De groei v/d eerste Vlaamse steden

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     578 Views     Leave your thoughts  

De steden van Vlaanderen zijn haast mythisch
De steden van Vlaanderen zijn beroemd. Haast mythisch. Ondanks het feit dat hun archieven van voor 1275 zo goed als leeg zijn. Er is wel geen tekort aan grijze en onbekende vlekken die nog moeten worden opgehelderd. En er bestaan vooral veel hypothesen die wel eens mogen onderworpen worden aan wat kritiek. Dat allemaal schrijft de Franse historicus Alain Derville die een trits historische boeken heeft geschreven over de middeleeuwse jaren van Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.

Of de man, geboren in 1924, anno 2013 nog leeft, weten we niet voor 100% zeker. Maar één ding weten we wel: we zijn onmiddellijk geïnteresseerd in zijn manier van schrijven en we worden vooral aangetrokken door zijn blijkbaar onmetelijke kennis van het verleden van onze streek. We houden met plezier halt bij zijn boek ‘Les villes de Flandre’ en we gaan samen met hem op zoek naar andere ‘waarheden’ die uiteindelijk geschiedenis zo boeiend en wulps maken.

Zijn studie van de Vlaamse steden vangt aan rond de jaren 900 wanneer de meesten onder hen het daglicht zien. Er is al heel wat geschreven, vertelt Derville. Tussen 1835 en 1864 zijn er vijf dikke boekdelen van de historici Warnkoenig en Gheldolf verschenen die de geschiedenis van Vlaanderen voor 1306 uitvoerig hebben toegelicht. Een geschiedenis die al met al rustig en kalm wordt beschreven en die een wat provinciaals sfeertje afgeeft aan het Vlaanderen van toen.

Daar komt vanaf 1905 verandering in wanneer het genie van een zekere Pirenne er voor zorgt dat Vlaanderen wel op de Europese kaart komt te staan. Tussen de regels proef je het cynisme van Alain Derville voor al de verleidelijke stellingen die Henri Pirenne in zijn werken naar voren heeft geschoven. ‘Waarom werden ze zo weinig in vraag gesteld en achteraf zomaar klakkeloos overgenomen’, vraagt hij zich af.

De pseudo-stadjes van Vlaanderen
In 1469 telt Vlaanderen maar liefst 53 Vlaamstalige steden, maar bij dit aantal zitten er een aantal tussen die amper 135 inwoners kennen. Er wordt in onze geschiedenisboeken blijkbaar erg genereus omgesprongen met de term ‘stad’, terwijl de Franstalige steden zich beperken tot Rijsel, Douai en Orchies en waar zowat 200 pseudo-stadjes er uit gebonjourd werden. Onze schrijver is niet mild. Veel te veel historici hebben enkel uit de ogen van Gent, Brugge en Ieper gekeken.

De Vlaamse schrijvers hebben zich bewust beperkt tot de Vlaamse steden en hebben geen oog gehad voor Franstalige steden zoals Arras, Douai, Rijsel, Sint-Omer en zelfs Doornik. Vreemd toch dat de Vlaamse geschiedschrijvers weigerden om een blik te werpen over de taalgrens met Frankrijk. Voor de jaren 1200 zijn de archieven van de Vlaamse steden zo goed als leeg terwijl die van Sint-Omer werkelijk uitpuilen van de informatie. Wat er zich achter de rivier de Aa aan oude teksten bevindt, had precies gebruikt moeten worden om wat meer klaarheid te scheppen in de mistige jaren van het ontstaan van de Vlaamse steden. De befaamde en flamingante historicus Verhulst (+2002) krijgt ook al een sneer. ‘Zijn werk is een afkooksel van dat van Pirenne.’ Rond de jaren 900 is er amper sprake van steden. Vlaanderen is een ideale uitkijkpost en niet veel meer.

Bryggya, de Noorse naam van Brugge
Maar de Vlamingen hebben wel een neus voor zaken en ontwikkelen economische activiteiten als geen ander. En dat leidt tot de bouw van de eerste kernen die de eerste honderden jaren al met al weinig sporen nalaten in de archieven. Aan de Franse kant van Vlaanderen is dat wel anders. Drie steden zien het eerste daglicht in diezelfde periode. Eerst en vooral Sint-Omer rond het jaar 900, maar ook Ardres dat al uitgebreid in zijn archieven laat kijken in 1070 en Calais beschikt ook al over heel interessante geschriften vanaf 1165.

Toch zijn ze nooit in het vizier gekomen van de Vlaamse geschiedschrijvers wanneer die begonnen zijn met hun zoektocht naar de wortels van de Vlaamse steden van hun keuze. Op het einde van de 9de eeuw is het graafschap Vlaanderen welvarend en rustig en vreedzaam. Bizar dat Derville de kwaadaardige era van de Noormannen over het hoofd ziet. Er is amper sprake van een stedelijk netwerk. In het zuiden zijn er de eertijds Romeinse steden. Cassel is gestorven, Boulogne is zieltogend.

