De ingen van de Westhoekse bossen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     545 Views     Leave your thoughts  

Aan de steenstraat van Bavay naar Aardenburg

In het eerste deel van de ‘Kronieken van de Westhoek’ hebben we kunnen lezen over het ontstaan van de Frankische villa Pupurningahem. De Pupurninga villa evolueert in de 11de eeuw van Poperingahem tot Poperinghem in de 12de eeuw en uiteindelijk tot Poperinghe in de 13de eeuw. We houden even halt bij het prille Poperinghem en het leven in de Westhoek tijdens de vroege middeleeuwen.

Vol bewondering kijk ik naar de proefschriften van F. Thevelin (1960), B. Creus (1963) en W. Tillie (1987) die zich allemaal erg verdienstelijk maken met het vertalen en het interpreteren van een reeks historische studies van hun stad. Opdedrinck, Altmeyer, Dhondt, Ganshof en Vanwerveke zijn hun belangrijkste inspiratiebronnen. En ik ben op mijn beurt maar wat blij dat ik een stukje van die overlevering mag doorgeven en dat ik mijn historie van Poperinge op hun werk mag baseren.

Poperinghem dus. Ontstaan langs de steenstraat die Bavay, die volgens de oude kronieken de eerste hoofdstad van Belgis was en er ook zijn naam aan schonk, verbindt met het noordelijk gelegen Aardenburg.

Naast Poperinghem situeren ook Steenvoorde, Elverdinge, Merkem en Torhout zich langs die Romeinse ‘steenstraete’. De kruising van de steenstraat met een bijrivier van de Ijzer bleek een prima plek om er een landbouwnederzetting te beginnen: villa Pupurninga aan de Fleterna, de Vleterbeek, die zowat 10 km verder stroomopwaarts uitmondt in de Ijzermonding aan de Noordzee ter hoogte van Oostvleteren. Poperinghem en Oostvleteren bevinden zich allebei in het hart van de pagus Iseretius.

De Ijzergouw. Twaalf km westelijk prijkt de flink uit de kluiten gewassen stad Ieper. Niet dat Poperinghem veel uitstaans heeft met Ieper. De exploitatie is helemaal verbonden, zeg maar getrouwd met een plaats die zich op een afstand van ruim 40 km bevindt: Sint-Omaars. Het oude Sithiu. Met in de hoofdrol de abdij van Sint-Bertijns van wie Poperinghem volledig afhankelijk is, net zoals dat het geval is voor bijvoorbeeld Koekelare en Neerwaasten.

Gezien de relatief grote afstand tussen Sint-Bertijns en Poperinghem, vaardigen de abten een proost af om toezicht te houden op hun Poperinghems filiaal. Het hele gebied van Sint-Omaars, Poperinghem inclusief, bevindt zich in het bisdom van Terwaan.

Poperinghem in het jaar 850
Het lijkt eigenaardig dat er in 1107 een oorkonde ondertekend wordt waarbij Arnulf, graaf van Vlaanderen, de villa Poperinghem schenkt aan de abdij van Sint-Bertijns. Hoe kan dit? De abdij is toch al veel eeuwen eigenaar van Poperinghem? Wat heeft dit te betekenen? Sithiu is al sinds 658 eigenaar van de villa na de schenking van graaf Walbert die het domein van Arkes, ‘villa Arcarum’, waartoe ook Pupurningahem behoort, schenkt aan de abdij van Sithiu.

Abt Adalard van Sint-Bertijns zorgde tussen 844 en 859 voor een uitgebreide omschrijving van de ‘villa Pupurninga’. Er bestaan geschriften die dateren van 877 waarbij de Franse koning Karel de Kale, de schoonvader van de Vlaamse graaf Boudewijn I, Poperinghem als eigendom van de abdij van Sint-Bertijns identificeert. Voldoende bewijzen dus. Het Poperinge van 850 is de helft kleiner dan op vandaag.

