De Ieperse handvesten

Tijdrekenkundige lijst van onuitgegeven Handvesten, open Brieven en andere Bescheeden, rustende onder de Archiven der Stad Ypre, Westvlaenderen,en die belangryk zijn voor de plaatselijke Geschiedenis van de verscheidene andere Steden van het Ryk.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Tijdrekenkundige lijst van onuitgegeven handvesten, open brieven en andere bescheeden, rustende onder de archiven der stad Ieper, West-Vlaanderen, en die belangrijk zijn voor de plaatselijke geschiedenis en voor degene van verscheidene andere steden van het rijk.

1101. Robert, markgrave van Vlaanderen, zoon van Robert den Vrieslander, terug gekeerd van Jerusalem, en te Ieper zijnde, geeft hij aan de kerk van Sint-Donaas, te Brugge, de zelfde vrijheid die hij aan de kerk van Rijssel had vergund. Hij ontslaat de proostlaten, het is te zeggen degenen die in het beluik wonen van de proosdij van Sint-Donaas, van alle openbare lasten. Hij ontheft hen van zijn heerschappij en stelt ze onder de macht en het gezag van de proost en de broeders van Sint-Donaas. Hij schenkt aan die laatste de tienden van de landen die zij bezitten en die reeds bezaaid worden en van degene die nog onbebouwd zijn, en wil, gelijk zijn voorzaten, dat alle gebouwen, als het huis van de proost en de andere in het beluik van de proosdij, aan deze zullen toebehoren, zo wel als de huizingen houdende aan de proosdij. Getuigen: Robert, kastelein, Robert, voogd van Bethune, Steven van Boulare, Reingot van Muelenbeke, Frool, kastelein van Sint-Winocs-Berge, Bertulfus, proost, Dodinus, deken, Folbertus en Remlofus, priesters, Lidbertus, Walterus, Bertulphus, diakens, Taucradus, Gommarus, Reynerus, onderdiakens.

1110, 3de maart. Robert de 2de, graaf van Vlaanderen, vergunt aan de proosdij van Sint-maarten, te Ieper, de vrije bezitting van enige landen, gelegen omtrent het grondgebied geheten “Upstal” en van andere eigendommen aan deze proosdij voorafgaandelijk gegeven door Fromoldus, overste (praapositus) van de stad, en door Stephanus, Erlebodus, Rembertus en Adelinus, de zoon van Joannes.

1116, 17de oktober. Boudewijn de 7de, graaf van Vlaanderen, geeft aan de Ieperlingen dit voorrecht dat zij zich niet mogen beroepen worden tot een kampstrijd, of om zich te verdedigen door het vuur, ijzer of water, maar wel met vijf van hun bloedverwanten of vrienden. Deze prins bevond zich te Ieper wanneer hij dit voorrecht verleende.

1124, in mei. Karel de Goede, graaf van Vlaanderen, ontslaat van alle rechten en belastingen de landen toebehorende aan Hilifridus, proost en aan de reguliere kanunikken van Sint-maarten, te Ieper, en ook van het recht van tiende welke deze graaf had op hun landen in Marcq (Langemark), grenzende aan Passendale en Rozebeke.

1166, 2de dag voor Pasen. Filips van Elsatien, graaf van Vlaanderen, verleent aan de Ieperlingen het vermogen om een tol te heffen op de schepen varende tussen Schipstaale (misschien Scheepsdaale) en Dixmude.

1168. Filips van Elsatien, graaf van Vlaanderen, vergunt aan de inwoners van Nieuwpoort, te voren geheten Sandeshove, vrijdom van tol in Vlaanderen.

1171 of 1174. Filips van Elsatien, graaf van Vlaanderen, geeft wetten aan de schepenen en gemeente van Ieper, bepalende, onder ander, straffen en boeten, voor het mishandelen van personen, het overvallen van iemand in zijn woonst, het verbergen van wapens en van bannelingen, voor diefstal (diefte), vrouwenschending, het verbreken van de vrede tussen inwoners, het uitspreken van onrechtvaardige vonnissen door de schepenen, het beledigen of aantasten van wethouders. Deze wetten brengen ook met zich mee dat de schepenen verordeningen mogen maken tot welzijn van de gemeente.

1180. Filips van Elsatien, graaf van Vlaanderen, te Ieper zijnde, beslist een geschil tussen de inwoners van deze stad en de kerkmeesters van Meessen, wegens een tol door Robert, gezegd den Vrieslander, aan deze kerk gegeven.

1187. Filips van Elsatien, graaf van Vlaanderen, beslist dat de kapel van het ziekenhuis op de markt te Ieper, niet mag opgericht worden, noch aldaar een altaar mag gesteld worden zonder de toestemming van de proost van Sint-maarten.

1193. Filips de 2de, koning van Frankrijk, vergunt aan de kooplieden van Ieper, vrijdom van beslag, in de uitgestrektheid van zijn straten.

1196. Meliseus, proost van Sint-maarten te Ieper, verheft op het verzoek van Ghelin, bediende van de graaf, en van de schepenen en andere goede mannen, de kerk van Brielen, in de voorstad, tot parochiekerk, gelijk reeds in het gezag van degene van Sint-Pieter en Sint-Jacob gedaan was.

1197, 8ste der kalender van april. Die van Keulen en de Vlamingen gaan een overeenkomst aan, behelzende onder andere, dat aan deze laatste te Keulen tot geen tweegevecht mogen geroepen worden, tenzij om het slaan van valse munten.

1202, in maart. Boudewijn de 9de, graaf van Vlaanderen en van Henegouwen, belast de schepenen van Ieper kennis te nemen van alle misdaden van ontschaking en geweld gepleegd aan vrouwspersonen, in de uitgestrektheid van het schependom.

1209, dinsdag na Sint-Pietersdag. Filips, graaf van Namen en bestuurder van Vlaanderen, te Kortrijk zijnde, vergunt aan de schepenen van Ieper, het jaar van hun bediening, geëindigd zijnde, te noemen vijf van de voornaamste inwoners die vijf schepenen kiezen, en dat deze vijf verkozen zijnde, de acht andere schepenen mogen aanstellen.

1214. In de paasdagen. Ferrand van Portugal, graaf van Vlaanderen, beveelt aan de schepenen en inwoners van Ieper, hun stad te versterken en met wallen te omringen, en staat toe dat zij daartoe zo veel land mogen nemen als zij nodig hebben, behoudens de eigenaars schadeloos te stellen.

1214, 5de dag na Quasimodo. Ferrand, graaf van Vlaanderen, zich te Ieper bevindend, verklaart dat de schepenen en poorters, die de stad tevoren zonder zijn toestemming hadden doen versterken, hierom niet zullen gestraft noch geldboeten opgelegd zullen worden.

