. Overal te lande worden de geuzen nu ferm aangepakt. De uitoefening van de alternatieve religie wordt niet alleen strikt verboden, maar de ministers en consistorianten worden gevangen genomen. Of ze poetsen de plaat. Maar nergens in Vlaanderen vinden ze nog een veilig schuiloord. De magistraten zijn onverbiddelijk. Ze laten hen vervolgen en ter dood brengen. En naarstig dat ze zijn. De schrijver geeft het niet helemaal tegen zijn zin aan: ‘de magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht hebben insgelijks veel naarstigheid betoond om de heresie uit te doven, bij zover dat zij alleen al in de maand van april 1567 wel twintig personen verwezen en zowel door het vuur als door de galg deden sterven.’

Het tempeest van de heresie begint zo toch wel flink te minderen in onze kasselrij. En dat is ook het geval in heel Vlaanderen. De strenge aanpak loont direct. De pastoors komen terug. De kerken worden opnieuw gewijd, de altaren zo goed en zo kwaad mogelijk hersteld. De goddelijke diensten schieten weer op gang en al diegenen die de uitoefening van de katholieke religie willen beroeren, worden eenvoudigweg opgehaald en opgehangen. De psalm van pater Willem, die Hollandse minister die al zes maanden de scepter zwaait in Roesbrugge, is eveneens uitgezongen. De Veurnse autoriteiten sturen een gerechtsdienaar en enkele soldaten om hem daar te gaan oppakken. Willem wordt te Veurne in de bak gedraaid en op de 30ste april op de markt opgehangen. ‘Het was het ware loon dat de man verdiend had’, zoals je kan opmerken is Pauwel waarlijk een diep katholieke man.

‘Willem de Hollander was nog maar in de bloem van zijn leven. Vierendertig jaar. Bovendien kloek van lichaam en ook van verstand. Het waren de vleselijke wellusten en de vrijheid van levenswijze die hem uit zijn klooster lokten en hem zijn geloof deden verfoeien.’ Nog voor de arrestatie van de minister hadden ze zijn tempel aan de Hagedoorn al met de grond gelijk gemaakt. Net zoals dat het geval wat met alle calvinistische tempels in de regio. De voortgang van de heresie is vooral te wijten aan de edelen die niet moesten weten van kardinaal Granvelle. Daar ligt volgens Heinderycx de schuld van al die moord en verderf welke de Westhoek zo zwaar geteisterd hebben.

De poorters van Veurne nemen het zekere voor het onzekere. Dergelijke toestanden met dreigende geuzen die hun stad willen binnenvallen wensen ze hier niet meer mee te maken. De beveiliging van hun stad mag best wel op punt gezet worden. Op 1 mei 1567 laat het magistraat een algemene inspectie van de vestingen, grachten, muren, torens en poorten uitvoeren. Hun bevindingen zijn duidelijk: zowat overal zijn er mankementen en die moeten dringend aangepakt worden. Vooral de grachten van de vestingen zijn er maar deerlijk aan toe. Die zijn zodanig dichtgeslibd dat men er tijdens de zomermaanden gewoon kan doorheen wandelen. Dat is vooral het geval tussen de Zuidpoort en het Westwaterhekken.

De kostprijs van de herstellingen wordt geschat op een kleine tienduizend gulden. Die middelen zijn er natuurlijk niet omdat de stad Veurne de voorbije jaren natuurlijk flink gesukkeld heeft met zijn handel en nijverheid. En natuurlijk ook omdat er al veel te veel geld werd uitgegeven tijdens de voorbije oproer. De stedelijke autoriteiten blijven echter bij hun voornemen om de reparaties uit te voeren. Er wordt gekeken in de richting van de baas van de abdij van Sint-Niklaas. Per slot van rekening houden zijn geestelijken zich netjes beschermd hier in de binnenstad. Dat is ook het geval met hun collega’s van de collegiale kerk van Sint-Walburga. Ook zij krijgen de vraag om een grote som geld op tafel te leggen zodat de herstellingen kunnen bekostigd worden.

De geestelijken van het kapittel van Sint-Niklaas zien de vraag van Veurne niet zitten. Ja, het is natuurlijk wel waar dat de stad verder moet beschermd worden tegen de ongelovige geuzen en de vijanden van de heilige kerk. Ze wijzen er op hoeveel schade ze zelf de voorbije jaren hebben opgelopen in hun godshuizen. Maar na veel vijven en zessen komt de abt over de brug met vierhonderd gulden. Die zal hij de volgende vier jaar in schijven van honderd gulden betalen. Op voorwaarde dat het stadsbestuur hen met geen extra lasten zal opzadelen.

De abt en de kanunniken van Sint-Walburga springen op de kar. Ook zij willen dezelfde bijdrage leveren. Stad Veurne vindt dat toch maar povertjes in vergelijking met hun vermogen. Het heeft nogal wat voeten in de aarde om de tussenkomst te verhogen tot zeshonderd gulden, te betalen in vijf jaarlijkse schijven van honderdtwintig gulden. Natuurlijk op voorwaarde dat er geen verdere taksen zullen worden opgelegd. ‘Het vermelde aanbod voor het magistraat voldoende schijnende, werd met dank aanvaard. Terstond deed men werken. En de versterkingen van de stad Veurne werden zoveel mogelijk verbeterd.’

Die laatste zin sluit het eerste hoofdstuk van de jaarboeken van Veurne af. Het loopt lekker hier aan mijn toetsenbord, mijn muis is het schuiven nog helemaal niet moe en ik beslis om maar direct te beginnen aan ‘tweede kapittel’ met zijn hoofding ‘van toen de hertog van Alva naar Nederland kwam als gouverneur-generaal, tot dat die van Nieuwpoort verwezen werden om hun aandeel in alle lasten van Veurne-Ambacht te betalen.’ Zoals dat in het verleden al zo vaak het geval geweest is, zullen er nog maar eens spanningen rijzen tussen Veurne en Nieuwpoort. En wie is die Alva waarvan sprake? Ik popel al van ongeduld om verder te werken aan mijn interpretatie van de handschriften van Pauwel Heinderycx.

Ik kom al direct veel meer te weten. ‘De koning van Spanje had onlangs de hertog van Alva benoemd tot gouverneur-generaal van de Nederlanden. Hij stuurde hem onder begeleiding van een groot leger van Italianen en Spanjaarden naar hier om de opstandelingen en de heretiekers te vernietigen.’ Oei. Alva arriveert op 22 augustus van 1567 in Brussel en begint direct aan de vervolging van de geuzen en van al diegenen die een vuile rol gespeeld hebben om hen te steunen. Hij kijkt in de richting van de leiders en naar de adellijke heren van het bondgenootschap die volgens hem nogal wat op hun kerfstok hebben.

De geldende plakkaten van keizer Karel voor wat betreft de religie moeten voortaan heel strikt geïnterpreteerd worden. Alva begint onmiddellijk met een onderzoek en wil te weten komen wie inbreuken gepleegd heeft op deze wetten en vooral wie de alternatieve godsdienst heeft ondersteund. ‘De magistraten moesten overal een nauwkeurig onderzoek instellen ten laste van de ministers, consistorianten, beeldenstormers en verdrukkers van de heilige kerk, mitsgaders van al diegenen die zulke mensen ondersteund en bevoordeeld hadden.’

Repressie uit de oude doos. Alva en zijn brigade als Gestapo avant la lettre. Een golf van arrestaties raast door de Nederlanden. Wie ooit kleur bekend heeft en achter het gedoogbeleid van de nieuwe religie gestaan heeft mag er nu zeker van zijn dat hij of zij zal opgepakt worden. Zelfs wie de heresie niet belet heeft komt in het vizier van de 16de eeuwse Gestapo. Zelfs de absolute top van het land heeft prijs. Gewezen gouverneur van Vlaanderen, de graaf van Egmont en de graaf van Hoorne (Filips van Montmorency) worden aangehouden. Het oppakken van Egmont heeft vooral te maken met zijn oorspronkelijke weigering om de Spaanse inquisitie hier in te voeren.

Nochtans is er geweten dat hij zich de voorbije maanden wel degelijk heeft ingezet om de vijanden van het katholiek geloof te vervolgen. Zijn gedragsverandering dateert van zijn laatste ontmoeting met de calvinistische edelman Willem van Oranje te Willebroek. Egmont nam er afscheid van Willem met de woorden ‘vaarwel koning zonder land.’ De macabere respons van Willem van Oranje was er wel één die kon tellen. Zijn ‘vaarwel graaf zonder hoofd’, liet in elk geval niet veel goeds voorspellen voor Egmont.

De repressie spoelt ook aan in de Westhoek. Procureur-generaal Pieter de Cocq en raadsheer Lievin Snouck worden als regeringscommissarissen van de Raad van Vlaanderen naar onze provincie gestuurd. Ze willen informatie inwinnen ten laste van de heretiekers en van wie hen gesteund heeft. Op 22 september 1567 is Veurne aan de beurt. Een zoektocht naar bezwarende elementen die wijzen in de richting van de geuzen. Niemand is veilig voor het duo inquisiteurs. Zelfs de magistraten en de officieren worden gescreend. Daarna gaat het richting Hondschote. Hier is er veel werk aan de winkel. Vermoedelijk wel het grootste geuzennest van heel de Nederlanden. Na hun onderzoek ter plekke keren de Cocq en Snouck terug naar Veurne-Ambacht.

Op 4 oktober arriveren ze aan het klooster van Eversam. Ze ontbieden de magistraten van de stad en van de kasselrij om te antwoorden op een reeks van vragen. Wie niet kan komen moet zorgen voor een vertegenwoordiger. Omaer Valcke, de burgemeester van Veurne is vergezeld van schepen Cornelis Weins en pensionaris Pieter Cortewille. Voor de kasselrij tekenen ook drie personaliteiten present: de keurheren Roeland van Zegerscappel en Joost Weeghsteen samen met griffier Gilles Blomme.

Die van Veurne-stad krijgen daar een bolwassing vanjewelste. Ze hebben zich niet vlijtig van hun taken gekweten. Waarom hebben ze de geuzen die de kerk van Sint-Denijs vernielden niet opgepakt? De drie hoogwaardigheidsbekleders wentelen zich in excuses. Konden zij daar iets aan doen dat de beeldenstormers in kwestie uit de stad weggevlucht waren? Ja, ze hadden er hun officieren op af gestuurd en die werden op hun beurt gevangen genomen. Alles wordt netjes op papier geschreven en door alle partijen ondertekend. Aan heel het proces-verbaal worden achteraf geen verdere gevolgen aan gegeven.

Daarna begint het verhoor van de gedeputeerden van Veurne-Ambacht. ‘De commissarissen betichtten de wethouders van de kasselrij dat ze de beeldenstorm en de kerkroof in hun streek niet belet en bestraft hadden. En de sermoenen gedoogd. Ze hadden tot overmaat van ramp locaties aangeboden waar de geuzen hun tempels konden bouwen.’ Het drietal antwoordt dat ze inderdaad een en ander niet hebben kunnen beletten en dat het aanwijzen van grond voor de tempels er kwam in opdracht van de graaf van Egmont die ze wel moesten gehoorzamen. De bewijzen van die opdrachten kunnen ze in geval wel op tafel leggen.

De inquisiteurs vertrekken in zeven haasten naar Brussel. Enkele dagen later ontbieden ze een afgevaardigde van de kasselrij om zich daar te komen verdedigen en om antwoord te geven op enkele bijkomende vragen. Meester Jan de Wilde meldt zich aan op 12 oktober 1567 en legt er het schriftelijk bewijs van Egmonts opdracht op tafel. Volgens hem kan er niets verweten worden aan de magistraten van Veurne-Ambacht en zijn stelling wordt door het hof ook gevolgd.

De nauwgezette onderzoeken van de inquisiteurs, nu ook gevolgd door de ijver van de lokale bestuurders zorgen ervoor dat de grond erg heet wordt onder de voeten van de aanhangers van het nieuw geloof. Hier blijven wonen is een ‘risque de beauté’ en dus slaan er nogal wat Westhoekers op de vlucht. Ik laat het Pauwel zelf eens expliceren: ‘uit de Nederlanden zijn er over de honderdduizend huisgezinnen vertrokken om in andere streken te gaan wonen. En dit om de dood te ontvluchten. Onder dat gezeid getal waren er over de vierhonderd huisgezinnen uit Veurne-Ambacht en nog veel meer uit Hondschote.’

‘Door die straffe vervolging zag men enkel nog katholieke erediensten. Niemand die hen nog kon storen omdat de heretiekers zich niet meer durfden te verzetten en vooral omdat de meerderheid gevlucht was naar Frankrijk, Engeland en andere streken. Diegenen die in het land gebleven waren, verscholen zich nu in de bossen of ze hielden hun hoofd veilig onder de maailijn.’ Ondanks de strenge vervolgingen kruipt er toch nog één minister uit zijn schuilplaats. De uitzondering bevestigt de algemene regel. Aan de Walleboom in de parochie van Reninge worden er af en toe nachtelijke sermoenen gehouden. Niet ver van de Hazewind. Dat is pas durven. Hij stuurt zijn boodschapper rond met tijdstip en plaats van zijn preken en het mag gezegd worden; er komt veel volk op af.

Onder dat volk zullen zich wel klikspanen bevinden. Het duurt in elk geval niet zo lang vooraleer de bestuurders van Veurne-Ambacht op de hoogte gesteld worden van de clandestiene samenkomsten. Ze starten onmiddellijk een onderzoek naar de predikant in kwestie en naar allen die daar aanwezig waren. De minister in kwestie blijft onvindbaar. Wie daar aanwezig geweest is blijft natuurlijk niet lang onbekend. Ze worden allemaal opgepakt, op de markt van Veurne aan een schavot tentoongesteld en gegeseld. De loopjongen van de minister, Jan Hertebreker wordt omwille van zijn ongeoorloofde hand- en spandiensten opgeknoopt.

Clandestien, illegaal. Ik heb zopas de kernboodschap meegegeven rond de manier waarop de geuzen hun geloof verder verdedigen. Onder de radar van de inquisitie gebeurt wel een en ander. Ik mag er gerust op zijn. Hier in de Westhoek blijven de calvinisten schriftelijk in contact met hun gevluchte familieleden en vrienden die zich nu in het buitenland bevinden. In Engeland volgen ze nauwgezet de toestand in Vlaanderen op. Hier en daar gaan er geheime vergaderingen door en wordt er uitgekeken hoe de heresie opnieuw opgestart en hersteld kan worden. Iets wat bijzonder moeilijk is. De niet aflatende vervolgingen van Alva zorgen daar wel voor. Zijn repressie zorgt er voor dat de verborgen geuzen uiteindelijk geen middelen meer hebben om van te leven. Hun goederen zijn aangeslagen. Om te overleven beginnen een aantal van hen zich over te geven aan vrijbuiterij.

Er wordt vooral geroofd op de Noordzee. De koopmansschepen bevatten veel waarde en de buitgemaakte goederen zorgen er voor een versterking van het verzet tegen Alva en de kerk. Wie in het land gebleven is houdt zich op in de bossen. Om te overleven moeten de vrijbuiters te lande reizigers overvallen en bestelen. De ‘wilde geuzen’ worden deze bosgeuzen weleens genoemd. ‘Omdat ze bij nachte door het land liepen en zich ’s nachts in de bossen gingen verschuilen.’

Het gaat er crimineel aan toe. ‘De wilde geuzen deden wonderlijk groot kwaad hier in onze gewesten. Ze ontnamen aan de kerken alles wat ze maar konden. Ze deden de oorlog aan de pastoors en de geestelijke personen. Al bij al waren ze zeer wreedaardig ten opzichte van diegenen die ze verdachten van hen verklikt te hebben. Het zou te veel tijd in beslag nemen om al hun daden afzonderlijk te verhalen. Maar ik zal alleen maar hebben over de allerwreedste daden die ze hier in onze kasselrij en de dichtbijgelegen parochies hebben uitgericht.’

Pauwel Heinderycx is van plan om in de details te treden en dat vind ik meer dan prima. Voor mij betekenen de finesse van zijn verhalen absoluut de pepers en de tabasco in de saus van onze verleden. Pikante geschiedenis. ‘De leider van een bende wilde geuzen was genaamd Jacob van Heule. Geboren in Brugge uit een zeer edel geslacht. Op 28 november 1567 trok deze bendeleider naar de bossen van Sint-Sixtus te Houtkerke. Hij is er met zijn kompanen binnengedrongen in de woning van een pastoor. Die van Diederik Bentin. En nadat ze zowat alles gestolen hadden wat er te vinden was, gaven ze de arme geestelijke een pak slaag, sneden hem een oor af, trokken zijn kleren uit en lieten hem daar naakt en bloedend voor dood achter.’

‘De geuzen deden dit uit wraak omdat hij enige heretiekers had laten vervolgen. Ondanks de vreselijke marteling die deze pastoor had moeten doorstaan was zijn ijver om hen te vervolgen niet verminderd. Zo zijn de bosgeuzen op de laatste dag van december van hetzelfde jaar nog maar eens binnengevallen in zijn pastorie.’ Op het lijf gevallen is beter omschreven. ‘Ze hebben hem de handen en de voeten afgehakt en nadat ze zijn lichaam bovendien nog met eenentwintig andere wonden doorboord hadden, lieten ze hem badend in het bloed liggen. Een half uur later is de man overleden en hij werd door de deken van Poperinge, bij een grote toeloop van volk op de 2de januari 1568 begraven.’

‘Onder de impuls van eerder vernoemde Jacob van Heule, samen met minister Jan Michiels en Jan Camerlynck zakte een bende wilde geuzen tijdens een nacht af naar Spanjaardsdale bij Poperinge. Ze wilden er de stadsgevangenis openbreken en de hier opgesloten geuzen bevrijden. De bende wilde tezelfdertijd de kerken en de huizen van de rijkste inwoners plunderen. Hun voornemen ging per slot van rekening niet door omdat enkele van hun bendeleden die aan de raid zouden deelnemen niet op de afgesproken plaats aanwezig bleken te zijn.’

‘Omdat hun geplande aanslagen niet konden doorgaan zijn de wilde geuzen rond middernacht dan maar de weg naar Reningelst ingeslagen. Zo arriveerden ze aan herberg het Nachtegaelken waar ze hun kleren hebben gedroogd. Ze waren allemaal zeiknat door de plenzende regen. Hier in deze staminee kwam een spion hen vertellen dat de pastoor van Reningelst thuis was. Daarom zijn er vijf of zes geuzen bij dageraad in de kerk geklommen. De rest, zeg maar veertig man, ging op zoek naar de woningen van de pastoor en zijn kapelanen. De pastoor was bezig met het lezen van zijn getijden toen hij door zijn moordenaars werd vastgegrepen. Zijn twee kapelanen werden dadelijk tot bij hem gesleept.’

‘Ondertussen waren de geuzen de kerk binnengedrongen en daar kieperden ze nu de beelden op de grond, ze pikten de ornamenten, kelken en ciborie. Als dat allemaal was afgelopen leidden ze de priesters mee. Op weg naar Loker, Dranouter, Kemmel, Nieuwkerke en Niepkerke, rovende al de kerken van de parochies in kwestie. De pastoor van Dranouter die zich tegenover zijn aanvallers wilde verweren werd door hen hardhandig aan het hoofd gekwetst en samen met zijn collega’s verder meegesleept. Wanneer ze arriveerden in het bos van Westhove, gelegen tussen Belle, Nieuwkerke en Niepkerke werd er over hun lot beslist. Jacob van Heule, Jan Michiels en nog twee calvinistische leiders verklaarden dat ze de dood schuldig waren. Ze beweerden dat de heilige schrift hun dood als rechtvaardig zou beschouwen. Het vonnis werd aan hen voorgelezen en luidde als volgt:’

‘Omdat jullie met wrede tirannie de leraren van oprechte leerlingen samen met veel andere personen hebben doen uitleveren aan de magistraten en aan de rechters, waardoor veel van hen doodsangsten hebben doorstaan om te kunnen sterven. En omdat veel anderen door jullie toedoen een schromelijke dood hebben moeten sterven. Bovendien verdienen jullie de doodstraf omdat jullie doordrongen zijn en hardnekkige leraren van de paapse goddeloosheden, daarom hebben we u verwezen om onthoofd te worden.’

‘Als enig redmiddel werd er aan de geestelijken voorgesteld om hun geestelijke status te bevlekken met een zware zonde. Ze moesten zweren om nooit en te nimmer nog de offerande uit te voeren en duidelijk te zeggen dat God daar toch niet aanwezig was tijdens deze ritus. De pastoors wilden dat natuurlijk niet doen en ze claimden dat ze liever zouden sterven dan hun geloof te verloochenen. Zo werden ze op wrede manier vermoord.’ De lynchpartij vindt plaats op 11 januari van 1568. ‘De onderpastoor kreeg meerdere dolksteken toegediend in zijn lichaam. Hij kreeg drie steekwonden in de hals waardoor hij hevig begon te bloeden tot hij versmachtte in zijn eigen bloed. Van de tweede kapelaan sneden de wilde geuzen zijn onderste lip af en daarna doorboorden ze zijn hart.’

‘Volgens hun goddeloze rechtbank diende de pastoor van Dranouter ook om het leven gebracht te worden. Dank zij de voorspraak van enkele bendeleden kon hij echter zijn straf ontlopen.’ In een voetnoot geeft Pauwel wat extra informatie over de vermoorde geestelijken. ‘De om hals gebrachte pastoor was feitelijk Joost Hughesoone, een geleerd man die ooit nog Latijn had onderwezen in Ieper. De eerste kapelaan was Robert Ryspoort en de tweede die tevens koster was geweest stond bekend als Jacobus Panneel. Hun lichamen werden gevonden op de 19de januari en de volgende dag al met een traditionele ceremonie begraven. Op de 25ste deed een deken van Poperinge een solemnele uitvaartplechtigheid voordragen en dat onder een toeloop van een menigte katholieken.’

De schrijver is nog niet uitverteld. ‘Die bloeddorstige moordenaars zijn daarna gaan schuilen in een hofstede niet zo ver van de plaats waar ze de priesters gedood hadden. Ze brachten er de nacht door. Jan Michiels nam zich voor om een sermoen te houden op de Monteberg waarbij hun aanhangers van Nieuwkerke, Steenwerck en van de omliggende plaatsen zouden naartoe komen. De preek zou echter niet doorgaan. De geuzen werden gewaarschuwd dat Simon Uyttenhove, de baljuw van de zale van Ieper met een bende soldaten de stad was uitgetrokken om hen te komen vangen. Om die reden zijn ze het hier afgetrapt richting Reningelst. De volgende nacht verdeelden ze hun buit en gingen ze uit elkaar. Jacob van Heule vertrok naar Frankrijk. Jan Camerlynck ging met zijn bende naar Bergen-Ambacht en zo zijn de pogingen van Simon Uyttenhove om hen op te pakken op een sisser afgelopen.’

‘Een andere bende wilde geuzen, gekomen uit de bossen van Proven, heeft zijn wraaklust willen botvieren op de pastoor van Oost-Cappel. Zijn naam was Hendrik Turck. Ze hebben hem met geweld uit zijn woning gesleept en naar een bos gebracht. Daar werd hij aan een boom opgehangen. Ze wilden de priester feitelijk opknopen, maar door de slechte kwaliteit van het touw is hij tweemaal door de strop gevallen. Daarop hebben de geuzen de oren van de arme geestelijke afgeknipt en hem veel andere pijnen aangedaan. Maar ze lieten hem ondanks alles in leven.’

Jan Camerlynck zal nog eens terug komen naar de bossen van de Westhoek. De 27ste januari valt hij binnen in de kerk van Hondschote. ‘De beelden en de altaren die nog maar pas hersteld waren, werden opnieuw afgesmeten en nadat ze de kerk beroofd hadden van alle versieringen en kostelijkheden gingen ze naar de sacristie waar ze pastoor Martinus Nercosius aantroffen. De man zat bij kaarslicht zijn getijden te lezen. Hij was in het gezelschap van kapelaan Pauwel de Clercq die zich net aan het warmen was bij een pan met vuur. Een van de bendeleden, Hans van Ceulen, ging bij de pastoor staan. Met zijn dreigende en wrede smoel zag hij er schrikwekkend uit. De bange pastoor wilde het op een lopen zetten, maar de booswicht sloeg hem op de borst en riep “hier blijven vuile paap”, terwijl hij hem met een musket zwaar op het hoofd sloeg tot de arme priester er bij neerviel.’

‘De verschrikte kapelaan bleef ondertussen als aan de grond genageld staan. Tot hij plots ook zo’n klap tegen het hoofd kreeg, weer van diezelfde Hans van Ceulen, en eveneens op de grond neerzeeg. “Smijt hem dood”, schreeuwde hij naar zijn kompanen. Die hadden de pastoor opnieuw rechtgezet en ze zijn hem daarna op het lijf gevallen. De kapelaan wilde zich nog een laatste keer oprichten maar hij kreeg daarbij een vreselijke slag op de schedel dat hij als vanzelf weer neerviel. In die toestand heeft men hem met hellebaarden en andere wapens toegetakeld. Uiteindelijk werd de geestelijke neergeschoten met een schot van de musket. Vreemd genoeg was het geweer geladen met vogelzaad waardoor de kapelaan niet zwaar gewond werd door het schot.’

De kapelaan probeert op de vlucht te slaan. ‘Hoewel de zware wonden hem fel kwaad deden. Maar de moordenaars haalden hem in en beulden hem nog verder af. Nog veel erger dan voordien. Toen nu de hele bende op de pastoor was gevallen, meende de kapelaan zich in veiligheid te kunnen stellen. Maar aan de voordeur gekomen zag hij daar hoe de pastoor omgebracht werd. Hij was er zo door verschrikt dat hij niets anders dan de dood verwachtte wanneer hij zich voor de deur van de Onze-Lieve-Vrouw kapel liet neervallen.’

Wat een indianenverhaal toch. ‘Terwijl al deze wrede toestanden zich in de kerk afspeelden werd op de markt geschoten met een musket. Het lawaai bracht de geuzen in verwarring. Ze dachten opgepakt te worden en sloegen op de vlucht. De pastoor die doorstoken was van achtentachtig wonden overleefde deze gruweldaden niet lang meer. Hij stierf rond de middag. De kapelaan die nochtans erg gewond was, kon herstellen van zijn kwetsuren en het is deze man die heel deze geschiedenis heeft kunnen navertellen.’

Na al hun misdaden in Hondschote begeven de mannen zich nu naar Rexpoede. ‘De pastoor daar was juist bezig met zijn hoogmis wanneer ze hem met hun musket een kogel door het lijf joegen en daarna met hun hellebaarden doodbeulden. Ze vielen de kapelaan op het lijf net zoals de koster, een getrouwde man. Beiden werden gelyncht. Daarna vertrokken ze naar Bambeke, Oudezeele, Winnezeele, Wormhout en andere parochies in de buurt. Overal waar ze kwamen vielen ze de beelden en de kerkgoederen aan. En ze zouden zeker al de priesters vermoord hebben. Die waren natuurlijk al op de hoogte van de gruwel die deze geuzen in petto hadden en waren al op de vlucht geslagen. Nadat ze alles bedreven hadden, zijn de booswichten door het bos van Steenvoorde getrokken tot aan het nonnenklooster vlakbij Roesbrugge. Ze behandelden de nonnen zeer kwalijk en ze roofden uit het klooster al wat ze daar vonden en wat ze met zich konden meedragen.’

Een van de andere hoofdpersonages bij de calvinisten is een zekere Hanekam, Hendrik van Nedonckel, een edelman van Bethune die hier in de jaarboeken van Veurne omschreven staat als ‘mijnheere Hannekin’. Ik houd het op Hanekam. Een roodharige geweldenaar die omwille van zijn haantjesgedrag en zijn haarkleur wel weet waarom hij zo genoemd wordt. Hij is op de vlucht geslagen in Frankrijk omwille van zijn geloofsovertuiging en houdt zich al geruime tijd op in Dourlens, in de buurt van Belle. In januari 1568 zakt hij met vier gezellen af naar de Westhoek om er onze geuzen te ondersteunen.

Als edelman waant hij zich natuurlijk de baas van ’t spel. Gearriveerd in de parochie van Beveren aan de Ijzer laat hij Jan Camerlynck en zijn bende bij zich roepen. Hij heeft hun advies nodig. Hanekam heeft weet van een groepje edelen die de komende dagen naar Ieper zullen komen om er de bruiloft van mijnheer van Recourt te gaan vieren. Zouden ze die mannen niet kunnen beroven en ontvoeren naar Dourlens? De rosse bluft er op los. Niemand die weet of hetgeen hij beweert wel degelijk de waarheid is. Hij maakt ze wijs dat hij aan het hoofd staat van een leger van honderdvijftig ruiters en dubbel zoveel manschappen te voet. En dat hij nu nog wacht op driehonderd extra voetgangers van het land aan de overzijde van de Leie. Dat lijkt natuurlijk reuze interessant voor onze eigen wilde geuzen. ‘Toen de hier bijeen verzamelde heretiekers dit hoorden, beloofden ze aan die edelman om hem met al hun ijver bij te staan tot in de dood.’

De groep vertrekt nu naar Oost-Cappel. Aan de Groenestraat komen ze samen met andere gelijkgestemden. Vijftig man in totaal. Onder hen bevinden zich negen Walen. De rest zijn Vlamingen. Hanekam herhaalt nog eens zijn plannen. Hij wil de hervormde leer neerplanten in West-Vlaanderen waar hij het katholiek geloof te niet zal doen. Zijn aanhangers besluiten ook hier om hem te helpen bij zijn voornemens.

Kapitein La Motte van Grevelingen (Valentijn de Pardieu) die de Westhoek in opdracht van Alva in de gaten houdt heeft natuurlijk weet gekregen van de opbouw van deze nieuwe geuzenmilitie. Aan het hoofd van zijn brigade haast hij zich naar Poperinge waar hij de bossen van Sint-Sixtus doorkamt. Hij weet dat al dit kwaad volk zich hier maar al te graag verschuilt. Ook de parochies in de regio krijgen zijn bezoek. Van de baljuw van Cassel verneemt hij dat Hanekam zich op nog geen kilometer van daar in een landhuis ophoudt. In het gezelschap van twintig man. Bij aankomst treffen ze de bendeleider op zijn bed aan terwijl zijn manschappen hier en daar verspreid zitten.

‘Nadat ze hen allemaal gevangen hadden, heeft mijnheer de Pardieu hen naar Ieper overgebracht. De volgende dag werden ze naar Rijsel gezonden waar ze berecht werden. Met uitzondering van hun kapitein Hanekam die in opdracht van de hertog van Alva naar Brussel gestuurd was, waar hij onthoofd werd.’ Ook in Bergues schieten de autoriteiten in actie om geuzen en struikrovers op te sporen. Bergues zelf wordt anno 1568 nog altijd omschreven als het ‘Bergen’ uit ‘Sint-Winoksbergen’. Op 8 januari 1568 krijgt een groep van tien Bergense soldaten er één van die rovers te pakken. Bij hun terugtocht naar huis besluiten ze om de nacht door te brengen in herberg Sint-Joris te Roesbrugge.