Er is alleen maar het meeste bekende Terwaan die de export van het Artesische graan via de Aa richting Vlaanderen onder controle houdt. De abdij van Sithiu (Sint-Omer) is, dank zij zijn ‘polypticum’ van rond 850 ook al bekend. Het Westland ademt de sfeer van de zee uit. De havens van de Canche (Quentovic) en de Ijzer (Iserae Portus) die te maken krijgen met de Saksen en de Friezen die er lakens komen verkopen en hun graan aankopen. Meer noordelijk langs de kust is er niets buiten een aanlegplaats, een soort steiger, die de Noorse naam ‘Bryggya’ met zich mee draagt en waar af en toe wel eens een boot aanlegt. Google leert me dat er in Noorwegen ook al een stad bestaat met de naam Bryggya. Zijn bewering kan dus inderdaad kloppen.

De steenrijke abdij van Sint-Bertinus
Jaren van groei en welvaart staan voor de deur en zullen zorgen voor het ontstaan van bevolkingskernen. Dat is zeker het geval voor de abdij van Sithiu waar de koning al in 873 een vrijdagmarkt tot stand laat brengen. En die markt dient niet om de stedelingen van voedsel te voorzien, zoals geschiedkundigen dat verklaren, want die zijn er amper in het toenmalige Sint-Omer. Neen. De vrijdagmarkt komt er als een verlengstuk van de economische activiteit van de lokale abdij, waar er geen sprake is van graan te kopen, maar dit te verkopen aan mensen uit de hele regio. En reken maar dat de Sint-Bertinusabdij steenrijk is. Ze is in het bezit van zowat 100 dorpen of landelijke domeinen.

Zelfbedruipendheid, zelfvoorziening, autarkie zijn de sleutelwoorden van de leiders van de abdij. Volgens hun eigen dagboeken uit 850, de ‘polyptieken’ dus, zorgen de ontelbare pachters massaal voor graan en linnen. Sithiu bezit zelfs wijngaarden aan de Rijn en aan de Aisne en andere gebieden zullen ongetwijfeld een variatie van alternatieve grondstoffen opleveren. Het enige probleem bestaat er in een afzet te vinden voor de overtollige producten die ze ongetwijfeld kunnen versassen aan de Saksen en de Friezen daar in het hinterland van de Noordzee. Graan wordt geruild tegen textiel. Vanaf de jaren 800 zijn er in dat hinterland een reeks van ‘villae’, domeinen zoals Quentovic, Fressin en ongetwijfeld ook de villae van Roxem en Westkerke die zich in de onmiddellijke nabijheid van de ‘Iserae Portus’ bevinden. Maar nergens is er sprake van een stad. Sithiu op zich heeft zelf ook niets weg van een stad.

Het monasterium van Sithiu met zijn twee kerken
Het is een klooster, een ‘monasterium’ dat van de wereld is afgescheiden door een kloostermuur, ongetwijfeld voorzien van een slotgracht binnen dewelke zich twee grote kerken manifesteren. De kerken van Sint-Omer in het hooggelegen deel, en van St.-Bertinus in de laagvlakte. Plus andere heiligdommen. De begraafplaatsen van de overleden broeders en de huizen van de levenden. Dertig kanunniken in het hoog gelegen gedeelte en 60 monniken bij Sint-Bertinus en verder nog zowat honderd knechten.

Vanaf 850 krijgen de arbeiders een jaarlijkse vergoeding, een prebende. Dat kan geld zijn, maar evengoed kunnen ze wat levensmiddelen en kledij toegewezen krijgen. Hier en daar zullen die wel een poging gedaan hebben om een habbekrats te verpatsen buiten de kloostermuren. Maar lang zal dat niet duren. In 877 wordt er al lang niet meer betaald met geld. Het bedienend personeel krijgt zijn producten vanuit zes villae waar zelf een visvijver toe behoort.

Je mag er zeker van zijn. In die dagen is Sithiu een abdij die perfect gescheiden is van de buitenwereld. Een heilige enclave. Hier en daar duiken de eerste Noormannen op. Na de dood van graaf Boudewijn I in 879, komen ze op gewelddadige manier terug naar het noorden van het koninkrijk, Vlaanderen incluis, verwoesten. Abt Raoul van Sithiu heeft gezorgd voor een indrukwekkende beschermende gordel rond de abdij, maar door gebrek aan tijd is vooral de vesting rond de heuvel en de kerk van Sint-Omer maar povertjes. De rechthoekige omheining in het noordwesten zal in de toekomst de grens vormen van Sint-Bertinus. De zuidkant met de kerk van Sint-Omer zal later ingepalmd worden door een of andere kasteelheer die er zijn mottekasteel zal op bouwen, het ‘castrum sancti Audomari’, het kasteel van Sint-Omer dat uiteindelijk zijn naam zal geven aan de stad die er uit de grond zal spruiten.

