De Hoge Andjoen te Werken

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     328 Views     Leave your thoughts  

De “Hoge Andjoen” te Werken

Te Werken, in het hartje van West-Vlaanderen, aan de zoom van de vallei van de Handzame, bijrivier van de IJzer, ligt een reusachtige terp of mote, in de volksmond “Hogen Andjoen” (ajuin) genaamd.

Gelegen in een weide even ten noorden van de kerk, met een hoogte van 6 m, een omtrek van 180 m en een doormeter bovenop van 28 m, is het zelfs voor de eenvoudigste leek klaar en duidelijk dat men hier te doen heeft met een kunstmatige ophoging.

Velerlei legenden en allerlei gissingen, te veel om te vermelden, kan men te Werken horen aangaande de ,,Hogen Andjoen”.

Oude dorpelingen zullen U weten te vertellen dat, toen zij kinderen waren, er ‘op de kruin van deze mote opgravingen werden gedaan. Waarschijnlijk, zegt men op zoek naar goudstukken en oud geld, maar men heeft er niets anders. gevonden dan scherven en allerhande soorten grond.

Het is verder bekend dat de zg. ,,Steenstraat” te Werken een Romeins diverticulum is komend uit Kassel (Fr.) en lopend in de richting van Brugge. Ook werden te Werken op verschillende tijdstippen Romeinse munten gevonden, in totaal bijna honderd stuks.

De literatuur en de meningen van archeologen over ontstaan en ouderdom van de “Hogen Andjoen” waren veelal in tegenspraak. Ziehier wat we er over te boek vonden:

In 1662 staat deze terp als volgt beschreven : ,,Den Heere van Wynendale, Hertoghe van Nieuwburgh: Ten noordwesthoecke van het kerckhof eene hooghe bewalde mote ghenaemt “den hooghen anjoen, enz …. “.

In 1866 verhaalt Vandenbussche: ,,De Hooge Anjoen . … Eindeling in bovengemeld jaar 1861 begon men boven op de kruin de delving, door het maken van eenen put die acht meters middenlijn had. Ter diepte gekomen van omtrent een meter en half, ontblootte men een vloer die bij de vier meters middenlijn had. Bij het eerste zicht scheen het als of hij uit roode tichels bestond, maar bij nader onderzoek bevond men dat het effen gebakken aarde was. Een weinig dieper, nevens den vloer, ontdekte men een kleine put vol gesteven vet.

Een hoeveelheid assen en houtkolen vond men ten allen kante, alsook eene menigte beenderen van koeien en schapen, hoorens van geiten, tanden van verkens, scherven van waterkruiken, enz. Al deze voorwerpen wierden bijeengezameld door den Heer Burgemeester Vanhonsebrouck die dezelfde bestelde aan wijlen den eerw. Abt Carton, lid der oudheidscommissie, die ze onmiddellijk herkende als voorwerpen van Romeinschen oorsprong” Men besloot hieruit dat de “Hogen Andjoen” gediend had tot offerplaats.

De gekende Westvlaamse archeoloog, E. H. Claerhout, schrijft in 1906 : ,,Nous avons achevé les fouilles du tertre de Wercken, que nous avons commencées en 1898. Ce tertre, appelé vulgairement “De Hogen Anjoen” ou “De Groote Anjoen” (Le Grand Oignon) se trouve près de l’église en une prairie cadastrée section B nr 1097, appartenant à Mad. Veuve Roose, propriétaire à Wercken. Il est entièrement gazonné, de forme ovale et mesure de 5 à 6 mètres de hauteur et 180 mètres de tour. Le Groote Anjoen, situé à la limite des terres habitables, domine une vaste étendue de prairies marécageuses.