1219, in mei. Wouter Medem ontvangt in gift van Hugo, graaf van Rethel, en Mabilia, zijn wijf, kasteleine van Ieper, al het recht dat zij hadden aan twee watermolens, de ene staande in het midden van de stad, de andere daar buiten, bij de overdracht, om door hem in leen gehouden te worden, en met last van hun te geven een paar gouden sporen de paasdag van elk jaar.

1225, Asdag. Joanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, vergunt aan de Ieperlingen, dat de inwoners, genomen voor gijzelaars tot verzekering van de vrede, door de schepenen zullen mogen uitgewisseld worden.

1225. De gebroeders van de Tempel en de schepenen van Ieper gaan een verdrag aan inhoudende dat de bannen, ’t is te zeggen de verordeningen, door deze laatste gemaakt, op het grondgebied van de Tempeliers zullen onderhouden worden; dat de Tempeliers zullen mogen aanvatten degenen die op hun grondgebied een misdaad bedrijven; dat de schepenen deshalve de kennis zullen hebben en het vonnis vellen; dat degenen onder het rechtsgebied van de Tempeliers wonende, in de voorrechten van de Ieperlingen zullen delen, en dat zij vrij zijn van belastingen, tollen, enz. Er mogen geen vazallen van de gravin wonen zonder haar toestemming; dat de schepenen door de Tempeliers ontslagen zijn van de rechten aan deze laatste toebehorende op de halle van Ieper.

1225, 3de dag na Sint-Denis. Joanna, gravin van Vlaanderen en van Henegouwen, belast de schepenen van Ieper vrede te maken onder de inwoners, en de onenigheid bestaande tussen de vrienden van Jan Medem en die van Lambert Voet, te vereffenen.

1226, in januari. Margriete, weduwe van Lambert Voet, sticht te Ieper, voor de arme zieken, het godshuis van de heilige Catherine.

1227, in maart. Agnes van Saint-Omer, abdis van Meessen, met enige kooplieden van Vlaanderen in geschil zijnde, aangaande de tol door haar gelegd op de waren gebracht naar de markt te Meessen, dit geschil wordt uit de weg geruimd door twee schepenen van Brugge en twee van Ieper.

1227, Sint-Benedictusdag, in maart. Ferrand en Joanna, graven van Vlaanderen, verlenen aan de inwoners van Ieper, het voorrecht om jaarlijks hun wethouders te verkiezen en in bediening te stellen. Ze geven in eigendom aan de Ieperlingen, de visserij en het water van de grachten rondom de stad, ter uitzondering van degene tussen de Meessenpoort en de Tempelpoort, aan de stad afgestaan in 1224, en die deze graven nu aan zich hielden.

1227, in april. Ferrand van Portugal, graaf van Vlaanderen, verklaart dat de landen toebehorende aan de Ieperlingen en gelegen buiten de stad, noch door hem, noch door zijn baljuw (de hoogbaljuw) met geen belastingen kunnen bezwaard worden.

1228. De Paus Gregorius de 9de bekrachtigt de stichting in 1226, gedaan door Margriete, weduwe van Lambrecht Voet, van het godshuis van de Heilige Catharine, voor de arme zieken.

1230. Het godshuis van H. Catharine, te Ieper, staat onder de gehoorzaamheid van de proost van Sint-maarten binnen dezelfde stad.

1230, in juli. De wethouders van Ieper geven een verordening uit, inhoudende dat degenen die overtuigd zijn wezen en minderjarige kinderen misleid te hebben, zullen onthoofd worden en hun goederen verbeurd.

1232, 25ste januari. De koning van Engeland, Hendrik de 3de, geeft vrijgeleide aan de inwoners en kooplieden, in dit rijk handel drijvende.

1234, de maandag voor O.L.V. Boodschap. Robert de Insula, overste van de orde der Tempeliers in Frankrijk, geeft brieven aangaande de vrijheid welke de bannelingen van Ieper genieten op het grondgebied van de Tempel, nevens deze stad.

1235, Sint-Benedictusdag. Agnes (van Sint-Omaars) abdis van Meessen, ontlast die van Ieper van zekere jaarlijkse schatting (census) behoudens een bepaalde erkentenis. De wethouders van Ieper stichten in de collegiale kerk van Onze Lieve Vrouw te Meessen, een jaargetijde; in de octaaf van Sint-Andries een mis voor het welzijn en de behoedenis van de stad Ieper, en een andere mis voor de afgestorven inwoners. Zij betalen daar voor twee rentes, te samen van vijftien gulden vijf stuivers en drie deniers.

1235, in september. Hugo, graaf van Rethel, en Mabilia, zijn wijf, kasteleine van Ieper, doen afstand, ten behoeve van de stad, van al het recht hun toebehorende aan de watermolen van Brielen.

1236, in maart. Lambertus, bijgenaamd van Geluwe, proost van Sint-maarten, te Ieper, erkent dat hij gehouden was een wekelijkse mis te doen zingen in de oude kapel van de Lazernij, en belooft deze mis voortaan te doen zingen in de nieuwe kapel van Sint-Jan nevens Ieper.

1236, in juni. Joanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, bekrachtigt de verkoping door Michiel van Ieper, aan de stad gedaan, van honderd en zes bunders bosland in Pouvelde, door hem van haar in leen gehouden, en stapt af haar leenrechten, behoudens een jaarlijkse erkentenis van een paar vergulde sporen.

1241, in april. Thomas van Savoye en Joanna, graven van Vlaanderen, geven aan de stad Ieper, het grondgebied genaamd “Upstal”, buiten de Tempelpoort, behoudens een erkentenis van zes deniers door de stad te betalen elke feestdag van Sint-Jan.

1241, 6de dag na Baafsmisse. Thomas van Savoye en Joanna, graven van Vlaanderen, verlenen aan de Ieperlingen vrijdom van tol te Rijssel, ter uitzondering nochtans, in het gezag van enige goederen en waren in dit bescheed uitgedrukt.

1245, in maart. De inwoners van Ieper, beloven als grave van Vlaanderen te erkennen degene van de vijf zonen van Margriete van Constantinopel, verwekt met Willem van Dampierre en Bouchard van Avesnes, welke door de koning van Frankrijk tot het graafschap zal geroepen worden.

1245. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, geeft te Orchies, een handvest behelzende dat men zal houden en onderhouden de verzoening en de vrede tussen haar onderdanen, na enige twist, zullen gemaakt worden.

1246, 11de der kalender van juni. Innocentius de 9de, paus van Rome, verleent een bulle behelzende dat men te Ieper, ter oorzake van de talrijke bevolking, bestaande, volgens deze bulle in twee honderd duizend zielen, koren mag malen de heiligdagen, indien het de werkdagen windstil is.

1247, de 5de van de kalender van maart. De paus Innocentius de 4de verbiedt aan de officiaal van Ieper en aan de dekenen van de christenheid, geld te ontvangen in afkoop van de straffen voor bedreven ontucht.

