De hopdraadhandel van Poperinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     1234 Views     Leave your thoughts  

Spreek je in Poperinge van ‘hopdraadhandel’, dan denk je aanstonds aan de firma Boucneau uit de Duinkerkestraat. Velen onder jullie kennen ongetwijfeld de sympathieke Albert Boucneau en zijn vrouw Rosa Vandermarliere, de nog steeds drijvende krachten achter de draadhandelszaak. Het jaar 2004 heeft een belangrijke betekenis voor de familie want in feite is het hun jubileumjaar. Precies 100 jaar geleden werd in Poperinge de eerste hopdraad verhandeld door Hilaire Osstyn. Tijdens een gezellige babbel ten huize Boucneau in de Duinkerkestraat te Poperinge brengt Albert het leven van Hilaire Osstyn, zijn grootvader en tevens stichter van de firma, op een sappige manier in verhaal.

Het werd een niet alledaagse en uiterst boeiende uiteenzetting over drie familie generaties die, mits veel werkkracht en doorzettingsvermogen, hun eigen weg baanden in deze nevenhandel van de hopindustrie. Hilaire Osstyn werd geboren in 1874, in het café ‘De Groenspriet’, gelegen langs de Helleketelweg te Poperinge. Op 26 jarige leeftijd leerde hij de jonge Eugenie Cambie kennen, die geboren was in 1871 op de Kazemarkt te Poperinge. (nu café ‘Den Legen Doorn’) Tijdens haar jeugdjaren werkte Eugenie als dienstmeisje bij de familie Benoit Thevelin-Alice Lebbe. Dagelijks liep Hilaire stiekem voorbij langs het statige herenhuis om zo een glimp van de mooie Eugenie te kunnen opvangen.

Na twee jaar verkering huwde het koppel in 1902 en in hetzelfde jaar namen ze de ‘smisse’ van ’Het Hooge’ over, gelegen langs de Provenseweg te Poperinge. Het was er niet alleen ‘smisse’ maar ook nog café en zelfs een kleine boerderij. Het waren zware jaren voor de jonggehuwden, die het heel moeilijk hadden om de eindjes aan elkaar te knopen. Hilaire zocht feitelijk naar iets ‘specifieks’ om als landelijke smid aan de kost te kunnen komen. Na veel nadenken en twijfelen ging hij uiteindelijk om raad bij zijn kozijn Louis OsstynScherpereel. Louis Osstyn was in die tijd een befaamd bankier in de Guido Gezellestraat te Poperinge. Hij was zoals ze in de volksmond zeggen de ‘geleerde’ van de familie, die voor elk probleem een oplossing wist te vinden.

Zo slaagde hij erin om de naam OSTYN in OSSTYN te veranderen, geschreven met een dubbele s. Door verdere financiële tussenkomsten van kozijn Louis werd in Keulen, aan de firma Felten & Guillaume, de eerste hopdraad‘Neptune’ aangekocht. Deze gegalvaniseerde draad was in Poperinge enkel te koop bij Hilaire Osstyn. Het was de beste Duitse draad die er op dat ogenblik te verkrijgen was, doordat hij uiterst zacht en heel soepel was om te bewerken. Hilaire Osstyn, ook ‘Lair Roetinck’ genoemd, naar de familienaam van zijn tweede vader, was een heel gelukkig man nu hij met deze draad aan de slag kon.

Het was er trouwens het uitgelezen moment voor om deze hopdraad op de markt te brengen daar in onze streek de hopsector aan een felle opmars begonnen was. In 1904 waren er in Poperinge niet minder dan 4000 hectaren hop, waarvan er in Elverdinge alleen al 300 hectaren te vinden waren. Tal van hophandelaars stonden aan het begin van een bloeiende carrière. Enkele hiervan waren Hector Vandepitte (later Samyn), Adrien Delfosse, André Fache, de gebroeders Joseph en Albert Delbaere, Jerome Vandermarliere, enz… In Vlamertinge kenden we de gebroeders Veys, in Boeschepe was er hophandelaar André Decanter en in Abele Madame Petit… Hilaire en Louis Osstyn staken de koppen bijeen en experimenteerden met een nieuw systeem van hoppeveld.

De kepers werden op een dergelijke wijze geplaatst zodat de afstand tussen twee rijen slechts 2 meters bedroeg. De ‘vloge’ of de overspanning berekenden ze op 10 meters. Voor de ‘trekkers’ en de ‘dweersdraad’ gebruikten ze een draad van 7 mm van het nummer BWG 3. De lange draad was 5 mm dik, van het nummer BWG 6. De ‘verankering’ van de draden gebeurde met eiken blokken, die door de kepermannen vooraf tot op een diepte van anderhalve meter in de grond werden gedolven. Deze eikenhouten blokken moesten eerst een jaar in een boereput ‘gewaterd’ zijn vooraleer ze te kunnen gebruiken. In die tijd waren Henri Rommens en Pieter Devos uit Proven de meest gevraagde kepermannen, alsook Jules Behaeghel uit Vlamertinge en Nestor Questroye van aan het Zwijnland in Poperinge.