C’est l’extrémité de la colline sur laquelle est bàti le village, extrémité isolée du reste du terrain élevé par un fossé creusé de mains d’homme dont les déblais ont servi à surélever et à escarper le point en question. Le tertre de Wercken n’est donc qu’en partie artificiel. Nos fouilles nous ont permis de faire les constatations suivantes: A la partie supérieure : terre rapportée, pierrailles et quelques petits fragments de vases en terre noire. Vers 0,60 m de profondeur: terre brulée rougeâtre et quelques débris de poterie ( en un endroit traces de fouilles antérieures). A 1,50 m: couche de cendres ayant 0,03m d’épaisseur, quelques ossements d’animaux et quelques cailloux. A 3 m: un certain nombre de fragments d’un grand vase en terre noire, cailloux et débris de pavements. A 3,5 m : couche de pierrailles, ossements d’animaux et grand clou de fer.

Signalons comme objets trouvés :

– une lame grattoir et un éclat de silex enfouis accidentellement dans le remblais lors de la construction du tertre, – des fragments de grès calciné par le feu et des morceaux d’argile cuite,
– des scorries de fer,
– des ferrailles indéterminables, sauf un grand clou,
– quelques ossements et quelques dents de porc,
– des tessons de poteries des xe, Xième, XIième XIIième et XIIIième siècles.

Le tertre de Wercken n’est donc, encore une fois, qu’une motte féodale”

Sommige archeologen stelden onlangs de mening voorop dat er hier eertijds waarschijnlijk 3 terpen waren, maar dat de 2 andere ten dele werden afgegraven om de kerk en een deel van het dorp (brouwerij) er op te vestigen. Met enige fantasie kan men hier nog de lichte ophoging onderscheiden, Men besloot hieruit tot de Keltische oorsprong van de “Hogen Andjoen”.

Bij het opnemen van de bodemkaart van Werken was ons de zeer speciale ligging van deze terp bijzonder opgevallen. Met alles wat hierboven beschreven is waren we niet tevreden; we wilden er meer van weten. Derhalve besloten we tot het maken van een put en het uitvoeren van enkele boringen op den Hogen Andjoen.

Op 7 September 1954 werd een put gemaakt van 2,5 m bij 2 m aan de oostkant bovenop de terp: de plaats kan nader omschreven worden als volgt: 6 m van de bovenste oostelijke rand, 22 m van de westelijke, 11 m van de noordelijke en 8 m van de zuidelijke rand.

Wij maakten volgende notaties bij dit werk :

0-60 cm : zwak lernig zand, grijsbruin en matig humeus, geen bepaalde profielontwikkeling.

60-75 cm : zelfde materiaal, veel houtskool en kleine openwrijfbare baksteenresten (gebakken aarde). Deze laag is rondom in de put goed waar te nemen, veel zandstenen (Balegemse steen) ter grootte van een vuist.

75-100 cm: lemig zand, minder humeus.

100 cm : geelrode en zwarte potscherven, stukjes geslepen marmer, halsje (teutje) van een kannetje (+- Pingsdorf), silex, verbrande mengeling van ijzer en houtskool.

100-120 cm: lemig, zand.

120-130 cm: sterk lemig tot kleiig zand met veel baksteenresten, gerolde silexen, horizont met zeer veel grote grauwgrijze zandstenen, veel humus en houtskool, vergane beenderen, kaakstand van schaap, ijzerhoudende zandstenen (Diestiaan) of gecalcineerde Balegemse steen.

130-185 cm: einde der vorige laag scherp begrensd. Mengsel van zand met Ieperse klei, weinig humus, beenderresten.

185-210 cm: groot silex+ scherven van silex, beenderen.

Humeus horizont, gebakken aardebrokjes.

210-250 cm: grove mengeling van lemig zand met tertiaire klei.

250-275 cm: donker zand.

275-300 cm: zeer veel zwarte ijzerassteen (zinders), scorries. Er zitten houtskoolresten in gesmolten ijzer, enz. Verder treft men hier beenderen aan, een grauwgrijze potscherf en veel houtskool: typisch is dat van af 275 cm men geen zandstenen meer gevonden heeft.