1247, de 11de van de kalender van mei. De paus Innocentius de 4de beslist dat, zonder bevel van het hof van rome, geen legaten te Ieper enige ban mogen uitspreken.

1251, 6de dag na Letare. B. de Balliolo (Boudewijn van Bailleul) erkent dat de Ieperlingen aan die van Diksmuide betaald hebben zes duizend ponden vlaamse munt, voor het delven van de vaart tussen de Broek (de poelachtige en in de winter overstroomde landen van Noordschote, Reninge, Merkem, enz..).

1251, in juni. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, belooft aan de inwoners van Ieper, vlot en water, ’t is te zeggen doortocht te zullen geven in de vaart van deze stad naar Nieuwpoort.

1253, de 5de dag na Allerheiligen. De schoolmeesters, door het magistraat aanvaard, moeten door de schoolopziener ondervraagd en goedgekeurd worden.

1256, in februari. Hugo de Aubengny (d’Aubigny) kastelein van Ieper en Belle, bekrachtigt de verkoping, in zijn naam, aan de stad gedaan, door Stalinus Medem, van twee watermolens, de ene te Brielen en de andere in het midden van de stad, bij de woonst van Guislain Scaf.

1259, 14de augustus. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, ontslaat de inwoners van het Ketelkwaat, een leenroerig grondgebied, zich bestrekkende buiten den Balfaart, zijnde een schatting welke, voor ieder huis, jaarlijks aan de graaf moest betaald worden: dit werd goedgekeurd door Gui, tweede zoon van Margriete en van Willem van Dampierre.

1260, 1e oktober. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, bevestigt de vrijdom van tol in dit graafschap, ten jaare 1168, aan die van Nieuwpoort, door Filips van Elsatien, gegeven.

1260, 23ste december. De kooplieden en inwoners van Ieper, verkrijgen van Hendrik de 3e, koning van Engeland, vrijgeleide voor hun en hunne goederen, zo wel te lande als te zee naar dit koninkrijk gaande.

1265, in februari. Marote, weduwe van Willem Pinchart, geeft aan de schamele of liever eerlijke en beschaamde armen van Sint-maarten en Sint-Nicolaas, binnen Ieper, twee huizen en een half gemet land, gelegen langs de weg naar Kortrijk.

1265, zondag na Sint-Jans onthoofding. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, beveelt dat de landen uit te delven om de vaart van de Knokke voort, te verbreden, zullen betaald worden volgens de waardering daar van te doen.

1268, na Sint-Jans onthoofding. Margriete, gravin van Vlaanderen, vergunt aan de Predikheren van Ieper, een weide liggende achter het Zaalhof, anders geheten het kasteel van de grave, om aldaar een kerk en een klooster te bouwen.

1268, in september. Het godshuis van Onze Lieve Vrouw, in de voorgaande eeuw gesticht door het magistraat en de inwoners van Ieper, wordt bediend door twintig broeders en twintig zusters, wier kleding zo vreemd was als de zeden en gebruiken van die tijd.

1269, 2de april. Het grondgebied en de uitgestrektheid van het schependom van Ieper, worden afgepaald met stenen kruisen, door de gevolmachtigden van de gravin Margriete, te weten Michiel van Lembeke en Philips van de Poele, ridders. Deze afpaling werd goedgekeurd door Gui van Dampierre, zoon van deze gravin en door Philips de 4de, koning van Frankrijk, in 1301.

1269, 2de april. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, verklaart dat de inwoners van het grondgebied gezegd het Hoveland, tussen de Antwerppoort en de Dolfijnpoort, buiten Ieper, te rechte en te wette staan voor de schepenen van dezelfde stad.

1269, in juni, na Sint-Barabasdag. De proost van Sint-maartensklooster verkoopt aan de stad enige landen, gelegen in Sint-Nicolaas, nevens Ieper en in Vlamertinge, en die geheten werden de “Vrijheid van Sint-maarten”, om aldaar de beek gezegd “den Kemmel” te delven.

1269, na H. Magdalenasdag, in juli. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlanderen, en Gui, haar zoon, geven aan het klooster van de Predikheren, te Ieper, door hen gesticht, aan de westzijde van de stad, tegen de wallen, den dijk liggende tussen de hof van het kasteel van de graaf, en strekkende naar de noordkant, met het land langs deze dijk gelegen.

1270, 5de juli. De proost van Sint-maarten, te Ieper, verklaart dat het kruis staande boven het koor, en de offeranden en giften aan hetzelfde kruis gedaan, aan de voorkerke toebehoren.

1273, in juni. Willem, abt van Sint-Denis, in Broosboye, bisdom van Kameryk, verklaart gezien te hebben zekere letteren van de graaf Gui van Dampierre, gewag makende van open brieven van de gravin Margriete, bij de welke de abdij van Cambron vrijgesteld wordt van het recht van “vinage”, ’t is te zeggen van doortocht over de landen haar toebehorende.

1273, de maandag na de octave van Sint-Jan. De schepenen van Ieper houden wekelijks in het wethuis van de Tempeliers, staande op hetzelfde grondgebied en buiten de Tempelpoorte, een gerechtelijke vergadering, wetdag geheten.

1274, in april. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, verklaart de inwoners van Nieuwpoort vrij van alle tollen in Vlaanderen: deze vrijdom was hen reeds, in 1168, door Filips van Elsatien, toegestaan.

1274, na Sint-Simon en Sint-Judesdag. De gravin Margriete gedoogt dat de Predikheren te Ieper, het beluik van hun kerk maken op de muur ten einde van de hof van het kasteel van de gravin, gezegd het Zaalhof.

1275, in mei. Margriete van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, en haar zoon, Gui van Dampierre, vergunnen aan die van Ieper, vrijdom van tol voor hun goederen en koopmanschap te Nieuwpoort.

1275, na O.L.V. Hemelvaart. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, beveelt dat indien iemand enige goederen geeft aan een kerk, zij binnen jaar en dag na, deze goederen moet verkopen aan een van de onderdanen van de graaf.

1276. Christine de Ghinnes, of de Guines, dochter van Wouter, en weduwe van Salomon Belle, sticht het godshuis van St. Nicolais, te Ieper, gemeenlijk het Belle-godshuis geheten. Zij is aldaar begraven.

1276, de zondag voor de feestdag der geboorte van O.L.Vrouw. Gij van Dampierre, graaf van Vlaanderen, vergunt aan de schepenen, poorters en inwoners van Ieper, reizende of gaande in het graafschap, wapens te dragen, behoudens dat zij van deze gunst geen misbruik maken, en uitgezonderd messen met scherpe punten, bogen, pijlen en knotsen.

1277, vrijdag na Sint-Simon en Sint-Judesdag. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, die alsdan naar Ieper was gekomen, vergunt aan de inwoners vrijdom van beslag van hun goederen, en verklaart dat zij, in gemene waarheid, voor geen andere wethouders, dan de plaatselijke, te rechte staan. Ook dat er te Ieper maar drie beambten zijn die de plichtigen mogen aanvatten, namelijk de hoogbaljuw, de poortbaljuw en de kastelein.