De wilde geuzen zijn er ondertussen al achter gekomen dat ze een van hun spitsbroeders gevangen houden. Jan Camerlynck schiet in actie en valt met zijn bende de bewuste herberg binnen. Zeven van de tien soldaten worden om het leven gebracht. Drie onder hen ontkomen de dodendans met de foefel dat ze niets te maken hebben met het gerecht en helemaal niet pausgezind zijn. Een delegatie magistraten kan ’s anderendaags niet veel anders dan de dood van zeven van hun medewerkers vast te stellen. Tijdens die dagen wordt de crapuleuze Hans van Ceulen bij de lurven gevat door gerechtsmedewerkers van Veurne-Ambacht. Hij wordt omwille van zijn reeks goddeloze misdaden op 24 maart 1568 te Veurne geradbraakt. De schrijver kan gerust nog een heel boek schrijven over de ontelbare misdrijven die de hele Westhoek teisteren.

De hertog van Alva grijpt wel degelijk in. De geuzen houden zich sterk in onze streek en blijven maar onmenselijkheden bedrijven. Alva stuurt de heer van Rasseghem naar Ieper om er overleg te plegen met de toplui van de zeven Westhoekse kasselrijen. Daar komen ze overeen om op gemeenschappelijke kosten een leger van vijfhonderd man op de been te brengen. Ze zullen onder het bevel komen van Rasseghem zelf en van zijn stadhouder Valentijn de Pardieu, de heer van La Motte.

Er worden nog meer maatregelen genomen om het geweld te beteugelen. Op 19 januari 1568 laat Alva afroepen dat men overal de wacht moeten houden om kerken, pastoors en andere geestelijken afdoende te beschermen. De inwoners moeten zelf zorg dragen voor hun veiligheid en worden verantwoordelijk gesteld moesten de kerk en zijn geestelijken nog meer bagger over zich krijgen. Ook langs de zeekant komen er wachtposten en controles. ‘Door zulke middelen werd het kwaad volk genoodzaakt om weg te vluchten uit het land. Diegenen die het waagden om hier te blijven werden welhaast gevangen en naar verdienste gedood. Desondanks waren er nog altijd lieden die probeerden het land binnen te komen, maar meestal werden ze daar zelf de dupe van.’

Ik krijg ook wat verder nieuws over de gevangengenomen graaf van Egmont. Hij moet een strafrechtelijk proces ondergaan. Gerechtsdeurwaarder Francis Payez laat tijdens de rechtszitting het magistraat van Veurne-Ambacht dagvaarden om te komen getuigen. Welke maatregelen heeft Egmont nu precies genomen om de vrije uitoefening van de religie in de Westhoek toe te staan? Ze dienen in het bezit te zijn van de documenten die de preken en de bouw van de geuzentempels hebben bevolen.

Op 23 februari melden Willem van Coornhuse en Nicolaas Spierinck zich aan bij Martinus Delrio, een gevreesd lid van de Bloedraad. De wethouders van Veurne moeten antwoord geven op de gestelde vragen van de Raad van Beroerte en geven Delrio de origineel getekende stukken. De beruchte Bloedraad, ook wel ‘Raad van Troebelen’ of ‘Raad van Beroerte’ genoemd heeft onder het voorzitterschap van Alva zelf zowat alle rechtszaken in verband met geloofskwesties op zich genomen en onttrekt daarbij al die zaken aan de gewone rechtbanken van de Nederlanden. De Bloedraad zal al die processen leiden en zal zelf wel de nodige veroordelingen uitspreken.

De rechters van die vreselijke Bloedraad oordelen streng. Ze volgen strikt en principieel de wetten en de plakkaten die wijlen keizer Karel nog heeft uitgevaardigd. Zowat dagelijks worden er mensen ter dood veroordeeld. Verscheidene schrijvers getuigen dat de hertog van Alva tijdens de zes jaar dat hij hier in de Nederlanden aan het roer heeft gestaan vermoedelijk achttienduizend mensen door beulen om het leven heeft laten brengen. En daarbij behoren dan nog niet eens de menigte mensen die op schabouwelijke wijze door zijn soldaten werden vermoord. Pauwel Heinderycx verwondert er zich niet om als hij alleen al het aantal gevallen bekijkt die zich in de stad van Veurne hebben voorgedaan.

Het zijn zeker niet alleen de gewone mensen die zonder pardon gestraft worden omwille van hun heresie. Een groot aantal edelen wordt eveneens ter dood verwezen. Met de graaf van Egmont als triest boegbeeld. De gouverneur van Vlaanderen en Artesië wordt samen met de graaf van Hoorn op 5 juni 1568 te Brussel onthoofd. Zijn dood zorgt voor grote tristesse bij de modale Vlaming. Niet enkel omdat hij van een edel geslacht is maar vooral om zijn goedertierenheid, zijn beleefdheid en zijn dapperheid. Hij was het die de Westhoek in 1558 verlost heeft van de brandstichtingen en de roofpartijen die de Fransen overal pleegden. Hij liet ze ter hoogte van Grevelingen op de vlucht slaan en dat zijn de mensen van bij ons zeker nog niet vergeten.

De katholieke schrijver relativeert de prestaties van Egmont. Ja, veel mensen hebben spijt dat hij gedood werd door de wreedheid van Alva. Maar toch is hij veel te laks en te traag geweest met het dempen van de heresie. Moest hij hier in onze streek gewild hebben dan kon hij het bijgeloof vrij gemakkelijk onder controle gehouden hebben. Een kleine moeite zou het geweest zijn. Maar hij was zelf een beetje verleid door het calvinisme. Hij bleef maar hopen dat de koning iedereen de vrijheid van godsdienstmening zou toestaan. En dat bleek achteraf gezien toch wel een heel erg verkeerde inschatting.

‘Men bevindt dat gedurende dit jaar 1568 de gevangenissen van Veurne bomvol gevangenen zaten, allemaal lieden die hadden deelgenomen aan de geestelijke rebellie. Dagelijks liet men recht spreken naarmate de vonnissen van de Bloedraad binnensijpelden.’ Er is zeker haast bij. De magistraten van de stad zijn er als de dood voor dat de inwoners van Veurne en van de kasselrij de gevangenis zouden overvallen om hun vrienden en familie te komen bevrijden. Dat was al eens eerder gebeurd. Uit voorzorg worden er vijfentwintig extra soldaten aangetrokken om de gevangenen te bewaken.

Ik kom tussendoor te weten dat Veurne sinds vorig jaar een nieuwe ontvanger heeft. Jonkheer Charles Halewyn, de heer van Ekelsbeecke en Ledrighem verkoopt zijn erfachtig ontvangerschap over de kasselrij aan Joos Weeghsteen. Voor de rest is het allemaal de persoon van Alva die de klok slaat. Het magistraat van Veurne-Ambacht krijgt zijn dwingende opdracht om de parochies uit te kammen. Een onderzoek om tot in de fijnste details na te gaan hoe de inwoners zich hebben gedragen tijdens de vorige beroerten. Alles moet genoteerd en daarna doorgestoken worden aan de procureur-generaal.

De hertog van Alva zwaait nog met een andere nieuwigheid. De burgers van Vlaanderen zullen elk individueel een eed moeten afleggen. Zweren dat ze trouw zullen blijven aan kerk, koning en staat. De tekst van de eed werd opgesteld aan het koninklijk hof en daarna opgestuurd aan het stadsbestuur. De grondige controles en de verplichte eedaflegging zorgen voor grote beroering in de Westhoek. Bijna iedereen heeft wel boter op het hoofd. De mensen hebben zich laten gaan aan het nieuw geloof en de plakkaten van de koning altijd wel ergens genegeerd. Veel vertrouwen in de toekomst is er momenteel niet te merken hier op het platteland.

Daarbij komt zich dan nog een ander fenomeen aanmelden. Wilde geuzen die op de vlucht geslagen waren naar Frankrijk en Engeland en daar een tijd geleefd hebben met de opbrengst van gestolen goed, hebben die ondertussen al helemaal verteerd en komen terug voor een tweede ronde van plunderingen. ‘Ze zijn andermaal naar West-Vlaanderen teruggekeerd in de hoop van nog eens hun zak te kunnen vullen met de roof die ze in de kerken en bij de geestelijken zouden maken en verder ook om zich te wreken op diegenen die er voor gezorgd hadden dat hun medeplichtigen eerder opgepakt waren.’

Mijn schrijver gaat kopje onder in de details. Onder de subtitel, ‘een bende wilde geuzen landt in Oostende en trekt via Wulpen en Hondschote naar Killem’, vertelt hij over de komst van een heel schip oproerigen. Dat gebeurt op 18 september 1568. ‘Een bende van zulk volk, ze zijn met zijn zeventien, scheepte in te Catwyck in Engeland en arriveerde met de nodige goede wind te Oostende. Rond drie uur in de namiddag. Omdat het schip niet veel anders dan met moordenaars bevracht was en de schipper wel degelijk wist welk vlees hij in zijn kuip had, durfde hij de haven niet binnenvaren.’

‘Hij bleef in zee dobberen en van zodra het schip vast kwam te liggen, kwamen enkele boten er op af om controle uit te oefenen op de koopwaar aan boord. De kapitein beweerde dat hij ongeladen terugkeerde van Duinkerke. Ondertussen verscholen de kwaadwilligen zich in het onderste gedeelte van het schip. Met het invallen van de avond kwamen de heretiekers aan land en tijdens de nacht haastten ze zich naar Wulpen. Een van hen ging op onderzoek of ze de kerk hier niet zouden kunnen beroven maar vond dat niet opportuun. Zo bleven ze zich de hele dag schuilhouden achter een haag.’

’s Avonds namen ze de weg naar Hondschote. Hun enige tussenstop was in een donkere herberg ergens onderweg waar ze zich konden opfrissen. Nog voor het krieken van de morgen waren ze al in Killem waar ze opgevangen werden door volk van dezelfde gezindheid. Dertien heretiekers erbij. Na een korte rustperiode zetten ze zich weer op gang en arriveerden ze aan een stuk land ergens tussen Hondschote en Roesbrugge waar ze zich in kleine groepjes opsplitsten. Ze spraken af dat ze elkaar zouden terugzien tijdens de nacht van 27 op 28 september op het kerkhof van Kaaster. Daar zouden ze bespreken hoe ze nu het best hun voornemens zouden kunnen uitvoeren. Ze wilden immers met geweld de gevangenissen openbreken en hun vrienden bevrijden. Verder kon er worden uitgekeken hoe ze nog wat rijk volk zouden kunnen aanvallen en beroven. Maar eerst moest hun aantal groot genoeg zijn om dat allemaal aan te kunnen.’

In afwachting van die meeting pleegt een kleine groep verzetslieden alvast een aanval op het klooster van Eversam. Daarbij wordt een geestelijke zwaargewond achtergelaten. Ze stelen alles wat ze kunnen dragen en haasten zich daarna naar de beschuttende veiligheid van de bossen van Westvleteren. De geplande ontmoeting in Kaaster is niet bepaald een succes. Er dienen zich twaalf gezellen op tijd aan. Op de toren speuren er wachters in het rond en daardoor blijven die van Hondschote, Nieuwkerke en Steenwerck netjes weg. De voornemens die ze ooit gemaakt hadden in Engeland worden voor onbepaalde tijd uitgesteld.

De twaalf die er wel aanwezig zijn trekken zich nog voor dageraad terug in het nabijgelegen bos. De nacht die volgt verplaatsen ze zich naar een bos in de buurt van Ieper. Ze zullen daar wachten op extra hulp. ‘Maar de voorzienigheid had andere plannen met de schurken. God zal er wel een stokje in hun wielen gestoken hebben.’ Pauwel is er zeker van. Enkele soldaten onder leiding van de officier van Ieper nemen het groepje rond drie uur in de namiddag gevangen en leveren de mannen prompt uit aan de lokale justitie. Ze krijgen daarbij trouwens de hulp van enkele landlieden. Hoe ze achteraf berecht worden kom ik helaas niet te weten.

Jan Camerlynck houdt het nog bijna het langst van allemaal vol. Welke reputatie van roof en moord heeft hij voor zichzelf toch opgebouwd? Er is haast niemand in de Westhoek die hem niet kent en niet vreest. Hij heeft zich als leider van de wilde geuzen laten uitmunten met zijn boosheid en zijn onmenselijkheid. Tot hij alsnog opgepakt wordt. Met al wat hij op zijn kerfstok heeft is iedereen er zeker van dat hij een ongehoorde straf zal krijgen. Zijn verdiende loon is er dan ook een om van te gruwen.

‘Op de 20ste november van 1568 sprak de stadhouder van mijnheer van Mouscron, soeverein-baljuw, te Ieper een schromelijk vonnis uit over hem. Eerst zou men hem de oren afsnijden. Dan moest hij op een slede gebonden, gesleept worden in dezelfde ommegang waar de processie zijn tournee doet plus nog eens de ronde van de markt waar men hem zes keer zou slaan. Tijdens de slagen moest hij iedere keer geknepen worden met een gloeiende tang. Daarna moest hij naar het schavot geleid worden, zou men hem met kettingen aan een staak binden.

Aan de top van deze staak moest een ton met pek geplaatst worden die nu in brand zou worden gestoken waarbij het brandend pek nu op Camerlynck zou druppelen. En of dat nog niet allemaal voldoende zou zijn, moest er rond hem een groot vuur worden aangestoken. In deze allerschrikkelijkste straf is hij gestorven. Luttele tijd voor zijn dood heeft de leider zich nog bekeerd en gebiecht. Veel van de medeplegers van Jan Camerlynck hebben zo in Veurne en in andere plaatsen op een wrede manier de dood ondergaan.’

Er bieden zich nu andere narigheden aan voor de bevolking. De hertog van Alva heeft de oproer in de Nederlanden op zijn eigen drastische manier gestild en wil nu de vruchten van zijn overwinning plukken. Belastingen en taksen op het hoofd van de bevolking. Die zullen deels aangewend worden om de kosten van de voorbije oorlog te compenseren. De rest zal in een pot gestort worden om volgende projecten te financieren. Op 26 maart 1569 roept de hertog de Verenigde Staten van de Nederlanden samen te Brussel. ‘Kijk eens naar al die kosten die gemaakt werden om de oorlog hier te beëindigen’, claimt Alva.

En dan komt de aap uit de mouw. Elke inwoner moet één percent, de zogezegde honderdste penning, afdragen op de waarde van al zijn of haar roerende en onroerende eigendommen. Een vermogensbelasting avant la lettre. Daarnaast zal vijf percent moeten worden betaald op de verkoop van onroerende goederen. Ook de handel en de nijverheid worden met een taks bedacht. Een heffing van tien percent op de verkoop van alle onroerende goederen, koopwaren allerhande, zeg maar een btw in zijn primaire vorm.

De afgevaardigden van Veurne en zijn kasselrij keren met deze ongezellige boodschap terug naar de Westhoek. De magistraten en de ingezetenen krijgen te horen dat er direct zal begonnen worden aan een vermogensregister. Een inventaris van de eigendommen van alle inwoners. De mensen kunnen daar natuurlijk niet echt mee lachen. Anno 2017 zouden er al twaalf dozijn actiegroepen op hun achterste poten zijn gaan staan. In 1569 is dat niet anders, maar dan wel in een andere vorm; ‘die eis veroorzaakte, zowel in de stad als in de kasselrij een grote verwondering en beroering, net zoals in al de andere steden van de Nederlanden.’

Op 21 april 1569 worden de edelen, de notabelen en de gezanten van de Acht Parochies uitgenodigd voor een algemene vergadering. Iedereen mag zijn advies verstrekken en reageren op de aangekondigde belastingmaatregelen. Na het voorlezen van de brieven van Alva. De aanwezigen komen tot het besluit om een tegenvoorstel te doen om alsnog te kunnen ontsnappen aan de ongehoorde schattingen. Ze zijn bereid om de bestaande belastingen en toelages aan het hof wat te verhogen, in de mate dat dit mogelijk is en conform de noden van het land. Er wordt een brief opgesteld en opgestuurd naar de Raad van Vlaanderen. Veurne wil best praten over de vermogensbelasting maar verzoekt om in geen geval de vermelde heffingen op omzet door te voeren.

De leden van de Raad van Vlaanderen komen op hun beurt tot een overeenkomst met Alva. De vermogenstaks kan afgekocht worden voor de som van achttienhonderdduizend gulden. Tijdens de oktobermaand krijgt het bestuur van Veurne-Ambacht hun quota in de lasten binnen: 184.069 ponden, te betalen in drie keer: een eerste betaling op 2 februari 1570, een tweede deel einde juni en de rest met kerstdag van hetzelfde jaar.

Pauwel Heinderycx buigt zich nog even over die fameuze honderdste penning die zal betaald worden zolang Alva zich in de Nederlanden ophoudt. Na zijn vertrek zal de schatting van de Raad van Vlaanderen plaats ruimen voor een effectieve inventarisatie van de eigendommen. Enkele taxeerders van het hof zelf zullen de baan opgaan om alles te schatten. Landerijen, huizen, molens, renten, huisraad, juwelen, beesten, zaden en alle andere soorten van goederen. De afgezonden mannen proberen steevast alles zo hoog mogelijk te taxeren. De landhouders en de schepenen doen wat ze kunnen om af te dingen op de schattingen en zo regelen ze veel zaken in het voordeel van hun inwoners.

De hertog van Alva ondervindt grote problemen bij het ophalen van zijn tiende en zijn twintigste penning. Je weet wel; de btw op omzet en de taks op verkoop van onroerend goed. Een van de grootste obstakels van de povere opbrengst is uiteraard de wetenschap dat de commerce op zijn gat zit. Wat wil je? Het grootste deel van de neringdoenden en stielmannen zijn het noodgedwongen afgetrapt naar het buitenland uit vrees voor de genadeloze represailles van diezelfde Alva en zijn Bloedraad. De hertog signaleert de problemen die hij ondervindt en ziet maar één mogelijkheid. Kan de koning de spons niet gooien over het verleden zodat de bewoners weer naar hun huizen zouden durven terugkeren?

Je moet maar durven. Ik onderbreek even om eens goed te lachen met Alva en zijn Spaanse koning Filips II. Als het over geld gaat dan mogen de principes best even overboord. Zonder scrupules. Zonder gêne die vraag om algemene vergiffenis. Alsof de mensen ooit nog enig vertrouwen zullen hebben in deze twee sujetten. Maar goed, ik kijk terug naar de goedkope demagogie van deze Alva. ‘Hij verzocht aan de koning dat hij aan zijn onderdanen in de Nederlanden zou believen een algemeen pardon over alles wat er in het verleden gebeurd was zodat de gevluchte Vlamingen en Nederlanders die op den vreemde doolden nu naar huis zouden kunnen keren. Hij hoopte daarmee de harten van de inwoners terug te winnen en vooral de zo belangrijke tiende penning te kunnen ophalen.’

Ik blijf de toestand met het nodig cynisme bekijken. Vooral nu ook de paus op de pinnen komt. ‘De koning keurde het verzoek van zijn hertog goed en hij zond aan Alva een bulle van paus Pius V waarbij men opnieuw in het land mocht binnenkomen. Men moest genade schenken aan al de gevluchte onderdanen, ook aan diegenen die zich verwijderd hadden van de katholieke religie. Met uitzondering wel te verstaan van hun ministers, diakens, consistorianten en ook de beeldenstormers en de kerkbrekers moesten op geen genade rekenen.’

Op 21 juli 1570 wordt de pauselijke bulle voorgelezen in Veurne. ‘Dit gaf oorzaak dat er veel gevluchte ingezetenen naar de kasselrij terugkeerden. Ondanks het algemeen pardon kon de hertog de staten van het land er niet toe bewegen om zijn zo begeerde tiende penning aan hem te betalen.’ Net zoals ik gedacht had. De mensen zijn misschien wel gek maar zeker niet dom. En net nu ik in een sarcastische bui ben, komt er nog zo’n leuk hebbedingetje uit het verleden naar me toegewaaid. Ik kon het me niet beter wensen. De benedictijnen van de abdij van Sint-Jan ten Berge binnen Terwaan bezitten al van oudsher een privilege om twee varkens te laten rondlopen langs de straten van Veurne. De zwijntjes voeden zich met alles wat ze op hun weg vinden en opvreten.

In zijn voetnoot heeft Pauwel het over de Sint-Antoniusvarkens. Een zekere Anthony van Wachendorff heeft er in 1775 een interessant artikel over geschreven. In geen tijd heb ik het bewuste kleinood te pakken. De beesten lopen hier rond ter ere van Antonius van Padua, de beschermheilige van de varkens in de rooms-katholieke kerk. Ik voel me direct aangesproken! De varkens die dus in Veurne en de andere steden rondlummelen doen dat als een vorm van verering voor diezelfde Antonius. Als je iets niet vindt moet je ook bidden voor Antonius. Wel dat is dus de man van de zwijntjes. Uiteraard kunnen dat geen gewone dieren zijn. Ze zijn natuurlijk gewijd, gewijde varkens verschillen van de gewone exemplaren omdat ze met bellen geringd worden, één oor ontbreken en gesigneerd zijn met het teken van Antonius. In elk geval: de heilige varkens lopen vrij in de stad wegens een toegekend privilege van de heilige stoel van Rome.

Sommige inwoners proberen trouwens hun eigen varkens een upgrade te bezorgen en transformeren hen in namaak Sint-Antoniusvarkens. Bedrog is van alle tijden. Met de obligate bellen, de tattoo’s en het oor af zijn ze niet te onderscheiden van de echte gewijde. Zo pogen ze God en zijn heiligen te verschalken. Tot de Raad van Vlaanderen ingrijpt. De varkens zelf zijn bestemd voor gestichten en godshuizen toegewijd aan diezelfde heilige kwast. Een nobel doel dus voor armen en behoeftigen. Ware het niet dat sommige geestelijken spottend omschreven worden als zelf zijnde Sint-Antoniusvarkens omdat ze beweren tot acht keer per dag te moeten eten ter ‘erkentenis der behoeftigheid van de mens.’

Ik kom terug op die varkens van Terwaan die hier meeleven met de poorters van Veurne-stad. Keizer Karel heeft tijdens zijn leven datzelfde Terwaan met de grond gelijkgemaakt, maar heeft eigenlijk die varkens over het hoofd gezien. Jaren na zijn dood wordt de vergissing duidelijk en wordt het geregeld dat het Sint-Antoniusklooster van Belle nu de licentie krijgt om de varkens over te nemen en te laten vetmesten met het straalvuil van Veurne. De overeenkomst wordt op 9 maart 1570 ondertekend door broeder-abt Jan Vander Heyden. Wat een sappige entr’acte toch tussen al dat dwaas godsdienstgeweld.

Het jaar 1570 brengt al bij al beschouwd toch wel de nodige overlast. Vooral het garnizoen Spanjaarden die Alva naar Veurne heeft gestuurd, zorgt voor erg veel ongemakken bij de burgers. De soldaten moeten natuurlijk ergens te slapen gelegd worden en dat jaagt de Veurnenaars deftig in de kosten. Om die grote onkosten en de moedwilligheden te voorkomen zijn er nogal wat poorters die hun hebben en houden op karren laden en met de noorderzon vertrekken. Op zijn beurt zorgt dat er natuurlijk voor dat de globale kosten moeten opgevangen worden door altijd maar minder burgers. Op 5 november legt het stadsbestuur een boete van zestig ponden op voor diegenen die de plaat willen poetsen. Met bovendien een arbitraire correctie, wat dit ook in werkelijkheid mag betekenen. Huisgezinnen worden verplicht om met hun goederen binnen de stadsmuren terug te keren en krijgen ook nog eens de tiende penning van de waarde van hun eigendommen aangesmeerd.

In 1571 hernieuwt de hertog van Alva zijn pogingen om zijn geplande taksheffingen te realiseren. Er komt een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal. Hij heeft nu al flink wat water in de wijn gedaan maar nog altijd weigert de hoogste instantie van het land akkoord te gaan met deze nieuwe belastingen. ‘Daarom was de hertog zo kwaad dat hij zwoer dat hij zijn die belastingen goedschiks kwaadschiks zou binnenhalen en dat hij zijn landen daartoe zou dwingen. Daarom bleef hij ook zijn legertroepen in het land houden.’

Tussen het geruzie om de tiende penning door blijven de weggevluchte geuzen zich wapenen. ‘Ze schuimden de zee af, maakten dagelijks grote buit op de Spaanse en de Nederlandse schepen die ze kaapten, waardoor ze zowel in macht als in rijkdom wonnen.’ De wilde geuzen en de bosgeuzen hebben zich getransformeerd tot watergeuzen. Ze worden door iedereen gevreesd omwille van hun stoutmoedigheid. De watergeuzen beletten nu grotendeels de koophandel op de kusten. De thuisbasis van de kapers zijn de Franse havens waar de hugenoten, hun Franse calvinistische broeders het voor het zeggen hebben. Ook in Engeland kunnen ze met toestemming van de koningin aanmeren, laden en lossen. In Veurne kijken ze verrast op dat de zeeschuimers ook nog de steun krijgen vanuit het noorden van het land. Niemand minder dan de prins van Oranje, de admiraal ter zee voor de koning van Spanje blijkt sympathieën te koesteren voor de piraten. Ik maak de geboorte van de Oranjevloot mee.

De jaarboeken hier in Veurne getuigen over de grote malheuren die ze er aanrichten. ‘Deze zeerovers, nu zeer sterk zijnde, kwamen tot in de havens van de Nederlandse steden om buit te zoeken en ze werden altijd maar stouter en driester waarbij ze nu ook al via de binnenwateren doordrongen tot in het binnenland op zoek naar roof. Ze deden dat op het einde van de meimaand wanneer ze op de parochie van Oostduinkerke arriveerden waar ze enkele huizen plunderden. Na de gevangenname van drie landlieden namen ze die mee op hun schepen. Ze hadden datzelfde scenario trouwens al enkele dagen geleden al uitgevoerd in de parochie van Adinkerke.’

De magistraten van Veurne-Ambacht moeten wel reageren om deze vijandelijke aanrandingen in de toekomst te verijdelen. Een militie van tachtig man te voet staat in de steigers. Louis de Loueuse, de hoogbaljuw van de kasselrij neemt de leiding van de militie op zich. Het komt er op neer dat er dag en nacht gewaakt wordt langs de stranden. Enkele mannen te paard onder leiding van Francisco Martin moeten voortdurend heen en weer galopperen langs de waterlijn. Op de kerktorens van Adinkerke, Wulpen en Ramskapelle houden bewakers de regio in de gaten en bij het minste onraad slaan ze alarm.

Wat ik daarnet nog vertelde over de prins van Oranje dringt nu echt door tot in het hart van de Westhoek. Terwijl de watergeuzen de scepter zwaaien over het Kanaal is Willem van Oranje blijkbaar volop bezig met de uitbouw van een calvinistisch leger. Hij wil de macht in de Nederlanden overnemen, waar de turbulentie en de oproer omwille van de tiende penning nog altijd hoge toppen scheert. De steun vanuit het noorden zorgt voor extra zelfvertrouwen voor de geuzen. Groepjes verzetsleden dringen opnieuw het land binnen waarbij ze op zoek gaan naar pastoors en andere geestelijken.

Tijdens de junimaand van 1571 laat Alva een plakkaat publiceren waarbij de religieuzen beter beschermd zullen moeten worden. In al de parochies van de kasselrij worden er maatregelen in die zin genomen, maar toch blijft de ellende voor de priesters aanhouden. Op 18 december 1571 verwittigt Alva de magistraten nog eens extra. Wie de mishandeling van geestelijken niet kan voorkomen zal persoonlijk verantwoordelijk gesteld worden en dat geldt ook voor de magistraten in functie.

Die doen er nu natuurlijk nog een schepje bovenop. ‘Het magistraat wilde absoluut nog verdere invallen vermijden en liet op de kosten van de gemeenschap versterkingen aanbrengen op al de kerktorens van de kasselrij. Er werd een borstwering met schietgaten voorzien. Men verzocht aan de geestelijken dat ze zich overnacht bij hun wachten moesten ophouden. Deze versterking ziet men hedendaags nog altijd in de kerken van onder andere Leisele en Houthem waar ze nog altijd intact herinneren aan die tijden.’

Het jaar 1572 is ondertussen al aangebroken. Alva is er nog altijd niet in geslaagd om zijn belastingwetten door het parlement te loodsen. De ‘Generale Staten’ blijven zich verzetten. De hertog probeert nu stad per stad zijn wil op te leggen en de tiende penning met geweld af te dwingen. Hiermee zorgt hij voor een verdere escalatie van de onrust in het land. Waarom Alva zo fanatiek bezig is met het ophalen van nieuwe middelen heeft alles te maken met de politieke toestand in het noorden en het zuiden van Vlaanderen. De naam van de ‘hugenoten’ valt opnieuw. In 1570 hebben ze vrede gemaakt met de Franse koning. Hun aanvoerder Coligny sluit een deal met Willem van Oranje om de Spaanse macht in de Nederlanden om zeep te helpen.

Coligny zou met zijn leger van hugenoten de Franse grenssteden aanvallen terwijl Oranje net hetzelfde zou doen in het noorden. Limburg en Brabant. Hij zou zich laten bijstaan door Duitse hulpbenden. De bewuste vrede van 1570 zorgde ervoor dat ook de Franse koning deze plannen steunt. Alva ziet zichzelf in de tang geplaatst en moet zijn leger doelmatig uitrusten en daarvoor ontbreken natuurlijk de middelen. Hij moet rekening houden met een lange en een slopende oorlog maar slaagt er dus helemaal niet in om zijn broodnodige tiende en twintigste penning bij elkaar te harken.

Pauwel vat de situatie goed samen: ‘door de nood en door de komst van zijn vijanden werd hij wel gedwongen om zijn geldmiddelen op te eisen. Alva besloot op eigen kracht en tegen de wil van de staten deze belastingen te bevelen en gebood aan de ambtenaren dat ze zouden beginnen met de heffing van de fameuze penningen.’ In het noorden is de aanval van de geuzen al een realiteit voor Alva. Graaf Willem Vander Marck, de heer van Lummen en viceadmiraal van de Oranjevloot zeilt begint 1572 met zijn machtige vloot via de Maas landinwaarts tot bij de stad van den Briel welke hij verovert en laat voorzien van een eigen garnizoen.

De inwoners van de andere steden van Holland en Zeeland beseffen dat de oorlog tegen de Spanjaarden begonnen is en kiezen prompt de zijde van Oranje. Dat heeft vooral te maken met de dwingende maatregelen die Alva neemt om toch maar aan zijn tiende penning te geraken. De hertog beseft dat hij de zaken niet langer met geweld mag forceren en doet nog maar eens een diplomatieke poging bij de Generale Staten. Hij kan de afgevallen staten niet terugbrengen onder het gezag van de koning zonder dat hij daarvoor niet de nodige middelen ter beschikking krijgt.

Dit keer plooien de Leden van Vlaanderen wel. Het heeft wel ongehoord veel voeten in de aarde. Onderhandelingen, overwegingen, overleg, maar de hertog krijgt voor wat Vlaanderen betreft wel zijn zin. Korte tijd later krijgen de Vlaamse steden het nieuws te horen. In het noorden mag Alva het op zijn buik schrijven om daar geldmiddelen in te zamelen. Integendeel zelfs. Sinds dat Holland en Zeeland de kant van Oranje hebben gekozen, voeren ze nu hun verzet op tegen de andere steden van de Nederlanden.