Het gedenkboek van abt Adalard, in het Latijn ‘polypticum’ genoemd, omschrijft vrij gedetailleerd hoe de villa er uit ziet. Zowat twee derde van de 2400 hectaren bestaat uit landbouwgrond die in een driejarencultuur wordt beboerd. Haver, tarwe, gerst en rogge wisselen af met erwten en bonen. Eén jaar op de drie blijven de gronden braak en doen ze dienst voor het vee en de dieren. Er is in de 9de eeuw eigenlijk nog geen sprake van weideland. Gaandeweg zullen bossen plaats maken voor weideland en voor meer akkerland. Het kappen van de wouden en bossen in de Westhoek zorgt voor ‘engen’ of ‘ingen’ in het landschap.

De inge van Pupurn
De inge van Pupurn wordt de thuis voor veel jonge Frankische pioniers: ‘Pupurningahem’. Een enge of een inge betekent over het hele Frankische taalgebied een weide, in bezit van een enkeling, een dorp of een marke. Een inge ontstaat na het rooien van een bos. Er komt een stuk land vrij midden in een bos. Een inge. De plaats waar enkele families van een of andere boerengemeenschap naar toe gaan om er de grond te gaan ontginnen. Kijk maar naar de naam Groningen, Elverdinge.

Bossen maken plaats voor ontginde grond. De Westhoek moet in die dagen ongetwijfeld één groot aaneengesloten bos zijn. Is het toeval dat de driehoek Elverdinge-Vlamertinge-Poperinge en bij uitbreiding Boezinge alle vier eindigen op het achtervoegsel inge? In het begin behoren al die ingen tot één en hetzelfde landbouwcollectief. Een marke. De eerste marken zijn trouwens bijzonder uitgebreid. Soms tot 150 vierkante kilometer.

De diverse kernen van die marken kunnen ver uit elkaar liggen. De tussenruimtes zijn bezet door dichte bossen waarvan we tot op heden het voorbeeld zien in de Galgebossen op de grens van Elverdinge, Vlamertinge en Poperinge. Binnen die ene grote marke in de Westhoek zijn dus woonkernen ontstaan waarvan de ingezetenen eigenlijk allemaal van diezelfde marke afhangen. Het rooien van bossen zorgt voor het effectief ontstaan van de engen in Poperinge, Vlamertinge, Elverdinge, Boezinge. En voeg daar gerust Reninge en Reningelst bij. Die nieuwe nederzettingen ontstaan onder druk van de groeiende bevolking in de oorspronkelijke moedermarke waardoor nieuwe volksplantingen gaan afsplitsen.

Oudere moedermarken worden stilaan in meerdere stukken ‘marknoten’ gehakt waarbij er stilaan verschillende rechten per marknoot worden toegekend. De nieuwe marknoten krijgen vaak minderwaardige rechten dan de bestaande. De goede marknoten worden bewoond en beboerd door erfmannen, de mindere marknoten worden keuters genoemd. De term keuterboer vindt hier zijn oorsprong: varianten zijn ‘bijsitters, coveners’ waarvan hun eigendom eigenlijk niet meer is dan ‘heijde ende weijde ende niet te holt ande to gronde’.

Het kaprecht in Poperinge
Om volledig te kunnen delen in het markgenootschap moeten de mensen gegoed en gezeten zijn, ‘zittende in zijne weere’ en in het bezit van ‘eigen vuur en rook’. Ze moeten hout bezitten. In een gemene marke wordt hout per ‘lotinge’ verdeeld: een vol erf krijgt een vol lot. Wie minder dan een vol erf bezit of zelfs een ‘keuterweere’ krijgt een evenredig aandeel. Dagloners en handwerklieden die geen ‘kampe gronds’ bezitten, delen alleen in het water en de weidelanden.

Zowat 25% van de villa bestaat uit beukenbossen, eikenbossen en heidemarken die elkaar afwisselen met gebieden vol van kreupelhout. Ze worden ‘hardhout’ of ‘bloemware’ genoemd. De rest is ‘weekhout’. Hout dat door de wind geveld is, wordt ‘windbraak’ of ‘windval’ genoemd. Het kreupelhout bestempelen de mensen als ‘kwasinge’, ‘rijs’ of ‘sprokkelware’. Het kaprecht op het hardhout, als ‘erfhouw’ omschreven, is een exclusief recht voor het erf waarop de bossen groeien. Binnen de marke mag de erfman naar zijn behoefte alle bomen vellen op voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan ‘woestinge’.