De burgensis krijgen elk zowat 18 are grond van Sithiu
Getuigen en kroniekschrijvers vertellen vaak over de schade die de abdij moet hebben geleden onder de Noorse invasies. Eigenlijk is de realiteit nog erger. De koning van Frankrijk schenkt de abdij van Sithiu aan graaf Boudewijn II. De noordelijke zijde van Frankrijk wordt als onverdedigbaar aan zijn lot overgelaten en de graaf moet er zijn plan mee trekken. De militaire adviseurs van de graaf varen er wel mee. Dorp per dorp, domein per domein worden verdeeld onder zijn ridders. Het fortuin van Sithiu verhuist van eigenaar. De nieuwe meesters van de gronden beschikken voortaan over de inkomsten uit graan en textiel.

Niet dat er in die jaren veel sprake is van inkomsten. De hele huishouding van het voormalige Sithiu is door de oorlog ontwricht. Het losmaken van al die domeinen uit de centralistische abdij, bevrijdt hoe dan ook de economische krachten van de streek en maakt het spel vrij voor ondernemen en zaken doen. Een onmiddellijk gevolg hiervan is het ontstaan van de stedelijke agglomeratie van Sint-Omer. De heilige grond van de abdij zelf, wordt verkaveld in ‘wereldlijke’ stukken van elk zowat 18 are waar de burgers van die dagen, de ‘burgenses’ of de ‘oppidani’ hun profijten mee kunnen doen. Sint-Omer wordt stilaan een stad.

Een ‘burgus’ of ‘oppidum’. Een zorgvuldig ingerichte en omringde ruimte met eigen privileges en met eigen stadswallen die het zullen uitzingen tot in 1789. In het jaar 938 krijgt de baljuw van Sint-Omer de titel van ‘praetor urbanus’. Urbaniseren. Verstedelijken. Woorden die we kennen. Nu ja, stad? Met elk een lap grond van 18 are moet de bewoning er binnen de stadswallen er ongetwijfeld nog altijd min of meer landelijk hebben uitgezien in die dagen. Een mix van handel en landbouw. Met de aanleg van de eerste straten van Sint-Omer die toch al de allure van de lokale burgers en hun privileges met zich meedragen en daardoor hemelsbreed verschillen van wat tot dan toe bekend is in de bescheiden ‘villae’ van Vlaanderen.

Sint-Vaast wordt stilaan Atrecht of Arras
De eigenaars van Sint-Omer zijn vrije mensen. Ze moeten wel cijnzen betalen maar ze hebben de vrije beschikking over hun gronden. Het castrum van die eerste stad is van een verbazingwekkende eenvoud. Aan de poorten van de burcht ontstaan er twee marktplaatsen. De kleine ‘Viès Markiet’ en de ‘Grant Markiet’ waar graan wordt verhandeld. Van uit die marktplaatsen vertrekken een reeks kleine en grote straten in de richting van de laaggelegen moerassen van de Audomarais. Later zullen die trouwens worden doorgetrokken naar de haventjes aan de Aa. Een andere rijke abdij, die van Sint-Vaast, ligt aan de basis van één van de grootste Vlaamse steden.

Atrecht dat later de Franstalige naam Arras zal toebedeeld krijgen. De streek is welvarend, de zolders van het platteland zijn kwistig met hun oogsten. Van een echte stad is nog nooit sprake geweest. De Galliërs, meer bepaald de Atrebaten, hebben hun bescheiden woonplaats de naam ‘Atrades’ gegeven, een plek die uitgekozen worden door de Romeinen om er een garnizoen te huisvesten. Atrecht ligt op een interessant kruispunt en zo is er al heel vroeg sprake van de export van laken over heel Frankrijk. Maar met de graanoverschotten wordt aanvankelijk niet zo veel gedaan. Na de Romeinse tijd blijft het slaperig gehucht bestaan op zijn initiële grootte van ongeveer 10 hectare.

Het feitelijk ontstaan van de stad Arras vindt zijn oorsprong in de bouw van de abdij van Sint-Vaast rond het jaar 650. In 866 zien we een eerste close-up van de regio. Rond de abdij is het landschap nog helemaal ruraal. 1400 stukken akkerland die in totaal 600 hectare beslaan en vijf primitieve kerkjes, de eerste bidplaatsen waar de landbevolking terecht moet of kan voor geestelijk soelaas. De enkele duizenden bewoners zijn onvoldoende om over enige stad te spreken.