Na het seizoen kwamen de kepermannen telkens aankloppen bij grootvader Hilaire om wat drinkgeld te vragen. In 1914 brak de oorlog uit en was de herberg ‘Het Hooge’, die ze toen uitbaatten, hun enige bron van inkomsten. Bij de talrijke Engelse soldaten, die achter de frontlijn op rust kwamen, steeg ‘de dorst naar bier’ alsmaar sterker. Ze deden er zich eveneens duchtig te goed aan de ‘chips and eggs’ die grootmoeder Eugenie op de stoof klaarmaakte. De Engelsen waren ook erg tuk op ‘half en halfbier’, dit was een pint gevuld met de helft bruin bier en de andere helft wit bier. De zaken gingen uitstekend zodat grootmoeder Eugenie bijna dag en nacht moest werken.

Op een gegeven moment liep de bevoorrading bij de brouwer mank omdat er niet op tijd gebrouwd kon worden. Na enige tijd dreigde het café zelfs zonder bier te vallen. De herberg ‘Het Hooge’ was toen eigendom van de brouwerij Vandenberghe ( nu brouwerij Lahaye). Zonder veel na te denken kocht Grootvader Hilaire zomaar bier aan bij brouwer Feys-Callewaert te Roesbrugge. Hij wilde het risico niet lopen van met een ‘café zonder bier’ te zitten. Zijn zorgen waren voorlopig voorbij en het café kon terug op volle toeren draaien! Hun twee opgroeiende kinderen, Charles en Alice Osstyn, waren meestal te vinden in het gezelschap van de soldaten die op rust kwamen achter de frontlijn. Na de oorlog stuurde mijn grootvader zijn zoon Charles naar de Universiteit in Gent om voor Burgerlijk Ingenieur te studeren. Iemand die later in het zakenleven wilde staan moest volgens Hilaire voldoende geleerd zijn. Hun dochter Alice Osstyn (moeder Albert Boucneau) moest naar het pensionaat in Kain, bij Doornik, om frans te leren spreken en om pianolessen te volgen.

Ondertussen deed grootvader Hilaire Osstyn gouden zaken met zijn draadhandel. De meeste hopvelden waren gesloopt geweest tijdens de vier voorbije oorlogsjaren. De kepers hadden ze gebruikt als herstellingsmiddel voor de talrijke slechte wegen en als verharding van de modderige ondergronden. Tijdens recentere herstellingswerken aan de Reningelststeenweg te Poperinge waren deze kepers heel goed zichtbaar. Alle hopboeren wilden na de oorlog zo rap mogelijk hun vernielde hopvelden terug in orde brengen, waardoor de draadhandel Osstyn op volle krachten werkte. In één jaar tijd verdiende grootvader Hilaire zodanig veel geld dat hij voor elk van zijn kinderen een hofstede had kunnen kopen.

Doch op dat ogenblik was hij totaal niet geïnteresseerd in vastgoed. Hij nam toen maar het wijze besluit om al zijn spaarcenten veilig op de bank te zetten bij kozijn Louis Osstyn. In 1921 kocht grootvader zijn eerste fiets met de bedoeling om rapper bij zijn klanten te zijn en zo zijn concurrent, Willem Debeer (later Denys-Lebbe), de pas af te snijden want die moest alles nog te voet afleggen. Korte tijd nadien kwam het tot een heftige discussie tussen mijn grootouders en hun huisbaas, brouwer Vandeberghe. Omwille van het feit dat ze bier aangekocht hadden bij concurrent, brouwer Feys-Callewaert, dreigde Vandenberghe er zelfs mee de volledige familie aan de deur te zetten.

Grootvader wilde geen problemen meer en nam het besluit om te verhuizen. Met een deel van zijn spaarcenten kocht hij het café ‘ De Faisant’, gelegen langs de Provenseweg 16 te Poperinge. Daar hij van plan was om zelf hop te kweken werd er, op het aanpalende stuk grond van 75 aren, een hopkeet gebouwd, In het jaar 1923 liet hij er een nieuw woonhuis bouwen (huidig herenhuis Boucenau) en kocht hij ook zijn eerste auto, een Fiat, ter waarde van 50.000 frank. Maar de tijden kunnen veranderen! Zo was 1930 voor velen het financiële rampjaar of beter gekend als het jaar van de grote beurscrash. De hophandel zakte volledig in elkaar zodat er van handel drijven totaal geen sprake meer was.

