De handelsfoor van Mesen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     64 Views     Leave your thoughts  

Over de geschiedenis van stad en abdij Mesen bestaat geen enkel degelijk werk. Het beste wat men bezit is een hoofdstuk dat Gheldolf aan de stad wijdde. Ook de inleiding tot de uitgave van de Coutume de Messines door van Rille, bevat een zeker aantal gegevens, weliswaar meestal van de tweede hand. Op het ogenblik waarop ze in de geschiedenis opdaagt is Mesen een grafelijke ‘villa’, de ‘villa Mecinensi’, die te midden andere uitgestrekte grafelijke goederen is gelegen. Wat bij het behandelen van deze plaats het eerst opvalt, is dat ze een van de plekken is, waar een grote foor werd gehouden. Dit feit kan worden verklaard door de uitzonderlijke ligging van Mesen.

Zoals bekend, gingen de belangrijkste foren van Vlaanderen door te Sint-Omaars, Dowaai, Gent, Rijsel, Mesen, Ieper en Torhout. Wat aan deze vier laatste steden gemeenschappelijk is, is dat ze pas op het einde der 11de eeuw opdagen en dat ze al van meetaf aan een bloeiende foor bezitten. Ook in hun ligging is er iets eigenaardigs: ze zijn alle vier ten westen van de grote economische levensader van Vlaanderen, de Schelde, gelegen en vormen om zo te zeggen een westelijke economische as, die parallel met de Scheldestroom loopt en eerder van Brugge dan van Gent schijnt af te hangen.

Dit laatste, en tevens de verklaring voor Mesens’ bloei, blijkt uit het bestudeeren van het toenmalige verkeersnet. We zullen eerst het bestaan van een verkeersas Rijsel, Mesen, Ieper, Torhout, Brugge aantonen. Tussen Rijsel en Mesen kon men hetzij over land, hetzij per schip reizen. Verkoos men de landweg, dan volstond het de (Romeinsche heir-)baan Rijsel, Kortrijk, Deinze, Gent te volgen tot aan haar kruispunt – omtrent Toerkonje vermoedelijk – met de heirbaan Bavai-Doornik-Wervik-Mesen; deze baan liep immers naar Mesen, die ze van Wijtschate scheidde. Het bestaan van deze verkeersweg blijkt ook uit het verhaal van Galbert, Histoire du meurtre de Charles le Bon, die vertelt hoe de koning met zijn leger van Rijsel naar Gent trekt over Deinze.

Dat de steenweg Wervik-Cassel over Wijtschate of Mesen liep, – iets wat algemeen gezegd wordt zonder eigenlijk afdoende bewezen te worden – berust op twee gronden: Wijtschate ligt op de rechte lijn tusschen Wervik en Cassel, en de baan, die Mesen van Wijtschate scheidt, werd ‘ Steenstrate’ genoemd. Geen van beide gronden zou op zichzelf volstaan, maar hun combinatie geeft vrijwel zekerheid: de Steenstraat is de oude steenweg en de oude steenweg liep daar, omdat men een ‘Steenstraat’, een baan die geplaveid was, toen dit nog iets uitzonderlijks was, ter plaatse aantreft.

Wenste men echter per schip te reizen, wat gemakkelijker, veiliger en voordeliger was, vooral wanneer men grote hoeveelheden koopwaren meevoerde, dan volstond het de Deule – die minstens vanaf Rijsel bevaarbaar was – af te varen, daarna de Leie stroomafwaarts en de Douve stroomopwaarts tot aan Mesen, want daar was deze rivier nog toegankelijk voor schepen. Tussen Mesen en Ieper lag een baan, waarvan het bestaan in 1127 wordt bevestigd door Walter van Terwaan. Vanuit Ieper tenslotte liep een baan over Staden en Torhout naar Brugge. Vermits het leger op één dag van Brugge naar Ieper komt, – vertrek uit Brugge op 25 April 1127, beleg van Ieper op den 26ste van dezelfde maand – kan aan het bestaan van een rechtstreekse verbindingsweg niet worden getwijfeld. Vermits deze baan over Staden liep – halverwege tussen Torhout en Ieper, thans nog op de verbindingsweg tussen deze steden – is het vrij waarschijnlijk, dat de baan over Torhout ging.