‘Over deze toestand was men in de stad en de kasselrij van Veurne zeer bevreesd. Vooral omdat de hertog nog liet schrijven aan het magistraat dat ze goed de wacht moesten houden, zowel in de stad als langs de zee. en dat men al de granen van de kasselrij moest binnenbrengen in de stad van Veurne zodat de vijandelijke legers nergens levensmiddelen zouden kunnen vinden. De poorters moesten een dubbele provisie van graan voorzien voor het geval er Spaanse legers zouden komen logeren en dat ze dan dit graan tegen geld zouden kunnen verkopen aan die lui. Bij andere brieven van 25 juni 1572 eiste hij vier paarden en een wagen op, terwijl de kasselrij verplicht werd om zesennegentig trekpaarden beschikbaar te maken voor zijn leger.’

Dergelijke zaken lieten vermoeden dat er veel te gebeuren stond. Men zag ook dagelijks veel vreemd en ongewapend volk. Vooral Fransen die in kleine groepjes door de kasselrij trokken richting Holland. Wanneer onze mensen hen dan vroegen waar ze heen gingen antwoordden ze dat ze in dienst wilden gaan van de koning van Spanje. Een dikke smoes natuurlijk. Van zodra Alva dit te horen kreeg liet hij aan de magistraten hier weten dat ze al die landlopers niet meer alleen door de Westhoek mochten laten schuimen maar dat ze opgepakt moesten worden.’

Het bestuur van Veurne en omstreken doet zijn best om zijn ingezetenen in deze tijden van nood te beschermen. De stad wordt voorzien van oorlogsmunitie, voornamelijk buspoeder dat er pas mag komen na de goedkeuring van Alva zelf. Er volgt een aankoop van een goede achthonderd pond schietpoeder in Antwerpen. Langs de wegen wordt er voortaan streng gewaakt. Iets wat ook het geval is langs de kust. Vooral aan de Ijde te Oostduinkerke is de controle scherp. Veurnse spionnen vermengen zich met de geuzen in Catwyck en Vlissingen en komen zo te weten dat er een grote aanval voorbereid wordt om West-Vlaanderen binnen te vallen. Nieuwpoort zou wel eens het doelwit kunnen zijn. Dat is meteen ook de reden waarom keurheer Charles Clays zich op de avond van 6 juli 1572 naar ginder haast om er aan te dringen op een punctuele wacht vanwege van het dreigend gevaar.

Een aantal vissersboten vaart heen en weer op de Noordzee om eventuele vrijbuiters te spotten. Die van Veurne sturen gezanten naar de heer van Rasseghem om hem in informeren over de vijandelijke plannen van een mogelijke invasie. Rasseghem bevindt zich op dat moment in Brugge en is belast met het toezicht op de Vlaamse kustlijn. Ook de bestuurders van het Brugse Vrije worden gewaarschuwd dat Nieuwpoort wel eens in zwaar weer zou kunnen terechtkomen.

Door al die waarschuwingen wordt het garnizoen nog tijdens diezelfde julimaand gevoelig versterkt. En dat blijkt ook wel nodig. Op 26 juli worden er eindelijk een groot aantal schepen opgemerkt op de Noordzee. Tussen ter Ijde en Nieuwpoort. Victor Masin, de landhouder van de commune haast zich de voeten van onder zijn lijf naar het klooster van Ter Duinen waar hij het eskadron soldaten dat hier logeert stante pede naar ter Ijde stuurt en hen de opdracht geeft om indien nodig mee te helpen om Nieuwpoort te bewaren.

‘Bij het vernemen van de dreiging op zee gebood men opnieuw aan al de inwoners van de parochies dat het wapendragend volk zich klaar moest houden. In geval van nood zullen de oorlogsklokken luiden en dan moet iedereen zich gewapend naar Veurne reppen. Maar de vijandelijke vloot bleef maar rondzwerven. De geuzen begrepen dat Nieuwpoort wel verdedigd was en van alles voorzien waardoor ze zelf niet in hun eigen kansen geloofden en ze zonder aanvallen dan maar weer vertrokken. En daar was men in Veurne en Veurne-Ambacht zeer blij om.’

De hertog van Alva zal het niet graag zien. Elke dag opnieuw verliest hij terrein aan zijn vijanden. De ene stad na de andere wordt calvinistisch grondgebied. Terwijl hij zichzelf niet behoorlijk kan verdedigen. Het oude leenmanschap wordt als ultiem redmiddel uit zijn oude doos gehaald. ‘Hij deed al zijn leenmannen opdagen en gaf hen het bevel om zich behoorlijk te bewapenen en de koning bij te staan in zijn oorlog. Wie zich niet engageerde voor Filips II mocht rekenen op een verbeurdverklaring van zijn leen.’ Deze boodschap wordt in juli 1572 te Veurne aangekondigd.

De schatters zijn nu ook begonnen met hun ronde om de waarde van de eigendommen te taxeren. De vermogensbelasting is nu heel erg dichtbij. De eigendommen en de landerijen in het Veurne-Ambachtse worden beduidend hoger geschat dat dit in het verleden het geval was. Redenen worden daarbij niet gegeven. Gelukkig verzetten de raadsleden zich tegen de absurde schattingen en kunnen ze die reduceren tot de gebruikelijke bedragen. Ik noem het gelukkig omdat er anders ongetwijfeld trammelant zou van gekomen zijn.

De kerken en de kerktorens worden stuk voor stuk beveiligd. Daar zorgt het magistraat voor. De geestelijken moeten absoluut veilig kunnen leven. Ze krijgen allemaal wachten om hen te beschermen. Het valt op dat een deel van hen niet zinnens is om zich in hun bastions te laten opsluiten en dit ondanks de eis van de bestuurlijke overheid. Ze dienen hieromtrent een klacht in bij de bisschop van Ieper. ‘Wij zien hier geen geuzen’, beweren ze, ‘de hele bevolking lijdt onder de beveiligingsmaatregelen’, maar de bisschop kiest de kant van de baljuw. Zijn priesters moeten overnachten in hun versterkte kerken. Doen ze dat niet dan zullen ze niet langer moeten rekenen op inkomsten.

Begin oktober 1572 krijgt Vlaanderen het bezoek van zowat drieduizend geuzen uit Zeeland. Eigenlijk willen ze Brugge per verrassing innemen. Enkele kwaadwillige ingezetenen zullen hen hierbij helpen. Maar die kunnen hun mond niet houden zodat het hele plan de mist ingaat. De Zeelanders verschuilen zich dan maar her en der in het Brugse Vrije. Het is koffiedik kijken naar wat ze nu van plan zijn. Voor alle zekerheid wordt de Ijzer extra in de gaten gehouden. Keurheer Charles Clays detacheert het eskadron soldaten die in Ter Duinen logeert naar de kust om er de waterlijn te gaan bewaken. Voor de geuzen is er blijkbaar geen doorkomen aan. Na korte tijd zien ze het zinloze van hun plannen in en vertrekken ze van waar ze gekomen zijn.

De hele winter op weg naar het voorjaar van 1573 wordt er ferm wacht geklopt in zowat de hele kasselrij. Zowat alle wegen van de kasselrij zijn voorzien van slagbomen met wachters die ze bedienen. Zo bijvoorbeeld op de brug bij de Peereboom, te Elzendamme en te Staveldamme. De vrees dat Nieuwpoort wel eens bij verrassing zou kunnen worden ingenomen zorgt voor buitensporige veiligheidsmaatregelen. Het magistraat van Veurne-Ambacht dringt er bij de collega’s van het Brugse Vrije op aan dat ook zij hun wegen moeten bewaken. De geuzen zouden maar wat graag deze belangrijke zeehaven in hun macht krijgen. Het zou inderdaad een prima bastion zijn om de Spanjaarden aan te vallen.

Die van Veurne hebben het bij het rechte eind. Dat blijkt al in het prille voorjaar van 1573. ‘De rebellen voedden voortdurend hun voornemen om Nieuwpoort bij list te winnen en deden de ene na de andere poging om in hun opzet te slagen. Daarom lieten ze enkele kwaadwilligen die zich al een tijd schuilhielden in Ieper en Hondschote een schip klaarmaken in de buurt van Roesbrugge. De lading bestond uit musketten, flessen en maten vol met buspoeders. Samen met lonten, ballen en andere munitie. Allemaal materiaal dat bruikbaar was om een aanslag te plegen.’

‘Enkele oproerkraaiers voeren met het gezegde schip tijdens de nacht van 23 maart 1573 naar Nieuwpoort. Daar zouden ze in contact komen met een massa ongewapende geuzen die zich daar bedekt opstelden en zich daarna zouden wapenen met het materiaal van het schip. Maar nog voor het vaartuig op zijn bestemming geraakte werd het ontdekt door het landvolk van de kasselrij. Die van Nieuwpoort werden direct gewaarschuwd en die stuurden een massa volk om zich meester te maken van het schip.’

De mislukte aanslag op Nieuwpoort maakte trouwens deel uit van een groter plan. Allemaal uitgedokterd op een hoger niveau. Diezelfde nacht wordt er op het strand van Koksijde veel gewapend volk aan de grond gezet. Ze arriveren allemaal in kleine schuiten. Ze dienen op een bepaald tijdstip deel te nemen aan een aanval op Nieuwpoort. Ook daar liggen trouwens enkele schepen klaar om de haven binnen te varen. Hun bemanning staat klaar om bij het geringste teken de stad te bespringen. In de hele Westhoek krioelt het van het vreemd volk dat allemaal ongewapend richting Nieuwpoort trekt en hoopt om ter plekke voorzien te worden van de nodige wapens om hun aanslag op deze havenstad met succes te kunnen uitvoeren. ‘Wat een geluk toch dat God de Almogende deze plannen heeft gedwarsboomd.’ De schrijver looft zijn Heer en Meester en schrijft verder over de grote blijdschap die er in de regio Veurne heerst omwille van het mislukken van deze onderneming van de geuzen.

Het hof van Alva wordt op de hoogte gebracht van de mislukte aanslag en geeft direct de instructies aan het magistraat dat elk schip die zich onder hun jurisdictie bevindt voortaan zal moeten gecontroleerd worden. En dat ze alle mogelijke hulp en bijstand dienen te verlenen aan die van Nieuwpoort. Vier dagen later is er opnieuw stront aan de knikker: ‘op 27 maart 1573 werd aan het magistraat van Veurne-Ambacht gemeld dat er rond middernacht twintig gezellen door Bulskamp waren getrokken. Ze stapten in rijen van drie, met een musket in de ene hand en in de andere hielden ze brandende lonten vast terwijl ze de weg opgingen richting Hondschote. Dat volk was ongewapend binnengekomen in de kasselrij en moest dus ergens deze wapens hebben opgepikt. Met dat materiaal zouden ze nooit binnen geraakt zijn in Veurne-Ambacht, want langs de wegen werd er secuur wacht gehouden.’

Er wordt dus met de nodige argwaan gekeken richting Hondschote. Veurne-Ambacht stuurt er direct een groep afgezanten naar toe om hun collega’s te informeren over de stand van zaken en te insisteren op een versterkte screening van hun inwoners. En natuurlijk een vraag om extra uit te kijken naar die bewuste gewapende militie. Dat volk moet hier ergens verborgen zitten. Het magistraat van Hondschote kwijt zich natuurlijk plichtbewust van zijn taak maar vindt uiteraard alleen maar ongewapende burgers. Ze kijken allemaal als onschuldige eerstecommunicanten maar in werkelijkheid is een meerderheid van de saaiwerkers hier bijzonder genegen aan de geuzen.

Op 20 april 1573 komen er geuzen en oproerkraaiers aan land te Koksijde, met kleine bootjes bereiken ze ongezien het strand. Ze zijn van plan om het klooster van Ter Duinen en de parochie zelf te plunderen. De rovers komen oog in oog te staan met de bewakers die er opgesteld staan om de monniken te beschermen. Het komt tot een vuurgevecht waarbij de wachten vier van de geuzen doodschieten en de rest op de vlucht slaat. De bewakers slagen er nog in om drie van hen bij de lurven te vatten. Kort daarna worden ze in Veurne opgeknoopt. De uitgestrektheid van het strand noopt de overheid tot het uitbreiden van de bewaking. In de duinen van Koksijde en ter Ijde wordt twee stallen gebouwd. Het aantal ruiters dat de kustlijn in de gaten moet houden wordt gevoelig opgedreven en er is ook sprake van meer voetgangers welke onder het bevel staan van Francisco Martin.

In Nieuwpoort zijn ze er evenmin gerust in. De reeks mislukte aanslagen op de stad zorgt voor schrik en ongerustheid. Er moet dringend extra bescherming komen en er wordt daarbij gekeken naar het magistraat van Veurne-Ambacht. Op de leden van de Raad van Vlaanderen moeten ze blijkbaar niet veel rekenen want die laten het ‘hun gat horen’. ‘Ze vroegen bijstand van leeftochten, geschut, wapens en andere oorlogsgereedschap, samen met werklieden om hun stad te versterken. Ze argumenteerden zich door te stellen dat het behoud van Nieuwpoort van groot belang was voor Veurne en Veurne-Ambacht zelf.’

Veurne doet in elk geval zijn best voor zijn buurstad. Op 10 september sturen ze een delegatie naar graaf van Roeulx (Jan van Croy), de koningsgezinde toezichthouder over West-Vlaanderen. De oproep van Nieuwpoort zal overgemaakt worden aan de vijf Leden van de Raad van Vlaanderen. Voor alle duidelijkheid heb ik het hier over Gent, Brugge, Ieper, het Brugse Vrije en de vijfde stem gaat naar de geestelijkheid in het algemeen. En ook de zeven kasselrijen van de Westhoek zullen deze vraag voorgelegd krijgen.

‘De hertog van Alva die de Nederlanden nu al zes jaar bestuurd had, werd door de koning van Spanje teruggeroepen. Hij nam met een beleefde brief afscheid van de magistraten uit Veurne en Veurne-Ambacht. Diezelfde wethouders ontvingen kort daarna een brief van de koning zelf waarbij hij hen waarschuwde dat Luis de Zúñiga y Requesens, groot-commandeur van Castilië op 17 november te Brussel zou aankomen en dat deze man Alva ging opvolgen.’ Alva’s vertrek laat niemand onberoerd.

Mijn nochtans katholieke schrijver geeft hem een serieuze blaam. Hij wordt ook maar koeltjes ontvangen in Spanje. En gelijk hebben ze daar: ‘Alva vertrok uit laatstgenoemde stad op de 2de december. Hij liet het land achter in de grootste beroering. Allemaal veroorzaakt door hem zelf, door zijn ongehoorde schattingen en wreedheden waarmee hij het karakter van Vlaanderen onderdrukte. De overplaatsing van de hertog zorgde voor grote blijdschap onder de bewoners van het land, vooral omdat men hoopte dat de nieuwe gouverneur de inning van de tiende penning zou intrekken en dat de rebellen zich hopelijk daarom zouden willen verzoenen met de koning.’

De winter in Veurne brengt in elk geval niet de verhoopte beterschap. Integendeel zelf. De stad krijgt een garnizoen vreemde soldaten op zijn dak. Aangezien de soldaten niet betaald worden door de koning, moeten de burgers opdraaien voor de ‘service’ van de soldaten. Die bestaat uit de levering van hout, kaarsen, olie, azijn, zout, peper en andere kleine benodigdheden welke allemaal samen zorgen voor grote kosten aan de Veurnenaars en die de poorters beetje bij beetje doen verarmen. Op het platteland gaat het al niet veel beter. De landlieden worden geplaagd door de regelmatige passage van buitenlandse troepen die de bewoners heel kwalijk behandelen. Dat heeft natuurlijk ook alles te maken met de wetenschap dat ze niet betaald worden voor hun krijgsprestaties en maar zelf hun boontjes moeten zien te doppen.

Het jaar 1574 belooft niet veel goeds. Het zal ongetwijfeld een doorslag worden van 1573. De geuzen in Holland en Zeeland hebben recent enkele nieuwe veroveringen gedaan in Vlaanderen. Ze verplichten Requesens om in te grijpen. Op 4 maart worden zijn Vlaamse leenmannen gemobiliseerd. Ook in Veurne krijgen ze hun oproepingsbevelen. ‘Hij beval dat al de leenhouders behoorlijk uitgerust ten oorlog moesten trekken. Op de verbeurdverklaring van hun lenen voor diegenen die in gebreke zouden blijven. Deze oproep zorgde voor grote consternatie omdat dergelijke dwingende maatregelen doorgaans maar gebeurden in uiterste nood.’

De hoop dat de rebellen zich zouden verzoenen met de koning is al lang in rook vergaan. De oorlog escaleert van langs om meer. De geuzen ondernemen daarbij herhaaldelijk pogingen om toch maar een zeehaven in Vlaanderen te veroveren want hier aan de Vlaamse Noordzee hebben ze nog geen enkel bastion kunnen bemachtigen. De doorgang van kwaadwilligen over het land en via de zee moet absoluut vermeden worden en daarom worden de zee- en de landwachten nog verder uitgebreid. De nieuwe winter is voor de inwoners één lang uitgesponnen stuk ellende, met al die heen en weer zwervende soldaten die de hele Westhoek onderdompelen in een uitzichtloos vat van tristesse en miserie.

Er komt een sprankel hoop in 1575. De toestand voor landvoogd Requesens is uitzichtloos. Er zal iets moeten gebeuren om uit deze impasse te geraken. De keizer van Duitsland dringt er op aan dat beide partijen beter eens met elkaar zouden praten. En zo begint de koning van Spanje te onderhandelen met de rebellen van Zeeland en Holland. Kan er dan geen vrede gemaakt worden? De gesprekken zorgen voor grote blijdschap bij de bevolking. Willem van Oranje steekt er een stokje voor met een voor Filips II onhaalbare eis: de vrije en openbare uitoefening van de hervormde religie. En zo blijft het leven in 1575 verder dobberen op diezelfde golven van rebellie en oorlog.

Een van onze streekgenoten, Michiel Donaas vertrok enkele jaren geleden in de nasleep van de godsdienstoproer en heeft zich opgewerkt tot kapitein in het leger van de prins van Oranje. In zijn functie keert hij met enkele andere kapiteins naar zijn geboortestreek terug om te bespieden hoe men best een aanslag op Nieuwpoort zou kunnen uitvoeren. Bij een van zijn verkenningsronden wordt hij echter herkend en raakt hij in de handel van justitie. Hij wordt in de gevangenis van Veurne gegooid en komt er enkele tijd later ook voor het gerecht. In augustus 1575 wordt hij zonder veel pardon onthoofd.

Pauwel gooit het plots over een heel andere boeg. De tijd. In Vlaanderen berekent men de tijd enigszins anders dan de in Europa geldende tabel die de katholieke kerk heeft ingevoerd. Hier bij ons begint een nieuw jaar met Pasen en zijn de maanden januari, februari en maart feitelijk de drie laatste maanden van het vorige jaar. Oude stijl en nieuwe stijl door elkaar verstrengelen heeft al enkele keren gezorgd voor grote geschillen en processen. Vooral omdat Pasen op zijn beurt kan variëren tussen 22 maart en 25 april. De koninklijke raad adviseert om voortaan overal de Roomse stijl in te voeren.

Er arriveert in Veurne een vreselijk complex bevelschrift. 1576 en alle volgende jaren zullen voortaan beginnen op 1 januari. Alle vonnissen, sententies, testamenten, besluiten, brieven, akten dienen conform de nieuwe methode gedateerd te worden. Rechters, officieren, griffiers, notarissen en andere publieke en privé personen zullen zich aan de nieuwe tijdrekening houden. Wie dat niet doet loopt voortaan het risico om op te draaien voor eventuele boetes en intresten die het gevolg zijn van deze onachtzaamheid. Het bevelschrift wordt uitgegeven op 16 juni 1575 in Antwerpen.

Het jaar 1576 is zodoende al meer dan twee maand onderweg als Requesens, luitenant-gouverneur van de Nederlanden in Brussel sterft. Een haastige dood op zijn achtenveertig. Zijn verrassend overlijden zorgt voor grote beroering en de nodige veranderingen in het bestuur van het land. De Raad van Vlaanderen krijgt de voorlopige opdracht om de regering over te nemen tot er een opvolger wordt aangeduid. In afwachting daarvan beslissen de Leden van de Raad van Vlaanderen om de graaf Ernst van Mansveld, op dat moment de gouverneur van Luxemburg, voorlopig aan het hoofd van het land te plaatsen. Met een regering van nationale eenheid hoopt men vurig dat de zaken ten beste zullen keren. Maar er is sprake van het tegendeel. Iedereen bereidt zich met nog extra woede en energie voor op een nieuwe oorlog.

Bijna elke stad die naam waardig heeft wel een garnizoen Spanjaarden op zijn dak gekregen. De vreemde soldaten leveren al veel maanden hun prestaties zonder dat ze daar al vergoedingen voor hebben ontvangen. De achterstallen op hun loon werden al een hele tijd beloofd door Requesens. En nu die plots gestorven blijkt slaan ze aan het muiten. Ze willen stante pede betaald worden. De andere buitenlandse huurlingen sluiten zich aan bij het protest van de Spanjaarden. Ik heb het over de vele Italianen en Duitsers die ons land onveilig maken. De moedwilligheden die deze mannen uitspoken zijn best hemeltergend te noemen. Met de gewone mensen als pineut. ‘Ze plunderden hele parochies en steden die ze daarna in brand staken. Al die boosheid omschrijven is een haast onmogelijke opdracht om te beschrijven.’

Pauwel focust zich beter op de toestand in Veurne. ‘Daar lagen toen enkele Duitsers in het garnizoen van het regiment onder leiding van de graaf van Everstein. Eigenlijk hadden ze al voortdurend gezorgd voor overlast en kwelling. Maar nu ze vernamen dat ook de andere Duitse en Spaanse soldaten aan het muiten geslagen waren om hun loon op te eisen, begonnen ook zij oproer te stichten. Ze bezetten al bijna direct het landhuis en het stadhuis, maar de burgemeester en de landhouders van de kasselrij boden zich daar aan met een som geld, een voorschot afkomstig van de tiende penning en stelden de soldaten tevreden. Gelukkig maar want anders zouden Veurne en Veurne-Ambacht dezelfde ervaring hebben meegemaakt als de rest van de steden in Vlaanderen.’

Wat een toestanden toch. Een nest vreemde, gewelddadige en onbetaalde Spanjaarden die hier achterblijven zonder leiding en discipline. Met enkel de Vlaamse leden van de Raad van Vlaanderen die niet de minste impact hebben op deze mannen. ‘De Staten van het land konden niet langer de schromelijke daden van de oproerige Spanjaarden verdragen en verklaarden hen als vijanden van de koning en van het vaderland. Om die vreemdelingen te beoorlogen en uit het land te verdrijven werden de magistraten van de steden en kasselrijen aangeschreven om op 15 september 1576 naar Gent te komen. Er moest beslist worden over een mogelijke vrede met de prins van Oranje, de stadhouder van Holland en Zeeland. En er diende ook bekeken te worden hoe men aan geld kon geraken om de strijd tegen de Spanjaarden te bekostigen.’

Pieter Marchant, François de Meestere en Filip Weins bieden zich op de voorgestelde datum aan in Gent waar er inderdaad beslist wordt om vredesonderhandelingen te starten met Willem van Oranje. Er komt op korte termijn inderdaad een deal tussen Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Artesië, Zeeland en Holland. Het komt er op neer dat ze samen de Spanjaarden zullen verdrijven. De hervormde religie zal enkel toegelaten worden in Holland en Zeeland. Dit verbond wordt gesloten op 8 november 1576 en wordt omschreven als de ‘pacificatie van Gent’.

‘Burgemeester Nikolaas Blanckaert stuurde vanuit Gent zijn dienstbode naar Veurne om zijn inwoners te informeren over de goede gang van zaken. Het is niet zeggelijk wat voor een blijdschap deze goede tijding veroorzaakte bij de inwoners van de stad en de kasselrij van Veurne. Het vredesakkoord werd daarna plechtig en met de nodige vreugdetekens afgekondigd. Ja; het leek er op dat men voor eeuwig verlost zou zijn van al die oorlogsperikelen. Maar helaas: het was alleen de voorbode van een algemene verwoesting van de streek, zoals ik u hier straks het volledig relaas zal geven.’

Nog tijdens de onderhandelingen voor de pacificatie van Gent, besloten de leden van de Staten van Vlaanderen dat het lokale Spanjaardenkasteel weer in Vlaamse handen moest komen. Dat kasteel in Gent werd nog bezet gehouden door zowat honderdvijftig Spanjaarden. ‘Daartoe verzochten ze de Staten van Holland en de prins van Oranje om manschappen en geschut te krijgen, hetgeen ze accepteerden. Maar om daar van te kunnen van genieten moest Vlaanderen een onderpand bezorgen aan de Hollanders. De stad Nieuwpoort, waar ze al zo lang naar hengelden kregen ze nu zo maar in pand voor assistentie en munitie.’

Het kleinste kind kan zien dat er een venijnig geurtje zit aan deze deal. In Veurne moeten ze grote ogen trekken bij deze gang van zaken. ‘Van zodra de Hollanders in het bezit waren van Nieuwpoort stelden ze daar een gouverneur en een goed garnizoen. Die van Veurne en Veurne-Ambacht waren zeer ontevreden over deze gebeurtenissen. Ze vreesden dat ze bij het eventueel mislopen van de vrede dan wel eens met een bijzonder vijandig volk geconfronteerd zouden worden. Ze stuurden grote klachten naar de Raad van Vlaanderen, maar die oordeelde dat ze de Hollanders moesten gedogen en dat de mensen moesten leren in vriendschap te leven met elkaar. Voor alle zekerheid werden de bezetters van Nieuwpoort verzocht om zeker hun manschappen buiten de stadsmuren niet te laten uitlopen.’

Nu ja. De Hollanders zijn misschien toch de kwaadste niet. Ze beloven zich gedeisd te houden. Daarbij komt natuurlijk dat het nu niet langer nodig is om al die wachtdiensten in stand te houden. De stadskas kan er alleen maar goed bij varen wanneer al die manschappen niet langer in dienst moeten worden gehouden. Vlaanderen verwittigt het stadsbestuur dat het toch een slag om de arm moet houden. ‘Ze moesten zoveel mogelijk gewapend volk gereed houden om te kunnen uitrukken in geval van nood. En dat tegen de buitenlandse soldaten.’ In plaats van betaalde medewerkers schakelt Veurne over op een mobilisatie van zedelijk verplichte vrijwilligers. In die tijd heet dat een algemene monstering van iedereen die zich vrijwillig aanbiedt en zich bereid toont om te helpen de Spanjaarden uit Vlaanderen weg te jagen. Te strijden voor het vaderland. ‘Meer dan duizend mannen toonden dat zij daartoe bereid waren en ieder scheen genegen om de Spanjaarden uit het land te helpen jagen, en dat wegens de moedwilligheden die ze hier bedreven en de zware schade die ze aan de burgers berokkenden.’

Het geld voor de operatie zal ditmaal niet van de burgers komen. De rijkste lieden zouden best eens bereid moeten zijn om geld voor te schieten, een lening met een mooie intrest zal er voor zorgen dat ze er nog een centje kunnen mee verdienen. Het ophalen van dat geld loopt in Veurne-Ambacht niet van een leien dakje zodat de overheid zich verplicht ziet om de onwilligen te taxeren om elk volgens zijn capaciteiten tot zes pond te laten bijdragen. Moeilijk of niet, de kasselrij slaagt er toch in om een niet onaardige som van 32.219 Parijse ponden in te zamelen. ‘De leden van Vlaanderen verstuurden aan al de ontleners een rentebriefje, de penning 16de geldende.’ Als ik het goed snap dat voorzien ze dus een intrest van 6%.

Het machtsvacuüm in Vlaanderen blijft niet lang aanhouden. Koning Filips II werd natuurlijk direct op de hoogte gesteld van de opstand in Vlaanderen. Hij stuurt zijn bastaardbroer Juan van Oostenrijk naar de Nederlanden. Die arriveert in het Luxemburgse op 4 november 1576. In diezelfde periode krijgt Veurne-Ambacht de kans aangeboden om een heerlijkheid met de naam ‘het Vrije van Sint-Omer’ aan te kopen van de moederabdij van Sint-Bertinus. Het goed ligt in de parochie van Alveringem en zou dus wonderwel passen in het Veurnse territorium. De kanunniken willen er van af omdat ze teleurgesteld zijn in de povere opbrengst van het goed. In het begin van 1577 volgt de ene vergadering de andere om tot een afspraak te komen. De bewoners zelf zijn bereid om een stuk van de som bij te dragen maar de geestelijken gapen veel te wijd zodat de verkoop uiteindelijk op een sisser afloopt.

En terwijl ik het nu toch heb over sissers en mislukte deals. Hoe zou het ondertussen verlopen met deze Don Juan? Van zodra hij het bestuur hier heeft overgenomen krijgt hij een toevloed aan Vlaamse diplomaten te verwerken. De bevolking wenst eendracht en vrede en wil op alle gebied gehoorzamen aan de koning. Maar dan moeten zijn soldaten wel hun schup afkuisen. Ook de pacificatie van Gent moet aangehouden blijven. Op 12 februari 1577 komt het tot een vergelijk.

‘Na veel vergaderingen en bijeenkomsten werd er eindelijk een akkoord gesloten. In de stad Marche-en-Famenne. De koning bevestigde achteraf de overeenkomst die ‘Het Eeuwig Edict’ werd genoemd en bestond uit negentien artikelen. Een afschrift van de akte werd op 8 maart 1577 naar Veurne gezonden en korte tijd later met alle soorten van vreugdetekenen afgekondigd.’

Eeuwig Edict? Ik noem het eerder ‘eeuwig gepikt’! Vooraleer de buitenlandse soldaten het hier willen aftrappen zullen ze wel nog eerst moeten vergoed worden. En wie zal dat doen? Juist: de Vlaming. Voor heel Vlaanderen loopt de som op tot tweehonderdduizend gulden. Veurne moet zonder uitstel zijn eigen quota van duizend gulden voor zijn rekening nemen. Bij de burgers valt er in elk geval niets meer te halen. ‘Het magistraat wist dat de burgerij van middelen ontbloot was door de grote schattingen die de voorbije tijd geëist waren en vooral door de grote kosten voor het onderhoud van de garnizoenen. Ze wilden de gemeente niet meer extra belasten en verkochten zilverwerk dat in Brugge stond maar aan de stad Veurne toebehoorde. En van de penningen die dat opleverde konden ze hun quota vereffenen.’

Er moet ook een oplossing komen voor de sommen geld die de Spanjaarden ontleend hebben aan de Veurnenaars en die ze nog niet hebben terugbetaald. Hier wordt het spel wel correct gespeeld. Begin maart 1577 wordt afgeroepen dat iedereen die geld te goed heeft van buitenlanders en daar de schriftelijke bewijzen van kan voorleggen deze documenten mag opsturen naar Arnout Molckeman, de schatbewaarder van de oorlog. Die zal de bewuste bedragen in mindering brengen van de soldij. De sommen zijn substantieel, wat wil je met een dergelijk groot garnizoen zo lange tijd zonder geld en inkomen. ‘Maar al deze pogingen waren niet vruchteloos, al de schuldbrieven werden daarna betaald.’ De vreugde kan niet op. ‘Nadat de vreemde soldaten al hun achterstallen gekregen hadden namen ze afstand van al de sterkten en de kastelen die ze bezet hielden. En ze vertrokken uit de Nederlanden op 21 april 1577, tot grote vreugde van de inwoners die van hen zo erg geplaagd waren geweest.’