Wie gespeculeerd had met zijn geld was omzeggens alles kwijt. Dit was ook het geval met Hilaire Osstyn, die de rest van zijn spaarcenten zo maar zag verdwijnen. Ten einde raad wilde grootvader zelfs een hypotheek op zijn eigen huis nemen om nog verder op de beurs te kunnen speculeren. Grootmoeder Eugenie, die er meer dan genoeg van had, kon hier nog juist op tijd een stokje voorsteken. Bankier Louis Osstyn had zich ondertussen uit te voeten kunnen maken en was gevlucht naar Boulogne. Later belandde hij in Marokko waar hij zelfs de titel van vice-consul bekwam. Grootvader Hilaire bleef echter niet bij de pakken zitten en kwam op het idee om achter zijn woonhuis een groot kippenhok te laten bouwen.

Daarin kweekte hij een driehonderdtal kippen met het oog op hun eierenopbrengst. Hiervan kon hij er een groot deel uitvoeren naar Engeland. Al verdiende hij hier wel een aardige stuiver mee toch kon niets of niemand beletten dat hij financiël aan de grond zat of op zijn Poperings gezegd bijna volledig ‘platzak’ was. Inmiddels had dochter Alice Osstyn, tijdens een feestje van de Poperingse gegoede burgerij, haar oog laten vallen op de jonge André Boucneau. André was onderwijzer aan het college te Poperinge en woonde op een kamer in ‘de Cirkel’, langs de Bertenplaats. ( nu Gasthof de Kring). Precies een jaar later huwde ‘Meester Boucneau’ met Liesje, de mooie dochter van Hilaire Osstyn. Na hun huwelijk namen ze hun intrek in het ouderlijk huis, waar ze samenwoonden met mijn grootouders Hilaire en Eugenie.

In 1933 werd hun dochter Marie-Thérèse Boucneau geboren en in 1935 kwam ik, als oudste zoon Albert ter wereld. Deze naam werd bewust gekozen naar het derde kind van grootvader Hilaire, dat op 7 jarige leeftijd overleden was. In 1942 werd hun derde kind, mijn broer Jan, geboren. Grootvader Hilaire Osstyn zette zijn draadhandel verder met de hulp van zijn dochter Alice en stierf in 1939 op 65 jarige leeftijd. Grootmoeder Eugénie Cambie maakte nog net het begin van de 2e wereldoorlog mee en overleed plots in 1941. De voortzetting van zijn draadhandel was verzekerd door dochter Alice Osstyn en haar echtgenoot André Boucneau. Tijdens de tweede wereldoorlog was er totaal geen sprake van hophandel.

Het hopareaal was erg geslonken en telde in België nog hoogstens 1000 hectaren hopvelden. Ook waren er in Duitsland heel wat hopvelden verdwenen. Na de oorlog was er méér vraag naar het blonde Pils bier, dat stilaan in smaak de voorkeur kreeg op het bruin bier. Hierdoor waren de hopboeren verplicht van ‘Hallertau’ in te leggen en de hopsoorten ‘Fuggles en Buvrinnes’ te rooien. In 1945 werd door hophandelaar Alberic Samyn de eerste hop aangeplant in Wallonië, in Vodelée. In dezelfde periode plantte Jules Cornette, in Rommedenne, eveneens tal van hopvelden aan. In onze streek herpakte de hophandel zich pas volledig op het einde van 1946 en ging de prijs van de hop plots pijlsnel de hoogte in. Hopkweker Pros Vercruysse verkocht zijn hop aan 15.000 frank per 100 pond.

Henri Verbiese, die woonde in de Bruggestraat te Poperinge, was eveneens in die tijd een succesvol hophandelaar. Er was opnieuw veel vraag naar ‘hopdraad’. Zo kwam er na een moeilijke periode terug wat ‘zaad in het bakje’. Mijn moeder stond er aanvankelijk alleen voor daar vader, als onderwijzer en dus als staatsambtenaar, geen bijberoep mocht uitoefenen. Toch was hij erg geïnteresseerd in de draadhandelszaak. Thuis verscholen in zijn werkplaats knutselde hij een eerste primitief werktuig in elkaar om hopdraad van het nummer 5 en 6 te snijden. Op zeer jonge leeftijd en op veel aandringen leerde mijn moeder me auto rijden. Zo mocht ik soms een eindje met de Fiat rijden wanneer we bij de hopboeren langsgingen om hopdraad aan de man te brengen.

