De griffier van Reningelst

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       12 months ago     470 Views     Leave your thoughts  

Het proces tegen de griffier van Reningelst in de 18de eeuw.

Het stille dorp Reningelst, een onderverdeling van de generaliteit van de acht parochiën, die zelf lid was van het oude West-Vlaanderen, werd op het einde van de 18de eeuw in beroering gebracht door een klein administratief en rechterlijk drama, waarvan de gedachtenis ons bewaard is, dank zij een bundel die neergelegd werd in het archief van de oude Raad van Vlaanderen.

Dit dorp behoorde in 1772 aan Albrecht-Marie-Josef, graaf de la Basecque, heer van Saint-Amand, la Herbyse Oppy, en van Reningelst, uit hoofde van zijn echtgenoot Marie de Massiet, vrouw van deze gemeente, van la Clyte, Zuutpeene, enz.

In zijn hoedanigheid van wettelijk beheer van de goederen van zijn echtgenoot, had de graaf het recht ambtenaren in deze heerlijkheden te benoemen. Welnu het gebeurde in 1772, dat de griffier van Reningelst Martin du Puit kwam te overlijden en dat men hem moest vervangen.

De graaf vestigde zijn keus op Frans Antoon Huughe die reeds in betrekking was met zijn familie, want Pieter de Massiet schoonvader van de graaf had hem de 5de april 1762 aangesteld om de plaats van baljuw van zijn heerlijkheid van Caneghem te vervullen.

Bij commissie in dato 14 augustus 1772 werd Huughe tot griffier van Reningelst benoemd, voor een termijn van vier jaren, en dezelfde dag trad hij in zijn ambt, nadat hij de gewone eed had afgelegd, in een buitengewone vereniging van de Wet van Reningelst in aanwezigheid van Pieter Frans Delbaer baljuw, en Baptiste Balde, Karel de Keure en Jacob Robrecht Druant schepenen.

De keuze van de graaf was niet gelukkig geweest. Frans Antoon Huughe deed zich kennen als zijnde van een prikkelbaar, trots en onhandelbaar karakter. Wat meer is, hij sympathiseerde niet het minste met de baljuw, zodat de wet van Reningelst weldra het toneel werd van wedijver en van schouwspelen die absoluut niet gunstig waren voor een goede gerechtigheid en voor een vaste administratie.

De graaf die zijn griffier voor een termijn van vier jaren benoemd had, vroeg zich af, wat hem te doen bleef, des te meer dat de andere leden van die wet, geprikkeld, het voorbeeld van hun overste volgden en ook onverdraaglijk en bijterig geworden waren.

De 5de september 1776 schreef hij een brief aan de voorzitter en de raadsheren van den Raad van Vlaanderen, die zetelde als juridictie van hoger beroep van de beslissingen van de wet van Reningelst, en hij legde de twisten uit die bestonden tussen de baljuw en de griffier zodat de administratie van zijn heerlijkheid helemaal verlamd was, en dat de schepenen moe van nutteloze woordenwisselingen te moeten bijwonen, naar de wetsvergaderingen weigerden te komen en zelfs hun ontslag wilden geven. Hij vroeg niet dat de raad de griffier zou ontzetten, maar hoopte dat hij enkel een verwittiging zou geven die, zegde hij, komende van zulk een hoog gezag, een einde aan dit schandaal zou brengen.

De 30ste van diezelfde maand verzond de raad zijn antwoord. Hij bedreigde de twee ambtenaren met ontzetting en herinnerde aan de griffier dat hij niet het hoofd was van het plaatselijke bestuur maar een onderdanige van de baljuw.

In rechte had de raad gelijk. De griffier had een ondergeschikte rol, maar in feite, onder het oude regime in de kleine juridictiën, waar men dikwijls rechters en baljuws ontmoette, die vreemd waren aan het recht en die zelfs niet konden schrijven, werd al het werk geleverd door de griffier die de gewoonte van de algemene zaken bezat. Des te meer dat in die weinig belangrijke ressorten er geen raad-pensionnarissen, of rechtsgeleerden aan de juridictie gehecht waren, en dat men zich tevreden stelde met in de ernstige gevallen een advies ‘pro judice’ te, vragen of beter nog enkel en zuiver in ‘rencharge’ te gaan.