Er mag geen hout vervoerd worden buiten de marke. Wie in dit verband ‘de dissel van den band wendt’, krijgt een boete. Men gunt aan vreemden dorre sprokkelwaar of zelfs afgevallen hardhout op voorwaarde dat die ‘met roepende akse en bij lichten dage’ wordt geveld en zeker niet ‘over mans slapende tijd’. Als iemand betrapt wordt op het ongevraagd hakken van hardhout mag zijn rechterhand op de stam worden afgehakt. Het wordt nog schrikwekkender als dat bij nacht gebeurt want dan wordt de afgehouwen stam vervoerd onder de linde in het dorp en ‘houwen ze het hoofd van den houwer op de stam af’.

Middenin de bossen worden enkele honderden varkens gekweekt. Het hout van de bossen wordt gebruikt als timmer- of brandhout. De mensen kweken bijen voor de honing en ze houden ganzen. Een aantal families staan met naam en toenaam beschreven in het polypticum: de families Godobert, Mortbert, Engeten, Radeken, Aldbert en Abbo. Het zijn duidelijk Frankische families met namen die we in de 21e eeuw nog steeds terugvinden in hun Dietse land van herkomst. Germanen die we anno 2014 eenvoudigweg Duitsers noemen.

Het vroonhof in de marke van Poperinge
De proosten van Sint-Bertijns regeren al eeuwen over de hofmarke Poperinghem. De abdij laat er rond het jaar 700 de St.-Catharinakapel bouwen die later vervangen wordt door een ruimere bidplaats, de Sint-Bertinuskerk. Met ernaast haar proosdij van het vroonhof. Synoniemen van het vroonhof zijn zowat overal doorheen de hele Vlaamse gouw terug te vinden. Zo spreken we van hoofdhof, herenhof, dinghof, zaalhof, zedelhof of havezate.

Het eigendomsrecht van de proost van Sint-Bertijns wordt uitgeoefend op drie niveaus die elk hun eigen naam hebben. Eerst en vooral bezit de heer persoonlijk zaailand en landerijen die hij zelf bewerkt. De mansus indominaticus of het vroonhof is het centrale gebouw en is, net zoals een grote boerderij, voorzien van de nodige bijgebouwen. Het vroonhof van Poperinghem is ongeveer 772 hectaren groot.

Een kleine 30% van het vroonhofland is landbouwgrond, de rest beukenbos met kreupelhout. Van weideland is geen sprake. De afgevaardigde van Sint-Bertijns baat het vroonhofland dus zelf uit bijgestaan door een team van mansionarii, servi, ingenii en tenurehouders. Het grootste gedeelte van zijn marke Poperinghem, méér dan 1100 hectaren, wordt bewoond en bewerkt door huisgezinnen, vrijen en onvrijen, die een deel van hun oogsten (ze worden onderverdeeld in tienden) afstaan aan de landeigenaar. We bevinden ons hier in de terra mansionaria, dat onderverdeeld is in een reeks van hofhorige mansi.

Een mansus is een bescheiden hoeve op een stuk grond die bewoond wordt door een mansionarus. De beschikbare grond per mansus varieert tussen de 20 en 30 hectaren. De uitbating van de mansus gebeurt door mansi serviles en mansi ingenuiles. In Poperinghem zijn er 48 mansi. De grote meerderheid (44) worden uitgebaat door ingenii, slechts vier door servi. Op grotere afstand van het vroonhof bewerken vrije mensen hun eigen land. Wel te verstaan op voorwaarde dat ze de proost erkennen als leider van de hofmarke Poperinghem. In Poperinghem treffen we twee mansi (geklasseerd als dienstgoederen) aan die bewoond zijn door caballerii.

Die caballerii komen niet enkel voor in Poperinghem maar zien we overal doorheen het Frankenland. In feite zijn het een soort huurlingen, een soort veiligheidsagenten die hun diensten bewijzen voor wat betreft begeleiding en bescherming van rijke grondeigenaren. Ze functioneren eveneens als boodschappers van dienst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat caballerii in het bezit zijn van een paard.

