De groei van de eerste Vlaamse steden

Sint-Omer, Arras, Douai, Rijsel, Brugge en Gent ontpoppen zich vanaf de jaren 900 als de eerste steden van Vlaanderen. Historicus Alain Derville dompelt ons onder in de beweegredenen waarom die steden precies op die plekken in het landschap ontstaan zijn. Zijn inzichten zijn vaak verhelderend maar evengoed gedurfd, stout en brutaal!

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De steden van Vlaanderen zijn beroemd. Haast mythisch. Ondanks het feit dat hun archieven van voor 1275 zo goed als leeg zijn. Er is wel geen tekort aan grijze en onbekende vlekken die nog moeten worden opgehelderd. En er bestaan vooral veel hypothesen die wel eens mogen onderworpen worden aan wat kritiek. Dat allemaal schrijft de Franse historicus Alain Derville die een trits historische boeken heeft geschreven over de middeleeuwse jaren van Vlaanderen en Frans-Vlaanderen. Of de man, geboren in 1924, anno 2013 nog leeft, weten we niet voor honderd percent zeker.

Maar één ding weten we wel: we zijn onmiddellijk geïnteresseerd in zijn manier van schrijven en we worden vooral aangetrokken door zijn blijkbaar onmetelijke kennis van het verleden van onze streek. We houden met plezier halt bij zijn boek ‘Les villes de Flandre’ en we gaan samen met hem op zoek naar andere ‘waarheden’ die uiteindelijk geschiedenis zo boeiend en wulps maken. Zijn studie van de Vlaamse steden vangt aan rond de jaren 900 wanneer de meesten onder hen het daglicht zien. Er is al heel wat geschreven, vertelt Derville.

Tussen 1835 en 1864 zijn er vijf dikke boekdelen van de historici Warnkoenig en Gheldolf verschenen die de geschiedenis van Vlaanderen voor 1306 uitvoerig hebben toegelicht. Een geschiedenis die al met al rustig en kalm wordt beschreven en die een wat provinciaals sfeertje afgeeft aan het Vlaanderen van toen. Daar komt vanaf 1905 verandering in wanneer het genie van een zekere Pirenne er voor zorgt dat Vlaanderen wel op de Europese kaart komt te staan.

Tussen de regels proef je het cynisme van Alain Derville voor al de verleidelijke stellingen die Henri Pirenne in zijn werken naar voren heeft geschoven. ‘Waarom werden ze zo weinig in vraag gesteld en achteraf zomaar klakkeloos overgenomen’, vraagt hij zich af.

In 1469 telt Vlaanderen maar liefst 53 Vlaamstalige steden, maar bij dit aantal zitten er een aantal tussen die amper 135 inwoners kennen. Er wordt in onze geschiedenisboeken blijkbaar erg genereus omgesprongen met de term ‘stad’, terwijl de Franstalige steden zich beperken tot Rijsel, Douai en Orchies en waar zowat 200 pseudo-stadjes er uit gebonjourd werden.

Onze schrijver is niet mild. Veel te veel historici hebben enkel uit de ogen van Gent, Brugge en Ieper gekeken. De Vlaamse schrijvers hebben zich bewust beperkt tot de Vlaamse steden en hebben geen oog gehad voor Franstalige steden zoals Arras, Douai, Rijsel, Sint-Omer en zelfs Doornik. Vreemd toch dat de Vlaamse geschiedschrijvers weigerden om een blik te werpen over de taalgrens met Frankrijk. Voor de jaren 1200 zijn de archieven van de Vlaamse steden zo goed als leeg terwijl die van Sint-Omer werkelijk uitpuilen van de informatie.

Wat er zich achter de rivier de Aa aan oude teksten bevindt, had precies gebruikt moeten worden om wat meer klaarheid te scheppen in de mistige jaren van het ontstaan van de Vlaamse steden. De befaamde en flamingante historicus Verhulst (+2002) krijgt ook al een sneer. ‘Zijn werk is een afkooksel van dat van Pirenne.’ Rond de jaren 900 is er amper sprake van steden. Vlaanderen is een ideale uitkijkpost en niet veel meer.

Maar de Vlamingen hebben wel een neus voor zaken en ontwikkelen economische activiteiten als geen ander. En dat leidt tot de bouw van de eerste kernen die de eerste honderden jaren al met al weinig sporen nalaten in de archieven. Aan de Franse kant van Vlaanderen is dat wel anders. Drie steden zien het eerste daglicht in diezelfde periode. Eerst en vooral Sint-Omer rond het jaar 900, maar ook Ardres dat al uitgebreid in zijn archieven laat kijken in 1070 en Calais beschikt ook al over heel interessante geschriften vanaf 1165.

Toch zijn ze nooit in het vizier gekomen van de Vlaamse geschiedschrijvers wanneer die begonnen zijn met hun zoektocht naar de wortels van de Vlaamse steden van hun keuze. Op het einde van de 9de eeuw is het graafschap Vlaanderen welvarend en rustig en vreedzaam. Bizar dat Derville de kwaadaardige era van de Noormannen over het hoofd ziet. Er is amper sprake van een stedelijk netwerk. In het zuiden zijn er de eertijds Romeinse steden. Cassel is gestorven, Boulogne is zieltogend.

Er is alleen maar het meeste bekende Terwaan die de export van het Artesische graan via de Aa richting Vlaanderen onder controle houdt. De abdij van Sithiu (Sint-Omer) is, dank zij zijn ‘polypticum’ van rond 850 ook al bekend. Het Westland ademt de sfeer van de zee uit. De havens van de Canche (Quentovic) en de Ijzer (Iserae Portus) die te maken krijgen met de Saksen en de Friezen die er lakens komen verkopen en hun graan aankopen. Meer noordelijk langs de kust is er niets buiten een aanlegplaats, een soort steiger, die de Noorse naam ‘Bryggya’ met zich mee draagt en waar af en toe wel eens een boot aanlegt. Google leert me dat er in Noorwegen ook al een stad bestaat met de naam Bryggya. Zijn bewering kan dus inderdaad kloppen.

Jaren van groei en welvaart staan voor de deur en zullen zorgen voor het ontstaan van bevolkingskernen. Dat is zeker het geval voor de abdij van Sithiu waar de koning al in 873 een vrijdagmarkt tot stand laat brengen. En die markt dient niet om de stedelingen van voedsel te voorzien, zoals geschiedkundigen dat verklaren, want die zijn er amper in het toenmalige Sint-Omer. Neen. De vrijdagmarkt komt er als een verlengstuk van de economische activiteit van de lokale abdij, waar er geen sprake is van graan te kopen, maar dit te verkopen aan mensen uit de hele regio.

En reken maar dat de Sint-Bertinusabdij steenrijk is. Ze is in het bezit van zowat honderd dorpen of landelijke domeinen. Zelfbedruipendheid, zelfvoorziening, autarkie zijn de sleutelwoorden van de leiders van de abdij. Volgens hun eigen dagboeken uit 850, de ‘polyptieken’ dus, zorgen de ontelbare pachters massaal voor graan en linnen. Sithiu bezit zelfs wijngaarden aan de Rijn en aan de Aisne en andere gebieden zullen ongetwijfeld een variatie van alternatieve grondstoffen opleveren.

Het enige probleem bestaat er in een afzet te vinden voor de overtollige producten die ze ongetwijfeld kunnen versassen aan de Saksen en de Friezen daar in het hinterland van de Noordzee. Graan wordt geruild tegen textiel. Vanaf de jaren 800 zijn er in dat hinterland een reeks van ‘villae’, domeinen zoals Quentovic, Fressin en ongetwijfeld ook de villae van Roxem en Westkerke die zich in de onmiddellijke nabijheid van de ‘Iserae Portus’ bevinden. Maar nergens is er sprake van een stad. Sithiu op zich heeft zelf ook niets weg van een stad.

Het is een klooster, een ‘monasterium’ dat van de wereld is afgescheiden door een kloostermuur, ongetwijfeld voorzien van een slotgracht binnen dewelke zich twee grote kerken manifesteren. De kerken van Sint-Omer in het hooggelegen deel, en van St.-Bertinus in de laagvlakte. Plus andere heiligdommen. De begraafplaatsen van de overleden broeders en de huizen van de levenden. Dertig kanunniken in het hoog gelegen gedeelte en zestig monniken bij Sint-Bertinus en verder nog zowat honderd knechten.

Vanaf 850 krijgen de arbeiders een jaarlijkse vergoeding, een prebende. Dat kan geld zijn, maar evengoed kunnen ze wat levensmiddelen en kledij toegewezen krijgen. Hier en daar zullen die wel een poging gedaan hebben om een habbekrats te verpatsen buiten de kloostermuren. Maar lang zal dat niet duren. In 877 wordt er al lang niet meer betaald met geld. Het bedienend personeel krijgt zijn producten vanuit zes villae waar zelf een visvijver toe behoort. Je mag er zeker van zijn. In die dagen is Sithiu een abdij die perfect gescheiden is van de buitenwereld. Een heilige enclave. Hier en daar duiken de eerste Noormannen op.

Na de dood van graaf Boudewijn I in 879, komen ze op gewelddadige manier terug naar het noorden van het koninkrijk, Vlaanderen incluis, verwoesten. Abt Raoul van Sithiu heeft gezorgd voor een indrukwekkende beschermende gordel rond de abdij, maar door gebrek aan tijd is vooral de vesting rond de heuvel en de kerk van Sint-Omer maar povertjes. De rechthoekige omheining in het noordwesten zal in de toekomst de grens vormen van Sint-Bertinus. De zuidkant met de kerk van Sint-Omer zal later ingepalmd worden door een of andere kasteelheer die er zijn mottekasteel zal op bouwen, het ‘castrum sancti Audomari’, het kasteel van Sint-Omer dat uiteindelijk zijn naam zal geven aan de stad die er uit de grond zal spruiten.

Getuigen en kroniekschrijvers vertellen vaak over de schade die de abdij moet hebben geleden onder de Noorse invasies. Eigenlijk is de realiteit nog erger. De koning van Frankrijk schenkt de abdij van Sithiu aan graaf Boudewijn II. De noordelijke zijde van Frankrijk wordt als onverdedigbaar aan zijn lot overgelaten en de graaf moet er zijn plan mee trekken. De militaire adviseurs van de graaf varen er wel mee. Dorp per dorp, domein per domein worden verdeeld onder zijn ridders. Het fortuin van Sithiu verhuist van eigenaar. De nieuwe meesters van de gronden beschikken voortaan over de inkomsten uit graan en textiel.

Niet dat er in die jaren veel sprake is van inkomsten. De hele huishouding van het voormalige Sithiu is door de oorlog ontwricht. Het losmaken van al die domeinen uit de centralistische abdij, bevrijdt hoe dan ook de economische krachten van de streek en maakt het spel vrij voor ondernemen en zaken doen. Een onmiddellijk gevolg hiervan is het ontstaan van de stedelijke agglomeratie van Sint-Omer. De heilige grond van de abdij zelf, wordt verkaveld in ‘wereldlijke’ stukken van elk zowat 18 are waar de burgers van die dagen, de ‘burgenses’ of de ‘oppidani’ hun profijten mee kunnen doen. Sint-Omer wordt stilaan een stad.

Een ‘burgus’ of ‘oppidum’. Een zorgvuldig ingerichte en omringde ruimte met eigen privileges en met eigen stadswallen die het zullen uitzingen tot in 1789. In het jaar 938 krijgt de baljuw van Sint-Omer de titel van ‘praetor urbanus’. Urbaniseren. Verstedelijken. Woorden die we kennen. Nu ja, stad? Met elk een lap grond van 18 are moet de bewoning er binnen de stadswallen er ongetwijfeld nog altijd min of meer landelijk hebben uitgezien in die dagen. Een mix van handel en landbouw. Met de aanleg van de eerste straten van Sint-Omer die toch al de allure van de lokale burgers en hun privileges met zich meedragen en daardoor hemelsbreed verschillen van wat tot dan toe bekend is in de bescheiden ‘villae’ van Vlaanderen.

De eigenaars van Sint-Omer zijn vrije mensen. Ze moeten wel cijnzen betalen maar ze hebben de vrije beschikking over hun gronden. Het castrum van die eerste stad is van een verbazingwekkende eenvoud. Aan de poorten van de burcht ontstaan er twee marktplaatsen. De kleine ‘Viès Markiet’ en de ‘Grant Markiet’ waar graan wordt verhandeld. Van uit die marktplaatsen vertrekken een reeks kleine en grote straten in de richting van de laaggelegen moerassen van de Audomarais. Later zullen die trouwens worden doorgetrokken naar de haventjes aan de Aa.