Het eeuwig edict brengt helemaal geen rust in het land. Het vertrek van al die Spaanse en Italiaanse soldaten brengt niet de minste soelaas. ‘Het land bleef vol beroerte’. Don Juan komt tot de slotsom dat hij hier niks in de pap te brokken heeft en dat de staten het onderling helemaal oneens zijn over de kwestie van de al dan niet vrije religie. Wat wil je: het noorden is calvinistisch en het zuiden katholiek. Willem van Oranje ziet met het vertrek van de Spanjaarden natuurlijk zijn kans schoon om het protestantisme te pousseren in Vlaanderen terwijl het oerkatholieke establishment dat hier natuurlijk niet graag ziet gebeuren. Dat is zowat de situatie waartussen Don Juan geprangd zit. Die wordt natuurlijk ongeduldig en ongerust. Onder het voorwendsel van zijn eigen veiligheid te willen garanderen trekt hij enkele vendels Waalse soldaten van het kasteel van Namen aan en begint hij zelf oorlog te voeren tegen de staten van de Nederlanden. Iets wat natuurlijk niet zonder repercussies blijft want op 7 september 1577 wordt Juan van Oostenrijk officieel uitgeroepen tot vijand van de natie.

De Nederlanden hebben dringend een leider nodig. Er wordt gekeken in de richting van Duitsland. ‘Ze vroegen aan aartshertog Matthias, de broer van de keizer van Duitsland of hij eventueel hun gouverneur zou willen zijn, een uitnodiging die hij aanvaardde. Matthias arriveerde op 2 oktober en die van Veurne werden per brieven op de hoogte gebracht. In één van die brieven werd een dankzegging aan God gevraagd en zo werd er een algemene processie georganiseerd, een dankzegging aan de Heer wegens de komst van een nieuwe gouverneur.’ Ik vertel er nog bij dat deze Matthias een neef is van Filips II en dat die laatste natuurlijk helemaal niet opgezet is met het accepteren van deze hoofdrol.

Veel ‘danke schöns’ moet er nochtans nog niet uitgesproken worden. De vroegere gouverneur, mijnheer Juan wil niet van wijken weten en geeft opdracht aan de pas vertrokken Spanjaarden en Italianen om dringend terug te keren om orde op zaken te stellen. Op die manier slaagt hij er in om een leger van twintigduizend manschappen op de been te brengen. Tien percent van de mannen zijn ruiters en met dergelijke slagkracht krijgt hij tal van Vlaamse steden op de knieën. Ook de Fransen blijven aan de zijde van Don Juan staan en sturen het nodige volk om enkele steden van de Westhoek voor hem in te nemen. De schrijver verschaft me geen verdere details om welke locaties het hier precies gaat. Wat ik wel verneem is dat Matthias van Oostenrijk de hertog van Aarschot aanstelt als gouverneur van Vlaanderen.

De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht proberen te anticiperen op deze gang van zaken. Op 17 november 1577 vertrekken enkele gezanten naar Brugge. Ze zullen er overleg plegen met hun collega’s van Cassel, Bergen, Bergen-Ambacht, Broekburg, Duinkerke en Grevelingen. Ook de vier Leden van Vlaanderen nemen deel aan het overleg. Er wordt besloten dat de Westhoek zich moet wenden bij de hertog van Aarschot die zich op dat moment in Brussel bevindt. Enkele dagen later laat de gouverneur zich overtuigen om versterkingen naar de Westhoek te sturen. Er komen garnizoenen bij Cassel, Broekburg en Grevelingen en bij Mardijk moet er een versterking gebouwd worden zodat de Fransen of andere vijanden daar niet aan land kunnen komen.

De magistraten van de verschillende kasselrijen willen absoluut deze nieuwe oorlog afwenden. Ze doen zelf nog een flinke schep bovenop de maatregelen die bevolen werden door de nieuwe van Aarschot. De Westhoekautoriteiten wedijveren onder elkaar om samen nog extra maatregelen te treffen. De 4de december komt François Deynoot met zijn collega’s te Sint-Winoksbergen overeen om een bolwerk aan te leggen tussen Grevelingen en Mardijk, ter hoogte van het groot kanaal bij de rivier. Bij die beslissingen worden trouwens ook de Zale van Ieper betrokken samen met vertegenwoordigers van Belle en Waasten.

Veurne moet nog maar eens in zijn geldbuidel tasten voor de aankoop van een lading buspoeder en andere oorlogsmunitie. Die worden aangekocht in Antwerpen en zullen alleen maar in geval van nood gebruikt worden. Tja, de bodem van de bewuste geldbuidel is natuurlijk goed te zien. Er zal dus weer moeten uitgekeken worden voor een nieuwe fondsenwerving. De nieuwe kapitaalronde zal gestuurd worden door aartshertog Matthias en door de Staten van Vlaanderen, die ‘allerhande middelen zochten om geld te bekomen om zo de grote kosten van het leger te betalen. Ze gaven bevel dat alle magistraten, colleges, kloosters, kapittels, gilden en broederschappen allen hun goud en zilverwerk moesten overhandigen om daar geld uit te slaan en te gebruiken in het profijt van het land.’

In Brugge wordt Jan Geeraert aangesteld als ontvanger van het voornoemde goud- en zilverwerk en die krijgt de nodige volmachten om deze schatten af te kopen conform hun waarde. Het magistraat van de kasselrij van Veurne probeert krampachtig zijn zilverwerk aan boord te houden en koopt zijn aandeel af mits de betaling van dertienhonderd gulden. De raadsleden van Veurne-stad kunnen het regelen met Geeraert dat hun aandeel direct zal aangewend worden om de eigen versterkingen op punt te zetten. Ze zullen de geestelijken proberen te overtuigen om hiervoor zelfs een extra duit in het zakje te laten doen. Jan Geeraert stemt in met dit voorstel.

Wat moet het toch triestig leven zijn daar in het begin van 1578. Ik heb er mijn persoonlijke bedenkingen bij. Wat hebben de mensen zichzelf toch aangedaan met die hele discussie van het geloof? Calvinisten en katholieken hebben zich in de voet geschoten en nu gaat het nog altijd maar van kwaad naar erger. ‘Het magistraat van Veurne-Ambacht zag natuurlijk dat het één en al beroering was in het land en wilde zo goed mogelijk zorgen voor bescherming. Ze hield in de maand januari 1578 een algemene monstering. Welke inwoners zouden er naar de oorlog kunnen trekken? En welke wapens hadden die ter beschikking? Ze maakten een lijst op van de kloekste en bekwaamste mannen die ze in geval konden gebruiken om het land te beschermen in geval van nood.

Begin april sijpelt in Veurne het nieuws binnen dat Valentijn de Pardieu, de gouverneur van Grevelingen en generaal bij het leger van de Staten van Vlaanderen overgelopen is naar de kant van Willem van Oranje en zich verzoend heeft met Don Juan. Een van zijn eerste maatregelen is het verwijderen van de staatsgezinde inwoners van zijn thuisstad. Iets wat natuurlijk voor de nodige beroering zorgt in de hele streek. Er wordt direct een crisisvergadering gehouden. Die wordt samengeroepen door de heer Doffay hier omschreven als de superintendent van West-Vlaanderen. De meeting vindt plaats in Duinkerke.

De hamvraag is natuurlijk hoe de streek verder beveiligd moet worden na het overlopen van een van zijn eigen sterkhouders. Veurne zelf wordt er vertegenwoordigd door jonkheer Victor Masin, de heer van Coudenburg die vergezeld is van landhouder Charles Malegheer en meester Jan de Wilde. Naar verluidt worden er in elk geval enkele goede besluiten genomen die moeten helpen bij het in standhouden van de bedreigde steden en kasselrijen.

Duinkerke is de meest kritieke plaats. Er is slechts een beperkt garnizoen aanwezig en men is beducht dat de Pardieu daar wel eens het eerst zou durven binnenvallen. Een dag na de crisisvergadering van Duinkerke wordt er al onmiddellijk een compagnie voetvolk van honderd keursoldaten naartoe gezonden. Ze staan onder het bevel van jonkheer Jan van Wyckhuyse. Ook Veurne krijgt honderd extra soldaten die zullen geleid worden door hoogbaljuw Louis de Loueuse.

Op het niveau van de Raad van Vlaanderen is de crisis latent aanwezig na het overlopen van dit zwaargewicht. De leden beslissen om drie compagnies van honderdvijftig man voetvolk naar Veurne te sturen. Hier wordt trouwens niets aan het toeval overgelaten. Het stadsbestuur ontbiedt meester Jeronimus Labault, een uitstekende ingenieur die hier in de handschriften pittoresk omschreven staat als ‘ingeniaris’. Ze zullen samen een inspectieronde houden om na te gaan hoe het nu eigenlijk staat met die stadsmuren. Zeg maar een opsomming van de gebreken aan de vestingen en de zwakke plekken in de verdedigingsgordel. Dat gebeurt op 13 april 1578. Labault wordt vergezeld van de hoogbaljuw en nogal wat notabelen van de stad. De heren Charles van Gistel, Reynier Winckelman en Nicolaas Casembroot, aangevuld door jonkheer Cortewille. Plus nog enkele commissarissen van het magistraat van Brugge en het Brugse Vrije.

Het onderzoek brengt nogal wat zwaktes aan het licht. ‘Men bevond dat de gebreken aan de versterkingen aanzienlijk waren en dat het heel wat zou kosten om die te herstellen. Dergelijke bedragen waren natuurlijk niet ter beschikking. Men stuurde kort daarop enkele afgevaardigden naar het hof in Antwerpen. Dat waren burgemeester Antheunis Hespeel, schepen Pieter de Boom en griffier Pieter de Courteville. Ze drongen er daar op aan dat de gewenste versterkingswerken zouden uitgevoerd worden op kosten van de Staten van Vlaanderen. Veurne vond zichzelf in de grootste perikelen geplaatst na het overlopen van de Pardieu.’

Het hof zelf stuurt enkele specialisten om een tegenexpertise uit te voeren. Hoe zit dat nu met die stadsversterkingen? Antoon de Lalaing concludeert dat het eigenlijk onbegonnen werk is en dat deze omwalling herstellen feitelijk dweilen met een open kraan betekent. ‘Probeer er het beste van te maken’, reageert het hof, ‘herstel en versterk waar nodig, meer kunnen we jullie niet adviseren.’ Wat kan het stadsbestuur veel anders uitrichten? Hoe dan ook kan ik jullie vertellen dat Vlaanderen zijn uiterste best doet om de Spanjaarden buiten te houden.

Het fenomeen van de ‘geuzerie’ steekt weer de kop op in het Veurne-Ambachtse. Wat wil je? De Hollanders hebben voet aan de grond in Nieuwpoort. Nogal wat andersgelovigen komen terug naar hun thuisstreek nu Alva vertrokken is. En er lopen hier nogal wat schijnheilige katholieken rond die hun geveinsdheid niet langer moeten volhouden en er nu openlijk voor uitkomen dat ze feitelijk voorstanders zijn van Calvijn. Het allegaartje van andersgelovigen roept er alvast een minister uit Holland bij om na te gaan hoe ze hun geloof nu het best kunnen organiseren in de Westhoek.

Er is sprake van een eerste publiek sermoen op 8 juni 1578. Dat gebeurt in Hoogstade op een plaats die de naam ‘Colaertshille’ draagt. ‘Waar dat gebeurde onder een grote toeloop van gewapend volk.’ Het lijkt er wel op dat ik tien jaar in de tijd terug geslingerd wordt en dat hertog Alva er voor spek en bonen heeft bijgelopen. ‘Nadat de predicatie beëindigd was, liepen de geuzen zoals gewoonlijk de kerken van de kasselrij binnen en wierpen ze er de beelden en de altaren af. En vervolgens werden er regelmatig sermoenen gehouden in de andere plaatsen van de streek.’

De autoriteiten van Veurne-Ambacht hebben natuurlijk ook wel diezelfde déjà vu. Als ze de geuzen weer de vrije teugel laten zullen ze op termijn wel weer de pot mogen uitlikken. Ze nemen geen risico’s en sturen gezanten naar Antwerpen om er hun beklag te doen bij aartshertog Matthias, de gouverneur van de Nederlanden en ook bij de prins van Oranje. Wat hier in de Westhoek gebeurt is totaal in tegenspraak met de afspraken van de pacificatie van Gent. En ja, de mannen brengen brieven mee van de aartshertog waarbij hij die bewuste sermoenen en geheime vergaderingen formeel verbiedt, maar er is geen luis die zich er aan stoort.

‘Hoewel de ordonnantie verkondigd werd hielp die helemaal niet om het kwaad te beletten. Vooral nu de stad Nieuwpoort in pand gegeven was aan de Staten van Holland en dat ze daar een protestantse minister hadden bij hun garnizoen die dagelijks op de kasselrij kwam preken in het gezelschap van enkele soldaten. Iets wat het magistraat niet kon beletten.’

Er is geen houden aan. De garnizoenen waar ze in Veurne-Ambacht zo hebben moeten voor bedelen bij de Raad van Vlaanderen blijken nogal wat andersdenkende huurlingen te bevatten. ‘In de maand van mei 1578 lag de compagnie ruiters van Willem van de Kethulle, de heer van Assche, allemaal geuzen, gedeeltelijk in garnizoen te Veurne en de rest in Lo. Deze mannen deden grote moedwilligheden ten opzichte van de geestelijken en voornamelijk die van de kloosters van Eversam en Lo, waar ze onmatig veel geweld bedreven en er alles wegsleepten van hun aanstond.’

De pacificatie van Gent blijkt in heel Vlaanderen volledig achterhaald. Katholieken en calvinisten zijn niet meer uit elkaar te halen. De geuzen blijken zowat overal in de meerderheid te zijn en die beginnen meer en meer de uitoefening van het rooms-katholiek geloof te beletten. In Antwerpen hebben ze natuurlijk ook wel door dat de balans nu helemaal in de andere richting aan het overhellen is en dat de deal van Gent volledig voorbijgestreefd is. Het komt hier tot een nieuw akkoord tussen calvinisten en katholieken. De vrijheid van godsdienstmening. ‘De vrijheid van consciëntie, dat elk zijn religie, zowel katholieken als gereformeerden, elkander daar niet in het minst mochten toe beletten.’

Dit verbond, de ‘religions-vrede’, wordt aanvankelijk geweigerd door de magistraten van de goede steden van Vlaanderen. Die is in strijd met de pacificatie van Gent, maar geleidelijk aan komt daar toch het besef dat dit de nieuwe wet is en raakt die overal ingeburgerd. Ook de wethouders van Veurne moeten zich schikken naar de nieuwe situatie. De wet wordt op 4 september 1578 met tromgeroffel geïntroduceerd. ‘De goede katholieken verhoopten hiermee dat ze niet langer zouden gestoord worden bij de uitoefening van hun godsdienst. Iets wat al een hele tijd het geval was omdat ze nu voortdurend aangevallen werden door soldaten van hun eigen garnizoen. Allemaal geuzen die opgestookt werden door enkele van de treffelijkste burgers van Veurne die nu zelf met de heresie besmet waren.’

Direct na de verkondigde religions-vrede krijgen de heretiekers al hun eigen minister en er wordt onmiddellijk overleg opgestart rond het kerkgebouw dat zal afgestaan worden aan de geuzen om er hun godsdienst te bedrijven. Het magistraat dat op dit moment nog voornamelijk uit traditionele katholieken samengesteld is, stelt voor om de Sint-Denijskerk af te staan. Dat is echter niet naar de zin van jonkheer Jacques de Cerf, de heer van Wintershove die in deze dagen de leider is van een garnizoen troepen welke in de stad verblijft en die daarnaast trouwens nog het bevel voert over twee andere compagnies. Die verkiest de grootste kerk en dat is die van Sint-Niklaas. En zo gebeurt het ook: ‘van zodra ze daar van in het bezit werden gesteld, hield hun minister daar zijn sermoenen en andere religieuze oefeningen.’

De vrede tussen de religies houdt niet lang stand. Vrede en begrip maken zowat de kernboodschap uit van het geloof van zowel katholieken als calvinisten, maar oh wee als het om de eigen overtuiging gaat is die core business niet van enig belang en wordt er over lijken gegaan. Ik mag dat laatste zeker ook letterlijk nemen. Dit keer nemen de calvinisten het slechte voortouw. ‘De religions-vrede werd amper onderhouden in Veurne. De geuzerie vermeerderde voortdurend. Want van dag tot dag won ze aan soldaten die carte blanche kregen zolang ze maar de gereformeerde cursussen wilden volgen. Het waren die mannen welke de katholieke religie verhinderden. Ze stoorden daarbij vaak de godsdienstige oefeningen van de christenen.’

De leden van de Raad van Vlaanderen moeten onder grote druk staan van Willem van Oranje en van het magistraat van Gent. Het lijkt me redelijk logisch dat niet alleen in de kerken en op straat de macht van de calvinisten moet gelden, maar vooral dat er dringend een nieuwe wind zal moeten waaien in de diverse stadsbesturen die nog altijd traditioneel katholiek gekleurd zijn. Een ingreep van de staat op het zelfbeschikkingsrecht van de steden maakt een einde aan het fundamenteel recht van elke stad om zijn eigen mandatarissen te kiezen. Wat een breuk met honderden jaren van middeleeuwse traditie.

De Raad speelt het slim. De Leden van Vlaanderen richten een commissie op. Die moet op zijn beurt in elk district van elke stad een adviesraad installeren om er de rekeningen van de steden en kasselrijen te controleren. Deze adviesraden staan uiteraard op de eerste plaats wanneer de bestuursfuncties zullen moeten vernieuwd worden. Ook Veurne krijgt te maken met inmenging van de leden van Brugge en het Brugse Vrije. Voor Veurne en zijn kasselrij belanden de Brugse sterkhouders Willem van Rockegem, Filips van Baasdorp en Wouter van Haudion zo in het magistraat.

Ik had het daarnet nog over Gent waar het spel heel hard wordt gespeeld. Het schepencollege dat op dit moment nog vooral uit rooms-katholieken bestaat komt onder vuur te liggen. ‘Dat dergelijke lieden de staten van het land niet ten volle genegen waren en daarom verkozen ze twaalf notabele personen uit hun stad waarvan ze dachten dat die de meeste haat droegen ten opzichte van de Spanjaarden. De nieuwe equipe kreeg de opdracht om zich vooral bezig te houden met godsdienstige affaires en met de versterkingen van de stad. Maar het duurde niet lang voor de twaalf nieuwgekozen mannen eigengereid hun zin deden en veel zaken uitvoerden zonder daarvan het magistraat in kennis te stellen.’ Gent zit dus in realiteit met twee schepencolleges waarvan het officiële niets meer in de pap te brokken heeft.’

Anno 2017 herken ik nog altijd de contouren van de talrijke adviesraden die zich onderhuids nestelen in het zog van verkozen politici en die zonder dat de goegemeente daar echt zicht op krijgt de belangrijkste beslissingen van de colleges gaan sturen en bepalen. Het zijn deze tentakels die zich in de nadagen van 1578 gaan ontwikkelen in Brugge, Ieper en de andere steden van Vlaanderen. Je positioneert alleen de mannetjes waarvan je weet dat ze pro iets of iemand zijn en dan gaat de rest van zelf. Pauwel noteert het in zijn handschriften als volgt: ‘de Gentenaars brachten hun nieuwe manier van handelen over tot Brugge, Ieper en enige andere steden, en over het algemeen werden er mensen opgeroepen waarvan met allermeest wist dat ze tot de geuzerie genegen waren en waardoor de heresie dagelijks grote progressie maakte.’

Deze manier van werken wordt aanvankelijk niet toegepast in Veurne. Daar willen de calvinisten verandering in aanbrengen. ‘Omdat de ingebrachte regeringswijze grote voordelen opleverde voor de reformatie, boden de geuzen van Veurne aan de Leden van Vlaanderen een rekwest aan en verzochten ze dat er ook in hun stad een dergelijke adviesraad zou kunnen komen en op hun vraag werd positief beantwoord.’ Op 10 september 1578 sturen die van Ieper enkele commissarissen om de bewuste verkiezing te organiseren. Ze droppen tien lokale notabelen in een commissie die parallel met het officieel schepencollege Veurne zullen mee besturen.

Ik kan me wel inbeelden dat de poppen aan het dansen gaan bij het reguliere stadsbestuur. Die gaat zich inderdaad op zijn beurt beklagen bij de wethouders van Brugge. ‘Hadden ze hier te klagen over hun medewerking? Ze zijn toch altijd loyaal geweest met de Generale Staten, hebben hun stad versterkt en altijd de wetten keurig toegepast. Na zo lange tijd druipt de Veurnse frustratie nog altijd van Pauwels geschriften. Het antwoord vanuit Brugge is een typisch wollig en politiek nietszeggend misbaksel waarbij feitelijk ook alles mee gezegd wordt. Het is zo omdat het zo moet zijn. Ze moeten de nieuwe toestand gedogen en de moed niet verliezen. Het zal wel gaan.

Ik probeer voor mezelf altijd correct en tegelijk kritisch te zijn voor instituten en mensen die het geloof misbruiken voor eigen doeleinden. Het is zeker niet de eerste keer dat ik de katholieken een veeg uit de pan geef. Maar dit keer wijs ik met een beschuldigende vinger naar de geuzen. Een gezond denkend mens zou nu toch denken dat vrijheid van godsdienst dé oplossing is om terug naar vrede te komen. Dat is natuurlijk niet het geval als de ene religie probeert de baas te spelen over de andere. Dan heb je prijs en loopt het ongetwijfeld faliekant af met je zogezegde godsdienstvrede. Zo dus helaas ook in Veurne. Iedereen gelijk, maar de ene wil wel wat gelijker zijn dan de andere.

‘Van nu af aan begonnen de geuzen van alle slag pestgedrag te vertonen tegenover de geestelijke lieden. Zonder dat iemand hen daarvoor begon te berispen. Al het goed dat toebehoorde aan priesters en kloosters en waar ze zelf de hand konden op leggen, werd verondersteld goede buit te zijn. Een beetje alsof ze het zouden veroverd hebben op de Turken of andere ongelovigen. En dat gebeurde dus ondanks de goed bedoelde religions-vrede en andere instructies die hieromtrent werden uitgegeven door aartshertog Matthias.’

Die smerige mentaliteit zorgt er voor dat de katholieke geestelijken het niet echt meer zien zitten om nog in Veurne te blijven. Ze laten de kasselrij Veurne-Ambacht achter zich en zoeken veiligere oorden op. Dat is ook het geval met de abt van Ter Duinen die zich met enkele van zijn monniken terugtrekt in hun refuge te Brugge. Slechts enkele broeders blijven achter in het klooster om er het gebouw enigszins van plundering te vrijwaren. Dat laatste blijkt helaas een illusie. De soldaten van het garnizoen van Veurne trekken er dagelijks naar toe en stelen er alles wat hen aanstaat. Gewijde kerkgoederen en alles wat niet te zwaar is om mee te nemen. Het ergste is dat ze hun gestolen tuig open en bloot verkopen in de straten van de stad zonder dat iemand zich daar vragen om stelt.

Kapitein Wintershove, de bevelhebber van het garnizoen hier weet drommels goed genoeg wat zijn mannen aan het uitspoken zijn. Jacob de Cerf is in Veurne gedropt op persoonlijk aanbevelen van Willem van Oranje. Op 4 oktober 1578 doet deze notoire calvinistische edelman er nog een schepje bovenop. Zijn mannen klagen al een tijd dat ze nog geen soldij hebben ontvangen en nu vindt Wintershove het plots nodig om koopdagen te houden om het huisraad en de meubelen van Ter Duinen aan de hoogstbiedenden te verkopen. Met de opbrengst wil hij de soldij van zijn manschappen bij elkaar harken. Het schepencollege wil die verkoop blokkeren en stuurt er enkele raadsleden naartoe. Ze steunen zich hiervoor op de plakkaten van Matthias.

‘Maar er werd naar het zeggen van de magistraten niet geluisterd en de verkoping werd voortgezet zodat de overgebleven religieuzen groot leed moesten ervaren. Omdat ze de moedwilligheden van de soldaten niet langer konden verdragen vertrokken ze om zich bij hun abt in Brugge te vestigen. Omdat de monniken van Ter Duinen onder de supervisie stonden van de abt van Clairvaux werden er verscheidene onder hen verplaatst naar andere kloosters in Frankrijk.’

De zomer van 1578 wordt benut om eindelijk eens wat te doen aan de mankementen van de Veurnse vestingen. Drie vervallen stadspoorten worden onder handen genomen, samen met de omringende bolwerken van die toegangen. Het zijn die van de Zuidpoort, Westpoort en Noordpoort. Met onder andere nieuwe raveelen, het opnieuw metsen van de valbruggen, het afschroeven van de poorten en de ‘pyllotaige’. De kosten lopen op tot meer dan zevenduizend gulden. Twee derde hiervan is voor rekening van de kasselrij en de rest voor de stad zelf. Gouverneur Wintershove en zijn tien nieuwgekozen adviseurs zijn tevreden over het resultaat maar hebben wel nog opmerkingen. In de dichte omgeving van de omwalling bevinden zich nogal wat huizen, schuren en andere gebouwen die wel eens hinderlijk zouden kunnen zijn voor de verdedigers van de stad. Vooral het klooster van Sint-Niklaas staat lelijk in de weg en zal ongetwijfeld de aanvallers in staat stellen om zich er in te verschansen.

‘Daarom besloten ze om al de gebouwen die binnen de palen van de stad stonden te laten afbreken. Ze gaven dit voornemen te kennen aan de magistraten en verzochten hen om er aan te beginnen. De schepenen van Veurne toonden zich ontsteld over dit besluit en wilden zich daar helemaal niet toe lenen.’ Groot protest. Op 3 oktober 1578 vertrekt Francis Deynoot naar Brugge om deze plannen af te blokken maar krijgt daar een nul op zijn rekest. In Veurne moeten ze uitvoeren wat Wintershove hen oplegt. Na wat verdere onderhandelingen krijgt het stadsbestuur een document in handen waarbij het achteraf niet verantwoordelijk zal gesteld worden voor de afbraak en waarop geschreven staat de afbraakmaterialen verkocht mogen worden ten profijt van de versterkingswerken van de stad zelf. Daarbij komt nog een aanvullende permissie om zowel het Noordgasthuis als de andere gebouwen, molens, bomen en hagen die rond Veurne staan te verwijderen.

De afbraakwerken beginnen op 14 oktober 1578. ‘Dat schoon gesticht veranderde binnen de kortste tijd in een steenhoop. Want al de soldaten hielpen mee met de afbraak in de hoop om zelf links en rechts een profijtje te doen nadat ze eerst al de hele inboedel gepluimd hadden. Het was toch spijtig zo een treffelijk klooster en die schone kerk te zien vernielen. Eén van de opmerkelijkste gebouwen van die aard in Vlaanderen, al gebouwd in het jaar 1170. Abt Robert du Flocq, de abt van het getroffen klooster die zich met zijn religieuzen ophield in hun vluchthuis, zag met wenende ogen toe op de vernieling. Wat had hij toch nog geprobeerd om het slopen tegen te gaan. Maar al zijn pogingen bleken nutteloos want de geuzen droegen een uitermate grote haat tegenover de kloosters. Hij en zijn monniken vertrokken dan maar moegetergd naar Sint-Omer.’

‘Al de andere huizen, stallingen, molens, bomen werden zonder uitzondering vernield. Deze verwoesting ruïneerde veel mensen en vooral de bijzonderste burgers van Veurne leden er substantiële schade omdat het merendeel van de gebouwen hun eigendom was. En daar stond verdorie nogal wat recht buiten de muren. Voornamelijk in de buurt van de Zuid- en de Oostpoort krioelde het van de gebouwen. Daar waren onder andere twee molens, veel hoveniershoven en wel beplante lusthoven.’ Pauwel Heinderycx is er zeker van dat deze afbraak er nooit of te nimmer gekomen zou zijn indien deze Wintershove en zijn garnizoen niet de overhand zouden hebben gekregen in zijn Veurne.

Koning Filips II heeft niet al te veel geluk met de staatshoofden die hij uitkiest voor de Lage Landen. Ze vallen als de vliegen. Na de onverwachte dood van Requesens sterft op 1 oktober 1578 nu ook Juan van Oostenrijk, de gouverneur-generaal van de Nederlanden. Tyfus op zijn éénendertig. In zijn plaats komt nu de prins van Parma, bekend als Alexander Farnese. Hij is de zoon van de gewezen landvoogdes Margaretha van Parma.

Farnese zal het niet gemakkelijk krijgen. Dat is zeker. De tentakels van Willem van Oranje strekken zich uit over de hele Nederlanden. In het noorden zit hij zelf vast in het zadel en in Vlaanderen controleert hij de steden via zijn gehaaide adviesraden die hem ten dienste staan in de vooruitgang van de gereformeerde religie. Over het hele grondgebied worden kerkelijke goederen in beslag genomen en verkocht om de kosten van de oorlog wat te compenseren. Het mag gezegd worden dat Willem van Oranje er persoonlijk niet armer van wordt. De achterliggende bedoeling is uiteraard het uitsterven van de rooms-katholieke geestelijkheid en het floreren van de calvinistische leer.

De vier Leden van de Raad van Vlaanderen (Gent, Brugge, het Brugse Vrije en Ieper) zien de confiscaties graag gebeuren. Zo krijgen ze zelf meer grip op hun regio en meer middelen toegereikt. De Raad dringt er bij de magistraten van Veurne en zijn kasselrij op aan dat die verbeurdverklaringen ook van start zouden gaan in de Westhoek. Het plakkaat dat dient gepubliceerd te worden laat aan onduidelijkheid niets te wensen over: ‘dat al de geestelijke goederen aangeslagen werden ten profijte van de staat en dat iedereen die nog schulden had bij de geestelijken deze zeker niet meer mocht betalen op straffe van die twee keer te moeten vereffenen’.

Vanuit de regio Brugge arriveert een duo notabelen om de confiscaties hier in goede banen te leiden. Jonkheer Charles des Trompes en Willem Cousin zullen de Veurnenaars Pieter Lottin en Jan Speleman bijstaan om de goederen en de tegoeden van de geestelijken in kaart te brengen. Laatstgenoemde Speleman wordt officieel aangesteld als ontvanger van dienst. Zijn naam laat alvast niet veel goeds voorspellen. De officiële aanstelling van Speleman gebeurt schriftelijk en die brief wordt opgenomen in de jaarboeken van Pauwel.

Heel schoon geschreven met veel sierlijke zinswendingen en stadhuiswoorden. Wat een contrast met de ongehoorde brutaliteit van de inhoud. Speleman wordt gemachtigd om al de goederen van de geestelijkheid in Diksmuide, Veurne en Veurne-Ambacht in ontvangst te nemen. Hij krijgt hiervoor een redelijk salaris en moet zelf een borg van zesduizend gulden op tafel leggen en er voor zorgen dat al de confiscaties zullen gebeuren in het voordeel van de Generale Staten. De brief zelf dateert van 26 september 1578.