1278. Stichting van het gasthuis van Sint-Jan, te Ieper, voor de vreemde reizigers, door Pieter Broederlam en Beatrix, zijn wijf.

1278, 4de dag na St. Maarten in de winter. Jan van Dixmude, proost van het klooster van Sint-maarten te Ieper, verheft de kerk van het Heilig Kruis, staande buiten de Boterpoort, tot parochiekerk, op verzoek van Waouter, gezegd “met den Hand” en Margriete, zijn wijf.

1283, 3de der kalender van april. De Roomse keizer Rodolphus staat vrijgeleide toe aan alle kooplieden handelende in zijn staten.

1283, in oktober. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, verklaart dat de schepenen en raden van Ieper en degenen die hun zijde hebben gehouden, niet zullen gestraft noch vervolgd worden ter oorzake van de oproer gezegd “Kokerulle”, ten jare 1280, voorgevallen, en in welke de rijkste inwoners meest te lijden hadden.

1284, in augustus. Margriete Bekude sticht in de kerk van Sint-Pieter, een dagelijke mis, te doen met het aanbreken van de dag en ten gerieve van de werklieden. Zij gaf daar voor een vruchttiende, in Langemark, te voren toebehorende aan Wouter de Heule, ridder en Aelide zijn wijf.

1285, in oktober. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, stapt af ten voordele van de stad, het recht aan hem toebehorende in de wissel, alsdan in Ieper gehouden.

1286, in oktober. Margriete de Crequy, abdis van Meessen, geeft aan de poorters van Ieper, vrijdom van beslag te Zuid- en Noordschote, heerlijkheden aan deze abdij toebehorende bij gifte van Adele, dochter van Robert, koning van Frankrijk, en echtgenote van Boudewijn V, graaf van Vlaanderen.

1289, vrijdag na H. Barnabasdag. Willem, proost van ’t klooster van Sint-Marten, en het magistraat, brengen de drie leerscholen binnen Ieper, op twee.

1290, de maandag na Sint-Jansgeboorte. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, verklaart dat de poorters van Ieper en hun goederen te Noord- en Zuidschote niet kunnen in beslag genomen worden.

1291, in mei. Robert, kanselier van Engeland, uitvoerder van het testament van Richard de Beddeforde (Bedfort) verklaart dat de schepenen van Ieper betaald hebben de sommen die zij aan deze laatste schuldig waren.

1292, de woensdag na Hemelvaartsdag. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, staat toe aan het klooster van Sint-Clare, evens Ieper, te kopen vijf gemeten en een half lands door Willem van Schoten in leen gehouden van Wouter de Heule, ridder, en vier gemeten en een vierendeel, ook in leen gehouden van dezelfde Wouter, door Jan Hacke, en alle gelegen in Reninge.

1294, donderdag na Allerheiligen. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, staat toe dat de wethouders van Ieper een belasting invorderen van hun inwoners tot onderhoud van de armen- en van de zieken- of godshuizen. Hij vernieuwt het gebod door hem en zijn moeder Margriete gedaan aan de kloosters, leken, burgers en onedelen, van onroerende goederen in Vlaanderen gelegen, te kopen.

1295, de donderdag na Sint-Laureins. De graaf Gui beveelt aan Jan de Ziseele, ridder, hoogbaljuw van Ieper, te ontvangen de ervenis van een deel van het leen aan de stad verkocht door Koppen, zoon van Maas van Boezinghe, gelegen bij de laagste overdracht aan het Ieperleed en tegen het sas.

1295, 2de dag na H. Magdalena. Omtrent deze tijd wordt de vijver van Zillebeke, nevens Ieper, gedolven. Zijn water loopt in de stadsgrachten en wordt door onderaardse pijpen in de stad geleid.

1295, woensdag na Sint-Simon en Sint-Judes. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, vergunt aan zijn onderdanen vrijdom van het recht van doorvaart te Houplines, op de Leie.

1296, in maart. Eduard de 4de, koning van Engeland en Gui, graaf van Vlaanderen, gaan een verdrag aan inhoudende, onder ander, vrijgeleide voor het invoeren van wol en dergelijke waren, gekocht in Engeland, Ierland, Schotland, enz, om naar Vlaanderen gebracht te worden.

1296, de maandag in de goede week. Te Gent worden negen en dertig nieuwe schepenen aangesteld.

1296, voor Sint-Andriesdag. De stad Ieper schenkt, uit beleefdheid, aan de graaf Gui, een som van twintig duizend ponden tournois.

1296, in juni. Philips de 4de, koning van Frankrijk, bekrachtigt de voorrechten, keuren en vrijdommen van welke de schepenen en inwoners van Ieper in genot zijn.

1296, in december. Philips de 4de, koning van Frankrijk, verklaart dat de betaling gedaan voor de ingezetenen van het grondgebied der Tempeliers, nevens Ieper, in een bede hem toegestaan, geen gevolg zal hebben in de toekomende tijden.

1297, voor O.L. Vrouw Boodschap. Gui van Dampierre, graaf van Vlaanderen, te Ieper zijnde, verklaart dat, aangezien hij besloten heeft binnen deze stad geld te doen slaan, dit aan de voogd en de schepenen geen hinder zal veroorzaken en niet in gevolg trekken. Deze graaf gaf, het jaar daar na, volgens brieven gedagtekend te Peteghem, een dergelijke verklaring aan de Ieperlingen.

1297. Er gebeuren moedwilligheden en bloedstortingen in de kerk en op het kerkhof van Brielen, in de voorstad van Ieper: de oorzaak en de gevolgen van deze buitensporigheden zijn niet bekend.

1299, in maart. Robert, oudste zoon van Gui van Dampierre, geeft aan Wouter, heer van Enghien, ter gelegenheid van zijn huwelijk met Jolente van Vlaanderen, vijf honderd ponden (livrées) in landen alle jaren, in betaling van de sommen die Robert hem schuldig was.

1301, donderdag na Lichtmis. Philips de 4de, gezegd de Schonen, koning van Frankrijk, stemt toe dat al degenen die weerspannig zijn geweest en tegen hem ten oorlog trokken, te Ieper vrij zijn van beslag.

1301, in september. Philips de 4de, koning van Frankrijk, doet genade aan de Ieperlingen die tegen Gui van Dampierre oproerig waren. In erkentenis van deze gunst stapt de stad af van haar rechtsgebied in de wijk “Kastrata” geheten, en hetwelk zij verkregen had van het klooster van Sint-maarten.

1301, in september. Philips de 4de, koning van Frankrijk, bevestigt de vrijdom van tol te Nieuwpoort, aan de Ieperlingen gegeven door de gravin Margriete en haar zoon Gui in mei 1275. Hij bevestigt het voorrecht, ten jare 1166 aan de Ieperlingen gegeven door Philips van Elzatien, van een tol te mogen heffen op de schepen varende tussen Dixmude en Schipstaele.

