De heerlijkheid Wervik

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     1282 Views     Leave your thoughts  

Hoofdzakelijk in de eerste helft van de 16de eeuw. Nu is Wervik een dubbele stad. De twee gedeelten van deze stad zijn van elkaar gescheiden door de Leie, die er ook de Rijksgrens is. Ten noorden van de Leie ligt de ‘stad’ Wervik, kantonhoofdplaats in het arrondissement Ieper en aan de overkant ligt de ‘commune’ Wervik-Zuid, kanton Komen, arrondissement Rijsel. In de volksmond wordt dit laatste gedeelte de Franse straat genoemd en Overleie. Samen tellen deze twee gedeelten ongeveer achttienduizend inwoners.

Deze scheiding heeft niet altijd bestaan. Voor de vrede van Utrecht (1713) waren zijn ‘één keure, stad en parochie’ en nog lang nadien waren er gemeenschappelijke belangen voor de kerk, voor de dis, enz ..

De keure of keurstok van Wervik is het gebied waarin het keurboek van Wervik toepasselijk was, d.w.z. waar de lakennijverheid beoefend werd. Dit gebied omvatte gedeelten van de heerlijkheden Wervik en Oosthove (van 1391 af, eveneens van de heerlijkheid ter Kruisse, in dit jaar uit Oosthove gespleten) en was gelegen binnen een begrenzing tot tweemaal toe beschreven in het op het stadsarchief van Leiden berustende manuscript van het Keurboek van Werveke, waarvan een fotokopie voorhanden is bij de Stedelijke Oudheidkundige Kommissie in Wervik. De beschrijving van deze begrenzing lijkt ons echter niet voldoende duidelijk, ook doordat daarbij gebruik werd gemaakt van eigenaarsnamen. In feite maakte de keurstok ongeveer het bebouwde gedeelte uit van de twee huidige Werviks.

Het is ons onbekend wanneer de keure van Wervik ontstaan is. Het bestaande Leidse handschrift wijst naar de tweede helft van de 15de eeuw. 15de -eeuwse Keuren van het vlees en de vis uit Wervik. Het is onmogelijk dat de regeling zoals zij in bedoeld handschrift beschreven is, van niets zou zijn uitgegaan. Ze wijst integendeel op een langzaam gegroeide ontwikkeling die bijna tot perfektie was gekomen, en moet daarom alleen van veel vroeger dagtekenen.

De Belgische en de Franse gemeenten Wervik zijn ontstaan uit de oude parochie. In deze parochie lagen talrijke lenen en heerlijkheden; sommige waren onbeduidend, andere daarentegen belangrijk. De voornaamste waren de heerlijkheid Wervik zelf en die van Oosthove.

Uit de heerlijkheid Oosthove werd de heerlijkheid ter Kruise gespleten door een akte van 15 december 1391. De heerlijkheid Oosthove, waarvan o.m. het groot leen ter Kruise afhing, was veel belangrijker dan die met de parochienaam. Zij strekte zich niet alleen over meer dan de helft van het stadsgedeelte van Wervik uit, maar ook nog op het huidige Wervik-Frankrijk, op Bosbeke, op Komen-België met zijn gehucht ten Briele (Kapelle in de volksmond), op Komen-Frans, op Elverdinge en op Zarren, waar Oosthove rentegeldende landen en achterlenen had.

De heerlijkheid Wervik lag rond de parochiekerk van Sint-Medardus en strekte zich westelijk ervan uit tot aan de grens met Komen. Het grootste gedeelte van deze heerlijkheid lag echter bezuiden de Leie op het Wervik dat nu Frans gebied is.

De eerste aanwijzing die wij van de heerlijkheid Wervik hebben teruggevonden, is die in het Registre des fiefs de Flandres. Ze luidt als volgt:’ Min Joncvrouwe van Werveke houdt van minen heere een leen groot ‘ 8 bunre ende 3 quartier lands lettel min of meer, item 66 1/2 hoflyen elc ‘ ghevaluert op 7 s. ende met eken hoflyen volghende 2 capoene, item 23 capoene sonder de hoflyen, item in taerwe renten 4 mudde 8 rasieren 3 franc, een vierdinc cleene mate, item in even renten hovelicke cleene mate, 12 mudde ende 9 rasieren evenen cleene mate, item van cammagen van wine of van biere elken vate eist cleene eist groot eenen stoop, hiertoe behoort theerscip pit ende ghalge tholvont den bastaert ende boeten tote 3 lb. ende alle de boeten die de mannen alzo verre als zij ten gronde van ‘ leene behooren, ende van al den lande dat men daeronder verandert 15 d. ‘ van den ponde ende van desen leene zyn ghehouden 33 manscepen waer of de 20 staen te vullen coope 10 ten besten vromen twee elc talven cope ‘ een te 1 s. twee elc te 3 lb. ende een te 30 s. ende een teenen paer handschoene ende ute desen leene gaet 25 lb. paris, sjaers die men Losen mach den penninc om 10 ende hier toe behoren de thol van den Brugghe van ‘ Werveke gheavaluert op 15 lb. sjaers de welcke min joncvrouwe vorseit ‘ Losen mach den penninc 10 ende staet te trouwen te wareden ende te ‘ vullen cope ende hier of es min J oncvrouwe vorseit borghenote ten ‘ casteele te Curtrike. ‘

Voor de beschrijving die wij hierna van de heerlijkheid Wervik geven, hebben wij hoofdzakelijk gebruik gemaakt van twee documenten uit de zestiende eeuw, hier en daar aangevuld met een document uit de achttiende eeuw. Het oudste stuk is een leenregister opgemaakt in 1502 door Maarten Van de Keere, luitenant-baljuw van het vorstelijk domein te Wervik . Het tweede document is de Domeinrekening van Wervik voor het jaar 1540/1, opgemaakt door Joos de Cat, Ontvanger van de Domeinen in deze plaats.

Beide stukken zijn in het Vlaams gesteld. Verder beschikken we nog over een denombrement – in het Frans – van dezelfde goederen in 1748 overgegeven aan de Franse Vorst door Antoine-Michel Van der Cruuse, écuyer, conseiller-Secretaire du Roy, Maison et Couronne de France, seigneur des villes, terres et seigneuries de Wervicq, Lormlcr, La Croix, la Motte, e.a., demeurant à Lille.

Genoemde documenten hebben telkens betrekking op het volledig domein van de vorst, in Wervik, dat de heerlijkheden Wervik, ter Kruise, te Loremiers en Bogaertstrate omvatte. Wij hebben deze documenten hier slechts gebruikt in zover -ze de heerlijkheid Wervik zelf betreffen.

Waaruit bestond nu de heerlijkheid Wervik? Ze bestond uit een foncier of leenbodem, uit rentegeldende landen, uit heerlijke rechten en uit de hoogheid op een aantal achterlenen van haar feodaal hof gehouden.

kaart

kaart2

Het Foncier

In 1540 bestond het foncier uit de volgende goederen, die dus de volle eigendom van de heer van Wervik gebleven waren.

a) Het zogenaamde ‘kasteel’, aan de zuidkant van de Leie, dat in de Domeinrekening van dit jaar beschreven wordt als : (den) huse ende nederhove te Wervick in inschelicx de singhels ende visscherze aldaer … tupper hof upden wal … alle edificiën uanden nederhove …. In 1540 was dit hof verhuurd tegen de jaarlijkse som van 44 lb. 10 s. par., Vlaamse munt, voor een termijn van zes jaar aan een Dierick Baille, op voorwaarde dat hij het hof zou onderhouden. Het was hem niet geoorloofd bomen te houwen of te vellen dan allenelick; alzo verre als happe ende hammes gheghaen heift.

