De halsrechting van Karel Kestelyn

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     427 Views     Leave your thoughts  

Op de 23ste januari 1867 hield de heer Thonissen een voordracht voor de kamers en gaf de cijfers van de ‘gehalsrechten’

Tussen 1830 en 1860 hebben er in België voor vadermoord, moord, vergiftiging en moord vergezeld van een andere misdaad, 721 veroordelingen en 52 halrechtingen plaats gehad. De laatste van die reeks was de onthoofding van Karel Kestelyn te Ieper. In de krant ‘Burgerwelzijn’ van de 16de december 1861 – stond het volgende berichtje: Sprekende over de moord van Reningelst, zegt een blad van Ieper: zondagmorgen, is er te Reningelst een moord begaan op de genaamde Marie de Breune en Theophile Salomé.

De echtgenoot was naar de grote mis gegaan en het is tijdens zijn afwezigheid dat de moord bedreven is geweest. Ten huize terugkomende zag hij zijn vrouw en zijn neef oud 13 jaren, badende in een stroom bloed. De vrouw had een diepe en grote wonde aan de keel, gedaan bij middel van een snijdend voorwerp en had de hoofdschedel ingeslagen.

Wat het kind aangaat, het was de keel afgesneden. Deze moorden in Reningelst maakte grote indruk in de streek. Het parket ging op zoek naar de daders en al snel kwam men bij Karel Kestelyn en zijn kornuiten terecht. Een bende die bekend zou worden onder de naam: De Rode Bende. Op de 23ste maart 1862 begon voor het hof van assisen van West-Vlaanderen het proces tegen deze bende. Er stonden 7 mannen en 3 vrouwen terecht voor drie moorden en 40 ‘dieften’.

Bij de twee moorden te Reningelst was er een derde gekomen; de moord op boer Assez te Staden in de nacht van de 5de op de 6de maart 1862. Niet alleen de Ieperse kranten- bijvoorbeeld ‘Le Propagateur’ en ‘Burgerwelzijn’ schonken aandacht aan dit proces. De Brugse ‘Standaard van Vlaanderen’ voegde letterlijke verslagen van de verhoren als bijlage bij zijn krant toe en in Gent verscheen er tijdelijk een krantje ‘rechterlijke kronijk van Vlaanderen’ met onder andere tekeningen van de betrokkenen.

Hugo Vlamynck – schreef één en ander uit in een brochure ‘DE RODE BENDE VOOR BRUGS ASSISENHOF’ en Willy Maeckelberghe van Poperinge publiceerde een artikel in ‘Aan de schreve’ onder de titel ‘Moord op de Ouderdom – 8 december 1861. De onafhankelijke – 5 juli 1863

Halsrechting van Kestelyn
Woensdag, 1 juli om 7 uur ’s morgens, heeft Karel-Lodewijk Kestelyn, te Ieper, de schelmstukken geboet voor dewelke hij door het assissenhof van West-Vlaanderen was ter dood veroordeeld geworden.

De dag te voren, in den vroege morgen, was reeds het gerucht met bliksem snelheid verspreid geworden dat de strafuitvoering gisteren zou plaats grijpen. De tijding er van was bij telegrafiek-bericht te Ieper aangekomen. Dinsdagnamiddag om 5 uur, berichtte de bestuurder van het gevang van Brugge, waar Kestelyn was opgesloten aan de veroordeelde, dat hij nog slechts zijn betrouwen in God moest stellen, dat zijn voorziening in cassatie en in genade waren verworpen, dat hij nog diezelfde avond naar Ieper zou vervoerd worden om er den volgende dag zijn straf te ondergaan.

Kestelyn die sedert zijn veroordeeling niets verloren had van die stoefferij en grootspraak waarvan hij tijdens de debatten zo vele bewijzen had gegeven, vernam die schrikkelijke tijding met een schijnbare kalmte, maar zijn wezen was zeer bleek geworden en zigtbaar ontsteld. Ik verwachtte er mij aan, zegde hij, ik heb liever morgen te sterven dan hier in dit droevig gevang te moeten kwijnen. Enige tijd nadien zegde Kestelyn vaarwel aan zijn ongelukkige vrouw. Dit afscheid was zeer kortstondig. Hij heeft zijn vrouw met de uitstorting van zijn hart omhelsd, haar zeggende van zich te troosten in de overtuiging dat hij onschuldig stierf en haar aanmanende, wanneer zij haar vrijheid zou teruggekregen hebben, van goede zorg voor hare drie kinderen te dragen en hen in de baan van de deugd op te leiden.

Kestelyn en zijn vrouw weten niet dat de oudste van hun drie kinderen onlangs door het gerechtshof van Ieper is veroordeeld geworden om, tot de ouderdom van 21 jaren in een verbeteringshuis te worden opgesloten. Dit ongelukkig kind is voorlopig opgesloten in hetzelfde gevang als zijn vader en zijn moeder, en wist niets van het hartscheurend toneel dat op enige stappen afstand plaats greep. Kestelyn is vervolgens in een celrijtuig naar de statie gebracht, waar hij is geplaatst geworden in een rijtuig van eerste klas, vergezeld van drie gendarmen, van den eerwaarde heer Vande Walle, aalmoezenier van het gevang van Brugge, en van den eerwaarde Pater Platteau.