De dienstgoederen van caballerus Mortbert
Caballerii zijn natuurlijk niet te verwarren met ridders en met adellijke milities. Het zijn halfvrije mensen die zeker ook nog een aantal landbouwprestaties moeten leveren aan hun leenheer. De mansi die ze daarvoor ter beschikking krijgen, zijn dan ook in zekere zin een vorm van tegenprestatie die ze van de grondeigenaar krijgen in ruil voor hun hand- en spandiensten op zijn grondgebied. Een eerste caballerus is Godobert die een vroonhof bezit van 124 hectaren, waarvan 95% akkerland.

Het land wordt bewerkt met de hulp van amper 6 lijfeigenen. Beeld u eens in dat u in een tijd zonder enige vorm van machinerie 20 hectaren moet bewerken. Alleen! Het lot van de lijfeigenen moet diep triest en uitzichtloos zijn in die vroege tijden. De dienstgoederen van caballerus Mortbert bestaan uit een domein van 45 hectaren waarvan 28 hectaren akkerland en de rest kreupelhout. Mortbert heeft de vrije beschikking over tien lijfeigenen.

Poperinghem wordt volgens het polypticum in de 9de eeuw bewoond door circa 1000 mensen. Er dient gewerkt en gezwoegd te worden. Alle bewoners van de domeinen die toebehoren aan de Sint-Bertijnsabdij moeten een aantal verplichtingen naleven ten opzichte van hun leenheer. De mannen moeten karweien uitvoeren in de mansi en de vrouwen vervaardigen textielwaren en leveren voedingswaren. Nog anderen betalen in geld of in natura. De servi (mannen) en de anceillae (vrouwen) zijn de lijfeigenen: ze moeten drie dagen per week werken op de mansus indominaticus hoewel ze dus zelf een mansus uitbaten. De ancillae dienen jaarlijks een groot stuk lijnwaad te vervaardigen voor hun leenheer.

De villa Pupurninga
Ze moeten ook zorgen voor ongeveer 170 liter mout uit gerst die zal gebruikt worden voor het brouwen van bier. Elk jaar zorgen ze voor 2 kippen en 10 eieren en om de drie jaar moeten ze een varken leveren ter waarde van vier denieren. Alle mansionarii, zowel de ingenui als de servi, zijn verplicht om militaire services en vervoerdiensten voor hun heer uit te voeren. Vooral het vervoer van wijn is van groot belang.

De mansionarii van Poperinghem worden twee keer per jaar opgeroepen voor legerexpedities of om hun wijnkarren te vervoeren. Buiten de villa Pupurninga wonen er ook mensen die beschermd worden door de heren van Sint-Bertijns. In ruil voor die bescherming moeten ze een cijns betalen en moeten ze karweitjes verrichten. Zo zijn er de luminarii die geld of was geven die gebruikt wordt voor de verlichting in de kerk.

Het is niet verwonderlijk dar de term luminarii rechtstreeks refereert naar verlichting. In Poperinghem zijn er 174 van die luminarii die met zijn allen 2 pond en 8 schilling betalen. Maar wie zijn eigenlijk die bewuste luminarii, de mensen die niet binnen het domein van hun leenheer wensen te wonen? Hebben ze hun persoonlijke vrijheid aan de kerk weggegeven en zijn ze bereid de rest van hun leven te wijden aan de steun aan de christelijke religie?

Het is zelf mogelijk dat het lijfeigenen zijn die door hun heer aan de kerk worden geschonken op voorwaarde dat ze jaarlijks hun cijnzen afdragen aan de proost. Het mag natuurlijk vermeld worden dat de hoofdabdij van Sint-Bertijns een imposante leenheer is voor de mensen van de Westhoek. Poperinghem is het enige grote domein van Sint-Bertijns in de regio en de bescherming van de streek door die machtige abdij wordt door de mensen sterk op prijs gesteld.

Er zijn meer dan voldoende bewoners die door godsvrucht, armoede en vooral uit bittere noodzaak aan bescherming besluiten om hun leven te wijden aan de dienst van één of andere heilige.