Ik was toen amper 12 jaar en voelde me erg ‘in mijn sas’ bij dit soort werk want ik ging feitelijk niet graag naar school. Veel liever hield ik me thuis bezig met het maken van ‘fichen en haken’. Na schooltijd werkte ik in het gezelschap van onze buurman Medard Gesquiere, al moest ik van mijn ouders iedere avond stipt om 10 uur naar bed. Vanaf 1950 hielp mijn vader toch wat mee in de draadhandel en reed hij na zijn uren en tijdens het schoolverlof met zijn fiets tot bij de boeren om draad te verkopen. Iedereen sprak hem beleefd aan als ‘Meester Boucneau’ Gezeten op mijn klein blauw fietsje was ik heel fier dat ik met hem mocht meerijden. Zo herinner ik me nog de bezoekjes aan Juultje van de ‘Briekerie’, bij Schabalie’s Briekenoven aan de Abeelseweg. Hij hield er een klein vuil café-tje open, waar mijn vader iedere keer een grote pint dronk en ik van Juultje een ‘zimtje’ kreeg. Veel hop werd er echter nog niet aangeplant want de boeren waren uiterst voorzichtig. In Proven kregen we plots de vooruitstrevende planter en hopboer Marcel Top als nieuwe klant.

Door verdere relaties van hopboer Top leerden we op de streek verschillende nieuwe hopplanters kennen die goede klanten van ons werden. Hij bracht ons onder andere in contact met brouwer Delandsheer uit Baasrode. Zijn bedrijf werd later opgesplitst waardoor we ook nog hopdraad konden verkopen aan brouwer Paul Everaert uit Eksaarde. Een volgende nieuwe brouwer was Professor Isebaert uit Zwevezele, die van plan was hop aan te planten in Spanje. Wij leverden de hopdraad en zijn zonen smokkelden regelmatig keperhaken en andere kleinigheden over de Spaanse grens voor het hoppebedrijf van André Viane in Manzaneda. We begonnen terug wat geld te verdienen en konden hierdoor in 1952 een grotere auto kopen, een ‘Opel – Kapitein’.

Vanaf de jaren 1950 was Joseph Roffiaen, toen Schepen van Openbare werken te Poperinge, onze grootste concurrent. In die tijd verkocht hij draad voor de firma Bekaert, terwijl wij draad verkochten voor de firma’ Trefileries & Clouterie’ uit Gentbrugge. Omwille van de oorlog mocht er toen geen Duitse draad meer ingevoerd worden in België. Onze leveringen draad kwamen met de trein toe aan het station te Poperinge. Vervolgens laadde Gilbert Danneel, beter gekend als ‘Vitse’ van het café ‘De Charretier’ uit de Bruggestraat, alles op een kar en kwam toen met zijn vracht tot bij ons in de Provenseweg. De boeren kwamen nadien elk om beurt, met paard en kar, om hun bestelling draad op te halen.

Later gebruikten ze hiervoor een kleine tractor van het merk ‘Masey-Ferguson’. De jonge Poperingse boer Daniël Cambie, zoon van Justin Cambie, wilde in die tijd de hoeve van Melis overnemen langs de Elverdingseweg. Mijn vader was bereid om borg voor hem te tekenen, op voorwaarde dat hij al de nodige draad mocht leveren voor zijn hopvelden. Aanvankelijk was vader Justin heel wantrouwig toen vader met dit voorstel op de proppen kwam. Na wat bedenktijd en onderhandelingen ging de overname van de hoeve toch door zoals gepland. Nadien heeft Daniël Cambie zijn belofte steeds gehouden en bleef hij een trouwe klant van hopdraad. ‘Een woord’ was in die tijd toen nog ‘een woord’!

In die jaren verkocht mijn vader 2 ton kabels aan Jules Cornette, die woonde in Rommedenne in Wallonië. Cornette was na de oorlog, op vraag van de Heer Alberic Samyn ‘met pak en zak’ verhuisd van Loker naar Rommedenne. Nadien volgde zijn zoon Jean Samyn hem op als hophandelaar. Deze 2 ton hopdraad was aangekocht bij de firma Arbed in Duitsland, want er mocht terug Duitse draad verhandeld worden. De grote vracht draad kwam rechtstreeks vanuit Keulen en kwam met de trein toe in het station van Doische, bij Givet, een dorpje gelegen aan de Frans – Belgische grens. Bij een viertal hopboeren werden in 1955 de eerste plukmachines in gebruik genomen. Zo was er één in werking bij Alberic Samyn, bij Paul Everaert in Eksaerde, bij brouwer Delandsheer in Baasrode en bij Marcel Top in Proven. Het was het prille begin van een nieuwe evolutie in de hopsector. Op zeer jonge leeftijd en veel te vroeg stierf mijn moeder in het jaar 1955, ze was amper 48 jaar. Op haar sterfbed had ik haar plechtig beloofd van de draadhandel voort te zetten. Na mijn legerdienst in Lombardsijde bleef ik thuis om te werken in de zaak, terwijl mijn vader les gaf aan het college te Poperinge.