Een andere rijke abdij, die van Sint-Vaast, ligt aan de basis van één van de grootste Vlaamse steden. Atrecht dat later de Franstalige naam Arras zal toebedeeld krijgen. De streek is welvarend, de zolders van het platteland zijn kwistig met hun oogsten. Van een echte stad is nog nooit sprake geweest. De Galliërs, meer bepaald de Atrebaten, hebben hun bescheiden woonplaats de naam ‘Atrades’ gegeven, een plek die uitgekozen worden door de Romeinen om er een garnizoen te huisvesten. Atrecht ligt op een interessant kruispunt en zo is er al heel vroeg sprake van de export van laken over heel Frankrijk. Maar met de graanoverschotten wordt aanvankelijk niet zo veel gedaan.

Na de Romeinse tijd blijft het slaperig gehucht bestaan op zijn initiële grootte van ongeveer 10 hectare. Het feitelijk ontstaan van de stad Arras vindt zijn oorsprong in de bouw van de abdij van Sint-Vaast rond het jaar 650. In 866 zien we een eerste close-up van de regio. Rond de abdij is het landschap nog helemaal ruraal. 1400 stukken akkerland die in totaal zeshonderd hectare beslaan en vijf primitieve kerkjes, de eerste bidplaatsen waar de landbevolking terecht moet of kan voor geestelijk soelaas. De enkele duizenden bewoners zijn onvoldoende om over enige stad te spreken.

In 867 zijn er aan de noordzijde van de abdij twee tavernes opgetrokken die via een weg met elkaar verbonden zijn. Langs deze weg zal wel wat volk hebben gewoond, maar de Noormannen zorgen er in 880 wel voor dat de hele onbeschermde zone uitgeveegd wordt. Abt Raoul gaat zijn abdij in die periode versterken en maakt er een ‘castrum’ van zowat 6 hectare van die zich later in zuidoostelijke richting zal uitbreiden tot de stad Atrecht.

Schrijver Alain Derville kijkt nu naar Gent dat aanvankelijk het territorium is van twee abdijen. Die van Sint-Pieter (Blandinium) en die van Sint-Bavo (Ganda), maar die blijken niet echt een bepalende rol te spelen bij de geboorte van de stad zelf. Gentse archeologen en historici zijn er in geslaagd om doorheen de geschiedenis drie opeenvolgende stadskernen te identificeren. Eerst die op de linkeroever van de plek waar de Leie en de Schelde in elkaar vloeien. Een stadskern die gebouwd is op de resten van de Gallo-Romeinse bouwsels.

Hier komt Sint-Amand preken en bouwt hij in 630 een kerkje dat al gauw de abdij van Sint-Bavo wordt. We bevinden ons in Ganda, de hoofdstad van de pagus Gandensis met een haven die in de 9de eeuw de Frankische vloot herbergt. De zwanenzang van Ganda komt er echter al in 851 en in 879 wanneer de Noormannen er hun kamp opslaan en uiteindelijk de hele boel in brand steken. Kort daarna is er al sprake van een nieuwe bevolkingskern. Gandavum ligt ietwat stroomafwaarts van het vroegere Ganda. Een buurt van zeven hectare rond de Sint-Janskerk, nu Sint-Bavo, die beschermd wordt door een C-vormige aarden wal.

In die tijd blijven de Noormannen woekeren en bouwt de lokale burggraaf, op een terrein van 5,5 hectare, langs de Leie en ten noorden van Gandavum, noodgedwongen een beschermende burcht. Zijn ‘vetus castellum’. De burcht is de voorloper van het beruchte kasteel van de graven van Vlaanderen, het Gravensteen. Op deze plek komen de haven en de stad van Gent stilaan tot ontbolstering. Aan de poorten van het Gravensteen vertrekken de aders van de ‘oppidum’, en komen de Korenmarkt en de Vismarkt tot leven.

De oorsprong en de oudste geschiedenis van de stad Brugge is al uitvoerig bestudeerd. ‘De uitkomst van die studies is ontgoochelend’, beweert Derville in zijn boek; ‘de geleerden spreken elkaar de hele tijd tegen. Het komt er op neer dat ze niet weten hoe en wanneer deze stad is ontstaan!’ Straffe woorden zijn het. De topografie geeft aan waar Brugge ontstaat. Op een zandheuvel, die met zijn hoogte van een meter of tien in het zuiden uitkijkt op het ondiepe water van de Reien en aan de noordkant zes meter uitsteekt boven de kustvlakte van de Noordzee.

Al de Brugse kanalen zijn dus uiteraard kunstmatig en laattijdig aangelegd. De zee heeft niets te maken met de geboorte van Brugge op zich maar veeleer met het ontstaan van een wegverbinding die dan op zijn beurt wel onrechtstreeks er voor zal zorgen dat de stad tot stand zal komen. Brugge ontstaat vanuit een ‘castrum’ op de weg tussen Oudenburg en Aardenburg. De toponymie is het helemaal niet eens met de topografie!

De naam van de stad is Bryggya is op en top een Noorse naam die ‘landing’ betekent. Zoals in de ‘landing van Normandië’. Is Brugge dan toch geboren aan de zee? Zo ja, wanneer? Vandaag ligt Brugge zowat twaalf kilometer van de kust verwijderd. De opeenvolgende transgressies van de Noordzee hebben die vlakte met wisselend succes onder water gezet en hebben hier en daar bevaarbare zeegeulen doen ontstaan die tot aan de stad reiken.

Bij het begin van onze nieuwe tijdsrekening, tijdens de eerste Duinkerke-transgressie, is het Noordzeewater doorgedrongen tot aan Fort Lapin zowat 2 km ten noorden van de burcht. Hier in Fort Lapin wordt nogal wat luxueus aardewerk ontdekt. De vondsten geven aan dat het hier commercieel erg actief moet aan zijn toegegaan. Een Gallo-Romeinse nederzetting schrijft Wikipedia. Deze vicus wordt rond het jaar 300 verwoest door de Barbaren en komt rond diezelfde periode trouwens nog eens onder water tijdens de tweede Duinkerkse transgressie. Of er toen een bevaarbaar kanaal was dat het huidige Brugge bereikte, is niet bekend. Er is in elk geval geen spoor van enige maritieme activiteit. Het water trekt zich in de loop van de tijd opnieuw terug.

Het is pas met de derde transgressie rond het jaar 1000 dat Brugge dichter komt te liggen bij de Noordzee. We weten dat Emma van Normandië, de koningin van Engeland en Noorwegen, in 1037 een tijd komt verblijven in Brugge en dat ze voet aan wal zet niet ver van de burcht. ‘Haud longe a castello’ verraden de archieven. Er moet dus in die tijd een haven bestaan in Brugge. Er is trouwens nogal wat energie gestopt in het terugvinden van sporen uit die maritieme wijk rond de oude kerk van Sint-Walburga ten noorden van het kasteel. Maar er zijn geen harde bewijzen gevonden.

De hypothese van een havenactiviteit blijft onbewezen. Het middeleeuwse Brugge heeft zich in elk geval niet uitgebreid naar de noordelijke kant van burcht, maar wel naar het zuidwesten, langs de weg die vertrekt van de markt. Precies zoals alle steden die tot stand kwamen in de groeiperiode van de Vlaamse landbouw. ‘Is Brugge ooit een graanmarkt geweest?’ De archeologen leveren geen afdoend antwoord op deze vraag.

Ze slagen er in om een klein ‘castrum’ uit de jaren 800-850 te identificeren. Mogelijk een plek die vanaf 854 als schuilplaats diende ten tijde van de Noorse invallen. De grote middeleeuwse burg, zijn compagnon de Sint-Donaaskerk, en ongetwijfeld ook zijn kanalen en zijn molen, dateren uit de regeerperiode van graaf Arnold I (918-965). Voor de rest is er niets. Romeinse overblijfselen zijn er zeldzaam. Onder de Burg zelfs onbestaande. We moeten absoluut niet denken dat Brugge ooit deel heeft uitgemaakt van de verdedigingsgordel die Rome in de 4de eeuw liet bouwen aan de ‘litus saxonicum’ om het land te beschermen tegen de Saksische invallen.

Alain Derville haalt nog eens uit naar de Vlaamse historicus Adriaen Verhulst die dacht dat de Brugse agglomeratie ooit geboren is uit een Romeinse ruggengraat, verbonden met een heerweg. Er zal ooit wel een Romeinse weg geweest, vermoedt Derville, maar die zal toch nooit deel hebben uitgemaakt van het internationale Romeinse wegennet dat al met al vrij goed gekend is.

En wat dan met de teksten uit de ‘Vita Eligii’ uit de 7de eeuw, die het hebben over een ‘municipium flandrense’ die Brugge moet voorstellen? De hoofdstad van het kleine graafschap van Vlaanderen. Een wat pronkerige titel. Ongetwijfeld een gerechtvaardigde verwijzing naar Brugge als centrumplaats. Maar vergeet al de opgeblazen poeha van geschiedschrijver Pirenne. Er is nog geen noemenswaardige handel en nijverheid in de pagus Flandrensis.

Hoe dan ook, die eerste titel van centrum zal veel Vlaamse historici sussen in hun bewering dat Brugge ooit de hoofdstad van Vlaanderen is geweest. In 892 citeren de ‘Annales Vedastini’ de ‘burgus’ van Brugge. Een oppidum met poorters. En als er sprake is van poorters, dan betekent dit dat er ook een poort zal zijn. Een document uit 941 lijkt wat meer inzicht te bieden. Het handschrift in de archieven van de Gentse Sint-Pietersabdij vermeldt de verbanning van pachters in drieëntwintig dorpen en in twee ‘vici’, die van Brugge en Antwerpen. Brugge wordt dus in die dagen al beschouwd als een stad en niet als een dorp. Een stad net zoals Sint-Omer in 938. Het is duidelijk dat de burchten de steden voorafgaan. In Sint-Omer zit er een verschil tussen van zowat twintig jaar.

De bouw van die burchten zal haastwerk geweest zijn. Een imminente noodzaak om zich te verschuilen voor de vervaarlijke Noormannen in de jaren 880. De aanleg van een stad zal meer tijd en overleg gevergd hebben. De burchten liggen helemaal niet centraal in de steden, maar ze zijn wel dominant. De stadsontwikkeling begint bij de burchten. Een beetje in de vorm van een komeet. Een dichtbevolkte kop met een lange straat als een staart met een hoop parallelle en convergente steegjes. De eerste burchten liggen allen op een heuvel.

Kwestie van een goed uitzicht te hebben op de vijand. Maar niet enkel de hoge ligging speelt een rol. Laaggelegen gronden aan de punt van een schiereiland temidden van de moerassen zijn ook prima. Wat later gevolgd door een marktplaats en een verkaveling van de gronden in de nabijheid waardoor de woonerven haast organisch in een voortdurend uitdijende halve cirkel vermenigvuldigen. Kijk maar naar Aire (Ariën-aan-de-Leie), Lens en eigenlijk ook Béthune en Douai.

Hun ligging verraadt eerder een militaire intentie dan een economische context. We bespeuren de noodzaak om zich op korte tijd te beschermen en voelen niet echt een langetermijnvisie. Die nieuwe steden sluiten zich wel nauw aan bij enerzijds de bevolking op de hoogvlaktes van Artesië en het lage land van Vlaanderen, waar ze geboren worden aan de punt van een rivier waar die begint bevaarbaar te worden. Moerrassteden noemt Derville ze. Gelegen in de moerassige gebieden bij het water middenin een vallei. Rijsel en Douai zijn prachtige voorbeelden.

Ieper wordt vreemd genoeg compleet genegeerd door Alain Derville. Een open wonde in zijn schitterend boek, want de heropbouw van de eerste burcht aan de Kortemeersch, het moerassige gebied in de Ieperse prairie aan de bevaarbare Ieperlee, is precies een schoolvoorbeeld van zijn stelling van het ontstaan van de moerassteden. En ook het tijdstip, het jaar 902, ligt volledig in de lijn van wat hij beweert. We trekken eerst naar Rijsel die zich ontwikkelt tussen de hoge en de lage rivier van de Deûle.