1301, in september. Philips de 4de, koning van Frankrijk, bevestigt de gift door de graven Ferrand en Joanna, ten jare 1227, aan de inwoners van Ieper gedaan, van de visserij en het water van de grachten rondom de stad, ter uitzondering van degene tussen de Meessenpoort en de Tempelpoort.

1301, na Allerheiligendag. Philips de 4de, koning van Frankrijk, belast zijn drossaart van Vermandois te verklaren dan dat de inwoners van Ieper vrij zijn van tol te Bapaumes en te doen terug geven de waren die men aldaar in beslag had genomen.

1302, donderdag na Sinksen. Gui, zoon van de graaf, bevestigt de voorrechten in verleden tijden aan die van Ieper verleend, en staat toe aan de wethouders de stad te versterken en belastingen in te vorderen.

1302, de vrijdag na Sint-Kathelijne. Jan, graaf van Namen, zoon van Gui van Dampierre, belooft aan de schepenen van Ieper, zich onmiddellijk naar die stad te begeven, om de grachten te doen delven en de voorsteden met wallen te omringen.

1303, 15de januari. Philips, graaf van Thiette, zoon van Gui van Dampierre, zich te Gent bevindende, geeft een verordening uit tot een beter bestuur van Vlaanderen.

1303, in februari. Philips, graaf van Thiette, geeft brieven aan de inwoners van Ieper, bij de welke hij hen verzekert dat de optocht die zij gewapend met hem gedaan hebben naar zijn leger in Henegouwen, in geen gevolg zal trekken, noch hen enigszins hinderen in het toekomende. De dinsdag, na beloken pasen van hetzelfde jaar, gaf deze prins aan de Ieperlingen een dergelijke verzekering om hun heervaart naar Zeeland.

1303, maandag na St. Nicolaasdag in december. Philips, graaf van Thiette, verleent aan de Ieperlingen vrijgeleide, in weerwil van de moord van enige schepenen, raden en andere goede lieden, Sint-Andriesavond van dit jaar door de gemeente bedreven. Dit bescheed houdt ook in borgtocht ten voordele van dertig personen, die om deze moord aanvattelijk waren in lijf en goed.

1304, in april. Philips, graaf van Thiette, stelt te Ieper aan een voogd (burgemeester) en zeven schepenen, om te vervangen de wethouders die gestorven waren sedert Heilige Bartolomeusdag in augustus 1303 en bevestigt te zelfde tijd de voorrechten van de Ieperlingen.

1304, zondag na Quasimodo. Philips, graaf van Thiette, verklaart dat, in geval van onenigheid tussen de graaf en een van de vijf goede steden, Gent, Brugge, Ieper, Rijssel en Douay, de kennis en het vonnis van deze onenigheid aan de vier andere steden zullen toebehoren.

1304, maandag na O.L.H. Hemelvaartsdag. De gevolmachtigden van Gent, Brugge, Rijssel en Douay, veroordelen degenen die plichtig waren aan de moord van enige schepenen, raden en andere goede lieden van Ieper.

1304, voor Sint-Pieters en Sint-Paulusdag. Philips, graaf van Thiette, verklaart, dat niettegenstaande de navorsingen gedaan te Ieper om te ondekken de kwaaddoeners en degenen die beschuldigd waren gebruik te maken van valse munte, de vrijdommen en voorrechten van de inwoners in stand blijven.

1304, na Sint-Lucasdag. Philips, graaf van Thiette, herroept het bevel door hem gegeven aan Jan van Hutkerke, ridder, en Wouter le Foulon, om te doen straffen degenen onder de inwoners van Ieper, die zich bij het leger, opgetrokken tegen de koning van Frankrijk, niet vervoegd hadden.

1304, de woensdag voor Kerstmis. De wethouders van Ieper geven volmacht aan Jan, heere van Kuyck, Gerard, heer van Sottenghien, en andere, om in hun naam te staan over de vrede aan te gaan tussen de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen.

1305, 5de dag na de zondag als men zong Deus Omnium. De deken van het klooster van Sint-maarten te Ieper, verleent zijn videmus van een bulle van de paus Alexander de 4de van het jaar 1257, bij welke aan de abdis van het klooster van Sint-Clare, te Langemark, toegestaan werd, wanneer het land in de kerkelijke ban was, dienst te doen met gesloten deuren en de klok te luiden.

1305, 8ste mei. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen en Jan, graaf van Namen, beloven hun wederzijdse landen te beschermen en de vrede met Frankrijk te onderhouden.

1306, Sinksenavond. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, verklaart dat de inwoners van het grondgebied van de Tempel, nevens Ieper, met de Ieperlingen zullen helpen afdragen de onkosten voor het gemeen welzijn gedaan.

1307, 2de februari. Eduard de 4de, koning van Engeland, verleent vrijgeleide aan de poorters en kooplieden van Ieper, gaande met hun goederen naar Engeland.

1307, zaterdag na Sint-Laurensdag. De Ieperlingen moeten 8.100 ponden parijse munt opbrengen, voor hun aandeel in de 100.000 ponden welke Robert de 3de, ten gevolge van de vrede gesloten met Frankrijk (in juni 1305), moest betalen.

1307, de vrijdag na Sint-Maarten. Philips de 4de, koning van Frankrijk, doet in vrijheid stellen vier poorters van Ieper, die te Bapaumus, om gebrek van betaling van de tol, gevangen waren.

1309, 10de mei. De vrede wordt gesloten, te Parijs, tussen Philips de 4de, koning van Frankrijk en Robert van Bethune, graaf van Vlaanderen, met hem gevoegd zijn kinderen, broeders en bondgenoten. Philips maakt nieuwe verordeningen voor zijn parlement.

1309, 19de november. Philips de Schone, koning van Frankrijk, verleent aan de kooplieden van Ieper, vrijdom van beslag in Champagne.

1310, 1ste zondag in de vasten. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, geeft aan zijn ambtenaars last te vangen al diegenen die gevlucht waren als handdadig in de moord te Ieper, bedreven Sint-Andries avond 1303.

1310, in juni. Pieter Paalding en Nicolais de Beer, poorters van Ieper, stellen zich borg voor een som van twee duizend ponden tournois die de graaf, Robrecht de Bethune, schuldig was aan Gerard Allodier, van Florentien.

1311, de maandag na H.H. Drie Koningen. Robert van Bethune, graaf van Vlaanderen, beveelt dat de abdis van Meessen zal wederom geven het recht van doortocht dat zij heeft doen betalen door enige poorters van Ieper, met hun goederen en koopmanschappen komende van Waasten.

1311, meiavond. Gedurende zijn verblijf te Kortrijk, vergunt Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, aan de Ieperlingen rechten te stellen op de doortocht van de schepen varende op de Yperleed.