Dit hof is weergegeven op het plan van Wervik in de zestiende-eeuwse Stedenatlas van Van Deventer (rond 1540), maar nogal onduidelijk ; het is ook getekend, maar dan in de toestand van een eeuw later toen het ten gevolge van de oorlogsgebeurtenissen onder de godsdienstberoerten veel veranderingen had ondergaan, op de schets van Wervik afgedrukt in de Flandria Illustrata.

b) Een meers, genoemd sheeren meers, met nog een kleiner meersellten en een vijf voet brede voetweg, samen met een oppervlakte van dertien honderd lands, aan het einde van het Meersstraatje, rechtover het hof, aan de westzijde van dit hof.

c) De Bergmolen, d.i. de molen van de heerlijkheid op Wervik-Zuid.

d) De Westmolen, d.i. de molen van de heerlijkheid op de noorderoever van de Leie ; samen met toegangsweg en met een meers besloeg de oppervlakte ervan zeshonderd vijftig roeden.

e) Een blok land nabij de Westmolen met een oppervlakte van ongeveer tien bunders. In 1540/1 was dit land verpacht (negen jaar pacht) aan Joos van Ysemberghe tegen de jaarlijkse som van 105 pond.

f) Twee kleine huizen in de Koestraat verkregen als bastaardgoed en het huis van de gevangenis in de Leiestraat, aangekocht in 1470.

In 1540 bedroeg het foncier van de heerlijkheid waarschijnlijk ongeveer twaalf bunders, wat meer is dan de oppervlakte van het foncier in het reeds genoemde Leenregister van 1365, dat toen slechts 8 bunders en drie kwartier bedroeg.

Rentelanden

De landen waarvoor aan de heer van Wervik enige vergoeding verschuldigd was door de eigenaars, waren talrijk en uitgestrekt. In de domeinrekeningen werden ze ingedeeld in zogenaamde renten. Wij noemen in de volgorde van de domeinrekening van 1540/1 :

A. De Meersrente werd uitsluitend in geld geheven op negen percelen gelegen aan beide zijden van het Meersstraatje, tussen het hof en sheeren meers op Overleie. Acht van deze negen percelen waren behuisd, op één perceel stond bovendien een kalkoven. De omvang van de percelen wisselde tussen 7 1/2 roeden en 450 roeden. In totaal strekte deze rente zich uit over 1130 roeden. De rente bedroeg 43 lb. en 10 s. per jaar (8).

Het groot bedrag wijst erop dat deze meersrente in 1540 nog een betrekkelijk recente creatie was. Te oordelen naar de naam van de rente en van de straat waar de percelen lagen, werd ze waarschijnlijk geheven op percelen uit sheeren meers.

B. De Kouterrente, op het huidige Belgisch Wervik, lag in Curtric ambacht streckende inde coestrate, luereman ende daerontrcnt up zes banderen ix’ en. xvij roeden landts danof dat elc hondert ghelt x sc. p. ende twee cappoenen ende boven desen twee cappoenen die thoirs van Dicrick Lapaert sculdic zyn ter cause van eenen leene ligghende inden voorn. luereman ende valt dese voorn. rente tst. Andries dagh ende beghint dese voorn. rente thende der coestrate byder Westmuelene up de noordtzyde vande strate.

De rente bestond uit de vermelde twee kapoenen voor het leen en uit 95 lb. 3 s. 2 d. Op de 23 percelen die deze rentelanden uitmaakten, waren 19 huizen en één schuur gebouwd.

C. De Kasteleinrente, gelegen in België en vallende alle jaere st. Andries daghe in elc jaer ende beghint ande balocstrate upde zuudtzyde vande coestrate ende alzo streckende tot an thelic geesthuus lancx de cant streckende tot in de Leye. De 38 percelen waarop deze rente was geheven, hadden een oppervlakte van 9 bunders 12 honderd en 49 roeden. De opbrengst bedroeg slechts 33 s. 6 d., obole en poicte paresise, inbegrepen een bedrag van 9 s. verhoogde rente voor een perceel van 7 roeden, dat oorspronkelijk slechts één penning gaf. De verschuldigde rente is voor elk stuk in geld aangegeven, en niet in natura zoals meestal elders, met uitzondering nochtans van een stuk van 205 roeden toebehorend aan Joos Bertin, dat een geldrente van 1 obole en 1 poicte verschuldigd was en bovendien één halve kapoen. De obole en de poicte zijn respektievelijk de helft en het vierde van een penning.

Er waren 17 huizen, waarvan één hofstede, Neusvil. Met deze naam is wellicht de te Wervik bekende familienaam de Neuville in verband te brengen ; deze naam hebben we teruggevonden van 1520 tot 1723.

Wij hebben hier klaarblijkelijk te doen met zeer oude rentelanden, meer dan waarschijnlijk ontstaan uit de verbrokkeling van een hofstede die door een kastelein (in de betekenis van pachter van een bij het ‘hof’ behorende hoeve) werd bedreven. Eigenaardig genoeg bestaat er vanouds in Wervik een uitgebreid geslacht dat de familienaam Kastelein draagt. Tussen 1605 en 1794 hebben wij in de geboorteregisters van Wervik, die thans berusten op het Rijksarchief te Brugge, 184 maal de naam Castelain, Casteleyn, enz. aangetroffen op een totaal van 26.596 namen. Wijzelf hebben ongeveer honderd Wervikse Castelein’ aangetekend. De oudste ons bekende vermeldingen zijn die van Jans ende Mulins Castelains, van wie het land in 1495 paalde aan het goed ten Drien Eeckcn op Geluwe en toebehoorde aan het St.-Jansgasthuis van Wervik.

In 1526 treffen we een Jan Castelein aan, misschien dezelfde Jan die ook in de onderzochte Domeinrekening van 1540/41 wordt aangetroffen, samen met zijn naamgenoten Adriaen, Gillis, Ghoris, Jacob, Mael, Muncken, Oste, Pieters en Steven. In 1540 waren er dus te Wervik, op een gering gedeelte van het huidige grondgebied, tien grondeigenaars die de familienaam Kastelein droegen.

D. De Hovelienrente aangegeven als anderen ontfanc van hovelien, cappoenen, volghgelt en. penn. renten binnen der stede van Wervicken vallende St. Andries daghe ende men lost elcke hovelien vij sc. p. en tpaer vanden capponen vlij sc. p. Wij lezen hier boven duidelijk binnen der stede. Inderdaad, bijna heel de oppervlakte is behuisd en ligt in het bebouwd gedeelte van Wervik en in het begin van de weg later Franse strate genoemd.

Deze rente is één van de drie grote te Wervik. Ze komt verder nog terug in het landelijk gedeelte van Wervik, eveneens aan beide zijden van de Leie. Ze was vastgesteld in geldsommen, in volggeld (betekenis ons onbekend), in hovelien (1°) en in kapoenen op percelen gelegen aan de Nieuwstraat, aan de Ooivaarstraat en aan de Leiestraat, achter de kerk tot aan de Leiebrug, evenals aan de Franse straat, toen Bergstraat genoemd. De oppervlakte van de 87 percelen was ongeveer twee bunders, namelijk 1 bunder, 1572 roeden met nog de onbekende oppervlakte van een aantal percelen. Wij vermelden ze hier omdat ze belangrijk zijn voor de geschiedenis van Wervik:

– Een herberg, de Grote Herberg, rechtover de kerk op de hoek van de Nieuwstraat en van de huidige Kerkstraat, toen Kerkhof. Dit pand betaalde één hovelie en twee kapoenen, samen 15 s. In 1659 /60 vinden we deze herberg met het uithangbord het Franse scilt (dit uithangbord was blijkbaar door een waard meegenomen uit zijn vorige herberg in de Ooievaarstraat).

– Het stedehuis, rechtover de kerk op de zuidhoek van de Ooivaarstraat, betaalde 1 hovelie, vier penningen als volggeld, twee kapoenen en een cijns van 3 s. 3 d. Dit is één van de zeldzame gevallen waar het woord cijns gebruikt wordt in de rekening voor de vermelding van een penningrente. In geldwaarde omgezet bedroeg de rente 18 s. 7 d. (1 hovelie = 7 s. en 1 kapoen = 4 s.).