In 867 zijn er aan de noordzijde van de abdij twee tavernes opgetrokken die via een weg met elkaar verbonden zijn. Langs deze weg zal wel wat volk hebben gewoond, maar de Noormannen zorgen er in 880 wel voor dat de hele onbeschermde zone uitgeveegd wordt. Abt Raoul gaat zijn abdij in die periode versterken en maakt er een ‘castrum’ van zowat 6 hectare van die zich later in zuidoostelijke richting zal uitbreiden tot de stad Atrecht.

Ganda, de hoofdstad van de pagus Gandensis
Schrijver Alain Derville kijkt nu naar Gent dat aanvankelijk het territorium is van twee abdijen. Die van Sint-Pieter (Blandinium) en die van Sint-Bavo (Ganda), maar die blijken niet echt een bepalende rol te spelen bij de geboorte van de stad zelf. Gentse archeologen en historici zijn er in geslaagd om doorheen de geschiedenis drie opeenvolgende stadskernen te identificeren. Eerst die op de linkeroever van de plek waar de Leie en de Schelde in elkaar vloeien. Een stadskern die gebouwd is op de resten van de Gallo-Romeinse bouwsels. Hier komt Sint-Amand preken en bouwt hij in 630 een kerkje dat al gauw de abdij van Sint-Bavo wordt.

We bevinden ons in Ganda, de hoofdstad van de pagus Gandensis met een haven die in de 9de eeuw de Frankische vloot herbergt. De zwanenzang van Ganda komt er echter al in 851 en in 879 wanneer de Noormannen er hun kamp opslaan en uiteindelijk de hele boel in brand steken. Kort daarna is er al sprake van een nieuwe bevolkingskern. Gandavum ligt ietwat stroomafwaarts van het vroegere Ganda.

Een buurt van 7 hectare rond de Sint-Janskerk, nu Sint-Bavo, die beschermd wordt door een C-vormige aarden wal. In die tijd blijven de Noormannen woekeren en bouwt de lokale burggraaf, op een terrein van 5,5 hectare, langs de Leie en ten noorden van Gandavum, noodgedwongen een beschermende burcht. Zijn ‘vetus castellum’. De burcht is de voorloper van het beruchte kasteel van de graven van Vlaanderen, het Gravensteen. Op deze plek komen de haven en de stad van Gent stilaan tot ontbolstering. Aan de poorten van het Gravensteen vertrekken de aders van de ‘oppidum’, en komen de Korenmarkt en de Vismarkt tot leven.

De landing van Normandië en het ontstaan van Brugge
De oorsprong en de oudste geschiedenis van de stad Brugge is al uitvoerig bestudeerd. ‘De uitkomst van die studies is ontgoochelend’, beweert Derville in zijn boek; ‘de geleerden spreken elkaar de hele tijd tegen. Het komt er op neer dat ze niet weten hoe en wanneer deze stad is ontstaan!’ Straffe woorden zijn het. De topografie geeft aan waar Brugge ontstaat. Op een zandheuvel, die met zijn hoogte van een meter of tien in het zuiden uitkijkt op het ondiepe water van de Reien en aan de noordkant 6 meter uitsteekt boven de kustvlakte van de Noordzee. Al de Brugse kanalen zijn dus uiteraard kunstmatig en laattijdig aangelegd.

De zee heeft niets te maken met de geboorte van Brugge op zich maar veeleer met het ontstaan van een wegverbinding die dan op zijn beurt wel onrechtstreeks er voor zal zorgen dat de stad tot stand zal komen. Brugge ontstaat vanuit een ‘castrum’ op de weg tussen Oudenburg en Aardenburg. De toponymie is het helemaal niet eens met de topografie! De naam van de stad is Bryggya is op en top een Noorse naam die ‘landing’ betekent. Zoals in de ‘landing van Normandië’. Is Brugge dan toch geboren aan de zee? Zo ja, wanneer? Vandaag ligt Brugge zowat 12 km van de kust verwijderd.

De opeenvolgende transgressies van de Noordzee hebben die vlakte met wisselend succes onder water gezet en hebben hier en daar bevaarbare zeegeulen doen ontstaan die tot aan de stad reiken. Bij het begin van onze nieuwe tijdsrekening, tijdens de eerste Duinkerke-transgressie, is het Noordzeewater doorgedrongen tot aan Fort Lapin zowat 2 km ten noorden van de burcht. Hier in Fort Lapin wordt nogal wat luxueus aardewerk ontdekt. De vondsten geven aan dat het hier commercieel erg actief moet aan zijn toegegaan. Een Gallo-Romeinse nederzetting schrijft Wikipedia. Deze vicus wordt rond het jaar 300 verwoest door de Barbaren en komt rond diezelfde periode trouwens nog eens onder water tijdens de tweede Duinkerkse transgressie. Of er toen een bevaarbaar kanaal was dat het huidige Brugge bereikte, is niet bekend. Er is in elk geval geen spoor van enige maritieme activiteit. Het water trekt zich in de loop van de tijd opnieuw terug.