Tijdens de weekends ging vader regelmatig een pint drinken in het gezelschap van de hopboeren Arthur Rosseel en Urbain Beddeleem, die goede klanten en eveneens vrienden van hem waren. Aan de rand van het hoppeveld van Arthur Rosseel ontmoette vader op zekere dag Juffrouw Yvonne Morel, die het secretariaat deed bij ‘Schabalie’s Briekenoven’. Enige tijd nadien werd zij onze stiefmoeder en kwam ze bij ons inwonen. Op aandringen van mijn vader, mijn zuster Thérèse en schoonbroer Urbain Allaeys, vatte ik in 1956 de studies aan voor architect aan het Sint-Lucasinstituut te Gent. Reeds enkele jaren experimenteerde mijn vader, met de hulp van hopkweker Felix Kestier, met een nieuwe soort hopdraad.

Aanvankelijk kreeg hij de naam van ‘gegloeide draad’ en na enkele aanpassingen werd hij de ‘verloren draad’ genoemd. In die tijd stond Felix Kestier in Poperinge bekend als een vooraanstaande hopkweker. Hij was eigenaar van meerdere hopvelden, gelegen langs de Diepenmeersstraat (later hopboer Debandt). Het was dan ook op één van zijn hopvelden dat de eerste ‘verloren draad’ werd afgewonden. Deze hopdraad werd eerst op een lengte van 7 meter gesneden en werd toen rechtstreeks vastgebonden aan de lange draad, die de kepermannen ondertussen hadden neergelaten. ‘Fee Kestier’ was echter niet tevreden met het resultaat van deze draad daar er tijdens de groei te veel ranken naar beneden vielen bij hem.

Hij kweekte in die tijd immers de zware hopsoort, Northern Brewer. Het noodlot sloeg terug toe in de familie toen mijn vader plotseling overleed in het jaar 1957. Zo bleef mijn stiefmoeder alleen achter met de drie kinderen Boucneau en de draadhandelszaak. Ik was de oudste zoon en nam de zware taak op mij om zo goed mogelijk de zaak van mijn ouders voort te zetten terwijl ik nog studeerde.Deze twee taken waren echter in de gegeven omstandigheden heel moeilijk met elkaar te combineren. In Poperinge en omstreken kochten inmiddels meer en meer hopboeren een plukmachine aan en schakelden geleidelijk over op het machinaal plukken. Hiervan herinner ik me nog André Vanexem, Eduard Logghe, Jerome Huyghe, Urbain Vercruysse, Albert Cambron, Gaston Brutsaert …

Al deze hopboeren wilden echter uitsluitend werken met ‘verloren draad’, al was het correcte gebruik ervan nog niet volledig op punt gesteld. Felix Kestier kwam op het briliant idee om in zijn schuur een soort wiel te maken om ‘verloren draad’ af te winden. In Gentbrugge kocht hij hiervoor een zachte staaldraad aan. Vervolgens trok hij deze draad, tussen twee kleine tandradjes, langs het wiel door. Het resultaat was een licht gekartelde draad, die toch voldoende stevig en recht bleef. Zijn project bleek geslaagd en werd met succes uitgewerkt. Door deze ‘uitvinding’ lagen we in productie een groot stuk voorop bij onze concurrent Joseph Roffiaen. Tijdens mijn schoolverlof was ik steeds te vinden in de schuur bij Felix Kestier, waar ik hem hielp bij het afwinden van ‘verloren draad’. Mijn stiefmoeder verhuisde in 1959 naar de Toekomststraat in Poperinge, terwijl ik in het ouderlijk huis bleef wonen met een concierge Robert Tallie-Huyghe. Firmin Decoene en Joseph Ingelaere, goede buren van ons, kwamen na hun diensturen om fiches en haken te maken en ook om oogjes aan te draaien.

In 1960 ontwierp de staaldraadfabriek ‘Trefileries&Clouterie’van Gentbrugge een ‘afwindmolen’ die gebaseerd was op hetzelfde systeem als die gemaakt door Felix Kestier. De fabriek begon tonnen draad te produceren terwijl de oogjes om eraan vast te maken bij ons thuis werden gemaakt. Ondertussen studeerde ik nog steeds voor architect in Gent en huwde in 1962 met Rosa Vandermarliere. Daar ik meer thuis was om te werken dan op school werd ik in mijn laatste jaar ‘gebuisd’ en had ik bovendien nog twee jaar stage aan mijn been. In 1963 ontwierp Willy Verhulst uit Vlamertinge voor ons bedrijf de eerste machinale ‘koordenknoopmachine’. Terwijl ik nog studeerde had mijn vrouw Rosa zich wat ingewerkt in de draadhandelszaak.