– Het Heilig-Geesthuis, waarvoor 8 s. 2 d. betaald werd voor een hovelie, meteen twee kapoenen en het derde van een kapoen, in alles 17 s. 6 d.

– Het kerkhof van de St.-Medardusparochiekerk blijkt eveneens op de grond van deze rente te hebben gestaan. Dit kerkhof is in de rekening ingeschreven, samen met een huus ende erfve ende was de schole groot x roen, voor twee hovelien, voor een kapoen en voor het 48e deel van een kapoen. Voor dit klein perceel van tien roeden werd door her Ectoor de Mueninck over de kercke van Wervicken 19 d. betaald voor een hovelie. De rente verschuldigd voor het kerkhof zelf werd door de kerkmeesters betwist. In de rekening staat nl. te lezen :

‘ … tes desen ontfanghere qualicl; rnogelick dit te recouvreren enne heft zyn voorsate Joos van Ysemberghe (1°bis) dit ooc niet connen recouvreren zonder groot proces susteneerende by de kerckmeesters hier of onghehouden zynde ende staet van desen up ghelicke partie gheapostilleert de zake te laten tot de oude registers ghesien zouden zyn en. die ghecommuniquiert van skeyzers weghe … ‘.

Waarschijnlijk werd nooit enig gevolg gegeven aan deze opmerking, want we hebben nergens iets over de betaling van bedoelde verplichting vernomen.

– De mart dat men heet de platse, d.w.z. de huidige Vrijdagmarkt aan de oostzijde van de kerk, was elk jaar een halve hovelie, tiiij van een hovelie, een cappoen ende eenen neel van eenen cappoen ende van volchghelde een halvcn poicte verschuldigd, te betalen door het stadsbestuur. Tussen het kerkhof en deze markt lag er een greppel en op de markt zelf blijken er vroeger vijf huizen te hebben gestaan.

– Voor de aard, de aanlegplaats aan de westkant van de Leiebrug, moest jaarlijks een halven hovelie tiiij van eenen hovelie eenen cappoen ende ob. poicte van cheinse betaald worden, eveneens door de stad.

Als hier nog de gevangenis bijgevoegd wordt, in het boek vermeld als thuus vande vanghenesse toebehorende de K.Mt., groot xiiij roeden en half, aan de noordzijde van de Leiestraat, dan blijkt meteen dat alle openbare gebouwen en inrichtingen in de heerlijkheid Wervik gelegen, in deze rente bijeen stonden.

Bijna alle percelen van deze rente waren behuisd, ook die gelegen op de zuidzijde van de Leie. Buiten de reeds genoemde gebouwen vinden we er nog 86 huizen, 3 brouwerijen en één schuur. Er waren twee ververijen en een smisse. Hier ook vinden we de meeste huisnamen en wel de reeds genoemde Grote Herberg, den Odevaere en den vranschen scilt op de zuidzijde van de huidige Ooivaarstraat, den speghele, tschemunckele, het steenkin en den goue noble op de zuidzijde van de Leiestraat, de Lombaerd, de Valcke, de Leeuw en tMoorjaenshooft op de noordzijde van dezelfde straat en eindelijk het huis de Bacheric in de Bergstraat op Overleie. De gevangenis lag ten westen van de Leeuw. Ze was vroeger privaat eigendom en werd voor het domein aangekocht op 1 mei 1470 van lampsin braem. In 1541 bedroeg de totale opbrengst van deze rente 28 lb. 18 s. 9 d.

E. De Straatrente op Wervik-Zuid bestond uit 15 kleine perceeltjes van 5 1/2 tot 38 1/2 roeden, alle behuisd uitgenomen één. Dertien perceeltjes lagen aan de oostzijde en twee aan de overkant van de Bergstraat. Niettemin had deze rente voor de heer van Wervik een jaarlijkse opbrengst van 5 lb. 4 s. 1 d. ob. In de domeinrekeningen blijkt uit de titel van het kapittel over deze rente dat ze 400 lands zou hebben omvat en dat per honderd lands 10 s. per jaar moest vergoed worden, benevens vier kapoenen ; daar de kapoenen verrekend werden tegen 8 s. het koppel, was dus voor de gehele rente 5 lb. 4 s. verschuldigd. In de rekening van 1540 wordt er zelfs een kleinigheid meer betaald clan de verschuldigde som, maar de optelling van de oppervlakte van de 15 perceeltjes brengt ons slechts tot 242 roeden.

F. Een andere reeks kleine rentelanden wordt geheten Nieuwe Rente. Ze moet jaarlijks 26 kapoenen opbrengen, die ligghen zouden up iizf landts in een bogaert van xc en. xx roen. Tegenover deze post in de rekening heeft er eerst een neant gestaan, omdat dese ontfanghere en heft hier niet of ontfaen noch ooc mede joos van ysenberghe hier voortydts ontfanghere en heeft er ooc noyt of connen ontfanghen en zeggen de zelve hoirs (nl. die van modaert tyclverlies) dat men heml. groot onghelyck doet die te heesschene hoe wel tzelve in processe staet voor bailliu ende sccpenen oander stede van Wcraiclecn onghedecideert.

Het moet zijn dat er toch een oplossing gekomen is in het geschil want het neant werd in de rekening doorgehaald en vervangen door de vermelding van een ontvangst van ciiij s, (26 kapoenen tegen 4 s.) en deze werden dan ook geteld bij het totaal van de opbrengst in het desbetreffende kapittel in de rekening; dit totaal bedroeg 12 lb. en 15 s. Bij deze Nieuwe Rente werden inderdaad nog enkele andere ontvangsten geteld, andere ontvangsten die betrekking hadden op uutgheven. Deze uitgegeven landen met zes percelen, waarvan één op Wervik-Zuid, waren 130 roeden groot ; er stond een huis op, dat 22 s. moest betalen.

Aan de noordzijde van de Leie, byden ghewaede in de Leiestraat, was er een blok van vier huizen waarvan het erf tot aan de Leie liep en gelegen was tussen het Gewad van Wervik (nu Arsenaal van de brandweer) en een straatje tussen de Keer der Leiestraat en de Leie. Naar we ons kunnen herinneren bestond er in 1914 door erfdienstbaarheid nog een doorgang tot de Leie. Een van de vier percelen was slechts vier roeden groot en de voor dit erf gevorderde rente werd betwist. De rekening van 1540/41 geeft de volgende inlichting :

‘ Als angaende de partie vanden voorn. wygant Danset over Huyghe de Cat ende de Wwe Boudins van ontrent vier roeden erfve die ligghen zouden inden voorn. hof an dander zyde verclaerst an twesthende lancx an tghewat voorhoofdende metter noordzyde ande voorn. Leystrate als blyct by de rekeninghe f. xv, xxx sc. p. van een voetwech wylen eer ghecocht by myn vrauwe van briffeul ende van Wervicken jeghens de Wwe Boudins alst blycken mach by de voorn. rekeninghe vanden voorn. ontfanghere, dus zoude hier blyven ten laste vanden zelven wygant xiij sc. vj d. de welcke men niet ghecryghen en can ende staet in processe … ende zyn noch onghedecideert ende omme zeker cause es van desen gheordonneèft den ontfanghere dit te laten hanghene an een naghele, dus hier neant.’

Hieruit blijkt tevens dat er toen aan de oostkant van het Gewad een voetweg heeft bestaan. Bij deze uutgheven is er dan nog een huis en erf vermeld van 300 lands, aan de Ieperstraat, buiten de Lege Kruisse. Voor dit erf was de rente vastgesteld op slechts drie penningen. Het geheel van de uitgegeven landen die in de rekening bij de Nieuwe Rente ingedeeld waren, besloeg 922 roeden en de opbrengst bedroeg 11 lb. en 3 s.