De raad vroeg aan den graf zijn brief in het openbaar te lezen en hem te laten weten of men al dan niet zou gehoorzamen. Op 15 oktober schreef de graaf een nieuwe brief sprekende van ‘des sentiments de tracasserie et d’indocilité de son greffier’, en ‘qu ‘il croyait impossible de le conserver dans son état ‘, want indien de brieven van de raad ‘ont fait sur le bailli une impression qui nous fait espérer qu’il se tiendra désormais dans les bornes de son devoir il n’en a pas été de même sur le greffier qui a marqué son désir de faire ce qui lui plairait et de n’être subordonné à personne’.

De graaf vroeg zelfs, of het niet mogelijk zou geweest zijn, hem terzelfdertijd van het ambt van baljuw van Caneghem te ontlasten; ‘pour qu’il n’aie plus d’occasion de faire ressentir personne son hummeur singulière’, het kan wonderbaar schijnen dat het ‘humeur singulière’ niet vroeger reeds bekend was aan de graaf die, voor dat hij hem als griffier genomen had hem gedurende 24 jaren als baljuw van een van zijn heerlijkheden had gekend.

Wat er ook van weze, de zaak moest een onverwachte wending nemen. Om het geding ter afzetting in te spannen, vroeg de raad bij brief van den 17de oktober 1776 welke de plaats van geboorte en de plaats van de woonst was van de griffier en den juiste datum van zijn benoeming.

Nochtans bezat de raad die inlichtingen, want volgens de termen van een ordonnantie van den 12 januari 1741, mocht geen magistraat in bediening treden, vooraleer de akt van zijn eedaflegging geregistreerd zou zijn ter griffie van de provinciale raad, op straf van boete. Meer, indien zulks niet gedaan werd binnen een tijdperk van een maand, mocht de bediening onbezet verklaard worden en de vorst zelfs mocht haar doen innemen zonder acht te nemen op het benoemingsrecht van de leenheeren

De registratie van Huughe’s eedaflegging had maar plaats gehad de 8ste juli 1773, dus 11 weken na zijn indiensttreding. Maar nochtans heeft men nooit gedurende het proces waarover wij zullen handelen, over dit gebrek gesproken, aannemende waarschijnlijk dat een te laat gekomen uitvoering het gebrek vernietigde.

De 23ste oktober verzond de graaf, die vlug aan de slag was gegaan, een uittreksel van Huughe’s geboorteakte van de raad. Hij liet ook weten dat Huughe sedert 29 jaar te Reningelst verbleef en voegde bij zijn brief een afschrift van de commissiebrieven door de welke Huughe tot zijn verschillende ambten benoemd was geweest. Op zes dagen tijd had hij dus al die papieren verzameld.

Welnu Huughe was geboortig van Belle in Frankrijk en de post was toen niet georganiseerd zoals nu. Die ijver toonde hoe haastig hij was om zich van zijn gnffier te bevrijden. Immers het uittreksel werd verleend te Belle de 22ste en al diezelfde dag van Reningelst naar Gent verzonden.

Het was deze geboorteakte die een groot belang aan de zaak moest geven en de tussenkomst van de overheid veroorza ken die tot hier toe enkel als tussenpartij in particuliere zaken was opgetreden. Voortaan, een grote onregelmatigheid gevonden hebbende, moest de raad zich ijverig met de zaak bezig houden.

Huughe was geboren te Belle, de 4de oktober van 1704 als zoon van Jan Baptiste en van Joanna Jacobs gehuwden. Dit uittreksel maakte een vreemde oorsprong publiek, want op dit tijdperk leefde men onder de invloed van de ‘jus soli’. Zijn origine maakte hem onbekwaam om enig ambt in de Nederlanden te bekleden. Het was over dit punt – en niet meer op het oogpunt van zijn karakter, dat onderschikt geworden was – dat het proces zou plaats vinden.

De 25ste oktober schreef de advokaat fiscaal aan Huughe dat ‘que ceux qui sont nês sous domination Française sont inhabiles à posséder des offices dans ce pays’, en hij gaf hem de keuze om ofwel naturalisatiebrieven te vragen, ofwel, indien hij niet van rechtswege wilde afgezet worden, vrijwillig van zijn bedieningen af te treden.