De site van Rijsel is haast een eiland, kijk maar naar de naam Insula, Isla, Lille. Het eiland. In het begin moet die hoge Deûle nochtans eerder een moerasachtige plas geweest zijn. We mogen veronderstellen dat hier ooit een dam werd gebouwd om het water van de rivier op te vangen. De nieuwe watermolens in de bocht van de rivier en bij de burcht worden gevoed dank zijn die kunstmatige watertoevoer. Het kanaal van de Baignerie, een schoolvoorbeeld van een investering die een lokale burggraaf ooit heeft gedaan. Het kanaal levert trouwens het water van de slotgracht van het mottekasteel, het ‘castellum’ dat al geciteerd wordt in 1054. De lokale archeologen hebben een vette kluif aan het uitzoeken van de Rijselse bodem. Van de Romeinen vinden ze niets. 3,6 meter onder de grond van de ‘Rue de Paris’, van de oude binnenstand, stoten ze op de resten van een straat uit de 7de eeuw.

De, met houten planken geplaveide, straat heeft een breedte van vijf meter en moet zich ooit bevonden hebben op het nieuwe van de lage Deûle. In die dagen is er nog geen sprake van een kunstmatige bevloeiing van de hoge Deûle en van de Rijselse watermolens. Er wordt aardewerk uit de 6de tot de 9de eeuw gevonden. Pottenbakkersovens van het jaar 900. Tekent hier toen al een echte stad voor present? Historici beweren dat dit de plek is waar zich ooit het koninklijk domein van Treola, de ‘casa indomnicata’, bevond dat in 800 omschreven wordt in de ‘Brevium exampla’.

Hoe dan ook; Rijsel geldt al heel vroeg als een belangrijk bestuurlijk centrum dat rond het jaar 1000 de hoofdstad wordt van een belangrijke kasselrij van het ‘territorium islense’ met een eigen zaalhof, een burcht die zich op een hoge motte bevindt net na de laatste bocht van de rivier. En niemand die weet wat er nu eerst was; de bocht in de rivier of het ‘castellum’? Rond 1066 sticht graaf Boudewijn V het kapittel van Sint-Pieters en de bouw van de Sint-Pieterskerk. En versterkt hij ongetwijfeld het lokale zaalhof. De geestelijken krijgen een terrein van 10 hectare van de graaf en dat gebied sluit nog altijd nauw aan met de huidige grootte van de Sint-Pietersparochie.

Het ‘castrum islense’ mag dan wel de grootste zijn van Vlaanderen, toch is het meteen ook de jongste en een van de laatst gebouwde kastelen van het graafschap. Een keure uit 1066 preciseert een en ander. Rond het ‘castrum’ zijn er de buitenwijken, de ‘suburbium’ en de markt (forum). We zien het beeld van een flink ontwikkelde en dichtbevolkte stad waar de graaf zijn personeel en de kanunniken kan laten verblijven. Rijsel moet dus ontstaan zijn nog voor zijn burcht er gekomen is en dat zien we ook in de atypische niet-centrale ligging van het kasteel.

De origines van Douai (Dowaai) zijn andere koek. De stad wordt geboren op de grens van twee graafschappen. De pagus van Ostrevant ten oosten van de Scarpe en in het westen de ‘pagus leticus’. In de 19de eeuw zullen de mensen in Douai nog altijd twee verschillende oppervlaktematen hanteren. Die van Ostrevant en die van Artesië. Een dualiteit die zich op alle niveaus heeft genesteld. Zelfs tot in de eigen stadsnaam.

De rivier de Scarpe fungeert als grens tussen de twee pagi. Hier, in deze grillige context, ziet Douai, een van de grootste steden van Vlaanderen, zijn eerste daglicht. In de 13de eeuw hangt de oostelijke kant van de stad af van de kasselrij van Lens die aan ‘Duaculum’ of ‘Douayeul’ zijn eigen wetgeving en zijn schepenen toekent. Ten tijde van de Franken ligt het economisch zwaartepunt wat verder stroomopwaarts aan de Scarpe.

In Lambres dat een eigen fiscale wetgeving en een haven met tolrechten bezit die in 911 geschonken werden aan de kerk van Cambrai. Op de linkeroever van de Scarpe, op een heuvel tussen twee moerassige valleien in, woont nogal wat volk. Het is een landelijk gebied dat in 880 ook plat werd gelegd door de Noormannen. Op het noorden van de heuvel zal waarschijnlijk een eerste burcht gebouwd zijn, de ‘vetus turris’, in een poging om het land te beschermen tegen de terreur.

Wanneer de graven van Vlaanderen een aanvang maken met hun expansiepolitiek en een reeks zuidelijke pagi innemen, evolueert Douai voor de Vlamingen tot een strategische locatie. Graaf Arnold I krijgt in het jaar 930 een ‘castrum’ van twee hectare toegewezen met een belangrijke landbouwexploitatie. Er komt een kapittel dat kan beginnen met de relieken van een zeker heilige Amé. Daarbij komt de transfer van de vaar- en tolrechten van Lambres.

Aanvankelijk is Douai niet meer dan een kasteel en een haventje, waar zich stilaan ambachtslieden en handelaars zullen vestigen in deze slaperige kronkel aan de Scarpe, die uitgroeit tot een ‘castel bourgeois’ van enkele hectare met inbegrip van een vismarkt. De rest wordt niet eens beschermd door wallen en wordt helemaal niet verstedelijkt en zullen voor altijd de landelijke buitengebieden van ‘Douayeul’ blijven.

Rond 960-965 wordt er onder impuls van graaf Arnold I een aanvang gemaakt met grote waterwerken in het nieuwe stadje. De Scarpe wordt verbonden met een nieuwe stuwdam in Vitry. Het kanaal is voor die tijd gigantisch en wordt tussen de zes en de tien meter diep uitgegraven. Het verval van het water mag er best wezen. 22 m niveauverschil over een lengte van 12 km doet heel wat watermolens draaien. In Douai zelf is het verval 2,75m, ingedeeld in zes opeenvolgende niveaus waar op een bepaald moment in de tijd zestien watermolens aan het werk worden gezet. De haven van Douai wordt op slag belangrijk. Mondjesmaat ontluiken er nog meer steden in Vlaanderen.

Toeval of niet? Maar rond 1070 is er onder andere sprake van Geraardsbergen en Ardres. Graaf Boudewijn VI sticht Geraardsbergen, Grammont, met de bedoeling om er controle uit te oefenen op de markten van Vlaanderen, Henegouwen en Brabant waar er op dat moment amper sprake is van steden. De graaf beslist om een onbeschermde ‘oppidum’ te bouwen aan de rechteroever van de Dender. De ligging van het nieuwe Geraardsbergen is ideaal.

De moerassige vallei is hier minder breed en vergemakkelijkt de doorgang van een weg tussen Gent en Brussel. Er wordt een nieuwe bevolking aangetrokken door de schenking van gronden, vijvers en weiden. Een burcht komt er niet, de bevolking moet zelf zijn vrijheden en stadskeure maar zien te verdedigen.

Ardres wordt een beetje om dezelfde reden opgebouwd op een afstand van twintig kilometer ten noorden van Sint-Omer. De naam ‘Ardres’ komt van het Vlaamse ‘arde’ of ‘aarde’, zoals in ‘Oudenaarde’, en staat synoniem met land en grasland. Rond 1067 is er sprake van een kroeg waar de herders samen komen. Hier, rond deze herberg ontstaat stilaan een gehucht. De eigenaar zelf woont wat verderop in Selnesse, een vroegere Romeinse site aan de moerassige rand van de kustvlakte. Rond de herberg legt hij een bos aan en wat later is er sprake van een sluis, een molen en een vijver.

Er wordt een kunstmatige heuvel opgetrokken, een motte met een toren die opgetrokken wordt met balken van Selnesse. Hij krijgt van zijn leenheer de toestemming om in Ardres een klein stadje aan te leggen, een ‘oppidulum’ die hij op de klassieke manier laat omwallen door een kroonvormige slotgracht. Centraal komt de donderdagmarkt. Het stadje zal bestuurd worden net zoals in het naburige Sint-Omer.

Een kasselrij met pairs, baronnen en schepenen. Vanaf 1068 komt er een kapittel, de kerk mag uiteraard niet ontbreken, met tien kanunniken die voldoende relieken met zich meebrengen om de bevolking onderdanig en dus gelovig aan zich te binden. Wat later wordt er trouwens nog een tweede slotgracht aangelegd. Rond 1200 zal het schepencollege van Ardres beslissen om een echte stadsgordel te bouwen zoals dat het geval is in Sint-Omer. Ardres wordt dus ontworpen als een klein feodaal centrum met eigen administratieve, religieuze en economische bevoegdheden.

Achteraf zullen enthousiaste archeologen ontdekken dat die fameuze eerste slottoren van Ardres eigenlijk maar een groot huis met drie verdiepingen was. En zonder enige militaire betekenis. Rond en vanaf 1165 ziet een derde generatie van steden het daglicht. De voorhavens langs de kust zijn aan het uitdijen. Calais, Grevelingen, Mardyck, Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende, Damme en Biervliet.

Op het einde van de Romeinse periode, rond 270, staat de hele Vlaamse laagvlakte onder water door de tweede Duinkerkse transgressie. Daarna settelt de kustvlakte zich en doet de verzanding zijn nodige werk over de hele kustlijn tussen Wissant , wit zand, en Brugge of zoals Dante het pleegt te zeggen ‘tra Guizzante e Bruggia’. Tijdens de Frankische eeuwen is er amper sprake van enig maritiem leven langs de hele zeestrook. Met uitzondering van de monding van de Ijzer die de haven ‘Iserae Portus’ herbergt en die de Noormannen als het ware een vrijgeleide geeft om Vlaanderen binnen te dringen. De genadeloze combinatie van eb, vloed en tijd zorgt voor grote veranderingen aan de zeekant.

De vroegere golf van Frethun maakt plaats voor een aantal diepe zeearmen die uitgeven op wijde riviermondingen. Oude handschriften hebben het er over. In 944 worden de relikwieën van de heiligen Ausbertus, Wulfram en Waudrille overgebracht van Boulogne naar Brugge. De stoet gebruikt de oude ‘strata’ aan de achterkant van de duinen en moet wachten tot het laagwater is om de golf over te steken en Oye te bereiken. Een eeuw later heeft de golf zich tijdens de derde Duinkerkse transgressie getransformeerd in een zout moerassig land waar voortaan schapen gekweekt worden. De Neuna. De nieuwe Aa. De inham van de Neuna zal weldra Calais tot leven brengen. De annalen stippen de periode tussen 1014 en 1040 aan.

Een nieuw maritiem leven ontpopt zich rond de nieuwe inhammen. In 1040 is er sprake van de golf van Greveninga in het estuarium van de Aa. In 1103 is de haven van Gravelines, Grevelingen, een feit, een haven die trouwens vier jaar later in het bezit komt van zijn eigen tolrechten. In Calais zelf is er een klein gehucht waar de vissers gehuisvest zijn. Het oude Calais wordt in die dagen nog Petresse genoemd.

De verwijzing naar ‘Greveningae’, in het meervoud, slaat waarschijnlijk op de baai waar beide vissersdorpen zich aan het ontwikkelen zijn. Later, in 1179, verdwijnt de laatste twijfel als de twee havensteden bij naam worden genoemd: Graveninghes, de ‘Novus Portus’, de nieuwe haven die gesticht werd door graaf Filips van den Elzas, en Calais dat er tussen 1163 en 1173 gekomen is dank zij Mathieu, de graaf van Boulogne en de broer van Filips van den Elzas. De andere Vlaamse havensteden dateren eveneens min of meer uit diezelfde periode. Eigenlijk is er aanvankelijk enkel sprake van voorhavens.

De schepen en hun ladingen zijn nog niet erg groot en kunnen nog altijd verder varen richting Sint-Omer, Sint-Winoksbergen, Diksmuide en Brugge. Maar de scheepvaartindustrie is in volle evolutie. Er worden grotere schepen gebouwd, koggen en zeeschepen die voldoende diepgang van doen hebben. Nieuwe zeebekkens, bassins en diepwater plus havenkaaien waar later de eerste scheepskranen zullen verschijnen.

De aanwezige steden in het hinterland worden daardoor genoodzaakt om zich te voorzien van voorhavens aan de kust die ze via nieuwe en aangepaste waterwegen kunnen bereiken. Calais kent met die nieuwe schepen weinig of geen problemen maar blijft eigenlijk in wezen een vissershaven, een piratennest en het afzetgebied van een kleine maar erg rijke regio. Het land van Merc met Marck op een kilometer of acht van Calais als kleine hoofdstad. Enkel als er oorlog komt tussen Frankrijk en Vlaanderen, zal Calais functioneren als voorhaven van Sint-Omer. Iets wat het kuststadje bijzonder duur zal komen te staan, zoals de geschiedenis later zal uitwijzen.