G. Daarna vinden we opnieuw een Hovelien en cappoenen rente, ditmaal buuter stede streckende up zeker partien van landt te diverschen platsen.

Er was vooreerst een groep van zeven stukken land gelegen bij de Westmolen, tussen de huidige Kornen-, Barriere- en Kasteelstraten, met een oppervlakte van vier bunders en 580 roeden. Op een van de percelen was een hof stede opgericht.

Over de zuidzijde van de Leie vinden we drie andere percelen, samen twee bunders en 900 roeden groot. Hier was er eveneens een hofstede op een van de percelen. Deze drie stukken grond lagen bij elkaar aan de westkant van de Bergstraat, by den gherechte van Wervicken by der Blatoene.

In het landboek van de heerlijkheid Wervik, dat deze domeinrekening feitelijk is, zijn er niet zo heel veel landtoponiemen vermeld. De drie hiervoor aangegeven percelen aan de westkant van de Bergstraat dragen bij uitzondering elk een naam: het ene heet tspoorkin ; het stuk ernaast met de hofstede erop was twinncckin en het derde stuk was den scicht.

H. In het begin van deze bijdrage schreven wij dat de heerlijkheid Wervik voor het grootste deel gelegen was op het huidig Frans gebied. Hier hebben we dan nog een ontfanck van Hovelien, cappoenen, tarwe en. witte evene buuten de stede up de zuudtzyde vande Leye.

Deze rentelanden zijn de omvangrijkste van de heerlijkheid. Er zijn hier inderdaad 166 percelen met een totale oppervlakte van 105 bunders en een totale opbrengst aan renten van 185 lb. 10 s. en 4 cl. Deze landen lagen aan de oostkant van de Bergstraat en strekten zich uit tot aan Bosbeke en in de richting noord-zuid van aan het Bosbekestraatje, dicht bij de Leie, tot aan de gronden van de heerlijkheid van de Veldbeek, die zelf van de heerlijkheid Wervik afhing.

In deze Rente zijn 16 hofsteden aangegeven, maar geen enkel ander huis. Het gaat hier dus werkelijk om een landelijk gedeelte van Wervik. De percelen zijn dikwijls tamelijk groot. Bij de Kapel ten Abele aan de Bergstraat ligt b.v. een kouter van 47 honderd lands, met ernaast twee andere stukken, vroeger één, samen 48 honderd groot ; telkens dus drie bunders.

I. Aan de overzijde van de Bergstraat, in Wervik-Frankrijk, waren er nog andere rentelanden, die benevens hovelien en kapoenen ook nog ruwe evene verschuldigd waren en daarom in de rekeningen van de domeinen Ruwe Evene Rente genoemd worden. Bij deze rentelanden waren nog stukken grond op de noordzijde van de Leie nabij de Westmolen, evenals, niet ver vandaar, nog andere stukken nabij Jaloezeghewaede en Kekelhede.

Er zijn samen 39 percelen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 33 bunders. Op het Frans gedeelte waren er twee hofsteden en een oliemolen en op het Belgisch gedeelte een hofstede. De opbrengst bedroeg 35 lb. 1 s. 5 d. en obole. Bij de gronden op Overleie zijn er vier aaneenpalende percelen, die buiten de gewone rente ook nog elk een klein bedrag als verhoochde rente verschuldigd waren.

Achterlenen

‘Dit naervolghende es den nieuwen Register vanden leenen die diversche psoonen houdende zyn van ons harde gheduchten heere ende prinche den Eerdtshertoghe van Oostrick hertoghe van bourgognen van brabant, e. a., grave van vlaenderen, van zynen hove ende heerlichede te Wervick met datter toebehoort, beghonnen maken by Martin vanden Keere stedehoudere van hector de meriadec hoochbailliu van Wervick in dien tyd te wetene den xijen dach van novembre anno xve ije.

Dit is de titel van het leenregister van 1502, waarin de achterlenen van de heerlijkheid Wervik en de heerlijkheid ter Kruisse, die eveneens aan de landsvorst toebehoorde, opgegeven worden.

Voor de heerlijkheid Wervik zijn in dit register de denombrementen overgeschreven van twintig achterlenen.

In 1627 werden de domeingoederen te Wervik verpand aan Ferdinand George van Liedekerke, graaf van Moeskroen, Baron van Heule, Moorseele en Gracht, Heer van Oosthove te Wervik, van Ledegem, enz., die aldus in het bezit kwam van het belangrijkste deel van Wervik.

In 1775 werd door de Regering van de Oostenrijkse Nederlanden een ontwerp onderzocht tot terugkopen van het Werviks domein door terugbetaling van de pandsom; dit is zonder gevolg gebleven. De toenmalige pandheer, Anthoine-Michel van der Cruuse, werd verzocht het denombrement van zijn heerlijkheid voor te leggen ; hij stuurde een uittreksel uit het denombrement door hem in 1748 aan de Koning van Frankrijk overgemaakt, waarin o.m. ‘ … desquelles terres et seigneuries sont aussy tenus plusieurs arrière fiefs dont la déclaration de celles tenu de la cour féodale de Wervicq et seigneurie de la Croix sous la domination de sa Majesté Impérialle et Catholicque, présentément au Roy de France, suit. ‘

Hoewel dit denombrement alleen de rechten en titels op het Oostenrijks gebied vermeldde, blijkt toch dat er toen meer leengoederen afhankelijk waren van de heerlijkheid dan er in 1502 aangegeven waren.

Hier volgt dan een korte beschrijving van de achterlenen van de heerlijkheid Wervik:

1. Het heerschip ter Gontiere, tussen Loostraat en Bergstraat op Overleie, behoorde in 1502 aan Willemine Serruus, echtgenote van Wouter van Gent. Het bestond uit heerlijke rechten en uit renten te heffen op 8 bunders en 755 roeden land, die jaarlijks 45 lb. 5 s. en 7 d. opbrachten en bovendien anderhalve kapoen.

2. Een leengoed van 200 roeden in de Kouterrente op Wervik-Noord was in 1502 eigendom van Tyroen Lupaert fs. Simonis en in 1748 van François de Carpentier, priester te Ieper. Blijkens het denombrement van 1502 was de bezitter van dit leengoed ‘huisgenoot’ (2°) van het hof van Wervik, hoewel dit leen maar een leen oillain was (21).

3. Dieric Lupaert (= Tyroen, hierboven) is de prokureur van Jacob Maillart fs. Reyniers en geeft het leen ten Gewate aan, in de Leiestraat ten westen van het Gewad van de Leie. In 1502 was dit een klein behuisd perceel ; er is geen oppervlakte vermeld. In 1748 vinden wij het in handen van Jean Baptiste Castelein. Als reliëf was dit leen een paar handschoenen verschuldigd.

De koning van Frankrijk was bij het Verdrag van Utrecht trouwens in het bezit gebleven van Wervik op de zuidzijde van de Leie. Dit verdrag riep voor de in pand gegeven domeingoederen van Wervik een bijzondere toestand in het leven. Het gedeelte benoorden de Leie kwam terug in het bezit van de vorst van de Oostenrijkse Nederlanden, terwijl het gedeelte bezuiden de Leie in het bezit bleef van de Franse vorsten, zoals sedert het Verdrag van Nijmegen in 1678.

4. Dieric Lupaert geeft nog het denombrement aan, in naam van Mr. Antheunis Spillaerts Joos zone, van een leen van 1200 lands en in erfelijke rente 1 hovelie, 2 kapoenen, 12 s. en 6 d. ‘s jaars. In 1748 blijkt dit leen gespleten te zijn in twee delen die resp. Steenbrighe en Steenbrugghe heten. Het foncier, nl. de 1200 roeden, was Steenbrighe en behoorde als bloot leen aan Charles Lorrier, terwijl de rente onder de naam Steenbrugghe, aan Pierre Emanuël van Utberghe te Komen toebehoorde.