Het staat dus vast, dat één baan van Rijsel naar Brugge liep over Mesen, Ieper en Torhout. Vanuit Ieper was Brugge ook per water te bereiken via Ieperleet en Ijzer. Dat er vanuit Brugge een baan liep naar Gent, spreekt voor zich en ook per schip kon men gemakke]ijk van het een naar het andere varen – over het Zwin, de zee en de Schelde. Van Gent anderzijds kon men weer per land en per boot – langs de Leie namelijk – naar Rijsel terugkeren. Het economisch leven, nauw verbonden met deze verkeerswegen, vormde dus een gesloten kring waarvan het noorderpunt Brugge was. Slechts in de sector Mesen-Ieper was het verkeer over het water uitgesloten.

Mesen lag dus aan een terminuspunt, aan de plek waar de waren die vanuit het zuiden kwamen en voor Ieper en Torhout waren bestemd, uit de schepen werden gelost om over land verder te reizen. Het is immers niet denkbaar dat ze de reusachtige omweg over Gent, zee, Ijzer en Ieperleet zouden doen om Ieper te bereiken!

Ieper was een stad met grote lakenproductie. Ontelbare hoeveelheden voortbrengselen van de plaatselijke nijverheid moesten dus naar het noorden, én naar het zuiden – naar de foren van de Champagne bijvoorbeeld – worden gebracht. Dat laatste vervoer geschiedde natuurlijk voor een deel langs de Schelde, maar hoe was deze vanuit Ieper te bereiken? Over Ieperleet en de zee? Dat was toch wel een grote omweg, daar waar het zo gemakkelijk was de tien kilometer die Ieper van Mesen scheiden over land af te leggen, ginder de waren op schepen te laden en ze verder per water te vervoeren. Dat was ook de gemakkelijkste en minst vermoeiende wijze om vanuit Ieper al de economische centra van Dowaai, Kamerijk, Valencijn, Doornik, Gent en Antwerpen te bereiken.

Mesen was dus het aangewezen contactpunt tussen – de economie van de Scheldevallei en deze van Zuidelijk West-Vlaanderen. Tenslotte was deze stad ook nog rechtstreeks verbonden met Sint-Omaars en Boonen, via de grote heirweg Bavai-Doomik-Cassel-Bonen. Deze uiteenzetting over de toenmalige verkeerswegen verschaft een voldoende verklaring voor het bestaan van een foor te Mesen in de elfde eeuw.

In verband hiermee kan misschien ook worden uitgelegd, dat de graven van Vlaanderen daar een abdij hebben opgericht. Ze hebben dit, in de elfde eeuw en zelfs in een tijdspanne van dertig jaar, gedaan op een reeks plaatsen, die allemaal het nodige economisch belang opleverden, ondermeer kennelijk op de drie plekken, waar een foor bestond: Rijsel, Torhout en Mesen.

Wat verband bestaat er tussen de abdij en de foor? De oorkonde van Robrecht de Fries laat het duidelijk uitschijnen: hij schenkt goederen aan de gemeenschap, zegt hij, ‘ut (abbatissa) … possit … hospitesque et peregrinos … suscipere’, en verder wordt uitdrukkelijk bepaald dat veertien van de ‘broeders en zusters’, ‘in hospitali domo sunt’, een aantal nonnen en kanunniken moesten dus bijzonder werk maken van het onderhoud van een gasthuis of gasthof. Het zal trouwens. verder blijken dat de kanunniken effectief de aangewezen gastheren zijn geworden van de handelslieden en de pelgrims die naar Mesen komen, en ze daar in de ‘ domue canonicorum’ onderbrengen.

Waar de foren bloeien, ontwaart men altijd een versterkt slot in de nabijheid. Dat dit ook voor Mesen geldt is waarschijnlijk: oude locale tradities bevestigen het, en men treft in de I3e eeuw een ‘castellania Mecinensis’ aan. De burggraaf van Ieper houdt de ‘chatellenie de Messines’ in leen van de abdis van Mesen. Het terrier situeert het grafelijk castrum ten oosten van deon huidige grote markt. Wat dit vermoeden enige kracht bijzet, is dat de weg – die aan dat hypothetische castrum paalt, ‘Graevestraat’ heette.