Het grafelijk grondbezit omvat in 1224 de stad, een ‘oppidum’ en in 1228 een aanzienlijke ‘burgus maritimus’ van 54 hectare met 300 vrije leengronden van elk 1800 m². De term ‘vrij’ is ietwat misleidend. De vrije mensen die zich er komen vestigen, dienen wel een flinke cijns af te staan aan de graaf voor de exploitatie van hun grond. Met uitzondering van het oude Calais en enkele landelijke straten, is het wegennet recht en orthogonaal. De graaf zorgt er voor dat er marktplaatsen komen waar er jaarlijks 2 foren worden georganiseerd. De voornaamste foor is die van Sint-Niklaas en valt samen met het einde van het haringvangstseizoen.

De buitenwijken van Calais zijn vrij goed afgebakend. De schepenen en een college van ‘coremans’ behandelen de criminele voorvallen. Er is sprake van enkele voorrechten die de burgers en de boeren van de kustvlakte allemaal toegewezen krijgen via de keuren van Marck. In 1228 wordt de oppidum versterkt. De investering vergt 8.000 pond en wordt door de inwoners betaald. Tussen de 40 en 50 hectare stad wordt nu ingesloten.

Een deel van de stad wordt nu noodgedwongen gedegradeerd tot ‘suburbium’. Er is door toedoen van de graaf al flink wat gewerkt aan de haveninfrastructuur. De site van Calais is prima geschikt. Het havenwater is diep en de haven is goed beschermd tegen het aanslibben van zand. Toch wordt de eerste haven op een verkeerde plek aangelegd. In 1190 wordt een nieuwe haveninfrastructuur aangelegd met 2 zeebekkens die elk voorzien zijn van laad- en loskades en die via een kanaal, de ‘Ghisnerled’, gevoed worden met zoetwater dat komt van Guînes.

De steden die Alain Derville allemaal heeft aangehaald zijn er dus gekomen door toedoen van de graven die er een eerste burcht bouwden. Andere ‘seigneurs’ liggen aan de basis van verdere steden die getypeerd worden door de naam ‘burg’ of door hun cirkelvormige vorm. De schrijvers spreekt van minstens 37 stadjes in Frankrijk en nog eens 8 in het Waals Vlaanderen.

Ze zijn natuurlijk niet allemaal uitgegroeid tot echte steden. Hier en daar zijn de zaken blijven aanmodderen door vage intenties en slechte uitvoering. De geschiedenis van de middeleeuwse stadsontwikkeling is precies een slagveld dat bezaaid is met nogal wat kadavers. Tussen de jaren 900 en 1350 groeit het aantal inwoners in Vlaanderen spectaculair. Dat is niet enkel te zien in de reeks van nieuwe steden en gehuchten maar vooral in de bevolkingstoename in de bestaande agglomeraties. Neem nu Sint-Omer.

Rond het jaar 900 is er sprake van een honderdtal ondergeschikten. Rond 1300 zijn er 10.575 haarden. Elke eeuw verdubbelt de beschermde oppervlakte binnen de stadsmuren terwijl het aantal inwoners tijdens diezelfde periode met een factor van 3 aanwast. In het jaar 1200 zijn er nog maar 3.525 huizen, in 1175 rond de 1.100 stuks. In het jaar 1000 is er sprake van 392 haarden terwijl het een eeuw eerder nog maar 131 worden geteld. De groei lijkt adembenemend, maar is het eigenlijk niet. Wat moeten we dan zeggen over de groei van Parijs tussen 885 en 1328?

De nieuwgebouwde steden uit de 12de eeuw kennen een nog explosievere groei. Het primitieve vissersdorp dat Calais was in 1170, is uitgegroeid tot een stad met 15.000 inwoners rond het jaar 1300. Een verdriedubbeling per generatie. Rond 1200 is de dynamiek van de Vlaamse steden amper te bevatten.

Ze kunnen nog niet bestempeld worden als grote steden maar eerder als menselijke smeltkroezen. De echte industrialisatie moet nog komen in de 13de eeuw en de lakennijverheid speelt zich nog altijd voor een belangrijk gedeelte af op het platteland. Deze weelderige bevolkingsaanwas heeft zo zijn redenen, weet onze schrijver. Zo is er ‘la fécondité des couples’. In onze taal zouden we dat kunnen vertalen in zoiets als ‘ze kweken als de konijnen’. Een kleine rekensom toont aan dat elk koppel gemiddeld 5,33 kinderen krijgt.

Het ‘ga en vermenigvuldig u’ motto van de priesters is blijkbaar aangeslagen. Met daarbij zo veel volk dat het leven op den onbeschermde buiten achter zich laat en de veiligheid van de stadswallen verkiest. Het aantal individuen swingt zo de pan uit, dat er een probleem ontstaat met de namen. De oude voorraad aan Germaanse namen geraakt uitgeput en de lagere klassen die geen enkele besef hebben van enige familiale trots geven hun kinderen de traditionele namen.

De helft noemt ‘Jean’. Er zit weinig anders op dan een familienaam aan toe te voegen. Ofwel komt er een verwijzing naar de plaats waar ze vroeger leefden. Jan van Elverdinge bijvoorbeeld ofwel naar een beroep zoals Jean de Volder. In welke mate de bevolking op het platteland aangroeit, is absoluut niet duidelijk. Veel heeft te maken met de komst van het trekpaard kort na het jaar 1000. De voorbode van een onophoudelijke vooruitgang en het op punt zetten van de beroemde Vlaamse landbouw. Een intensieve polycultuur.

Het kweken van verschillende groenten op dezelfde grond. Deze landbouwspecialisatie gaat hand in hand met de handel zelf. In de 9de eeuw leveren de boeren een deel van hun opbrengsten in bij hun meesters. Het merendeel van hun graan, levensmiddelen, linnen en textiel is bestemd voor de markt, waar die opgepikt wordt door handelaars want in die dagen zijn er onvoldoende mensen in de agglomeraties om al die aanvoer te absorberen. Er is al vroeg sprake van een belasting die de boeren moeten betalen bij elke transactie die ze verrichten op de marktplaatsen.

Alle producten zijn onderworpen aan een specifieke taks. Een lijst van die verschillende aanslagvoeten uit het Arras van 1024 schetst een goed beeld van wat er allemaal wordt aangeboden. Graan, wijn, staal, goud. Zelfs slaven. De stokoude lijst van Arras moet ongetwijfeld nog stammen uit de tijd van de Merovingers. Textiel, touw, was en metalen objecten worden meestal in gehuurde kraampjes aangeboden en de verschuldigde taksen dienen per jaar of per maand vereffend te worden.

Het lijkt er op dat er een systeem zit in deze manier van verkopen, een reguliere activiteit van iemand die in de streek of in de stad Arras woont. De rest betaalt zijn belastingen per dag. Die marktkramers komen van veel verder en het is koffiedik kijken van waar precies. Voor zeevis en voor kaas is dat niet moeilijk. Die komen uit Vlaanderen of uit Engeland. De landbouwproducten mogen toegewezen worden aan de boeren uit de streek. Het systeem van belastingen op de marktproducten is er trouwens al in 873 wanneer de markt van Sint-Omer wordt opgestart.

De handel en de commerce hangen in grote mate af van die markten. De wet zorgt er voor dat er één markt is per stad en clandestiene markten zijn door de koning verboden. Maar wat gebeurt er in de regio ten noorden van de lijn Terwaan-Doornik, waar zich nog geen steden bevinden? De markt van Arras is al geciteerd in 867, deze van Sithiu in 873 en blijkbaar zijn beiden er gekomen als een uitzonderlijk recht als we een kroniekschrijver uit de 10de eeuw mogen geloven.

De praktijk van de markten komt pas echt op gang rond het jaar 950 en elke stad begint zijn groei aan de rand van één of twee marktplaatsen waar een lokaal geregelde en vooral dagelijkse bevoorrading stelselmatig aan belang wint.

Het werk van de handelaars bestaat er in om van markt naar markt te trekken. Met de ezel en een kar die volgeladen is met manden. Velen zijn zwervers, vagebonden. Straatlopers die het land aflopen op zoek naar winst en profijt. Op zoek naar koopjes op de ene plaats om die op aan andere plaats zo duur mogelijk proberen te versjacheren. Zoals de Friezen in de 9de eeuw. Er zijn ook handelaars die erg gespecialiseerd zijn.

Zo is er het verhaal van een zekere Robert die overlijdt in Barcelona rond 1009. Hij en zijn broer Alward hebben zich gespecialiseerd in de verkoop van tunieken zoals de Friezen die plegen te dragen. De mantels uit één stuk en in alle soorten kleuren zijn een erg gevraagde specialiteit en zo ontstaat er een handeltje tussen Sint-Omer en Barcelona. In de 11de eeuw steken er twee tolrechten bovenuit de rest van de taksen.

Deze van Londen die nog mag worden toegeschreven aan koning Ethelred IV (tussen 991 en 1002) en die van Koblenz eventjes voor het jaar 1070. Allebei citeren ze Vlaamse handelaars die ze omschrijven als ‘Flandrenses’ en ‘homines Balduini’, de mannen van Boudewijn. Stadsnamen worden er niet genoemd. De kooplieden kunnen dus zowel van landelijke als stedelijke herkomst zijn. Een zekere Willem Cade, inwoner van Sint-Omer en er overleden in 1165, werkt op een heel andere schaal. Hij heeft een impressionant netwerk van medewerkers die actief zijn op de markten aan de Noordzee en er voor zorgen dat zijn bedrijf enorme omzetten draait.

Hij lijkt de eerste kapitalistische koopman te zijn. De handelsactiviteit van Willem Cade illustreert de enorme vooruitgang van de handel op het einde van de 12de eeuw. De geboorte van grote internationale handelsforen. Deze beurzen worden meestal georganiseerd op specifieke heiligendagen, in de nabijheid van kerken die er ook hun profijten mee doen. Aanvankelijk hebben die markten trouwens meer een feestelijk kantje, eigenlijk wat te vergelijken met de avondmarkten die we de dag van vandaag kennen op vakantiedagen.

Die internationale jaarmarkten winnen voortdurend aan belang voor de commerçanten. Hier kunnen ze terecht met producten en koopwaar die het niet zo goed doen op de wekelijkse of dagelijkse markten. Naast de jaarlijkse markten ontstaan er ook cyclische markten die een opportuniteit bieden aan de kooplieden om hun goederen zowat om de twee maanden in een andere stad aan potentiële kopers aan te bieden.

In Vlaanderen komt die cyclus er rond 1200 wanneer Brugge zich met zijn handelsfoor aansluit met die van Ieper, Torhout, Rijsel en Mesen. Dezelfde manier van werken zien we eveneens in de Champagne en in Brie waar zes markten zich ron 1190 verenigen. Bij het begin van de 13de eeuw zijn de structuren van een bloeiende internationale handel duidelijk aanwezig. Het prestige van de jaarmarkten heeft al bij al weinig impact op de bevolkingsexplosie in de steden. Daarbij spelen de dagmarkten en de lokale economie een meer prominente rol. Het graan bijvoorbeeld biedt een van de belangrijkste inkomsten voor de landelijke bevolking terwijl het al gauw het meest wordt gebruikt in de steden. Een vergelijking met het aanbod in 1020-1030 met dat van 1190-1200 maakt heel wat duidelijk. In 1024 wordt er op de markt van Arras maar één graansoort aangeboden. Tarwe. Er dienen op drie verschillende plaatsen tolrechten betaald te worden en die taksen houden zowat het midden tussen die op de vis en de andere levensmiddelen.

Eerst 4 denieren per wagen van 2 ton, daarbij nog eens 2 denieren per ton en daar bovenop nog eens een kleinigheid per 250 kilo. Op het einde van de 12de eeuw zijn het aanbod en de tarieven in Sint-Omer al van heel andere allure. De tolrechten zijn vastgelegd in het lokale ‘cueillote de fouich’ zo rond 1165 en ze voorzien in de financiering van het groot kanaal dat in die periode wordt afgewerkt. Acht soorten graan worden er nu aangeboden. Met tarwe als koploper. Alles wordt getaxeerd aan twee cent per honderd razieren.