5. Het leen den Prol lag onder de Bergmolen (Overleie) en bestond uit zeven en een half bunder land, en uit erfelijke renten komende uit 4 bunders 600 lands. Dieric Gheerbode was er in 1502 eigenaar van. Onder de rentelanden is het goed Hemelrick vermeld; het bestond uit 800 winnende land en uit 500 meers; dit goed was een houdr placke en V miten verschuldigd voor elk bunder.

6. Een leen, blijkens het denombrement van 1748 Cruys Eecke genoemd, lag buiten de Kruisse , ten westen van de beek, ten noorden van het Kleine Molenwegelke en ten zuiden van de Kruiseikstraat. Het was een bloot leen van 2400 lands ; het behoorde in 1502 aan joncvre Joossine Reyniers, voor wie Gadein du Bois als man ende kerckelic voogt optreedt. In 1748 was de eigenaar René Philippe van Elslande fs. wijlen Jacques-Philippe, wonende te Ingelmunster, waar hij griffier was. Dit leen mag niet verward worden met een gelijknamig maar veel groter leen, rechtstreeks gehouden van de Zaal van Ieper en dat zich uitstrekte over Wervik, Komen, Geluveld en Geluwe.

7. Op Overleie vinden we vervolgens het Hof Viverkin, groot 110 roeden en waardoor rechten geheven werden op 8 bunders 110 roeden. Joos de Waghenmakere gezeid van Ysemberghe was er in 1502 eigenaar. Dit leen was erfelijk belast met vijf pond en één schelling Vlaamse munt en deze rente behoorde in 1502 aan Gillis vanden Bussche.

8. Het Goed ten Walle lag aan de Leie, bijna aan de uiterste westkant van Wervik-Noord. Het is het huidige hof Leroux en in 1502. behoorde dit leen aan mer Willem de Wale. Het leengoed besloeg ongeveer 13 bunders met nog 9 bunders land die ervan afhingen maar zonder andere vergoeding dan wandelkoop en reliëf, nl. spoorwaen of drie ponden parisis. In de tekst van 1748 staat : mouquet ou 3 livres parisis , In laatstgenoemd jaar staat het leen onverdeeld op naam van Boudouin Musart, Jean-Baptiste Segon, Maximilien Lippens en een Duvier.

9. Hoewel zeer bescheiden van omvang – in feite was er slechts een kleine bebouwde erfgrond die 30 s. jaarrente verschuldigd was – was de heerlijkheid Pontenaige ter Leyebrugghe op economisch gebied zeer belangrijk. In liet denombrement van 1748 werd het Pontenage genoemd, zonder enige toevoeging. Dit leen had den tol also men daer van houden tyden daer ghegheven heeft van wagens geladen, van perdcn geladen, van zacken, van paenderen ende van anderen dinghen. Tot dit leen behoorde dat niement ponten noch scip tollen houden en mach omme de lieden ende eenegher trec goedt over te voerene.

De laten van het hof van Wervik waren van de tol vrijgesteld omme dat zy maken moeten ende scu/dicli zyn te makene de leyebrugghe te Wervick ende die te onderhoudene zonder myne (d.i. van de leenhouder ) costen ende te diere cause gaen de laten quite van tollen te betaelne ende anders mement. De leenhouder was huisgenoot van het hof van Wervik.

De erve waarop de 30 s. jaarrente geheven werd, was in 1502 een behuisd erf. Uit latere stadsrekeningen blijkt dat dit erf 125 roeden besloeg. Het strekte zich uit aan de oostkant van de huidige Brugstraat van aan de Leie tot aan de hoekhuizen. Oostelijk was dit erf begrensd door een gemene watergang die naar de Leie liep. Het ene erf van 1502 was in 1567 in drie delen gespleten. In 1652/53 waren het nog altijd drie huizen, maar we vinden in de stadsrekeningen van 1737 af dat er toen 6 huizen op het erf stonden. De betaalde rente bleef in totaal 30 schellingen.

De heerlijkheid behoorde in 1502 aan Jacomine Smols f” Rogier den Mol, die gehuwd was met Jan de Necker. Reeds in 1567 vinden we deze heerlijkheid in het bezit van het stadsbestuur en in 1765 werd door de Rekenkamer opdracht gegeven – via de Auditeur die de stadsrekeningen kwam horen – de heerlijkheid te verkopen, of zelfs de heerlijke rente te laten vallen, omdat de administratiekosten (inschrijvingen in de rekeningen, enz.) hoger lagen clan de opbrengst. Wat betrekking had op de tol werd niet meeverkocht. In openbare verkoping werd het hoogste bod gedaan door Pieter-Paulus Benen, met de principale koopsom van 119 gulden Brabants courant geld.

10. Colaert de Latre hield in 1502 een leen van 10 honderd lands bij de Bergmolen (Overleie); volgens het zeer korte denombrement was het toen van cleender werden jn pachte, Dit leen lag aan de grens van Rijsel Ambacht.

11. Ook op Overleie had Joos Descamps Noelszone in 1502 een leen van 16 roeden, tegenover de brug van het hof te Bruffuel.

12. Te Jalousen Ghewade was een renteleen op ongeveer 20 bunders land. De gronden van dit leen lagen in de omgeving van de huidige Ten Brielenlaan en van de Komenstraat. De rente bedroeg vier cappoenen twee oflyen ende jn penning hen ontrcnt vyftich sc. par. In het geheel 4 pond. In 1502 was het eigendom van joncvr. yzabeelen van puthen weduwe van wijlen Jan de Bailli. Jacob Ceschiere was er toen baljuw. In 1748 is de naam vervormd tot Jaloussc hewaerde en de eigenaar is Louis Joseph Herman de Emisdal, Baron de Fumal, par succession de Messire Jean Herman de Emisdal, son père. In andere stukken, o.m. in het Rodenboek, is er sprake van Jan Loufs ghewade.

13. Een leen van 800 lands beneden de Bergmolen op Wervik-Zuid wordt in 1502 aangegeven door Cornelis Hondertmaerc als man ende kerklic vaagt van doms en de vroede mynen wive …..

14. Jan van Mortaingne, poorter van Rijsel, hield in 1502 twee lenen van het Hof van Wervik, aan de beide zijden van de grote straat tussen Blatoene en Wervik. Het waren belangrijke rentelenen en ze zijn altijd in handen gebleven van dezelfde eigenaars.

Het ene heette tgroote heerscip en bestond uit een erfelijke rente van drie kapoenen en 72 rasieren evene, geheven op 11 bunders 300 lands. Het werd ook Briffoeuil genoemd, naar de naam van een eigenares in het begin van de 15de eeuw, namelijk Margareta van Gistel, vrouwe van Briffeul, echtgenote van Jan van Antoing, de verkoper van de heerlijkheid Wervik aan de hertog van Boergondië.

15. Het andere leen, dat in het bezit was van Jan van Mortaingne, heette groote Veltbeke en bestond ook uit heerlijke renten : 38 1/2 kapoenen, 94 razieren en drie havot evene, een razier tarwe, twee razieren moudtz, vier hoenders en in geld 3 s. 8 d. geheven op 21 bunders 2 honderd lands. Deze heerlijkheid had een achterleen, cleene Veltbeke, dat altijd – voor zover we dit hebben kunnen achterhalen – dezelfde bezitters had als het hoofdleen. De Kleine Veldbeek bestond uit de volgende renten : 18 kapoenen en 1/16, 13 s. 2 d. in geld, 35 razieren 3 havot en een kareel evene. Later is daar nog een bedrag van 12 s. bijgekomen als verhoogde rente. De rentelanden besloegen 12 bunders en één honderd lands.