Ze verzorgde onze klanten en hield ook nog de boekhouding bij. Op zekere dag demonstreerde de firma Bekaert, bij hopboer Adrien Boeraeve een nieuwe soort ‘draaianker’, dit op vraag van Joseph Roffiaen. Ik was in Gent en vernam via medestudent Vancauwenberghe, zoon van een aannemer uit Eeklo, dat deze draaiankers reeds te koop waren in Holland. Aanstonds belde ik mijn vrouw om te verwittigen dat ze me niet moest thuis verwachten daar ik naar Holland ging om draaiankers te kopen. Nog vooraleer de firma Bekaert haar ankers op de markt kon brengen liet ik ze namaken door smid Dewilde van Ieper. Nog geen week later liet Bekaert echter weten dat er een ‘pattent’ was op zijn draaiankers waardoor wij die van ons niet mochten verkopen.

Smidje Verhulst was echter ‘niet van gisteren’en beweerde dat hij de ankers gemaakt had naar het voorbeeld van de gietijzeren ankers die hij gebruikte tijdens de oorlog bij de constructie van loodsen. Hier had de firma Bekaert niets op in te brengen. De firma Milleville van Poperinge maakte voor ons een klein werktuig, bestemd om op het driepunt van de tractor te plaatsen, waarmee de ankers gemakkelijk in de grond konden worden gedraaid. Mijn eerste draaiankers verkocht ik aan Désiré Vangheluwe. Aanvankelijk hadden ze een diameter van 200 mm, later werd dit 250 mm. Felix Kestier beweerde dat deze ankers nooit stevig genoeg konden zijn, aangezien de te kleine oppervlakte van de ankers ten opzichte van de trekkersblokken. Na tal van moeilijkheden kreeg ik dit systeem tenslotte toch onder de knie en verkreeg ik het gewenste resultaat ermee. Het voordeel van deze draaiankers was dat, bij het aanplanten van nieuwe hopvelden, de hopdraad aanstonds kon worden opgespannen.

Er kwamen steeds nieuwere en ook betere werktuigen op de markt. De smid van ‘’t Roodkruis’ had een nieuw type machine gemaakt voor Albert Devos en voor de gebroeders Lefever. Ook werd een dergelijke machine aangekocht door Marcel Catel en door de gebroeders Verbeke. In 1967 was er heel onverwachts een staking bij de fabriek in Gentbrugge, bij wie we steeds onze ‘verloren draad’ aankochten. Dit stilvallen van de productie betekende een echte ramp voor ons. Zonder veel tijd te verliezen reed ik naar Gentbrugge en kocht er een afwindmachine die er ‘werkloos’ bijstond. De machine kreeg een plaats bij mij thuis in een hangaar die aannemer Emiel Swertvaegher enige maanden voordien gebouwd had. Dit was onze eerste bedrijfsuitbreiding. Het volgende jaar liet ik een tweede draadafwindmachine maken door de firma Platteau.

We namen twee verkopers in dienst en verkochten toen 30 ton draad in de streek van Aalst. In Noord-Frankrijk leverden we 30 ton en in Poperinge konden we 150 ton draad aan de man brengen. Het was een kleine industrie geworden! De concurrentiestrijd tussen ons en Joseph Roffiaen was hevig, alsook die met de firma Vansuypeene uit Noord-Frankrijk. In het gezelschap van Frans Derynck (Pacohop), Daniël Cambie, Albert Devos en Jef Vandermarliere bracht ik per vliegtuig een bezoek aan Zatèc in Tsjechoslovakije. Het hoofddoel van deze reis was de evolutie van de hop in deze streek te gaan bestuderen. We werden er door de Tsjechen heel warm en hartelijk ontvangen.

De hophandel beleefde haar hoogdagen en er kwamen steeds grotere en modernere plukmachines bij. In Wallonië, in Vodeleé, breidden de hopbedrijven van de familie Samyn zich verder uit. Jules Cornette had er reeds 10 hectaren hop staan en Jerome Cornette 5 hectaren. Al deze hopvelden werden geplaatst door Albert Devos uit Poperinge en wij leverden de nodige hopdraad. In de Ardennen werd er hop aangeplant door de hopplanters André Lecomte en Lathurat. Aan een nieuw hopbedrijf in Obterre in Frankrijk mochten we 20 ton zware gegalvaniseerde ‘Gambrinusdraad’ leveren. Dit hopbedrijf was eigendom van Jozef Schrurs-Tyberghien uit Menen en werd uitgebaat door Roger Viane. Hij was de broer van André Viane, die in het Spaanse Manzaneda eveneens een bloeiend hopbedrijf runde.