De chaos van Arras heeft plaats gemaakt voor standaarden in Sint-Omer. Sterke paarden trekken vierwielige karren. Het chauvinisme van Alain Derville rispt nog eens op. De trekpaarden zullen het gemakkelijk hebben op de goede wegen van het hooggelegen Artesische land. De rest van de wegen in het lage land van Vlaanderen zijn nog lang niet geplaveid en zijn abominabel. De wagens en de karren kunnen maximaal twee ton vervoeren. Als ze niet te vol geladen zijn, halen ze misschien tien à vijftien kilometer per dag.

De wegen in de lage landen mogen dan wel de hel betekenen voor de paarden, maar in Vlaanderen is er zo veel water toegankelijk dat het relatief gemakkelijk en goedkoop moet zijn om kanalen te graven. Kleine barken kunnen er nu al varen. Een klein verval. Het gaat traag. Dat wel. De groei van de bevolking smeekt al gauw om een herinrichting van het water. De steden zullen hierbij een beslissende rol spelen. Het kanaliseren van een rivier is niet altijd een evidente materie. Geen bed om in te slapen.

Er moeten dijken gebouwd worden. Ze moeten het water als in een korset vasthouden. Eerst moet het water worden opgevangen. Er moet een keuze gemaakt worden tussen een waterpoort of een sluis. Maar dergelijk sas zal pas echt op punt gezet worden in de 17de eeuw. De voorlopers van die sluizen zijn toen nog overdrachten. Een ‘overdraghe’ is een soort schuinliggende houten dam die op verschillende plaatsen in het kanaal aangelegd wordt. De boten kunnen er dank zij een takel- en trekinstallatie, de ‘tractus navium’, overheen glijden en zo een hoger niveau in de waterweg bereiken. De eerste ontwikkelingen zijn vrij bescheiden.

Rond 944, 1014 en 1042 zijn de dijken aan de kust doorbroken en dat heeft overstromingen tot gevolg over zowat de hele kustvlakte. Zo is er een bres geslagen in ‘Greveninga’. Hier zien we de haven van Sint-Willibrordus ontstaan die vanaf 1100 ook bekend raakt als de ‘Novus portus de Grevelinga’, Grevelingen, Gravelines.

Nu is Sint-Omer met de zee verbonden door een uitstekend kanaal, ‘le Grand Large’. Brugge van zijn kant heeft de Oude Reie doorgetrokken tot aan het Zwin. Er kunnen al bescheiden boten aanmeren. Er is nog geen sprake van een haven in Damme, maar daar komt in 1168 verandering in als graaf Dirk van den Elzas de opdracht geeft om in de buurt van Brugge de haven van Littersuerva aan te leggen. Rond 1180 kanaliseert Brugge de Reie in de richting van de sluis van Damme en krijgt de stad nu direct contact met de schepen die de diepe Noordzee aankunnen. Sint-Omer kan nog voor 1165 betere rapporten op tafel leggen.

De Aa is gekanaliseerd tot in Greveninga. Op de Aa komt geen sluis en zo kunnen zeeschepen tot tweehonderd ton rechtstreeks doorvaren tot aan de kaaien van de ‘Haut Pont’ in Sint-Omer. In die zelfde periode worden Bergues en Dunkerque met elkaar verbonden. En dan Ieper met Nieuwpoort. De kleinere rivier de ‘Colme’ brengt de wateren van de Aa via twee ‘overdraghes’ van Watten naar Dunkerque. Nog voor het aanbreken van het jaar 1200 is de Vlaamse kustvlakte nu ingericht met goede kanalen. De volgende eeuwen zal er verder gegraven worden in het binnenland.

Die nieuwe Vlaamse kanalen zijn trouwens helemaal geen overbodige luxe. ‘De boot missen’ kan hier best letterlijk opgevat worden. De schepen en boten van de internationale handelsvloot worden alsmaar volumineuzer en de havens die de nieuwe schaal niet aankunnen, zullen gedoemd zijn om te verdwijnen. De aangevoerde tonnage brengt nieuwe mogelijkheden. In 1163 krijgt Nieuwpoort zijn stadskeure. Het lossen van zes ‘Scuta’ schepen met de lokale ‘clincaboiat’ geeft voortaan het recht om een taks te heffen van één denier per schip. Ook in de andere steden komen er aangepaste tarieven conform de grootte van de aanmerende schepen.

De commerciële en nautische evolutie zorgt voor snelle en belangrijke veranderingen waar de Vlaamse industrie van de 11de en de 12de eeuw volop van profiteert met zijn tolrechten, zijn markten en zijn foren. En dan is er de saga van de Vlaamse lakenindustrie die historicus Henri Pirenne met zoveel bravoure en magie heeft neergepend en die de rest van de Vlaamse nijverheid voorgoed in de schaduw plaatst.

Alles is begonnen met de Morinen en de Menapiërs en die ontwikkeling heeft in eerste instantie geleid naar de draperie van de Atrebaten in de 2de eeuw. De luxueuze stoffen vinden dank zij de Romeinen natuurlijk hun weg naar Italië en verder weg. De lakennijverheid zal nu voor veel eeuwen uit het vizier van de historici en dus uit de geschiedenis verdwijnen. Maar wees gerust. De technieken worden van vader op zoon doorgegeven. In de 9de eeuw, veel vaders en zoons later, komen de Friese lakens weer op de voorgrond.

De ‘pallia fresonica’ zijn in realiteit Vlaamse textielproducten met een etiket dat aangebracht wordt door handelaars of Friese zeelieden. Met het verstrijken van de jaren en eeuwen worden de lakens uit de Westhoek alleen maar geraffineerder en ravissanter. En ook nu halen ze amper de geschiedenisboeken. De lakennijverheid groeit met de dag en het volume van de inheemse schapenwol volstaat niet meer om de noden te dekken.

Vanaf de 10de eeuw start de overzeese zoektocht naar Engelse wol die trouwens de beste is van zijn tijd. De combinatie van het Vlaamse vakmanschap met de superieure kwaliteit van die wol zorgt er voor dat de Vlaamse lakens aan een triomftocht beginnen doorheen het Europa van de 12de eeuw. De lakennijverheid concentreert zich nu volop in de steden en zorgt er voor de geboorte van veel welstand. De groei van de lakennijverheid gaat hand in hand met de groei van de verstedelijking. Tot zo ver Henri Pirenne.

Is dat effectief zo? Schrijver Alain Derville vraagt het zich af. Schapen en linnen zijn er voldoende in Vlaanderen, dus zal er wel Vlaams textiel geweest zijn. Spijtig genoeg hebben de archeologen er geen sporen van gevonden en er integendeel wel gevonden van de Friese lakennijverheid. Is de legendarische Vlaamse lakennijverheid pas veel later op gang gekomen? En is die wel zo legendarisch zoals Pirenne aangeeft?

Interessante handschriften uit de 9de eeuw laten toe om één en ander te controleren en te preciseren. We zijn weer gearriveerd bij het ‘polypticum’ van de Sint-Bertinusabdij. Van de arbeiders die hun werk moeten doen in de grafelijke domeinen, is er blijkbaar geen enkele ambachtsman die zich bezig houdt met wol en weven. Het zijn vooral de laten en de onderschikten die er voor moeten zorgen dat ze één stuk laken, een ‘ladmo’, per jaar moeten afstaan aan de abdij. De vrije mensen komen er van af met een half stuk textiel. Rond 823-833 bestelt de Normandische abdij van Sint-Wandrille linnen kledij in Vlaanderen, maar de bewuste stoffen zijn eerder grof van structuur.

De rijken en de vooraanstaande monniken schaffen zich verfijnd Fries linnen of overzees laken aan. Engelse stoffen. Er moet dus een ferm onderscheid bestaan tussen de Vlaamse en de Friese lakenproducten. De ‘pallia’ zijn vrij korte mantels, jassen eigenlijk, ze zijn verticaal geweven en behoren tot de laatste mode, die het trouwens mag ontgelden van de toenmalige moralisten. Karel de Grote beklaagt zich er in 796 over tegenover Offa, de koning van Mercia, de voorloper van Engeland.

Het is duidelijk. In de 9de eeuw is er ongetwijfeld al sprake van een Vlaamse lakennijverheid maar die wordt kwalitatief en kwantitatief overklast door de buitenlandse concurrentie. Er is in elk geval geen sprake van luxueus textiel. En zo blijft het stil rond de textiel tot aan het begin van de 12de eeuw wanneer de Vlaamse lakens plots heel populair zijn geworden. Volgens de historici heeft dat met drie zaken te maken.

Het aanwenden van een horizontale weeftechniek, het gebruik van Engelse wol en een toenemende verstedelijking. De ‘panni’ zijn een schot in de roos. Stukken laken van 1,4 meter breed op rollen die tot 40 meter lang kunnen zijn. Netjes horizontaal geweven. Een prachtproduct dat inslaat als een bom.

Wanneer precies die grote doorbraak er gekomen is, blijft vrij onbekend. In 1009 is er alleen nog maar sprake van de ‘palleos’. Kijk maar naar het verhaal van onze Barcelonees Robert. De introductie van Engelse schapenwol vanaf 1113 zal wel zijn rol hebben gespeeld, maar talloze geschriften uit die tijd geven aan dat die eigenlijk niet beter en niet slechter is dan de gangbare kwaliteiten.

Dat de Vlaamse lakens hun succes te wijten hebben aan de Engelse grondstof, de stelling van Henri Pirenne, is dus een felle overdrijving van zijn kant. De derde mogelijke succesfactor wijst dus in de richting van de verstedelijking in Vlaanderen. De gebruikelijke uitleg is dat de Vlaamse steden er gekomen zijn door het succes van de lakennijverheid. Maar is het niet andersom? Vanaf de 8ste eeuw zwerven de schapen rond in de schorrelanden van het Vlaamse kustgebied.

Hun wol wordt aanvankelijk verwerkt door de kustbewoners, maar de poorters in de ontluikende steden zoals de vici van Gent en Arras, zouden ook brood gezien hebben om de ruwe schaapswol te bewerken. Derville gelooft er niets van. Voor het jaar 900 is weven bij uitstek een huiselijke activiteit waar vooral de vrouwen aan de haard zich mee inlaten en die daar een stuk van hun horigheid mee betalen aan de abt van bijvoorbeeld Sint-Bertinus.

Kijk maar naar die verplichting van één laken per jaar. Hier en daar zal er wel eens geweven worden in de piepjonge steden. Maar veel zal het niet te betekenen hebben. Dat lezen we gewoon aan de namen van de straten die ontspringen aan de centrale burchten.

In Sint-Omer zijn het namen die verwijzen naar zwaarden, leder, ijzer, naar oude ambachten. Maar nooit refereren ze naar textiel of wol. Onze schrijver is er vrij zeker van: het ontstaan van de schaarse Vlaamse steden heeft weinig te zien met de opkomst van de textielnijverheid. De verstedelijking zal ongetwijfeld in latere periodes een voordeel blijken voor de lakenindustrie maar de eerste groei van de grote Vlaamse steden heeft absoluut geen uitstaans met de textiel.

In 1175 wordt dat anders. Het proletariaat spoelt aan in de steden. Immigranten, textielarbeiders. Het ‘gemeen’. Op zoek naar werk in de stad. Ik mis aanvankelijk een deel logica in het verhaal van Alain Derville. Maar die volgt. Hij heeft het eerst uitgebreid over de aanleg van nieuwe steegjes en kwartieren waar de wevers en de volders in miserabele omstandigheden hun leven moeten slijten. Maar waar komen ze vandaan? En als het al textielarbeiders zijn, dan moeten ze toch op het platteland aan het werk zijn geweest?

Zo gaan we terug naar Arras in datzelfde jaar 1175. Monnik Guiman schrijft het met het nodige geduld in zijn cartularium van Sint-Vaast. Wie zijn er allemaal cijnzen verschuldigd aan zijn abdij? Hij noemt ze allemaal bij naam. 803 mensen uit de stad, 1.297 uit het ‘suburbium’ van de vijf ‘villae’. De bijnamen zijn nog niet zo lang gemeengoed geworden.

De mensen worden nu genoemd naar hun activiteit zoals we al eerder aangaven. De Wever. De Volder. Bijnamen die preciseren wat de mensen doen in het leven. Het valt op dat de bijnamen die verwijzen naar de textielnijverheid minder talrijk zijn in de steden dan op het platteland. De lakennijverheid in de streek van Arras moet dus aanvankelijk een landelijke bedoening zijn geweest. De lakens die Arras exporteert naar Genua zijn dus producten die doorgaans gemaakt worden in zijn buitenomgeving. Net zoals dat het geval zal geweest zijn met de andere lakensteden.