16. Weer aan de Belgische kant van de Leie lag tleen te Wulchouts met 1800 lands leenbodem en renten voor een bedrag van 16 s. en 3 cl., op ongeveer 8 bunders land aan het Geluwewegelken. In 1502 behoorde het aan Jacomyne de Caerpentier, minderjarige dochter van Gillis. In 1748 vinden we het in het bezit van Jacques Gobert te Waasten, op wiens naam het werd aangekocht door zijn vader.

17. Achter de St.-Medarduskerk lag het leengoed tcaridon; het was 314 roeden groot en behoorde in 1502 aan Vrauwe Simoene vandcr Woestine, Wwe van wylen mer Lodewyc van Scoorisse, Ruddere, vrauwe van bevere ende van nokere …. Dit leen blijkt altijd in het bezit van de familie van de Woestijne van Beselare gebleven te zijn ; nog in 1748 was een lid van dit geslacht eigenaar, nl. Messire Maximilien, Marquis de la Woestine-Beselaere. Buiten de leenbodem, waren er nog landen aan onderhorig : daerup jaerlicx hebbende zekere eerliclic renten vallende op St. Andries daghe, naer tuutwysen vander Rolle ende Rente bouck daer of ghewaeghende ( 1502); consistant aussy en certainc rente seigneurialles escheant à la St. André, ensuite de ses chasseraus (in 1748). Maar geen bedrag is aangegeven.

18. Op de zuidzijde van de Leie was er een ander leen van drie bunders land, gelegen aan de oostzijde van de Grote Heerstraat naar Blatoene, Dit leen had nog voor 10 s. 9 d. geldrente op sommige (niet nader gespecificeerde) erven. Het behoorde aan Willem Vandermersch in 1502.

19. Joncvrauwe Margriete Vanderstoct, weduwe van Michiel van Trays, hield in 1502 tleen ten berghe (op Overleie), twee houde banderen lants groot, en in heerlijke renten 7 razieren evene, een havot, een frankaard en een pinte, en bovendien tot elken rasiere twee penning hen par., die diverse gronden van erven moeten betalen op zeven bunders, plus nog 2 schellingen par. voor 2 bunders bergland, twee kapoenen voor eene stroke lants ghenaemt pios hofstede, aan de noordzijde van de straat, nog twee kapoenen en een hoflye uuten s poorhinnc groot zzij’ lants en nog 2 kapoenen en 20 groten van verhoogde rente.

20. Het laatste in het leenregister van 1502 aangegeven leen is thoeymeten ende thoude weghcn, dat toen aan Loonis van Mosschere fs. Pieters behoorde. In 1748 staat het nog altijd op dezelfde naam Lonis van Mosscheren au ses aiants cause …. Het was een leen in de lucht en of het in 1748 nog enige betekenis had, mogen wij betwijfelen. In voorkomend geval zou wel de toenmalige bezitter vermeld zijn. Wij kunnen aannemen dat dit leen nog enkel op papier bestond.

Dit zijn dan de 20 lenen van de heerlijkheid Wervik in de volgorde waarin ze in 1502 opgesomd werden.

21. Het denombrement van 1748 vermeldt nog een heerlijkheid die in die tijd behoorde aan Martin Jacobs, écuyer, seigneur d’ Azeg, demeurant à Lille en die genoemd werd te rumbecque dit cuvelier, Ze bestond uit een heerlijke rente van 13 mud, 4 razieren, een vierde en een half witte evene, evenals van anderhalve kapoen, en van 4 lb. en 10 s., geheven op verscheidene stukken land aan beide zijden van de Leie, sans qu’un autre droit ap partiennent au dit fief que seulement lesdites rentes, d’ autant que tout appartient au seigneur de la ville de Wervicq et au cas que les tenanciers de ladite seigneurie feraient difficulté de payer leur rente, tant auoine, que chapons et argcnt … Le dit seigneur de Wervicq, son bailly et lieutenant sant obligez de les faire paier à leurs fraix et dépends et sans les frais du seigneur de ce fief. In het licht van de aangegeven naam van de eigenaar kunnen we dit d’autant que tout appartient au seigneur de la ville de Wervicq maar zo begrijpen, dat de heer van 1748 of zijn voorgangers alle rentelanden van de heerlijkheid te Rumbeke hadden opgekocht en dus zelf moesten instaan voor de rentebetaling aan de afzonderlijke heer van deze heerlijkheid. Deze heerlijkheid werd klaarblijkelijk gecreëerd tussen 1502 en 1540. Ze is immers nog niet aangegeven in het leenregister van 1502, maar de vermelding ervan vinden we wel terug in de Domeinrekening van 1540/1.

Nu kunnen we nog aanstippen dat er te Rumbeke een heerlijkheid bestond met de naam Wervickhove en dat deze heerlijkheid heeft toebehoord aan Maria van Gistel fa Rogiers en aan Maria van Lichtervelde. Jan van Antoing, echtgenoot van deze Maria van Gistel, verkocht het goed Wervickhove aan Zeger van Langemeers in 1426 en de heerlijkheid van Wervik aan Jan zonder Vrees, met gedeelten in 1412 en 1418. Volgens aantekeningen gepubliceerd door FERRANT (32), was een goed in Rumbeke dat in 1439 toebehoorde aan Boudin van Stavele, ‘ gespleten uit Wervik’.

Onder de 20 lenen aangegeven in het leenboek van 1502 zijn er vijf die vermeld worden als huusgenoot, d.i. pair. Deze huisgenoten zijn de houders van het leen villain in de Kasteleinrente, van de heerlijkheid Pontenaige, van het achterleen van 16 roeden op Overleie, van de heerlijkheid de Grote Veldbeek en van het leen van Margriete Bargs. Eigenaardig genoeg wordt de heerlijkheid het Grote Heerschip niet als huusgenoot aangegeven.

De lenen zonder rentelanden of achterlenen waren niet in het bezit van enig heerlijk recht. Alle andere hadden recht op doodkoop, landkoop van 15 d. in het lb., tol, vond, bastaards- en stragiersgoed, de boete van 3 lb. en daaronder. Ze mochten een eigen baljuw aanstellen, maar schepenen moesten ze ontlenen aan de heerlijkheid Wervik. Twee achterlenen, de Grote Veldbeek en het Grote Heerschip, mochten bij de baljuw nog een stedehouder aanstellen en een amman en het laatstgenoemde achterleen had zelfs een eigen volle bank van zeven schepenen.

Omvang en bewoning van de heerlijkheid

Zoals men kan zien, was dit een niet onbelangrijke uitgestrektheid. Welke mag nu de bewoning van dit gebied geweest zijn? In de domeinrekening van 1540/41 staan de huizen en andere gebouwen aangegeven als huis en erve, hofstede en soms zelfs met de aanduiding van het bedrijf.

Zo hebben we kunnen uitmaken dat er op Overleie 74 woonsteden stonden en op het gedeelte benoorden de Leie 97, samen dus 171 woonhuizen. We mogen aannemen dat er gemiddeld 4,6 eenheden huisden in een woongelegenheid, zodat we de bevolking van de heerlijkheid Wervik mogen berekenen op ongeveer 800 in 1540, zonder dat we daarbij de woonhuizen op de achterlenen hebben kunnen tellen. Hoewel ons hierover geen cijfers bekend zijn, mogen we toch aannemen dat het gebied van de achterlenen, meestal gelegen in het landelijk gedeelte van de heerlijkheid, geen hogere bevolking had dan die van de ‘buiten’ in die tijd, zodat we misschien nog een paar honderd mensen zouden dienen bij te tellen.

Heerlijke rechten

Er was geen heerlijkheid zonder rechten. Deze waren verschillend van aard naar gelang van hun oorsprong. We kunnen ze grosso modo indelen in contraktuele rechten, d.w.z. die voortgesproten uit de verbintenissen aangegaan tussen oorspronkelijke eigenaar en bewoner of bedrijver, hoe oud en vervormd deze rechten ook mogen geworden zijn, en die van publiekrechtelijke aard, door belening of usurpatie van landsrechten in duistere en troebele tijden. Deze beide soorten van rechten waren niet steeds duidelijk van elkaar te onderscheiden en het volk zelf zal dit zeker mettertijd niet meer hebben gedaan.