300-325 cm: witgrijze en gele potscherf (Pingsdorf), lemig zand.

325-400 cm: veel natter dan voorgaande lagen, meer kleihoudend mengsel van tertiaire klei en veel zand.

400-450 cm: nat beige zand zonder humus.

450-500 cm: kleiig zand.

500-525 cm: idem, kleine silex.

525-550 cm: idem met veel houtskoolresten.

550-570 cm: zeer slechtriekende laag, bestaande uit vergraven veen; kleine purperen schelpjes, beenderen.

575-600 cm: verplaatst veen, sporen van vergraving. 600-680 cm : zeer zuiver droog zand, niet verplaatst, geen sporen van vergraving, geen sporen van een nat ontwikkeld profiel (dus een oorspronkelijk droge grond), geen roest.

680 cm : lemig zand met begin van roest.

De put ging tot 325 cm diep, van daar af werd er met een boor gewerkt tot op 680 cm.

De Hogen Andjoen werd dus 6 meter opgehoogd en het oorspronkelijk oppervlak was een droge, boven de broeken uitstekende zandige kop, waarschijnlijk de voortzetting van de zandige rug tussen de Handzame- en de Colvebeek, waarop het dorp is gebouwd.

De gevonden voorwerpen blijken op het eerste zicht niet opzienbarend en zijn volledig in overeenstemming met de beschrijving van J. Claerhout.

Typisch zijn de vele houtskoolresten en de talrijke horizonten waarop werd gebrand. Dit getuigt voor de geleidelijke en in vele perioden gedane ophogingen van deze terp. Interressant is verder dat geelgrijze kannetje’s halsje en idem scherf. Bon de Loë beschrijft in “La Belgique ancienne” op blz. 178 de gevonden voorwerpen in een terp te Vlissegem. Naast beenderen, scherven en bewerkte silexen geeft hij hier een identiek stuk als het door ons gevonden halsje. Hij noemt het Frankisch; tegenwoordig wordt het beschouwd als “Pingsdorf”.

Wat ons echter ten zeerste opvalt in de opbouw van de Hogen Andjoen is dat veen op het ongestoorde zand. Men is beginnen ophogen met veen (daring of turf) uit de Broeken van de Handzame- en de Colvebeek. Thans ligt het nergens meer aan de oppervlakte, maar is steeds met een ongeveer 1 meter dikke zware kleilaag (polderklei) afgedekt.

Het is niet aan te nemen dat men, toen men met het ophogen begon, eerst de klei afpelde en elders deponeerde om het onderliggende sponsachtige vuile veen te gebruiken als ophogingsmateriaal. Men moet dus besluiten dat het veen onafgedekt aan de oppervlakte lag toen de Hogen Andjoen aangelegd werd. Welnu, we weten dat die klei op dat veen is afgezet door de zee tengevolge van twee overstromingsperioden : een eerste in de 4de, een tweede in de 9de eeuw.

Dr. Moormann en Ing. Ameryckx handelen breedvoerig over deze afzettingen in hun werk over de zeepolders. Hun mening is dat de 9de eeuwse transgressie hier in de streek (vallei van de Handzame) voor de meeste kleiafzetting heeft gezorgd. De 4de eeuwse transgressie heeft geulen in het veenlandschap geërodeerd en deze ten dele met zand en lichte klei opgevuld, alsmede een dunne laag klei op het onaangeroerd veen afgezet (zie verder).

De aanleg van de Hogen Andjoen moet dus dateren van vóór de 9de eeuw, misschien al van vóór de 4de eeuw en is dus ouder dan feodaal.