Ondanks deze hoge tussenkomst, waarvan de ware rede van den graaf nog onbekend was, duurde de zaak nog te lang volgens zijn oordeel, want de 20ste november schreef hij een nieuwe brief aan den Raad zeggende; ‘Il s’est encore prêsentê des nouvelles occasions qui me font connaître de plus en plus que le meilleur moyen pour parvenir au rétablissement du calme et de la paix parmi les gens de loi de ce village est d’en öter le greffier’.

De 23ste november vroeg de raadsheer en verslaggever de Grave van de raad, om Huughe onbekwaam te verklaren en van hem daarna van zijn ambt af te zetten. Op dit ogenblik werd de toestand van de graaf weinig aangenaam, want alles wel bekeken, had hij een ambtenaar benoemd die niet voldaan had aan de wettelijk vereiste voorwaarden.

Ook ontving hij den deurwaarder die hem voor de raad dagvaarde maar gezien zijn persoonlijkheid werd dit bezoek gevolgd door een brief van de raad, waardoor men zich een weinig verontschuldigde over de ruwheid van het optreden, zeggende; ‘Je n’ai pu monsieur me dispenser de diriger aussi mes conclusions contre vous n’ayant pu cacher au conseil les défectuosités notoires et palpables de la commission que vous avez accordée; nos édits sont trop sevères pour user de connivence; je vous prie néanmoins d’être persuadé, monsieur, du dêsir sincère que j’ai de vous obliger en toutes occasions ou le devoir de mon office me le permettra’. Het was best moeilijk om tezelfdertijd beleefd en hard te zijn. De graaf was in zijn eigen strikken gevallen.

Nochtans nam Huughe het besluit tegenstand te bieden op rechtsgebied. Hij beweerde dat, hoewel hij onderworpen was aan Frankrijk, hij nochtans het recht bezat ambten te bekleden in Vlaanderen, als gevolg van de stilzwijgende overeenkomst die volgens hem tussen de twee landen bestond, en hij overhandigde brieven van de burgemeester en schepenen van Belle waaruit bleek dat een persoon die onderworpen was aan Oostenrijk, namelijk Josse Leupe, menigmaal schepen van Belle was geweest zonder de minste moeilijkheid te hebben, en hij bewees de nationaliteit van deze laatste door een authentiek uittreksel van zijn geboorteakte. Wat merkwaardig is, later werd die persoon door aangetrouwd verwantschap de schoonbroer van Huughe.

Al op 18 juni antwoordde men aan Huughe dat zijn onbekwaamheid niet gedekt kon worden door het aangehaald voorbeeld, want deze wederkerigheid kon alleen maar gelden conform speciale verdragen, zoniet zouden vreemde mogendheden de wetten van Vlaanderen kunnen wijzigen. Deze wederkerigheid werd daarenboven in duidelijke bewoordingen uitgezonderd door het plakkaat van 1585 en was een rechtstreekse tegenstrijdigheid met de openbare orde van onze provincies. Het was zelfs één van de voorrechten aan de welke onze voorouders het meest hielden, nl. dat geen vreemdelingen openbare ambten in Vlaanderen zouden kunnen bekleden. Men voegde er nog aan toe dat indien zekere misbruiken in Frankrijk binnengedrongen waren, het nochtans geen reden was om zulk een voorbeeld te volgen.

Ondertussen had de graaf, die door deze feiten, zeer verveeld zat de procureur de Munck gelast om hem te vertegenwoordigen en aan de Raad uit te leggen dat hij ter goedertrouw gehandeld had wanneer hij zijn griffier had benoemd. Zijne verklaringen schenen waarschijnlijk voldoende, want van dan af aan werd hij buiten het proces gelaten.

Maar Huughe begreep dat het juridische terrein glibberig was geworden en hij trad in een nieuw spoor. Hij verzond een verzoekschrift aan de keizerin, waarin hij de toestand uitlegde en waarvoor hij de naturalisatie vroeg, hopende zijn ambt te behouden dat, volgens hij zegde, hij alleen maar aanvaard had ‘tot beter maintien van zijn familie’. Maar de geheime raad die over dit geschrift moest beslissen, verwierp zijn vraag op 15 november 1777, hoewel zij regelmatig en ontvankelijk was, en veel van dergelijke aanvragen in het algemeen voldoening kregen. Misschien aarzelde de raad een zoo lastig personnage te naturaliseren.