Tussen 1130 en 1136 worden er Ieperse lakens verhandeld in het Russische Novogrod. Maar is dat voldoende reden om deze Vlaamse stad op dat moment als bruisend voor te stellen? Er zit natuurlijk al een systeem in die uitvoer. Of de textielproducten nu van stedelijke of landelijke oorsprong zijn, één ding is zeker: de Vlaamse lakens zijn overal aanwezig in Europa. Er moeten dus slimme handelaars en stoutmoedige zakenmannen zijn die de nijverheid in handen hebben genomen en de afgewerkte eindproducten via hun netwerken zijn gaan slijten.

Ze hebben kwaliteitsnormen opgesteld en er vooral voor gezorgd hebben dat het Vlaams textiel voorzien is van certificaten en labels. Het register van de stedelijke taksen van Sint-Omer bevestigt deze hypothese. De eerste edities van dit register bepalen dat de lakens door eender wie op de markt mogen worden gebracht en ook door eender wie mogen worden aangekocht, van waar ze ook mogen komen.

De wevers zijn dus onafhankelijke producenten. Op de het einde van de 12de eeuw is die bepaling niet overgenomen. Op de markt van Sint-Omer is er geen sprake meer van het kopen en verkopen van laken. Er zijn geen onafhankelijke wevers meer. Het zijn nu de handelaars die de controle hebben overgenomen over de branche.

Hoe ziet die relatie tussen de ambachtslieden en die handelaars er dan uit? Een aantal geschiedschrijvers beweert dat de handelaars eigenaar worden van de wol en dat blijven tot dat het product afgewerkt is. De wevers werken niet meer en niet minder dan in loondienst en zijn op geen enkel moment eigenaar van hun producten. Voor de 13de eeuw is dit een fabeltje, lezen we. En of dat het geval is voor de 12de eeuw, is helemaal niet geweten. Rond 1200 gooien de rijke handelaars het op een akkoord met de schepenen van de diverse steden.

De stadsbesturen gaan de textielproducten op vraag van de handelaars strikt reglementeren en onderwerpen aan specifieke normen. Daar komen de labels. De eerste specifieke wetgevingen rond het laken dateren uit 1225. Standaardisering en normalisering zijn nu belangrijke codewoorden geworden. Handelsregisters uit Genua tonen aan dat het Vlaamse laken vaak aan bescheiden prijzen wordt verkocht. Het zijn dus niet altijd die luxeproducten zoals Pirenne pocht in zijn boeken. Zijn dogma heeft verdorie de hele geschiedenis van de Vlaamse textielindustrie bevuild.

De Vlaamse lakens hebben in die dagen een excellente prijs-kwaliteit verhouding die het mogelijk maakt om de handicap van de verre afstand en de transportkosten te overbruggen. Eigenlijk kan je dat best vergelijken met de producten die we kopen uit het Verre Oosten. Zouden we die nog langer kopen, moesten die plots duurder worden dan wat we zelf produceren? Het lijdt geen twijfel dat de lakens geproduceerd uit de wol van Vlaamse schapen van degelijke kwaliteit zijn. Het productieproces wordt in de loop van de 13de eeuw gaandeweg gesplitst en opgedeeld in verschillende productiestadia die achtereenvolgend door een reeks gekwalificeerde arbeiders worden doorlopen.

Die indeling en de nodige kwaliteitscontrole en de hele organisatie van de productieprocessen zullen allemaal niet zo van een leien dakje lopen voor de bazen. Het komt er dus op aan om die diverse processen niet te ver van elkaar te laten verlopen. Minder logistieke ergernissen en kosten. Meer controle en overzicht. Hier ligt ongetwijfeld de grootste reden van de explosieve groei van de Vlaamse steden.

Als we de geschiedenis van de Vlaamse steden strippen van alle grootspraak, dan herkennen we een Vlaamse textielnijverheid met uitstekende producten die vanaf het jaar 1000 vermarkt worden door entrepreneurs en dank zijn hun goede prijs-kwaliteitverhouding hun weg vinden in de internationale markten. Diezelfde entrepreneurs zullen er voor zorgen dat die steden pas in een later stadium uit hun voegen gaan barsten.

Eigenlijk komt alles neer op doodgewoon kapitalisme en een gezonde handelsgeest. Geld en middelen, voldoende volume en afzet. Met daarbij een grote koppigheid om maten en kwaliteiten onder controle te houden. Die gezonde handelsgeest is trouwens niet alleen een prerogatief van succesvolle zakenlieden. De abdijen van St.-Amand en St.-Bertinus in de Westhoek laten zich tussen 1150 en 1175 al in die zin opmerken en de landbevolking wordt eveneens slimmer met de dag. Een cartularium uit de St.-Georges-abdij van Hesdin getuigt ervan.

De lokale monniken verwerven in het begin van de 12de eeuw een stuk grond. Waar het gelegen is en welke afmetingen de grond heeft, worden niet genoteerd en is blijkbaar niet van belang. De enige relatie die gelegd wordt is die met het beploegen ervan. De grond kan met een halve ploeg per jaar onderhouden worden. De opbrengsten van het land worden jaar na jaar genoteerd. Tussen 1155 en 1164 zien we een bruuske verandering optreden in de cartularia. Het wordt een vaste gewoonte om het aantal werkdagen, die de mannen nodig gehad hebben op het land, te noteren en vaak wordt ook de exacte plek aangegeven waar er gewerkt wordt.

De lengtematen duiken op. Een roede. Een halve roede. Zelf de maten van de bomen worden opgetekend en berekend. Vlaanderen ondergaat rond 1150 een nooitgeziene trendbreuk. Het land bevindt zich nog altijd in het feodaal tijdperk. Alleen zijn de ridders nu financiers geworden. Op welke manier zijn onze Vlaamse steden eigenlijk gegroeid? Welke ruimtes worden ingenomen door de uitdijende bevolking? Geschiedkundige studies blijven daar over het algemeen vaag over. Overblijfselen van oude vestingen laten af en toe een glimp zien van hoe de steden er in die dagen zijn gaan uitzien.

Maar het is vooral giswerk. De zoektocht naar de terreinen ‘intra muros’, binnen de muren, of de buitenwijken ‘extra muros’ die ooit dichtbevolkt moeten zijn geweest. Hier en daar ontbreken er zelfs stadsmuren of is het een kwestie van veel jaren vooraleer die er komen. In Arras wordt de definitieve stadsgordel gebouwd vanaf 1100, in Sint-Omer vanaf 1200 en in Rijsel vanaf 1300. Net zoals deze van Brugge en Gent. Vroeg of laat zal die omwalling wel zijn afgeraakt, veronderstelt Derville. Of misschien wel nooit.

Het antwoord ligt bij de lokale onderzoekers, maar de resultaten van hun studies zijn meestal ontgoochelend en onvolledig. Op zich is dat erg begrijpelijk. Het moet een wirwar geweest zijn van opeenvolgende uitbreidingen die er om de meest uiteenlopende redenen moeten zijn gekomen. De archieven zijn tragisch genoeg leeg. De enig overgebleven topografische gegevens blijken uiteindelijk wat er neergeschreven staat in de oude handschriften.

De handschriften die de kerkelijke organisaties hebben achtergelaten zijn hier een schoolvoorbeeld van. We denken meteen aan de cartularia van de abdij van Sint-Maarten in Ieper. Ze leren ons in welk jaar er wat bestond aan begraafplaatsen, bidhuizen, kapellen, gasthuizen en kerken.

Zo kunnen we op zijn minst een reconstructie uitvoeren van de parochiale geografie. De graven en de ontvangers van de hospitalen en de broederschappen heffen rentes en taksen op de straten en in de parochies. Een topografische reconstructie op basis van die oude heffingen is er hoe dan ook niet gekomen voor de Vlaamse steden. De kaarten van de reeks parochies in Sint-Omer en Arras scoren het best, maar ook hier is de informatie beperkt tot de ruimte ‘intra muros’.

Het kan slechter. Op basis van het stadsplan van de stad van Arras uit 1382 kan worden uitgemaakt dat de kleine parochie van de Madeleine moet overeenstemmen met de stadsgordel van de 10de eeuw. En op basis van die gegevens kan de schrijver vermoeden dat de kleine parochie van Sinte-Aldegonde ooit de binnenkern geweest is voor het jaar 1000. Verdere informatie komt gek genoeg uit de straatgang van de heiligen. De processies uit de kerkelijke geschiedenis die eeuwen zijn uitgegaan als een soort voorbehoedsmiddel tegen ziektes en onheil.

In 1636 worden de relieken van de Audomarese heiligen nog altijd meegezeuld rond de stad en volgen ze de weg van de uiterste vestingen. De ‘grote ommegang’ is een gezegende rondgang die Sint-Omer moet beschermen tegen de pest. In Doornik kan men vaststellen dat de grote processie die gesticht wordt in 1090 effectief ook de ommegang deed rond de contouren van de vestingen van de 11de eeuw. En ook in Sint-Omer is dit duidelijk ook zo in 1100. In de stad Gent is er maar één omwalling gekend. Ze werd gebouwd rond 1100 en is nooit afgewerkt geraakt.

En wat er zich binnen die omheining bevond is onbekend. Van eventuele buitenwijken is niets bekend. De ontwikkeling van Brugge daarentegen is beter gekend. Volgens Galbert van Brugge, de geestelijke die de moord op graaf Karel de Goede heeft beschreven, is er sprake van een kasteel, een ‘castrum’ en een voorstad, ‘suburbium” die ingedeeld is in een ‘vorburg’ in het noordoosten en de ‘oudeburg’ in het zuidoosten.

De voorstad is niet versterkt wanneer de dramatische gebeurtenissen er in 1127 plaatsvinden. De totale oppervlakte van het ‘castrum’, de binnenstad, beslaat 86 hectare. Behoorlijk omvangrijk dus en erg verwonderlijk dat er zich hier maar drie parochies bevinden. Het geheel, de ‘infra septa villae’, bevindt zich binnen een houten palissade. Over de eerste stadsmuren van Ieper, heeft Derville zoals hij het zelf aangeeft en zoals gewoonlijk niets te zeggen.

Ik zou wel eens de redenen willen weten waarom hij de stad straal negeert terwijl er lokaal een stadsarchief is dat uitpuilt van de informatie ter zake. De historici van Douai hebben er ook al niet veel soeps van gemaakt. Hun stad is ontstaan in Ostrevant, op de linkeroever van de Scarpe en rond een graanmarkt, en dat eerste centrum zal rond het jaar 1100 wel beschermd zijn door een omheining. De studie over Rijsel begint pas in 1066 wanneer graaf Boudewijn V al zijn bezittingen in Fins schenkt aan de kanunniken van Sint-Pieters.

Twee mansa op een rechthoekig terrein van 48 hectare waar de twee parochies van St.-Maurice, geciteerd in 1066, en St.-Sauveur (in 1144) ontstaan. Dit deel van Rijsel bestaat voornamelijk uit vierkante percelen. Weiden dus. Het hospitaal van St.-Sauveur dat in 1214 gesticht wordt tussen de kerk en de stadspoort met dezelfde naam, heeft aanvankelijk alles van een grote boerderij. Zou dat uitzicht te vergelijken zijn met dat in Gent, Brugge, Douai, Arras en Sint-Omer? De geschiedenis van Arras is veel beter bekend. De abdij wordt door de Noormannen verwoest in 880, 881 en 883. Abt Raoul heeft dus zo zijn redenen om die te gaan versterken. Zijn ‘castrum’ is initieel 5,25 hectare groot en wordt in de 10de eeuw uitgebreid tot 8 hectare.

Het spoor van de twee rechthoekige vestinggordels vormt precies de grenzen van de parochies. De groei van de stad is daarna op een simpele manier gebeurd in zuidoostelijke richting. Rond 1100 valt de stad in zijn definitieve plooi en is de beschermende ring rond de stad voltooid. Hoewel de buitengebieden wel verder blijven uitdijen tot een ruimte van 74 hectare. Het verhaal van Sint-Omer is veel rijker.

Zijn geschiedenis is op en top genereus met gebeurtenissen. We komen op het spoor van vier opeenvolgende stadsgordels. Zelfs de voorsteden zijn bekend. De eerste rechthoekige omwalling is die uit de jaren 880 en omsluit een binnenstadje van een kleine 4 hectare. Rond de jaren 1000 is de binnenstad verdubbeld met onder andere twee marktplaatsen en heeft de omwalling zich aangepast aan de nieuwe situatie.