1311, 10de september. Philips de 4de, koning van Frankrijk, verleent aan de wethouders van Ieper, een uitstel om ten gevolge van de vrede tussen hem en de graaf van Vlaanderen, met zijn broeders, edelen en goede steden gesloten, de sterkten en wallen van hun stad af te breken.

1311, 16de september. Eduard de 5de, koning van Engeland, staat vrijgeleide toe aan de Ieperlingen, koophandel drijvende en met hun goederen gaande om ze aldaar te verkopen.

1312, 19de juli. Philips de Schone, koning van Frankrijk, ontheft de wethouders en de gemeente van de stad en van de kasselrij van Ieper, van de straffen aan welke zij zich, door het niet onderhouden van de vrede, plichtig hadden gemaakt.

1313, de dag na Sint-Jans onthoofding. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, beveelt dat het Ieperleed zal verdiept worden en verbreed en de tol van de goederen te schepe daarop varende bepaald worden.

1313, laatste dag van augustus. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, brengt in dode hand, ten voordele van een van de kapellanijen in Sint-maartenskerk, te Ieper, zekere landen in Boezinge bij het Ieperleed en omtrent de Schaaks-overdracht.

1314, de 4de dag voor Palmzondag. Rainaldus de Villers, overste van het hospitaal van Sint-Jan, te Jerusalem, verleent brieven medebrengende dat de Tempeliers, in de voorstad van Ieper, uit hoofde van hun goederen, met de poorters van deze stad, hun aandeel moeten afdragen in de belastingen gesteld op de onroerende eigendommen.

1315, 3de juni. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, vergunt aan de inwoners van Ieper, een watergang in de stad te maken, en lopende door het leen toebehorende aan Marie, weduwe van Nicolais van Loo.

1316, in maart. Robert van Bethune, graaf van Vlaanderen, belooft te betalen zekere bepaalde sommen in afkoop van de penningen door hem en Willem van Nivelle, zijn stedehouder in Vlaanderen, te voren van het magistraat van Ieper in lening ontvangen.

1316, 1ste september. De vrede wordt gesloten te Compiegne, tussen Philips de 4de, koning van Frankrijk, en Robert van Bethune, graaf van Vlaanderen.

1318. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, verdeelt tussen Lodewijk van Nevers en Robert van Cassel, zijn kinderen, de goederen voortkomende van Jolente van Bourgondië, hun moeder, en bepaalt elk deel in degene welke hij zal achterlaten.

1318, de dag voor H.H. Jacob en Christophorus. Ingelram de Crequi, bisschop van Therenburg (Terwaan), beveelt aan zijn beambten de gronden van de proosdij en van de kerk van Sint-maarten, te Ieper, af te palen.

1319, na Sint-Andriesdag. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, belooft aan de wethouders van Ieper te geven de tol welke voor de doorvaart van de schepen te Steenstraate zal moeten betaald worden. Hij beveelt aan de baljuw (hoogbaljuw) van Ieper, Nicolaus Billekin, en aan Jan Prudomme, te onderzoeken ten wiens laste moeten vallen de onkosten van de herstelling aan de brug bij Steenstraate, in Zuidschote.

1319, de dag na Sint-Nicolaas, in de winter. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, geeft aan de schepenen van Ieper een erkentenis voor de drie duizend ponden parijse punt, die hij van hen in lening had ontvangen, en tot verzekering van welke penningen hij hen in pand laat verscheidene dierbare juwelen en gewaad van zijn kapel in het Zaalhof.

1320, 18de februari. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, vergunt, gedurende zijn verblijf te Ardenburg, aan de wethouders van de stad en van de kasselrij van Ieper, een tolboom (barriere) te stellen aan de kapel van Sint-Eloi, een halve mijl van Ieper en tussen de twee wegen leidende naar Waasten en naar Meessen.

1320, 22de juni. Philips de 5de, koning van Frankrijk, geeft aan het land van Vlaanderen een uitstel voor de betaling van zijn deel in de huwelijksgift toegestaan aan Margriete, dochter van deze vorst, en aan haar aanstaande echtgenoot, Lodewijk, zoon van de graaf van Nevers.

1320, de dag na H. Magdalena. Robert de 3de, graaf van Vlaanderen, alsdan op zijn kasteel te Ieper zijnde, verleent aan de wethouders zijn toestemming om de vijver van Dikkebus, een mijl van de stad te delven, en door middel van onderaardse loden pijpen, de stad in alle tijden water te bezorgen.

1320. Lodewijk, graaf van Nevers, die in de ongenade van de koning van Frankrijk was geraakt, onderwerpt zich aan zijn vader, Robert de 3de, om aldus uit de gevangenis, in de welke hij was opgesloten, verlost te worden.

1322, in oktober. Lodewijk de 1e, graaf van Vlaanderen, zich met zijn raad te Ieper bevindend, verklaart dat niemand mag landen noch zijn schuiten leggen langs de zomen van den Dyser en van het Ieperleed, zonder zijn toestemming en degene van de voogd, de schepenen en de raden van Ieper.

1323, dinsdag voor O.L. Vrouw, in maart. Robert van Vlaanderen, heer van Cassel, wordt door de graaf Lodewijk de 1e, en door de steden Gent, Brugge en Ieper, aangesteld om te vonnissen over zekere oproer, ten jare 1322, ontstaan onder de inwoners van Veurne, Nieuwpoort en Lombardzijde.

1324, 7de februari. Lodewijk de 1e, graaf van Vlaanderen, om de lakenweverij van Ieper te begunstigen, verbiedt het weven van lakenen binnen de drie mijlen van de stad. Deze vorst had reeds twee jaren te voren, te weten St. Simons- en St. Judesdag 1322, een dergelijk verbod uitgegeven.

1324, in oktober, de zondag na St.-Matheus. De wethouders van Gent en van Ieper gaan, met toestemming van de graaf, een verbond aan ter gelegenheid van de oproer ontstaan onder de Bruggelingen en die van het Vrije.

1325, 9de juni. Lodewijk de 1e, graaf van Vlaanderen, te Ieper gekomen zijnde, noemt voor zijn raden Jan van Vlaanderen, heer van Neele en Dendermonde, Robert, heer van Nevele, kastelein van Kortrijk, Willem d’Auxonne en Jan de Verrieres.

1326, 8ste februari. De vrede wordt (te Arkes) gesloten tussen Lodewijk de 1e, graaf van Vlaanderen, en zijn onderdanen.

1326, 19de april. Karel de 4de, koning van Frankrijk, maakt vrede met de steden van Vlaanderen die voorafgaandelijk tegen hem oproerig hadden geweest.

1327, 9de mei. Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen en van Nevers, neemt de inwoners van Poperinge onder zijn bescherming, en verklaart dat zij voor hem te rechte staan.

1327, Sint-Baafsavond. De Ieperlingen verbranden enige huizen toebehorende aan Willem van der Bernecouter en Jan Van der Maambeke.