Gedurende de hele reis van Brugge naar Ieper, heeft Kestelyn een grote onverschiligheid aan de dag gelegd; hij heeft zich gedragen, zegt een van zijn reisgezellen, als een man die naar de kermis gaat, zich niet bekreunende met het vreselijk doel van zijn reis. Hij heeft eerst een sigaar gesmoord, welke Meneer Vande Walle hem gegeven had.

Deze gezegd hebbende dat het een sigaar was van 15 centiemen, heeft Kestelyn hem geantwoord: Gij zijt wel gelukkig, gij, van zulke goede en dure sigaren te kunnen roken, ik, ik moest mij tevreden houden met voor 7 centen tabak voor een hele week. In de statie van Roeselare heeft hij een glas water gevraagd en gedronken, dan heeft hij een pijp gerookt, altijd redekavelende met zijn reisgenoten. In de statie van Kortrijk waar de trein is aangekomen om 8 uren 20 min., heeft hij een tweede glas water gedronken en een koek gegeten.

In de statie van Kortrijk was een grote menigte van volk bijeengetroept, hijgende naar de aankomst van de trein die den veroordeelde bevatte. Maar de gordijnen van het rijtuig bleven zorgvuldig dicht. Kestelyn, het gerucht vernemende dat men buiten hoorde, heeft meermaals aan de gendarmen gevraagd om zich aan het portaal te plaatsen.

Een bediende van den ijzeren weg, verplicht geweest zijnde, om reden van dienst, in het rijtuig te treden, heeft Kestelyn gevraagd om wat uur hij te Ieper zou aankomen. Rond 10 uur, antwoordde de wachter. Nog zo lang, zegde Kestelyn, ik wilde er reeds zijn. Ik verveel mij op den ijzeren weg. In al de staties, te Menen, te Wervik, te Komen, wachtte een grote menigte de doortocht van de trein af, waarop zich ook de afschuwelijke guillotine bevond.

In de statie van Ieper was het nog erger, de menigte was zo groot dat de reizigers niet uit de trein konden geraken. De gendarmen konden de veroordeelde met moeite tot aan het celrijtuig brengen. Kestelyn die het zinneloze kapootjen droeg, had veel moeite om zich te bewegen. Hij zegde tot de gendarmen: ‘help mij toch om op en af te treden, of ik breek mij nog de hals, en dan zult gij hem niet meer moeten afsnijden.’

Het was 10 uren ’s avonds, de nacht viel in, men kon de gelaatstrekken van Kestelyn niet waarnemen en de menigte rond het rijtuig geschaard, volgde de stoet tot aan het gevang. Onderweg verzocht Kestelyn de gendarmen van hem niet te verlaten. ‘Ik zie de gendarmen van Ieper niet graag’ zei hij; ‘zij zijn te stout’.

Het gevang binnentredende zegde hij met zijn gewone grootspraak: ‘Hier ben ik’. In zijn cel gebracht zijnde, heeft hij gevraagd waar Goebe was, ‘die schobbejak’; ‘hij is de fout van alles’, voegde hij er bij. Goebe is een der wachters van het gevang van Ieper, die de justitie op het spoor van de plichtigen heeft gebracht, en is de ergste getuige tegen Kestelyn geweest. De bestuurder hem gevraagd hebbende of hij iets wilde eten, heeft Kestelyn geweigerd, zeggende dat hij zeer goed gegeten had te Brugge.

Dan werd de deur van zijn cel gesloten en op het register van de gevangenis werden deze noodlottige woorden geschreven: nr 1249 Kestelyn, Karel, dagloner, oud 42 jaren geboren te Elverdinge, veroordeeld tot de dood door het assisenhof van Brugge, passagier, neergezet in het arresthuis voor een nacht om ter dood te worden gebracht.’

Men zou zeggen dat die koude en naar bloed riekende woorden daar door een hand van 1793 zijn neergeschreven. Te middernacht heeft de procureur des konings van Ieper, bijgestaan door zijn griffier, aan Kestelyn het vonnis voorgelezen waarbij zijn voorziening in cassatie was verworpen evenals de verwerping van zijn vraag om genade.

Hem gevraagd hebbende of hij niets te zeggen had heeft de veroordeelde ‘neen’ geantwoord. Dit woord herhaalde hij de volgende morgen aan den onderzoeksrechter; De hele nacht ging zonder slapen voorbij voor de veroordeelde. Hij sprak over verschillige zaken met de twee priesters, met den eerwaarde heer De Blauw, aalmoezenier van het gevang van Ieper, met twee gendarmen en twee wachters.