En zo gaan veel eigendommen van de kerk verloren. De meeste priesters en kloosterlingen wijken uit naar andere kloosters in Frankrijk, Artesië en andere landen. Wie in Vlaanderen blijft zal door de staat betaald worden. Vijfentwintig pond per jaar. Net genoeg om niet te moeten sterven. Vooral omdat het leven in die tijd erg duur is. Dat bedrag kunnen ze trouwens alleen maar krijgen als ze officieel gehomologeerd worden door de Raad van Vlaanderen, iets wat helemaal niet vanzelfsprekend is. De betaling van de lonen van de katholieken gebeurt heel traag en pas na het voorleggen van de vereiste getuigschriften. De notabelen van de stad trekken hun schouders op als de priesters klagen over hun betaling en beweren dat zijzelf zich niet met de religie hoeven te bemoeien. Een minister van de geuzen daarentegen wordt rijkelijk betaald van de opbrengst van de verkoop der geestelijke goederen.

De opbrengst van Jan Speleman’s acties steekt natuurlijk de ogen uit van het Veurnse stadsbestuur. Ze zouden persoonlijk graag een deel van de opbrengst aanwenden voor de infrastructuurwerken aan de vestingen. En ook een deel voor de aankoop van extra munitie. De Raad van Vlaanderen gaat niet in op dat verzoek. De kosten van de stadsversterkingen zullen wel betaald worden maar zeker niet met de opbrengsten van de katholieke uitverkoop. De bestuurders van Gent, Brugge, Ieper en andere steden gaan toch wel erg ver. Vooral als ik me kan inbeelden dat een groot deel van de bevolking van oudsher katholiek is opgevoed en dat ook gebleven is. Ze laten de klokken weghalen uit de kerktorens van de steden en de parochies. Met het metaal kan er geschut worden gegoten en als aangenaam randeffect vergenoegen ze zich dat ze daarmee ook de genadeschop geven aan de roomse godsdienst.

‘Het magistraat van Ieper had Joris de Buckere als verantwoordelijke aangesteld om de klokken te demonteren en verder ook om allerhande geestelijke goederen uit de kerken, kloosters en andere gestichten te laten verwijderen. Die kwam dus ook zijn werk verrichten in de kasselrij en in de Acht Parochies van Veurne-Ambacht waar hij alles in beslag nam en naar Ieper liet transporteren. De schepenen van Veurne toonden zich verontwaardigd om deze manier van werken en dienden klacht in bij aartshertog Matthias die toch tussenkwam bij de Buckere en hem verplichtte om terug afstand te doen van de klokken en zou ophouden om kerkgoederen te vervreemden uit de kasselrij van Veurne.’

Het bevel van Matthias wordt betekend aan de wethouders van Ieper. Die leggen zich daar niet zomaar bij neer. Veurne moest Ieper en de Raad van Vlaanderen zelf gedagvaard hebben en zich niet beklaagd hebben bij de aartshertog. Een zuivere procedurefout dus, waarop Veurne zijn klacht opnieuw moet indienen bij die Raad waar ze dan toch in het gelijk gesteld wordt en de klokken naar huis kunnen terugkeren. Dat gebeurt tijdens de maand september. Deurwaarder Antonius Elleboot kijkt erop toe dat de klokken op een behoorlijke manier opgeslagen worden binnen de stad van Veurne. De vijf klokken die eerder verwijderd werden uit Ter Duinen zijn eveneens van de partij.

Klokken of niet. De kerk van paus en co krijgt zware klappen te verwerken. ‘Al de kerken van de kasselrij bleven leeg en verwoest achter. Veel pastoors verlieten hun posten omdat ze zich niet langer konden voorzien in hun levensonderhoud. Wie toch op zijn parochie bleef om de inwoners bij te staan en in hun geloof te versterken, werd meermaals kwalijk behandeld en beroofd door rondzwervende soldaten.’ Die manier van werken zorgt voor nieuwe klachten van het magistraat van Veurne-Ambacht. Beide religies moeten gelijkwaardig behandeld worden en wat de geuzen uitrichten moet onmiddellijk ophouden. En hoe zit het met de uitkeringen van de priesters? Waar blijven die? De Leden van de Raad van Vlaanderen antwoorden met veel schone woorden, veel beloftes dat men alles in orde zal brengen. Maar in de praktijk verandert er gewoonweg niks, de klachten blijven zonder gevolg en het gaat van kwaad naar erger.

De goede katholieken blijven dat pestgedrag natuurlijk niet verdragen. Pastoors verjagen en kerken vernielen en de rooms-katholieke denkwijze uitroeien. Dat kan niet langer getolereerd worden. De prins van Oranje moet zich niet moeien in Vlaanderen. Hier is de katholieke koning van Spanje de baas. Het is een stelling die gaandeweg overgenomen wordt door de adel van de Waalse provincies. Die van Artesië, Henegouwen en Waals-Vlaanderen. In juli 1578 komt het tot een breuk in de Generale Staten van de Nederlanden. De Walen scheiden zich af en beginnen aan de opbouw van een eigen leger van achtduizend voetknechten en vierhonderd ruiters. Die laatsten zijn meestal oude en ervaren oorlogsmannen. De nieuwe brigade begint nu oorlog te voeren tegen al diegenen die de katholieke religie teniet willen doen. Ze krijgen al gauw de naam van ‘malcontenten’ of ‘paternosterknechten’. Het duurt niet lang voor er een inlandse oorlog de kop opsteekt.

De malcontenten richten een zelfstandig bestuur op dat zich gaat afzetten tegen Vlaanderen. Ze nemen Menen in, een stad die ze meteen gaan versterken. Ook Waasten en het kasteel van Beselare, in de buurt van de Keiberg en de Kortrijkdreve valt in hun handen. Vanuit deze strategische locaties gaan ze typische maffiapraktijken toepassen. ‘Door het bezit van deze plaatsen deden ze uit schrik voor hun benden een groot deel van Vlaanderen schattingen betalen. Ze schreven aan het magistraat van Veurne-Ambacht dat ze een bepaalde contributie moesten betalen en als ze dat niet deden dan zouden ze op de streek komen om er te roven en brand te stichten.’

‘Al de bewoners van de parochies ten zuiden van de Ijzer konden niet veel anders dan die gedwongen brandschattingen te betalen. Maar die van de noordelijke zijde weigerden om in te gaan op deze eisen en probeerden alle mogelijk middelen om er aan te ontsnappen. Op 11 oktober 1578 werden er langs de Ijzer goede en sterke wachtposten geïnstalleerd. Aan de brug van de Peereboom, te Elzendamme, Staveldamme en ook in Roesbrugge waar men trouwens ook al de bruggen vernielde. Men liet via de sluizen van Nieuwendamme het zeewater stromen door de vaarten en de grachten. Zo hoog als het doenlijk was en men stelde wachten op al de torens van de kasselrij. Wanneer de Walen de rivier wilden oversteken zouden ze alarm slaan op hun trommels.’

Ook de landlieden worden betrokken bij de verdediging. Van bij het minste alarm zullen ze met hun wapens helpen om de Walen te verjagen. Deze strategie lukt voor korte tijd en de mensen blijven aanvankelijk gespaard van de brandschattingen. Maar hoe verder de malcontenten zich gaan distantiëren van de Nederlandse provincies, hoe meer de situatie in de Westhoek ontaardt in verwoesting en burgeroorlog. De Oranjegezinden zoeken het natuurlijk zelf. Kijk maar naar wat er eind oktober 1578 gebeurt in het klooster van Eversam. Een bende soldaten uit het garnizoen van Veurne valt er binnen op zoek naar buit. Kelken en andere kerkgoederen. De geestelijken die dat natuurlijk willen beletten krijgen slaag. Wat hier gebeurt druist volledig in tegen de wetten van zijne hoogheid Matthias. Van een vrije uitoefening van de religies komt niets in huis.

Het bestuur van Veurne-Ambacht moet bijzonder gefrustreerd zijn met de hele situatie. Nieuwe klachten blijven echter onbeantwoord. Willem van Oranje werkt onverdroten verder aan het verderf en de vernietiging van de katholieke geestelijken en wil dat de inwoners zich overgeven aan het calvinistisch geloof. Zo zullen ze ook loyaal blijven aan de Nederlanden. Oranje zorgt hier in het hartje van de Westhoek natuurlijk voor een omgekeerde reactie bij de mensen. De goede katholieken gaan de Verenigde Staten van de Nederlanden haten als de pest en dat enkel en alleen wegens de vervolging van hun eigen geestelijken.

Er lopen in Veurne enkele Nederlands gezinde prominenten rond die erg sceptisch staan tegenover het gedrag van de lokale bestuurders. Ze vinden het helemaal niet normaal dat het schepencollege hier niets meer te zeggen heeft. De meesten onder die wethouders moeten wel boter op het hoofd hebben. Officieel pretenderen ze achter de Nederlanden te staan maar achter de schermen voeren ze wel een actieve correspondentie met de malcontenten en andere vijanden van het land. Hun wantrouwen gaat zo ver dat ze enkele van die brieven onderscheppen en de inhoud ervan lezen. ‘Zie je wel’, claimen de briefschenders terwijl de schepenen furieus zijn dat hun brieven zomaar te grabbel worden gegooid. Beide partijen dienen daarop klacht in bij de Raad van Vlaanderen en bij de prins van Oranje.

De magistraten eisen een onderzoek die hen van elke verdenking moet vrijpleiten. Ze zijn goede en trouwe dienaars van het vaderland en oprecht bezorgd om de rust en de welvaart in Veurne-Ambacht. Hun verzoek wordt ingewilligd, de Raad beslist om commissarissen naar Veurne te sturen. Meester Michiel de Baeker, een advocaat bij de Raad van Vlaanderen en zijn adjunct Charles Vander Burgh, schepen van het Brugse Vrije zakken af naar de Westhoek. Ze komen tot de slotsom dat de lasteraars en de briefschrijvers ongelijk hadden maar dat de schending van het briefgeheim er gekomen is door hun ijver om dienstig te zijn voor de welvaart van het vaderland. Beide partijen worden dus navenant van zonden vrijgepleit.

Vanuit het calvinistisch bolwerk in Gent wordt er koortsachti g gepusht dat alle stadsbesturen in Vlaanderen effectief zullen bestaan uit notabelen die niet van katholieke strekking zijn. In feite willen ze de adviesraden in de plaats zetten van de schepencolleges. Het wantrouwen dat sommigen in Veurne koesterden tegenover hun eigen wethouders leidt op 13 november 1578 tot een wissel van de macht. François van Ryhove, de sterke man van Gent stuurt aan op een nieuw bestuur in de stad en de kasselrij van Veurne. De dertien mannen van het schepencollege worden vervangen door een team van achttien andere personen. Net zoals dat al het geval is in Brugge en Gent. ‘Natuurlijk allemaal geuzen’, vertelt Pauwel erbij. Mensen die het vaderland goed gezind zijn. Ik krijg het lijstje van de nieuwelingen voorgeschoteld. De naam van Pieter Heurlebout en die van Jan Speleman komen me in elk geval bekend voor.

Die vervanging is natuurlijk volledig in tegenspraak met de bestaande stadskeur en stuit dus op groot verzet van de afgezette magistraten die nu natuurlijk gaan procederen. Wat hebben die van Gent hier te zeggen? Een klacht bij de Raad en bij de vier Leden ervan. Het is alsof ze te biecht gaan bij de duivel. Dan maar naar Antwerpen maar ook hier adviseren ze om zich te schikken naar de nieuwe realiteit. Het nieuw magistraat zal best wel werken in het voordeel van stad en streek en daar moet iedereen zich nu bij neerleggen.

Ondertussen mag er best eens gezien worden naar al de vijandelijkheden die de malcontenten aan het plegen zijn in Veurne. ‘De nieuwe raadsleden van de staat waren beducht dat de malcontenten wel eens de stad zouden durven komen belegeren. Ze bevolen aan de bewoners van Veurne-Ambacht van hun granen binnen de stadsmuren van Veurne te voeren op het risico van verbeurdverklaring ervan, zodat de vijand die oprukte in de streek geen voedsel zou kunnen buitmaken en vooral dat de stedelingen geen gebrek zouden lijden indien ze zouden ingesloten geraken.’

De malcontenten laten zich inderdaad niet onbetuigd. Hun leider, baron van Montigny breidt zijn systeem van brandschattingen verder uit zodat hij zijn troepen verder kan blijven bevoorraden en betalen. Hij eist dat heel de kasselrij van Veurne ingaat op zijn bevelen. Zoniet zal brand en moord hun deel worden. Op 8 december arriveert zijn leger in Roesbrugge. Bij die malcontenten hebben zich op dat moment trouwens een deel Franse troepen aangesloten. Terwijl die Fransen ter plekke achterblijven rukken de overige benden op over de Ijzer, richting Lo die ze veroveren en waar ze zich gaan verschansen.

De Westhoek zal het geweten hebben. ‘Deze troepen hadden zich nauwelijks op de kasselrij gestort of ze liepen al binnen bij de landman. Om te roven en te stropen en te stelen wat ze vonden. Zowel paarden, koeien, schapen als andere goederen. De Houtlanders die vernamen dat de malcontenten in de kasselrij binnendrongen, vluchtten met hun goederen in het Bloote, op de parochies van Lampernisse, Oostkerke, Pervijze, Ramskapelle en de andere in de buurt. Alle bruggen die over de vaarten lagen wierpen ze af. Het magistraat van Veurne-Ambacht hielp ook mee om de veiligheid van zijn onderdanen te verzekeren en gaf opdracht om zeewater te laten vloeien in de kasselrij, zo hoog als het mogelijk en doenbaar was. Ze hoopten daarmee de toegang tot de Blootenaars af te weren.’

‘Maar ondanks al die maatregelen zagen de malcontenten nog middelen om hen te bespringen en hun vee af te drijven. Zo werden ze gedwongen van grote brandschattingen te betalen als ze hun goederen wilden behouden. De landlieden van al de andere parochies van de kasselrij werden gedwongen om te vluchten en hun eigendommen als prooi voor de vijand achter te laten. Toen baron van Montigny zich met zijn leger in Lo gesetteld had zond hij een trompetter naar Veurne om de magistraten te sommeren om hem brandschatting te betalen. Of dat hij anders de stad “te vier en te zweerde” zou stellen.’ Beide magistraten hier in Veurne tonen zich verbaasd over de onbeschaamdheid van de eis. Ze zijn oprecht bezorgd om het welzijn van de inwoners. Wat moeten ze hier mee aanvangen? Enkele gezanten vertrekken asap naar Gent om Oranje en de Raad van Vlaanderen op de hoogte te brengen. Ze willen hulp zodat er een halt kan toegeroepen worden aan de verwoestingen in de Westhoek.

Veel voeten brengt deze smeekbede niet in de aarde. Willem van Oranje stuurt een brief naar baron van Montigny met het beleefd verzoek om op te houden met zijn brandschattingen en dat hij beter zou terugkeren naar de stal van Vlaanderen. Aan Veurne wordt geadviseerd om de brandschatting te weigeren en zich tot het uiterste te verweren bij de geplande aanval van de malcontenten. Als die er komt zullen de Staten alle mogelijke bijstand verlenen. Binnen de stadsmuren bevinden zich vierhonderdvijftig soldaten onderverdeeld in drie compagnies. Daar worden nu de honderd keurlingen aan toegevoegd; de kloekste en bekwaamste gewapende mannen afkomstig uit de eigen kasselrij. Ze zullen hun soldij krijgen van Veurne-Ambacht en zullen onder het bevel komen van jonkheer Jacques Resewijck. Uiteindelijk, op aanraden van kapitein Wintershove, wordt die Resewijck vervangen door kapitein Hans Bosch die naar verluidt een sterke en ervaren oorlogsman is.

Montigny mag het vergeten. Veurne zal niet betalen en pretendeert om zich met man en macht te beschermen. De malcontenten te Lo kunnen daar natuurlijk niet om lachen en tonen zich erg ontevreden over de weigering. Mistevreden zijn, zal met zo een bijnaam wel hun core business zijn zeker? Ook de Fransen van Roesbrugge tonen zich verbitterd. Hele groepen van hen komen nu regelmatig voor de stadsmuren paraderen om daar te insinueren dat er elk moment kan overgegaan worden tot een bestorming van Veurne. ‘Overnacht zorgen ze herhaaldelijk voor tumult en alarm om de inwoners schrik aan te jagen. Maar de burgers en het garnizoen stelden zich goed te weer en vreesden er allerminst voor dat hun stad stormenderhand zou kunnen ingenomen worden.’

De omgeving van Veurne lijdt natuurlijk extra zwaar door de terechte koppigheid van de stedelingen.’Als de malcontenten en de Fransen nu al vier weken gelegerd hadden in kasselrij hadden ze die helemaal leeggeroofd en verwoest. Wanneer ze wegtrokken, lieten ze er niets anders over dan veel puinhopen en allerhande tekenen van vernieling. En toen de landlieden nu naar hun woonsteden terugkeerden vonden ze er niets meer van hetgeen ze achtergelaten hadden. Dat was het begin van de verwoestingen die men van nu af aan in de kasselrij te lijden zou krijgen.’ Pauwel weet inderdaad al meer als dit slechts de voorbode is van de ellende. Anno 2017 trek ik grote ogen naar wat zich hier in de Westhoek nog allemaal moet afspelen. Terwijl ik me al een hele tijd aan het afvragen was wanneer die ellende eindelijk zal ophouden, verrast de schrijver me met zijn statement dat het slechtste nog moet komen.

De miserie wordt natuurlijk deels veroorzaakt door de torenhoge kosten van de oorlog. Fortuinen die de Staten van Vlaanderen natuurlijk moeten afpersen van de bevolking zelf. Afpersen is een goedgekozen werkwoord. Alle middelen zijn goed om aan geld te geraken. De tiende en de twintigste penning, de zo gecontesteerde uitvinding van Alva zijn ondertussen al vaste taksen en nu wordt daar bovenop nog eens een vijfde penning geëist op de opbrengst van alle goederen. De inwoners van de stad en de kasselrij moeten deze ongehoorde belastingen vanaf 1578 en de komende jaren betalen en doen dat verwonderlijk genoeg met minder tegenzin dan in de tijd van de Spanjaarden. Wat moet de haat tegen de Spanjaarden inderdaad toch groot geweest zijn!

Tussen al het gedoe van de malcontenten door, is er ondertussen al een begin gemaakt met het nieuwe jaar 1579. Het magistraat van Veurne en de achttien gekozen mannen beslissen eensgezind dat de stad moet voorzien worden van grof geschut. Ze investeren in twaalf koperen kanonnen, tweeduizend pond buspoeder, ballen en andere munitie. Het oorlogstuig wordt besteld in Antwerpen. Het geld moet nu noodgedwongen toch gehaald worden uit de klokken die hier nog gestockeerd staan. Jacob Zeghers, een handelaar uit Vlissingen koopt het koperwerk van de kerken van stad en kasselrij samen met enkele klokken uit de lokale voorraad.

De transactie kan gebeuren dank zij een toelating van de aartshertog. Op 20 januari 1579 worden de vermelde klokken naar Nieuwpoort getransporteerd om daarna uitgeleverd te worden in Vlissingen. Wanneer blijkt dat die veel meer wegen dan verwacht blijven enkele klokken achter in Nieuwpoort. De hoofdmannen van enkele parochies krijgen daarop een signaal dat ze hun eigen klokken hier kunnen komen afhalen.

Aan het geluidsmateriaal (lees: de klokken) van de kerk van Sint-Walburga wordt niet geraakt. De goede katholieken worden even met rust gelaten. Voor de rest wordt Veurne stevig voorzien van geschut. De vrees dat de malcontenten zullen aanvallen blijft bestaan. Er moet ook nog altijd rekening gehouden worden met het Spaans leger van de koning zelf. Voorlopig zijn de Veurnenaars er wel gerust in. Filips II heeft het momenteel zwaar aan de stok met de troepen van Willem van Oranje. De strijd wordt gevoerd in Brabant, Friesland, Gelderland en omgeving. Ver van de Westhoek.

‘Ze werden gewaarschuwd dat er op het kasteel van Oostvleteren vijf koperen en twee ijzeren haken lagen. Het magistraat stuurde Victor Adam ernaartoe om die op te halen en naar Veurne te brengen waar die best nuttig zouden kunnen zijn om de stad te beschermen.’ Jonkheer Hendrik Sombiers, de heer van Bodegem die met zijn regiment van Walen en andere malcontenten legert in Poperinge, stuurt op 9 januari 1579 het bevel naar Veurne dat hun ontvanger moet starten met de inning van de vijfde penning. Dat komt neer op een nieuwe belasting van twintig percent. Te betalen binnen de drie dagen en als ze dat niet doen dan krijgen ze een vierdubbele boete en zullen ze mogen toekijken hoe hun parochies beroofd en verbrand zullen worden.

Veurne smeekt dat Oranje en de Raad van Vlaanderen zullen komen bemiddelen. Die benadert leider Montigny die zich op dat moment in Menen bevindt met enkele gesloten brieven. De boodschap is duidelijk: ‘wees eens wat redelijk man; als je dan toch wil brandschatten, doe het dan tenminste min of meer redelijk voor de mensen.’ Het zijn de keurheren Victor Adam de Hames en Denis de Mol die de brieven overhandigen aan Montigny. Het magistraat stelt zich tevreden om een redelijke brandschatting te betalen en als de malcontenten hun voorstel niet willen aanvaarden dan zullen al de inwoners hun schup afkuisen en zal Veurne-Ambacht onbewoond blijven. En krijgen ze niets.

De contacten met Montigny verlopen toch wel hoffelijk als ik het zo verneem. Het doet Montigny leed om de Veurne-Ambachters zo streng te moeten behandelen, maar hij en zijn volk zitten zonder geld en middelen. Nood breekt wet. Vandaar dus. En nog wel enkele redenen erbij. Er komt uiteindelijk een vergelijk uit de bus. De leiding van de kasselrij moeten vanaf 20 januari 1579 maandelijks de som van 3.452 gulden brandschatting betalen en zolang dat dit gebeurt zullen de malcontenten zich niet laten zien in Veurne-Ambacht. Van die laatste belofte komt niet echt veel in huis. Aanvankelijk houden de Walen zich koest maar gaandeweg gaan ze meer en meer de Westhoek teisteren met drieste roofpraktijken en alles wat er bijkomt.

Begin maart start er een nieuw diplomatiek overleg. En dat is best nodig. ‘Ziende dat Veurne-Ambacht, ondanks de grote contributie die het aan de malcontenten betaalde, nog voortdurend verder opgevreten werd zonden ze onder andere hun wethouder Charles Vande Linde op 4 maart naar Antwerpen. Hij moest daar aan de afgevaardigden van de Staten en aan de aartshertog te kennen geven wat hier allemaal aan de hand was. De onophoudelijke roofpartijen, de invallen en de moedwilligheden die het oorlogsvolk van de heer van Montigny in onze provincie bedreven ondanks de grote brandschattingen die er al betaald werden om dat niet te doen. Ze smeekten om van deze terreur bevrijd te mogen worden omdat anders de bevolking van het platteland wel genoodzaakt zou zijn om hun streek te verlaten. Matthias beloofde dat hij zijn best zou doen om dat te beletten zodat die van Veurne met toch iets van hoop konden terugkeren.’

Aartshertog Matthias houdt woord. Vanuit Frankrijk vraagt en krijgt hij de hulp van een regiment van vijf à zesduizend soldaten die zich onder het bevel zetten van kapitein François De la Noue, toch wel één van de vermaardste legerleiders van zijn tijd. Een hugenoot in hart en nieren en dus een natuurlijke vijand van de malcontenten. Op 6 april 1579 arriveert dat Frans leger in Veurne-Ambacht waar het gaat bivakkeren in het klooster van Ter Duinen. De wethouders van Veurne zorgen er voor dat de Fransen voldoende levensmiddelen ter beschikking krijgen zodat ook die bende niet zal beginnen met de streek af te lopen op zoek naar buit. Wat een tijd toch! De voetnoot van Pauwel doet er nog een schepje bovenop: ‘doordat de heer De la Noue en zijn volk allemaal geuzen waren en de katholieke godsdienst als overbodig beschouwden, werd het klooster van Ter Duinen van die soldaten zeer geschonden.’

Tijdens diezelfde week van april laat De la Noue al eens voelen wie hij is. Hij vertrekt met een leger naar Duinkerke waar hij een aanval plaatst op de manschappen van meneer de Pardieu die er aangekomen waren om de inwoners te plunderen. Die krijgen klop. Zoveel is duidelijk. Er vallen nogal wat doden, ik blijf in het ongewisse over het precieze aantal. De geschiedenis blijft maar slordig omgaan met de mens en zijn lot. Ik kom wel te weten dat er enkele edelen gevangen worden genomen. Vandaar verlegt De la Noue zijn werkterrein naar Bergen-Ambacht.

De 10de april staan zijn troepen in Poperinge, ‘waar ze de heer van Bodegem en zijn malcontenten die de kasselrij van Veurne en Bergen maar al te zeer beroofd hadden hier nu op de vlucht jaagden.’ Enkele dagen later versast hij een deel van zijn soldaten naar Beveren aan de Ijzer om er de doortocht van de Walen te beletten. En dat zullen de lokale landlieden wel geweten hebben. ‘Die Fransen waren geen engelen, ze beroofden de hele gemeente en bovendien behandelden ze de geestelijken als stukken stront zodat men waarlijk niet kon pochen met die zogezegde bevrijders.’

Ik probeer nog even de situatie in de Nederlanden samen te vatten. Aan de ene zijde heb je het officieel Spaans en katholiek leger van de koning en de bende malcontenten die los van elkaar strijden tegen het calvinistisch leger van Willem van Oranje en tegen de Franse hugenoten. Op 6 april 1579 komt er aan de kant van de katholieken verandering in de toestand. De malcontenten fuseren met het koninklijk leger van de heer de Pardieu zodat er nu nog sprake is van één partij katholiekgezinden. Menen, Komen, Waasten, Cassel en andere steden welke door de malcontenten werden veroverd komen zo terug in Spaanse handen. Korte tijd later kiezen de Waalse provincies Artesië, Henegouwen, Waals-Vlaanderen (de steden van Rijsel, Douai en Orchies) de kant van Spanje. De oorlog wordt meteen een stuk overzichtelijker.

Het lijkt me duidelijk dat de koningsgezinden gevoelig versterkt uit deze operatie komen. De Staten van Vlaanderen die de kant van Willem van Oranje hebben gekozen zien zich plots voor een dilemma geplaatst. Gent, Brugge, het Vrije en Ieper hebben de geuzen veel te veel vrij spel gegeven om de katholieken klein te krijgen. In een overwegend diep christelijk Vlaanderen heeft dat gezorgd voor een geweldige tweespalt. En ware het niet geweest van die tweedracht dan zouden de Spanjaarden nooit nog enige kans gehad hebben om ook maar één stad in Vlaanderen in zijn bezit te krijgen.

Er zijn natuurlijk nog veel steden wel in handen van de Nederlandse Staten. Zo bijvoorbeeld Duinkerke. Daar zwaait Willem van Blois als viceadmiraal, gouverneur en superintendent voor West-Vlaanderen de plak. Hij beschermt zijn eigen stad met grote zorgvuldigheid. Daarom verzoekt hij aan de leiders van Veurne-Ambacht dat ze hem honderd werklieden zouden willen sturen. Duinkerke wordt trouwens ook beschermd door een eigen garnizoen. Daarbij werpt hij nog versterkingen op in ‘Beentjesmeulen’ en ‘Sieckelien’, twee gehuchten in de buurt van Sint-Winoksbergen. En er komt er ook een in ‘Havenbrugge’. De drie laatstgenoemde plekken komen onder het bevel van kapitein Zonnevelt de gouverneur van Bergen die daarvoor vierhonderd man ter beschikking krijgt.

Willem van Blois toont zich ook bezorgd om de andere steden van zijn district. Hij laat enkele stukken metalen geschut overbrengen van Oostende naar Veurne om die te gebruiken voor extra bescherming. De stad moet zelf instaan voor de aankoop van buspoeder, ballen en andere munitie. Het magistraat zelf loopt de deur van Oranje plat op zoek naar steun. ‘Want ze bevonden zich dagelijks in grote perikelen om belegerd te worden en dat er nog veel zaken moesten gebeuren voor de verdediging en voor de aanvulling van het wapenmagazijn.’ Geld vragen aan een Hollander moet geen sinecure zijn maar toch zijn de verrassingen de wereld niet uit. Willem vindt de eisen van Veurne gegrond.

‘Zijne excellentie zond de heer van Famars naar Veurne welke samen met de officieren van het garnizoen en ingenieur Jeronimus Lhabault een rondgang deed om te kijken wat er ontbrak.’ De bezichtiging levert een betaalbrief van drieduizend gulden op. Met die brief mag ontvanger Jan Speleman twaalfhonderd gulden gebruiken uit de verkoop van eigendommen van het kapittel van Sint-Walburga. Duizend gulden uit het vermogen van het klooster van Ter Duinen en de rest uit het klooster van Sint-Niklaas. Willem van Oranje heeft zich dood gegeven met andermans geld. De infrastructuurwerken zullen uiteindelijk twaalfduizend gulden kosten.

Ik stap even naar Eversam waar enkele kloosterlingen achtergebleven zijn om hun abdij tot min of meer te kunnen vrijwaren van al te veel vernielingen. Ze doen dat discreet, houden dagelijks hun gewone kerkelijke diensten en leven zuinig van de opbrengst van het land. Blijkbaar moet dat niet naar de zin zijn van de geuzen die absoluut niet willen hebben dat er ergens op het platteland nog katholieke diensten gedaan worden. Op 4 juni 1579 stuurt de hoogbaljuw van Ieper er een pak volk naartoe. ‘Als die mannen dat gesticht helemaal geroofd en de religieuzen mishandeld hadden lieten ze het klooster en de kerk over ten prooi aan het vuur.’

Of het nu Ieperlingen zelf zijn of huurlingen uit het Iepers garnizoen kom ik niet te weten. Ze houden zich in elk geval allerminst in. ‘Van daar trok de bende ter prochie van Noordschote waar de priester af en toe ook nog eens de roomse godsdienst uitoefende, tot het gerief van zijn parochianen. Na al de meubelen van deze geestelijke geroofd te hebben namen ze ook alles mee uit de kerk zelf waarop ze die in brand staken en helemaal naar de verdoemenis hielpen.’

Het magistraat wordt op de hoogte gebracht van de brandstichtingen. Daarbij vangen ze op dat er nog meer van dat op komst is. Ze willen wel eens weten wie daar achter zit. Hoogbaljuw de Loueuse en keurheer Joos de Dois gaan poolshoogte nemen bij hun collega’s in Ieper. Wie heeft hier de opdracht gegeven om zo baldadig te werk te gaan? ‘De Ieperse magistraat was oprecht beschaamd voor de lelijke en goddeloze daden die zijn volk bedreven had en verontschuldigde zich uitvoerig ervoor. Waarop de gezanten hem vermaanden dat hij zijn volk moest verbieden om nog zulke onbetamelijke zaken te doen en zijn mensen beter in tucht moest houden.’