Er waren voor de heerlijkheden van het domein te Wervik twee ambtenaars aangesteld, gelast met de inning van de rechten aan het domein verbonden. Eerst was er de ontvanger. Deze was verantwoordelijk voor de inning van alle gewone geregeld terugkomende rechten, zoals de renten, de verpachtingen, enz. Dan was er ook de baljuw, die alleszins vanaf de 16de eeuw de titel ‘ hoogbaljuw ‘ droeg. De baljuw stond in voor de ontvangst van de justitierechten, de keurrechten en de okkasionele heerlijkheidsrechten, zoals reliëf, doodkoop, enz. In de werkelijkheid werd het werk meestal verricht door zijn stedehouder, gewoonlijk onderbaljuw of luitenant-baljuw genoemd.

De heren van Wervik

Nu we gezien hebben wat de heerlijkheid Wervik was, kunnen we trachten na te gaan wie er de bezitters van geweest zijn.

De eerste die in de geschiedenis bekend is met de bijnaam ‘ van Wervik ‘, is Willem, in 1095 aangegeven als kruisvaarder met Robrecht de Fries. In 1125 is Willem van Wervik getuige te Rijsel in twee akten van Karel de Goede. Nog vinden we Willem van Wervik, die berucht geworden is door zijn deelneming aan de opstand van 1127 en aan de moord op Karel de Goede. Het is best mogelijk dat het van 1095 tot 1127 gaat om dezelfde persoon. Volgens Blieck zou deze Willem een broer Lambrecht gehad hebben. Volgens Blieck ook zouden tijdens de repressie na de opstand Willems goederen te Wervik aangeslagen zijn. Wat er ook van zij, deze Willem zou gevlucht zijn en bescherming hebben gevonden in een Henegouws klooster en later opnieuw in de wereld zijn teruggekeerd om de wapens op te nemen. Is deze Willem werkelijk ‘ heer ‘ van Wervik geweest?

In 1257 wordt een Wouter van Wervik genoemd en zijn echtgenote Gertrude, die aan het St-Pieterskapittel van Rijsel hun tiend te Vlamertinge verkopen. De naam van zijn moeder was Margareta en dezelfde naam droeg zijn zuster, gehuwd met Bernard van Gent. Er is ook nog een broer Jan. In 1261 of kort ervoor verkocht Watier de Wervi, ridder, aan gravin Margareta van Constantinopel, de heerlijkheid Waasten, welke heerlijkheid zij aan haar neef, Baudewijn van Henegouwen (44), schonk. Blijkens een akte uit april 1277 over de schenking van verschillende goederen te Wervik, o.m. het leengoed ter Eiken, door Kristina van Ieper aan l’ Abbiette van Rijsel, was Watier toen heer van Wervik ; hij overleed omstreeks die tijd en werd opgevolgd door zijn zoon, eveneens Watier, die in de schenking toestemde.

Verder vielen nog te noteren: Thomas, heer van Wervik en Rumbeke (47), die leefde in de dertiende eeuw. Zijn dochter Maria volgde hem op en huwde Roeland van Nevele. Hun dochter, Jeanne van Nevele, vrouw van Wervik en Rumbeke, trouwde met Zeger van Lichtervelde (volgens Gaillard) of (misschien en) Louis, heer van Lichtervelde (volgens Joigny).

Maria van Lichtervelde, haar dochter, erfde de heerlijkheid Wervik en trouwde met Roegier van Gistel, die genoemd wordt in 1339, terwijl hun dochter, Margareta van Gistel, vrouw van Wervik en Rumbeke, getrouwd was met Jan van Antoing, heer van Briffeuil, die in 1389 het goed Rumbeke aan Zeger van Langemeers en in 1412 de heerlijkheid Wervik aan de hertog van Boergondië verkocht. Zij stierf in 1416; hij echter in 1425, hij ligt begraven te Doornik.

Met haar was het uit met de onafhankelijke heren – of liever vrouwen – van Wervik, want van het ogenblik af dat de opvolging met enige zekerheid kon achterhaald worden, is de heerlijkheid Wervik van het ene geslacht op het andere overgegaan.

Na Margareta van Gistel kwam dus het hertogelijk huis in het bezit van de heerlijkheid Wervik en wel gedurende meer dan twee eeuwen. In 1627 werd de heerlijkheid als pandheerlijk goed verkocht, samen met de andere domeingoederen te Wervik, namelijk de heerlijkheden ter Kruisse, te Loremiers en Bogaertstraete, aan Ferdinand-Georges van Liedekerke, graaf van Moeskroen, Baron van Heule, Moorsele en Gracht, die bovendien reeds in het bezit was van de heerlijkheid Oosthove te Wervik, zodat daarna voor een lange tijd de voornaaamste heerlijkheden te Wervik en het grootste deel van het gebied altijd in handen bleven van dezelfde bezitters.

Maar van 1627 af zijn het geen eigenlijke heren meer maar pandheren, daar de akte van 1627 met de titel engagère … een clausule van weder koop behelsde tegen terugbetaling van de eenvoudige koopson. Hoewel dit feitelijk niet is gebeurd, kon dus de ‘ heerschappij ‘ van de bezitters na 1627 elk ogenblik ophouden. Zo hebben we later de benaming seigncur-gagiste aangetroffen, om de heer van Wervik aan te duiden.

Ferdinand van Liedekerke stierf in 1645 bij de verdediging van Hulst in Zeeuws-Vlaanderen. De pandheren na hem zijn ons bekend uit het denombrement van 1748. Ze waren:

George de Basta, erfgenaam van Ferdinand-Georges van Liedekerke; gestorven te Kortrijk op 4 februari 1663.

Zijn broer, Nicolas-Fernand de Basta, graaf van Hulst en Moeskroen. Van hem werd de heerlijkheid Wervik op 12 februari 1666 gekocht door Caroline Marie Magdeleine Spinola, douairière van Ferdinand-Georges van Liedekerke, de eerste pandheer van Wervik. Zij kwam er verblijven in 1671 en stierf er van de pest in 1693, in haar herenhuis op de Steenakker.

Charles, Philippe, Frédéric Spinola, goeverneur van Namen, erfde van zijn tante, Caroline Spinola. Hij leefde nog in 1704. Hij liet de erfenis na aan zijn zoon Comé-Gabriel-Hyacinthe Spinola, graaf van Bruay, die einde augustus 1712 overleed aan verwondingen opgelopen bij de verdediging van Dowaai. Zijn feodale erfgenaam was dame Claire-Eugénie de Homes, douairière van Guillaume-François de Montmorency. Zij stierf op 17 april 1722.

Haar zoon, Claude-Aimé de Dreux, nam de erfenis van Wervik over ; hij was gehuwd met Marie-Thérèse de Montmorency en zij zelf liet de heerlijkheden Wervik, enz. over aan haar zoon, Philippe-Marie de Montmorency, luitenant-generaal bij de Franse legers. Al zijn heerlijkheden te Wervik verkocht hij zoals hij ze geërfd had.

Antoine-Michel van der Cruusse de la Motte, écuyer, Conseiller Secretaire du Roy, Maison et Couronne de France, verwierf van hem de pandheerlijkheid Wervik, samen met ter Kruisse, te Loremiers en Bogaertstraete, op 4 februari 1733, voor de som van 55000 gulden, Spaans leeggeld.

Hij overleed te Rijsel in juli 1762 als ‘ oud jongman, zeer rijk, maar droog gelijk koekte’. Hij woonde rue Royale te Rijsel en was afkomstig van Kortrijk, ‘ van gemeen volk’, schreef de kwade De Burchgraeve in zijn dagboek.