1327, 13de oktober. Eduard de 6de, koning van Engeland, verkoopt aan de inwoners van Brugge en Ieper, 5500 zakken wol, in zijn rijk gesponnen.

1327. De twee schatbewaarders van Ieper, Marten de Rasse en Jacob Willay, geven kennis aan het magistraat van de sommen door hen voorgeschoten aan de inwoners van deze stad, die de heervaart te Langenywaade, omtrent Barrizeele en Houtkerke, bijwoonden, en deel hadden gemaakt van het leger van de graaf als hij lag te Dixmude, in hetzelfde jaar 1327.

1328, 24ste januari. Philips de 6de, koning van Frankrijk, vergunt aan de ziekgeworden Ieperlingen, die als pandsmannen dienden voor de uitvoering van de vrede, in 1326 gesloten, naar hun woonst wederom te keren.

1328, 21ste maart. Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, vergeeft de Ieperlingen de moorderijen, dieften en huisbraak die zij gewapenderhand te Poperinge, Langemark en elders bedreven hadden, uit afgunst om dat de lakenwevers in die plaatsen werden uitgeoefend.

1328, de dag na Sint-Jans onthoofding. Philips de 6de, Koning van Frankrijk, doet genade aan de Ieperlingen, die overtuigd waren van weerspannigheid tegen hem, als opperleenheer en tegen hun graaf.

1328, 27ste augustus. Philips de 6de, koning van Frankrijk, voor Cassel liggende, met opzet om de weerspannige Vlamingen te onderwerpen, gedoogt dat de Ieperlingen naar zijn leger zenden de proost van Sint-maarten en twintig personen van de stad, om hem te verzekeren van hun onderwerping.

1328, 10de september. Vijf honderd lakenwevers en vijf honderd vullers van Ieper, worden door de koning van Frankrijk, om hun opstand tegen de graaf Lodewijk, voor drie jaar uit Vlaanderen verbannen.

1328, 17de september. Philips de 6de, koning van Frankrijk, verleent hen twee honderd zeven en negentig lakenwevers en vullers van Ieper, en deel makende van de duizend welke om hun muiterijen gezonden waren over de rivier de Somme, verlof om naar hun moederstad weer te keren. De volgende maand werd deze gunst ook toegestaan aan twee honderd drie en vijftig andere Ieperlingen, doch slechts voor drie jaren.

1329, de maandag voor H. Lucas. Die van Ieper verzoenen zich met de bloedvrienden van Jacob Schabaille, welke door enige inwoners van die stad, te Comen, het hoofd was afgeslagen geweest.

1329, 5de mei. Philips de 6de, koning van Frankrijk, doet om hun onderwerping, in vrijheid stellen alle de Vlamingen die als pandsmannen in zijn rijk opgesloten waren. Van deze gunst worden nochtans uitgesloten die van Ieper en Kortrijk welke hardnekkig bleven.

1329, 18ste mei. Er wordt in de naam van Philips de 6de, koning van Frankrijk, bevolen dat de nieuwe vestingswerken van Ieper, zullen afgebroken worden om de oproeren aan welke de voogd en de schepenen, de raden en de gemeente zich hadden plichtig gemaakt.

1329, 26de september. Philips de 6de, koning van Frankrijk, vergunt aan de Ieperlingen een uitstel om de vestingswerken van de stad af te breken, gelijk het hem door hem bevolen had geweest de 18de mei van dit jaar, om de beweegredenen onder deze datum bijgebracht.

1331, in september. In een erkentenis van Olivier Fierton, bevelhebber van de Tempeliers van Sint-Jan te Jeruzalem, ziet men dat er een klooster van de Tempeliers was te Elverdinge, en dat hij over dit klooster en hetgene in de voorstad van Ieper, het opzicht had.

1332, 24ste februari. Philips de 6de, koning van Frankrijk, staat toe aan de Ieperlingen, de oude poorten van de stad, die de gemeente had afgebroken, te herbouwen, en ook de wallen en sterkten, aan deze poorten houdende, in goede staat te brengen.

1332, 12de oktober. Verscheidene pelgrims, te Brugge en in het land van de Vrije, veroordeeld als pandsmannen te dienen bij de koning van Frankrijk, worden door afkoop vrijgesteld, en de stad Meessen belast haar deel te betalen in deze afkoop.

1332, 27ste november. De Minderbroeders (Recolletten) van Ieper, bekennen dat zij aan de wallen, vestingswerken en sterkten, houdende aan hun hof, geen recht van eigendom noch bezit hebben.

1335, 13de oktober. Raimond (Sacquet), bisschop van Theerenburg, stemt toe aan de wethouders van Ieper, begraafplaatsen te maken in de godshuizen binnen de stad en onder het schependom.

1336, Sint-Jans geboorte. Die van Nieuwpoort vormen het ontwerp om een nieuwe haven te maken in plaats van de oude die vervallen was en verklaren dat de goederen van de kooplieden en poorters van Ieper vrij zullen zijn van tol in- en uitgaan van deze haven.

1336. Philips de 6de, koning van Frankrijk, verleent vrijgeleide aan alle personen gaande naar de omgang van de Heiligkruisverheffing, te Doornyk.

1336, in mei. Philips van Kemmele, verklaart dat de wethouders en poorters van Ieper, vrij zijn van tol op zijn heerlijkheid in Vlamertinge, Elverdinge en Dikkebus.

1338, in januari. Philips de 6de, koning van Frankrijk, ontvangt de weerspannige Vlamingen in genade.

1338, 19de juni. Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, stelt een tol op de schepen en goederen trekkende door de vaart van Ieper naar Nieuwpoort.

1338, de maandag na Sint-Jans onthoofding. Eduard de 6de, koning van Engeland, en Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, treffen een overeenkomst bij welke de vrije koophandel tussen hun wederzijdse onderdanen vastgesteld en verzekerd wordt.

1339, 3de december. Jan de 3de, hertog van Brabant, met hem gevoegd Loven, Brussel, Antwerpen, ’s Hertogenbosch, Nevele, Tienen, Leeuwe en de andere steden van dit hertogdom, aan de ene zijde, en Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, met Gent, Brugge, Ieper, Kortrijk, Audenaarde, Aalst, Gerardsberge en alle de andere voorname steden van deze provincie, gaan een verbond aan bij hetwelk zij zich een wederzijdse bescherming beloven; tegen elkander geen oorlog te voeren, dezelfde landen en steden te houden in goede vrede en koophandel; en dat de ene vorst op de andere nooit geen wraak zal nemen, enz.

1340, Eduard de 6de, koning van Engeland, verleent verscheidene vrijdommen aan de Vlamingen, koophandel drijvende in zijn rijk.

1340, 25ste september. De vrede wordt te Doornik gesloten, tussen de koning van Frankijk en het land van Vlaanderen.