Om 2 uren zegde men hem dat hij zich moest voorbereiden om te sterven en zich met God te verzoenen. Kestelyn zegde dat hij gereed was. Hij verkoos tot biechtvader de eerwaarde pater Platteau. Bij het krieken van den dag, ontving hij voor de laatste maal de heilige communie, onder de mis die voor zijne ziel werd gelezen, in tegenwoordigheid van de gevangenen en van gans het peroneel van de gevangenis.

En dan ving een hartroerend schouwspel aan. De achtbare priester, die de mis deed, beklom de predikstoel en aanzocht met een door de aandoening gebroken stem de aanwezigen om met hem de gebeden der stervenden te lezen, over een mens die in hun midden was neergeknield, nog vol leven, kracht en gezondheid en die nochtans binnen weinige ogenblikken zich in de eeuwigheid zou bevinden.

Zijn laatste woorden vergingen in een pijnlijke snik waarop een luide siddering antwoordde ontsprongen uit de gedrukte borsten en die noch de heilige majesteit van de plaats, noch het onverbiddelijk ordewoord van de gevangenis hadden konnen bedwingen. Kestelyn alleen doorstond met vastberadenheid, zonder zichtbaar teken van ontroering noch van zwakheid, die wrede beproeving, misschien de pijnlijkste van alle die den lange doodstrijd van een veroordeelde vergezellen.

Zijne krachtdadigheid verliet hem toen hij, na de mis, zich in de tegenwoordigheid bevond van zijn twee jongste kinderen, die hem gedurende de nacht door hun grootmoeder waren aangebracht. Kestelyn rukte hen beurtelings van de grond, knelde hen tegen zijne hijgende borst, onder een vloed van tranen, en gaf zijn vaderlijke zegen aan die kleine ongelukkige schepseltjes, oud het een 5, het anderen 2 ½ jaren.

Dit toneel verbrijzelde het hart, zelfs dat van de gerechtsdienaars. De onschuldige wezen werden weggebracht. Van dan af was Kestelyn als spraakloos geworden. Enkel bedankte hij nog de menslievende priesters en den bestuurder van de gevangenis voor hun zorgen en hun goedheid gedurende den nacht van waken die zij naast hem hadden doorgebracht.

Hij doorstond zonder aarzelen de afschuwelijke operatie der toilette, zijn gedachten waren niet meer op deze aarde. Moeten wij het zeggen in ’t voorbijgaan? Bij het verlaten van het gevang, wist de schoonmoeder van Kestelyn het diep medelijden te benuttigen die de kinderen van de veroordeelde inboezemden. Zij geleidde hen van straat tot straat gedurende de hele morgen en ontving aldus talrijke almoezen. Het schavot was opgericht op het plein der krijgsverrichtingen, beter te Ieper gekend onder den naam van Liefdeplein.

Bij het eerste schemerlicht stond er al een dicht bijeengepakte menigte, toegesneld van verscheidene uren in de omtrek, het plein en zoals altijd waren de vrouwen in de meerderheid. Een afdeling van het 11de linie regiment heeft dan post gevat rond het afschuwelijk gevaarte dat men de guillotine heet. Om 7 uren klokslag, zijn de poorten van het gevang nabij het plein gelegen, geopend geworden, een gesloten celrijtuig kwam naar buiten, omringd van talrijke gendarmen te paard, onder de bevelen van de wachtmeester Prismée, een der voornaamste beschuldigers tijdens het proces.

Op het ogenblik dat het rijtuig voor het moordtuig stil hield, hoorde men een ijzend trillen onder de menigte. Kestelyn beklom met vaste stap de trappen van het schavot, de doodskleur verfde zijn gelaat. Hij wierp een vlugge oogopslag op het mes, en heeft een laatste maal het Christusbeeld gezoend dat zijn biechtvader tegen zijn lippen drukte.

Een ogenblik later meldde de doffe slag der driehoekige slachtbijl dat Kestelyn zijn schuld aan de menselijke rechtvaardigheid betaald had, en zich voor de goddelijke vierschaar bevond. Op dit teken wierpen de twee geestelijken, die de ongelukkige vergezeld hadden tot het laatste ogenblik van de boeting, zich op de knieën, voor het slachtoffer de goddelijke genade afsmekende.

Door een onweerstaanbare macht aangedreven gebed der werktuigen van de menselijke rechtvaardigheid samensmeltende met die van de vertegenwoordigers van de goddelijke gratie; Bij dit toneel zo zeer geschikt om te ontroeren, heeft de ontelbare menigte die het plein overdekt ook al de knieën gebogen en gedurende enige minuten, heerste er een ware en plechtige stilte. De handen waren samen gevoegd en al de lippen, bleek van aandoening, murmelden een vurig gebed voor hem die gestorven was tot boeting van een groot schelmstuk;

Enige minuten later, werd de kist, geleverd en toegenageld door de broeders van liefde, zonder geleide, naar het kerkhof gevoerd. De menigte ging langzaam uiteen, terwijl de schrijnwerkers het bloedig werktuig van de dood afbraken.

Uit ‘Doos Gazette’ van 2006 door Guido Vandermarliere

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>