Duidelijkheidshalve geven wij hier de door ons opgenomen detailkaart weer die de oppervlakte geologie van de onmiddellijke omgeving aantoont .

andjoen1

a) Hogen Andjoen – b) omwalling, ten dele gedempt – c) stroomgrond, zware klei rustend op een kalkrijke lichte kleiondergrond, geen veen op minder dan 150 cm diepte – d) komgronden : zware klei rustend op veen op minder dan 150 cm diepte; meest op minder dan 100 cm – f) zware gebroken grond op minder dan 150 cm diepte rustend op pleistoceen zand; plaatselijk iets venig materiaal aanwezig – g) lichte gebroken grond met pleistoceen zand op minder dan 100 cm diepte – h) zand -of iets !emig zand aan de oppervlakte (pleistoceen) – p) plaats waar de kuil werd gegraven.

andjoen2

De grond waarop deze terp, evenals het ganse dorp is gevestigd, is van pleistocene oorsprong en tijdens het laatste glaciaal opgestoven tot een soort plompe rug waarvan het hoogste punt ongeveer 7 meter boven de huidige zeespiegel ligt. De lagere delen, beneden de 4 m gelegen, waren nat en bedekt met veen dat ter plaatse groeide (veen = afgestorven plantenresten). Ten tijde der Romeinen bestond de omgeving van het huidige dorp uit een zandige droge rug die langs drie zijden (N.W. en Z.) door een moerassig veenlandschap was begrensd. Langs de oostzijde stond die rug in verbinding met het hoger gelegen gebied van de Ruidenberg.

Toen na de Romeinse tijd de zee het land binnendrong (4de eeuwse transgressie) en alles overstroomde wat op minder dan 5 m boven de huidige zeespiegel lag (polders), werden geulen in dat veen geslagen. Hierin was steeds stroming vanwege het op en afgaande water door het getij. Het gevolg was dat hier schelpen en zandige sedimenten afgezet werden, terwijl op de veenplaten zelf enkel klei werd afgezet (klei is zeer fijn en kan slechts in rustig water bezinken). In de valleien volgden deze erosiegeulen hoogstwaarschijnlijk de beddingen der beken. Door verschil van. inklinking tussen veen en zandige sedimenten zakten de oorspronkelijke hoge veenplaten en liggen thans lager dan de stroomgronden, (deze laatsten liggen als ruggen in de broeken- en polderlandschap).

Op bijgaande bodemgesteldheidskaart van de nabijheid van de Hogen Andjoen ziet men duidelijk de stroomgronden (c) en de komgronden (d); de eerste waren de diepe hoofdgeulen waarlangs de zee respectievelijk de vallei van de Colvebeek en de vallei van de Handzame inliepen, en die oorspronkelijk de beddingen van deze twee waterlopen waren. Deze van de Handzame is plaatselijk 100 m breed. Onder een kleidek komt hier lichte kalkrijke zandige klei tot kleiig zand voor.

Het onaangeroerde veen werd enkel door een dunne kleilaag afgedekt; lokaal bleef het zelfs onafgedekt aan de oppervlakte liggen. De overgang van pleistoceen (rug waarop het dorp gevestigd is) naar polder is gekarakteriseerd door een smalle strook gebroken grond (mengsel van klei en pleistoceen zand).

De 9de eeuwse transgressie heeft waarschijnlijk enkel een tamelijk uniforme dunne kleilaag afgezet, zowel op de stroom- als op de komgronden.

Een blik op het kaartje I geeft ons duidelijk de ligging aan van den Hogen Andjoen, vlak tegenaan de polderrand op de droge zandgrond. De wal erom heeft langs 3 zijden nok deel uitgemaakt van deze hogere rug, maar is ongeveer 2 tot 3 meter uitgegraven. Enkel de N.W. zijde vertoonde op het pleistoceen zand een zandige gebroken grond en iets lager zware klei en veen. De plaats waar wij onze put maakten ligt dus buiten de polderafzettingen, op het hoger gelegen pleistoceen zand. Voornamelijk 2 zaken doen ons nu besluiten dat die ophoging tot terp vóór de overstroming is gebeurd, althans vóór de 9de eeuwse transgressie.