De 109 herescarii van Poperinghem
Een andere bevolkingsgroep wordt gevormd door de herescarii. In Poperinghem leven er 109 herescarii als onderdanen van Sint-Bertijns. Ze leveren diensten te voet, als drager of als boodschapper. Ook zij worden verplicht om karweien op te knappen en om een jaarlijkse cijns te betalen. Bij de villa behoort natuurlijk ook de kerk die bedeeld is met 17 hectaren akkerland. De kerk dankt die eigendommen aan een ‘capitulare’ van 818 waarbij de Franse koning Lodewijk de Vrome elke kerk in Frankrijk een ‘mansus integer’ toewijst.

Die mansus integer bestaat uit minimaal 15 hectaren en 2 mancipia, lijfeigenen. Het akkerland en de lijfeigenen moeten volgens de capitulare geschonken worden door de vrije inwoners, die trouwens verplicht worden om de kerkdiensten bij te wonen. In het geval van de kerk in Poperinghem is er geen sprake van mancipia. Dat kan verklaren waarom er 17 hectaren akkerland verstrekt wordt i.p.v. de minimaal vereiste 15 hectaren.

Maar hoe zit het nu eigenlijk met de relatie van de Sint-Bertijnsabdij en de grafelijke heerschappij? Enkele jaren na het huwelijk van de jonge Vlaamse graaf Boudewijn met Judith, de dochter van Karel de Kale, schonk de Franse koning de gouwen Gent, Waas en Ternois, de streek van Sint-Omaars, aan het prille pagus Flandrensis van zijn schoonzoon. We spreken van 866. De politieke inmenging van de Vlaamse graaf in de abdij van Sint-Bertijns moet zeker al een belangrijke impact hebben in die periode.

In 880, kort na de dood van Boudewijn I, ruiken de Noormannen hun kans om de aantrekkelijke Vlaamse gouwen binnen te vallen. De verwoestingen en vernielingen van de al bij al welvarende mansi zijn nefast voor Poperinghem. Tot in 881 gaan de barbaarse noorderlingen door met hun destructieve aanvallen. Ze dringen door tot diep in het Franse vasteland. Ook Sint-Bertijns en Sint-Omaars ondergaan hun wrede lot.

De Franse koning begrijpt dat het zo niet verder kan. Hij ziet in dat het vlakke en door rivieren doorkruiste Vlaanderen eigenlijk niet te verdedigen valt tegen de Noormannen. Hij schuift de grens van zijn rijk bewust achteruit tot aan de heuvels van Artois.

De barbaren vertrekken in 883
Met dat doel bouwt hij in 881 een burcht te Etrun aan de Schelde. De ligging is ideaal: de heuvelenreeks, die van Saint-Quentin naar Cap Blanc Nez loopt en de Vlaamse vlakte van de Sommestreek scheidt, vormt een natuurlijke hinderpaal voor een vijandelijk landleger. Sint-Bertijns en Sint-Omaars vallen in het beschermende hart van de verdedigingsgordel, Poperinghem echter, wordt tot diep in 883 aan zijn lot overgelaten.

De Franse koning Karloman heeft het opperbevel van de noordelijke verdedigingsgordel toevertrouwd aan abt Rudolf die er voor zal zorgen dat de abdij van Sint-Bertijns deze keer wel buiten schot blijft van enige vernieling. In 883 vertrekken de barbaren. De jonge Boudewijn II neemt zonder slag of stoot het niemandsland ten noorden van de Franse heuvels in. Tot dat niemandsland behoort de zwaar geteisterde villa van Pupurninga.

Zo goed als iedereen is op de vlucht geslagen voor de baldadige Noormannen. Nu kunnen de mensen en de monniken stilaan terugkeren. Dat is ook het geval in Poperinghem. Abt Rudolf krijgt van de Franse koning de abdijen van Sint-Bertijns en Sint-Vedast als tegenprestatie voor zijn kranig verweer tegen de Noormannen. Boudewijn II heeft grote plannen met zijn jong graafschap. Expansie is het sleutelwoord!