Vier generaties later, rond 1100, is de nieuwe omwalling, de derde al, een feit. De ommegang van de processie verraadt de nieuwe toestand. Het hart van Sint-Omer is een vierkante zone van 35 hectare. Drie grote mooie kruisen geven de buitengrenzen aan. Het zijn bakens die aangeven dat er binnen de kruisen cijnzen moeten betaald worden aan een aantal seigneurs. Een ‘voetpenninc’ van één denier per voet voorgevel en het ‘hofstedeghelt’ voor de boerderijen.

Er zijn ook de ‘merlinsrente’ en de ‘bauwerc’. Vermoedelijk zullen de kruisen rond 1100 vervangen worden door de stadsmuur die nu de nieuwe afbakening zal finaliseren. De laatste omwalling dateert van 1200 en zal enkele jaren later als voorbeeld dienen voor de gordels van Ardres en Guînes. Ze zal het uitzingen tot 1892-1894. Er komt geen vijfde gordel. Niet dat de groei van de bevolking stopt hoor. Maar buiten de definitieve omwalling is het gebied erg moerassig.

De voorsteden en de buitenwijken groeien er organisch verder maar het is hier onmogelijk om op deze ondergrond nog degelijke stadsmuren te bouwen. Die voorsteden moeten er trouwens al erg vroeg geweest zijn. Van de drie buurten rond het moeras, Haut Pont, Fresque Pissonerie en Ysel is er weinig bekend. Wel dat er aan de grens met de goede grond in 1123 als drie middeleeuwse parochies teren. Saint-Martin-au-Laert is de meest bekende parochie. Hier hebben ooit de sterkhouders van de abdij van Sithiu gewoond in de tijd van de Franken. Net als in Ieper en Brugge is er verder nog sprake van de parochies Sint-Kruis en Sint-Michiel. Kan het zijn dat de voorsteden van Sint-Omer, Ieper en Brugge in dezelfde periode ontstaan zijn? Is die identieke naamgeving toeval of precies een van boven af geregelde zet bij de bouw van de eerste kerkjes ter plaatse?

Alain Derville heeft het nog uitgebreid over de komst van de respectieve stadsbesturen en de opkomst van de verscheidene stadskeuren. Daarna concentreert hij zich op de vraag waarom de Vlaamse steden precies gekomen zijn op de plaats waarop ze gekomen zijn. Ik bedoel; ruimte zat in Vlaanderen en Artesië en toch steken bepaalde terreinen er bovenuit en vormen ze het decor van een stad.

De Franse schrijver vindt het erg ontgoochelend dat er zo veel geschiedenis is geschreven over onze steden, dit terwijl de auteurs niet eens wisten waar hun wegen, straten en kanalen naar toe leidden. Of hoe hoog de steden lagen ten opzichte van de zee en het water. Die wetenschap betekent al een wereld van verschil voor bijvoorbeeld Douai, Brugge en Sint-Omer. In het vlakke land van Vlaanderen maken enkele meters het verschil tussen stevige grond en een modderpoel.

Vooral de watermolens zijn aanvankelijk cruciaal in de kennis van de waterhuishouding in de steden. Voor het verschijnen van de windmolens in 1180 worden de molens in die tijd trouwens allemaal aangedreven door het water.

‘Elke stad is als een ajuin’, lees ik. De ene huid is op de andere gegroeid. Geconcentreerd en geprangd op de versterkingen van die eerste burcht en dan de schil van de stad met zijn eigen juridische betekenis en dan nog eens een extra pel voor de buitenwijken. Als een ajuin, zijn de steden zich gaan inschrijven in de open ruimte. Als we kennis willen opdoen over het ontstaan van onze steden, dan moeten we met veel geduld die ui gaan pellen en zijn opbouw in kaart brengen.

Niet op basis van laattijdige archieven. De achtergelaten sporen waren niet van dien aard dat ze eeuwen lang zouden meegaan. Er is echt niet veel meer terug te vinden. Misschien kunnen we iets stevig opbouwen met de informatie die we vinden over de inwoners zelf. Hoe ze leefden, hoe ze zich verplaatsten of hoe ze handel dreven? Hopelijk ontstaat er met deze onderzoeksmethode een soort ‘andere’ geschiedenis van de Vlaamse steden.

Eerst en vooral moeten we onze steden gaan plaatsen in de correcte politieke context van de tijd. Voor Vlaanderen is dat meer bepaald de stichting van het graafschap door de eerste graven van Vlaanderen. Boudewijn II (879-918) en Arnulf I (918-964). Vanaf die data vertoont de ontwikkeling van de steden een vrij grote synergie. De eerste burchten van 880 tonen aanvankelijk nog grote verschillen. Cirkelvormig in de pagi van Boudewijn II en rechthoekig in de graafschappen waar zijn neef, de abt Raoul de scepter zwaait.

Vanaf het jaar 1000 krijgt Vlaanderen typische eigen trekjes. De grafelijke maatschappij is één territorium geworden met zijn eigen instellingen en voor elke stad een schepencollege met bevoegdheden voor de buitenwijken. De meeste historici beschrijven de geschiedenis van de steden afzonderlijk. Derville houdt niet van die paardenbrilmentaliteit. En eigenlijk heeft hij daar een punt. Mijn kritiek op de plaatselijke aanpak van de toponymie is eigenlijk precies dezelfde. Alle Vlaamse steden hebben deelgenomen aan dezelfde geschiedenis.

Ze hebben zich door dezelfde crisissen geworsteld. Zoals die bijvoorbeeld in 1071 en in 1127 om er maar enkele te noemen. Of deze van 1191-1212 waar het grote graafschap Artesië zich afscheurt van Vlaanderen. Tot op dat moment is er geen sprake van Artesische steden geweest. Enkel van steden van het hoge land. Fysiek gezien kan het oorspronkelijke graafschap inderdaad ingedeeld worden in vier Vlaanderens. Het hooggelegen Artesische gebied, de Vlaamse nederlanden, le ‘plat pays’ zoals Brel het later zal uitzingen.

Hoog- en laagland worden gescheiden door een heuvelrug en tot slot is er de kustvlakte. De ondergrond van het relatief hooggelegen plateau bestaat uit een dunne maar zeer vruchtbare sliblaag die er voor zorgt dan Artesië de graanzolder wordt waar Vlaanderen op teert. De graanmarkten worden hier belangrijk. De immense ruimtes in het hart van de Artesische steden liggen ongetwijfeld aan de basis van de groei van hun bevolking. Hier bevinden we ons in het land van de karren. De wegen zijn inderdaad goed. Met ‘goed’ in de betekenis van ‘droog’. De rivieren zijn daarentegen totaal ongeschikt om te bevaren en dienen enkel om de molens aan te drijven.

Het vlakke land bezit amper reliëf. Arm, zanderig oftewel is er de klei en de modder. Reizen is er verschrikkelijk en zelfs onmogelijk in het dode seizoen. Maar de rivieren, zeg maar de Schelde en de Leie hebben traagstromend water, rustig en altijd bevaarbaar. En dat blijft zo als de mens er de hand op legt. Gent zie je zo geboren worden aan de rivier en dus helemaal niet aan een weg. Het contrast tussen deze twee Vlaanderens uit zich natuurlijk ook in de landbouw.

Vanaf het jaar 1000 begint de explosieve vooruitgang van de Vlaamse agro-industrie daar op die eindeloze Artesische hoogvlakte. Noordelijk van die weelderige en dynamische ruimte leiden de arme boeren op het vlakke land een hard en vaak achtergesteld leven. Dat immense verschil moet zich ongetwijfeld etaleren in de identiteit van de verschillende steden.

Het derde Vlaanderen, het heuvelachtige land van St.-Amand tot aan Sint-Omer, staat in hechte verbinding met de omringende hoog- en laaglanden. Het gebied bezit niet echt een typisch economisch karakter. Hier vinden de valleien hun thuis. Deze van de lage Scarpe van St.-Amand tot aan Douai. De vallei van de Escrebieux en de Bassée. De vallei van de midden-Leie tot in Ariën die daarna verglijdt in de ‘pas de Flandre’, het bassin van de midden-Aa, meer bepaald de moerasgebieden van Sint-Omer. De steden van dit Vlaanderen leven niet met elkaar, maar met hun Artesische relaties.

Als de streek een belang kent, dan is het vooral een militair strategische plek zoals we trouwens zullen zien rond de jaren 900. Het vierde Vlaanderen vinden we in de maritieme vlakte die zich uitstrekt ‘tra Guizzante e Bruggia’ zoals Dante het ooit zegde. Het zal eerder van Damme tot Calais geweest zijn. Haar geschiedenis is vrij goed bekend. Een problematische welstand.

De schorregebieden zijn bevolkt door immense kuddes schapen die er met hun weelderige wolopbrengst voor zorgen dat de stedelijke lakennijverheid tot leven komt. En dan natuurlijk de polders waar het land bewerkt wordt. Nergens anders in Vlaanderen zijn de boeren zo vrij als hier. Alles heeft te maken met het feit dat ze zelf hun land hebben gestolen van de Noordzee en niet van één of andere feodale heer in pacht hebben gekregen. Rond 1100 is het kustleven erg actief maar laat de verstedelijking op zich wachten. Het land blijft erg lang ongerept. Calais wordt in 1165 wel een stad, maar blijft finaal een kind van de maritieme vlakte.

De vier gebieden van Vlaanderen en hun wegennet en de afwikkeling van het verkeer. Zijn ze onderling met elkaar verbonden in het begin? Zijn de steden nu de moeders van de verschillende wegen, of zijn ze integendeel de kinderen ervan?

Voor de geboorte van enige stad kan je niet onderuit aan de Romeinse heerbanen die in het zuiden van Vlaanderen goed in kaart zijn gebracht. Een netwerk dat tot stand komt rond twee parallelle routes die zich manifesteren tussen het noordwesten en het zuidoosten, in de richting van het Hercynische woud, het haast eindeloze oerbos waar de Germaanse stammen wonen. De noordelijke route slingert zich door het lage Vlaanderen. De weg loopt via Boulogne en Cassel naar Kortrijk, Cassel, Doornik en Bavay.

De zuidelijke heerbaan doet de hooggelegen Artesische vlakte aan. Opnieuw is Boulogne het eind- of beginpunt en is Bavay een tussenstation. Van hier gaat het richting Terwaan, Arras en Cambrai. Tussen beide heerbanen worden er driehoekige, zeg maar bretelvormige tussenwegen aangelegd. Cassel-Terwaan, Cassel-Arras, Doornik-Arras, Doornik-Cambrai. Het wordt meteen duidelijk dat er zich op de kruispunten Gallo-Romeinse sites bevinden. En toch slagen veel plekken er, ondanks hun prachtige toegangswegen er niet in om overeind te blijven of om door te groeien tot echte steden.

Kijk maar naar Terwaan en het illustere Bavay dat in de oerarchieven ooit nog onder de naam ‘Belgis’ als eerste hoofdstad van België naar voren werd geschoven. De middeleeuwse steden worden integendeel geboren middenin de driehoekige wegen. Sint-Omer, Ariën, Béthune, Lens, Douai, Rijsel en Valenciennes. Ze worden geboren aan de waterkant waar de rivieren min of meer bevaarbaar worden. In de moerassige gebieden op plekken die gemakkelijk te verdedigen zijn maar die nog moeten worden gelinkt met deze eertijdse heerbanen.

Het Romeinse wegennet is opgebouwd vanuit zijn keizerlijke functie en krijgt nooit een lokale functie. De as Keulen-Boulogne verliest na de 5de eeuw zijn bestaansreden als de Romeinen er van onder trekken. De zielloze weg ligt er voortaan afgeleefd, ongebruikt en niet meer onderhouden bij.

De geschiedenis leert ons dat de eerste middeleeuwse wegen loodrecht van de ene stad naar de andere lopen op een bij voorkeur hooggelegen traject dat voldoende beschermd is tegen het water. De ligging van de wegen verraadt hun afkomst. Wegen die tussen de percelen lopen, zijn meestal van Romeinse herkomst. De trajecten die percelen doorkruisen zijn meestal van latere datum. Eén ding is zeker. De Vlaamse steden zijn niet ontstaan op het kruispunt van die eerste wegen.

