De hutten van Sint-Jan-in-de-Biezen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 months ago     225 Views     Leave your thoughts  

wat voorafging …..

Sint-Jan-ter-Biezen. De geschiedenis van het Nieuw Testament leert dat de H. Johannes in de woestijn leefde van sprinkhanen en wilde honing. Dit soort leven heeft veel navolgers gehad. Het zijn onder andere diegenen die in Watou kluizen en een kapel hebben gesticht en aan die plaats de naam van hun patroon hebben gegeven. En zo is Sint-Jan-in-de-Biezen ontstaan. We herinneren nog heel goed onze kinderjaren wanneer de kachels nog geen overheersende plaats in de woningen hadden ingenomen om de glinsterende houtvlammen en de vriendelijke en aantrekkelijke bijeenkomsten rond de haard te doen verdwijnen. Toen was er nog regelmatig sprake van het leven van de kluizenaars. Men vergeleek ze toen met kloosterlingen die leefden van de vruchten der aarde. In bossen en afgezonderde plaatsen. Levend in hutten van geperste leem of in een hol ingegraven in een of andere heuvel. Ze deden daar alle soorten van boetvaardigheid en wonderen die insloegen in de geesten van het volk. Voor de 16de eeuw is er sprake van een kapel in Sint-Jan die gebouwd was in plakmuren en bedekt met stro.

In de nabijheid stonden enkele hutten die door kluizenaars bewoond werden. Alles was het eigendom van de heer van Douvie. De geestelijken van Watou deden er dienst op de feestdag van Johannes de Doper. De kapel werd bediend door een kapelaan. Er werden begrafenissen gehouden. Dat blijkt althans uit menselijke beenderen die op de kerkhofgrond werden aangetroffen. De kapel moet al vroeg begiftigd geweest zijn, met het oog op christelijke opvoeding om de bestaande stichtingen wat te ontlasten. Een kwijtschrift van 30 juli 1710 geeft wat extra informatie. ‘Jan Vanhoucke, dischmeestere, die zegt ontvangen te hebben van Nicolaes Hennein, kapelmeester van de kale van St-Jan-in-de-Biezen binnen deze parochie, de som van zes ent neghentich ponden parisis, in remboursement van een rente van zes ponden pars ‘s jaers, ten advenante van den pennijnck sesthiene, die de selve kapelle was geldende aan de voornoemde disch ter cause de selve kapelle aangetrocken heeft een hofleen Adriaen de Gry.’

En uit deze verkoop, op 18 februari 1711, door diezelfde Hennein als kapelmeester, met de tussenkomst van Jonker Louis Anthoine van Crombrugghe, heer van Douvie, Guillaume Rape, baljuw van diezelfde heerlijkheid, zich machtig makende over de wet. Koning Lodewijk XIV beval een aflossingsfonds voor de goederen bij ‘dodehand’ verkregen. Voor de kapel van St.-Jan gaf de griffier van Douvie op 6 augustus 1717 volgende getuigenis:

‘Wij declareren dat de capelle heeft gekocht ende vercreghen ‘s sedert 13 january 1702 eene rente van drye ponden grooten vlaems, pennynck twintigh tot laste van Pieter Oosten ende Nicolais Viler, causa uxoris, beset den 27 january 1712, procedeerende van de vercoopinghe van de goederen van de selve capelle, die niet subject en waeren aen de amortisatie, ende van oplegh van eene rente, die ook niet subject en was aen de selve amortisatie, toedoen competeerende selve capelle twee ghemeten garsland bij coope van Jan Baptisten per erfenisse van den 27 Juny 1713.’