Er bleef maar een zaak over aan Huughe. De beslissing van de raad af te wachten. De 28ste maart 1772 werd het vonnis verleend, en zoals het te voorzien was verloor hij zijn proces.

Het vonnis luidde als volgt: ‘Ghesien het proces geparijnstrueert voor ons thans gerapporteert tusschen de raede fiscaele van Haere Majesteit heerscher causa officii bij requeste van 23 november 1776 ter eener zijde, en Frans Antheunis Huughe bedienent greffier van de prochien en heerlijkheden van Reningelst en Clyte mitsgaeders de balluage van Caeneghem verweerder ten ander. ‘t Hof uytende zijn advies verclaert den verweerder en het gebrek van brieven van naturalisatie inhabel om binnen deze provincie eenighe officen te besitten, ordonneert hem in consequente dies promptelijk af te stappen van de bedieninghe van de griffie van Reningelst en Clyte en decreterende sijn gedrag en ‘s hier op gevolghe acceptatie bij onsicht van de bailluge van Caeneghem. Condemneert den verweerder in de costen van processe ter tauxatie van hare’.

Al op de 8ste april ging Huughe in beroep bij den groten raad van Mechelen. Ondertussen stegen de gerechtskosten en aangezien het vonnis a quo de verweerder vreemdeling verklaard had eiste men een ‘cautio judicatum solvi’.

De 26ste mei 1776, bij akte voor de baljuw en schepenen van de heerlijkheid van Uitberghe, stelde zich Jozef van Oudendycke borg voor Huughe en Albrecht de Beuf verklaarde de ‘suffisantheid’ van deze laatste. De 20ste oktober verzond Huughe zijn besluiten naar den Grote Raad waarin naast de argumenten die hij al vroeger had ingediend nog een nieuw rechtsmiddel inbracht.

Hij had begrepen dat hij voor de eerste rechter een fout had begaan door zich op het defensief te houden en door zijn uitlandse oorsprong niet te loochenen. Hij begreep daarom dat de Raad van Vlaanderen eigenlijk gedwongen werd om te vonnissen zoals het ook gedaan was.

In beroep dus vond hij een nieuw rechtsmiddel uit. Zoals wij het gezien hebben, was Huughe te Belle geboren op 4 oktober 1713. Welnu; de stad Belle was in 1714 Frans geworden door het verdrag van Radstadt. Uit dit feit haalde hij argumenten om te zeggen dat hij onderdanig was gebleven aan Oostenrijk, des te meer omdat hij gedurende 28 jaren in de Nedrlanden had gewoond. Hij voegde bij zijn bundel een getuigschrift van de burgemeesters en schepenen van Belle op datum van 2 juli 1772, bevestigende dat de inwoners van Belle, onder Oostenrijkse heerschappij geboren, bekwaam waren de openbare ambten in Frankrijk te bekleden.

Maar dit bewijs was echter zonder waarde, want toen de koning van Frankrijk een deel van Vlaanderen had ingelijfd was hij natuurlijk gedwongen de inwoners van deze streek als onderdanen te aanvaarden, en in alle geval deze die geboortig waren uit deze streek; men leefde toen immers nog onder het regime van het zuiver ‘jus soli’.

Indien hij onmiddellijk de stad had verlaten, zou hij misschien kunnen beweerd hebben dat hij onderworpen was gebleven aan het huis van Oostenrijk. Hoewel nochtans deze theorie onverdedigbaar was, onder het oude regime dat een begrip van soevereiniteit had, gegrond op het bezit van de streek. Het is niet gedurende het tijdperk van het verdrag van Radstadt dat men in een vredesverdrag een clausule zou ingelast hebben, toelatende aan de inwoners van een ingelijfde provincie om hun nationaliteit te behouden. Men was zover niet van de ‘cuiis regio illius religio’.

Ook antwoordde de procureur-generaal dat Huughe zonder twijfel Fransman was en dat de uitsluiting van de vreemdelingen een onbetwistbare basisregel van ons publiek recht was zodra er sprake was van openbare ambten. Indien er misbruiken te Belle bestonden, voegde hij er aan toe, moesten die misbruiken niet beschouwd worden als zijnde de uitdrukking van het Franse recht want het parlement van Douai dat als beroepsrechter van de wet van Belle zetelde, had een vaste rechtspraak in tegenovergestelde zin.