Tijdens de vakantieperiode kwamen vele vrienden van mijn kinderen, Peter en Dominique, om een handje toe te steken in ons bedrijf. Met grote ijver en veel ‘gezonde leute’ bonden ze koordjes aan in ruil voor wat drinkgeld. Dit was voor ons een heel mooie periode in ons leven waar we met veel plezier maar ook met enige heimwee aan terugdenken. De hophandel en alles wat ermee te maken had kende de ‘gouden jaren’ in de periode 1970 1980. Ook ons bedrijf werkte toen op volle toeren en kende een uiterst hoog rendement. De ‘verloren draad’ werd voortaan in grote bollen geleverd door Arbed- Luxemburg, vanuit Bissen, waar toen de hoofdzetel van Arbed gevestigd was. In 1970 kocht ik bij de firma Decoux in Wallonië een volautomatische snij -en oogjesmachine. Deze machine was volledig afgestemd voor het snijden van ‘presdraad’ van 2 mm. Decoux had me echter verzekerd dat deze machine eveneens geschikt was voor het snijden van draad van 1 mm. Toen ik dit echter uittestte ondervond ik aanstonds dat ik onvoldoende rendement verkreeg omdat de gebruikte draad veel te licht was voor deze machine.

Norbert Debeer had mij nochtans hiervoor gewaarschuwd, want hij had dit reeds heel vroeg in de gaten. Omwille van de grote concurrentiestrijd wilde ik echter meer rendement uit hetzelfde aantal tonnen draad halen. Dit bleek achteraf een verkeerde gok te zijn geweest van mij. Ik zocht naar een oplossing om mijn verschillende machines, op hetzelfde ogenblik en in combinatie met elkaar te laten functioneren om zo al mijn werknemers aan het werk te zetten. Toen had ik reeds twee afwindmolens, een oogjesmachine en een elektrische draadopwindmachine in gebruik. In die jaren was ik een jonge, beginnende architect en gaf daarom de zaken meer en meer door aan mijn vrouw Rosa en aan mijn schoonbroer Frans Vandermarliere.

Frans werkte in die tijd als verkoper bij de firma Allaeys, waar de verkoop van plukmachines sterk verminderd was. In 1980 geraakten we in financiële moeilijkheden daar het met de hophandel in het algemeen sterk bergaf ging. Vele boeren rooiden hop en verschillende grote hopboeren gingen zelfs failliet. Om mijn personeel in dienst te kunnen houden keek ik uit om zelf draad te trekken. Bij de firma Boons in Aartselaar, waar ik mijn steekfiches aankocht, zag ik een dergelijke draadtrekmachine in werking. Ik dacht toen bij mezelf, als hij dat kan, kan ik dat ook… We kochten een dergelijke draadtrekmachine en bouwden hiervoor een loods bij. Het draadtrekken was echter veel moeilijker dan ik verwacht had. Het vergde veel kennis en eiste enorm veel energie. Achteraf bekeken bleek dit idee van zelf draad te willen trekken een verkeerde beslissing te zijn geweest. De Heer Boons uit Aartselaar bracht ons in contact met de ZND ( Zuid-Nederlandse Draadindustrie). Zo maakten we kennis met de Heer Stoker, de voormalige directeur van het Nederlandse bedrijf ‘Thibaultstaal’.

Hij was vertegenwoordiger bij Penwalt Chemie (USA), die op dat moment bekend stond als de beste fabrikant ter wereld van draadsmeermiddelen. Bij de Heer Stoker kon ik terecht met mijn problemen die ik had bij het uittesten van mijn draadtrekmachine. Dit was voor mij een grote opluchting en een grote stap vooruit in de goede richting. De firma Arbed (Bissen) leverde ons nog steeds de nodige fijne ‘verloren draad’, die we nadien met onze afwindmachines op de gepaste lengte sneden. Als grondstof voor onze eigen draadtrekmachine waren we bij Arbed ook nog afnemers van ‘gewalste draad’. Doch na het draadtrekken bleek de ons geleverde draad niet van gewenste kwaliteit te zijn.