Indien we ons niet vergissen, was Mesen reeds vóór het stichten van de abdij aldaar, een kleine niet-landelijke agglomeratie, rondom een grafelijke burcht, waar om het jaar de kooplieden van Vlaanderen hun waren kwamen aan de man brengen. Danks zijn de banen die Mesen met Ieper, Torhout, Brugge eenerzijds, met Rijsel anderzijds, met Cassel en Bonen langs de westkant, met Doornik en de Scheldevallei naar het oosten toe, verbonden, moest de handelsbedrijvigheid daar spoedig ontluiken en bloeien.

De door graaf Boudewijn geschonken goederen omvatten in de eerste plaats de villa Mesen, tussen Douve en Rozebeke , naast bezittingen in de streek van Terwaan, Atrecht, Veurne, het domein Deulemont en tenslotte nog mindere landgoederen. Te Mesen kreeg de gemeenschap niet alleen de grond, echter ook de pasopgerichte O. L.V. kerk en de tienden ervan.

Daarmee was het stoffelijk bestaan van de gemeenschap verzekerd. De graaf zorgde dan ook voor de geestelijke autonomie: mits het afstaan van wat grond te Pernes aan de kerk van Terwaan, verklaarde bisschop Drogo van Terwaan zich bereid af te zien van alle batige en andere rechten die hij als bisschop op de O. L.V. kerk bezat. De verkiezing van de abdis zou vrij mogen gedaan worden door de zusters en de bisschop zou de nieuwe kloosterlingen en kanunniken gratis wijden. Drogo schonk tevens aan de jonge gemeenschap het altaar van Waasten. Er bleef nog een derde stap te doen: de abdij moest ook de wereldlijke zelfstandigheid verkrijgen. Boudewijn, die toen voogd was over de jonge koning Filips den 1ste van Frankrijk, wist hij die gemakkelijk te overhalen tot het schenken van de ‘libertas’ aan de abdij. Zo verkreeg de abdis de heerlijke jurisdictie over de bezittingen van de gemeenschap, met uitsluiting van de grafelijke ambtenaren en van de burggraaf. De abdis. werd ‘gravin’ van Mesen en had een laathof.

De officiële titel van de abdis luidt in de latere tijden: gravin en dame van Mesen, vorstin van Croisettes, dame van Noordschote, Zuidschote en Deulemont. In elk van die gebieden bezat de abdis de volledige rechtspraak, een baljuw en een schepenbank. Er waren ook schepenen van de abdis in kleinere gebieden. De schepenen van Mesen zelf, waarover verder zal worden gehandeld, waren bevoegd te Mesen, en in de bezittingen van de abdij te Wijtschate, Kemmel, Voormezele, Zillebeke en Nieuwkerke.

De gemeenschap en haar goederen stonden onder bescherming van den graaf. Hij gaf waarschijnlijk de daartoe nodige opdrachten aan de burggraaf van Ieper. Wel te verstaan, voor de bezittingen van Mesen binnen de kasselrij Ieper; daarbuiten was de plaatselijke heer voogd. Het is niet gemakkelijk te zeggen of de burggraven van Ieper van meet af aan de ondervoogdij over de abdij hebben uitgeoefend, omdat men deze burggraven slecht kent en men slechts weinige oorkonden van Mesen bezit uit het tijdperk dat de troonsbeklimming van het huis van den Elzas voorafgaat.

De oorkonde van Robrecht den Fries wordt nochtans ondertekend door een Tebaldus, die wel de gelijktijdige en gelijknamige burggraaf van Ieper zal zijn. Vanaf 1128 ondertekenen de burggraven van Ieper uit het huis van Belle dikwijls de charters betreffende Mesen. Dat ze ondervoogden waren wordt uitdrukkelijk gezegd in een oorkonde van Filips van den Elzas. Boudewijn ván Belle was toen burggraaf van Ieper.

Het spreekt vanzelf dat aan het primitieve eigendom van de abdij, slechts de wijzigingen werden aangebracht die nodig waren om de uitbating ervan te bevorderen: geen van de bezittingen van Mesen, in de nabijheid van de abdij gelegen, verdween. Integendeel, de goederen te Eeke, Wijtschate, Alveringem en in het Land van Veurne werden uitgebreid. Anderzijds worden de vier domeinen van Ternois vervangen door het ene, uitgebreide Croisettes. Het is wellicht om het verschil in waarde tussen dat domein en de vier verloren landgoederen goed te maken, dat de graaf aan de gemeenschap nog enige mansi te Eeke, Wijtschate e. a. en daarnaast tenslotte nog tien pond rente te Ieper toekent.