1) Men treft veen en zand en ook wel de onder dit zand liggende Ieperse klei aan in de terp, maar geen polderklei of zandige poldersedimenten.

2) De wal die thans ten dele is gevuld vertoont op de bodem een veenlaag ter dikte van ongeveer 1 m die er zeker niet is ontstaan. De samenstelling van dit veen is zo verscheiden, dat moet geloofd worden aan samenspoelen van verslagen stukken veen tijdens de transgressie in deze beschutte plaats. Boven dit veen zit gebroken grond die ten dele door water is afgezet, ten dele kunstmatig is opgebracht om verder te dempen.

We mogen dus zeggen dat, alhoewel de Hogen Andjoen ogenschijnlijk tamelijk ver van de Colvebeek en van de Handzame ligt en ogenschijnlijk in de broeken gelegen is, deze terp in aanleg op een droge zandkop is gevestigd en vlak bij de toenmalige samenloop der beddingen van deze beide beken. Dit is zeker niet aan toeval te wijten. Heden ten dage zijn deze twee natuurlijke beddingen niet meer in het terrein waar te nemen zonder boringen of gravingen te doen. Dus moet de aanleg van de terp dateren van toen ze nog zichtbaar waren, dus alleszins vóór de 9de eeuwse transgressie.

E. H. J. Claerhout helpt ons in een latere mededeling aan een aanneembare veronderstelling nopens het doel en het nadere tijdstip van ophoging. De naam Werken is volgens, hem ontleend aan het Fries. Hij ziet hierin de oorspronkelijke benaming Weretha of Weerd. Thans nog eindigen vele plaatsnamen op Weerd(t), Waard, Warden: Hansweert, Leeuwarden, enz.

Hij geeft een aanneembare uitleg voor de verandering van ’t of ‘th in k in West- Vlaanderen. In dit dialect verandert men heden nog de t van vele woorden in k, bv. vijk, spork, workel, enz.

Als betekenis is het dus klaar dat de naam Werken iets te maken heeft met verdedigen (waarschijnlijk tegen het water). Vergelijk de hedendaagse woorden: weren, weermacht. Welnu, wij bepaalden het tijdstip van ophoging van de Hogen Andjoen tussen de 4de en de 9de eeuw of mogelijks iest vroeger. De Friesen kwamen hier in de 7de eeuw. Onder hun invloed werden in de kustvlakte op de droogkornende schorren veel kudden schapen gegraasd, dus op de kleigronden van de 4de eeuwse transgressie.

Bij hoge vloed kwam het water nog wel eens opzetten. daarom werden in de kustvlakte talrijke terpen gebouwd. Het steeds meer opdringerige water noopte tot steeds verder ophogen. De 9de eeuwse transgressie maakte een einde aan de schorrenbegrazing door alles te overstromen. Die verscheidene phasen van bewoning en ophoging vinden we prachtig terug in den Hogen Andjoen. De vele beenderen en andere dierenresten doen ook besluiten tot vluchtheuvel voor schapenkudden.

We besluiten dus dat de Hogen Andjoen te Werken gemaakt werd als vluchtheuvel voor de kudden die op de schorren in de vallei van de Handzame graasden. Deze terp werd opgehoogd tezelfdertijd als de oude zeedijk van Veurne-Ambacht, t.t.z. in de 9de eeuw, als weermiddel tegen dezelfde transgressie. Het eerste begin van ophoging kan misschien wel dateren van vóór de 4de eeuw en dus. als Romeins betitteld worden. Zeker is echter dat hij tussen de 4de en de 9de eeuw in verschillende fazen flink werd opgehoogd en zijn huidige gestalte verkreeg. Wij hopen bij een volgende gelegenheid nog eens te graven in den Hogen Andjoen op zoek naar verdere details.

B. Slembrouck – G. T’Jonck in ‘Handelingen van de Genootschap voor Geschiedenis te Brugge’ in het jaar 1955

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>