En dat kan in de richting van het zuiden waar hij ongebreideld kan profiteren van de turbulente strijd om het leiderschap in het woelige Francia. Op 5 januari 892 sterft de abt-graaf Rudolf, meester van het graafschap Ternois en van de Sint-Vaast en Sint-Bertinusabdij. Boudewijn II eist de bezittingen van zijn overleden neef Rudolf voor hem op. Hoewel deze lenen van geen kanten erfelijk zijn in de zijlijn. Graaf Boudewijn II is natuurlijk zelf geen geestelijke maar dat belet hem niet om Rudolf op te volgen als lekenabt.

Hij komt in 892 aan het roer van de uitgestrekte domeinen van Sint-Bertijns. Poperinghem komt onder zijn rechtstreeks gezag te staan. Als graaf Boudewijn II in 918 sterft, laat hij een bloeiend graafschap achter voor zijn 2 zonen Arnulf en Adalolf. Na de aftocht van de Noormannen is hij er in geslaagd om de hand te leggen op alle grondeigendommen van de kerk, van de staat, en mogelijk ook van de grootgrondbezitters. Daarenboven heeft hij van rechtswege de eigendomsrechten over alle woeste en braakliggende gronden. Hij is één van de rijkste grootgrondbezitters geworden van heel Frankrijk.

Poperinghem behoort tot het gebied van graaf Adalolf
Zijn vorstendom wordt verdeeld onder zijn twee zonen. Arnulf krijgt het belangrijkste gebied tussen de Schelde, de zee en de heuvels van Artois. Met andere woorden: Vlaanderen. De jongste, Adalolf, verwerft de Boulonnais en Ternois en volgt zijn vader op als lekenabt van Sint-Bertijns. Poperinghem behoort dus tot de gebieden van graaf Adalolf. De volgende decennia zijn een aaneenschakeling van oorlogen en geweld met het oog op een consolidatie en uitbreiding van het graafschap.

In 933 sterft Adalolf. Arnulf negeert diens kinderen en annexeert ongegeneerd het territorium van zijn overleden broer. Arnulf wil zich laten gelden als autoritair leider in zijn graafschap Vlaanderen. En dat is niet evident: enerzijds heeft hij af te rekenen met lokale grondeigenaars die zich heer en meester voelen in hun respectieve heerlijkheden. Anderzijds heeft hij af te rekenen met de invloed en de regionale macht van de monniken die een niet te onderschatten invloed hebben op de lokale bevolking en dus ook in het landelijke Poperinghem.

Het leven van de monniken speelt zich af rond invloed, macht en corruptie. Godsdienst en christelijke leer zijn verdraaid handige dekmantels om de bevolking aan zich te binden. Van devotie en onthecht leven is al lang geen sprake meer in de abdijen van Gent, Sint-Vaast en Sint-Bertijns. Arnulf die tuk is om de ‘echte’ macht te grijpen binnen die kloostergemeenschappen vindt een bondgenoot bij Transmarus, de bisschop van Doornik en een zekere Gerard van Brogne die zich allebei engageren om de geestelijke zuiverheid binnen de abdijen te herstellen.

Bovenaan de agenda staat natuurlijk het laten gelden van het grafelijk gezag en de bescherming van de grondgebieden van de abdijen en het terugwinnen van gebieden die de voorbije jaren door lokale grondbezitters onterecht werden ingenomen. Arnulf die meester is over Poperinghem maar tezelfdertijd ook over de abt van Sint-Bertijns, besluit om zijn marke opnieuw onder te brengen bij het eigendom van Sint-Bertijns.

De abdij krijgt het ‘comitatus’ voor haar hele domein: ze krijgt carte blanche en het exclusieve recht om haar eigen wetgeving te laten gelden over de hele regio. De abt wordt de enige baas van zijn eigendommen. Toch behoudt de graaf een slag om de arm in Poperinghem: hij behoudt het recht om militaire diensten op te eisen binnen zijn grondgebied. En een stuk van de belastingen. Wat wil een mens meer? De hervormingen van Gerard van Brogne zijn er dus voornamelijk op gericht om het grafelijk gezag te herstellen. Hoe dan ook zijn efficiënt gerunde abdijen een waarborg op een goed beheer van de onmetelijke landgoederen van graaf Arnulf.

Dit is een fragment uit deel 2 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1150001.htm

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>