Er gaan ook klachten richting het Hof maar die blijven zonder gevolg. Dergelijke voorvallen blijken zowat overal in Vlaanderen schering en inslag te zijn. Er zal wel geen enkel klooster zijn die in deze periode ongeschonden zal blijven. Voor de religieuzen van Eversam betekent de verwoesting van hun kloostergebouwen het einde van de rit. Ze zien zich verplicht om naar katholieke steden te verhuizen waar ze met de meeste moeite van de wereld aan de kost kunnen geraken.

Ik hoop voor die van Eversam dat ze hun keuze niet hebben laten vallen op Brugge. Want dan zouden ze gegarandeerd van de regen in de drop arriveren. In juli 1579 ontstaat daar immers grote heibel tussen de katholieken en de geuzen. ‘Eerstgenoemden konden niet langer de moedwilligheden van de geuzen verdragen en probeerden bijstand te krijgen van de malcontenten. Maar nog voor die in Brugge konden geraken kregen de geuzen al de assistentie van het leger van de Staten welke dan in Torhout gelegerd lag onder het bevel van mijnheer De la Noue. Dat betekende meteen dat de Brugse katholieken moesten wijken. De openbare uitoefening van de katholieke religie werd door de calvinisten nu belet en een menigte priesters werd uit de stad gejaagd.’

In Veurne zit het evenmin goed. Ook hier de nodige moedwilligheden van de geuzen ten opzichte van de geestelijken en goede katholieken. Ze beletten plots de vrije uitoefening van het katholicisme. De kerk van Sint-Walburga wordt op slot gedaan. Vooral na de roofpartij die de soldaten van het garnizoen hebben uitgevoerd. ‘Ze werden hier trouwens toe opgestookt door enkele van de voornaamste burgers van de stad die zelf door de “geuzerie” besmet waren. En ook de consistorianten van de gereformeerde religie zaten achter de aanval op de kerk. De soldaten beperkten zich trouwens niet enkel tot een raid op Sint-Walburga. Achteraf gingen ze zich ook focussen op de woningen van de geestelijken zelf waar ze alles ontvreemdden wat ze vonden zonder dat hun kapitein de heer le Noir hen ook maar een strobreed in weg legde.’

De katholieke schepenen van Brugge en Veurne gaan natuurlijk op hun achterpoten staan. Ze gaan zoals verwacht klagen bij de vier Leden van de Raad van Vlaanderen. Hun kerken moeten absoluut weer open gaan en de religions-vrede dient in stand gehouden te worden. Maar ze blijven op hun honger zitten. De schepenen moeten het stellen met enkele nietszeggende antwoorden en wat povere troost die ervoor zorgen dat de steun van de Vlaamse katholieken voor de Raad van Vlaanderen nu gaat omslaan in een hevige nijd. Als het zo zit met de voortdurende repressie van hun geloof dan zouden de Vlaamse provincies zich net als de Walen beter opnieuw aansluiten onder het gezag en de gehoorzaamheid van de koning. Willem van Oranje kan de ‘fucking’ pot op.

Voorlopig zijn dat echter nog dagdromen en gaat het van kwaad naar erger voor de katholieken in Vlaanderen. Het garnizoen van kapitein De la Noue slaagt er tijdens de zomermaanden van 1579 in om de malcontenten te verjagen uit Menen, Waasten en het kasteel van Beselare. De mensen van Veurne-Ambacht blijven ondertussen hun brandschattingen betalen en hun geld wordt gebruikt om de bezetting van Sint-Omer in stand te houden. Dat leidt natuurlijk tot heel schizofrene situaties. De katholieken van Veurne staan zoals ik zopas heb uitgelegd feitelijk aan de zijde van de malcontenten maar zolang de Westhoek onder de dominantie van de geuzen blijft moeten ze wel de vuile oorlogspraktijken van hun zogezegde vrienden ondergaan.

Het verlies van Menen dwingt de malcontenten om een nieuw bolwerk te veroveren. ‘Ze wensten een sterkte in deze streek te bekomen zodat ze de inwoners van Veurne, Bergen, Nieuwpoort en Diksmuide konden dwingen om hun grote garnizoenen te onderhouden en om hen te pramen nog meer contributies te betalen. Daarom kwam Valentijn de Pardieu, de heer van la Motte en gouverneur van Grevelingen in het begin van september 1579 aan het hoofd van een leger van achtduizend man naar Roesbrugge. Hij gaf opdracht om er een verschanste versterking te bouwen, op de plaats waar vroeger het oude kasteel had gestaan.’

Terwijl de malcontenten druk bezig zijn om zich in te graven in Roesbrugge positioneert het garnizoen van de staatsgezinden onder het bevel van De la Noue zich ter hoogte van Lo en omgeving. Ze verschansen zich daar in de hoop om zo de koningsgezinden te beletten om hun aanvallen uit te voeren op Veurne, Nieuwpoort of Diksmuide. Twee vijandelijke legers op pakweg vijftien kilometer van elkaar verwijderd. In het hart van de Westhoek.

Ik houd mijn hart vast voor de landlieden. Veel goed moet ik niet verwachten. Mijn vrees wordt direct bewaarheid: ‘het volk van die twee legers liep dagelijks tegen elkander uit. De ene partij net zo goed als de andere zorgde telkens weer voor groot alarm. Ze liepen nog meer uit om buit te zoeken bij de landlieden van de parochies. Zowel bij die van de zuidkant van de Ijzer als bij de mensen van de Houtlandse parochies aan het noorden van deze rivier. Hun koeien, paarden en andere goederen ontnamen ze waardoor de bevolking zich genoodzaakt zag om het overblijvend vee en hun eigendommen naar de parochies van het Bloote te zenden.’

‘En hoewel de dorpen van die streek door hun ligging tussen vaarten en waterplassen over een zekere natuurlijke veiligheid beschikten, lieten hun inwoners niet na om al de doorgangen te bezetten met sterke wachten. Ze wierpen daarbij al de bruggen af om te beletten dat de Fransen die in Lo lagen niet over de vaarten zouden trekken. De landlieden kregen daarbij de hulp van het magistraat. Het water in de kasselrij stond erg laag en daarom gaven ze het bevel om de sluizen van Nieuwpoort enkele getijden lang open te zetten zodat het zeewater vrijuit zou kunnen vloeien en zo de vaarten hoog van stroom zou houden.’

Voor de boeren van het Houtlandse is die hele oorlogstoestand een regelrechte ramp. De schuren liggen volgestouwd met graan waarvan het grootste deel door de soldaten van beide kampen gestolen en gedorst werd en daarna weggevoerd. En er zou nog meer koren verdwenen zijn indien de soldaten van de legers niet zo vaak met elkaar in de clinch zouden hebben gelegen. Ondertussen wordt er verder gebouwd in Roesbrugge. De bouw van het bolwerk daar neemt zowat zeven weken in beslag. Daarna worden deze stellingen voorzien van grof geschut en andere oorlogsmunitie zodat het leger van de koning er eindelijk zijn intrek kan nemen. Van zodra dat gebeurd is laat de Pardieu het bevel over aan zijn kolonel Bodegem.

De staatsgezinden blijven tot Kerstmis 1579 liggen op hun posities in Lo. Tot groot verdriet en schade voor de inwoners van de kasselrij en in het bijzonder die van Lo zelf van wie hun kerk en klooster beschadigd en geschonden worden. Heel het Veurne-Ambachtse kreunt onder de ellende die beide legers er gedurende het jaar hebben aangebracht. Rond de jaarwisseling vertrek De la Noue dus met zijn troepen en kunnen de landlieden welke naar het Bloote gevlucht waren eindelijk naar hun boerderijen terugkeren. ‘Om de gemeenschap onder elkaar te herstellen deden de bewoners van het Bloote al de bruggen herstellen welke ze bij de aankomst van de Fransen vernield hadden. Ze deden dat op dusdanige manier dat ze die op gelijk welk moment weer in stukken zouden kunnen slaan en achteraf weer gemakkelijk zou kunnen heraangebracht worden.’

De levensomstandigheden moeten treurig zijn. Pauwel heeft het ook in de gaten. ‘De ontsteltenis die ontstaan was door het verlies van hun eigendommen en de langdurige afwezigheid uit hun huizen veroorzaakte onder de inwoners van deze kasselrij menigvuldige ziekten. Vooral de rode buikloop teistert de bevolking waardoor veel mensen stierven.’ Die rode buikloop waarvan sprake is feitelijk dysenterie. Een bacteriële infectie zo besmettelijk als de pest en gekenmerkt door een hevige en bloederige diarree.

Terwijl ziekte en dood toeslaan in de Westhoek mag de verdediging van het land zeker niet verwaarloosd worden. De wethouders zorgen er met de hulp van enkele ijverige burgers voor dat er wacht wordt gelopen om na te zien of al de uitkijkposten wel bewaard worden. De soldaten van Oranje kunnen het trouwens niet altijd pikken dat burgers zich met hun dienst bemoeien en gaan meermaals in de clinch met hun controleurs. Het gaat zo ver dat Willem van Oranje een ervaren oorlogsman naar Veurne moet sturen om de gespannen situatie wat te ontmijnen. Joris Verghelt wordt aangesteld als nieuwe sergeant-majoor van het garnizoen en hij zal voortaan het toezicht over de schildwachten en de controleronden op zich nemen. Van zijn kant stelt het magistraat ook een sergeant-majoor aan voor de burgerlijke wachten. Dat blijkt Jan Outerseune te zijn. De orde bij de wachtposten lijkt daarmee hersteld te zijn.

Tijdens het jaar 1579 overlijdt Robert Holman, de abt van het klooster van Ter Duinen. Zoals ik al vertelde woonden hij en zijn geestelijken al een tijd in hun vluchthuis te Brugge. Na zijn dood komt Laurens Vanden Berghe als nieuwe abt aan het hoofd van de organisatie. Een opvolging die al een tijd geregeld was op voorstel van de koning zelf en die nu bij de dood van Holman bevestigd wordt door de Raad van Vlaanderen. Hij zal voortaan vijfhonderd gulden per jaar krijgen en ieder van de monniken van Ter Duinen krijgt er honderdvijftig gulden. Zolang er maar geen nieuwe meer bijkomen. Niet echt goedertierenheid van de overheid want het geld komt uit de opbrengst van eerder aangeslagen goederen van het klooster zelf.

Met die Vanden Berghe moet er iets mis zijn. Wat er precies schort aan de nieuwe abt kom ik niet direct te weten. Wel dat de meeste van zijn discipelen hem niet kunnen uitstaan en hun refuge in Brugge inwisselen voor een vluchthuis in Sint-Omer. Het moet een hele groep zijn die zich distantieert van de nieuwe abt. Tijdens een algemene vergadering in hun nieuwe locatie kiezen ze hun nieuwe abt zelf. Paschasius Verhel is de man en hij krijgt direct de steun van Filips II. Pas nu kom ik de waarheid te weten. Vanden Berghe toont zich beste vrienden met de Staten van Vlaanderen en slaapt dus in het bed van de calvinisten. De plaats van Sint-Omer als katholiek bolwerk is een logische keuze voor de monniken die niet onder deze hypocriete abt willen verder leven.

Laurens Vanden Berghe aanvaardt de nieuwe abt Verhel natuurlijk allerminst en gaat in het verzet tegen deze onwettige verkiezing. Hij grijpt natuurlijk naar zijn statuten. Veel geleuter, vakjargon die de breuk allerminst zal herstellen. In 1583 krijgt Vanden Berghe het gelijk aan zijn kant. Nadat hij zich verzoend heeft met de koning krijgt hij zijn titel terug en komt hij in het bezit van de abdij zelf. Paschasius Verhel verhuist naar het klooster van de Nonnenbossen waar hij biechtvader van de nonnen wordt. Volgens mijn schrijver heeft de tweedracht twee jaar aangesleept en wierp die een grote schandvlek over de monniken van Ter Duinen.

In het hart van de Westhoek beleven ze het jaar 1580 en daar ga ik met gezwinde spoed weer naartoe. Vanuit hun versterkte uitvalsbasis van Roesbrugge herbeginnen de malcontenten weer met hun systeem van brandschattingen. ‘Ze vingen de inwoners van de kasselrij die de gereformeerde religie in het openbaar uitoefenden en lieten die ferme rantsoenen uitbetalen in ruil voor hun vrijlating. En of die al dan niet al eerder brandschattingen betaald hadden was niet van belang.’ Deze tactiek zorgt voor grote schrik bij de geuzen die hun diensten niet meer in het openbaar durven te organiseren. De ministers vertrouwen de toestand op het platteland allerminst. Kop van jut zijn natuurlijk nu de katholieke priesters in Veurne-Ambacht die er nu van verdacht worden om te functioneren als spionnen van de malcontenten uit Roesbrugge. Het spel eindigt dat er nu geen erediensten meer gehouden worden. Geen van de katholieken en geen van de geuzen.

De malcontenten beperken zich trouwens niet tot de regio van Veurne. ‘Ze vingen al de inwoners die ze konden krijgen. Van Veurne, Nieuwpoort, Diksmuide, Bergen en de andere steden in het gebied van de Staten liggende. Ze deden die grote afkoopsommen betalen en wie dat verzuimde of weigerde, werd opgesloten. Zodat hun sterkte in Roesbrugge vol gevangenen stak. En omdat dit nu niet speciaal de plaats was om mensen te leggen, werden ze daar in uiterst ellendige omstandigheden behandeld. En wie betaalde wist dat hij voortaan als arme mens verder door het leven moest gaan.’

De trucs van de malcontenten zijn gehaaid. Het grote geld zit bij de welstellende boeren die in de stad wonen terwijl hun pachters hun grond bewerken en hen daarvoor moeten betalen. De Walen gaan nu op bezoek bij die pachters. Al de sommen die ze moeten betalen aan de eigenaars dienen ze aan de malcontenten te betalen. En als ze dit verzuimen riskeren ze weer de gebruikelijke vernielingsrondes te doorstaan. De rijke boeren, de keurbroeders van Veurne-Ambacht kunnen enkel reageren door hun verblijf in Veurne op te geven en weer op de kasselrij te gaan wonen. Wie goed en land van de abdijen pacht, krijgt eveneens te maken met de afpersers. De pachtgelden moeten betaald worden aan de malcontenten die er zelf zullen voor zorgen dat alles bij de gevluchte katholieke priesters zal terechtkomen.

Die handelswijze zorgt er natuurlijk voor dat de pachters het voor bekeken houden in Veurne-Ambacht. Werken voor de koning mag hier wel letterlijk genomen worden. Om te voorkomen dat het vee en hun inboedel zal worden afgehaald laten ze de kasselrij achter en gaan ze op zoek naar veiligere oorden. Vraag is natuurlijk waar die momenteel te vinden zijn. Er is trouwens nog een categorie volk die probeert te ontglippen uit de Westhoek. De geuzen of ‘would-be geuzen’ die van de hetze tegen de katholieke geestelijken geprofiteerd hebben om hen te verdrukken en te bestelen.

Wie ooit heeft deelgenomen aan kerk-plunderingen staat al een hele tijd in het vizier van de malcontenten die er natuurlijk een sport van maken hen op te pakken en enkel mits de betaling van beduidende afkoopsommen weer op vrij voeten stellen. De malcontenten aarzelen niet eens om zelfs goede en rijke katholieken op te pakken. Ze betichten hen van alles om er toch maar geld uit te slaan. Het is in elk geval meer dan duidelijk dat de kasselrij Veurne-Ambacht zich bij de aanvang van 1580 is een ellendige toestand bevindt.

Begin januari krijgt kapitein De la Noue er versterking bij voor zijn hugenoten. Frans van Anjou, de hertog van Alençon en broer van de koning van Frankrijk gaat zich moeien in Vlaanderen. Hij stuurt vierduizend man naar Duinkerke om De la Noue extra te ondersteunen. Een mix van voetgangers en ruiters om het oorlogsvolk van de hugenoten in de Westhoek te versterken. ‘De Fransen bleven lange tijd in Duinkerke zonder veel anders uit te richten dan de landlieden te beroven en uit te vreten. Bovendien kwamen er de zondag voor de Vasten nog drieduizend mannen bij die jonkheer Charles de Lieven, de heer van Famars gezonden had. Ze bleven liggen in de buurt van Lo waar ze zich verschansten.’

Deze Franse troepen komen er om de versterkingen van de malcontenten op te rollen. In eerste instantie het bolwerk van Roesbrugge en daarnaast is ook het kasteel van Ekelsbeecke aan de Ijzer (Esquelbecq) in Waalse handen. Vanuit deze locatie zorgen ze voor grote hinder aan de kasselrijen Bergen en Veurne. De landlieden lastig vallen en bestelen. Veel meer richten de malcontenten er niet uit. De vraag is natuurlijk wanneer De la Noue feitelijk in actie zal schieten. Een vraag die door de bestuurders van Veurne-Ambacht herhaaldelijk gesteld wordt. ‘Of het hem zou willen believen dat zijn volk de malcontenten uit Roesbrugge zou willen verjagen en hun sterkte met de grond zou gelijk willen maken.’ Ook de Raad van Vlaanderen insisteert om het fort van Roesbrugge en het kasteel van Ekelsbeecke te willen veroveren.

Bij die vraag van de Raad hoort nog een bijkomende opdracht om eveneens landinwaarts in te grijpen. Blijkbaar is dat ook prioriteit. Veurne kan wel nog even wachten. Op 10 maart vertrekken de Fransen van Duinkerke en Lo richting Ninove, een stad die ze ook innemen en waar de krijgsknechten flinke buit vinden. Ondertussen blijft Roesbrugge als een zwaard van Damocles hangen over de inwoners van Veurne-Ambacht.

Begin 1580 is er eveneens sprake van de oprichting van een soort rechtbank die alle geschillen moet behandelen die zich op of langs de Noordzee voordoen. De ‘Raad van Admiraliteit’ is een initiatief van de Generale Staten van de Nederlanden en bestaat uit notabelen van Veurne en Sint-Winoksbergen. Als voorzitter wordt aangeduid Jacob Marchant, een landhouder van Veurne-Ambacht. Naast hem zetelen Jacob van Bryarde, Arnout van Zegerscappel, Anthony van Bryarde de heer van Beauvoorde en dan nog verder Filips Boudeloot. Anthone Baltin wordt aangeworven als financieel expert en er komt nog een griffier bij waarvan de naam niet duidelijk is voor Pauwel. De schrijver geeft wel wat extra duiding bij de voorzitter. Die Jacob Marchant staat bekend als een grote vijand van de Spanjaarden en een adept van Willem van Oranje. Zijn trouw legt hem geen windeieren en levert de man postjes bij de vleet op. Met name het landhouderschap van Veurne-Ambacht, het baljuwschap van Nieuwpoort en de zeggenschap over het commissariaat van de monstering van het oorlogsvolk in West-Vlaanderen.

De geuzen hebben al geruime tijd de kerk van Sint-Walburga in hun bezit en verbieden daardoor de openbare uitoefening van de katholieke diensten. De priesters zien zich verplicht om hun diensten in een min of meer clandestiene omgeving te houden. Iets wat de calvinisten dan wel door de vingers zien. Zolang er maar geen klokken geluid worden en er geen uitwendige tekenen gebruikt worden om volk te lokken. Enkele huizen in de binnenstad functioneren zo als locatie voor deze eucharistievieringen. In een voetnoot laat de schrijver weten dat dit ook gebeurt in het huis waar hij nota bene nu zelf woont. Het grootste huis van de stad, gelegen aan de westelijke zijde van het gasthuis. De priesters maken er gebruik van twee kamers. Iets wat in Pauwel’s tijd nog te zien is aan overgebleven ornamenten en geschilderde blazoenen.

Wie katholiek is in Veurne heeft het natuurlijk niet gemakkelijk. De verdrukking van hun geloofsgenoten is tergend. En dan zijn er die voortdurende moedwilligheden die de geuzen begaan tegenover hun priesters. Gaandeweg gaat een belangrijk deel zich weer scharen achter de koning van Spanje en distantieert iedereen zich van de Staten van Willem van Oranje. De calvinisten zien dat natuurlijk niet graag gebeuren. Ze verdenken de voornaamste burgers van Veurne ervan om samen te heulen met de vijand. In maart 1580 grijpen ze in. ‘Verscheidene poorters en ingezetenen van wie zij een kwaad vermoeden hadden moesten uit de stad vertrekken. Onder andere de oude deugdelijke poortbaljuw Jacques Renier die al verschillende keren burgemeester van de stad was geweest.’

Een aantekening in ‘De Rekeninghe van Veurnambacht van 1580’ bewijst duidelijk de anarchie die er heerst in Veurne en dat er toch wel enkele notabelen zijn die de kat de bel gaan aanbinden bij de overheid. ‘Op 7 maart reisden de calvinistisch gezinde jonkheer Mahieu Ryeel, landhouder van de commune en keurheer Jacques Herboort naar Brugge om er aan het college daar te kennen te geven hoezeer de katholieke consistorianten van de stede van Veurne de wet aan hun laarzen hadden gelapt. Dat gebeurde vier dagen eerder tijdens de nacht. Ze hadden buiten het medeweten van het schepencollege diverse wethouders en keurheren uit Veurne-Ambacht uit hun woningen geplukt en hen gedwongen om mee te gaan naar de stad. Zonder enige vorm van legitimatie of wettelijke opdracht. Ryeel en Herboort verzochten mijne heren daar in Brugge om in te grijpen en de zaak tot op het bot uit te spitten.’

En zo gebeurt het ook. Er komt een nieuw schepencollege. Hoewel het daar normaal nog niet de tijd voor is. Enkele magistraten worden gewraakt en afgezet omwille van het kwaad vermoeden dat ze in hen hebben. Het gaat om de stedelingen Pieter Marchant en Adriaan Boy. Van Veurne-Ambacht verdwijnen eerste schepen Vanden Clichthove samen met Roeland van Zegerscappel, Jacob Obbensone en meester Denys de Mol. De calvinisten hebben ook een slecht oog op hoogbaljuw Louis de Loueuse die blijkbaar zou samenheulen met de malcontenten. En dan nog niet met de minste: het zou gaan om de gouverneur van het fort van Roesbrugge. Ze verdenken de hoogbaljuw ervan om erg slordig om te gaan met de verdedigingswerken van Veurne. Alsof het hem allemaal niet interesseert.

De Loueuse wordt effectief afgezet en gaat daartegen in beroep. De magistraten bezorgen op hun beurt een bewijsschrift waarbij ze verklaren dat hij zijn ambt slecht uitvoerde, zich nergens mee bemoeide en zich erg genegen voelde met de vijanden van de Staten. Het hof oordeelt dat deze klachten gegrond zijn en vervangt de Loueuse door Bernard de Wynckere, de heer van Priele en Bakelrode welke met zijn huisgezin in Veurne komt wonen. Verdere pogingen van de afgezette hoogbaljuw om zijn ontslag ongedaan te maken, blijken achteraf tevergeefs. Hij wordt dus genoodzaakt om zich terug te trekken in zijn kasteel te Krombeke dat hem toebehoort dank zij zijn huwelijk met Eleonore, de dochter van jonkheer Pieter Vanden Bampoele.

De Wynckere krijgt direct het volle vertrouwen van zijn stadsbestuur dat hem al direct promoveert tot nieuwe gouverneur in vervanging van Francis Bourdet die deze functie achttien maanden heeft bekleed na het vertrek van kapitein Wintershove. Niet dat Bourdet zijn functie slecht uitvoerde maar de perspectieven met de Wynckere ogen nu eenmaal veel beter. Na de grote opkuis bij de katholieke notabelen lijkt het me logisch dat de geuzengodsdienst weer aan aanhang begint te winnen. Dat gebeurt naar verluidt vooral bij het klein en ongeletterd volk. De mensen worden voortdurend gebrainwasht om de roomse lering achter zich te laten en voort te doen met de gereformeerde godsdienst.

Een van de sterkhouders van die dagen is minister en predikant Joannes Alopesius. Een monnik die zijn kap over de haag heeft gekieperd en nu volop inzet op de nieuwe godsdienst. Pauwel doet erg schamper over de man wiens echte naam hij eigenlijk niet te weten komt: ‘met zijn welsprekendheid trok deze Alopesius veel volk van de rechte weg van de zaligheid. Gewoonweg omdat de geuzengodsdienst gemakkelijker in onderhoud was en ook omdat het calvinisme veel meer vrijheid gaf aan de mensen.’ Joannes staat zowel in de stad als in de kasselrij aan het hoofd van de kerkraad der geuzen. Onder hem functioneren een aantal assistent-predikers, consistorianten genaamd. Jan de Cupere en Jan van Calckere, allebei schepenen in Veurne-stad. Uit de buitengebieden krijgt hij de assistentie van de keurheren Jacob Valmere en Jan Outreseune. En er is onder andere ook sprake van Pieter de Gheins en een minister van Nieuwpoort, een zekere Pieter Everaert. Al die lieden maakten deel uit van wat ze zelf omschrijven als ‘de heilige consistorie van de oprecht gereformeerde, christelijke en apostolische religie’. Een titel om ‘u’ tegen te zeggen.

De infrastructuurwerken aan de buitenmuren van Veurne worden onder de nieuwe gouverneur met vernieuwde energie aangepakt. De vesten, muren, poorten en bolwerken worden grondig hersteld. Hiervoor gebruikt men stenen, bomen en ander materiaal van het Zuidgasthuis, een gebouw dat eerder door het garnizoen van de stad afgebroken werd. Ook de stenen van het in 1578 afgebroken Noordgasthuis komen nog altijd van pas. Aan de buitenzijde van de Paardenmarkttoren rechtover het penitentenklooster rijst een nieuw bolwerk uit de grond. Heel het jaar 1580 wordt zo gelabeurd aan de versterkingswerken die natuurlijk stukken van mensen kosten aan de stad en de kasselrij. De Raad van Vlaanderen financiert er een belangrijk deel van. Dat gebeurt met de opbrengst van de verkoop van geestelijke goederen. Er is ook sprake van de versterking van hofstede ‘de Noordburg’, ietwat noordelijk buiten de stadsmuren, die bezet wordt gehouden door een deel manschappen.

Het behoud van de stad Nieuwpoort kost eveneens handenvol geld. ‘Onbetaalbaar’, zucht de superintendent voor West-Vlaanderen. En dat allemaal voor de bescherming van het hinterland. Dan mogen die best ook een stuk van de kost voor hun rekening nemen. Op 15 juni wijst hij vijftienduizend gulden toe aan Nieuwpoort. Extra middelen om de versterkingen verder op punt te stellen en uitsluitend te betalen door de bevolking van al de parochies van Veurne-Ambacht. De maatregel stuit natuurlijk op verzet bij het magistraat van de kasselrij. Gezanten en gekwebbel dat Nieuwpoort een zaak van de Raad is en niet van hun kasselrij. ‘Betalen we nu nog niet genoeg voor de versterkingen van Veurne zelf?’ Maar hun protest ketst af als water op de schubben van een eend. Met de intendant als watervogel van dienst die bij zijn beslissing blijft.

Bernard de Wynckere is best een actieve hoogbaljuw en gouverneur. De stad en de kasselrij kunnen van zijn ijver getuigen. Hij belooft aan zijn onderdanen dat hij op korte termijn het fort van Roesbrugge wil aanpakken en de intentie heeft om dit misbaksel te slopen. Op 19 augustus heeft hij in Gent een onderhoud met Willem van Oranje en de Raad van Vlaanderen om de kwestie te bespreken. Landhouder Jacob Marchant vergezelt hem bij zijn missie. ‘Het fort van Roesbrugge moet gesloopt worden omdat de bezetting ervan erg hinderlijk is voor het goed functioneren van de kasselrij.’ Of de prins van Oranje de Wynckere nu al dan niet blij maakt met een dode mus zal de tijd moeten uitmaken. ‘De prins beloofde in elk geval dat Veurne-Ambacht daar spoedig zou van verlost zijn en dat hij West-Vlaanderen op korte termijn van zijn vijanden zou zuiveren. Met die belofte keerden ze verblijd naar huis, maar zulks werd eerder beloofd als gedaan.’ Mijn geschiedschrijver is al net zo sceptisch als ikzelf.

Ik had het daarnet nog over de rode buikloop. Het gebrek aan zowat alles zorgt ervoor dat de inwoners van de kasselrij in mensonwaardige levensomstandigheden moeten leven. Het is zeker niet verwonderlijk dat nogal wat ziekten dood en verderf zaaien onder de mensen. Tot overmaat van ramp ontstaat er een aanval van de pest in de stad van Veurne. ‘Daarom deden de beide magistraten pesthuizekes bouwen buiten de stad. Op een plaats die men de Lazarie noemde.’ Veel meer woorden maakt Pauwel er niet aan vuil. Hij gaat al direct over tot de orde van de dag. De verpachting en de verkoop van geestelijke goederen komt in een stroomversnelling. De opdracht komt van de Raad van Vlaanderen die twee commissarissen de opdracht geeft om het zwartgoed te verkopen.

Pieter Lottin en Willem Rans werken samen met ontvanger Jan Speleman om al die eigendommen in Veurne en Veurne-Ambacht te verkopen. Het gaat meer specifiek over alle ‘canonieke, pastorale en geestelijke huizen’. In oktober komen ze op de markt. Spijtig genoeg bestaat er in 1580 nog geen website als Zimmo zodat ik niet eens stiekem kan koekeloeren hoe ze er aan de binnenkant uitzien. De kopers zijn uiteraard wereldlijke personen. Ik krijg enkele details te lezen.

Zo koopt de admiraal van Zeeland en gouverneur van Duinkerke het vluchthuis van Sint-Niklaas voor de som van tweehonderdtweeëntachtig pond. De refuge dat eerder toebehoorde aan de abdij van Ter Duinen, het zogezegde ‘duinhuis’ wordt aangekocht door Jan van Zoom, de pensionaris van de stad voor het sommetje van zesentachtig pond. Jacob Marchant laat zich gaan met het proosthuis welke eigendom was van de proosdij van Sint-Walburga.

Omdat de grote kerk van Sint-Walburga leeg staat willen de commissarissen het lood verkopen waarmee het gebouw gedekt is. Maar daar steekt het stadsbestuur een stokje voor. Hun gezanten reppen zich naar Veurne met de boodschap dat ze dat toch niet kunnen maken en dat het oudste en het schoonste gebouw van de stad daardoor teniet zou gaan. En dat terwijl het gebouw perfect zou kunnen dienen als oorlogsmagazijn. Men zou er hooi en stro en munitie kunnen opslaan. Zaken die toch al aanbevolen zijn door de overheid om de legers daarmee van dienst te kunnen zijn. Om deze redenen beslissen de Leden van Vlaanderen om de verkoop van het lood op te schorsen.

Een aantal kloosters zitten ook in de uitverkoop. Dat van de cellenbroeders, de zwarte en de grauwe zusters. Ook hier komt er protest van het stadsbestuur. Het gebouw van de cellenbroeders doet dienst als opvangtehuis in gevallen van pest en ook de andere kloosters zouden ze graag in hun bezit houden. De kloosters kunnen dienst doen als gasthuis en als hospitaal. De gebruikelijke gasthuizen stonden te dicht van de stadsmuren en werden al eerder met de grond gelijkgemaakt. Er komt een regeling waarbij er duizend gulden vrijgemaakt wordt voor de afgebroken gasthuizen en dat geld kan nu aangewend worden om de drie kloosters de bestemming te geven die de schepenen suggereren.