Emma van Normandië in het Brugge van 1037
Het is pas met de derde transgressie rond het jaar 1000 dat Brugge dichter komt te liggen bij de Noordzee. We weten dat Emma van Normandië, de koningin van Engeland en Noorwegen, in 1037 een tijd komt verblijven in Brugge en dat ze voet aan wal zet niet ver van de burcht. ‘Haud longe a castello’ verraden de archieven. Er moet dus in die tijd een haven bestaan in Brugge. Er is trouwens nogal wat energie gestopt in het terugvinden van sporen uit die maritieme wijk rond de oude kerk van Sint-Walburga ten noorden van het kasteel. Maar er zijn geen harde bewijzen gevonden. De hypothese van een havenactiviteit blijft onbewezen.

Het middeleeuwse Brugge heeft zich in elk geval niet uitgebreid naar de noordelijke kant van burcht, maar wel naar het zuidwesten, langs de weg die vertrekt van de markt. Precies zoals alle steden die tot stand kwamen in de groeiperiode van de Vlaamse landbouw. ‘Is Brugge ooit een graanmarkt geweest?’ De archeologen leveren geen afdoend antwoord op deze vraag. Ze slagen er in om een klein ‘castrum’ uit de jaren 800-850 te identificeren. Mogelijk een plek die vanaf 854 als schuilplaats diende ten tijde van de Noorse invallen. De grote middeleeuwse burg, zijn compagnon de Sint-Donaaskerk, en ongetwijfeld ook zijn kanalen en zijn molen, dateren uit de regeerperiode van graaf Arnold I (918-965). Voor de rest is er niets. Romeinse overblijfselen zijn er zeldzaam. Onder de Burg zelfs onbestaande.

We moeten absoluut niet denken dat Brugge ooit deel heeft uitgemaakt van de verdedigingsgordel die Rome in de 4de eeuw liet bouwen aan de ‘litus saxonicum’ om het land te beschermen tegen de Saksische invallen. Alain Derville haalt nog eens uit naar de Vlaamse historicus Adriaen Verhulst die dacht dat de Brugse agglomeratie ooit geboren is uit een Romeinse ruggengraat, verbonden met een heerweg. Er zal ooit wel een Romeinse weg geweest, vermoedt Derville, maar die zal toch nooit deel hebben uitgemaakt van het internationale Romeinse wegennet dat al met al vrij goed gekend is.

Brugge en Sint-Omer zijn in 938 de enige steden
En wat dan met de teksten uit de ‘Vita Eligii’ uit de 7de eeuw, die het hebben over een ‘municipium flandrense’ die Brugge moet voorstellen? De hoofdstad van het kleine graafschap van Vlaanderen. Een wat pronkerige titel. Ongetwijfeld een gerechtvaardigde verwijzing naar Brugge als centrumplaats. Maar vergeet al de opgeblazen poeha van geschiedschrijver Pirenne. Er is nog geen noemenswaardige handel en nijverheid in de pagus Flandrensis. Hoe dan ook, die eerste titel van centrum zal veel Vlaamse historici sussen in hun bewering dat Brugge ooit de hoofdstad van Vlaanderen is geweest. In 892 citeren de ‘Annales Vedastini’ de ‘burgus’ van Brugge.

Een oppidum met poorters. En als er sprake is van poorters, dan betekent dit dat er ook een poort zal zijn. Een document uit 941 lijkt wat meer inzicht te bieden. Het handschrift in de archieven van de Gentse Sint-Pietersabdij vermeldt de verbanning van pachters in 23 dorpen en in 2 ‘vici’, die van Brugge en Antwerpen. Brugge wordt dus in die dagen al beschouwd als een stad en niet als een dorp. Een stad net zoals Sint-Omer in 938. Het is duidelijk dat de burchten de steden voorafgaan. In Sint-Omer zit er een verschil tussen van zowat 20 jaar. De bouw van die burchten zal haastwerk geweest zijn. Een imminente noodzaak om zich te verschuilen voor de vervaarlijke Noormannen in de jaren 880.