Tijdens haar eerste bestaansjaren genoot de gemeenschap de bijzondere gunst van het vorstelijk geslacht dat over Vlaanderen heerste; de weduwe van Boudewijn den 5de verbleef onder de nonnen van het door haar opgerichte klooster en werd ook daar begraven. Haar kleinzoon, een vroeg gestorven zoontje van Robrecht den Fries, werd ook daar te rusten gelegd. Deze betrekkingen met de dynastie bezorgden aan Mesen zoals gezegd rijke en milde giften. Het is daarentegen opvallend, hoe weinig private heren de abdij spontaan begiftigen.

Na het stichtings- en ontwikkelingstijdperk kwam een periode van stagnatie en waarschijnlijk van verval. Met uitzondering van één enkele gift, die dan nog van de abdis zelve uitgaat, ontvangt de gemeenschap niets tussen 1081 en 1141. Dit zal misschien te wijten zijn aan het minder stichtelijke leven dat daar werd geleid onder abdis Ogina, dochter van Robrecht den Fries, die een berisping van de paus ontving. Hij verbood haar om nog mannen in de abdij binnen te laten, zo kan men de aard van de uitspattingen licht raden.

In die tijd blijkt Mesen zich uit economisch oogpunt te ontwikkelen. Hoe zag de primitieve agglomeratie eruit? Het is moeilijk deze vraag te beantwoorden. De abdij is opgerezen ten zuiden van het kruispunt tussen de steenweg Doornik-Cassel en de baan naar Ieper. Men kan de grenzen van de vroegste kloosteromheining nogal nauwkeurig bepalen: ten oosten de steenweg op Waasten, ten westen de Dalstraat, ten zuiden de grachten die nog eeuwen later ‘Fossé de Madame l ‘abbesse’ worden genoemd.

Wat deze drie begrenzingen betreft, ze zijn vanzelfsprekend: nooit heeft Mesen zich naar het zuiden uitgebreid, want de grote verkeerswegen lagen in het noorden en bepaalden de verdere ontwikkeling van de agglomeratie. Het mag dus gerust worden aanvaard dat de zuidelijke grens van Mesen ook het zuidelijkste punt was van de primitieve kloosteromheining. Het bestaan, reeds in het begin der 13de eeuw, van de Waasten en Dalstraat wettigt het vermoeden dat de abdijgebouwen door deze straten werden begrensd.

De noordelijke grens is niet zo nauwkeurig afgebakend; de markt, en het kerkhof lagen nochtans stellig vlak buiten de omheining, wat het waarschijnlijk maakt dat deze laatste juist tot aan de markt reikte. Weliswaar moet dan worden aanvaard dat de kerk aan de grens van de omheining lag, maar dit is niet bevreemdend ze diende immers voor parochiekerk, en er zijn andere gevallen van dergelijke kerken die aan de buitenkant van de kloosteromheining lagen. Dat de kerk juist daar, en naar de kant van het vermoedelijke vicus – aan de kruising van de banen – gebouwd werd – vóór 1065 – bewijst eens te meer de prioriteit in de tijd van het economisch centrum op de abdij. De kloosteromheining omvatte dus waarschijnlijk den zuidoostelijke hoek van de latere stad, tussen de latere wallen, het kerkhof en markt en de Dalstraat.

Het oprichten van een parochiekerk, en dan nog wel van een Sint-Niklaaskerk, volstaat om te bewijzen hoe sterk de bevolking van Mesen toenam en dat dit in verband stond met de handelsbedrijvigheid. Er wordt immers wel bepaald dat de parochiekerk niet bevoegd is voor de handelslieden en pelgrims; het is dus wel voor een bestendige bevolking van Mesen dat ze wordt opgericht, wat alleszins bewijst dat een niet onaanzienlijke agglomeratie naast de abdij is tot stand gekomen.

Bewerkt uit ‘Bijdrage tot het Cartularium van Mesen (1065-1334)’ van Jan Dhondt (1941)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>