De soldaten hebben al een hele tijd geleden het lood en ijzerwerk weggenomen van nogal wat kerken in de kasselrij. Dat is nog niet gebeurd bij de kerken van Houthem en Wulveringem maar dat is nog maar een kwestie van tijd. De inwoners van deze parochies willen de soldaten te vlug af zijn. Ze proberen het lood zelf te recupereren en te verkopen en dan eigenhandig de kerk met stro te bedekken. De opbrengst ervan kan dan in mindering gebracht worden van de brandschattingslasten die ze nog elke maand dienen te betalen aan de malcontenten in Roesbrugge die daarmee hun garnizoenen van West-Vlaanderen kunnen onderhouden. Het magistraat geeft zijn toestemming waarop de transactie geregeld wordt met een koopman van Hondschote; met name Winnoc Battin.

Dat blijkt helemaal niet naar de zin te zijn van de bezetters van het fort in Roesbrugge. Ik mag inderdaad niet vergeten dat deze malcontenten fanatiek katholiek zijn en dus niet graag zullen zien wat de inwoners uitrichten met hun dorpskerken. ‘De oversten daar hadden vernomen dat de inwoners van Wulveringem en Houthem het lood van hun kerken verkochten. Ze lieten de hoofdmannen van deze parochies gevangen nemen. In hun fort lieten ze hen de rekeningen opmaken van de opbrengst van de verkoop en ze bemerkten dat het grootste deel ervan gebruikt werd ter betaling van hun contributies. Daarom hebben ze de voornoemde hoofdmannen geslaakt dat ze stante pede hun parochiekerken in hun oorspronkelijke staat moesten herstellen.’

Het blijft sowieso de spuigaten uitlopen met de Walen daar in Roesbrugge. Er gaat geen dag voorbij zonder dat er niet een of andere keurbroeder uit Veurne, Nieuwpoort, Diksmuide wordt opgepakt en onteigend wordt van al zijn eigendommen. Doodgewoon crapuleus is het. Vooral in de wetenschap dat de arme eigenaars wel degelijk hun brandschatting hebben betaald. De leiding van Veurne-Ambacht zendt daarop keurheer Charles de Cock naar de superintendent voor West-Vlaanderen in Duinkerke om er een boompje op te zetten over deze gang van zaken. Misschien kunnen ze de bewoners van Broekburg, Grevelingen en Cassel een identieke behandeling geven? Toch diegenen die zich met de koning verzoend hebben. Maar daar hebben ze in Duinkerke geen oren naar. En dat terwijl de malcontenten daar in Roesbrugge wel onverzadigbaar lijken met hun eisen. ‘Hoe langer het duurde, hoe moeilijk ze werden om te voldoen.’

Na veel gepalaver komt er toch eindelijk wat beweging in de zaak. Het magistraat van Veurne-Ambacht kan ‘via via’ een document van vrijgeleide krijgen van Alexander Farnese, de prins van Parma. De ‘sauvegarde’ wordt eind 1580 ter beschikking gesteld voor al de keurbroeders van de kasselrij. Zowel voor de lieden die op het platteland wonen als voor diegenen die in de steden verblijven. Omdat de brief het enkel heeft over die van Veurne-Ambacht en niet over de poorters van Veurne-stad zelf, is het magistraat van Veurne er niet over te spreken.

In het schepencollege gaat het er bitsig aan toe. ‘En zo rees er een kwaad vermoeden tegenover enkele keurheren van de kasselrij. Ze verweten hun ambtgenoten van ontrouw en ze beweerden in goede verstandhouding te leven met de malcontenten.’ Er komt een onderzoek van. Begin maart 1581 worden enkele keurheren en keurbroeders gedwongen om uit Veurne te vertrekken en er nooit meer terug te keren.

Er zijn in de kasselrij nogal wat geestelijken die eigenaar zijn van kleine heerlijkheden, ‘spleten en branken’ en die hun domeinen noodgedwongen hebben moeten achterlaten. In vroegere tijden betaalden al die heerlijkheden, net zoals de Acht Parochies, hun deel in de lasten van Veurne-Ambacht. Het gaat hier specifiek over het Vrije van Sint-Omer, het Vrije van Rijsel, ten Bercle in Pervijze, het Vrije van Elzendamme en van Diepezeele en het Hofland van Cassel. Bij het vertrek van de geestelijken werden al deze heerlijkheden onteigend in het profijt van de Staten. Nu verzoekt het schepencollege van Veurne-Ambacht om deze domeinen toe te voegen aan de jurisdictie van zijn eigen kasselrij. Ze krijgen een negatief antwoord: de bewuste heerlijkheden zullen door de Nederlanden verkocht worden om er geld van te maken.

Terwijl de prins van Parma met man en macht de stad Kamerijk belegert komt er een nieuwe mobilisatie in West-Vlaanderen. De hertog van Anjou moet voorzien worden van een extra leger om het bewuste Kamerijk te gaan ontzetten uit de wurggreep van Farnese. Begin mei 1581 voegen tienduizend manschappen zich onder het bevel van generaal-majoor Joos Soete, de heer van Villiers. Die laatste is in de plaats gekomen van De la Noue die krijgsgevangen genomen werd door de koningsgezinden. Het West-Vlaams leger haast zich naar Lo waar het zich barricadeert en verder uitgroeit tot een weermacht van zestienduizend eenheden.

Ik krijg opnieuw te maken met die typische oorlogstaferelen. ‘Toen die grote macht in het midden van Veurne-Ambacht lag, liepen de soldaten ervan voortdurend uit om de landman te beroven. De bewoners van het Bloote verweerden zich opnieuw door al de bruggen af te werpen en de wacht te houden. Maar omdat er zich onder het leger van de staat veel Fransen en Schotten bevonden, mannen die weinig soldij kregen, geraakten die ondanks alle voorzorgsmaatregelen heel dikwijls in de streek waar ze de inwoners op een afschuwelijke manier behandelden.’

Het staatsleger blijft een heel maand op zijn positie in Lo. Bij de koningsgezinde tegenstanders beweegt het als de pionnen op een schaakbord. Baron van Montigny komt aan het hoofd van een leger plaats vatten in Roesbrugge en nadert na enkele dagen stilstand tot op een kwartiertje stappen van Lo. Alleen de vaart scheidt de tegenstanders nog van elkaar. De eerste schermutselingen laten niet lang op zich wachten. ‘Montigny ondernam al vlug eerste pogingen om de vaart over te steken en het leger van de staten aan te vallen. Maar dat lukte niet zoals gehoopt. Hij moest wijken met een verlies van driehonderd mannen. Na zijn mislukte poging trok hij zich opnieuw terug in Roesbrugge waar zijn leger weer werd aangevuld. Daarna vertrok hij naar het leger van de prins van Parma die nog altijd Kamerijk in de tang hield.’

Zo blijft het fort van Roesbrugge nog altijd in handen van de malcontenten. Er zijn nu al drie legers de revue gepasseerd om orde op zaken te stellen en toch blijft alles zoals het was. Veurne-Ambacht ondervindt ononderbroken de effecten van al die legers. Roof, geweld, diefstal op de burgerbevolking en de landlieden. Op een militaire doorbraak van deze ‘stand-stil’ blijft het vergeefs wachten. Wees er maar zeker van dat de gezanten van de kasselrij voortdurend hun beklag gaan maken in Brugge. De hamvraag blijft natuurlijk: ‘wanneer gaan jullie eindelijk eens iets doen met die nietsnutten daar in Roesbrugge?’

De Leden van Vlaanderen spelen deze vraag uiteraard door aan commandant Joos Soete. Of hij eindelijk eens iets nuttig zou kunnen doen met zijn leger? Zoals bijvoorbeeld de inname van het fort van Roesbrugge of enkele andere plaatsen! In principe is het tijdstip gunstig omdat de legers van Parma op andere plekken actief zijn. Spijtig genoeg is Willem van Oranje niet diezelfde mening toegedaan. Hij vertikt het om momenteel enige opdracht te geven aan Soete, zodat zijn leger tot september op dezelfde locatie te Lo blijft liggen. Tot grote frustratie van de Veurne-Ambachters en in het bijzonder die van Lo van wie hun huizen verwoest waren. Net zoals het klooster en de meeste woningen in de onmiddellijke omgeving van het stadje.

De malcontenten laten zich tijdens de zomer van 1581 evenmin onbetuigd. ‘Terwijl het leger van de staten te Lo verbleef, verbrandden de malcontenten de overdracht van de Fintele en eveneens al de huizen die daar in de omtrek stonden. Ze deden dit om de doortocht van de schepen te beletten die dagelijks leeftochten voor hun vijanden langs de Ijzer vervoerden.’ De wetenschap dat ze met rust gelaten worden daar in Roesbrugge zorgt voor nog meer excessen. ‘Ze liepen hoe langer hoe meer het land af, vingen en rantsoeneerden de inwoners van de kasselrij.

Ze haalden dagelijks de goederen van de landlieden op die aan de geestelijken hadden toebehoord. Ook vermeerderden ze voortdurend de prijs van de brandschat, zodanig dat men voor elk gemet land van Veurne-Ambacht dit jaar de som van zeven ponden moest betalen. In sommige parochies was dat iets minder, in sommige iets meer. Daarbij moest de generaliteit van de kasselrij nog maandelijks 7.500 gulden betalen. Dat geld diende voor het onderhoud van de algemene staten die in de steden van West-Vlaanderen lagen. En als surplus waren er her en der nog buitengewone lasten. Hoe konden de gemeenten die zich nu al in zulke arme staat bevonden dit in hemelsnaam allemaal opbrengen?’

Anno 1581. De Staten van Vlaanderen gaan een stuk verder. Spanje vliegt nu ook officieel buiten uit de Verenigde Nederlanden. De Spaanse koning wordt in officiële termen omschreven als een tiran en daarom alleen al verliest hij zijn heerschappij over de Nederlanden. Bij het verschijnen van het plakkaat wordt het ook duidelijk dat er al een opvolger voorzien is. Het land komt nu onder de hoge bescherming van de enige broer van de koning van Frankrijk. De ons welbekende Frans of François van Anjou. De hertog van Alençon. Er zijn heel wat gesprekken voorafgegaan aan deze beslissing maar de Fransman zou wel gek zijn om geen ‘ja’ te zeggen om de zeggenschap over het zo gegeerde Vlaanderen over te nemen. ‘Op 2 september 1581 werd het nieuws naar de stad van Veurne gebracht en daar verkondigd onder het vertoon van de grootste blijdschap van al de gereformeerden.’

De geuzen in de Westhoek weten met hun geluk geen blijf. De streek zal nu wel binnen de kortste termijn verlost zijn van de vijanden en van de malcontenten. Daar zal de machtige prins van Anjou wel voor zorgen. De ministers zorgen op hun beurt voor extra hoop tijdens hun sermoenen. Het was volgens hen God in eigen persoon die deze prins tot soeverein gemaakt heeft van de Nederlanden om het hele land te beschermen tegen de tirannie van de koning van Spanje.

De schepenen van Veurne-Ambacht weten van hun kant niet goed wat ze moeten aanvangen met dat plakkaat en het nieuws van dat nieuw bestuur. Anjou wordt natuurlijk aangesteld door toedoen van Willem van Oranje en die laatste is bij de modale Westhoekenaar nu niet bepaald populair. En dat is dan nog een understatement van mijn zijde. Ook de vier Leden van de Raad van Vlaanderen blijven liever voorzichtig en houden de Franse boot nog eventjes af. De hertog van Anjou verblijft momenteel in het buitenland en heeft vooralsnog niet de eed van graaf van Vlaanderen afgelegd. In afwachting van die stap zal de Raad zelf zorgen voor de vernieuwing van de respectieve stadsbesturen. Daar wordt trouwens nog maar eens een commissie voor opgericht.

Die commissie bestaat uit de bekende figuren van die tijd. Hoogbaljuws allerhande, ridders en prominenten. Gent en het Brugse Vrije hebben veel in de pap te brokken. Het is dit gezelschap dat dus ook de magistraten kiest van Veurne-stad en van Veurne-Ambacht. Bij de aanvaarding van het ambt moeten de schepenen zweren om trouw te blijven aan de Nederlanden en nooit ofte nimmer nog de heerschappij van de koning van Spanje te erkennen. Het is een een eed die enkele schepenen blijkbaar niet willen afleggen. Jonkheer Anthonis van Bryarde, de heer van Beauvoorde weigert. Ook Pieter Vander Watervliet en Francis Willems en nog anderen zien dat niet zitten.

‘Het magistraat van de kasselrij zond hun gezanten naar de Raad van Staten en aan de Leden van Vlaanderen om een bevelschrift te krijgen die de voorzeide schepenen zou dwingen. Wie dat aanvankelijk weigerde werd dus achteraf gedwongen om hun zijn af te leggen.’ Er is trouwens sprake van een loonsverhoging voor de nieuwe schepenen en bestuursleden.

De beslissing van de Nederlanden om een Franse koning aan te stellen in de Nederlanden en Filips II als persona non grata te viseren wordt in de Waalse provincies met verstomming onthaald. Die besluiten daarop om de banden met Spanje nog dichter aan te halen. ‘Ze stonden aan de prins van Parma toe dat hij opnieuw met Spaanse en andere buitenlandse soldaten weer in het land mocht komen. Ze mochten daarbij de bevolking dwingen om zich weer onder de gehoorzaamheid van de koning te vervoegen.’ Op 29 oktober 1581 vertrekt één van de hoofdrolspelers naar zijn thuisland. Ik heb het over aartshertog Matthias die zijn functie van gouverneur en kapitein-generaal van de Nederlanden neerlegt en terugkeert naar Duitsland.

In Veurne werken ze de hele tijd verder aan de versterking van de stad. Het bolwerk aan de Oostpoort wordt afgebroken en vervangen door een grotere en sterkere schans die omringd wordt door wijde grachten. Jan Speleman, de ontvanger die de aangeslagen financiële middelen van de geestelijken beheert, betaalt uit zijn spaarpotje drieduizend zeshonderd ponden. De rest wordt betaald door de kasselrij zelf. De fundamenten van het bolwerk vervangen de oude fundamenten van de vermaarde kapel van ‘Oostuut’ dat in 1578 door de geuzen werd afgebroken en zich dus vroeger aan de noordoostelijke zijde van het nieuw bolwerk stond.

Tijdens de zomermaanden worden er nog verdere verbeteringen aangebracht aan de versterkingen. De vestingen worden bedekt met aarde. Tot nu toe waren de gangen gemaakt als een soort voute aan de muren. Bestemd om het volk te doen stand houden terwijl ze probeerden om hun stad te beschermen. In 1581 proberen ze zodanig veel aarde op te voeren, net zo hoog als de effectieve hoogte van de gangen. Stukken van mensen kost het allemaal maar men moet en zal er mee klaar zijn voor het volgende seizoen aanbreekt.

Het lijkt wel een beetje op een voetbalseizoen. Of een regulier schooljaar. September. ‘Het leger van de Staten, onder het bevel van L’Espinoy kwam op 25 september 1581 onder Duinkerke liggen om verzekerde bijstand te leveren aan de Franse troepen die de hertog van Anjou naar Vlaanderen zond. De prins van Parma wilde de komst van dat Frans leger beletten en ging met zijn manschappen tussen Broekburg en Duinkerke liggen. En omdat de Fransen zich niet sterk genoeg waanden, trokken ze zich terug in een voordelige standplaats onder Duinkerke. De prins van Parma analyseerde dat er hier weinig profijten zouden te rapen vallen en vertrok met zijn benden om Doornik te gaan belegeren.’

Het leger van de Staten blijft drie weken present in Duinkerke. In die tijd lopen de soldaten de kasselrij van Veurne af om er alles te roven. Het lijkt er wel op dat zij de vijanden zijn. Een perfecte illustratie hoe idioot en allesvernietigend oorlog kan zijn. De landlieden van Adinkerke en het omliggende zien zich genoodzaakt om hun huizen te verlaten en met hun goederen een onderkomen te zoeken in de stad van Veurne of andere plaatsen. Ondertussen verhuist Parma van Doornik naar Oudenaarde. Op 27 november 1581 versterkt het Frans leger zich met de komst van een leger onder leiding van graaf De Rochepot en andere kapiteins. Die verplaatsen zich van Calais naar Duinkerke.

De leden van Vlaanderen geven de opdracht aan het magistraat van Veurne-Ambacht om voedsel en levensmiddelen ter beschikking te stellen voor de soldaten in Duinkerke. ‘De volgende dag trokken gezanten er op uit om het gevraagde te leveren. Maar gearriveerd in Zuidcoote werden ze gewaarschuwd dat het bewust leger naar het Veurne-Ambachtse aan het trekken was omdat het in Duinkerke geen voedsel vond. Al die troepen gingen liggen bij Ramskapelle, St.-Joris en Wulpen, toevallig de parochies die tot op dan het minst hadden moeten lijden onder de oorlog. Maar omdat de Fransen er acht dagen bleven, maakten ze deze keer de inwoners wel stuk voor stuk arm.’

Ook Hondschote blijft geplaagd met de ellende van de oorlog. Het merendeel van de inwoners daar heeft zijn stad al verlaten. Op de vlucht voor moedwilligheden en roofpartijen van de talrijke soldaten. Veel van die Hondschotenaars proberen een bestaan te zoeken binnen de besloten muren van andere steden waar ze hun nering en hun ambacht kunnen hervatten. Een groot deel van de saaiwevers komt zich vestigen in Veurne zelf. Het stadsbestuur ziet dat al graag gebeuren. De jaarboeken van Veurne hebben het vroeger al uitgebreid gehad over al hun pogingen om precies die nijverheid te ontfutselen aan Hondschote. Iets wat nu onder druk van de omstandigheden precies spontaan lijkt te gaan gebeuren.

De saaiweverij moet dit keer wel gaan floreren. Het stadsbestuur wil dit keer van zijn ambitie echt werk gaan maken. Er moet een vulderij komen. Een onontbeerlijk proces in de productie van de saailakens. ‘Buiten een ketel en een windbank schaften ze drie kommen en ander gereedschap aan die nodig waren bij de fabricatie van de saaien. Bovendien kochten de wethouders enkele huizen van de kanunniken. En daardoor namen de activiteiten meer en meer toe.’ En toch vissen die van Veurne nog maar eens achter het net. ‘Zulks duurde niet lang. Van zodra de beroerten gestild waren verlieten de saaiwevers Veurne en gingen ze opnieuw in Hondschote wonen.’

Het jaar 1581 blijft achter als een rampzalig jaar voor de bewoners van Veurne-Ambacht. De schade toegebracht door al die legers is niet te overzien. Niets blijft gespaard. Kerken, kloosters, huizen. Het lood van al de godshuizen, de klokken, het ijzerwerk. Alles foetsie. Eigendommen, buit bij de landlieden. Overal waar die mannen geld zagen, vielen ze binnen en behandelden ze hun slachtoffers meedogenloos. Slaan en pijnigen om geld af te persen. De vrouwen vallen in de handen van die vuile, geile mannen die hen mishandelen en verkrachten.

Op 18 maart 1582 kruipt Willem van Oranje zelf door het oog van de naald. Hij wordt te Antwerpen door een ‘Biscayer’, Jan Jauregui, met een pistool door het hoofd geschoten en levensgevaarlijk gewond. De meeste medicijnmeesters vrezen voor zijn leven maar Oranje scharrelt er door en geneest op vrij korte tijd. Daar heeft God natuurlijk alles mee te maken en zo beveelt de Raad van Vlaanderen aan de inwoners van Veurne om op 12 mei 1582 een bid- en vastendag te houden om God te loven en te danken dat hij de prins van Oranje van de dood bevrijd heeft, iets wat zo noodzakelijk is voor de bescherming van het land tegen zijn vijanden.’

De biddag wordt stipt uitgevoerd op de voorziene datum. De gereformeerden bieden zich in drommen aan in de Sint-Niklaaskerk waar een minister zorgt voor een emotioneel sermoen waarbij hij zijn volk ertoe beweegt om een massa dankzeggingen richting hemel te sturen. Van katholieke zijde komt er geen merci. ‘Ze waren meer bedroefd dan verblijd om het herstel van de beschermheer van de geuzen omdat hij de verdrukker was van hun geloofsgenoten.’

De tijd is gekomen dat de hertog van Anjou bezit kan nemen van de Verenigde Nederlanden. De Franse dynastie zal nu orde op zaken stellen. Uiteindelijk is het Willem van Oranje daarom te doen. ‘La France’ als ideale buffer tegen de macht van Spanje. Ik check nog even de antecedenten van die Anjou. François-Hercules van Valois is de jongste zoon van de voormalige koning Hendrik II en van Catharina de Medici. ‘Hercules’ is zevenentwintig en komt uit een fanatiek katholiek nest. Dat kan moeilijk anders met zo’n moeder. Precies wat Oranje wil met al zijn godsdienstproblemen: een gematigde figuur die hopelijk het evenwicht tussen de calvinisten en de katholieken te lande zal kunnen herstellen.

Voor zijn inbezitneming van de Nederlanden vertrekt hij nog eens naar Engeland waar hij hoopt zijn verloving met de Engelse koningin Elizabeth I om te zetten in een huwelijk. Met haar negenenveertig is ze oud genoeg om zijn moeder te zijn. Een verblijf van drie maanden in het Brits koninkrijk levert niets op. Elizabeth moet er niet van weten. En zo arriveert Hercules op 19 februari 1582 via Vlissingen in Antwerpen waar hij met grote pracht als hertog van Brabant en markgraaf van het heilig rijk ontvangen wordt. Wat later vertrekt hij naar Gent waar hij zal geïnstalleerd worden als de nieuwe graaf van Vlaanderen. Al de steden en kasselrijen worden verzocht om hun gedeputeerden te sturen om op de plechtigheid aanwezig te zijn. Hier zal het traktaat tussen de Verenigde Staten van de Nederlanden met de hertog van Anjou voorgelezen en bezworen worden.

Veurne-stad stuurt zijn burgemeester Jacques Jullioen en pensionaris Zoom. De kasselrij vaardigt hoogbaljuw de Wynckere af. Die zal vergezeld worden door de keurheren Malegheer en Ryeel en door meester Jan van Steengracht. ‘Op de 18de augustus 1582 waren ze in Vlaanderens hoofdstad aangekomen. Ze hadden hier op de Vrijdagmarkt een groot theater opgetrokken dat zeer kostelijk versierd was. De volgende dag heeft de hertog van Anjou zich hier aangeboden, in het gezelschap van de prins van Oranje, de prins van L’Espinoy en van andere edellieden. Het verbond werd daar luid voorgelezen en daarna legde de hertog de eed af om dit te onderhouden. Daarna werd die prins door de vier Leden van Vlaanderen aangesteld als graaf en legden ze dadelijk hun eed van trouw aan hem af.’

Alle ambtenaren en magistraten zullen op korte termijn ook hun eed van trouw moeten afleggen aan de nieuwe soeverein. De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht doen dat wat later in de handen van de hoogbaljuw die daartoe gemachtigd werd. Eigenaardig genoeg zijn er veel katholieken in de Westhoek niet erg opgezet met die Fransman als nieuwe graaf. Ze vertrouwen de vreemdeling voor geen haar en weigeren de verplichte eed af te leggen. Tot er gedreigd wordt dat ze mogelijk verbannen zullen worden en hun eigendommen gaan verliezen. Pas dan kunnen ze plots wel zweren om graaf Hercules trouw te blijven.

De jaarboeken van Veurne vervolgen hun tocht door de geschiedenis. Ik hang aan de lippen van Pauwel Heinderycx die ondertussen al begonnen is met zijn zevende kapittel. Hij focust zich op de ingezetenen in het buitengebied van Diksmuide die plots verplicht worden hun steentje bij te dragen om de versterkingen van Diksmuide te helpen financieren. De kop is duidelijk: ‘de Diksmuidenaars eisen dat de Veurne-Ambachters de versterkingen van hun stad helpen betalen’. Al de hoofdlieden van de gemeenten ten oosten van de Lovaart worden gesommeerd dat hun werkvolk geld moet zenden zodat de werken kunnen verder gezet worden. Dank zij een tussenkomst van het magistraat van Veurne-Ambacht komt er gelukkig een vrijstelling van tweeduizend gulden.

Vanuit Duinkerke hoor ik gelijkaardige geluiden. Hoewel het hier niet om centen maar om mankracht gaat. De gouverneur van Duinkerke en superintendent voor West-Vlaanderen wenst ook zijn stad verder te versterken en dwingt het magistraat van Veurne-Ambacht om honderd werklieden te leveren. Ze zullen er zes weken lang moeten werken. Van Veurne-stad wordt er een deel van zijn grof geschut opgeëist samen met een stuk oorlogsmunitie zodat Duinkerke beter beschermd kan worden. De wethouders van Veurne verontschuldigen zich dat ze zelf maar weinig kanonnen en oorlogsvoorraad ter beschikking hebben en dat dit absoluut een minimum is om zichzelf te verdedigen in geval van nood.

Pauwel heeft het nog maar eens over de ellendige staat waar Veurne-Ambacht zich in bevindt. Hij kan maar niet zwijgen over de kwalijke behandeling door de soldaten die in garnizoen liggen in de omliggende steden zoals Veurne, Nieuwpoort, Diksmuide, Ieper, Sint-Winoksbergen, Duinkerke. Die mannen schuimen nog altijd dagelijks de kasselrij af en omdat ze slecht betaald worden roven ze dan maar uit frustratie. En dat allemaal zonder dat dit hen van hogerhand belet wordt. De Fransen en de Schotten van de kwartieren in Diksmuide en Sint-Winoksbergen zijn het ergst. ‘Dat volk was niet tevreden met alleen maar de landlieden te beroven van hun goederen maar ze bedreven bovendien veel moorden en verkrachtten er veel vrouwen.’

De bestuurders van Veurne doen wat ze kunnen om het uitlopen van de soldaten te beletten. Grote discussies met de superintendent en met kolonel Chamois van het Frans regiment in Duinkerke die geen bal opleveren. De kasselrij wordt elke dag meer leeggeroofd en de soldaten die al lang niets meer kunnen vinden bij de landman richten hun pijlen nu weer op de kerkgebouwen. Het lood en het ijzerwerk kunnen misschien nog iets opleveren. Ze slaan zelfs de ramen in gruzelementen om het lood van de glasramen te kunnen bemachtigen. Die verschrikkelijke handelswijze van het krijgsvolk werkt zodanig op de angstgevoelens van de buitenlieden dat er in een cirkel van een half uur ver geen bewoonde hofsteden meer te vinden zijn. Zelfs de lege gebouwen vallen nu nog ten prooi. De manschappen breken de hoeves en de woningen af om het hout ervan te kunnen gebruiken.

Die zomer wordt er verder gewerkt aan het oostelijk bolwerk en aan de verhoging van de vesten van Veurne. Op 6 juli 1582 krijgt de hertog extra versterking voor zijn troepen in Duinkerke. Vijftienhonderd Duitse ruiters en drieduizend Franse voetgangers arriveren er onder het bevel van graaf Charles van Mansfelt. Kort daarop volgt natuurlijk het bevel aan Veurne om voedsel en levensmiddelen ter beschikking te stellen voor die gasten. De magistraten krijgen niet eens de tijd om te leveren. ‘Van zodra al dat vreemd volk tot omtrent Duinkerke gekomen was, sloeg het merendeel van hen al aan het plunderen in Adinkerke en Bewesterpoort. Tijdens die strooptocht dreven ze veel paarden en koebeesten mee waar ze luttel hoofden teruggaven.

‘Vijf dagen later, op 11 juli, kwamen de troepen die onder het bevel van de graaf van Rochepot stonden tot onder Oostduinkerke liggen en ze vervoegden daarbij het leger van de heer van Villiers. De volgende dag vertrokken ze met zijn allen naar Duinkerke om zich bij het nieuwe leger te vervoegen. Terwijl deze troepen de kasselrij dwarsten, spaarden ze niemand en roofden ze alles wat ze vonden. Samen maakten ze nu een leger uit van tweeëntwintigduizend eenheden. Dagelijks kwam een gedeelte van dat volk in Veurne-Ambacht roof halen.’

De 17de juli vertrekken enkele gezanten van de kasselrij op bezoek bij de hertog die zich op dat moment in Brugge bevindt. ‘Of hij iets kan en wil doen aan al dat plunderen? De soldaten bedrijven de ene wandaad na de andere.’ Ze baden hem ootmoedig om daar dringend een mouw aan te passen. De verlaten hofsteden moeten weer kunnen bewoond en uitgebaat worden zodat de eigenaars ervan weer kunnen belastingen opbrengen, waarmee ze op hun beurt de kosten van de oorlog zullen mee moeten betalen. Veel kan Hercules niet toezeggen. Het voorstel dat de buitenlieden zich tenminste zouden moeten kunnen bewapenen wordt geweigerd. Het enige wat hij wil doen is eventueel de voornaamste kruispunten van de kasselrij van soldaten te voorzien. Zo zouden ze eventueel de doorgang van troepen kunnen beletten.

Een confrontatie met het leger van de Spanjaarden komt ondertussen alsmaar dichterbij. Begin augustus verplaatst het Duinkerkse leger zich richting Coudekerke waar de mannen hun stellingen innemen tussen de twee vaarten in. Ze beveiligen hun kamp met extra borstweringen van opgeworpen aarde. De prins van Parma is op komst met een omvangrijk Spaans leger dat door Roesbrugge trekt om dan positie te kiezen ter hoogte van Hondschote. Dat gebeurt op 2 augustus 1582. De volgende dagen worden de sterktes van ‘Beentjesmeulen en Sieckelien’ ingenomen. ‘Op de 4de van dezelfde maand sloeg hij zijn tenten op naast het Frans leger terwijl er alleen nog maar één vaart tussen de beide krijgsmachten lag.’

De dagen die volgen worden gevuld met een kat-en-muisspel en schermutselingen van alle soort en slag. Met de Spanjaarden in de rol van kat. Enfin, ik versta dat toch zo als ik het verslag ervan lees. ‘Dagelijks tastten enkele afdelingen van beide legers elkaar aan en iedere keer dat er gevochten werd, bleef het voordeel aan de Spanjaarden. Het was duidelijk dat het Frans leger de omvang van het vijandelijk leger vreesde en zich niet klaar bevond om een volwassen veldslag te leveren. Ze weken dan maar achteruit om in de zekerheid onder de stad van Duinkerke te gaan schuilen.’

‘De prins van Parma zag zijn vijanden vluchten en is met zijn leger verder in het land getrokken. Als al die troepen heen en weer door het Veurne-Ambachtse reisden om dan terug te keren in Hondschote liepen er hele benden het land af. Zo ver als ze maar konden. Hun roofpartijen waren amper bij te houden. Alles wat ze in hun handen kregen werd voor goede buit aangenomen en iedereen die zijn eigendommen wilde beschermen werden door de soldaten doodgeslagen. Het Spaans volk en andere manschappen van dat leger heeft de Hondschotenaars zeer kwalijk behandeld en hen bestolen zodat ze niets meer konden behouden.’