Hoe graag geschiedschrijvers ook deze of gene stad als het centrum van wegen zien opgroeien. De handel tussen Rijsel en Vlaanderen speelt zich grotendeels af op het water. De as Parijs-Brugge is een fabeltje. In Rijsel is er nooit sprake geweest van een Parijse poort of van een weg naar Brugge. Nochtans was het in die dagen gebruikelijk om wegen en stadspoorten te noemen naar de verafgelegen plekken die ze in zicht hadden.

De aangroei van de bevolking in de steden begint aan een steile klim. Een stijging van ongeveer één derde per generatie zoals in Sint-Omer bijvoorbeeld. In Calais is er sprake van een verdriedubbeling per generatie. De voortdurende instroom van nieuw volk, rijke en arme immigranten die niet eens de dezelfde taal spreken, met of zonder job, moet ongetwijfeld problematisch geweest zijn. Het is een herkenbaar fenomeen anno 2013.

Elke stad van Vlaanderen ontpopt zich zonder uitzondering tot een ‘melting pot’, een smeltkroes waar de meest uiteenlopende sociale en culturele achtergronden zich gaan vermengen en die na verloop van tijd resulteert in de geboorte van een nieuw type inwoner: de burger, in het Frans: de ‘bourgeois’. De broederschappen en de gildes hebben ongetwijfeld grote inspanningen geleverd om deze heterogene massa te verankeren en te cementeren tot een homogene gemeenschap die zich wil beschermen tegen al het kwaad van slecht menende buitenstaanders.

Vanuit dit streven ontstaan vanaf de 11de eeuw stilaan de eerste stedelijke wetgevingen die het recht van de burgers verankeren. De ‘jus burgensium’ of misschien nog beter de ‘jus scabinorum’, de rechtspraak die de lokale schepenen krijgen in de individuele steden en hun buitengebieden en die hen differentieert van de andere steden. De vrijheden die toegekend worden aan de burgers worden geleidelijk aan rechten waar zal moeten voor gevochten worden om die te behouden. De meeste keures zijn lang en minutieus opgesteld.

Zo ook die van Sint-Omer uit 1128. Allemaal reglementen die minderheden beschermen, erfenissen vastleggen, burgerlijke wetten tot in de kleinste details uitgewerkt. Welk een ongelooflijk contrast biedt deze samenleving in vergelijking met de jaren 900 wanneer de eerste tuinmannen en koks uit de abdij van Sithiu met enkele kooplieden handel begonnen te drijven en een flink stuk van de koek moesten afstaan aan hun soevereine heren. Driehonderd jaar later kunnen we alleen maar de triomf van het kapitalisme vaststellen.

Machtige Vlaamse handelaars spreiden hun tentakels uit tussen Engeland, Italië en de Germaanse wereld terwijl de werkers uitgebuit worden om hun producten te vervaardigen in armzalige huizen en krotten in de groezelige buitenwijken met een slotgracht afgescheiden van de iets betere wereld in de steden. Die stedelijke maatschappij is er aanvankelijk een van een verrassende eenvoud. De hiërarchie is enkel en alleen gebaseerd op geld en eigendom.

De ‘libido possidendi’ zoals de moralisten dit noemen. Geld verdienen is een primaire doelstelling geworden voor de burgers. De rechten die ze opbouwen vertrekken altijd vanuit dit perspectief. Als de bewoners de toelating krijgen om de Aa en de Reie te kanaliseren, dan zal dat goed zijn voor hun stad en dus ook voor zichzelf. Tijdens die ongelooflijke periode van transformatie tussen de jaren 900 en 1200 is het bijzonder moeilijk om de elite te onderscheiden van de rest.

Historici proberen de indruk te geven dat er in die dagen al sprake is van sociale klassen, maar van een sociale clash zijn er vooralsnog geen aanwijzingen. De naam ‘patriciër’ is nog onbekend in deze middeleeuwse tijd. Elkeen probeert zijn eigen welstand op te bouwen, het patriciaat is een fantoom. De ‘flatus vocis’ heerst zoals een zekere Willem van Ockham schrijft.

Het magnifieke proza van Pirenne heeft het in geuren en kleuren over de Vlaamse patriciërs die als ‘sire’ door het leven gaan en in een stenen huis wonen, een ‘steen’, paarden en wapens bezitten en een leengoed bewonen dat er meestal is gekomen dank zij een huwelijk met een blauwbloedige dame uit de adel. Het ruikt allemaal erg naar de 13de eeuw. Wat een lacune toch bij deze Vlaamse geschiedschrijver dat hij dat niet expliciet de correcte ‘time frame’ aangeeft en zo de illusie schept dat deze decadentie al eeuwen eerder aan de gang is.

Een andere historicus, een zekere Blockmans, laat zich natuurlijk vangen aan het werk van Henri Pirenne als hij in 1938 beweert dat Gentse burgers al tussen 941 en 1035 hun leengrond kunnen aankopen en dat die vanaf die periode van vader op zoon kan worden overgedragen. Die bewering klopt van geen kanten, ze is nooit gestaafd door een of andere naam te kleven op de naam van zo een patriciër. Een vervalsing van de geschiedenis is dit. Nogmaals: een historisch fantoom. Het fiasco van dergelijke theorieën heeft er voor gezorgd dat er een grote leegte is in de kennis van de stadsontwikkeling.

En misschien is die leegte op zich al veelbetekenend! Er bestaat in de 10de en de 11de eeuw doodgewoon geen sociale structuur of een hiërarchie. Er bestaan geen sociale klassen in die tijd. Er zal ongetwijfeld wel uitbuiting zijn van de ene door de andere. Een harde maatschappij is het, met een ‘ieder voor zich’ mentaliteit, net zoals in de ‘Far West’ van de 19de eeuw. Exploitatie van mensen gebeurt hoe dan ook nog niet systematisch. Er zijn nog geen sociale structuren. De eerste burgers van Sint-Omer zijn ambachtslieden die zich zijn komen vestigen aan de poorten van de burcht en die hun namen achterlaten op de belendende steegjes.

Er komen trouwens van langs om meer koopmannen en ambachtslieden bij om zaken aan de man te brengen die het land zelf niet produceert. Ijzer. Zout. Wijn. Een aantal van die commerçanten onder hen worden welstellend. Zoals de in 1088 overleden Tetboldus Dives, Thibaud de Rijke, over wie Lambert van Sint-Omer het heeft rond 1120.

Hij schrijft ook over een andere Lambert die in 1040 een kerk laat bouwen of over Winrad die in 1106 een gasthuis sticht. Een ander soort volk zijn de ‘bellatores’, de krijgers die vertegenwoordigd worden door de kasteelheren, de burggraven, de ‘castellani’. Ze zorgen voor de beveiliging van de lokale burcht en verzorgen de wacht. Ze krijgen elk een prebende en hebben waarschijnlijk de beschikking over een leengoed dat ze na verloop van tijd verder gaan opsplitsen.

Harde bewijzen zijn daar niet van, maar in 1056 staan hun eigendomsrechten wel al geregistreerd. De krijgslieden isoleren zich niet van de anderen, dochters en zonen van beide klassen trouwen met elkaar waardoor het onderscheid tussen beiden vrij snel aan het vervagen is. En dan zijn er natuurlijke de ‘oratores’, de mannen van het gebed, die er flink wat tijd over doen om op eigen benen te staan.

Bij de hervorming van Sint-Bertinus in 944 zijn ze ongetwijfeld met geweld buiten gevlogen uit hun abdij. De kanunniken zijn in die dagen nog getrouwd en van enige hervorming is er nog geen sprake. Pas op het einde van de 11de eeuw zullen de kapittels opnieuw hun deuren sluiten en zich stilaan isoleren van de rest. De bevolking is er een van voortdurende verandering. Echte familiale structuren zijn er amper, weinig herkenbare lijnen van vader op zoon zoals we dat op den buiten wel al kunnen vaststellen. In de stad zijn het allemaal individuen.

Lambert van Sint-Omer slaagt er rond 1120 in om acht generaties te ontwarren en citeert daarbij 81 personen die vanaf 900 deel hebben uitgemaakt aan de maatschappij van de prille stad. Opmerkelijk is dat bijnamen en erfelijke voornamen nog totaal ontbreken. Die zullen in Sint-Omer en in Arras pas na 1165 ingevoerd worden. Er is amper sprake van enige structuur in de jonge middeleeuwse steden. Dat betekent niet dat de bevolking zich niet heeft verankerd in zijn heimat.

In Sint-Omer is er de gilde van de handelaars die zowat de hele mannelijke bevolking groepeert. De statuten van de gilden, afgewerkt tussen 1080 en 1100, bepalen dat ze niet enkel functioneren ten dienste van de burgers, de kanunniken en de eigenaars, maar eveneens voor de mensen van het zwaard, de ‘milites’. Achthonderd volwassen mannen. Het is zeer de vraag of er voor hen allemaal tezelfdertijd voldoende ruimte was in de ‘ghildhalle’.

Waarschijnlijk zullen ze voor de poorten van de halle in de rij hebben moeten aanschuiven om er hun mud wijn te komen afhalen. De eerste stedelijke gemeenschappen hebben niet eens chefs en leiders. We kunnen het afleiden uit de kronieken van Galbert die het uitgebreid hebben over de crisis van 1127-1128 in Brugge en over de moord op graaf Karel de Goede. Zijn dagboeken vertellen een aantal gebeurtenissen van dag op dag en ze omschrijven de Brugse samenleving tot in de kleinste details. Ook hier een stevig verankerde bevolking van burgers, ‘cives’, de ‘ons-kent-ons lieden’ die Galbert beschrijft als ‘nostri’, die van ons.

Doorheen de twaalf paragrafen van zijn getuigenis noteert hij de tussenkomst van de woordvoerder van enkele gekwalificeerde vertegenwoordigers. Hij omschrijft deze afwisselend als ‘sapientiores’, wijzen, ‘meliores’ (de besten), ‘discreti’, ‘prudentiores’, ‘fortiores’ of ‘magis fideles’. Deze mix van mensen toont pertinent aan dat Brugge in die tijd nog geen capabele leiders heeft om hun stadsgenoten te vertegenwoordigen en te leiden. Wat telt in die dagen zijn morele kwaliteiten, persoonlijk prestige en welsprekendheid. Het sociaal statuut is nog helemaal niet van tel.

Er is natuurlijk sprake van een functionaris van de graaf. Een officier die in 938 te Sint-Omer wordt beschreven als ‘praetor urbanus’ en vanaf het jaar 1000 een reeks rechters, de schepenen die op dat moment nog niets in de pap te brokken hebben. We zien nog niet direct een burgemeester en een schepencollege in beeld komen. Geen stadsbestuur.

Derville vraagt zich helemaal niet af of de graaf in die dagen ook maar enigszins de macht wilde delen in zijn steden en die voor 100% bij zijn baljuw wilde zien. Ongetwijfeld zitten er tussen de Brugse ‘meliores’ een aantal mannen die aanspraak maken op het leiderschap in de stad, en is de tijd nog niet rijp dat de graaf van Vlaanderen zijn macht zal willen delen met de lokalen. De verzuchtingen van de stedelingen worden met het schuiven van de jaren 1100 geleidelijk aan realiteit.

Eerst werken de schepenen nog in functie van de baljuw, maar bij het aanbreken van de jaren 1200 is er al sprake van lokale stadsbesturen met schepenen en een voogd die de burgerij vertegenwoordigen. De gezworenen zijn er in geslaagd aan de macht te komen en gaan vanaf dan de wet met harde hand opeisen. Ze kunnen nu verschrikkelijke sancties opleggen aan wie naast het lijntje loopt. Oog-om-oog en tand-om-tand.

De beschuldigden krijgen terug wat ze zelf misdaan hebben. Van hetzelfde laken een pak. Het verbranden en afbreken van woningen van misdadigers, de genadeloze ‘arsin en abattis’, een oude Germaanse gewoonte als onderdeel van het Vlaamse gewoonterecht, ligt nu in handen van het stadsbestuur. De keurheren, ‘choremanni’, worden verkozen door de gemeenschap.

Het geeft een glimp van democratie, maar is het helemaal niet gezien de keuze van de voogd en de wetheren in realiteit in de handen ligt van een kleine stadselite. De klassenmaatschappij is opgerukt. Naast een politieke klasse verschijnen rond 1150 ook de grote handelaars, de kapitalisten, op het toneel. Voortaan zal het leven in de Vlaamse steden veel gestructureerder verlopen.