Deze problemen bij het draadtrekken bezorgden ons veel kopzorgen en tal van slapeloze nachten. Na een klacht ingediend te hebben bij Arbed kwam de directeur, de Heer Weigerdinger in eigen persoon, om poolshoogte te nemen van deze zaak. Ter plaatse moest hij echter toegeven dat er ons wel degelijk staaldraad van slechte kwaliteit geleverd werd. Van toen af aan kochten wij, op zijn advies, nog enkel chemisch gebeitste trekdraad. Arbed leverde ons deze gebeitste draad in massale hoeveelheden. Wij werkten in die tijd heel intensief en behaalden hierdoor een rendement van 20 à 25 ton draad per maand. Deze uiterst hoge productie konden we aanhouden gedurende een periode van 8 maanden.

In 1990 verminderde het aantal ton geleidelijk want de achteruitgang van de hopteelt zette zich onherroepelijk voort. Mijn zoon Peter Boucneau, nochtans werkzaam bij de firma Bekaert, zag geen toekomst in onze draadhandelszaak. Hij stuurde mij er op aan om mijn machines te verkopen aan de Oostbloklanden, waar er nog veel hop geteeld werd. Op advies van hopboer Daniël Cambie nam ik deel aan verschillende hopcongressen in Frankrijk, in Duitsland en in Hongarije. Tijdens één van die congressen leerde ik de Heer Rosa uit Tsjechoslovakije kennen. We gingen aanstonds heel vriendschappelijk met elkaar om daar Poperinge verbroederd is met Zatec. In 1996 verkocht ik mijn draadtrekmachines aan de Heer Rosa, mits een sluitend contract van draadafname bij ons.

Inmiddels had de firma Roffiaen-Verbeke, met de hulp van de firma Bekaert, een volautomatische snij -en oogjesmachine laten maken. Ze hadden deze machine enkele jaren in gebruik en verkochten ze nadien aan Pacohop. Hierdoor kreeg ik ineens grote concurrentie van Pacohop, waardoor mijn draadproductie sterk begon te verminderen. Gery Gouwy, handelaar in landbouwmachines, gaf mij de raad om contact op te nemen met de Heer Wolf, die woonde in Statmatten in de Elzas ( Frankrijk). Hij was namelijk op zoek naar een betere kwaliteit hopdraad. Onderhandelingen met de Heer Wolf bezorgden me in de Elzasstreek een nieuw afzetgebied voor mijn hopdraad. Hierdoor waren mijn problemen tijdelijk opgelost.

Ondertussen waren de meeste grote hopbedrijven, die in het verleden grote klanten van ons waren spijtig genoeg, één na één opgedoekt. Enkele hiervan waren de hopbedrijven van Obterre in Frankrijk, Manzaneda in Spanje, Samyn en Cornette in Wallonië… Om mijn arbeiders te kunnen behouden en werk te geven startte ik een eigen bedrijf ‘Bovan’, gespecialiseerd in het maken van afrasteringen en afsluitingspoorten. De hopdraad, vroeger door ons in Poperinge gemaakt, wordt nu vervaardigd in Tsjechië. Deze afgewerkte draad verkopen wij aan geïnteresseerde hopboeren in Noord-Frankrijk en in de Elzas en in beperkte mate aan de nog overgebleven hopboeren in eigen streek. Momenteel verkopen wij enkel nog fijne ‘verloren draad met oogjes’.

Voor het produceren van deze zachte staaldraad zijn er minder kilo’s grondstof nodig om een zelfde rendement draad te verkrijgen. Hoe fijner de draad, hoe lager de kostprijs. Een logische verklaring voor de stijgende interesse voor deze draad van uit het buitenland. Het type koordenmachine, door mij ontworpen, werkt voor het ogenblik nog in Polen, in Duitsland en ook nog in Tsjechië. In 2002 verkocht ik mijn andere snij -en koordenmachine aan Carlo Boerave, zoon van de Poperingse hopboer Adrien Boeraeve, dit enkel voor eigen gebruik, Een terugblik op 100 jaar draadhandel laat uitschijnen dat het pionierswerk van Hilaire Osstyn met succes werd voortgezet door de twee volgende generaties.

Het bedrijfje, dat hij in 1904 opstartte in de smisse van ’t Hooge, groeide immers uit tot een bloeiende draadhandelszaak. Al wordt er ter plaatse geen activiteit meer uitgevoerd en is er geen geronk van machines meer te horen langs de Duinkerkestraat, toch zijn Albert en Rosa Boucneau terecht fier dat ze tot op heden hun familiebedrijf in stand hebben kunnen houden. De opvolging van hun draadhandelszaak is momenteel nog niet verzekerd, wie weet meldt er zich iemand eerstdaags onverwachts aan. Het zou hen zeker gelukkig stemmen want ook zij koesteren, zoals velen van ons, dezelfde stille wens dat er in Poperinge en omstreken nog ‘hoop’ is voor de hop!

Annemie Declerck in Doos Gazette van Guido Vandermarliere – jaargang 2005

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>