Het kluizenaarsleven werd heel bijzonder geschetst door F. Vandeputte, de pastoor van Boezinge in zijn verhaal over Karel Lodewijk Grimminck die rond 1700 pastoor was in Caester. Grimminck was rond die tijd stichter van een vereniging van kluizenaars. In deze geschiedenis zien we Karel Grimminck zijn pastorie verlaten om op diezelfde parochie, in een bosje, een hut te bouwen om er zich in eenzaamheid te wijden aan godsdienstige oefeningen en boetvaardigheid. Elke woensdag verplaatste hij zich naar Sint-Jan-in-de-Biezen, op drie uur afstand van zijn hut om in de kapel daar catechismuslessen te geven aan de kinderen. Afgemat, maar verkleefd aan de kapel van Sint-Jan vroeg hij aan de heer van Douvie om er een hut te mogen bouwen, als enige priester de kapel te bedienen ten dienste van de landlieden uit de omgeving.

Jacobus van Crombrugghe, priester en heer van Douvie willigde deze vraag in en schonk deze kapel met de gronden ervan aan de bisschop van Ieper. Dat gebeurde op 14 december 1723. De schenking was goed voor een jaarlijks inkomen van 90 gulden per jaar. In de buurt van die kapel woonden er in een hut een zekere Monard met een gezel die beiden met bedelen aan de kost geraakten. De bedoeling van pastoor Grimminck was om er een nieuwe hermitage in volle vorm op te richten. De statuten ervan werden goedgekeurd door de bisschop van Ieper. Zo was onder andere voorgeschreven om de vrijwillige armoede te aanvaarden waarbij bedelen streng verboden werd. Iedere kluizenaar moest voorzien zijn van zekere middelen van bestaan of moest een kostwinnende ambacht uitoefenen. Monard en zijn vriend werden daardoor niet geaccepteerd.

Twee jongelingen die pastoor Grimminck bewonderden werden als kluizenaars aangenomen. Dat waren Simon Deschodt en Pieter Demeyere. Ze hadden elk hun eigen hut. De kluis te Caester bestond uit een ingangsplaats van 8 à 9 voet vierkant. Zowat 7 vierkante meter. Daarachter was er nog een identieke kamer om te studeren en nog een kleinere die diende als slaapkamer. Hier stond een bed met de breedte van een doodskist, voorzien van een mat voor matras en een stuk hout voor hoofdeinde. Voor de huisraad stonden er stoelem en drie pikkels, aan de muren hingen papieren beeldjes en een Christusbeeld en enkele doodshoofden. Vloer en muren waren in leem.

De hutten van Sint-Jan waren vrij identiek. Ondanks de armoedige levensomstandigheden in de hutten werd op verzoek van pastoor Grimminck verder gewerkt aan de kapel. De lemen muren werden vervangen door steen en het stro van het dak maakt plaats voor dakpannen. Van dan af aan heeft hij de kerkelijke diensten in Sint-Jan voor zijn rekening genomen. Het geheel zorgde voor een aura van heiligheid in de hele regio. Er ontstond weldra een grote toeloop van mensen die er wilden bidden en om de pastoor-kluizenaar om raad t vragen over allerhande zaken die deel uitmaken van het leven.

Na een verblijf van vier jaar was het aantal kluizenaars nog niet vermeerderd. Dat was de reden waarom pastoor Grimminck en zijn twee kluisbroeders besloten om als Trappist naar het kloosterleven over te stappen. Zodra hun voornemen bekend geraakt werden alle inspanningen gedaan om hen daar te laten blijven. Iets waar men in slaagde maar de gezondheidstoestand van Grimminck liet te wensen over. Dergelijk streng leven had zijn krachten uitgeput. Zijn benen zaten vol veretterde wonden waar voortdurend vuiligheid uit liep^. Daardoor is bij hem hevige koorts ontstaat. De pastoor overleed op 12 november 1728 en werd begraven in het koor van de kerk van Watou.

Volgens de verklaringen van onderpastoor Victor Astaes was het lichaam in 1806 nog altijd volledig. Bij het hervloeren van de kerk in 1831 werd het lijk nog eens gecontroleerd en vond men toen nog maar een geraamte en een deel van de kledij. Na het afsterven van pastoor Grimminck zijn er geen verdere documenten over de kluizenaars teruggevonden, met uitzondering van een document uit 1783 dat aangeeft dat de kluizen leeg staan maar dat er nog altijd een pastoor woont naast de kapel die er nog altijd diensten houdt.

wordt vervolgd …..

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>