De aanleg van een stad zal meer tijd en overleg gevergd hebben. De burchten liggen helemaal niet centraal in de steden, maar ze zijn wel dominant. De stadsontwikkeling begint bij de burchten. Een beetje in de vorm van een komeet. Een dichtbevolkte kop met een lange straat als een staart met een hoop parallelle en convergente steegjes. De eerste burchten liggen allen op een heuvel. Kwestie van een goed uitzicht te hebben op de vijand. Maar niet enkel de hoge ligging speelt een rol. Laaggelegen gronden aan de punt van een schiereiland temidden van de moerassen zijn ook prima. Wat later gevolgd door een marktplaats en een verkaveling van de gronden in de nabijheid waardoor de woonerven haast organisch in een voortdurend uitdijende halve cirkel vermenigvuldigen. Kijk maar naar Aire (Ariën-aan-de-Leie), Lens en eigenlijk ook Béthune en Douai.

Het ontstaan van de moerassteden Rijsel, Douai & Ieper
Hun ligging verraadt eerder een militaire intentie dan een economische context. We bespeuren de noodzaak om zich op korte tijd te beschermen en voelen niet echt een langetermijnvisie. Die nieuwe steden sluiten zich wel nauw aan bij enerzijds de bevolking op de hoogvlaktes van Artesië en het lage land van Vlaanderen, waar ze geboren worden aan de punt van een rivier waar die begint bevaarbaar te worden. Moerrassteden noemt Derville ze. Gelegen in de moerassige gebieden bij het water middenin een vallei. Rijsel en Douai zijn prachtige voorbeelden. Ieper wordt vreemd genoeg compleet genegeerd door Alain Derville.

Een open wonde in zijn schitterend boek, want de heropbouw van de eerste burcht aan de Kortemeersch, het moerassige gebied in de Ieperse prairie aan de bevaarbare Ieperlee, is precies een schoolvoorbeeld van zijn stelling van het ontstaan van de moerassteden. En ook het tijdstip, het jaar 902, ligt volledig in de lijn van wat hij beweert. We trekken eerst naar Rijsel die zich ontwikkelt tussen de hoge en de lage rivier van de Deûle. De site van Rijsel is haast een eiland, kijk maar naar de naam Insula, Isla, Lille. Het eiland. In het begin moet die hoge Deûle nochtans eerder een moerasachtige plas geweest zijn.

We mogen veronderstellen dat hier ooit een dam werd gebouwd om het water van de rivier op te vangen. De nieuwe watermolens in de bocht van de rivier en bij de burcht worden gevoed dank zijn die kunstmatige watertoevoer. Het kanaal van de Baignerie, een schoolvoorbeeld van een investering die een lokale burggraaf ooit heeft gedaan. Het kanaal levert trouwens het water van de slotgracht van het mottekasteel, het ‘castellum’ dat al geciteerd wordt in 1054. De lokale archeologen hebben een vette kluif aan het uitzoeken van de Rijselse bodem. Van de Romeinen vinden ze niets. 3,6 meter onder de grond van de ‘Rue de Paris’, van de oude binnenstand, stoten ze op de resten van een straat uit de 7de eeuw.

Was Rijsel ooit het koninklijk domein van Treola?
De, met houten planken geplaveide, straat heeft een breedte van 5 meter en moet zich ooit bevonden hebben op het nieuwe van de lage Deûle. In die dagen is er nog geen sprake van een kunstmatige bevloeiing van de hoge Deûle en van de Rijselse watermolens. Er wordt aardewerk uit de 6de tot de 9de eeuw gevonden. Pottenbakkersovens van het jaar 900. Tekent hier toen al een echte stad voor present? Historici beweren dat dit de plek is waar zich ooit het koninklijk domein van Treola, de ‘casa indomnicata’, bevond dat in 800 omschreven wordt in de ‘Brevium exampla’.

Hoe dan ook; Rijsel geldt al heel vroeg als een belangrijk bestuurlijk centrum dat rond het jaar 1000 de hoofdstad wordt van een belangrijke kasselrij van het ‘territorium islense’ met een eigen zaalhof, een burcht die zich op een hoge motte bevindt net na de laatste bocht van de rivier. En niemand die weet wat er nu eerst was; de bocht in de rivier of het ‘castellum’? Rond 1066 sticht graaf Boudewijn V het kapittel van Sint-Pieters en de bouw van de Sint-Pieterskerk. En versterkt hij ongetwijfeld het lokale zaalhof. De geestelijken krijgen een terrein van 10 hectare van de graaf en dat gebied sluit nog altijd nauw aan met de huidige grootte van de Sint-Pietersparochie.

Het ‘castrum islense’ mag dan wel de grootste zijn van Vlaanderen, toch is het meteen ook de jongste en een van de laatst gebouwde kastelen van het graafschap. Een keure uit 1066 preciseert een en ander. Rond het ‘castrum’ zijn er de buitenwijken, de ‘suburbium’ en de markt (forum). We zien het beeld van een flink ontwikkelde en dichtbevolkte stad waar de graaf zijn personeel en de kanunniken kan laten verblijven. Rijsel moet dus ontstaan zijn nog voor zijn burcht er gekomen is en dat zien we ook in de atypische niet-centrale ligging van het kasteel.