Na hem kwam, zonder dat we weten welk familieverband mag hebben bestaan met de voorgaande, Arnoult-Hugues-Joseph Vander Cruisse, die heer van Wazières was en daarom soms Wazières aan zijn familienaam toevoegde. Hij wordt vermeld als officier municipal te Rijsel in 1790, nam na korte tijd ontslag en emigreerde. Hij was de laatste heer van Wervik. Alle heerlijke rechten en voorrechten waren met de Franse Revolutie afgeschaft. Daar hij uitgeweken was, werd zijn te Wervik overblijvend goed openbaar verkocht : 7 bunder en 3 honderd lands voor de som van 4700 F aan een Gustave Claeyssens van Brugge en de Westmolen, met tweehonderd lands voor de som van 300 F aan de kinderen Claeyssens. Guillaume Claeyssens hield toen deze molen (53). Er werden van hem eveneens goederen verkocht in Komen, waarschijnlijk afkomstig van de heerlijkheid ter Kruisse.

Heraldiek

Het wapen van de heerlijkheid Wervik is tot nu behouden gebleven in het stadszegel van Wervik-Noord. Het is van goud met de band van keel en met zes rozen van keel gezoomd. Dit wapen komt reeds voor in het schepenzegel van Wervik in 1520 en op 26 februari 1552 wordt het door de schepenen van Wervik gebruikt in een attestatie voor het St-Iansgasthuis te Wervik.

Dit wapen is hetzelfde als dat van Cysoing in Noord-Frankrijk. Nu weten we dat Hellins, heer van Cysoing, in 1280 aan graaf Gwijde van Dampiere le tiere de Wervy overdroeg. Aangezien zijn echtgenote deze overdracht bekrachtigde, moet de afgestane grond uit haar erfenis afkomstig zijn. Om welke heerlijkheid te Wervik het hier ging, weten we niet. De Cysoings komen niet voor onder de heren van Wervik en in 1280 behoorde de heerlijkheid van Wervik aan het huis van Nevele door het huwelijk van Maria van Wervik met Roeland van Nevele.

Onderhorigheid

De heerlijkheid Wervik lag in de kasselrij Kortrijk, maar kan eerst tot de kasselrij Rijsel behoord hebben. Bij het verdrag van Pontoise (11 juli 1312) werd het Transport van Vlaanderen geregeld ; hierdoor werden de Waalse kasselrijen van het graafschap Vlaanderen aan de Franse kroon afgestaan, tegen overdracht aan de graaf van de rente in het verdrag van Athis vastgesteld. Er rezen echter moeilijkheden bij de uitvoering van het verdrag van Pontoise en Robrecht van Bethune verkreeg dat de in Vlaanderen zelf gelegen afhankelijkheden van de Rijselse kasselrij niet werden afgestaan. Zo kon de Vlaamse graaf o.m. Wervik behouden. Later is Wervik in zijn geheel onafhankelijk komen te staan van enige kasselrij.

In 1365 hing de heerlijkheid Wervik op leenroerig gebied af van het Kasteel van Kortrijk. Daar Wervik in 1312 van de kasselrij Rijsel naar Kortrijk overgegaan is en zo bij het graafschap ingedeeld bleef, zouden we mogen besluiten dat er eveneens op leenroerig gebied verandering kan geweest zijn voor de heerlijkheid Wervik en dat deze heerlijkheid oorspronkelijk kan hebben behoord tot de leengoederen gehouden van de Zaal van Rijsel.

Op fiskaal gebied was Wervik, in 1408 ten minste, gedeeltelijk begrepen in de kasselrij Ieper. Wervik wordt zelfs tweemaal vermeld in de lijst van deelnemende bestanddelen in de vaststelling van de aandelen. Een eerste maal in West-Ieper-Ambacht en verder de laten van Werveke in Oost Ieper-Ambacht, terwijl in 1517 Wervik afzonderlijk van Ieper of enige andere plaats met een aanslagquota genoemd wordt.

Op gerechtelijk gebied was Wervik eerst aan de kasselrijen Ieper, Kortrijk en Rijsel onderworpen. Deze toestand bleef bestaan tot in 1431, toen Filips de Goede bij ordonnantie van 20 juli besliste de gerechtelijke bevoegdheden van de kasselrijen in Wervik af te schaffen en ze toe te vertrouwen aan de baljuw en de zeven schepenen.

Wat mogen we nu na deze beschrijving besluiten ?

De heerlijkheid Wervik was een groot leen, rechtstreeks gehouden van het kasteel van Kortrijk en burchtgenoot in dit kasteel. Wellicht behoorde deze heerlijkheid vóór 1312 tot de Zaal van Rijsel. De oppervlakte van de volledige heerlijkheid bedroeg ongeveer 325 bunders. Omstreeks 1540 zullen in dit gebied wel een goede duizend mensen gewoond hebben. Ze lag aan beide zijden van de Leie, maar meer dan twee derde aan de zuidzijde. Ze vormde een mooi, ononderbroken geheel : op het huidig Belgisch grondgebied ongeveer van aan het St-Maartensplein (vroeger het ‘kerkhof’) aan de oostzijde, tot aan de grens met Komen aan de westzijde en ten zuiden van de huidige spoorweglijn; aan de overkant van de Leie was de heerlijkheid aan de oostkant door Bosbeke begrensd en strekte zich west uit tot nabij de huidige grens met Komen Frankrijk. Zuidwaarts strekte ze zich uit tot aan de grens van de kasselrij Rijsel, d.w.z. tot tegen de grens van de huidige Franse gemeente Linselles. Dwars doorheen dit zuidelijk gedeelte liep de Bergstraat.

De heerlijkheid had slechts een klein gebied aan foncier, met huis en neerhof en met twee heerlijkheidsmolens, één aan elke zijde van de Leie. Er waren verder ongeveer 170 bunders rente- of cijnslanden en een twintigtal grond- en rentelenen.

Er was hogere, middelbare en lagere justitie. In 1540 bedroegen de inkomsten van de renten 443 lb. 4 s. 11 d. en waren de goederen van de leenbodem verhuurd voor 270 lb. 12 s. od., samen ongeveer 720 pond per jaar, zonder rekening te houden met de inkomsten van de gerechtelijke instanties noch met die van de casuele rechten zoals reliëf, marktgeld, enz.

Deze cijfers zijn hoger dan de tegenwaarde van de in het Leenregister 1365 van het Kasteel van Kortrijk aangegeven hoeveelheden. Er waren toen jaarlijks te gelden : 66 hovelien, 165 kapoenen, ongeveer 5 mud aan tarwe en ongeveer 13 mud aan haver. In 1365 vinden we echter geen penningrenten vermeld zoals in 1540. Aan de andere kant is het foncier in 1540 heel wat vermeerderd in vergelijking met 1365 (van 8 bunders en drie kwart tot 11 bunders en een kwart). Het aantal achterlenen is tussen de twee jaartallen geslonken van 33 tot een twintigtal. Al deze verschillen kunnen alleen verklaard worden door de creatie van talrijke nieuwe rentelanden tussen 1365 en 1540, misschien wel door omzetting van sommige achterlenen in cijnsland. Wij mogen ons afvragen of het beleg van Ieper in 1383 en de uitwijking van talrijke Ieperlingen uit de voorsteden naar Wervik o.m., daarvan de oorzaken niet zijn. De aankomst van talrijke inwijkelingen was immers een gelegenheid om grond op voordelige wijze te gelde te maken.

Dat het niettemin wel om dezelfde heerlijkheid gaat, kunnen we afleiden uit het feit dat de tol van de brug berekend was op 15 pond van de 25 waarmee de heerlijkheid “Wervik in 1365 was belast, terwijl dezelfde tol in 1540 en later weergevonden wordt in de heerlijkheid Pontenaige.

kaart3

kaart4

J. Roelandt in ‘De Leiegouw’ van 1963

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>