De 3de augustus vluchten nogal wat inwoners van de kasselrij en van Hondschote naar Veurne. De meesten onder hen bezitten niets meer en zijn volledig gepluimd van hun bezittingen. Arme mensen die geen cent meer hebben en niet eens weten waar ze moeten schuilen. Terwijl ik mezelf erop betrap dat ik door het onophoudelijk schrijven over al die oorlogstoestanden wat aan gewenning begin te lijden, moet ik mezelf feitelijk een draai om de oren geven. Man: dit is oorlog. Ellende. Miserie. Mannen, vrouwen, kinderen in agonie en angst. Er rest hen niets meer dan de kleren aan hun lijf.

Schimmige en haveloze sukkelaars zijn het. Met hun honger, koude, ziekte, dorst en rillende angst voor wat nog moet komen. Ik deel mijn medelijden met de leden van het magistraat van Veurne-stad. ‘Ze lieten de vluchtelingen logeren in de kerk van Sint-Walburga die toch leeg stond en ze lieten brood en stro aanbrengen. De sukkelaars konden er verblijven tot dat de legers uit het land vertrokken zouden zijn.’

De legermacht van de hertog van Anjou blijft tot 14 augustus op zijn posities in Duinkerke. Die veertiende verplaatst het heir zich via Adinkerke naar Lo en de volgende dag gaat het via Diksmuide naar het Vrije. Weer al eens gaat die passage gepaard met grote schade overal. Het magistraat van de kasselrij is ten einde raad. Veurne-Ambacht is in een ongehoord deerlijke staat en toch moeten ze nog altijd maandelijks 7.500 gulden bij elkaar zien te krijgen om de garnizoenen in West-Vlaanderen in hun onderhoud te laten voorzien. In september 1582 zien de wethouders niet langer middelen om aan de nodige fondsen te geraken. ‘Ze reisden naar Antwerpen om daar aan de hertog van Anjou, de prins van Oranje en de Raad kenbaar te maken hoe zeer de ellende en de armoede hier heersten in Veurne-Ambacht. En om er hen te verzoeken drie vierden van deze taksen kwijt te schelden.’ Een en ander heeft nogal de nodige voeten in de aarde nodig maar maar moeizaam gaat ook en ze krijgen dan toch de permissie om slechts vijftig percent van dat bedrag in de oorlogspot te moeten storten.

In het jaar 1582 blijft de helft van de gronden er braak en ongebruikt bij liggen. De gewelddadige doortochten van soldaten van alle slag en soort in combinatie met de onophoudelijke afpersingen door de Walen van Roesbrugge zijn natuurlijk de boosdoeners. En daarbij komt nog de pest. En andere besmettelijke ziekten. De situatie in Veurne-Ambacht is gewoon uitzichtloos. ‘Alles was zodanig erg als het maar kon zijn. Het landvolk zag zijn goederen stelen en hun beesten met geweld wegdrijven en er was niemand bij wie ze konden gaan klagen. De eigenaars die leefden van de opbrengst van hun landerijen konden het ook wel vergeten. Ze hadden de voorbije jaren niet eens een vierde van de pachten ontvangen en dit jaar zagen ze zich verplicht om de pacht van de gronden zelfs volledig kwijt te schelden. Ze mochten al blij zijn dat hun hofsteden nog bewoond werden en hun eigendommen gratis werden gebruikt.’

Op 1 november 1582 gaan de hoofdmannen van al de parochies nog maar eens hun beklag maken bij de Raad van Vlaanderen in Brugge. Ze zijn in het gezelschap van keurheer Blomme en ontvanger Jacques Herboort. Beseffen ze in Vlaanderen wel in welke uiterste armoede er moet geleefd worden in de Westhoek? Een heel terechte klaagzang in de wetenschap dat de inwoners amper voldoende hebben om vrouw en kinderen in leven te houden. Ze krijgen medelijden en begrip zoveel ze willen. En natuurlijk bakken vol beloftes van de machteloze bestuurders hier die maar geen vat krijgen op de situatie. Ja; ze zullen de soldaten beter betalen zodat ze zelf niet meer moeten uitlopen uit hun steden.

Achteraf verandert er natuurlijk geen barst aan de toestand. ‘De landlieden die met hun meubels ergens in de stad waren gaan wonen waren de gelukkigste. De Franse soldaten uit de bezettingen van Duinkerke en Diksmuide behandelden het arm landvolk zo barbaars dat het voor de bewoners van de streek gewoonweg onmogelijk was om nog ook maar iets te bezitten. En dat ondanks al de pogingen die het magistraat deed om dat te beletten.’ In wat voor een bodemloze put van beproeving en tragiek hebben God, godsdienst en religie de Westhoekers eigenlijk gestort?

De opbouw van de troepen blijft trouwens voortduren. Op 30 november zien de Duinkerkenaars de aankomst van achtduizend nieuwe soldaten. Een mix van Zwitsers en Fransen. Zowel voetgangers als ruiters te paard. Het nieuw leger staat onder bevel van de hertog van Montpensier, maarschalk De Biron, de graven van Laval, St.-Aignian en andere voorname heren. Duinkerke betekent slechts een tussenstop voor die mannen. ‘Daags daarna vertrokken ze en kozen ze hun kwartieren op de parochies van Sint-Walburga, Wulpen, Ramskapelle en Sint-Joris. Als dat leger daar drie dagen gelegen had, heeft het oostwaarts zijn weg genomen en dreven ze het hoornvee van de overweldigde landlieden met zich mee.’

Ik had het daarnet nog eens over religie. Het valt me op dat de godsdienstvervolgingen wel wat op de achtergrond verzeild lijken te zijn. Dat heeft vermoedelijk wel te maken met de wetenschap dat nogal wat treffelijke katholieke huisgezinnen uit Veurne en Veurne-Ambacht vertrokken zijn om te gaan wonen in de roomsgezinde steden Grevelingen en Sint-Omer. Zo kunnen ze vermijden dat ze hun eed van trouw moeten afleggen aan die hertog van Anjou en natuurlijk ontsnappen ze zo aan de vervolgingen van de geuzen. De lijst van de vertrekkers bevolkt een flinke voetnoot in de handschriften. Pauwel merkt op dat de Raad van Vlaanderen behoorlijk boos is op al dat notoir volk die de plaat gepoetst heeft en direct is overgegaan tot het aanslaan van de achtergebleven eigendommen.

Nee hoor. Pas nu begint Pauwel te vertellen dat de repressie van de katholieke leer nog altijd hoge toppen scheert. Tot einde 1581 hadden de geuzen nog oogluikend toegestaan dat de katholieken hun godsdienst uitoefenden in besloten huizen en zolang ze maar gaan gerucht maakten daarbij. Vanaf 1582 komt er een algemeen verbod. De wet komt er in opdracht van het magistraat die dat doet op uitdrukkelijke vraag van de leden van het consistorie. Het wordt voortaan verboden om nog aanwezig te zijn op welke heilige mis dan ook en op welke preek van enige rooms-katholieke priester. Wie dat toch doet riskeert een grote boete.

De kapellen waar de katholieken tot nog toe heimelijk hun diensten deden worden direct door de geuzen aangevallen en beroofd. De altaren worden ter plekke vernietigd. Van dan af aan blijft er maar weinig over van enige katholieke religie. Hier en daar gebeurt dat nog eens clandestien in kelders en op zolders. De priesters riskeren het echter haast niet meer om hun geloofsgenoten op de hoogte te brengen van hun geheime missen. De boetes voor overtredingen van geestelijke personen liggen trouwens nog een pak hoger dan die van de gewone burgers.

De onophoudelijke verwoestingen die de bewoners op het platteland moeten doorstaan veroorzaken natuurlijk een dure tijd. Een automatisch gevolg van de grote schaarste. De tarwe kost nu vier pond per rasier. Verschrikkelijk duur en alle andere eetwaren kennen evenredige prijsstijgingen. Deze torenhoge prijzen zijn niet betaalbaar voor de armen van de stad en de kasselrij en zorgen er voor dat er honger geleden wordt. ‘Vele mensen aten toen slechte en bedorven spijzen waardoor besmettelijke ziekten en zeker ook de pest uitbraken en voor veel dodelijke slachtoffers zorgden.’

In 1578 hebben de Staten van Vlaanderen al aan Willem van Oranje een jaarlijkse rente van tweeduizend gulden toegekend en dat bedrag gereserveerd uit de opbrengsten van de abdij ter Duinen in Koksijde. Op 15 september 1582 doen ze er nog een schepje bovenop. Om de prins te believen krijgt hij voor eeuwig en altijd het erfelijk recht op de eigendommen van Ter Duinen. Paus Gregorius XIII brengt een verandering aan in de gebruikelijke kalender. Er komt een nieuwe; ‘in Gregoriaanse stijl’, goedgekeurd door het concilie van Trente. Bij deze nieuwe berekening wordt het jaar 1582 met tien dagen ingekort.

Pauwel Heinderycx gaat nu plots zijn eigen rol spelen in zijn story van Veurne. ‘En omdat veel mensen onwetend waren over de reden van die verandering van kalender heb ik die hier willen kenbaar maken. Julius Caesar had in zijn tijd al ondervonden dat er grote misslagen bestonden in de jaartelling en heeft die na advies van vermaarde sterrenkijkers laten aanpassen. De sterrenkundigen gebruikten voortaan de loop van de zon in plaats van die van de maan als basis voor de tijdberekening. Caesar stelde vast dat men het jaar driehonderdvijfenzestig dagen en zes uren zou toekennen, exact gelijk als de duur die de zon nodig heeft om de zodiak te doorlopen. Maar die zes uren konden natuurlijk niet binnen de tijdspanne van één jaar berekend worden en zo beval hij dat men de eerste drie jaar moesten rekenen op driehonderdvijfenzestig dagen en het vierde, welke men een schrikkeljaar zou noemen, op driehonderdzesenzestig dagen.’

‘Daarna hebben veel vernuftige mensen de loop van de zon nog juister onderzocht en ondervonden dat die planeet de zodiak doorloopt in driehonderdvijfenzestig dagen, vijf uur, negenenveertig minuten en zestien seconden. Zodat men dus tot de vaststelling kwam dat Caesar elk jaar tien minuten en vierenveertig seconden te veel gerekend had en dat deze misrekening neergekomen was op een honderdvierendertigste deel van een dag en dat er dus logischerwijze elke honderdvierendertig jaar een dag te veel gerekend was geweest.’

‘Verder dat wanneer Caesar de jaarstijl veranderd had hij de equinox van de lente op 25 maart had ingeschat. Men bevond echter tijdens het concilie van Nicea in het jaar 323 dat de equinox drie dagen eerder moest vallen en toen werd dat al aangepast. Door die verandering van tien dagen zou de equinox vanaf 1582 vallen op 11 maart en dat zou voor grote verwarring zorgen. Daarom heeft zijne heiligheid bevolen dat men binnen het jaar 1582 zelf de verschillen in de tijdrekening moest aftrekken en dat vanaf 4 oktober, de dag van Sint Franciscus en dat de volgende dag niet de 5de maar wel de 15de oktober zou zijn. Voorts heeft de paus dan vastgesteld dat – om de equinox gelijk te houden – het schrikkeljaar per vier jaar zou blijven bestaan, behoudens dat men op vier eeuwen drie schrikkeljaren zou overslaan. Door die wijze schikking zou ieder feest op zijn feitelijk tijdstip kunnen gehouden worden.’

Na deze les van de schrijver komt de politieke realiteit weer naar boven. Hercules, je weet wel de prins van Anjou, de met veel poeha binnengehaalde Franse graaf van Vlaanderen, komt tot de vaststelling dat zijn functie meer protocollair is dan wat anders. Als pseudo-katholiek moet hij ongetwijfeld niet in het plaatje passen. De echte macht ligt bij de Nederlandse Staten en vooral bij de prins van Oranje. Zij maken het echte gezag uit in Vlaanderen. De Fransman besluit iets te doen aan deze situatie. ‘Daarom besloot hij om zich meester te maken van de genoemde prins en van de Leden van Vlaanderen. Daarom was hij zinnens om zich te verzekeren van de voornaamste steden van het land. Het was om die reden dat hij Franse garnizoenen deed leggen tot Duinkerke, Sint-Winoksbergen, Diksmuide, Aalst, Brugge, Menen en andere plaatsen.’

Ook Veurne staat aanvankelijk op dat lijstje steden, maar het stadsbestuur kan dit afweren met het argument dat er nu al te veel soldaten zijn dan men in werkelijkheid nodig kan hebben. In realiteit is dat ook wel zo: zevenhonderd man onderverdeeld in vijf compagnies Nederlandse soldaten. Nu, hoe dan ook, Hercules plant de inval op 16 januari 1583. Vreemd toch wat die man aan het bekokstoven is. Vlaanderen is nu al hopeloos verdeeld en dan gaat hij het officieel gezag over Vlaanderen nog eens in twee splitsen. Op papier zien de intenties er prima uit. Zijn 14.000 mannen die in de buurt van Antwerpen liggen zullen zich via een handigheidje van die stad meester maken en daarna de rest van het land inpalmen.

Dat is natuurlijk buiten de Antwerpenaars gerekend. ‘Hoewel die vorst al één van de stadspoorten in bezit had genomen en hij al zeer veel volk binnen de muren had laten binnenstappen, heeft hij toch zijn onderneming niet kunnen uitwerken. De burgers van Antwerpen zijn terstond in de wapens gelopen en ze zijn massaal op de Fransen gevallen. Daarbij hebben ze er vijftienhonderd gedood en nog veel anderen gewond en gevangen genomen.’

In Duinkerke is het ook niet pluis. ‘Kolonel Chamois die met enkele compagnies Fransen binnen Duinkerke in garnizoen lag en daar het bevel voerde in afwezigheid van admiraal Trelong, zocht gekrakeel met de burgers. Hij probeerde de hand te leggen op de buit die de Kaapvaarders met zich hadden meegebracht. Het geschil werd zo heftig betwist dat de inwoners uiteindelijk naar de wapens grepen. Het kwam tot een gewelddadige confrontatie tussen de burgers en de soldaten waarbij zeker twintig Duinkerkenaars om het leven kwamen.’ Chamois betrouwt de lokale poorters voor geen cent en neemt aanvullende veiligheidsmaatregelen. De Nederlandse soldaten welke ook een deel uitmaken van de bezetting worden wandelen gestuurd. Dat gebeurt tijdens een wapenschouwing wanneer ze verplicht worden om hun wapens neer te leggen. Op die manieren nemen de Fransen de touwtjes helemaal zelf in handen daar in Duinkerke.

In Sint-Winoksbergen volgt een gelijkaardig scenario. Daar maakt de Franse commandant Villeneuve zich met zijn soldaten meester van de stad. Iets wat trouwens niet veel moeite kost. Diksmuide volgt. ‘Daar lagen insgelijks enkele compagnieën Fransen die op de voorziene dag alles overweldigden. Enkelen onder hen staken het vuur aan in verschillende huizen en terwijl de burgers zich haastten om de brand te blussen vielen de soldaten hen met geweld aan, schoten ze dood en vermoordden een groot aantal burgers.’

De Franse plannen identieke acties in Brugge en Oostende maar die ambities vallen in het water. De hertog van Anjou heeft zich met zijn mislukte coup in Antwerpen natuurlijk in eigen voet geschoten. Hij is beschaamd en zeer spijtig dat het mislukt is, vertellen de kronieken. Dat zal wel. Graaf Hercules mag het nu wel vergeten in Vlaanderen. De breuk met Willem van Oranje en de Staten van Vlaanderen is een feit. Anjou trekt zich met een hele bende soldaten terug binnen Duinkerke waar hij zijn hofhouding installeert.

Hoe zou een en ander ondertussen verlopen in Veurne? ‘Blijkbaar niet al te best’, laat Pauwel me weten. De soldaten van de vijf compagnies onder het bevel van de heer van Loker zijn er niet over te spreken dat ze amper betaald worden voor hun prestaties. ‘Als we niet snel ons geld zien, dan zullen we gaan muiten!’ Hun boodschap is duidelijk. ‘De stad zal geplunderd worden als de soldij niet tijdig zal uitbetaald zijn.’ Het stadsbestuur neemt de dreigementen ernstig en stuurt direct enkele afgevaardigden naar Brugge waar de Leden van Vlaanderen vergaderd zitten. Ook de mannen van meneer van Hornes dienen betaald te worden. De middelen daartoe moeten volledig van de provincie komen. Er woont haast niemand meer in Veurne-Ambacht. De Westhoek is in dusdanige armoede vervallen dat het magistraat voortaan zijn maandelijkse quota niet meer kan opbrengen.

‘We gaan ons best doen’. Zo zal de belofte van de Raad er wel op neerkomen. Maar als er geen geld beschikbaar is blijven de soldaten wel noodgedwongen op hun honger zitten. Er komt voor de zoveelste keer niets van in huis en daarom slaan de Fransen op 2 en 3 maart 1583 aan het muiten. ‘Nadat het woelig volk zich meester had gemaakt van het stadhuis en van de plaatsen rond de markt, begonnen enkelen nu de woningen van de burgers te plunderen. Anderen vielen de woonsten van de hoogbaljuw, de burgemeesters en de schepenen binnen terwijl nog anderen de landhouders en de keurheren gevangen namen en ermee dreigden om al hun eigendommen te stelen indien niet aan hun eisen werd voldaan.’

Veurne wordt lelijk in de steek gelaten. Door Vlaanderen, door Willem van Oranje. Ik kijk enigszins verbolgen toe hoe deze trouwe stad er plots moederziel alleen oog in oog staat met de soldaten die haar zouden moeten beschermen. Beide magistraten krijgen het mes op de keel. ‘Er moet betaald worden. Soldij nu!’ Het alternatief om veroverd te worden door de malcontenten is al bij al nog een veel erger scenario. Dan zal Veurne pas echt weten wat plunderen is. ‘En zo beloofde men aan de muiters om hen een voorschot van drie maand soldij te betalen. Een bedrag van 17.670 gulden om precies te zijn.’

Het probleem is wel dat de stad momenteel geen stuiver in kassa heeft om zijn belofte na te komen. De wethouders zien zich verplicht aan te kloppen bij de burgers. Die moeten hen verplichte leningen toestaan. De helft van het bedrag moet van Veurne zelf komen en de rest van de buitengebieden. De wil om tegemoet te komen aan de vraag van het bestuur is natuurlijk aanwezig gezien de latente vrees om overvallen te worden door de Fransen. Veurne klopt nog maar eens aan in Brugge. Een volledige uitleg natuurlijk over alles wat er voorgevallen is begin maart.

Feitelijk huizenieren er veel te veel soldaten in de stad en zou die bezetting fors verminderd moeten worden. Op die manier kan ook paal en perk gesteld worden aan de chantage van de Fransen. Er komt nu toch eindelijk eens een positieve respons voor Veurne. Op 22 maart verlaten drie compagnies eindelijk de stad en vervoegen ze hun collega’s die in de buurt van Brugge liggen.

De gouverneur van de malcontenten in Roesbrugge blokkeert al sinds begin februari 1583 de toevoer van levensmiddelen bestemd voor Veurne, Nieuwpoort en Diksmuide. Ze verhinderen trouwens dat de soldaten die daar in garnizoen liggen nog verdere uitvallen doen in de kasselrij. ‘Om de roof op de landman verder te beletten zonden ze een groot aantal soldaten naar Alveringem waar ze het kasteel gingen bezetten. Dat kasteel, door wijde grachten omringd, eigendom van de kanunniken van Sint-Omer, was een uitstekende standplaats voor de malcontenten die er meer en meer soldaten naar toe stuurden.

De leiding van de kasselrij ziet het natuurlijk niet graag gebeuren dat de malcontenten zomaar een nieuw bolwerk installeren. Admiraal Trelong wordt daarvan op de hoogte gebracht in Nieuwpoort. Maar die blijkt machteloos en ‘zo werd er niets gedaan om de Veurne-Ambachters daarvan te verlossen zodat het vermelde volk zich bleef nestelen in zijn nieuwe standplaats, tot groot verdriet van het omliggende.’

Met de hertog van Anjou in hun achtertuin te Duinkerke zit het er dik in dat diens troepen wel eens zouden een bezoekje durven brengen aan Veurne-Ambacht. Dat gebeurt inderdaad wanneer de Fransen eind april de parochies rond Veurne komen bezetten. De hele streek is natuurlijk kaalgeschoren. Hier zullen ze niets bruikbaar meer vinden. Om hun territorium enigszins uit te breiden werpen ze een brug over de vaart die de naam Venepe draagt. De burgerwacht aan de andere kant van het water wordt weggejaagd. Aan de overzijde overweldigen ze alles en iedereen. Steenkerke, Avekapelle, Eggewaartskapelle en het omliggende worden gepluimd. De hele actie duurt tot 16 mei tot ze met zijn allen terugkeren tot onder Duinkerke. ‘Meeleidende al de beesten en goederen die zij van die voorzeide parochies konden doen vervoeren.’

De rol van de hertog van Anjou is hoe dan ook uitgespeeld. Hij voelt zich mottig en ziek daar in Duinkerke. Heel zijn project is één grote desillusie. Je zou ziek worden voor minder. Onder het mum dat de pest zich aan het verspreiden is beslist hij om de Nederlanden achter zich te laten. Zijn meubelen en juwelen worden netjes geladen op een schip dat hem op 28 juni 1583 terug naar Frankrijk zeilt. Kolonel Chamois neemt de leiding over van het garnizoen daar in Duinkerke. In Vlaanderen en de Nederlanden heerst natuurlijk veel ongenoegen om de verderfelijke handelswijze van de Fransen. De strategie om de Fransen als diplomatische buffer te gaan gebruiken tegen de Spanjaarden is geflopt na de poging van Hercules om de Nederlanders uit Vlaanderen weg te shotten. De mislukking weegt dan ook zwaar op het zelfvertrouwen van de Verenigde Staten van de Nederlanden.

De Spanjaarden hebben dat natuurlijk ook in de gaten. De prins van Parma is best een alerte figuur. Samen met de heren van Montigny en de Pardieu besluiten ze om Duinkerke in de tang te nemen. Het leger van de koning die deze beweging uitvoert staat omschreven als omvangrijk. Op korte tijd worden er schansen gebouwd en starten de kanonnen met een felle beschieting van de stadsmuren. De Franse soldaten houden het niet lang vol in de stad. De Nederlanden vertikken het om versterking te sturen. Daarbij komt nog dat de Duinkerkenaars zelf geen poot uitsteken om de Fransen te helpen bij de verdediging. Ze kiezen ervoor om onder de gehoorzaamheid van de Spanjaarden te leven na de maanden van kwalijke mishandeling door deze ellendige Franse nietsnutten. Het pleit is vlug beslecht. Op 16 juli 1583 geeft kolonel Chamois de stad over aan de prins van Parma. Farnese zelf toont zich mild ten opzichte van de inwoners door hen weer in het bezit te stellen van hun oude privileges.

Dat alles gebeurt natuurlijk gevaarlijk dichtbij voor Nieuwpoort en Veurne. Ingenieurs van Vlaanderen haasten zich nog een laatste keer naar Veurne om er de verdedigingsmuren te inspecteren. Het zijn ook zij die zullen beslissen over de mogelijkheid om het zeewater door de sluizen te jagen om een deel van Veurne-Ambacht en het Vrije onder water te zetten. Iets wat in het voordeel zou zijn om de vestingen te bewaren. Ook de magistraten van Veurne-Ambacht en het Vrije zelf worden betrokken bij de hele zeewater-discussie. Jacob Volmaere en Roeland de Vos vertegenwoordigen de kasselrij en proberen de ‘verdrinking’ te verijdelen.

De parochies van het Bloote zijn meestal bewoond en de inwoners weten zich min of meer te beveiligen door de vaarten af te sluiten. En een overstroming zou er voor zorgen dat het hele buitengebied geen stuiver meer zou opleveren. En dat terwijl de Staten maar blijven vragen om geld en middelen. Daarbij komt nog de opmerking dat het onder water zetten van de Westhoek niet het minste soelaas zou brengen voor Nieuwpoort in het geval deze havenstad zou belegerd worden. Vanuit het Vrije komen identieke bemerkingen zodat er beslist wordt dat het zeewater het land niet moet overstromen.

Alexander Farnese kijkt al direct naar Nieuwpoort. De burgers hier hebben al vernomen dat hun buren weer in het bezit gesteld zijn van hun vroegere voorrechten. De twee overgebleven compagnies Nederlandse soldaten kunnen niet opboksen tegen het Spaans leger en de interne druk van de lokale bevolking. Als de oude privileges hersteld kunnen worden dan mogen de Spanjaarden gerust binnentreden. De overgave lijkt in die context een fluitje van een cent en absoluut niet verrassend. ‘En Veurne dan?’, vraag ik me af. ‘Door de overgave van Duinkerke en Nieuwpoort waren die van Veurne met grote benauwdheid bevangen omdat ze nu afgesneden waren van alle toevoerlijnen om nog levensmiddelen te kunnen aangevoerd krijgen.’

De Walen zwerven nu voortdurend voor de poorten van de stad. Vooral nadat ze dat kasteel van Alveringem bezet hebben. Vanuit het zuidwesten kan er dus geen voedsel meer binnengebracht worden. De prins van Parma heeft zich met zijn mildheid veel ellende bespaard. Dat de burgers in Nieuwpoort en Duinkerke mild behandeld werden overtuigt die van Veurne om toch maar eens te gaan praten met de Spanjaard. Misschien kunnen ze inderdaad wel komen tot een soort van verzoening met de koning. De gesprekspartner bij de Spanjaarden is de heer van la Motte. De Pardieu dus. Op 24 juli vliegt de kogel door de kerk en kan er een ‘traktaat van verzoening’ getekend worden. Het duurt nog drie dagen voor Parma zelf zijn handtekening zet onder de overeenkomst. Farnese is op dat moment al doorgetrokken tot Oostende om ook die stad in de tang te plaatsen.

‘Van zodra alles goedgekeurd was zijn de afgevaardigden naar Veurne teruggekeerd. De volgende dag arriveerde er een compagnie voetknechten onder de leiding van kapitein Filips Hannon. Ze stonden onder het bevel van de Pardieu, de gouverneur van Roesbrugge en de heren De la Couquelle, Jacob Valcke, Maarten Lems en nog anderen die de bezetting van de stad overnamen waardoor Veurne weer tot de gehoorzaamheid van de koning gebracht werd.’ De katholieken zijn in de wolken natuurlijk. Ze vertonen allerhande soorten van vreugdetekenen omdat God hen heeft verlost van het juk van de geuzen. Eindelijk zullen ze hun eigen religie weer in volle vrijheid kunnen uitoefenen.

Valentijn de Pardieu blijft niet lang en ook hoogbaljuw De Wynckere verlaat de stad. Samen met twee eenheden voetvolk van de heer van Loker die hier al geruime tijd gelogeerd waren. Een calvinistische minister, zijn consistorianten en enkele hardnekkige geuzen trappen het af richting Brugge. Daar worden de Veurnse gouverneur en zijn twee kapiteins aanvankelijk gevangen gezet op bevel van de Raad van Vlaanderen die er niet om kan lachen dat ze hun stad zomaar zonder verdediging hebben overgegeven. Achteraf blijkt dat hen geen schuld kan aangewreven worden en komen het drietal weer op vrije voeten.

De katholieken die de voorbije jaren door de geuzen geweerd werden keren nu allen terug naar Veurne-stad. Met in hun zog heel wat treffelijke lieden die eerder uit eigen beweging waren vertrokken. Veel priesters en geestelijke personen hebben zich de hele tijd in vreemde steden opgehouden of in andere landen rondgedoold in een poging om er aan de kost te geraken. Het moet een vreemde ervaring zijn voor de thuisblijvers dat de katholieken zomaar hun voormalige en al lang verkochte eigendommen terug claimen en de kopers ervan compleet negeren. Je zal maar zwart goed gekocht en betaald hebben! ‘Ze kwamen ook dadelijk bezit nemen van hun goederen en beneficiën. De kanunniken, pastoors en de overige geestelijkheid namen hun huizen weer over welke de leden van Vlaanderen hadden doen verkopen zonder daarvoor het minste aan de kopers te moeten teruggeven.’

Op 12 augustus 1583 krijgt Veurne hoog bezoek. De inwoners hebben aangegeven dat ze graag de Ieperse bisschop Rythovius willen zien en die gaat in op dat verzoek. De bisschop heeft zich gedurende de geuzentijd opgehouden in Ariën-aan-de-Leie en is ook nog maar recent teruggekeerd naar de Westhoek. Terwijl hij in Veurne verblijft regelt hij alles zodat de katholieke godsdienst opnieuw op een treffelijke manier kan gecelebreerd worden.

Twee dagen later wordt de Sint-Niklaaskerk op punt gezet, de twee haastig klaargemaakte altaren worden gewijd. Op verzoek van de parochianen wordt ook de kerk van Sint-Denijs herwijd. De lokale ambachtslieden werken zich ondertussen in het zweet om nieuwe altaren te produceren. De kerk van Sint-Walburga hoeft geen herwijding omdat de geuzen daar nooit hun diensten hebben gehouden. De kerk ziet er natuurlijk niet uit. Alles is er gebroken en gestolen. Tot zelfs het de koperen letters van de namen der overledenen werden uit hun zerkstenen verwijderd.

De heer van Loueuse wordt geïnstalleerd als nieuwe hoogbaljuw van de stad en de kasselrij. Het hof stuurt twee buitengewone commissarissen, meester Jacobus Hertoghe en meester Pieter Verreyken naar Veurne om er nieuwe magistraten aan te stellen. Op 7 september benoemen ze twee inwoners die zich in het verleden altijd al loyaal hebben opgesteld tegenover de kroon van Spanje. Wie zich de voorbije jaren als Staatsgezinden heeft gedragen moet zeker niet rekenen op enige postjes van belang. De apotheose volgt op 8 september 1583. ‘Om plechtiglijk God te danken omdat de stad en de kasselrij van de geuzen verlost was werd er een luisterrijke dienst gehouden in de kerk van Sint-Niklaas. Met nadien een algemene processie in tegenwoordigheid van zijn hoogwaardigheid de bisschop van Ieper, de abt van Sint-Niklaas, allebei de magistraten en veel andere treffelijke personen en natuurlijk een menigte van volk.’

Terwijl alles in zijn vroegere plooi aan het vallen is in Veurne, woedt de oorlog in West-Vlaanderen nog verder. Na de overgave van Nieuwpoort is de hertog van Parma zoals eerder aangegeven verder doorgetrokken met de bedoeling om Oostende in te nemen. Iets waar hij niet direct zal in zal slagen. ‘Als hij die stad belegerd en beschoten had, realiseerde hij dat Oostende niet zomaar zou kunnen overmeesterd worden. De Staten bevoorraadden hun troepen via de zee en daarom heeft Farnese aan zijn veldoversten de opdracht gegeven om het beleg op te breken.’

Na de nutteloze inspanningen bij Oostende keren de Spanjaarden nu terug naar Diksmuide waar ze de vijf compagnies Fransen die daar in garnizoen liggen gaan belegeren. Die geven zich zonder al te grote weerstand over aan de Farnese. Daarna is het tijd voor Ieper. Dat zal een ander paar mouwen zijn. Daar komen de jaarboeken van Veurne later op terug. Het is nu eerst hoog tijd om de wonden te likken van die miserabele godsdienstoorlog.