Douai, de stad met de dubbele identiteit
De origines van Douai (Dowaai) zijn andere koek. De stad wordt geboren op de grens van 2 graafschappen. De pagus van Ostrevant ten oosten van de Scarpe en in het westen de ‘pagus leticus’. In de 19de eeuw zullen de mensen in Douai nog altijd twee verschillende oppervlaktematen hanteren. Die van Ostrevant en die van Artesië. Een dualiteit die zich op alle niveaus heeft genesteld. Zelfs tot in de eigen stadsnaam. De rivier de Scarpe fungeert als grens tussen de twee pagi. Hier, in deze grillige context, ziet Douai, een van de grootste steden van Vlaanderen, zijn eerste daglicht.

In de 13de eeuw hangt de oostelijke kant van de stad af van de kasselrij van Lens die aan ‘Duaculum’ of ‘Douayeul’ zijn eigen wetgeving en zijn schepenen toekent. Ten tijde van de Franken ligt het economisch zwaartepunt wat verder stroomopwaarts aan de Scarpe. In Lambres dat een eigen fiscale wetgeving en een haven met tolrechten bezit die in 911 geschonken werden aan de kerk van Cambrai. Op de linkeroever van de Scarpe, op een heuvel tussen twee moerassige valleien in, woont nogal wat volk. Het is een landelijk gebied dat in 880 ook plat werd gelegd door de Noormannen. Op het noorden van de heuvel zal waarschijnlijk een eerste burcht gebouwd zijn, de ‘vetus turris’, in een poging om het land te beschermen tegen de terreur.

Wanneer de graven van Vlaanderen een aanvang maken met hun expansiepolitiek en een reeks zuidelijke pagi innemen, evolueert Douai voor de Vlamingen tot een strategische locatie. Graaf Arnold I krijgt in het jaar 930 een ‘castrum’ van 2 hectare toegewezen met een belangrijke landbouwexploitatie. Er komt een kapittel dat kan beginnen met de relieken van een zeker heilige Amé. Daarbij komt de transfer van de vaar- en tolrechten van Lambres.

Graaf Boudewijn sticht Geraardsbergen of Grammont
Aanvankelijk is Douai niet meer dan een kasteel en een haventje, waar zich stilaan ambachtslieden en handelaars zullen vestigen in deze slaperige kronkel aan de Scarpe, die uitgroeit tot een ‘castel bourgeois’ van enkele hectare met inbegrip van een vismarkt. De rest wordt niet eens beschermd door wallen en wordt helemaal niet verstedelijkt en zullen voor altijd de landelijke buitengebieden van ‘Douayeul’ blijven. Rond 960-965 wordt er onder impuls van graaf Arnold I een aanvang gemaakt met grote waterwerken in het nieuwe stadje. De Scarpe wordt verbonden met een nieuwe stuwdam in Vitry.

Het kanaal is voor die tijd gigantisch en wordt tussen de 6 en de 10 meter diep uitgegraven. Het verval van het water mag er best wezen. 22 m niveauverschil over een lengte van 12 km doet heel wat watermolens draaien. In Douai zelf is het verval 2,75m, ingedeeld in 6 opeenvolgende niveaus waar op een bepaald moment in de tijd 16 watermolens aan het werk worden gezet. De haven van Douai wordt op slag belangrijk. Mondjesmaat ontluiken er nog meer steden in Vlaanderen. Toeval of niet? Maar rond 1070 is er onder andere sprake van Geraardsbergen en Ardres. Graaf Boudewijn VI sticht Geraardsbergen, Grammont, met de bedoeling om er controle uit te oefenen op de markten van Vlaanderen, Henegouwen en Brabant waar er op dat moment amper sprake is van steden.

De graaf beslist om een onbeschermde ‘oppidum’ te bouwen aan de rechteroever van de Dender. De ligging van het nieuwe Geraardsbergen is ideaal. De moerassige vallei is hier minder breed en vergemakkelijkt de doorgang van een weg tussen Gent en Brussel. Er wordt een nieuwe bevolking aangetrokken door de schenking van gronden, vijvers en weiden. Een burcht komt er niet, de bevolking moet zelf zijn vrijheden en stadskeure maar zien te verdedigen.