Huughe aanschouwde zich nog altijd niet als verslagen. Hij antwoordde dat, vermits hij geboren was onder Oostenrijks heerschappij, en omdat hij altijd onder Oostenrijkse heerschappij gewoond had, te Reningelst om precies te zijn, hij Vlaming gebleven was, maar hij voegde er bij, wat nieuw was dat hoewel Vlaanderen tussen twee prinsen verdeeld was, de inwoners van heel het graafschap nochtans het recht had de openbare plaatsen te vervullen in de twee delen van het land. Hij vroeg ook aan de procureur-generaal van de juiste gevallen te bepalen waarin het parlement van Vlaanderen op de door hem aangeduide manier zou gevonnist hebben.

Nadat hij die besluiten, waarvan de argumenten tamelijk betwistbaar waren, gelezen had, verklaarde de procureur-generaal: ‘qu’il n’y avait rien de neuf dans cet êcrit’ en de 23ste juni 1779 verleende de Grote Raad een arrest, het vonnis bekrachtigende van den Raad van Vlaanderen.

Enkele dagen later schreef de graaf, die gelukkig was in gunstige omstandigheden van zijn griffier ontdaan te zijn, een brief aan den raad, in dewelke hij sprak van ‘sa sensible reconnaissance’, en hij vroeg hoe te handelen om de papieren van de griffie uit de handen van Huughe los te krijgen.

Hij had immers geijverd, door commissie van de 14de april 1778, 16 dagen na het verlenen van het vonnis van de raad, tegen hetwelke beroep was aangetekend, om een nieuwe griffier te benoemen in de persoon van Jacob Robrecht Druant, maar door ervaring geleerd, benoemde hij hem slechts voor een termijn van twee jaar, en haastte hij zich van de commissiebrieven binnen het wettelijke termijn te doen registreren.

Deze laatste formaliteit werd vervuld op 11 mei 1778, na de eedaflegging van de 29 ste april. Ondertussen had de graaf ook de baljuw weggejaagd en in zijn plaats diezelfde Druant benoemd, die wanneer hij tot griffier werd aangesteld door Felix Jacques Berten als baljuw werd vervangen. Dus zien wij, zooals wij hoger gezegd hebben, dat in rechte de baljuw de overste van de griffier was, maar dat in feite het nochtans als een bevordering bekeken werd om van baljuw tot griffier te worden benoemd.

De commissiebrieven van Druant luidden als volgt: ‘l’office vacant en vertu d’une sentence du 28 mars qui déclare le sieur François Huughe qui êtait ci-devant établi à la servitude dudit office inhabile à l’exercer ayant été reconnu natif de la ville de Balleul domination française’.

De 30 juni van 1779 deed de deurwaarder Looghe sommatie aan Huughe om de papieren van de griffie terug te geven. Hij weigerde. Het bestuur van Reningelst was een ware warboel. De gemeenterekeningen waren niet meer ingediend geweest sedert 1775. Ook de 23ste november 1779 schreef de graaf een verzoekschrift aan de raad om de uitvoering van het arrest door rechtsmacht te verkrijgen.

De Raad van Vlaanderen om de uitvoering van het arrest te verzekeren benoemde een commissaris die machtshalve in het huis van Huughe binnentrad en de zegels legde op zijn papieren. Na inventaris werden de archieven en papieren van de griffie gescheiden van de persoonlijke papieren toebehorende aan Huughe.

Het is prikkelend te doen opmerken dat Huughe voor vier jaren benoemd was geweest en dat het proces zeven jaren duurde. Men kan moeilijk de koppigheid van Huughe begrijpen die wel zeker mocht zijn van niet meer herbenoemd te worden en die geen redenen had om de papieren achter te houden.

Zo eindigde het klein rechterlijke en administratieve drama op het einde van het 18de eeuw, een affaire die een ware onwentehng m het dorp van Reningelst veroorzaakte.

Willy van Hille in ‘Annales de la Société d’Emulation de Bruges’ van 1930

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>