1340, 7de oktober. Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, te Kortrijk gekomen zijnde, doet genade aan die van Gent, Brugge en Ieper, en aan het gemeen land van Vlaanderen, welke zijn gezag miskend en zich aan moedwilligheden overgegeven hadden.

1340, 13de oktober. Eduward de 6de, koning van Engeland, verkoopt aan Jan de Cokelaare, burgemeester, en Pieter de Sencte, raad van Brugge, Jan van Houtkerke, schepen en meester Jan Berenger, klerk van Ieper, drie duizend vijf honderd zakken Engelse wol ten dienste van de lakenweverij.

1342, 15de maart. Die van Poperinge geven het geschil tussen hun en de Ieperlingen opgerezen, in het gezag van de uitoefening der lakenweverij, over aan de uitspraak van de drie leden van Vlaanderen, Gent, Brugge en het Vrije.

1342, 3de oktober. Lodewijk de 1ste, graaf van Vlaanderen, verbiedt het weven van lakenen te Langemark en in de andere prochien gelegen binnen de drie mijlen van Ieper, ten bewijze van de genegenheid welke hem bezielde voor het welzijn van de lakenwevers van deze stad.

1345, in maart. De steden Rijssel en Ieper vernieuwen de hanse tussen hen in de vorige tijden aangegaan op de vrijdom van beslag der poorters van deze twee steden en van hun goederen.

1345. Jan de 3de, hertog van Brabant, bemiddelt de vrede tussen de steden van Vlaanderen en de inwoners van Dendermonde.

1346, 1ste januari. Raimond (Sacquet), bisschop van Theerenburg, op verzoek van de voogd en de schepenen en raden van Ieper, stemt toe dat de kapelle van de Heilige Geest, staande tussen de halle en de kerk van Sint-Marten, en een altaar of meer aldaar gewijd worden: hij verleent aflaten aan degenen die deze kapel zullen bezoeken.

1348. Verhaal van de samenzweringen en beroerten te Ieper ontstaan in 1348, en daarna, immers ten tijde van Jacob van Artevelde, en van het vervolg gedaan ten laste van Pieter de Vroede, Claais de Ketelaare, Alard Lodebuc, Jan Pinc, en hun medeplichtigen, voor de gezworen mannen van Doornik.

1348, 13de december. Lodewijk de 2de, graaf van Vlaanderen, doet genade aan de Gentenaars en Ieperlingen, welke tegen hem en zijn voorzaten weerspannig hadden geweest. Hij bevestigt hun voorrechten en vrijdommen en beveelt dat er in die steden mannen zullen aangesteld worden om onder de inwoners de vrede in stand te houden.

1351, 7de september. Lodewijk de 2de, graaf van Vlaanderen, vergunt aan de Ieperlingen een dam te mogen maken beneden de Hoge brugge, bij Dixmude, met een opening, om de schepen daar door te kunnen leiden en allerhande goederen naar Ieper te brengen.

1353, donderdag voor H. Bartholomeus. De voogden, opperjonkvrouw, broeders en zusters van het Belle-godshuis geven dagelijks twaalf stopen biers aan de O.L. Vrouw-broeders, om ook elke dag een mis te lezen te Sint-Marten, voor Adelin de Witte en Kateline van den Ackere, zijn wijf.

1354, 13de januari. Lambert de Vleneque (of de Vleninck) verkoopt aan de stad Ieper, zijn leen en heerlijkheid, gezegd Vlinck of Vlenink ambacht.

1355 of 1356. De paus Innocentius de 6de verleent een bulle bij welke hij toestemt in de stichting van twee kapelanijen in het Belle-godshuis, te Ieper, en dat men aldaar in ’t kerkhof zal mogen begraven. (Dergelijke bulle rust ook onder de archieven van dit gesticht).

1356, 7de januari. De graaf Lodewijk de 2de, verklaart dat geen lakenwevers, wonende binnen de drie mijlen van Ieper, lakenen zullen mogen weven op de maniere gelijk het te Ieper gedaan wordt, maar wel en alleenlijk op de wijze in deze verklaring uitgedrukt.

1357, 2de oktober. Innocentius de 6de, paus van Rome, verleent een bulle, medebrengende toestemming in de stichting van twee kapellen voor de gebroeders van Sint-Nicolais gilde, in het hospitaal van Sint-Eloi, te Ieper.

1359, 29ste september. De inwoners van Comen verkrijgen van Hellin, heer van Wazieres, Comen en Hendincourt, te mogen gebruik maken van een werkklok (voorrecht van hetwelk maar in bezit waren de plaatsen die tot een gemeente (commune) verheven werden).

1360. Jacob Morin en Willem Ghiselin, schatbewaarders van Ieper, geven rekenschap van de onkosten door hen betaald ter gelegenheid van de uitrusting en wapening van 1117 Ieperlingen, genomen uit de burgers, de vier ambachten, de wevers, vullers en gemene nering, die met de graaf opgetrokken naar Aalst, en alle in dit bescheed zijn genoemd.

1361, de zondag voor Lichtmis. De voogden van ’t godshuis van den H. Geest te Ieper, ontvangen van de broeders Bogaarden, vier ponden groot tournois, zo veel Jan Pertrise, geboren te Aalst, en poorter van Ieper, aan deze kloosterlingen had behandigd om te geven aan de persoon die ten eerste kruisvaart over zee zou trekken, tot lafenis van de zielen van de zelfde Pertrise en zijn voorouders.

1361, laatste augustus. Lodewijk de 2de, graaf van Vlaanderen, ontvangt de Ieperlingen in genade, en ontslaat hen van de straffen welke zij verdiend hadden om hun wederspannigheid en andere misdaden. Zij worden tevens hersteld in het genot van hun voorrechten.

1362, in mei. Jan de 2de, koning van Frankrijk, vergunt aan die van Comen de voortduring van hun voorrecht van lakenen te weven van dertien vierendelen breed, op de lengte van 40 ellen, en die te zegelen met de stempel van Comen.

1364, in augustus. Hellin, ridder, heere van Wazieres en Comen, vergunt aan de inwoners van deze laatste stad verscheidene voorrechten, en onder andere dat zij onder geen andere rechters te wette staan dan degene van hun woonplaats.

1368, 27ste maart. Margriete van Vlaanderen, hertogin van Bourgondien, verklaart dat, indien Rijssel, Douay en Orchies haar zullen toebehoren, zij deze steden met het graafschap van Vlaanderen zal vervoegen.

1369, 25ste april. Karel de 5de, koning van Frankrijk, stapt af ten voordele van Lodewijk van Maale, graaf van Vlaanderen, en om door hem in leen gehouden te worden, de steden, kastelen en kasselrijen van Rijssel, Douay, Orchies, Sint-Omars, Hesdin, Bethune en Arien.

Opgesteld door

JAN-JACQUES LAMBIN, Archivist van de regering der zelfde stad Ieper.

Ieper de 10 juli 1829.