De voorhavens van de Vlaamse steden
Ardres wordt een beetje om dezelfde reden opgebouwd op een afstand van 20 km ten noorden van Sint-Omer. De naam ‘Ardres’ komt van het Vlaamse ‘arde’ of ‘aarde’, zoals in ‘Oudenaarde’, en staat synoniem met land en grasland. Rond 1067 is er sprake van een kroeg waar de herders samen komen. Hier, rond deze herberg ontstaat stilaan een gehucht. De eigenaar zelf woont wat verderop in Selnesse, een vroegere Romeinse site aan de moerassige rand van de kustvlakte. Rond de herberg legt hij een bos aan en wat later is er sprake van een sluis, een molen en een vijver.

Er wordt een kunstmatige heuvel opgetrokken, een motte met een toren die opgetrokken wordt met balken van Selnesse. Hij krijgt van zijn leenheer de toestemming om in Ardres een klein stadje aan te leggen, een ‘oppidulum’ die hij op de klassieke manier laat omwallen door een kroonvormige slotgracht. Centraal komt de donderdagmarkt. Het stadje zal bestuurd worden net zoals in het naburige Sint-Omer. Een kasselrij met pairs, baronnen en schepenen. Vanaf 1068 komt er een kapittel, de kerk mag uiteraard niet ontbreken, met tien kanunniken die voldoende relieken met zich meebrengen om de bevolking onderdanig en dus gelovig aan zich te binden.

Wat later wordt er trouwens nog een tweede slotgracht aangelegd. Rond 1200 zal het schepencollege van Ardres beslissen om een echte stadsgordel te bouwen zoals dat het geval is in Sint-Omer. Ardres wordt dus ontworpen als een klein feodaal centrum met eigen administratieve, religieuze en economische bevoegdheden. Achteraf zullen enthousiaste archeologen ontdekken dat die fameuze eerste slottoren van Ardres eigenlijk maar een groot huis met drie verdiepingen was. En zonder enige militaire betekenis. Rond en vanaf 1165 ziet een derde generatie van steden het daglicht. De voorhavens langs de kust zijn aan het uitdijen. Calais, Grevelingen, Mardyck, Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende, Damme en Biervliet.

Van Wissant tot in Brugge
Op het einde van de Romeinse periode, rond 270, staat de hele Vlaamse laagvlakte onder water door de tweede Duinkerkse transgressie. Daarna settelt de kustvlakte zich en doet de verzanding zijn nodige werk over de hele kustlijn tussen Wissant , wit zand, en Brugge of zoals Dante het pleegt te zeggen ‘tra Guizzante e Bruggia’. Tijdens de Frankische eeuwen is er amper sprake van enig maritiem leven langs de hele zeestrook. Met uitzondering van de monding van de Ijzer die de haven ‘Iserae Portus’ herbergt en die de Noormannen als het ware een vrijgeleide geeft om Vlaanderen binnen te dringen.

De genadeloze combinatie van eb, vloed en tijd zorgt voor grote veranderingen aan de zeekant. De vroegere golf van Frethun maakt plaats voor een aantal diepe zeearmen die uitgeven op wijde riviermondingen. Oude handschriften hebben het er over. In 944 worden de relikwieën van de heiligen Ausbertus, Wulfram en Waudrille overgebracht van Boulogne naar Brugge. De stoet gebruikt de oude ‘strata’ aan de achterkant van de duinen en moet wachten tot het laagwater is om de golf over te steken en Oye te bereiken. Een eeuw later heeft de golf zich tijdens de derde Duinkerkse transgressie getransformeerd in een zout moerassig land waar voortaan schapen gekweekt worden. De Neuna. De nieuwe Aa. De inham van de Neuna zal weldra Calais tot leven brengen.

De annalen stippen de periode tussen 1014 en 1040 aan. Een nieuw maritiem leven ontpopt zich rond de nieuwe inhammen. In 1040 is er sprake van de golf van Greveninga in het estuarium van de Aa. In 1103 is de haven van Gravelines, Grevelingen, een feit, een haven die trouwens 4 jaar later in het bezit komt van zijn eigen tolrechten. In Calais zelf is er een klein gehucht waar de vissers gehuisvest zijn. Het oude Calais wordt in die dagen nog Petresse genoemd. De verwijzing naar ‘Greveningae’, in het meervoud, slaat waarschijnlijk op de baai waar beide vissersdorpen zich aan het ontwikkelen zijn.

Later, in 1179, verdwijnt de laatste twijfel als de twee havensteden bij naam worden genoemd: Graveninghes, de ‘Novus Portus’, de nieuwe haven die gesticht werd door graaf Filips van den Elzas, en Calais dat er tussen 1163 en 1173 gekomen is dank zij Mathieu, de graaf van Boulogne en de broer van Filips van den Elzas. De andere Vlaamse havensteden dateren eveneens min of meer uit diezelfde periode. Eigenlijk is er aanvankelijk enkel sprake van voorhavens.

Dit fragment maakt deel uit van deel 4 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P0900001.htm

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>